Skip to main content

HO_Praktisch personenbelasting 2026_voorbeeldhoofdstuk

Page 1

Vak II n e s n e v e g e g Persoonlijke gezinslasten


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Typerend voor de personenbelasting is dat ze subjectief en gepersonaliseerd is. Dat betekent dat bij de berekening van de belasting rekening gehouden wordt met de burgerlijke stand, de gezinstoestand en eventueel de lichamelijke toestand van de belastingplichtige. Het invullen van het vak ‘Personalia’ (of persoonlijke gegevens) is vooral van belang voor de berekening van de belastingvrije som waarop iedere belastingplichtige recht heeft. De belastingvrije som is het deel van het inkomen dat vrijgesteld is van belasting, te berekenen aan de onderste schijf, volgens inkomstenschijven en tarieven die verschillen van die van de berekening van de belasting op het inkomen zelf.

1

Basisbedragen van de belastingvrije som

Iedere belastingplichtige heeft onvoorwaardelijk recht op een basisbedrag van een belastingvrije som. Dat betekent dat bij de berekening van de belasting sowieso een stuk inkomen vrijgesteld wordt van belasting. Het basisbedrag van de belastingvrije som (art. 131, eerste lid WIB 1992) bedraagt voor aanslagjaar 2026: 10 910,00 EUR.

2

Verhoging voor zware handicap

De belastingvrije som wordt met 1 980,00 EUR verhoogd (niet-geïndexeerd bedrag: 870,00 EUR) als de belastingplichtige zwaar gehandicapt is (art. 131, derde lid WIB 1992). Als zwaar gehandicapte belastingplichtige wordt aangemerkt (art. 135 WIB 1992): – de personen waarvan de lichamelijke of geestelijke toestand het verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de arbeidsmarkt kan verdienen; – de personen waarvan de gezondheidstoestand een volledig gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten tot gevolg heeft (gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in de wetgeving m.b.t. tegemoet- komingen aan gehandicapten); – personen die na een periode van primaire ongeschiktheid hun verdienvermogen verminderd zien tot een derde of minder; – de personen die door een administratieve of gerechtelijke beslissing voor ten minste 66 % blijvend lichamelijk of mentaal gehandicapt werden verklaard. De feiten die aanleiding hebben gegeven tot deze handicap moeten wel voorgekomen en vastgesteld zijn vóór de leeftijd van 65 jaar. Er moet echter ook rekening worden gehouden met de handicap die na de leeftijd van 65 jaar wordt vastgesteld, maar het gevolg is van feiten die voor die leeftijd zijn voorgekomen en vastgesteld.

3

Verhoging voor kinderen ten laste

3.1

Bedragen

Tabel aanslagjaar 2026 (art. 132, eerste lid, 1°-5° WIB 1992)

61


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

De belastingvrije som wordt verhoogd met de volgende bedragen voor kinderen ten laste: aantal kinderen

basisbedrag

aanslagjaar 2026

1

870,00

1 980,00

2

2 240,00

5 110,00

3

5 020,00

11 440,00

4

8 120,00

18 510,00

4>

8 120,00 + 3 100,00

18 510,00 + 7 070,00

per bijkomend kind

per bijkomend kind

Gehandicapte kinderen worden altijd voor twee geteld (art. 132, tweede lid WIB 1992). Wanneer wordt een kind fiscaal aanzien als ‘gehandicapt’ (Ci.RH.331/586.900 (AOIF Nr. 29/2008) d.d. 5 september 2008)? – Als het kind geboren is vóór 01-01-1993, wordt dat kind dat voor ten minste 66 % getroffen is door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens een of meer aandoeningen als gehandicapt aangemerkt. – Als het kind geboren is vanaf 01-01-1993 wordt het aangemerkt als gehandicapt als het ten minste 4 punten heeft behaald in de eerste pijler (gevolgen op lichamelijk en psychisch vlak) inzake de beoordeling van de aandoening van het kind, en dit ongeacht het totale aantal punten dat het heeft behaald voor het totaal van de 3 pijlers. De door de kinderbijslagfondsen uitgereikte documenten geven duidelijk aan of het kind al dan niet ten minste 4 punten heeft behaald in de eerste pijler en of het al dan niet erkend is als ten minste 66 % lichamelijk of geestelijk gehandicapt. VOORBEELDEN

– Een belastingplichtige met één zwaar gehandicapt kind heeft recht op een verhoging van de belastingvrije som wegens kinderlast met 5 110,00 EUR. – Een belastingplichtige met drie kinderen, waarvan één kind zwaar gehandicapt is, heeft recht op een verhoging van de belastingvrije som wegens kinderlast met 18 510,00 EUR.

3.2

Welke kinderen kan de belastingplichtige ten laste nemen?

De belastingplichtige kan volgende kinderen ten laste nemen (art. 136, 1° WIB 1992 en art. 2, 4° WIB 1992): 1 de afstammelingen (ongeacht de graad): kinderen of geadopteerde kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van de alleenstaande belastingplichtige, van beide echtgenoten of van één van hen, ongeacht hun leeftijd; 2 de kinderen die de belastingplichtige volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft. Hier worden de kinderen bedoeld die niet de eigen kinderen zijn van de belastingplichtige (= pleegkinderen). Een belastingplichtige neemt een kind ‘volledig’ of ‘hoofdzakelijk’ ten laste wanneer: – het kind voor zijn meerderjarigheid opgenomen is in het gezin; – en de belastingplichtige kan bewijzen dat hij alle of minstens 50 % van de onderhoudskosten van het kind zelf heeft betaald. De belastingplichtige zal m.a.w. moeten aantonen dat hij volledig of hoofdzakelijk heeft ingestaan voor het onderhoud van het kind.

