Deel 5 Sociale zekerheid
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen Basiswetgeving Het algemeen pensioenstelsel, dat van toepassing is op de meeste werknemers uit de privésector, wordt beheerst door een aantal wetten en koninklijke besluiten, waarvan de belangrijkste zijn: – het KB nr. 50 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers van 24.10.1967; – het KB van 21.12.1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rusten over levingspensioen voor werknemers tot uitvoering van het koninklijk besluit nr. 50; – het KB nr. 50 en het uitvoeringsbesluit werden herhaaldelijk gewijzigd; – de wet van 20.07.1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn; wet houdende diverse bepalingen van 28 december 2011.
1
Algemeen
Algemeen wordt aangenomen dat ons pensioenstelsel er niet schitterend voorstaat. Langs diverse kanten wordt aan de alarmbel getrokken. Wat zijn de problemen? – De vergrijzing van de bevolking, waardoor er een wanverhouding ontstaat tussen het aantal actieven en niet-actieven. De Studiecommissie voor de Vergrijzing berekende dat door de vergrijzing de pensioenuitgaven tegen 2060 zullen stijgen van 9,9 % van het bruto binnenlands product tot 14,5 %, een toename met bijna 50 %. Tegen 2060 zouden er nog slechts twee werkenden zijn voor één gepensioneerde. De levensverwachting van de gepensioneerden stijgt nog steeds. – De vroege pensioenleeftijd. Momenteel gaan in ons land mensen gemiddeld op 59 jaar met pen sioen, dat is heel wat vroeger dan gemiddeld in Europa. Slechts 5 % van de mensen werkt door tot de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar. – De lage pensioenbedragen. Het wettelijk pensioen bedraagt in België gemiddeld 1 120,00 EUR per maand. Assuralia, de beroepsfederatie van de verzekeringsondernemingen, becijferde dat de modale werknemer na zijn pensionering terugvalt op 40 % van zijn laatste jaarloon. Voor de betere verdieners ligt dat percentage nog lager. Het aantal rechthebbenden bedraagt ongeveer 2,35 miljoen (waarvan 2,14 miljoen in België). Zij ontvangen een pensioen in diverse vormen: gezinspensioen, pensioen voor alleenstaande, overlevingspensioen, minimumpensioen en inkomensgarantie voor ouderen. De uitgaven aan wettelijke pensioenen door de Federale Pensioendienst bedragen thans ongeveer 37 miljard euro. Om het hoofd te bieden aan de gesignaleerde problemen heeft de federale overheid werk gemaakt van een pensioenhervorming. Daartoe werd een expertcommissie opgericht en een nieuwe invulling gegeven aan het pensioenbeleid. Het beleid werd sterk verbonden met een arbeidsmarktbeleid en een armoedebeleid. Deze ideologische omslag heeft tijdens de afgelopen jaren geleid tot verscheidene wetswijzigingen. De huidige federale regering heeft een pensioenhervorming gepland voor de periode 2025-2029, die werd goedgekeurd in het federale parlement op 28 mei 2026, en die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 2 juni 2026.
362
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
2
Pensioenpijlers
Het Belgisch pensioenstelsel steunt op drie pijlers: het wettelijk pensioen als basispijler en nog twee andere pijlers om dat pensioen aan te vullen.
2.1
Wettelijk pensioen
De financiële basis voor het wettelijk pensioen wordt gevormd door de werkgevers- en de werknemersbijdragen voor de RSZ, die dat bedrag overmaakt aan de Federale Pensioendienst (FPD). De FPD staat in voor de betaling van het wettelijk pensioen aan de rechthebbenden. Dat is het repartitiesysteem waarbij de actieve bevolking het pensioen betaalt van de gepensioneerden. Binnen deze pijler zijn er drie grote stelsels: het stelsel voor de werknemers, de zelfstandigen en de ambtenaren. Voor mijnwerkers, zeevarenden, vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaarten en beroepsjournalisten gelden bijzondere regels. De Belgische pensioenen zijn niet gelijk verdeeld. Vooreerst hebben vrouwen duidelijk lagere pensioenen dan mannen. Verder zijn er ook duidelijke verschillen tussen de types loopbanen. Vastbenoemde ambtenaren, de zogenoemde statutairen, komen aan een gemiddeld pensioen van 2 731,00 euro per maand. Dat is meer dan het dubbele van een gemiddeld pensioen van werknemers (1 161,00 euro), en zowat het drievoudige van het gemiddelde pensioen van een zelfstandige. Een nettopensioen in België is gemiddeld ruim 66 % (twee derde) van het inkomen dat men voordien had. In dit hoofdstuk wordt het wettelijk pensioenstelsel voor de werknemers behandeld. Het stelsel voor de zelfstandigen komt later aan bod. Het pensioenstelsel voor de ambtenaren en de kleine bijzondere pensioenstelsels worden niet behandeld
2.2
Aanvullend pensioen
Het aanvullend pensioen wordt gefinancierd op basis van kapitalisatie en wordt georganiseerd door de werkgever, ofwel via een collectief pensioenstelsel op het niveau van de sector ofwel op het niveau van de onderneming zelf. Het meest bekend is de groepsverzekering. Daarin storten de werkgever en eventueel ook de werknemer elke maand een bijdrage. Daarnaast zijn heel wat werknemers aangesloten bij een pensioenfonds. Het zijn vooral de grotere bedrijven die zo’n pensioenfonds hebben. Zelfstandigen moeten zelf hun aanvullend pensioen opbouwen. Ambtenaren hebben geen aanvullend pensioen, maar de federale overheid werkt momenteel aan een aanvullend pensioenplan voor de ambtenaren die tewerkgesteld zijn in contractueel verband (en niet statutair aangesteld zijn). Het is ook mogelijk om, vrijwillig of via zijn werkgever, in te schrijven op een aanvullend pensioen bij de FPD-Werknemerspensioenen, ofwel in het kader van een groepsverzekering (tweede pensioenpijler), ofwel in het kader van een individuele levensverzekering (derde pensioenpijler).
363
Deel 5 Sociale zekerheid
Bijna 4 miljoen mensen hebben samen voor bijna 91,5 miljard euro aan aanvullend pensioen opgebouwd, dit is 7 % meer dan een jaar eerder. Bij de werknemers gaat het om 63,1 miljard euro, bij de zelfstandigen om 28,3 miljard euro.
2.3
Pensioensparen en langetermijnsparen met belastingvoordeel
Via het individueel pensioensparen kan men op eigen kracht een kapitaal opbouwen. Aan deze vorm van sparen is een belastingvoordeel verbonden. Hoe vroeger men begint met pensioensparen, hoe groter het bedrag dat men opbouwt. Pensioensparen kan gebeuren via: – een groepsverzekering: hier is op voorhand geweten wat het minimale rendement van het gespaarde bedrag zal zijn; – een pensioenfonds: hier is geen minimumrendement gewaarborgd. Het fonds evolueert mee op het ritme van de beurs. Dat kan meevallen in goede beursjaren, maar kan ook leiden tot verlies in geval van beurscrisis.
2.4
Vierde pensioenpijler
Het eigen huis en het extra spaargeld worden beschouwd als een belangrijke vierde pijler ter aanvulling van het pensioen. Het is deze pijler die ervoor zorgt dat de gepensioneerden toch relatief welvarend zijn niettegenstaande het lage niveau van het wettelijk pensioen. In 2018 was 72 % van de huishoudens eigenaar van de woning waarin ze wonen. Het gezamenlijke bedrag op de Belgische spaarboekjes is afgelopen jaar aangegroeid tot ruim 295,4 miljard euro. Dit is een stijging met 13 miljard euro.
3
Rustpensioen
3.1
Voorwaarden
A Leeftijd- en loopbaanvoorwaarden 1/ Algemene regel De pensioenleeftijd is 65 jaar, zowel voor mannen als voor vrouwen. Er bestaat geen verplichting om op 65 jaar met pensioen te gaan. Het pensioen is een recht. Een werknemer kan dus, als de werkgever ermee akkoord is, nog blijven werken na zijn 65ste verjaardag. De wettelijke pensioenleeftijd wordt in 2025 (met ingang vanaf 1 februari 2025) verhoogd tot 66 jaar en in 2030 (met ingang vanaf 1 februari 2030) tot 67 jaar. 2/ Vervroegd pensioen Vervroegd pensioen vóór de leeftijd van 65 jaar is mogelijk wanneer in het jaar dat men met pensioen wenst te gaan: – de minimumleeftijd bereikt is; en – aan de loopbaanvereiste voldaan is. De minimumleeftijd en bijbehorende loopbaanduur op de datum waarop men vanaf 2019 vervroegd met pensioen kan gaan, zijn 63 of 64 jaar en 42 loopbaanjaren. Uitzonderlijk kunnen werknemers
364
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
op vervroegd pensioen gaan hetzij op 60 jaar met 44 loopbaanjaren, hetzij op 61 jaar of 62 jaar met 43 loopbaanjaren. De gewerkte jaren in een Belgisch wettelijk pensioenstelsel alsook bepaalde niet-gewerkte perioden (onder andere ziekte, werkloosheid en gemotiveerd tijdskrediet) worden meegerekend voor het vervroegd pensioen. Voor de vroegst mogelijke pensioendatum vanaf 1 januari 2027 tellen voor de loopbaanvereiste enkel nog de loopbaanjaren met 156 gewerkte of gelijkgestelde dagen mee. Uitzonderlijk zijn voor het eerste loopbaanjaar minstens 104 dagen voldoende. De loopbaanjaren met minder dan 156 dagen kunnen worden aangevuld met maximaal 5 reservedagen en/of met balansdagen voor halftijdse tewerkstelling met schommelende uurroosters. De reservedagen worden automatisch op de meest voordelige manier ingezet en kunnen alleen worden gebruikt om tot de vereiste 156 dagen te komen. Met balansdagen worden jaren met meer dan 156 dagen en jaren met minder dan 156 dagen in eenzelfde periode van halftijdse tewerkstelling in balans gebracht. Vanaf 2027 kan men op 60 jaar met vervroegd pensioen gaan na een lange loopbaan van minstens 42 jaar met elk minstens 234 effectief gewerkte dagen. Bepaalde inactiviteitsperioden (o.a. tijdelijke werkloosheid, moederschapsrust, geboorteverlof) tellen ook. Geregulariseerde studieperioden of geregulariseerde perioden via vrijwillige bijdragen daarentegen tellen niet mee voor het vervroegd pensioen, maar wel voor het pensioenbedrag. Bijna-gepensioneerde werknemers (en bijna-gepensioneerde ambtenaren) kunnen genieten van meer gunstige overgangsmaatregelen voor vervroegd pensioen. Er werd een pensioenmalus ingevoerd, dit is een vermindering van het bruto pensioenbedrag als men vroeger op pensioen gaat en niet voldoet aan bepaalde voorwaarden. Ook als men voldoet aan de loopbaan- en leeftijdsvoorwaarden om op vervroegd pensioen te gaan, kan men een malus krijgen als de volgende bijkomende voorwaarden niet zijn vervuld: – een loopbaan van 35 jaar met minstens 156 gewerkte dagen én – 7 020 gewerkte dagen op de volledige loopbaan. De jaren met minder dan 156 dagen kunnen worden aangevuld met maximaal 5 reservedagen en/ of balansdagen (zie hoger). De reservedagen tellen niet mee voor de voorwaarde van 7 020 dagen. Bepaalde perioden van inactiviteit (o.a. zorgverlof, moederschapsrust, geboorteverlof, adoptieverlof, pleegouderverlof, tijdelijke werkloosheid, ziekte en invaliditeit, arbeidsongeval en beroepsziekte) tellen mee als gewerkte dagen. Als de pensioenmalus van toepassing is, wordt het pensioenbedrag verlaagd met een bepaald percentage voor elk jaar dat men vroeger met pensioen gaat dan de wettelijke pensioenleeftijd. Het percentage per jaar hangt af van het geboortejaar en wordt toegepast in verhouding tot het aantal maanden dat men voor de wettelijke pensioenleeftijd op pensioen gaat. B Pensioenaanvraag 1/ Ambtshalve onderzoek De werknemer die op 65 jaar met pensioen wenst te gaan, moet geen formaliteiten vervullen. Voor iemand die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en zijn hoofdverblijfplaats in België heeft, wordt het rustpensioen ambtshalve onderzocht en geopend. Het ambtshalve onderzoek vervangt de aanvraag. 2/ Pensioenaanvraag Er moet nog wel een aanvraag ingediend worden als het pensioen vóór of na de wettelijke pensioenleeftijd ingaat. Ook personen met een hoofdverblijfplaats in het buitenland moeten een aanvraag
365
Deel 5 Sociale zekerheid
indienen. Als men in België woont, kan men de pensioenaanvraag op verschillende manieren indienen: – online via pensioenaavraag.be of mypension.be; via deze vereenvoudigde procedure kan de aanvraag sneller verwerkt worden. Nadat de online aanvraag is ingediend, krijgt de aanvrager een ontvangstbevestiging. Die kan afgedrukt en bewaard worden als bewijs; – bij het gemeentebestuur van de woonplaats; – bij de Pensioendienst: via een Pensioenpunt in de buurt van de woonplaats. Binnen de maand na de aanvraag krijgt men een ontvangstbevestiging. Na onderzoek en eventuele vervollediging van het dossier ontvangt men een gedetailleerd overzicht van de berekening van het pensioenbedrag. 3/ Pensioeninfo Vanaf de leeftijd van 57 jaar kan men een raming van het pensioenbedrag en -datum op maat aanvragen. Daarbij kan de FPD rekening houden met een nieuwe loopbaankeuze (bv. halftijdse betrekking, nieuw contract) of een specifieke pensioendatum. Specifieke pensioeninformatie op maat kan verkregen worden via mypension.be, via het formulier dat beschikbaar is op de website van de FPD, via de Pensioenlijn op het nummer 1765 of via het Pensioenpunt. De burger kan ook met zijn elektronische identiteitskaart of token inloggen op ‘MyPension’, het online pensioendossier van de Federale Pensioendienst. Dankzij de geïndividualiseerde en beveiligde toegang zijn al de loopbaangegevens al ingevuld en kan hij het pensioenbedrag en de vroegst mogelijke pensioendatum over de drie pensioenstelsels (werknemer, ambtenaar en zelfstandige) heen berekenen. Hij kan ook simuleren welke impact bepaalde loopbaankeuzes hebben op het pensioen. Via het luik ‘aanvullende pensioenen’ kan de burger bovendien zien bij welke verzekeraar of welk fonds hij kan aankloppen om zijn groepsverzekering op te vragen. http://www.onprvp.fgov.be/nl/mypension.aspx
3.2
Beëindiging van de arbeidsovereenkomst
De arbeidsovereenkomst eindigt niet automatisch bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Aan de arbeidsovereenkomst moet dus eerst een einde gemaakt worden. De werkgever kan een bediende die de leeftijd van 65 jaar nadert opzeggen met een verkorte opzeggingstermijn. Als de arbeidsovereenkomst ten vroegste eindigt op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de werknemer de wettelijke pensioenleeftijd bereikt (momenteel 65 jaar), dan moeten de gewone opzegtermijnen worden toegepast, maar met een maximum van 26 weken. De begrenzing op 26 weken is de enige vorm van verkorting van de opzegtermijn die voor pensioneringen blijft bestaan in de reglementering van het eenheidsstatuut. In de praktijk zal de arbeidsovereenkomst meestal in onderling akkoord tussen de werkgever en de werknemer beëindigd worden.