62


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

3.3

Voorwaarden om ten laste te worden beschouwd

A Algemeen Een kind kan fiscaal ten laste worden genomen als aan de volgende vijf voorwaarden tegelijkertijd voldaan is: 1 het kind moet op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige (art. 136 WIB 1992); 2 het kind mag gedurende het belastbare tijdperk persoonlijk geen nettobestaansmiddelen hebben genoten die meer dan een bepaald grensbedrag bedragen. In sommige gevallen wordt het grensbedrag van de bestaansmiddelen verhoogd (art. 136 en 141 WIB 1992); 3 het kind mag geen beroepsinkomsten hebben genoten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn (art. 145 eerste lid, 1° WIB 1992); 4 het kind mag als student-zelfstandige (in de zin van de sociale wetgeving) geen bezoldiging voor bedrijfsleiders hebben verkregen: – die beroepskosten vormen voor een vennootschap waarvan diegene die dat kind ten laste wil nemen, rechtstreeks of onrechtstreeks, bedrijfsleider is en waarover hij controle uitoefent in de zin van art. 1:14 van het WVV, en – die bruto, meer dan 2 000,00 EUR bedragen en meer dan de helft vormen van zijn belastbare inkomsten, onderhoudsuitkeringen uitgezonderd (art. 145, eerste lid, 2° en tweede lid WIB 1992); 5 het kind mag geen leefloon verkrijgen (art. 145, lid 1, 3° WIB 1992). B Eerste voorwaarde: deel uitmaken van het gezin De voorwaarde dat het kind op 1 januari van het aanslagjaar deel moet uitmaken van het gezin van de belastingplichtige betekent dat het kind op 1 januari van het aanslagjaar met de belastingplichtige op een bestendige wijze moet samenleven en -wonen. De gerechtelijke vestiging van de hoofdverblijfplaats van een kind bij de ene ouder, de inschrijving in de bevolkingsregisters ... zijn in dit verband slechts feitelijke elementen die in aanmerking moeten worden genomen om uit te maken of het kind deel uitmaakt van het gezin, maar die evenwel niet determinerend zijn als zij niet worden bevestigd door de concrete feitelijke realiteit. Kinderen die tijdelijk verwijderd zijn uit het gezin wegens ziekte, internering of studieredenen blijven deel uitmaken van het gezin. Het is daarentegen niet noodzakelijk dat het verblijf van het kind in het gezin een volledig jaar zou duren. 1 Overleden kind Een in het belastbare tijdperk overleden kind wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat het kind (art. 138, eerste lid WIB 1992): – ofwel al voor het vorige aanslagjaar ten laste was van de belastingplichtige; – ofwel tijdens het belastbare tijdperk geboren en overleden is. 2 Doodgeboren kind of kind verloren bij een miskraam Een doodgeboren kind of een kind verloren bij een miskraam na ten minste 180 dagen zwangerschap wordt eveneens geacht op 1 januari van het aanslagjaar deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op voorwaarde dat de gebeurtenis zich gedurende het belastbare tijdperk heeft voorgedaan (art. 138, tweede lid WIB 1992).

63


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Opmerkingen De beoogde kinderen geven recht op: – de toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste; – de bijkomende toeslag op de belastingvrije som voor ieder kind ten laste jonger dan 3 jaar voor wie geen belastingvermindering voor kosten voor oppas wordt gevraagd. Zij geven evenwel geen recht op de dubbeltelling wegens zware handicap. Art. 132bis WIB 1992 (co-ouderschap: verdeling over de ouders van de toeslag op de belastingvrije som waarop kinderen recht kunnen geven) kan niet toegepast worden voor deze kinderen. 3 Feitelijk gezin Gemeenschappelijke kinderen Wanneer afzonderlijk belastbare belastingplichtigen een feitelijk gezin vormen, kan het gemeenschappelijke kind slechts ten laste worden genomen door de belastingplichtige ‘die in feite aan het hoofd staat van het gezin’ (art. 140, eerste lid WIB 1992). Het antwoord op de vraag wie aan het hoofd staat van het gezin, moet worden uitgemaakt a.h.v. feitelijke gegevens. Volgens de administratie kan de hoegrootheid van de inkomsten hier een belangrijk beoordelingscriterium vormen (Ci.RH.331/517.844, 10 juni 1999). Het is niet aan de taxatieambtenaar om de gepastheid van de door de belastingplichtigen uitgedrukte keuze te beoordelen (Ci. RH.331/517.844 van 20 november 2002). Als ongehuwd samenwonende ouders zelf niet uitmaken wie van hen beiden het ‘gezinshoofd’ is, dan mag de administratie er terecht van uitgaan dat de kinderen ten laste zijn van de partner met het hoogste inkomen (Luik, 17 april 2002). Kind van feitelijke partner waarvan men niet de natuurlijke ouder is De feitelijk samenwonende partner, die niet de natuurlijke ouder is, kan het kind van zijn samenwonende partner ten laste nemen, maar dan mag geen van de eigenlijke ouders het kind zelf ten laste nemen en moet die samenwonende partner kunnen bewijzen dat hij dat kind voor zijn meerderjarigheid heeft opgenomen in het gezin én hij volledig of hoofdzakelijk in het onderhoud van het kind voorziet (Parl. Vr. nr. 799 Ghesquière, 5 maart 1997) en zo in feite aan het hoofd van het gezin staat. 4 Ontvoerd of vermist kind Een in de loop van het belastbaar tijdperk vermist of ontvoerd kind dat op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van 18 jaar niet heeft bereikt, wordt geacht op die datum toch deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige: – op voorwaarde dat het al voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was of het tijdens het belastbaar tijdperk geboren is en werd vermist of is ontvoerd; en – op voorwaarde dat de belastingplichtige aantoont dat hij de verdwijning of ontvoering uiterlijk op 31 december van het belastbaar tijdperk heeft aangegeven bij de politie of ter zake een klacht heeft ingediend bij het parket of bij de Belgische overheden die bevoegd zijn inzake ontvoeringen van kinderen (art. 138, derde lid WIB 1992).

64


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

5 Jaar van overlijden Als men voor het jaar van overlijden ervoor kiest belast te worden als alleenstaanden, kan het kind slechts ten laste worden genomen door de ouder die in feite aan het hoofd staat van het gezin. 6 Jaar van huwelijk / wettelijke samenwoning Voor het jaar van huwelijk / wettelijke samenwoning kan het kind slechts ten laste worden genomen door de ouder die in feite aan het hoofd staat van het gezin. 7 Jaar van feitelijke scheiding Voor het jaar van de feitelijke scheiding worden de echtgenoten geacht fiscaal nog een gezin te vormen (één fiscale entiteit). Het kind wordt dan ook nog geacht deel uit te maken van dit gezin op 1 januari van het aanslagjaar. Vanaf het tweede jaar van de feitelijke scheiding kan het kind slechts ten laste worden genomen door de ouder van wie het kind deel uitmaakt van het gezin op 1 januari van het aanslagjaar (= algemene regel, tenzij men onder de regeling van fiscaal co-ouderschap valt). 8 Jaar van echtscheiding of scheiding van tafel en bed Voor het jaar van echtscheiding of scheiding van tafel en bed moet er rekening gehouden worden met de werkelijke gezinstoestand op 1 januari van het aanslagjaar. Het kind kan slechts ten laste genomen worden door de ouder van wie het kind deel uitmaakt van het gezin op 1 januari van het aanslagjaar (= algemene regel, tenzij men onder de regeling van fiscaal co-ouderschap valt). 9 Co-ouderschap Om te beoordelen door welke ouder het kind van niet-samenlevende ouders fiscaal ten laste wordt genomen, houdt men rekening met de ligging van het fiscaal domicilie, zijnde daar waar het centrum van de economische en emotionele levensbelangen van de partijen gelegen is. Deze omschrijving kan in geval van verblijfsco-ouderschap voor beide ouders opgaan, zodat beide ouders theoretisch aanspraak zouden kunnen maken op het voordeel van kind ten laste. Evenwel wordt niet aanvaard dat het kind fiscaal ten laste zou zijn van beide niet-samenlevende ouders, zodat in elk geval slechts één van de ouders het genot kan hebben van de volledige bijkomende toeslag op de belastingvrije som (= algemene regel). In afwijking van deze algemene regel kan de fiscale co-ouderschapsregeling van art. 132bis WIB 1992 gelden. Fiscaal co-ouderschap houdt in dat de toeslagen wegens kinderlast waarop die kinderen recht geven (en sinds aanslagjaar 2008 ook de toeslag voor kinderen jonger dan drie jaar waarvoor geen belastingvermindering voor kinderoppaskosten wordt gevraagd), voor de helft aan elke belastingplichtige worden toegekend. Uit art. 132bis WIB 1992 volgt dat de verdeling van toepassing is wanneer: – twee belastingplichtigen die geen deel uitmaken van hetzelfde gezin, maar die voldoen aan de onderhoudsplicht bepaald in artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek van één of meer kinderen ten laste die recht geven op de verhogingen van de belastingvrije som; en – de huisvesting van die kinderen gelijkmatig verdeeld is over de beide belastingplichtigen; en, – deze gelijkmatige verdeling voortvloeit (1) hetzij uit een ‘geregistreerde of door een rechter gehomologeerde overeenkomst waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen

65


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen en dat zij bereid zijn de toeslagen op de belastingvrije som voor die kinderen te verdelen’; (2) hetzij uit een ‘rechterlijke beslissing waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen’. De registratie of homologatie van de voormelde overeenkomst, of de voormelde rechterlijke beslissing moet een feit zijn op 1 januari van het aanslagjaar. (Circulaire nr. AFZ/2007-0423-1 (AFZ 8/2007) d.d. 26 juni 2007 en Circulaire nr. Ci.RH.331/598.621 (AOIF 37/2010) d.d. 26 april 2010). Het hof van cassatie heeft beslist dat de co-ouderschapsregeling van art. 132bis WIB 1992 t.a.v. de ouders geen verplichting (lees: automatisme) inhoudt, maar hun enkel een mogelijkheid biedt (lees: optie) om over te gaan tot een verdeling van de verhoging van de belastingvrije som voor een kind dat gelijkmatig bij hen is gehuisvest. De toepassing van de fiscale co-ouderschapsregeling is gebaseerd op een door de belastingplichtigen vrijwillig gesloten overeenkomst of anders op een rechterlijke beslissing, maar rekening houdend met de werkelijkheid en de naleving van de bovenvermelde overeenkomst of beslissing: – Ook al is volgens een in de wet bedoelde overeenkomst of rechterlijke beslissing voorzien dat de huisvesting van het kind gelijkmatig wordt verdeeld, als één van de ouders de volledige toeslag op de belastingvrije som vraagt (terwijl de andere de helft ervan vraagt in toepassing van het co-ouderschap), kan dat voordeel immers met inachtneming van alle wettelijke voorwaarden, volledig aan die ouder worden toegekend als hij (op basis van feitelijke en juridische elementen) onomstotelijk aantoont dat de in de overeenkomst of in de rechterlijke beslissing vastgelegde gelijkmatig verdeelde huisvesting in werkelijkheid niet wordt toegepast en dat het kind uitsluitend deel uitmaakt van zijn gezin. – Ook in het geval dat aan de bovenvermelde vormvoorwaarden voor de gelijkmatig verdeelde huisvesting is voldaan, maar dat de ouder van wiens gezin het kind op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaakt, de volledige toeslag op de belastingvrije som in zijn belastingaangifte vraagt, terwijl de andere ouder noch de volledige toeslag, noch de helft van de toeslag op de belastingvrije som vraagt in zijn eigen belastingaangifte, gaat de belastingadministratie er trouwens van uit dat de voorwaarden voor de gelijkmatig verdeelde huisvesting in werkelijkheid niet worden nageleefd, waardoor het stelsel van het fiscaal co-ouderschap niet kan worden toegepast (Parl. Vr. nr. 848 van de heer Piedboeuf van 04 februari 2022). Opmerking Artikel 203, § 1 BW legt de bijzondere onderhoudsplicht op aan ouders: ‘De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen.’ Die verplichting loopt uitdrukkelijk door na de meerderjarigheid van het kind, als de opleiding op dat ogenblik nog niet voltooid is (art. 203, § 1, tweede lid BW). Sinds aanslagjaar 2017 komen nu ook meerderjarige (18 jaar of ouder op 1 januari van het aanslagjaar) en minderjarige ontvoogde kinderen in aanmerking voor de toepassing van de fiscale co-ouderschapsregeling, voor zover uiteraard de overige voorwaarden vervuld zijn. De bijzondere onderhoudsplicht van artikel 203, § 1 BW geldt alleen voor de ouders van het kind. Daaruit volgt dat het fiscaal co-ouderschap nog steeds niet kan worden toegepast als het kind bij een grootouder is gehuisvest. Opgelet: De aanvraag tot verdeling van de toeslag heeft wel een belangrijke keerzijde. Ze heeft tot gevolg dat de onderhoudsgelden die betaald worden voor de kinderen voor wie deze verdeling

66


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

gevraagd wordt, niet aftrekbaar zijn. Zodra één van de co-ouders toch onderhoudsgelden fiscaal in aftrek brengt voor de betrokken kinderen, vervalt de fiscale verdelingsregeling van art. 132bis WIB 1992 voor de betrokken kinderen tussen de co-ouders (art. 132bis laatste alinea WIB 1992). Omtrent dit wettelijk combinatieverbod tussen fiscaal co-ouderschap en aftrek onderhoudsgelden heeft de minister van Financiën echter verduidelijkt dat het niet de bedoeling is om de verdelingsregeling in een bepaald belastbaar tijdperk te weigeren wanneer in datzelfde tijdperk de aftrek van onderhoudsuitkeringen wordt gevraagd die uitsluitend betrekking hebben op de periode die aan de gelijkmatig verdeelde huisvesting van de kinderen voorafgaat. De aftrek van onderhoudsuitkeringen die zijn betaald vóór de periode van het co-ouderschap brengt, aldus de Minister, niet het verlies van de verdelingsregeling met betrekking tot dezelfde kinderen met zich mee. (Parl. Vr. nr. 583 Dhr. Goffin, 14 oktober 2011, V&A Kamer 2011-2012, nr. 53-044, 30). Die ministeriële verduidelijking is ook terug te vinden in de toelichting bij deel 1 van het aangifteformulier (p. 12). Als de ene co-ouder kiest voor de aftrek van onderhoudsgelden, terwijl de andere co-ouder in zijn aangifte de verdeling van de verhogingen wegens kinderlast heeft gevraagd, dan kan deze laatste de volledige verhoging wegens kinderlast pas verkrijgen ‘na bezwaar’ (Integraal Verslag, vergadering 7 november 2007, nr. 52 COM 017, p. 50 en nogmaals bevestigd in Parl. Vr. nr. 483 Dhr. De Clercq, 20 mei 2009). In dat bezwaar zal men moeten aantonen alsnog recht te hebben op de volledige belastingvrije som, wat onder meer inhoudt dat men zal moeten hard maken dat de kinderen op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van zijn gezin. Die beperking (geen cumul mogelijk van aftrek onderhoudsuitkeringen voor de kinderen voor wie de co-ouderschapsregeling wordt gevraagd) geldt niet voor achterstallige onderhoudsuitkeringen (art. 104, 2°, WIB 1992), op voorwaarde dat voor geen enkel vorig aanslagjaar art. 132 bis, WIB 1992, is toegepast. Wie dus voor de eerste keer de fiscale co-ouderschapsregeling toepast, kan tegelijk nog achterstallige onderhoudsuitkeringen van vorige jaren aftrekken. VOORBEELD