3.3
Ingangsdatum van het pensioen
Het pensioen gaat in de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de pensioenleeftijd wordt bereikt.
366
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
3.4
Berekening van het pensioen
A Algemene regel Voor de berekening van het pensioen komen de volgende elementen in aanmerking: – de beroepsloopbaan in jaren, – het verdiende loon, – de gezinssituatie. Het pensioen wordt per kalenderjaar van de beroepsloopbaan berekend aan de hand van de formule: P = L(c) × 1/45 × G Waarbij: P = bedrag van het rustpensioen L = het jaarloon (begrensd) (c) = de herwaarderingscoëfficiënt (verschillend voor elk jaar) G = het percentage van de gezinssituatie: 60 % of 75 % Voor elk loopbaanjaar wordt de pensioenopbrengst berekend in de volgende stappen: – Stap 1. Som van de werkelijke, fictieve en forfaitaire lonen + eventuele verhoging van lage lonen tot het gewaarborgd minimum jaarloon (= minimumjaarrecht). – Stap 2. Vergelijking van het totale loon op basis van het loonplafond; eventuele beperking van het totale loon tot dit plafond. – Stap 3. Herwaardering van het totale loon op jaarbasis (= aanpassing aan de levensduurte via de toepassing van de specifieke herwaarderingscoëfficiënt voor elk jaar) + eventuele verhoging van het geherwaardeerde totale loon door het gewaarborgd minimumjaarloon. – Stap 4. Delen van elk loopbaanjaar door 45. – Stap 5. Vermenigvuldiging met 60 % of 75 % afhankelijk van de gezinssituatie. Vervolgens worden de pensioenopbrengsten van elk jaar opgeteld. Dit levert het totale pensioenbedrag op dat de werknemer zal ontvangen. B Beroepsloopbaan Om recht te hebben op pensioen moet men als werknemer gewerkt hebben in België of in het buitenland voor een in België gevestigde werkgever. Voor die tewerkstelling moeten de wettelijke sociale bijdragen ingehouden zijn. Contractuele en tijdelijke ambtenaren worden beschouwd als werknemers voor de toekenning van hun pensioenrechten. Tellen ook mee voor de opbouw van een werknemerspensioen, de periodes van tewerkstelling als: – contractuele medewerker die niet benoemd werd tot statutaire medewerker; – contractuele medewerker waarvan daarna de eerste vaste benoeming plaatsvond na 30 november 2017; tijdelijke prestaties in het onderwijs worden echter altijd opgenomen in het ambtenarenpensioen, ongeacht de datum van de vaste benoeming; – statutaire medewerker die, om diverse redenen, geen recht geven op een pensioen van de openbare sector (bv. het verlies van pensioenrechten door een tuchtmaatregel). Voor de pensioenen die zijn ingegaan vanaf 2015 zullen meer dan 45 loopbaanjaren meetellen voor de pensioenberekening. Het beginsel van eenheid van loopbaan zal immers gebaseerd worden op dagen in de plaats van jaren. Het maximum van 45 jaar wordt vervangen door 14 040 dagen. De minst voordelige dagen worden uit de pensioenberekening gehaald.
367
Deel 5 Sociale zekerheid
Het bewijs van de loopbaan wordt verstrekt aan de hand van de gegevens van de individuele pensioenrekening. Een globaal loopbaanoverzicht kan steeds worden geraadpleegd op mypension.be. De Federale Pensioendienst bezorgt jaarlijks een uittreksel met de loopbaangegevens van twee jaar daarvoor en stuurt ook een globaal loopbaanoverzicht naar alle werknemers in het jaar waarin ze respectievelijk 30, 35, 40, 45 en 50 jaar worden. 1/ Loopbaanbreuk De loopbaanbreuk geeft het belang van de loopbaan weer en is gelijk aan: beroepsloopbaan in jaren De loopbaanbreuk = ____________________ 45 De noemer van de loopbaanbreuk is gelijk aan een volledige loopbaan van 45 jaar (of 14 040 dagen = 45 × 312 dagen). In de teller staat het aantal jaren van de beroepsloopbaan als werknemer. Elk jaar van effectieve tewerkstelling en de daarmee gelijkgestelde perioden wordt voor 1/45 in aanmerking genomen. Bij een onvolledige loopbaan is het pensioen slechts een breukgedeelte van het pensioen voor een volledige loopbaan. Het aantal loopbaanjaren dat meetelt voor het pensioen is echter niet langer beperkt tot 45 jaar. Voortaan mag men immers werken zo lang men wil, op voorwaarde dat de werkgever akkoord is. Als de loopbaan minder dan 14 040 dagen telt, tellen alle gewerkte dagen en gelijkgestelde dagen mee voor de berekening van het pensioen en is er geen beperking tot de eenheid van loopbaan. Als de loopbaan echter meer dan 14 040 dagen telt, wordt voor de berekening van het pensioenbedrag gebruikgemaakt van de 14 040 dagen die het meeste pensioen opbrengen, ongeacht of het gaat om gewerkte dagen of om niet-gewerkte dagen. In dat geval wordt ook rekening gehouden met de effectief gewerkte dagen die gelegen zijn na de eerste 14 040 dagen van de loopbaan. Tellen echter niet mee: de niet-gewerkte dagen door volledige vrijwillige werkloosheid, (pseudo)brugpensioen en SWT die na de eerste 14 040 dagen van de loopbaan vallen, zelfs als ze voordeliger zijn. Bij de beperking tot de eenheid van loopbaan mogen niet meer dan 1 560 dagen van de loopbaan geschrapt worden. In geval van een gemengde loopbaan kan het aantal te schrappen dagen onder bepaalde voorwaarden versoepeld worden. 2/ Gelijkgestelde perioden Voor de berekening van het pensioen worden bepaalde perioden van inactiviteit gelijkgesteld met de perioden van tewerkstelling op voorwaarde dat ze als dusdanig aanvaard worden. Voor deze perioden wordt dan rekening gehouden met een normaal fictief loon (berekend op basis van het gemiddeld dagloon van het vorige, het lopende of het komende kalenderjaar) in plaats van de effectief ontvangen uitkeringen. In sommige gevallen gebeurt de gelijkstelling op basis van een forfaitair jaarloon (vóór 1968) of op basis van een beperkt fictief loon. Dat is het normaal fictief loon beperkt tot een bepaald referentieloon dat overeenkomt met het minimumrecht per loopbaanjaar. Volgende perioden worden gelijkgesteld op voorwaarde dat de werknemer de wettelijk voorziene uitkering genoten heeft: – de perioden van moederschapsverlof, vaderschapsverlof en adoptieverlof waarvoor men een uitkering van het ziekenfonds ontvangt; – de perioden van thematisch verlof: palliatieve zorg, verzorging van een zwaar ziek familielid of ouderschapsverlof waarvoor hij een onderbrekingsuitkering van de RVA ontvangt; de vierde maand ouderschapsverlof wordt ook gelijkgesteld, ook al ontvangt de werknemer er geen uitkering voor;
368
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
– de perioden van tijdskrediet voor maximum 36 maanden (tijdskrediet met motief ‘opleiding’) resp. maximum 51 maanden (tijdskrediet met motief ‘zorgen’): De volgende perioden worden gelijkgesteld als de betrokkene bij de aanvang van de periode werknemer was of zich al in een periode van gelijkstelling bevond: – de perioden waarin de werknemer een wettelijke vergoeding genoot wegens arbeidsongeval of beroepsziekte en hij ten minste 66 % arbeidsongeschikt was; – de perioden van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en invaliditeit waardoor hij een uitkering van het ziekenfonds ontvangt; – de perioden van wettelijke jaarlijkse vakantie; – de periode van inactiviteit van een mindervalide als hij erkend is als persoon met een handicap en hiervoor een tegemoetkoming ontvangt van de FOD Sociale Zekerheid en als hij een arbeidsongeschiktheid van minstens 65 % bewijst; – de perioden van staking erkend door de vakorganisaties en de perioden van arbeidsonderbreking wegens lock-out; – de perioden van voortgezette verzekering zoals voorzien in de wetgeving op de ziekte- en invaliditeitsverzekering, gedekt door een attest; dit is o.m. van toepassing voor een werkneemster die borstvoedingsverlof neemt voor haar kind. – de perioden van tewerkstelling als deeltijdse werknemer met behoud van rechten. Als men een inkomensgarantie-uitkering ontvangt, telt de periode waarin men deeltijds werkt met behoud van rechten volledig mee voor de werknemersloopbaan. Als men geen inkomensgarantie-uitkering ontvangt, telt de periode waarin men deeltijds werkt met behoud van rechten slechts gedeeltelijk mee voor het werknemerspensioen; – de perioden van verminderde arbeidsprestaties in het kader van maatregelen tot herverdeling van de arbeid. Voor de pensioenen die ingaan vanaf 2027, wordt voor gelijkgestelde perioden van werkloosheid en eindeloopbaan vanaf 1 februari 2025 het fictieve loon beperkt tot het minimumloonplafond. Het normale fictieve loon blijft wel van toepassing voor gelijkgestelde perioden van tijdelijke werkloosheid en landingsbanen of SWT aangegaan of aangevraagd voor 1 februari 2025. Vanaf 2025 kunnen de werknemers die worden getroffen door een arbeidsongeval of een beroepsziekte en die het werk progressief hervatten met toestemming van de raadsgeneesheer van de verzekeringsonderneming of Fedris, een extra pensioenbescherming genieten door de toepassing van een voordeliger fictief loon voor de berekening van hun pensioen. 3/ Gemengde loopbaan Een gemengde loopbaan is een loopbaan die samengesteld is uit een aantal jaren als werknemer en een aantal jaren waarin een andere beroepsactiviteit werd uitgeoefend, bv. als ambtenaar of als zelfstandige. 4/ Regularisatie Er kunnen verschillende perioden als werknemer toegevoegd worden aan de beroepsloopbaan en dat onder bepaalde voorwaarden en na betaling van bijdragen. De volgende perioden kunnen in aanmerking komen voor de berekening van het pensioen: – de studieperioden; – de perioden van loopbaanonderbreking; – de perioden van tewerkstelling waarvoor geen pensioenbijdragen werden betaald.
369
Deel 5 Sociale zekerheid
a Studieperioden Sinds 1 december 2018 kunnen alle werknemers, zelfstandigen en ambtenaren die een diploma hoger onderwijs behaald hebben, sommige van die studieperioden geheel of gedeeltelijk laten meetellen voor de berekening van het pensioenbedrag door deze studieperioden gedeeltelijk of geheel af te kopen. De volgende studieperioden komen in aanmerking voor regularisatie: – de volledige perioden van een jaar van universitair en niet-universitair hoger onderwijs en hoger technisch, beroeps-, zeevaart-, of kunstonderwijs met volledig leerplan tijdens welke lessen gevolgd zijn die een volledige cyclus omvatten; – de studieperioden waarin een doctoraatsthesis werd voorbereid en een doctoraat werd behaald; – de beroepsstages als aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan: • de stagiair heeft vooraf het vereiste diploma behaald; • de stagiair heeft de wettelijk erkende beroepskwalificatie behaald; • de stage komt niet in aanmerking voor de berekening van een pensioen in een van de Belgische of buitenlandse sociale zekerheidsstelsels. Dat is het geval als de stagiair een vergoeding heeft ontvangen tijdens zijn stage; – de perioden van een leerovereenkomst vanaf het jaar van de achttiende verjaardag, die niet in aanmerking komen voor het berekenen van een pensioen in een van de Belgische of buitenlandse stelsels van sociale zekerheid; – de volledige perioden van een jaar waarin studiejaren van secundair onderwijs volgend op het zesde jaar secundair worden gevolgd. De duur van de regulariseerbare studieperiode van hoger onderwijs is beperkt tot het minimaal vereiste aantal studiejaren om het diploma te bekomen. Beroepsstages kunnen maximaal geregulariseerd worden voor de vereiste minimumduur om de beroepskwalificatie te bekomen. Het behalen van een diploma, certificaat, doctoraat of beroepskwalificatie is een voorwaarde om de studieperioden te kunnen regulariseren. Het is niet mogelijk meerdere diploma’s te regulariseren. Alleen het einddiploma geldt, met inbegrip van alle voorgaande postsecundaire diploma’s die noodzakelijk of vereist waren om het einddiploma te bekomen. VOORBEELDEN
1 Marc heeft een master in de rechten behaald. Het minimumaantal jaren om die te behalen, is 5 jaar. Maar hij moest het eerste jaar overdoen en heeft er in totaal dus 6 jaar over gedaan. Hij kan maar 5 jaren afkopen en niet de 6 jaren die hij in werkelijkheid over de studie gedaan heeft. 2 Marie heeft een master in de actuariële wetenschappen. Voor deze masteropleiding moest ze eerst een master in de wiskunde behalen en een bachelor, die voor elke master vereist is. Ze kan dus in totaal 5 studiejaren afkopen: haar bachelor (3 jaar) en haar master in de wiskunde (1 jaar) en haar master in de actuariële wetenschappen (1 jaar). Alleen de betrokken persoon zelf kan de aanvraag indienen. Het aantal aanvragen tot regularisatie is beperkt tot maximum twee in alle pensioenstelsels samen. Om geldig te zijn, moet de aanvraag vóór de ingangsdatum van het rustpensioen ingediend worden. De eenvoudigste manier om een aanvraag tot regularisatie te doen is online via mypension.be. De datum van ontvangst van de aanvraag geldt als datum van indienen van de aanvraag en is bepalend voor het bedrag van de regularisatiebijdrage.
370
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
Als de aanvraag wordt ingediend binnen de tien jaar na het behalen van het diploma, het doctoraat of de beroepskwalificatie: forfaitair bedrag van 1 940,40 EUR vanaf 1 maart 2026 (index 183,17) per periode van twaalf maanden. Na de termijn van tien jaar wordt de regularisatiebijdrage verhoogd met een intrestvoet en een coëfficiënt volgens de sterftetabellen. De bijdrage moet in een keer betaald worden, binnen de zes maanden na de betekening van de definitieve beslissing van de Pensioendienst en vóór de ingangsdatum van het rustpensioen. Het is niet mogelijk de betaling te spreiden. Een regelmatig betaalde regularisatiebijdrage wordt niet terugbetaald. Onregelmatig gestorte bijdragen, zoals laattijdig gestorte bijdragen, onverschuldigd betaalde bijdragen of bijdragen die gestort werden voor studiejaren waarvoor geen regularisatie mogelijk is, komen wel in aanmerking voor een terugbetaling. De regularisatiebijdrage is een persoonlijke sociale zekerheidsbijdrage en op dezelfde manier fiscaal aftrekbaar. In de pensioenberekening houdt men rekening met een jaarlijks loon dat wordt vastgelegd door het forfaitair bedrag van de regularisatiebijdrage te delen door 7,50 % en het te vermenigvuldigen met een herwaarderingscoëfficiënt. Het loonplafond is niet van toepassing op het loon waarmee rekening wordt gehouden voor de geregulariseerde studieperioden. Vanaf 1 maart 2026 (index 183,17) levert een geregulariseerde studieperiode een extra pensioen op van: – 338,19 EUR per jaar bij het bedrag voor een alleenstaande; – 431,19 EUR per jaar bij het gezinsbedrag. Dat extra pensioenbedrag is een brutobedrag. Geregulariseerde jaren tellen niet mee als extra loopbaanjaren voor het vervroegd pensioen. Als de betrokken persoon ook zonder de regularisatie (of met een gedeeltelijke regularisatie) al aan een volledige loopbaan van 14 040 dagen komt, is het volgens de huidige pensioenwetgeving mogelijk dat een (volledige) regularisatie geen pensioenvoordeel oplevert. Elke geregulariseerde studieperiode komt in aanmerking voor de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van de langstlevende huwelijkspartner die ten vroegste vanaf 1 december 2018 ingaan. b Perioden van loopbaanonderbreking De perioden van volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking waarvoor de aanvrager een onderbrekingsuitkering ontvangt kunnen geregulariseerd worden als de aanvrager op het ogenblik van de loopbaanonderbreking is verbonden door een arbeidsovereenkomst of een betrekking waarvan de uitvoering volledig of gedeeltelijk is opgeschort en als de perioden van loopbaanonderbreking niet in aanmerking komen voor de toekenning van een pensioen in een andere pensioenregeling. De eerste twaalf maanden worden automatisch gelijkgesteld zonder dat een bijdrage betaald moet worden en zonder dat er een aanvraag ingediend moet worden. Die gelijkstelling wordt met vierentwintig maanden verlengd als de aanvrager of zijn echtgenoot waarmee hij samenwoont, voor deze maanden kinderbijslag ontvangt voor een kind van minder dan zes jaar. In dat geval moet de gelijkstelling aangevraagd worden bij de Federale Pensioendienst. De aanvrager moet een attest
371
Deel 5 Sociale zekerheid
van het kinderbijslagfonds bijvoegen betreffende de perioden waarvoor deze kinderbijslag werd ontvangen. Er kunnen maximaal zestig maanden loopbaanonderbreking in aanmerking worden genomen voor de pensioenberekening. Zodra de aanvrager niet langer voldoet aan de voorwaarden voor kosteloze gelijkstelling, kan hij deze perioden laten regulariseren door persoonlijke werknemersbijdragen te betalen. De bijdragevoet bedraagt 7,5 % en wordt toegepast op het dagelijks gemiddelde van de lonen van het lopende kalenderjaar of, bij gebreke daaraan, van de lonen van het vorige kalenderjaar, voor zover er sprake is van een activiteit van minstens 75 dagen. Anders wordt de bijdrage berekend op basis van het dagelijks gemiddelde van de lonen van het laatste jaar waarvan de gegevens bekend zijn. De aanvraag moet worden ingediend binnen een termijn van drie maanden na het begin van de periode waarvoor de regularisatie wordt gevraagd. Als de aanvraag te laat wordt ingediend, zal de regularisatie pas worden toegestaan vanaf de eerste dag van de periode van drie maanden vóór de datum van aanvraag. De aanvrager moet de bijdragen om de drie maanden betalen voor de perioden vanaf het kwartaal volgend op datgene waarin de beslissing definitief werd. Voor de perioden die daaraan voorafgaan kan hij de bijdragen ineens binnen de zes maanden na het definitief worden van de beslissing betalen, of in aflossingen gedurende ten hoogste vijf jaar mits het betalen van een intrest van 6,5 % per jaar. Het (geherwaardeerde) loon dat werd gebruikt voor de berekening van de bijdragen, dient als basis voor de pensioenberekening. Bij een deeltijdse loopbaanonderbreking kan de kosteloze gelijkstelling van twaalf maanden (36 maanden bij kinderlast) gespreid worden over meerdere kalenderjaren, naargelang het percentage van de arbeidsvermindering. Voor de andere perioden moeten er bijdragen betaald worden. Vanaf de leeftijd van vijftig jaar worden bij overschakeling naar deeltijdse prestaties, de perioden waarvoor een vergoeding wegens loopbaanonderbreking wordt uitgekeerd kosteloos en onbeperkt in de tijd gelijkgesteld. c Perioden van tewerkstelling waarvoor geen pensioenbijdragen werden betaald Elke periode, waarvan men kan bewijzen dat men tewerkgesteld was als werknemer maar waarvoor geen pensioenbijdragen werden ingehouden, kan vrijwillig worden geregulariseerd. Zowel de werkgevers- als werknemersbijdrage voor pensioen zijn verschuldigd. De bijdragevoet varieert tussen de 7 % en 16,3 %, afhankelijk van het tijdstip en de aard van de tewerkstelling, en wordt toegepast op het gewaarborgd gemiddeld minimum maandloon. Bij dit bedrag moet een verwijlintrest van 10 % per jaar worden gevoegd. De betaling moet gebeuren, hetzij in één keer binnen de zes maanden na de definitieve beslissing, hetzij gespreid gedurende maximum vijf jaar tegen een rentevoet van 6,5 % per jaar. Het jaarlijkse pensioenvoordeel hangt af van de datum van de regularisatieaanvraag en de ingangsdatum van het pensioen, en bedraagt op 1 mei 2024: – 414,70 EUR aan het gezinsbedrag, – 331,76 EUR aan het bedrag alleenstaande.
372
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
C Lonen Voor elk kalenderjaar van de beroepsloopbaan als werknemer ontstaat het recht op pensioen dat in principe berekend wordt op het jaarloon. De lonen die in aanmerking worden genomen bestaan uit het brutoloon, premies zoals eindejaars- en anciënniteitspremie en het enkel vakantiegeld. Het dubbel vakantiegeld wordt niet in aanmerking genomen. Voor het loon dat in aanmerking moet genomen worden voor de berekening van het pensioen van een bepaald jaar beperken we ons, omwille van de complexiteit, tot de basisprincipes. Er wordt voor elk jaar van de loopbaan rekening gehouden met een van de volgende elementen: – het werkelijk verdiende loon, begrensd tot een bepaald bedrag voor de jaren vanaf 1955 (voor bedienden vanaf 1958); het normale loonplafond voor het volledige loopbaanjaar 2025 is 82 608,94 EUR; voor een onvolledig jaar gebeurt een proratisering (= jaarplafond x aantal dagen/312). Voor bepaalde gelijkgestelde perioden vanaf de leeftijd van 58 jaar is voor 2025 een lager en gedifferentieerd loonplafond van 74 513,68 EUR van toepassing; – een gewaarborgd minimum jaarloon: voor de jaren dat het verdiende loon minder bedraagt dan dit minimum, op voorwaarde: • dat een minimumloopbaan van ten minste 15 kalenderjaren als werknemer kan bewezen worden waarbij elk jaar moet minstens 104 voltijdse dagen moet tellen. Het gewaarborgd minimumjaarloon geldt voor bepaalde gelijkgestelde perioden en bedraagt 33 418,99 EUR vanaf 1 maart 2026 (index 183,17). Het toepassen van het gewaarborgd minimumloon mag er niet toe leiden dat het rustpensioen als werknemer meer bedraagt dan: – 23 357,91 EUR vanaf 1 maart 2026 (index 183,17) voor een pensioen als alleenstaande (exclusief eventueel echtscheidingspensioen); – 29 197,40 EUR vanaf 1 maart 2026 (index 183,17) voor een gezinspensioen. Deze grensbedragen zijn voor een volledige loopbaan en worden vermenigvuldigd met de loopbaanbreuk. Als het resultaat van de pensioenberekening op basis van het gewaarborgd minimumloon minder voordelig is dan het resultaat van de pensioenberekening op basis van de werkelijke lonen, ontvangt men dit voordeligere pensioen. Vanaf 2015 worden alle gewerkte en gelijkgestelde periodes opgenomen in de pensioenberekening, dus ook de periodes van het jaar waarin het pensioen ingaat. Een voorwaarde is dat in het jaar dat voorafgaat aan het ingangsjaar op de pensioenrekening iets geregistreerd is. Het referentieloon om het pensioenaandeel van het ingangsjaar te berekenen is verschillend naargelang de beroepsbezigheid tijdens het voorlaatste kalenderjaar dat voorafgaat aan het ingangsjaar al dan niet gewoonlijk en hoofdzakelijk (GHT) is. Het referentieloon is het totaal van de werkelijke, fictieve en forfaitaire lonen van het: – voorlaatste kalenderjaar dat voorafgaat aan het ingangsjaar als de beroepsbezigheid tijdens dit jaar gewoonlijk en hoofdzakelijk (GHT) is; of – kalenderjaar dat voorafgaat aan het ingangsjaar als het voorlaatste kalenderjaar dat voorafgaat aan het ingangsjaar niet GHT is. Het pensioenaandeel van het ingangsjaar is gelijk aan 1/12e van het totale loon x het aantal maanden dat voorafgaat aan de ingangsdatum van het pensioen.