Katrien en Pim zijn uit de echt gescheiden en hebben twee gemeenschappelijke kinderen voor wie zij voldoen aan de onderhoudsplicht bepaald in artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek. De kinderen zijn op 01-01-2026 officieel gedomicilieerd bij de moeder, maar de huisvesting van de kinderen is gelijkmatig verdeeld over beide ouders. Zowel Pim als Katrien zijn intussen hertrouwd. Uit dit tweede huwelijk heeft Pim één kind en Katrien drie kinderen ten laste. Er is een geregistreerde overeenkomst (al van vóór 2025) tussen Katrien en Pim waarin uitdrukkelijk is vermeld dat de huisvesting van die kinderen gelijkmatig is verdeeld over beide belastingplichtigen en dat zij bereid zijn de toeslagen op de belastingvrije som voor die kinderen te verdelen. Aangifte Katrien: Code 1030-37: 3 (kinderen volledig fiscaal ten laste) Code 1034-33: 2 (kinderen in co-ouderschap, domicilie bij belastingplichtige zelf ) De toeslag voor kinderlast bedraagt: – voor Katrien: + toeslag vijf kinderen ten laste: – toeslag twee kinderen in co-ouderschap totale toeslag kinderlast

25 580,00 – 2 555,00 (5 110,00 × 1/2) 23 025,00

67


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Aangifte Pim: Code 1030-37: 1 (kind volledig fiscaal ten laste) Code 1036-31: 2 (kinderen in co-ouderschap, domicilie bij andere ouder) De toeslag voor kinderlast bedraagt: – voor Pim: + toeslag één kind ten laste: + toeslag twee kinderen in co-ouderschap: totale toeslag kinderlast

1 980,00 + 2 555,00 (5 110,00 × 1/2) 4 535,00

Zoals uit het voorbeeld blijkt moet men bij de berekening van het belastingvoordeel kinderlast vooreerst de toeslag berekenen op de belastingvrije som over het aantal kinderen dat men fiscaal ten laste heeft (zowel de kinderen die men volledig fiscaal ten laste heeft als de kinderen die men fiscaal ten laste heeft maar voor wie men de helft van het belastingvoordeel moet afstaan aan de andere ouder), waarbij een zwaar gehandicapt kind dubbel telt. Vervolgens berekent men de toeslag op de belastingvrije som waarop de gemeenschappelijke kinderen recht geven, en waarvan de verdeling over beide ouders moet worden toegepast, zonder rekening te houden met de eventuele andere kinderen van het gezin waarvan zij deel uitmaken. De helft van die vastgestelde toeslag moet worden toegekend aan de ouder bij wie de gemeenschappelijke kinderen hun fiscale woonplaats niet hebben en wordt in mindering gebracht van het totale bedrag van de toeslagen waarop de andere ouder recht heeft C Tweede voorwaarde: nettobestaansmiddelen Deze voorwaarde betekent dat het kind tijdens het belastbare tijdperk persoonlijk niet meer dan 12 000,00 EUR (niet-geïndexeerd bedrag: 3 300,00 EUR) nettobestaansmiddelen mag hebben verkregen. In het kader van een meer gelijke behandeling van ouders, wordt vanaf het aanslagjaar 2026 het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen voor een kind ten laste (ongeacht de levensvorm van de ouders en ongeacht of het kind al dan niet gehandicapt is) permanent geschaald op een basisbedrag van 5 265,00 EUR (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2026: 12 000,00 EUR) (art. 141 WIB 1992). Die verhoging geldt uitsluitend voor kinderen ten laste en niet voor andere personen ten laste (bv. voor ascendenten die men wil ten laste nemen). Het begrip ‘bestaansmiddelen’ slaat op alle belastbare en niet-belastbare inkomsten met uitzondering van (art. 143 WIB 1992): – de wettelijke kinderbijslagen, kraamgelden en adoptiepremies; – overheidsbijdragen voor het onderhoud van een kind dat de belastingplichtige volledig of gedeeltelijk ten laste heeft; – de premies voorhuwelijkssparen; – studiebeurzen die geen aanleiding geven tot de opbouw van al dan niet volledige rechten inzake sociale zekerheid; de ‘gewone’ studiebeurzen tellen dus niet mee als bestaansmiddel. Vanaf aj. 2026 tellen de ‘doctoraatsbeurzen’ mee als bestaansmiddel; – de inkomsten (ongeacht de aard) van een mindervalide die in beginsel recht heeft op de tegemoetkomingen als bedoeld in de Wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden niet als bestaansmiddel in aanmerking genomen tot beloop