373
Deel 5 Sociale zekerheid
Voor de berekening van het pensioenbedrag worden de jaarbedragen van de werkelijke, fictieve of forfaitaire lonen – eventueel begrensd – aangepast aan de levensduurte en aan het welvaartspeil door ze te vermenigvuldigen met hun respectievelijke herwaarderingscoëfficiënt. D Gezinstoestand Het rustpensioen kan berekend worden als een gezinspensioen of als een pensioen voor een alleenstaande. Het bedrag van het gezinspensioen is gelijk aan: de som van de geherwaardeerde lonen van de loopbaanjaren _______________________________________________ × 75 % 45 Het bedrag van het pensioen voor een alleenstaande is gelijk aan: de som van de geherwaardeerde lonen van de loopbaanjaren _______________________________________________ × 60 % 45 Het gezinspensioen wordt toegekend aan de gehuwde werknemer (man of vrouw) op voorwaarde dat de echtgenoot: – geen beroepsactiviteit uitoefent tenzij de toegelaten activiteit; – geen vervangingsinkomen heeft; of – een pensioen heeft waarvan het bedrag kleiner is dan het verschil tussen het gezinspensioen en het pensioen als alleenstaande. Als de echtgenoot recht heeft op een pensioen waarvan het bedrag kleiner is dan het verschil tussen het gezinsbedrag van het pensioen en het bedrag als alleenstaande, kan het gezinspensioen toch worden verleend, maar het bedrag van het pensioen van de echtgenoot wordt dan in mindering gebracht. De meest voordelige oplossing wordt altijd toegepast: ofwel twee pensioenen voor alleenstaanden als die samen hoger liggen dan het gezinspensioen, ofwel het gezinspensioen als dat meer is dan de som van de twee alleenstaande pensioenen van de echtgenoten.
3.5
Gewaarborgd minimumpensioen
Een gewaarborgd minimumpensioen moet voor een voltijdse werknemer voldoen aan de volgende voorwaarden: – de loopbaan is gelijk aan minstens 2/3 van een volledige loopbaan als werknemer; – elk van de loopbaanjaren bevat minimum 208 voltijdse dagequivalenten; – 5 000 dagen effectief en voltijds gewerkt hebben over de volledige loopbaan als werknemer of over de gemengde loopbaan (werknemer, zelfstandige, ambtenaar). Voor een deeltijds minimumpensioen moet men 3 120 dagen effectief en voltijds gewerkt hebben. De bijkomende voorwaarde van 500 dagen effectieve tewerkstelling is van toepassing op personen die geboren zijn na 1970. Voor personen die geboren zijn voor 1970 gelden overgangsmaatregelen. Vanaf 2026 worden de dagen van afwezigheid om medische redenen en enkele andere perioden (o.a. syndicale opdracht, voorlopige hechtenis) volledig gelijkgesteld met effectief gewerkte dagen. Het minimumpensioen wordt berekend door het bedrag voor een volledige loopbaan te vermenigvuldigen met de loopbaanbreuk als werknemer.
374
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
Het gewaarborgd minimumpensioen werd tegen 2024 geleidelijk aan opgetrokken in de richting van 1 500 EUR netto voor een volledige loopbaan. Momenteel bedraagt met minimumpensioen: – 2 305,44 EUR bruto per maand en 27 665,22 EUR bruto per jaar voor een gezin; – 1 844,93 EUR bruto per maand en 22 139,15 EUR bruto per jaar voor een alleenstaande. Als de loopbaan niet volledig is, ontvangt men een gewaarborgd minimumpensioen in verhouding tot de loopbaanbreuk op voorwaarde dat de loopbaan minstens 30 jaar telt en elk van de loopbaanjaren minstens 156 dagen bevat. De bedragen van het gewaarborgd minimumpensioen voor een gemengde loopbaan van werknemer en zelfstandige zijn gelijkgesteld met de bedragen van het gewaarborgd minimumpensioen voor een volledige werknemersloopbaan.
3.6
Betaling van het pensioen
A Periodiciteit en indexering Het jaarbedrag van het pensioen wordt gedeeld door 12 en wordt als maandelijks pensioen uitbetaald door een bankoverschrijving op een zichtrekening of door een postassignatie. De betaling van het gezinspensioen gebeurt op een zichtrekening op naam van beide echtgenoten. Een volmacht voor de rekening van de andere echtgenoot volstaat niet. Bij verhuis of langdurig verblijf in het buitenland kan de betaling van het pensioen rechtstreeks gebeuren op het adres van de gerechtigde of op een rekening bij een financiële instelling in België of in het buitenland. Vanaf 1 juli 2025 wordt het pensioenbedrag geïndexeerd drie maanden na overschrijding van de spilindex. Met de invoering van de zogenaamde centenindex wordt de indexverhoging van de pensioenen boven de 2 000,00 EUR bruto tweemaal beperkt tot maximaal 40,00 EUR bruto per maand. Tevens wordt de indexering van de hoogste wettelijke pensioenen beperkt. B Inhoudingen op het pensioen Om het nettobedrag van het pensioen te verkrijgen worden verschillende inhoudingen op het bruto pensioenbedrag verricht: – een maandelijkse bijdrage voor de ziekte- en invaliditeitsverzekering van 3,55 % van het brutobedrag van het pensioen als het totale maandelijkse brutobedrag van het pensioen een bepaalde drempel overschrijdt. Het drempelbedrag is 2 154,94 EUR voor een alleenstaandenpensioen en 2 553,89 EUR voor een gezinspensioen. Er wordt geen inhouding verricht als het totale maandelijks brutobedrag van het pensioen kleiner is dan respectievelijk 2 078,46 EUR voor een alleenstaande en 2 463,25 EUR met gezinslast; – een solidariteitsbijdrage die varieert van 0 tot 2 % naargelang het totale brutobedrag van het pensioen en de gezinssituatie.
3.7
Vakantiegeld
Een gepensioneerde werknemer (met rust- of overlevingspensioen) ontvangt elk jaar vakantiegeld, dat uitbetaald wordt in de maand mei samen met het bedrag van het pensioen. Het is een forfaitair bedrag waarvan het maximum verschilt naargelang het om een gezinspensioen of om een pensioen voor alleenstaande gaat.
375
Deel 5 Sociale zekerheid
Het vakantiegeld wordt niet toegekend tijdens het jaar waarin het pensioen voor de eerste maal ingaat, behalve wanneer de gerechtigde sociale uitkeringen (bv. werkloosheidsuitkeringen, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen) heeft ontvangen gedurende het volledig kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het pensioen ingaat. Het vakantiegeld wordt volledig toegekend vanaf het tweede jaar dat volgt op het jaar waarin het pensioen is ingegaan. In het tweede jaar wordt het bedrag vakantiegeld berekend in verhouding tot het aantal maanden dat men een pensioen ontving in het eerste jaar. Of men een gedeeltelijk of volledig vakantiegeld ontvangt, wordt bepaald door het ingangsjaar van het pensioen. Het maximum brutobedrag voor het vakantiegeld vanaf 1 maart 2026 bedraagt: – voor een gezin: 1 524,04 EUR (index 183,17); – voor een alleenstaande: 1 219,23 EUR (index 183,17). Het vakantiegeld mag niet meer bedragen dan het pensioenbedrag voor de maand mei. In voorkomend geval wordt het vakantiegeld beperkt tot het brutobedrag van het pensioen verhoogd met 47,141910 %. De totale som (beperkt vakantiegeld + verhoging) mag nooit meer bedragen dan het volledige bedrag van het vakantiegeld. Op dit vakantiegeld wordt eventueel ook een bepaald percentage aan bedrijfsvoorheffing ingehouden, volgens barema’s die verschillend zijn voor een gezinspensioen of een pensioen voor een alleenstaande.
3.8
Pensioenbonus
De pensioenbonus is een voordeel bovenop het rustpensioen dat wordt toegekend wanneer de werknemer zijn beroepsactiviteit heeft voortgezet na de vroegst mogelijke pensioendatum. De oude regeling van de pensioenbonus werd afgeschaft op 1 januari 2015. Werknemers kunnen in het kader van de oude regeling de opgebouwde bonus wel nog ontvangen als ze hem reeds zijn beginnen op te bouwen voor de loopbaanjaren vóór 2015. A Pensioenbonus 2024-2025 De pensioenbonus is een nettobedrag dat men ontvangt boven op het pensioen als men het pensioen uitstelt en verder blijft werken na de vroegste pensioendatum. Niet alleen werknemers maar ook zelfstandigen en ambtenaren kunnen vanaf 1 juli 2024 een pensioenbonus opbouwen gedurende maximaal 3 jaar tot op het ogenblik waarop een rustpensioen opneemt (ten vroegste vanaf 1 januari 2025). Deeltijdse werknemers kunnen een bonus opbouwen in verhouding tot de arbeidsduur. Vanaf 1 juli 2024 telt elke gewerkte dag na de vroegste pensioendatum mee voor de pensioenbonus. Per jaar kan men maximaal 1 bonusjaar (of maximaal 312 bonusdagen) opbouwen. Na 3 jaar kan men geen pensioenbonus meer opbouwen. Die periode wordt niet verlengd als men een tijd stopt met werken. De pensioenbonus wordt automatisch berekend voor wie er recht op heeft, en moet niet aangevraagd worden. Het bedrag van de pensioenbonus hangt af van het aantal loopbaanjaren en de vroegste pensioendatum. De pensioenbonus wordt opgebouwd tegen het basisbedrag in het geval van een ‘gewone’ loopbaan van minder dan 43 jaar, en tegen het hoogste bedrag in het geval van een ‘lange’ loopbaan van minstens 43 jaar. De som van het wettelijke en aanvullende pensioen en de pensioenbonus mag niet meer bedragen dan 8 291,60 EUR bruto per maand of 99 499,24 EUR bruto per
376
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
jaar (vanaf 1 februari 2025 (index 179,58). Het bedrag van de pensioenbonus wordt beperkt bij overschrijding van het plafond. De pensioenbonus is niet onderworpen aan de bedrijfsvoorheffing noch aan sociale inhoudingen. De betaling ervan gebeurt eenmalig of in een maandelijks bedrag minstens 6 maanden na aanvang van het pensioen. Gerechtigden die in 2024 een pensioenbonus opbouwen en begin 2025 in pensioen gaan, zullen pas eind 2025 hun bonus ontvangen. B Nieuwe pensioenbonus vanaf 2026 Een nieuwe pensioenbonus werd ingevoerd met volledig nieuwe voorwaarden. Die bonus kan men beginnen op te bouwen vanaf 1 januari 2026 als het pensioen pas ingaat in 2027 of later én als aan de volgende voorwaarden is voldaan: – een loopbaan van 35 jaar met elk minstens 156 gewerkte dagen; – 7 020 gewerkte dagen op de volledige loopbaan; – men heeft nog geen pensioen ontvangen. Reservedagen en balansdagen (zie hoger) tellen niet mee om aan de voorwaarden te voldoen. Bepaalde perioden van inactiviteit (o.a. zorgverlof, moederschapsrust, tijdelijke werkloosheid) worden gelijkgesteld met gewerkte dagen. De nieuwe pensioenbonus is een procentuele vermeerdering van het pensioenbedrag, en niet een eenmalige betaling bovenop het pensioenbedrag. Het percentage van vermeerdering hangt af van het geboortejaar: – 2 % (geboren in 1962 of vroeger); – 4 % (geboren tussen 1963 en 1972); – 5 % (geboren in 1973 of later).
3.9
Inkomensgarantie voor ouderen (IGO)
A Begrip De IGO is een uitkering die verleend wordt aan gepensioneerden die de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben en die niet over voldoende financiële middelen beschikken. De gerechtigden moeten effectief hun hoofdverblijf in België hebben om deze uitkering te ontvangen. De vereiste minimumleeftijd wordt opgetrokken tot 66 jaar vanaf 2025 en vervolgens tot 67 jaar vanaf 2030. Wie meent in aanmerking te komen voor een IGO kan een aanvraag indienen, hetzij online via pensioenaanvraag.be of via mypension.be, hetzij via de gratis Pensioenlijn 1765, hetzij bij het gemeentebestuur van zijn woonplaats. Het recht op deze financiële bijstand wordtin de meeste gevallen automatisch onderzocht voor personen die een pensioen, een uitkering voor gehandicapten of het leefloon ontvangen. B De verblijfsvoorwaarde De IGO-gerechtigde moet zijn/haar hoofdverblijfplaats in België hebben, dat wil zeggen dat hij/ zij daadwerkelijk en bestendig in België moet verblijven. De wettelijke regeling waarbij een verblijfsduurvoorwaarde van minimaal 10 jaar (met een ononderbroken verblijf van minimaal 5 jaar) was ingevoerd, werd door het Grondwettelijk Hof in een arrest van 23 januari 2019 vernietigd wegens strijdigheid met het standstillbeginsel uit het artikel 23 van de Belgische Grondwet en met de EU-verordening 83/2004/EU. De verblijfsduurvoorwaarde werd geacht nooit te hebben bestaan en mocht vanaf de publicatie van het arrest op 1 maart 2019 niet meer worden toegepast.