68


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

–

–

–

–

–

–

van het maximumbedrag van de tegemoetkoming waarop hij als gehandicapte recht ‘kan’ hebben ten laste van de schatkist, ongeacht of hij een dergelijke tegemoetkoming wel of niet geniet; bezoldigingen en vergoedingen verkregen in geval van technische werkloosheid of arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, toegekend aan gehandicapten (minstens 66 % handicap) die in een erkende beschutte werkplaats (maatwerkbedrijf) zijn tewerkgesteld (deze bezoldigingen zijn echter wel belastbaar als bezoldiging (Ci. RH.331/491.548 van 5 november 1998); achterstallige onderhoudsgelden (= onderhoudsgelden waarvan het bedrag met terugwerkende kracht is vastgesteld of verhoogd bij gerechtelijke beslissing en die betaald worden in een later belastbaar tijdperk dan waarop ze betrekking hebben) (art. 143, 5° WIB 1992); achterstallige wezenpensioenen en wezenrenten (= overlevingspensioenen van wezen in de publieke sector of wezenrenten die door toedoen van de overheid of ingevolge een geschil in een later belastbaar tijdperk worden betaald of toegekend dan het belastbare tijdperk waarop ze betrekking hebben) (art. 143, 5°/1 WIB 1992); de onderhoudsuitkeringen bedoeld in artikel 90, eerste lid, 3° WIB 1992 (= de regelmatig toegekende onderhoudsuitkeringen), de overlevingspensioenen (andere dan ‘achterstallige’) toegekend aan wezen in de publieke sector en de wezenrenten (andere dan ‘achterstallige’) die zijn toegekend aan kinderen tot een beloop van 4 100,00 EUR (aanslagjaar 2026) (art. 143, 6° WIB 1992); bezoldigingen verkregen in 2025 door studenten tewerkgesteld met een studentenarbeidsovereenkomst voor prestaties verricht: • in het eerste kwartaal (1 januari tot 31 maart) van 2023 in de gezondheidssector; • in het eerste en tweede kwartaal (1 januari tot 30 juni) van 2022 in de gezondheidssector en in het onderwijs én de 45 gepresteerde uren in de overige sectoren tijdens het eerste kwartaal van 2022; • in het derde en vierde kwartaal (1 juli tot 31 december) van 2022 in de gezondheidssector; • in het eerste en tweede kwartaal (1 januari tot 30 juni) van 2021 in de gezondheidssector en in het onderwijs; • in het derde kwartaal (1 juli tot 30 september) van 2021, ongeacht de sector; • in het tweede kwartaal (1 april tot 30 juni) van 2020, ongeacht de sector; • in het vierde kwartaal (1 oktober tot 31 december) van 2020, in de zorgsector of in het onderwijs, op voorwaarde dat de werkgever de gepresteerde uren reglementair heeft aangegeven bij de RSZ (DIMONA-aangifte). Deze vrijstelling als bestaansmiddel is toe te passen vóór de vrijstellingsschijf van 6 840,00 EUR van art. 143, 7° WIB 1992 (zie hierna); de eerste brutoschijf van 6 840,00 EUR (aanslagjaar 2026) van het totaal van: • de brutobezoldigingen en de in artikel 90, eerste lid, 1°ter, WIB 92 bedoelde beloningen (vergoedingen verenigingswerk) verkregen door studenten in uitvoering van een studentenarbeidsovereenkomst (na aftrek van die bezoldigingen die vrijgesteld zijn als bestaansmiddel bij toepassing van het voorgaande streepje); • de brutobezoldigingen verkregen door leerlingen in een alternerende opleiding (= de leer(stage) vergoeding ontvangen door een ‘leercontract’); • de winsten, baten en bezoldigingen van bedrijfsleiders behaald of verkregen door studenten-zelfstandigen (in de zin van de sociale wetgeving) (art. 143, 7° WIB 1992). Die vrijstelling dient proportioneel over die categorieën omgerekend te worden. Opmerking: met het oog op het toepassen van de twee hierboven vermelde vrijstellingen, is op de loonfiche 281.10 in de rubriek 26, h, eerste streepje het totaal brutobedrag van de bezoldigingen, betaald of toegekend in 2025 in het kader van een arbeidsovereenkomst als jobstudent vermeld (om ze zo af te zonderen van de andere bezoldigingen van werknemer). In de rubriek 26, h, tweede streepje is het totaal van de brutobezoldigingen jobstudent opgenomen die niet meetellen als bestaansmiddel.

69


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

– pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen (dus met uitsluiting van bv. werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen)) uitgekeerd aan zorgbehoevende ouders, (over) grootouders, broers en zussen die de leeftijd van 66 jaar hebben bereikt op 1 januari van het aanslagjaar, tot een bedrag van maximaal 33 050,00 EUR bruto voor aanslagjaar 2026 (art. 143, 3° WIB 1992); – kapitalen die door erfenis, schenking ... worden verkregen. Het eventuele inkomen van die kapitalen of, in voorkomend geval, het gedeelte ervan dat uit fiscaal oogpunt als een beroeps- of als een divers inkomen wordt beschouwd (terugbetalingspremies en loten van leningen, levensverzekeringskapitalen enz.), moeten daarentegen wel als bestaansmiddel in aanmerking worden genomen (Com.IB 92 nr. 136/26); – periodieke vergoedingen die door het Fonds voor Beroepsziekten worden gestort op het spaarboekje van minderjarige kinderen; – integratievergoedingen toegekend aan gehandicapten die hulp van derden behoeven; – de roerende, de onroerende en de diverse (met uitzondering van de ontvangen onderhoudsgelden) inkomsten van niet-ontvoogde minderjarige kinderen waarvan de ouders het wettelijk genot hebben (en waarop de ouders dus worden belast). Deze inkomsten moeten door de ouders in hun aangifte aangegeven worden. Een logisch gevolg van deze handelwijze is dat dezelfde inkomsten niet meer in aanmerking worden genomen als bestaansmiddelen van het kind als het erop aankomt te weten of het kind al dan niet ten laste kan worden genomen. Zijn ook geen nettobestaansmiddelen: – inkomsten die niet vrij beschikbaar zijn als gevolg van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de rechthebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger (bv. gelden waarop uitvoerend beslag onder derden is gelegd door de ontvanger) (Com.IB 92 136/28); – de tegemoetkomingen van het 'Schadeloosstellingsfonds voor de vrijwilligers COVID-19slachtoffer', uitbetaald aan de nabestaanden van vrijwilligers die overleden zijn aan een besmetting met het COVID-19-virus (KB van 04.06.2020 (BS 11.06.2020) en art. 12 Wet houdende diverse fiscale bepalingen van 27.06.2021, (BS 30.06.2021)). Algemeen: van bruto naar netto Om uit te maken of iemand al of niet ten laste is, moet men altijd rekening houden met de nettobedragen van de bestaansmiddelen. Dit betekent dat het brutobedrag mag worden verminderd met de werkelijk verantwoorde kosten die de belastingplichtige tijdens het belastbare tijdperk gedaan of gedragen heeft om deze inkomsten te verkrijgen of te behouden. Werkelijke kosten zijn niet aftrekbaar in de mate dat ze betrekking hebben op de geheel of gedeeltelijk uitgesloten bestaansmiddelen. Als niet kan worden aangetoond dat de werkelijke kosten niet uitsluitend betrekking hebben op bezoldigingen die als bestaansmiddelen in aanmerking komen: verhoudingsgewijs omdelen over de bezoldigingen die wel en de bezoldigingen die niet in aanmerking worden genomen als bestaansmiddel. Als de belastingplichtige zijn werkelijke kosten niet kan of wil bewijzen, worden deze kosten forfaitair geraamd op 20 % van het brutobedrag van de bestaansmiddelen, met een absoluut minimum van 570,00 EUR (aj. 2026) voor bezoldigingen van werknemers en baten (art. 142 WIB 1992). De nettobestaansmiddelen uit volgende onroerende inkomsten moeten als volgt berekend worden (merk op dat die berekening verschillend is van de berekening van het netto onroerend inkomen van vak III): – Gebouwde onroerende goederen • niet verhuurd: het laagste van de volgende twee bedragen: 70


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

het geïndexeerd kadastraal inkomen; (het geïndexeerde kadastraal inkomen × 100/60) min de werkelijke kosten Voor aanslagjaar 2026 bedraagt de indexatiecoëfficiënt 2,2446 en voor aanslagjaar 2027 = 2,3000. • verhuurd (aan om het even wie): het laagste van de volgende twee bedragen: de ontvangen huur en huurvoordelen min de werkelijke kosten; de ontvangen huur en huurvoordelen min 40 % forfaitaire kosten (het forfait van 40 % mag niet meer bedragen dan 2/3de van het gerevaloriseerd kadastraal inkomen; revalorisatiecoëfficiënt aanslagjaar 2026 = 5,63 en voor aanslagjaar 2027 = 5,75). – Ongebouwde onroerende goederen • niet verhuurd: het laagste van de volgende twee bedragen: het geïndexeerd kadastraal inkomen of (het geïndexeerde kadastraal inkomen × 100/90) min de werkelijke kosten. • verhuurd (aan om het even wie): het laagste van de volgende twee bedragen: de ontvangen huur en huurvoordelen min de werkelijke kosten; de ontvangen huur en huurvoordelen min 20 % forfaitaire kosten VOORBEELD 1

Een studente van 20 jaar, die nog steeds inwoont bij haar ouders op 01-01-2026, bezit een woning met een KI van 550,00 EUR. Die woning heeft ze van een suikertante geërfd op 20-06-2022. Gedurende het hele jaar 2025 werd die woning verhuurd voor 500,00 EUR per maand. Zij heeft in 2025 ook intresten op een spaarboekje (vrij van roerende voorheffing) geïnd ten bedrage van 40,00 EUR. Zij heeft geen job uitgeoefend in 2025. De nettobestaansmiddelen van de studente voor het aanslagjaar 2026 bedragen: (vermits de studente ouder dan 18 jaar is, zijn de onroerende en roerende inkomsten volledig eigen inkomsten) – onroerend inkomen: 500,00 × 12 6 000,00 – kosten – 2 064,33 (40 % op 6 000,00 met max. van 550,00 × 2/3 × 5,63 3 935,67 EUR – roerend inkomen: 40,00 – kosten – 8,00 (20 % op 40,00) 32,00 EUR Geval 1: als de ouders gezamenlijk worden belast voor aj. 2026, is de dochter fiscaal ten laste van haar ouders aangezien haar nettobestaansmiddelen (3 935,67 + 32,00 = 3 967,67 EUR) niet hoger zijn dan het toegelaten grensbedrag van 12 000,00 EUR (aj. 2026). Geval 2: als de ouders niet gezamenlijk worden belast voor aj. 2026 (bv. de ouders zijn een feitelijk koppel dat niet gehuwd is noch verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd), is de dochter fiscaal ten laste van een van haar ouders aangezien haar nettobestaansmiddelen (3 935,67 + 32,00 = 3 967,67 EUR) niet hoger zijn dan het toegelaten grensbedrag van 12 000,00 EUR (aj. 2026). VOORBEELD 2

Een uit de echt gescheiden moeder woont al jaren samen met een nieuwe partner met wie ze niet gehuwd is noch een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd. Haar zoon Filip (17 jaar op 01-01-2026, uit haar vorige relatie) woont bij hen in. De moeder ontvangt een alimentatie van 800,00 EUR per maand van de vader ten behoeve van Filip. In 2025 verrichtte Filip als jobstudent avond- en weekendwerk (voedingshandel). Daarmee verdiende hij een bruto belastbaar inkomen van 7 500,00 EUR (rubriek 26, h, eerste streepje).

71


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

De nettobestaansmiddelen van de student voor het aanslagjaar 2026 bedragen: – onderhoudsgelden: 9 600,00 – vrijstelling – 4 100,00 5 500,00 – kosten – 1 100,00 (zijnde 20 % op 5 500,00) 4 400,00 EUR – bezoldiging jobstudent: 7 500,00 – vrijstelling (281.10 rubriek 26, h – 0,00 tweede streepje) 7 500,00 – vrijstelling art. 143, 7° WIB 1992: – 6 840,00 660,00 – kosten – 570,00 (20 % op 660,00 met minimum 570,00) 90,00 EUR De student blijft bijgevolg fiscaal ten laste van zijn moeder aangezien zijn nettobestaansmiddelen (4 400,00 + 90,00 = 4 490,00) niet hoger zijn dan het toegelaten grensbedrag van 12 000,00 EUR. VOORBEELD 3

In 2025 verkreeg Mo (22 jaar op 01-01-2026), afgestudeerd in juni 2025, die op 1 janurai 2026 nog bij zijn ouders woont, volgende bezoldigingen van werknemers (na aftrek van de ingehouden RSZ). Hij bewijst zijn beroepskosten niet: Fiche 281.10: vak 6 a) bezoldigingen 8 000,00; code 250 = 8 000,00 vak 26 h) studentenjob: – totale bedrag van alle bezoldigingen uit een studentenovereenkomst: 8 000,00 – bepaalde bezoldigingen betaald in 2025 voor specifieke prestaties geleverd in 2023, 2022, 2021 en/of 2020: 0,00 Brutobezoldigingen verkregen ter uitvoering van een andere overeenkomst dan een studentenovereenkomst (september 2025-december 2025): 13 000,00 EUR. Fiche 281.10: vak 6 a) bezoldigingen 8 000,00; code 250 = 13 000,00 vak 14 bijdragen in de verplaatsingskosten a) openbaar gemeenschappelijk vervoer: 700,00 vak 26 h) studentenjob: – totale bedrag van alle bezoldigingen uit een studentenovereenkomst: – bepaalde bezoldigingen betaald in 2025 voor specifieke prestaties geleverd in 2023, 2022, 2021 en/of 2020: Vaststelling van de nettobestaansmiddelen van Mo: bezoldigingen verkregen ter uitvoering van een overeenkomst voor tewerkstelling van studenten: – Brutobedrag (na RSZ-bijdragen): 8 000,00 – Te verminderen met (rubriek 26 h. tweede streepje): – 0,00 – Brutobedrag 8 000,00 – Te verminderen met (vrijstelling art. 143, 7° WIB 1992): – 6 840,00 – Verschil: 1 160,00 bezoldigingen ter uitvoering van een andere overeenkomst: – Brutobedrag (na RSZ-bijdragen): 13 000,00 + 700,00 = +13 700,00 – Brutobestaansmiddelen: 1 160,00 + 13 700,00 = 14 860,00 72


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

– Aftrekbare kosten: 14 860,00 × 20 % (hoger dan 570,00 EUR): – 2 972,00 Nettobestaansmiddelen: 11 888,00 Mo is nog ten laste van zijn gemeenschappelijk belaste ouders of ten laste van een van zijn ouders als zijn ouders niet gemeenschappelijk worden belast (omdat ze een feitelijk koppel zijn), want zijn nettobestaansmiddelen van 11 888,00 EUR zijn niet meer dan 12 000,00 EUR. VOORBEELD 4