377
Deel 5 Sociale zekerheid
Vanaf 25 juni 2022 geldt een nieuwe reglementering. De gerechtigde op IGO mag maximaal 29 dagen in het buitenland verblijven. Als men een verblijf van meer dan 5 opeenvolgende dagen (6 nachten) in het buitenland niet vooraf meedeelt, vordert de FPD een bedrag terug dat gelijk is een 1 maand IGO-uitkering via inhoudingen op de maandelijkse betalingen. Bij overschrijding van de limiet van 29 dagen wordt de betaling van de IGO-uitkering volledig geschorst voor elke kalendermaand waarin men in het buitenland verblijft. Van het maximum van 29 dagen dagen mag afgeweken worden in het geval van: – een toevallige of tijdelijke opname in een ziekenhuis of een andere instelling voor zorgverstrekking; – uitzonderlijke omstandigheden die het verblijf wettigen en het beheerscomité van de Pensioendienst hiervoor toelating gaf. Het recht op IGO vervalt als men langer dan 6 maanden onafgebroken in het buitenland verblijft. Na terugkeer in België kan men een nieuwe aanvraag doen. De controle van de verblijfsvoorwaarde gebeurt op willekeurige data door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging. Zijn vrijgesteld van die controle de volgende personen die een IGO-uitkering ontvangen en die: – ouder zijn dan 80 jaar; – in een WZC, RVT of PVT verblijven; – ingeschreven zijn op een OCMW-adres; – een erkende handicap hebben met een verlies aan zelfredzaamheid van minstens 7 punten; – een handicap hebben en een tegemoetkoming voor hulp van derden of een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood ontvangen . VOORBEELD
Ellen vertrekt naar Tunesië op 1 juli en keert pas terug in België op 26 juli. Ze verblijft dus 24 opeenvolgende dagen in het buitenland, want 1 en 26 juli tellen niet mee voor de berekening. Ellen leeft dus de grens van 29 dagen na en blijft haar IGO ontvangen. In december gaat Ellen van 22 tot 29 december naar Berlijn. De dag van vertrek en de dag van terugkeer tellen niet mee, maar Ellen verblijft 6 dagen in het buitenland. Met haar eerste verblijf in Tunesië en haar verblijf in Berlijn moet de FPD 30 dagen in rekening nemen. De toegelaten grens van 29 dagen is overschreden. Bijgevolg moet de betaling van haar IGO van december worden geschorst.
C Onderzoek bestaansmiddelen De IGO wordt slechts toegekend na een onderzoek naar de bestaansmiddelen, waarbij rekening gehouden wordt met het pensioen, de beroepsinkomsten, de sociale uitkeringen, het kadastraal inkomen van de onroerende goederen alsook de roerende inkomsten die de fiscus kent en inkomsten uit verkopen of schenkingen gedurende tien jaar die aan de aanvraag voorafgaan. Daarbij worden alle bestaansmiddelen en pensioenen in aanmerking genomen waarover de aanvrager beschikt en eveneens die van andere personen die met hem dezelfde hoofdverblijfplaats delen. Er wordt geen rekening gehouden met bepaalde sociale uitkeringen zoals de gezinsbijslagen toegekend volgens een Belgische regeling, sociale bijstandsuitkeringen (bv. zorgbudget), onderhoudsgelden tussen bloed- en aanverwanten in de rechte lijn en tegemoetkomingen aan gehandicapten, het Persoonsgebonden Budget (PGB) en het Persoonlijk Assistentiebudget (PAB).
378
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
Die bestaansmiddelen mogen vanaf 1 maart 2026 (index 183,17) hoogstens 1 611,96 EUR voor alleenstaanden of 1 074,64 EUR voor samenwonenden bedragen om het recht op de IGO te openen. Als de aanvrager op de hoofdverblijfplaats samenwoont met zijn huwelijkspartner of wettelijk samenwonende partner worden de bestaansmiddelen gedeeld. Bij het delen van de inkomsten wordt nog enkel rekening gehouden met eigen kinderen, die effectief op hetzelfde adres ingeschreven zijn. Vanaf 2014 wordt er geen rekening meer gehouden met andere samenwonenden. Hun bestaansmiddelen worden niet in aanmerking genomen en de bestaansmiddelen worden niet gedeeld. D Bedrag van de IGO De IGO is een individueel recht. Het bedrag van de toegekende IGO is afhankelijk van het feit of de aanvrager al dan niet dezelfde hoofdverblijfplaats deelt met één of meerdere personen. Het maximaal toegekende maandbedrag vanaf 1 maart 2026 (index 183,17) is 1 074,64 EUR (= basisbedrag voor samenwonenden) of 1 611,96 EUR (verhoogd bedrag voor alleenstaanden). Het basisbedrag wordt toegekend als de aanvrager gehuwd is, wettelijk samenwoont of dezelfde hoofdverblijfplaats deelt met één of meer andere personen dan kinderen die recht geven op kinderbijslag, (klein)kinderen en (groot)ouders. Het verhoogd bedrag (basisbedrag × 1,5) wordt toegekend als de aanvrager niet dezelfde hoofdverblijfplaats deelt met één of meer andere personen en dus als enige gedomicilieerd is op zijn hoofdverblijfplaats. Wordt eveneens beschouwd als alleenstaande die recht heeft op het verhoogd bedrag: de aanvrager die samenwoont met minderjarige kinderen, meerderjarige kinderen die recht geven op kinderbijslag, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn ((groot)ouders en (klein)kinderen) of personen die in hetzelfde rusthuis, verzorgingstehuis of psychiatrisch verzorgingstehuis verblijven. E Betaling van de IGO Net als het pensioen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden, wordt de IGO verworven in twaalfden en maandelijks uitbetaald. De betaling gebeurt per bankoverschrijving of, op aanvraag door de gerechtigde, ingediend met een gewone brief, via postassignatie. In geval van overlijden van de betrokkene, worden de vervallen en niet uitgekeerde termijnen exclusief, en enkel op aanvraag, uitbetaald aan de persoon die de begrafeniskosten heeft betaald of in de verplegingskosten tussenbeide is gekomen.
3.10 Pensioen als uit de echt gescheiden huwelijkspartner In geval van echtscheiding kan men onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een rustpensioen, berekend op basis van de loopbaan als werknemer van de ex-huwelijkspartner. Men kan dit pensioen cumuleren met het eigen rustpensioen. A Voorwaarden Om recht te hebben op een pensioen als uit de echt gescheiden huwelijkspartner, moet men aan de volgende voorwaarden voldoen: – aanspraak kunnen maken op een rustpensioen; – niet ontzet zijn uit het ouderlijk gezag; – niet veroordeeld zijn omdat men de ex-huwelijkspartner naar het leven stond; – niet hertrouwd zijn, behalve als dit nieuwe huwelijk ontbonden werd na een overlijden of een echtscheiding.
379
Deel 5 Sociale zekerheid
In geval van opeenvolgende echtscheidingen kan men recht hebben op meerdere rustpensioenen als uit de echt gescheiden huwelijkspartner. B Aanvraag Het recht op een pensioen van uit de echt gescheiden huwelijkspartner wordt automatisch onderzocht door de FPD bij de aanvraag van het eigen rustpensioen. Als men reeds met pensioen is op het moment van de echtscheiding, moet men wel een aanvraag indienen om het recht op het echtscheidingspensioen te laten onderzoeken, tenzij men op het moment van de echtscheiding reeds een gezinspensioen ontvangt. C Bedragen van echtscheidingspensioen Het echtscheidingspensioen wordt berekend op dezelfde manier als het rustpensioen. Voor de jaren tijdens de huwelijksperiode wordt het pensioen berekend op basis van de loopbaan van de ex-huwelijkspartner, alsof men zelf die activiteit uitgeoefend hebt. De huwelijksperiode start op de dag van het huwelijk en eindigt op de dag waarop de echtscheiding overgeschreven wordt in de registers van de burgerlijke stand. De volgende perioden tellen niet mee voor een echtscheidingspensioen: – de jaren met perioden in een andere Belgische of buitenlandse pensioenregeling, met uitzondering van de perioden als zelfstandige; – de jaren waarin men een persoonlijk pensioen heeft ontvangen. Het echtscheidingspensioen wordt berekend op basis van 62,5 % van de lonen van de ex-huwelijkspartner. Van dat loon wordt het eigen loon als werknemer afgetrokken. Wanneer het eigen loon lager dan 62,5 % van het loon van de ex-huwelijkspartner, wordt het echtscheidingspensioen op die basis berekend. Zo niet wordt geen echtscheidingspensioen berekend.
3.11
Pensioen als feitelijk gescheiden huwelijkspartner
Bij een feitelijke scheiding kan men een deel van het pensioen van de huwelijkspartner krijgen. Er is sprake van een feitelijke scheiding als: – men officieel op twee verschillende adressen gedomicilieerd is; – men bij gerechtelijke beslissing van tafel en bed gescheiden is; – de huwelijkspartner in de gevangenis zit, in een instelling ter bescherming van de maatschappij opgenomen is of om geestelijke gezondheidsredenen opgenomen is. A Voorwaarden Om een pensioen als feitelijk gescheiden huwelijkspartner te kunnen ontvangen moet men voldoen aan de volgende voorwaarden: – de huwelijkspartner moet werkelijk een rustpensioen als werknemer of zelfstandige krijgen; – men mag niet uit de ouderlijke macht ontzet zijn; – men mag niet veroordeeld zijn omdat men de huwelijkspartner naar het leven stond; – men moet officieel op twee verschillende adressen gedomicilieerd zijn; – men mag niet uit de echt gescheiden zijn. Er is geen minimumleeftijd voor het pensioen als feitelijk gescheiden huwelijkspartner. Dit pensioen kan betaald worden zolang de echtscheiding niet in het Rijksregister geregistreerd is.
380
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
B Aanvraag en ambtshalve onderzoek In bepaalde gevallen onderzoekt de FPD automatisch het recht op een pensioen als feitelijk gescheiden huwelijkspartner, zonder dat men hiervoor een aanvraag moet indienen, namelijk als: – men een aanvraag voor een rustpensioen of voor een inkomensgarantie voor ouderen (IGO) ingediend heeft; – de huwelijkspartner op het moment van de feitelijke scheiding een gezinspensioen krijgt; – beide huwelijkspartners op het moment van de feitelijke scheiding een alleenstaandenpensioen krijgen in het werknemers- of zelfstandigenstelsel; – men een rustpensioen of een IGO krijgt op het moment dat de huwelijkspartner zijn pensioen aanvraagt; – de feitelijke scheiding plaatsvindt op het moment dat het pensioen van de huwelijkspartner wordt onderzocht; – de feitelijke scheiding plaatsvindt tussen de mededeling en de startdatum van het pensioen van de huwelijkspartner; – als de huwelijkspartner: • in de gevangenis zit; • in een gesticht opgenomen is ter bescherming van de maatschappij; • in een bedelaarsgesticht geplaatst is; • om geestelijke gezondheidsredenen opgenomen is. Het pensioen als feitelijk gescheiden echtgenoot moet op dezelfde manier aangevraagd worden als een rustpensioen. Als de huwelijkspartner zijn pensioen niet aangevraagd heeft hoewel hij de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft, dan kan men een aanvraag in zijn plaats indienen. C Berekening Om het bedrag te berekenen, worden alle Belgische en (eventuele) buitenlandse pensioenen van de huwelijkspartners in kaart gebracht. De FPD garandeert een totaal pensioenbedrag dat overeenkomt met de helft van het (de) werknemerspensioen(en) of (de) het zelfstandigenpensioen(en) aan gezinsbedrag van de andere huwelijkspartner. VOORBEELDEN
1 Beide huwelijkspartners ontvangen een pensioen als alleenstaande Tom ontvangt een rustpensioen van 8 000,00 EUR per jaar (bedrag alleenstaande), Laura ontvangt 5 500,00 EUR per jaar (bedrag alleenstaande). Na hun feitelijke scheiding behoudt Laura haar persoonlijke pensioen van 5 500,00 EUR omdat dit hoger is dan de helft van het pensioen van haar huwelijkspartner aan het gezinsbedrag (gezinspensioen van 10 000,00 EUR/2 = 5 000,00 EUR). Tom behoudt zijn pensioen als alleenstaande. 2 De huwelijkspartners ontvangen een gezinspensioen Paul ontvangt een gezinspensioen van 11 400,00 EUR per jaar. Sylvie heeft afstand gedaan van haar pensioen zodat haar huwelijkspartner het gezinspensioen kan ontvangen. Na de feitelijke scheiding ontvangen Paul en Sylvie elk de helft van het gezinspensioen.
381
Deel 5 Sociale zekerheid
D Betaling Het pensioen als feitelijk gescheiden huwelijkspartner gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de aanvraag op voorwaarde dat het pensioen van de huwelijkspartner al betaald wordt of ontvangen kan worden als men hiervoor een aanvraag indient in de plaats van de huwelijkspartner. Het pensioen als feitelijk gescheiden huwelijkspartner gaat in de eerste dag van de maand die volgt op de feitelijke scheiding wanneer de huwelijkspartner op het moment van de feitelijke scheiding al een pensioen ontvangt. De FPD onderzoekt automatisch het recht op een feitelijk gescheiden pensioen. Het pensioen als feitelijk gescheiden huwelijkspartner gaat in op dezelfde dag als het pensioen van de huwelijkspartner wanneer je huwelijkspartner op het moment van de feitelijke scheiding nog geen pensioen ontvangt. De FPD onderzoekt automatisch het recht op een feitelijk gescheiden pensioen. Men blijft het pensioen als feitelijk gescheiden huwelijkspartner ontvangen wanneer het pensioen van de huwelijkspartner niet meer uitbetaald wordt om de volgende redenen: – hij zit in de gevangenis; – hij is ter bescherming van de maatschappij in een gesticht opgenomen; – de uitbetaling van het pensioen vanwege de nationaliteit van de huwelijkspartner is niet mogelijk in het land waar hij verblijft.
4
Overlevingspensioen en overgangsuitkering
De langstlevende echtgenoot, zowel de man als de vrouw, kan onder bepaalde voorwaarden een overlevingspensioen of een overgangsuitkering verkrijgen uit hoofde van het beroepsverleden van de overleden echtgenoot.
4.1
Voorwaarden
Om recht te hebben op een overlevingspensioen moet de langstlevende echtgenoot voldoen aan de volgende voorwaarden: 1 De vereiste minimumleeftijd bereikt hebben. De volgende tabel toont de evolutie van de minimumleeftijd in de periode van 2015 tot 2025. Vanaf 2015 werd de minimumleeftijd elk jaar met 6 maanden opgetrokken tot de leeftijd van 50 jaar in 2025 (zie tabel 1). Vanaf 2025 verhoogt de minimumleeftijd elk jaar met 1 jaar tot de leeftijd van 55 jaar in 2030. De verhoging van de minimumleeftijd van 50 jaar tot 55 jaar werd door het Grondwettelijk hof in het arrest nr. 135/2017 van 30 november 2017 echter gedeeltelijk vernietigd voor bepaalde personen. Tabel 1 Vereiste minimumleeftijd overlevingspensioen Het overlijden vindt plaats in
382
Leeftijd die bereikt moet worden
2015
45 jaar
2016
45 jaar en 6 maanden
2017
46 jaar
2018
46 jaar en 6 maanden
2019
47 jaar
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
2020
47 jaar en 6 maanden
2021
48 jaar
2022
48 jaar en 6 maanden
2023
49 jaar
2024
49 jaar en 6 maanden
2025
50 jaar
Als de weduwe of weduwnaar jonger is dan de vereiste minimumleeftijd kan zij of hij geen overlevingspensioen ontvangen. Later kan dat, onder bepaalde voorwaarden, wel op de wettelijke pensioenleeftijd of wanneer de langstlevende huwelijkspartner zelf een eigen rustpensioen kan ontvangen. Vereist is wel dat de langstlevende echtgenoot niet gehuwd is op de ingangsdatum van dat overlevingspensioen. 2 Minstens één jaar gehuwd zijn op het ogenblik van het overlijden van de echtgenoot. Die voorwaarde geldt zowel voor het overlevingspensioen als voor de overgangsuitkering. Aan die voorwaarde is ook voldaan wanneer de onafgebroken en gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt. In dat geval moet het huwelijk onmiddellijk op de wettelijke samenwoning volgen. Aan de voorwaarde moet niet voldaan zijn indien: – het overlijden het gevolg is van een ongeval dat gebeurd is tijdens het huwelijk ofwel het gevolg is van een beroepsziekte, voor zover de aanvang of de verergering hiervan plaatsvond na de datum van het huwelijk; – er een kind, zelfs na het overlijden, geboren is uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning; – er een kind ten laste is waarvoor kinderbijslag één van de echtgenoten kinderbijslag ontvangt. Als de langstlevende huwelijkspartner niet voldoet aan de leeftijdsvoorwaarde, maar wel aan de huwelijksvoorwaarde of de uitzonderingen daarop, dan heeft hij/zij recht op een overgangsuitkering. 3 Men mag niet veroordeeld zijn voor misdrijven tegenover de overleden huwelijkspartner.
4.2
Duur van de overgangsuitkering
Voor de overgangsuitkering toegekend vanaf 1 oktober 2021 hangt de duur van de overgangsuitkering af van de gezinssituatie op het moment van het overlijden van de huwelijkspartner: – geen kind ten laste: 18 maanden – enkel kind(eren) ten laste van 13 jaar of ouder: 36 maanden – minstens 1 kind ten laste jonger dan 13 jaar: 48 maanden – minstens 1 kind ten laste met een handicap (ongeacht de leeftijd): 48 maanden – een kind geboren binnen 300 dagen na het overlijden: 48 maanden Opmerkingen: – Kinderen die in het kalenderjaar van het overlijden 13 jaar worden, worden beschouwd als 13jarige.
383
Deel 5 Sociale zekerheid
– Volgens de oude wetgeving werd de overgangsuitkering toegekend gedurende 12 maanden of 24 maanden (in geval van een kind ten laste). Bij wijze van overgangsregeling wordt de duur automatisch verlengd als de oorspronkelijke duur nog niet was verstreken op 30 september 2021. Na het verstrijken van deze periode heeft de langstlevende eventueel recht op een werkloosheidsuitkering wanneer hij/zij over geen enkel ander inkomen beschikt. Om het recht op een werkloosheidsuitkering te bepalen wordt de periode van overganguitkering in aanmerking genomen als een periode van tewerkstelling.
4.3
Aanvraag
De aanvraag voor het overlevingspensioen of de overgangsuitkering moet door de overlevende echtgenoot ingediend worden bij de pensioendienst van het gemeentebestuur van de hoofdverblijfplaats of bij de FPD in een gewestelijk kantoor of tijdens een zitdag. In bepaalde gevallen moet geen aanvraag worden ingediend, en wordt het recht ambtshalve onderzocht. De aanvraag kan ook online gebeuren via de website www.pensioenaanvraag.be.
4.4
Ingangsdatum
Als de aanvraag voor het overlevingspensioen of de overgangsuitkering gebeurt binnen de 12 maanden na het overlijden van de echtgenoot, gaat het overlevingspensioen of de overgangsuitkering in vanaf de eerste dag van de maand van het overlijden, of de eerste dag van de maand erna indien de overledene al een rustpensioen had. Het overlevingspensioen dat wordt aangevraagd na de termijn van 12 maanden volgend op het overlijden, gaat in vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de aanvraag. De overganguitkering moet worden aangevraagd binnen de termijn die op de gezinssituatie van toepassing is. Zo niet verliest de langstlevende het recht op de overgangsuitkering. Het indienen van de aanvraag binnen 12 maanden na het overlijden van de huwelijkspartner geeft recht op de volledige duur die op de gezinssituatie van toepassing is. Wanneer de aanvraag wordt ingediend later dan 12 maanden na het overlijden maar binnen de termijn die op de gezinssituatie van toepassing is, heeft de langstlevende nog recht op de resterende maanden van de overgangsuitkering. De overgangsuitkering start op de eerste dag van de maand die volgt op de aanvraag. De ‘verklaring van afwezigheid’ geldt als bewijs van het overlijden. De ‘afwezige’ huwelijkspartner wordt geacht overleden te zijn op de datum van overschrijving in de registers van de ‘burgerlijke stand van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing houdende verklaring van afwezigheid’.
4.5
Schorsing van het overlevingspensioen/de overgangsuitkering
De uitbetaling van het overlevingspensioen of de overgangsuitkering wordt geschorst of niet toegekend als de langstlevende echtgenoot: – hertrouwt, of – onwaardig is bevonden om te erven als gevolg van bepaalde strafbare feiten (opzettelijke doding en geweld met ernstige verwondingen) die gepleegd zijn tegenover de overleden echtgenoot.
384
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
4.6
Bedrag van het overlevingspensioen
Voor de berekening van het overlevingspensioen moet een onderscheid gemaakt worden tussen twee situaties: A De echtgenoot ontving reeds een rustpensioen voor zijn overlijden Als dat pensioen een gezinspensioen was, dan is het overlevingspensioen in principe gelijk aan 80 % van het rustpensioen. Als dat pensioen een pensioen voor een alleenstaande was, dan is het bedrag van het overlevingspensioen gelijk aan het bedrag van het rustpensioen van de overleden echtgenoot. B De echtgenoot overlijdt vóór de aanvang van het rustpensioen In dit geval wordt het overlevingspensioen berekend alsof de overlevende echtgenoot zelf het rustpensioen zou hebben aangevraagd. Er zijn echter enkele verschillen om ongelijkheid te verminderen: 1/ Loopbaanbreuk De noemer van de loopbaanbreuk wordt dan gevormd door het aantal jaren tewerkstelling van de overleden echtgenoot vanaf 1 januari van het jaar van de 20ste verjaardag tot 31 december van het jaar dat aan het overlijden voorafgaat. Het getal mag niet groter zijn dan 45. In de teller komt het aantal bewezen jaren tewerkstelling als werknemer. De jaren voorafgaand aan het jaar van de 20ste verjaardag komen in aanmerking om de ontbrekende jaren na de 20ste verjaardag te compenseren. 2/ Beperking van het overlevingspensioen Het bedrag van het overlevingspensioen kan heel hoog zijn als gevolg van een korte loopbaan die in aanmerking moet worden genomen. Die situatie is het gevolg van het feit dat het overlevingspensioen wordt berekend op basis van recente lonen, die normaal gesproken hoger zijn. Om te voorkomen dat de langstlevende echtgenoten van jonge werknemers bevoordeeld worden ten opzichte van werknemers die de normale pensioenleeftijd bereiken en weduwes of weduwnaars van oudere overleden werknemers wordt het overlevingspensioen beperkt. Het bedrag van het overlevingspensioen mag niet hoger zijn dan het pensioen aan het gezinsbedrag dat de overleden huwelijkspartner zou hebben gekregen als hij de wettelijke pensioenleeftijd zou hebben bereikt op de datum van zijn overlijden en als hij 45 jaar tewerkstelling zou hebben aangetoond. Als een overlevingspensioen wordt toegekend voor een onvolledige loopbaan, wordt dat beperkt tot het pensioenbedrag vermenigvuldigd met de breuk van het overlevingspensioen. Het overlevingspensioen wordt berekend op basis van het totaal van de werkelijke, fictieve en forfaitaire brutolonen van de overleden werknemer. Als het loon voor een loopbaanjaar van de overleden werknemer lager is dan een forfaitair jaarbedrag (30 269,27 aan index 169,23), dan wordt het overlevingspensioen berekend op basis van dat forfaitair jaarbedrag voor het betreffende jaar. Het overlevingspensioen is, zoals de overgangsuitkering, onderworpen aan de fiscale en sociale inhoudingen. VOORBEELD
De huwelijkspartner van Anna, geboren in 1965, is overleden op 23 april 2019. De loopbaanbreuk voor de berekening van haar overlevingspensioen komt overeen:
385
Deel 5 Sociale zekerheid
– niet met 45 jaar × 312, hetzij 14 040 dagen, – maar wel met 34 jaar × 312 dagen, hetzij 10 608 dagen. Er wordt immers rekening gehouden met de loopbaanjaren van haar huwelijkspartner van 1985 (jaar van zijn 20e verjaardag) tot en met 2018 (jaar voor het jaar van zijn overlijden). Het bedrag van het overlevingspensioen mag niet hoger zijn dan het pensioenbedrag dat we zouden toegekend hebben aan haar overleden huwelijkspartner als hij de wettelijke pensioenleeftijd zou hebben bereikt en een volledige loopbaan zou gehad hebben (= 14 040 dagen. Als de loopbaan van haar overleden huwelijkspartner onvolledig is, beperken we haar overlevingspensioen tot het bedrag van dit rustpensioen, vermenigvuldigd met de breuk van het overlevingspensioen. Stel dat het overlevingspensioen dat we berekend hebben voor Anna 17 050,00 EUR bedraagt en het fictief rustpensioen dat haar huwelijkspartner zou gekregen hebben op de wettelijke pensioenleeftijd (rekening houdende met de loopbaanbreuk) 15 650,00 EUR bedraagt. In dat geval wordt het overlevingspensioen van Anna beperkt tot dat maximumbedrag van 15 650,00 EUR. Zij zal dus 15 650,00 EUR en niet 17 050,00 EUR ontvangen als overlevingspensioen.