Myriam (20 jaar en woonachtig bij haar ouders, op 01-01-2026) heeft in 2025 gewerkt als jobstudent. Zij bewijst haar beroepskosten als jobstudent niet. Zij heeft daarnaast een websitewinkel waarmee brutowinsten student-zelfstandige behaald zijn voor 20 000,00 EUR. Beroepskosten daarvoor bedragen 6 000,00 EUR. Ook heeft zij belegd in aandelen, wat haar in 2025 dividenden opleverde voor 250,00 EUR bruto. Bezoldigingen jobstudent fiche: Fiche 281.10: vak 6 a) bezoldigingen 3 000,00; code 250 = 3 000,00 vak 26 h) Studentenjob: – totale bedrag van alle bezoldigingen uit een studentenovereenkomst: 3 000,00 – bepaalde bezoldigingen betaald in 2025 voor specifieke prestaties geleverd in 2023, 2022, 2021 en/of 2020: 0,00 Jobstudent Student-zelfstandige Bruto: 3 000,00 20 000,00 – vrijstelling rubriek 26 h. tweede streepje – 0,00 Brutobestaansmiddel : 3 000,00 20 000,00 – vrijstelling 6 840,00 × 3 000,00 / 23 000,00 – 892,17 – vrijstelling 6 840,00 × 20 000,00 / 23 000,00 – 5 947,83 Kosten: 2 107,83 14 052,17 – forf. kost (minimum 570,00): – 570,00 – werk. kost 6 000,00 × 14 052,17 / 20 000,00 (> 20 % ff): – 4 215,65 Nettobestaansmiddelen beroepsinkomen 1 537,83 + 9 836,52 Nettobestaansmiddelen roerend inkomen 250,00 – 20 % ffk = 200,00 Totaal nettobestaansmiddelen: 1 537,83 + 9 836,52 + 200,00 = 11 574,35 EUR Myriam is nog ten laste van haar gemeenschappelijk belaste ouders of ten laste van een van haar ouders als haar ouders niet gemeenschappelijk worden belast (omdat ze een feitelijk koppel zijn), want haar nettobestaansmiddelen van 11 574,35 EUR zijn niet meer dan 12 000,00 EUR.

D Derde voorwaarde: geen beroepsinkomsten genieten ten laste van de belastingplichtige De personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige en die beroepsinkomsten genieten die voor deze laatste beroepskosten zijn, mogen niet als ten laste worden beschouwd (art. 145, eerste lid, 1° WIB 1992). Zelfstandigen met winsten en baten mogen hun kinderen dus geen beroepsinkomsten (bezoldigingen, baten, winsten …) toekennen (ook niet via een interimkantoor) voor hun hulp in de eenmanszaak, willen ze die kinderen ten laste nemen. Zelfs als de zelfstandige die toegekende beroepsinkomsten niet als beroepskosten in aftrek neemt, is het betreffende kind niet ten

73


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

laste. Het is voldoende dat de toegekende beroepsinkomsten het karakter hebben van beroepskosten bij de zelfstandige. Als een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, wordt een persoon geacht ten laste te zijn van beide echtgenoten. De notie ‘belastingplichtige’ slaat in artikel 145 WIB 1992 op elk van de echtgenoten, in de zin dat geen van beide echtgenoten als natuurlijk persoon de beroepsinkomsten als beroepskost kan inbrengen. E Vierde voorwaarde: geen student-zelfstandige met bepaalde bedrijfsbezoldigingen zijn Overeenkomstig art. 145, eerste lid, 2° en tweede lid WIB 1992 mogen de personen die deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige en waarbij alle volgende voorwaarden vervuld zijn niet als ten laste worden beschouwd: 1 de persoon ontvangt als student-zelfstandige (bedrijfsleider) in de zin van de sociale wetgeving van de betreffende vennootschap bedrijfsleidersbezoldigingen die voor deze vennootschap beroepskosten zijn; 2 de belastingplichtige van wie hij in principe persoon ten laste is, is zelf rechtstreeks of onrechtstreeks (bv. via een managementvennootschap) bedrijfsleider eerste of tweede categorie in diezelfde vennootschap; 3 de belastingplichtige van wie hij in principe persoon ten laste is moet bovendien deze vennootschap ‘controleren’ (controle in de zin van art. 1:14 van het WVV); 4 de bedrijfsleidersbezoldigingen die de student-zelfstandige van deze vennootschap ontvangt zijn hoger dan 2 000,00 EUR per jaar (brutobedrag); 5 de aldus genoten bedrijfsleidersbezoldigingen van meer dan 2 000,00 EUR vormen meer dan de helft van zijn belastbare inkomsten, met uitzondering van de onderhoudsuitkeringen. De uitsluiting (als persoon ten laste) geldt, zoals hierboven gezegd, enkel als de persoon van wie men in principe ten laste zou zijn, bedrijfsleider is in deze vennootschap (tweede voorwaarde), en die persoon tevens de betreffende vennootschap controleert (derde voorwaarde). Wat echtgenoten voor wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd betreft, volstaat het dat één van beide echtgenoten apart of beide echtgenoten samen de vennootschap controleren en ook, dat één van beide echtgenoten bedrijfsleider is in de vennootschap. Daarmee wil men voorkomen dat de uitsluiting niet zou gelden, wanneer de ene echtgenoot de vennootschap controleert, terwijl de andere echtgenoot bedrijfsleider is in de vennootschap. Het bedrag van 2 000,00 EUR (vierde voorwaarde) wordt bruto beoordeeld, net zoals de vergelijking (vijfde voorwaarde) wordt gemaakt op het niveau van het brutobedrag van de belastbare inkomsten (alle categorieën van inkomsten: onroerende, roerende, beroeps- en diverse inkomsten, met uitzondering van de onderhoudsuitkeringen), dus vóór aftrek van beroepskosten of andere kosten. F Vijfde voorwaarde: geen leefloon verkrijgen Het kind mag geen leefloon (= OCMW-uitkering) of een buitenlands equivalent leefloon verkrijgen (art. 145, lid 1, 3° WIB 1992).

74


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

4

Verhoging voor kinderen jonger dan drie jaar voor wie geen kinderoppaskosten worden ingebracht

Voor elk kind dat de belastingplichtige fiscaal ten laste heeft, en dat op 1 januari van het aanslagjaar de leeftijd van drie jaar niet heeft bereikt en voor wie geen belastingvermindering voor kinderoppaskosten wordt gevraagd, heeft de belastingplichtige recht op een volledige toeslag van de belastingvrije som met 740,00 EUR (aj. 2026) (art. 132, eerste lid, 6° WIB 1992). Sinds aanslagjaar 2008 wordt naast de toeslag voor kinderlast, ook de toeslag voor een kind jonger dan drie jaar op 1 januari van het aanslagjaar en voor wie geen belastingvermindering voor kinderoppaskosten worden gevraagd, opgenomen in het lijstje van de te verdelen toeslagen in geval van fiscaal co-ouderschap (art. 132bis WIB 1992). Ingeval van fiscaal co-ouderschap zal er dus per co-ouder en per gemeenschappelijk kind jonger dan drie jaar op 1 januari van het aanslagjaar, moeten nagegaan worden of er door die co-ouder voor dat kind al dan niet de belastingvermindering voor kinderoppaskosten worden gevraagd. Wordt er geen belastingvermindering voor kinderoppaskosten gevraagd door die co-ouder, dan heeft die co-ouder voor dat kind recht op een toeslag van de helft van de ‘normale’ toeslag voor een kind jonger dan drie jaar waarvoor geen belastingvermindering voor kinderoppaskosten wordt gevraagd, zijnde 1/2 × 740,00 EUR = 370,00 EUR voor aanslagjaar 2026 (art. 132bis, vierde lid). De belastingplichtige moet zelf de keuze maken of hij voor een bepaald kind ten laste/kind in fiscaal co-ouderschapsregeling jonger dan drie jaar de belastingvermindering voor oppaskosten wil genieten dan wel de belastingvrije som wil verhoogd zien met de toeslag ter zake. Voor de toepassing van de toeslag voor een kind jonger dan drie jaar waarvoor geen belastingvermindering voor kinderoppaskosten wordt gevraagd, worden gehandicapte kinderen voor twee gerekend. VOORBEELD 1