4.7
Bedrag van de overgangsuitkering
De overgangsuitkering wordt grotendeels op dezelfde manier berekend als het overlevingspensioen, op basis van de loopbaan van de overleden huwelijkspartner. Er zijn wel de volgende verschillen: – Het bedrag van de overgangsuitkering wordt berekend op basis van de lonen van de overleden huwelijkspartner. Wanneer het loon van de overleden huwelijkspartner lager is dan het gewaarborgd minimumloon, wordt het loon door het gewaarborgd minimumloon vervangen. – Als de overleden huwelijkspartner geen volledige loopbaan heeft, wordt de overgangsuitkering niet beperkt tot het bedrag van dit rustpensioen vermenigvuldigd met de breuk van het overlevingspensioen. – De langstlevende huwelijkspartner ontvangt de volledige overgangsuitkering. Er is geen verdeling met wezen of (uit de echt gescheiden) huwelijkspartners uit een ander huwelijk.
4.8
Gewaarborgd minimum overlevingspensioen
Als de loopbaan van de overleden echtgenoot minstens 2/3 bedraagt van een volledige loopbaan met voldoende voltijdse dagequivalenten (d.w.z. dat elk van de loopbaanjaren minstens 208 dagen telt), wordt aan de overlevende echtgenoot een minimum overlevingspensioen gewaarborgd dat overeenstemt met een volledige loopbaan. Het gewaarborgd minimum overlevingspensioen voor een volledige loopbaan bedraagt 1 820,27 EUR bruto per maand en 21 843,28 EUR bruto per jaar. Vanaf 1 juli 2022 gelden de regels voor het gewaarborgd minimumpensioen ook voor de overgangsuitkering als werknemer. Er wordt automatisch onderzocht of de lopende overgangsuitkeringen verhoogd moeten worden tot het minimumpensioen.
4.9
Cumulatie van overlevingspensioen met één of meer rustpensioenen
Een overlevingspensioen kan onbeperkt gecombineerd worden met één of meer rustpensioenen. Het grensbedrag is maximum 110 % van het overlevingspensioen voor een volledige loopbaan.
386
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
Concreet betekent dat – in combinatie met het rustpensioen – dat het overlevingspensioen niet meer mag bedragen dan: (bedrag overlevingspensioen/overgangsuitkering × omgekeerde prestatiebreuk × 110 %) – bedrag rustpensioenen In geval van overschrijding van het toegelaten grensbedrag voor de cumulatie van het overlevingspensioen met het rustpensioen, wordt het bedrag van het overlevingspensioen verminderd, terwijl het rustpensioen volledig betaald blijft. VOORBEELD
Myriam ontvangt een rustpensioen werknemer van 3 217,66 EUR (per jaar). Na het overlijden van haar huwelijkspartner werd haar een overlevingspensioen toegekend van 8 079,47 EUR (per jaar) op basis van een breuk van 32/36 jaren of 9 984 / 11 232 voltijdse dagen. Het grensbedrag voor de cumulatie wordt bepaald als volgt: bedrag overlevingspensioen × omgekeerde breuk loopbaan voltijdse dagen × 110 %, wat het volgende grensbedrag oplevert voor Sylvie: 8 079,47 × 11 232 / 9 984 voltijdse dagen × 110 % = 9 998,34 EUR. Het bedrag van het overlevingspensioen van Myriam wordt teruggebracht tot: 9 998,34 EUR (grensbedrag) – 3 217,66 EUR (rustpensioen) = 6 780,68 EUR.
4.10 Cumulatie van verschillende overlevingspensioenen De langstlevende mag zijn/haar overlevingspensioen in het werknemersstelsel met een of meer overlevingspensioenen ten laste van een ander Belgisch stelsel van dezelfde huwelijkspartner combineren. Het bedrag van het overlevingspensioen kan wel verminderd worden door de toepassing van de beperking tot de eenheid van loopbaan, als de loopbaan van de overleden huwelijkspartner meer dagen telt dan het aantal dagen dat wordt verkregen door 312 voltijdse dagen te vermenigvuldigen met de noemer van de breuk gebruikt voor de berekening van het overlevingspensioen. Als de langstlevende aanspraak kan maken op meerdere overlevingspensioenen in het werknemersstelsel na opeenvolgende huwelijken, wordt hem/haar enkel het voordeligste overlevingspensioen uitbetaald. Als de langstlevende aanspraak kan maken op een of meer overlevingspensioenen in het werknemersstelsel en tevens een of meer overlevingspensioenen in een ander stelsel, moet hij/zij afstand doen van de ander(e) overlevingspensioen(en) als (een van) de overlevingspensioen(en) in het werknemersstelsel het voordeligste is. Als de werknemer na de afstand van de andere overlevingspensioen(en) nog meer overlevingspensioenen heeftt, wordt het voordeligste overlevingspensioen in het werknemersstelsel uitbetaald. Als de langstlevende geen afstand kan doen van een ander pensioen, wordt het bedrag van dat pensioen in mindering gebracht van het voordeligste overlevingspensioen in het werknemersstelsel.
387
Deel 5 Sociale zekerheid
4.11
Cumulatie van overlevingspensioen met vervangingsinkomen
Een overlevingspensioen kan onbeperkt worden gecumuleerd met uitkeringen wegens een arbeidsongeval of een beroepsziekte. De cumulatie van een overlevingspensioen met uitkeringen wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid alsook met sociale uitkeringen in het kader van SWT, loopbaanonderbreking, tijdskrediet, verminderde prestaties en thematische verloven is mogelijk gedurende een eenmalige periode van maximaal 12 al dan niet opeenvolgende kalendermaanden op voorwaarde dat de overlevende echtgenoot nog geen 65 jaar is en geen rustpensioen geniet. Het overlevingspensioen wordt in dat geval beperkt tot 12 395,34 EUR per jaar ofwel 1 032,95 EUR per maand (vanaf 1 mei 2024 aan index 176,06). Als de langstlevende slechts enkele dagen per maand een vervangingsinkomen ontvangt, wordt deze onvolledige maand toch meegerekend in de 12 maanden toegelaten cumulatie. Als hij/zij opnieuw weduwnaar/weduwe wordt na een nieuw huwelijk, heeft hij/zij geen recht meer op de cumulatie. Na verloop van de periode van 12 maanden (opeenvolgend of niet) wordt, voor de daaropvolgende periode waarin betrokkene vergoedingen geniet, de uitbetaling van het overlevingspensioen geschorst, tenzij de betrokkene afstand doet van de vergoedingen.
4.12
Cumulatie van overgangsuitkering met vervangingsinkomen
De overgangsuitkering kan onbeperkt gecumuleerd worden met: – een rustpensioen; – andere socialezekerheidsuitkeringen (vergoedingen wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid); – een overlevingspensioen op basis van de activiteit van dezelfde overleden werknemer (krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving); – een sociale uitkering in het kader van loopbaanonderbreking, tijdskrediet of een vermindering van arbeidsprestaties; – een beroepsinkomen; – een conventioneel brugpensioen of SWT; – vierdagenweek of halftijds werken. Een cumulatie van de overgangsuitkering met een overlevingspensioen of een andere overgangsuitkering of een gelijkaardig voordeel van een ander Belgisch stelsel of van een buitenlands stelsel uit een eerder huwelijk is niet mogelijk. De langstlevende moet kiezen tussen de overgangsuitkering en het overlevingspensioen dat hem/haar wordt toegekend na een eerder huwelijk. Als hij/zij kiest voor de overgangsuitkering, kan hij/zij het overlevingspensioen van een eerder huwelijk opnieuw ontvangen na afloop van de periode van de overgangsuitkering. Als hij/zij kiest voor het overlevingspensioen van een eerder huwelijk, kan hij/zij de overgangsuitkering in het werknemersstelsel niet langer ontvangen.
5
Werken tijdens het pensioen
KB van 20 juni 2013 Of een gepensioneerde onbeperkt mag bijverdienen wordt bepaald door: – de leeftijd; – het aantal jaren loopbaan bij de eerste Belgische pensionering; – het type pensioen. 388
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
5.1
De gepensioneerde is 65 jaar of heeft een loopbaan van 45 jaar
De inkomsten uit een beroepsactiviteit zijn onbeperkt: – vanaf 1 januari van het kalenderjaar waarin de gepensioneerde 65 jaar wordt of; – als de gepensioneerde op het ogenblik van zijn pensionering een loopbaan had van 45 kalenderjaren (als werknemer, zelfstandige, ambtenaar …). Elk van die 45 loopbaanjaren moet ook een gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling hebben. Gewoonlijke of hoofdzakelijke tewerkstelling als werknemer (of ambtenaar) betekent een tewerkstelling met een intensiteit van 1/3 van een voltijdse activiteit (104 VTE). Ook wie als weduwe of weduwnaar alleen een overgangsuitkering heeft mag onbeperkt bijverdienen. Een gepensioneerde die een beroepsactiviteit uitoefent na de ingangsdatum van het pensioen bouwt geen bijkomende pensioenrechten op in hetzelfde stelsel of in hetzelfde ambt waarvoor al een pensioen is toegekend. Over het algemeen moet een gepensioneerde zijn beroepsactiviteit niet aangeven, behalve bij: – de eerste uitbetaling van het pensioen; – de uitoefening van een politiek of ander mandaat in België of het buitenland; – een beroepsactiviteit of genot van een sociale zekerheidsuitkering in het buitenland; – wetenschappelijke of artistieke activiteiten. De FPD houdt rekening met elke activiteit die in België of in het buitenland wordt uitgeoefend en die een belastbaar inkomen oplevert. Wanneer het pensioen wordt toegekend aan het ‘gezinsbedrag’ moet ook de huwelijkspartner van de gepensioneerde zijn beroepsactiviteit aangeven en de inkomensgrenzen naleven. Het is de leeftijd van de bijklussende huwelijkspartner (en dus niet van de gepensioneerde) die het grensbedrag bepaalt. Er is geen enkele overschrijding van de grenzen toegestaan.
5.2
De gepensioneerde is jonger dan 65 jaar of heeft geen loopbaan van 45 jaar
Om pensioen en beroepsactiviteit te kunnen combineren moet de gepensioneerde voldoen aan enkele voorwaarden.
5.2.1 Aangifte van de beroepsactiviteit De gepensioneerde moet zijn beroepsactiviteit niet aangeven als hij: – de wettelijke pensioenleeftijd heeft bereikt; – een loopbaan van 45 jaar heeft bij aanvang van het pensioen; – een overgangsuitkering geniet. De aangifte van de beroepsactiviteit is wel verplicht als de gepensioneerde: – zijn eerste pensioen nog moet ontvangen; – een gezinspensioen ontvangt; – wetenschappelijke of artistieke activiteiten uitoefent; – een beroepsactiviteit uitoefent of een vervangingsinkomen ontvangt in het buitenland; – een politiek of ander mandaat in België of het buitenland uitoefent.
389
Deel 5 Sociale zekerheid
De gepensioneerde werknemer of ambtenaar moet zijn aangifte indienen bij de FPD binnen 30 dagen na de start van de activiteit, na ontvangst van het vervangingsinkomen of na de datum van kennisgeving van de pensioenbeslissing.
5.2.2 Naleven van de grenzen van de inkomsten Een beroepsactiviteit kan uitgeoefend worden door de gepensioneerde zelf of door de huwelijkspartner van een gepensioneerde die een pensioen aan gezinsbedrag ontvangt. Deze activiteit is toegelaten zolang de inkomsten die eruit voortvloeien bepaalde grenzen niet overschrijden. Die grenzen hangen af van verschillende parameters: – het aantal jaren van tewerkstelling vóór aanvang van het pensioen; – het pensioenstelsel (werknemer, ambtenaar of zelfstandige); – het kalenderjaar waarin men bijverdient; – de aard van de beroepsactiviteit; – de leeftijd; – de aard van het pensioen (rust- of overlevingspensioen); – de eventuele kinderlast en de ingangsdatum van het pensioen. De grensbedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Voor de grensbedragen van de toegelaten inkomsten verwijzen we naar de bijlage over dat onderwerp. Als deze inkomstengrens wordt overschreden, wordt het pensioen van de betrokkene verminderd of geschorst. Als de beroepsinkomsten van de gepensioneerde het toegelaten bedrag met meer dan 100 % overschrijden, wordt de betaling van het pensioen voor dat jaar volledig geschorst. De ten onrechte ontvangen pensioenbedragen moeten terugbetaald worden. Als de beroepsinkomsten van de gepensioneerde voor een kalenderjaar het toegelaten bedrag met minder dan 100 % overschrijden, wordt voor dat jaar de betaling van het pensioen verminderd met eenzelfde percentage. De ten onrechte ontvangen pensioenbedragen worden teruggevorderd. De huwelijkspartner van een gepensioneerde met een gezinspensioen mag het grensbedrag helemaal niet overschrijden. Als hij dat wel doet wordt het gezinspensioen teruggebracht tot een pensioen als alleenstaande, gedurende het jaar van de overschrijding. Dat betekent in de praktijk dat het verschil tussen het gezinspensioen en het pensioen als alleenstaande het daaropvolgende jaar terugbetaald moet worden. De sancties hebben betrekking op het volledige kalenderjaar, ook als de beroepsactiviteit niet gedurende het volledige jaar wordt uitgeoefend.
5.2.3 Geen sociale uitkeringen ontvangen of eraan verzaken De gepensioneerde (of de echtgenoot van de gepensioneerde die een ‘gezinspensioen’ ontvangt) mag geen sociale uitkeringen ontvangen die voorzien zijn bij arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, SWT, vermindering van de arbeidstijd, tijdskrediet en loopbaanonderbreking. De gepensioneerde (of de echtgenoot van de gepensioneerde die een ‘gezinspensioen’ ontvangt) moet kiezen tussen het rustpensioen en het vervangingsinkomen, en moet afstand doen van zijn vervangingsinkomen om het rustpensioen te kunnen ontvangen. Er is geen invloed op het bedrag van het pensioen als de gepensioneerde samen met het rustpensioen ook een vergoeding van de FOD Sociale zekerheid voor personen met een handicap of een vergoeding voor een arbeidsongeval of een beroepsziekte ontvangt.
390
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
Als de huwelijkspartner van de gepensioneerde een vervangingsinkomen ontvangt, wordt het gezinspensioen teruggbracht tot het bedrag als alleenstaande. Meerdere rustpensioenen als werknemer mogen gecombineerd worden. Wel kan het totaalbedrag van het pensioen verminderd worden door de toepassing van de beperking tot de eenheid van loopbaan. Een gepensioneerde die een beroepsactiviteit uitoefent na de ingangsdatum van het pensioen bouwt geen bijkomende pensioenrechten op in hetzelfde stelsel of in hetzelfde ambt waarvoor al een pensioen is toegekend. VOORBEELD
Dimitri & Yelena zijn met pensioen. Beide zijn jonger dan 65, maar Dimitri mag onbeperkt bijverdienen en Yelena niet. Waarom mag Dimitri onbeperkt bijverdienen en Yelena niet? Dimitri werd geboren in 1954 en ging met pensioen op 1 december 2014, hij was toen 60. Hij begon te werken toen hij 15 was en kon bij zijn pensionering een loopbaan voorleggen met 45 kalenderjaren. Door die lange loopbaan kon hij niet alleen op zijn 60ste met pensioen gaan, maar kan hij nu ook onbeperkt bijverdienen. Een gepensioneerde mag immers onbeperkt bijverdienen als hij of zij: – ouder dan 65 is; of – een loopbaan met 45 jaren kon voorleggen op het ogenblik van de eerste ingang van zijn Belgisch pensioen. Dimitri voldoet dus aan de tweede voorwaarde. Yelena werd geboren in 1953, en ging met pensioen in 2013, toen ze 60 was. Ze kon toen op die leeftijd met vervroegd pensioen gaan, omdat ze 40 loopbaanjaren kon voorleggen. Doordat ze minder dan 45 loopbaanjaren had op de ingangsdatum van haar pensioen, moet ze de grensbedragen respecteren tot en met het jaar van haar 64ste verjaardag. Vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar (m.a.w. 2018, het jaar waarin ze 65 wordt) mag ze onbegrensd bijverdienen. In een notendop: Dimitri
Yelena
Geboortejaar
1954
1953
Ingangsjaar pensioen
2014
2013
Loopbaanjaren bij ingang Belgisch pensioen
45
40
Onbeperkt bijverdienen vanaf
2014
2018
5.3
Flexi-jobs en onbelast bijverdienen
Een gepensioneerde kan ook een flexi-job uitoefenen als hij voldoet aan een van de volgende voorwaarden: – 65 jaar of ouder zijn op het moment dat men de flexi-job aanvat; of – in het derde kwartaal voorafgaand aan de flexi-job minstens 4/5 van een voltijdse tewerkstelling uitgeoefend hebben bij één (of meerdere) andere werkgevers; of – in het tweede kwartaal voorafgaand aan de flexi-job vermeld staan in het pensioenkadaster (enkel als men ouder dan 50 jaar is).
391
Deel 5 Sociale zekerheid
Verder gelden de volgende voorwaarden tijdens het kwartaal waarin de gepensioneerde een flexi-job uitoefende: – als flexi-werknemer mag men niet tewerkgesteld zijn bij dezelfde werkgever met een andere arbeidsovereenkomst van minstens 4/5 van een voltijdse tewerkstelling; – als flexi-werknemer mag men zich niet in een opzegperiode bevinden bij diezelfde werkgever of in een periode gedekt door een verbrekingsvergoeding betaald door diezelfde werkgever; – de werkgever moet de flexi-jobs registreren en bijhouden. Ingevolge een arrest van het Grondwettelijk Hof kan men sinds 1 januari 2021 niet meer onbelast bijklussen als verenigingswerker en kan men ook niet meer onbelast occasionele diensten aan particulieren verlenen. Onbelast bijverdienen blijft wel nog mogelijk voor erkende platformen in de deeleconomie en voor verenigingswerk in de sportsector, zij het beperkt tot maximum 50 uur per maand en met een solidariteitsbijdrage van 10 %. Als men wil klussen tegen betaling, moet men dat wel aangeven via de website www.bijklussen.be. De inkomsten tellen wel mee als beroepsinkomsten en mogen de toegelaten inkomensgrenzen niet overschrijden. De inkomsten uit de flexi-job mogen de algemene grensbedragen van de beroepsinkomsten van een gepensioneerde en het grensbedrag voor flexi-jobs niet overschrijden. Dat bijzondere grensbedrag geldt voor de flexiwerknemer die met vervroegd pensioen is én minder dan 45 jaar gewerkt heeft bij aanvang van het eerste Belgische rustpensioen, en bedraagt 8 121,00 EUR bruto per jaar in 2026; dat bedrag wordt niet verhoogd in geval van kinderlast. De flexiwerknemer moet dus twee grensbedragen naleven. Als de totale beroepsinkomsten de algemene grensbedragen overschrijden, wordt het rustpensioen voor het betreffende kalenderjaar verminderd met hetzelfde percentage waarmee de beroepsinkomsten het grensbedrag hebben overschreden. Als bovendien ook het grensbedrag van 8 121,00 EUR voor flexi-jobs wordt overschreden, wordt het bedrag van het rustpensioen een tweede keer verminderd met de helft van het percentage waarmee de inkomsten uit de flexi-job de bijkomende grens van 8 121,00 EUR overschrijden.
6
Geschillen
Tegen een beslissing van de FPD kan met een verzoekschrift beroep ingediend worden bij de arbeidsrechtbank binnen de 3 maanden na ontvangst van de beslissing. De procedure is kosteloos. De FPD mag overgaan tot de invordering van onverschuldigd betaalde bedragen naar aanleiding van een pensioenschuld, een schuld bij een instelling van sociale zekerheid of een beslag. Ten eerste kan een ten onrechte uitbetaald pensioen ingevorderd worden als de gerechtigde op een pensioen de geldende wettelijke bepalingen niet heeft nageleefd, of in geval van de niet-toegelaten cumulatie met andere socialezekerheidsuitkeringen of in geval van de wijziging van de toekenningsof betalingsvoorwaarden. De procedure voor de invordering van de pensioenschuld voorziet in de schriftelijke en gemotiveerde kennisgeving van de schuld en in de verplichte mededeling van de mogelijkheid om beroep aan te
392
Hoofdstuk 8 Rust- en overlevingspensioen
tekenen. Bovendien heeft de gerechtigde de mogelijkheid om een verzoek tot kwijtschelding van de schuld in te dienen. Hij heeft de keuze om de pensioenschuld te vereffenen, hetzij via onmiddellijke terugbetaling, hetzij via maandelijkse inhoudingen van maximum 10 % op het pensioen, hetzij via beslag op andere sociale uitkeringen. Ten tweede kan een andere sociale zekerheidsinstelling die zelf geen vergoedingen meer uitbetaalt aan de gepensioneerde, aan de FPD vragen om inhoudingen op het pensioen te verrichten ten bedrage van maximum 10 %. Ten derde kan een deel van het pensioen ook worden ingehouden op verzoek van schuldeisers van de gepensioneerde (bv. gerechtigde op onderhoudsgeld, kredietinstelling, inningskantoor). De inhouding moet worden berekend op basis van de nettobedragen, na aftrek van de ZIV-bijdrage, solidariteitsbijdrage en bedrijfsvoorheffing. De berekening houdt geen rekening met de IGO. In mei wordt er ook rekening gehouden met het nettobedrag van het vakantiegeld voor het bepalen van het in te houden bedrag. Het bedrag dat op het pensioen mag worden ingehouden, wordt bepaald aan de hand van wettelijk vastgestelde en geïndexeerde schijven. Bij een beslag wegens achterstallig onderhoudsgeld is er geen beperking zodat zelfs het volledige pensioenbedrag ingehouden kan worden. Pensioenschulden die het gevolg zijn van een juridische vergissing (verkeerde toepassing van een wettelijke of reglementaire bepaling) of materiële vergissing (bijvoorbeeld een coderingsfout) worden niet teruggevorderd. De Pensioendienst zal in die gevallen een gemotiveerde beslissing sturen naar de betrokkene waarin de wijziging van het pensioenbedrag voor de toekomst wordt gemotiveerd.
7
Verjaring
De FPD moet ten onrechte uitbetaalde bedragen terugvorderen binnen een termijn van zes maanden als de FPD niet kon beschikken over de informatie die toelaat om de betaling van de onverschuldigde bedragen te vermijden. Daarnaast moet de terugvordering binnen dezelfde termijn gebeuren, als de FPD rekening gehouden heeft met de enige beschikbare elementen waarvan achteraf blijkt dat ze onjuist zijn, en tevens als het materieel gezien niet mogelijk was voor de FPD om rekening te houden met een nieuw element dat later werd meegedeeld. De termijn voor de terugvordering bedraagt drie jaar als blijkt dat de ten onrechte uitgevoerde betaling het gevolg is van bedrieglijke handelingen of valse of bewust onvolledige verklaringen. De FPD beschikt eveneens over een terugvorderingstermijn van drie jaar als de betrokkene zich niet gehouden heeft aan de verplichting om de FPD op de hoogte te brengen van een substantiële wijziging in zijn toestand (bv. de uitoefening van een nieuwe beroepsactiviteit, de hervatting van een beroepsactiviteit, een verandering in de uitoefening van de beroepsactiviteit, het verlies van kinderlast, een wijziging in het beroepsinkomen, het verlies van kinderlast of de toekenning van om het even welk vervangingsinkomen). www.sfpd.fgov.be www.pensioenaanvraag.be
393
Deel 5 Sociale zekerheid
8
Vragen en toepassingen
1 Op welke pijlers is het Belgisch pensioenstelsel gebaseerd? 2 Wat is het verschil tussen het repartitiesysteem en het kapitalisatiesysteem? 3 Waar en wanneer kan het rustpensioen worden aangevraagd? 4 Welke elementen zijn bepalend voor het bedrag van het pensioen? 5 Wat is een gemengde beroepsloopbaan? 6 Bereken het jaarlijks bedrag van het rustpensioen vanaf 65 jaar voor een bediende die gedurende een loopbaan van 39 jaar een gemiddeld jaarloon heeft verdiend van 17 898,89 EUR. Zijn echtgenote oefent geen beroepsactiviteit uit en heeft ook geen recht op rustpensioen. 7 Een vrouw heeft op jaarbasis recht op een pensioen van 2 500,00 EUR als alleenstaande. Haar man heeft recht op een gezinspensioen van 15 000,00 EUR. Hoe wordt in dit geval hun pensioen samengesteld? 8 Een vrouw heeft recht op een pensioen als alleenstaande van 6 000,00 EUR. De man heeft recht op een gezinspensioen van 15 000,00 EUR. Hoe wordt in dit geval hun pensioen samengesteld? 9 Wat is een pensioenbonus? 10 Onder welke voorwaarden heeft de langstlevende echtgenoot recht op een overlevingspensioen? 11 Een bediende begint te werken op 1 januari 1989 en is dan 25 jaar. Hij overlijdt op 1 februari 2020. Zijn gemiddeld loon is 18 113,00 EUR. Bereken het bedrag van het overlevingspensioen voor zijn echtgenote als ze voldoet aan de voorwaarden. 12 Kan de langstlevende echtgenoot van 25 jaar zonder kinderen ten laste recht hebben op een overlevingspensioen? 13 Een overlevende echtgenoot heeft: – een rustpensioen als zelfstandige van 3 600,00 EUR; – een overlevingspensioen als werknemer van 9 000,00 EUR. De loopbaanbreuk van het overlevingspensioen is 30/35. Tot welk bedrag is de combinatie van het rustpensioen met het overlevingspensioen mogelijk?
394