Een gehuwd koppel heeft twee kinderen: Emma (°10-02-2023) en Lisa (°15-01-2024). Lisa is zwaar gehandicapt. Alleen voor Emma wenst men de betaalde kinderoppaskosten af te trekken. Voor de kinderen heeft het koppel recht op: – toeslag belastingvrije som voor kinderlast: 11 440,00 EUR (3 kinderen ten laste, zijnde twee waarvan één gehandicapt dat dubbel telt); – toeslag kind jonger dan drie jaar waarvoor geen aftrek van kinderoppaskosten gebeurt: 1 480,00 EUR (gehandicapt kind dat dubbel telt). VOORBEELD 2

Een vader en moeder passen fiscaal co-ouderschap toe voor hun gezamenlijk kind, dat jonger is dan drie jaar op 1 januari van het aanslagjaar. Volgende mogelijkheden kunnen zich voordoen voor de kinderoppaskosten: 1 Vader en moeder vragen elk in hun aangifte de belastingvermindering aan voor de door hun persoonlijk betaalde kinderoppaskosten voor hun gezamenlijk kind. 2 Vader en moeder vragen elk in hun aangifte de toeslag op de belastingvrije som voor een kind jonger dan drie jaar waarvoor geen belastingvermindering voor kinderoppaskosten wordt gevraagd, ten belope van 370,00 EUR. 3 Vader vraagt in zijn aangifte de belastingvermindering aan voor de door hem persoonlijk betaalde kinderoppaskosten voor het gezamenlijk kind. De moeder vraagt in haar aangifte de toeslag op de

75


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

belastingvrije som voor een kind jonger dan drie jaar waarvoor geen belastingvermindering voor kinderoppaskosten wordt gevraagd, ten belope van 370,00 EUR. 4 Moeder vraagt in haar aangifte de belastingvermindering aan voor de door haar persoonlijk betaalde kinderoppaskosten voor het gezamenlijk kind. De vader vraagt in zijn aangifte de toeslag op de belastingvrije som voor een kind jonger dan drie jaar waarvoor geen belastingvermindering voor kinderoppaskosten wordt gevraagd, ten belope van 370,00 EUR.

5

Verhoging voor ten laste hebben van een ‘zorgbehoevende’ ascendent of broer/zus die 66-plusser is

5.1

Bedrag

De belastingvrije som wordt verhoogd met 5 950,00 EUR voor elke ‘zorgbehoevende’ ascendent (ouder, grootouder of overgrootouder) of zijverwant tot en met de tweede graad (broer of zus) van 66 jaar of ouder die de belastingplichtige ten laste heeft (art. 132, lid 1, 7° WIB 1992). Geen verdubbeling van de verhoging als die ‘zorgbehoevende’ ook zwaar gehandicapt zou zijn.

5.2

Voorwaarden om zorgbehoevende ascendenten en zijverwanten t.e.m. de tweede graad die 66+ zijn, ten laste te nemen

De voorwaarden om zorgbehoevende ascendenten en zijverwanten t.e.m. de tweede graad die 66+ zijn, ten laste te nemen, zijn (art. 132, lid 1, 7° WIB 1992): 1 Het betreft een ascendent (ouder, grootouder ...) of een zijverwant tot en met de tweede graad (broer, zus) van de belastingplichtige of zijn echtgenoot. 2 Dat ‘naaste familielid’ moet de leeftijd van 66 jaar hebben bereikt op 1 januari van het aanslagjaar (of zou die dan hebben bereikt, in het geval van in de loop van het belastbaar tijdperk overleden personen die het vorige aanslagjaar al ten laste waren – zie art. 139, WIB 1992). 3 Dat ‘naaste familielid’ moet ‘zorgbehoevend’ zijn op 1 januari van het aanslagjaar. Iemand is ‘zorgbehoevend’ als zijn graad van zelfredzaamheid op ten minste 9 punten werd vastgesteld conform het MB van 30 juli 1987 tot vaststelling van de categorieën en van de handleiding voor de evaluatie van de graad van zelfredzaamheid met het oog op het onderzoek naar het recht op de integratietegemoetkoming (art. 132, lid 3 WIB 1992). Die zorgbehoevendheid moet worden vastgesteld door de Directie-generaal Personen met een handicap van de FOD Sociale Zekerheid, Medex of de adviserend geneesheer bij het ziekenfonds of een gelijkwaardige instelling of persoon uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte (art. 132, lid 3 WIB 1992). Om de graad van zelfredzaamheidsgraad te laten berekenen, moet een vragenlijst ingevuld en vervolgens geëvalueerd worden door een arts van de federale overheid. Het aantal punten, en dus de zelfredzaamheid, is afhankelijk van zes domeinen: (1) de mogelijkheid om zich te verplaatsen, (2) de mogelijkheid om zelfstandig te eten of te koken, (3) de mogelijkheid om zelf in te staan voor persoonlijke hygiëne en zich te kleden, (4) de mogelijkheid om de woning te onderhouden en huishoudelijk werk te verrichten, (5) de mogelijkheid om te leven zonder toezicht en zich bewust te zijn van gevaar, en (6) de mogelijkheid om te communiceren. Voor elk van de domeinen

76


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

moet een score bepaald worden. Er wordt één punt toegekend voor beperkte moeilijkheden, twee punten voor grote moeilijkheden en drie punten voor onmogelijk. Het criterium van een vermindering van de zelfredzaamheid met ten minste 9 punten stemt overeen met (een van) de criteria die al worden gebruikt om te beoordelen of iemand fiscaal als ‘zwaar gehandicapt’ kan worden beschouwd (cf. art. 135, lid 1, 1°, tweede streepje WIB 1992, maar zonder dat bij de beoordeling van de ‘zorgbehoevendheid’ vereist is dat de handicap het gevolg is van feiten die zijn overkomen en vastgesteld voor de leeftijd van 65 jaar, zoals dat het geval is bij ‘zware handicap’. De criteria voor ‘zware handicap’ en ‘zorgbehoevend’ komen min of meer overeen, hoewel ze niet helemaal dezelfde zijn: het fiscale begrip ‘zware handicap’ is ruimer, maar de zware handicap moet wel te wijten zijn aan feiten overkomen en vastgesteld voor de leeftijd van 65 jaar. ‘Zorgbehoevendheid’ kan ook het gevolg zijn van feiten die zijn overkomen na 65 jaar. Niet alle personen met zware handicap zijn per definitie zorgbehoevend, maar alle ‘zorgbehoevenden vóór 65 jaar’ zijn wel zwaar gehandicapt. 4 Dat ‘naaste familielid’ moet deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar. Als het kind en de ouders binnen eenzelfde gebouw afzonderlijke wooneenheden betrekken (bv. boven- en benedenverdieping vormen aparte verblijven), kan een kind zijn ouders niet ten laste nemen (nr. 12 circulaire Ci.RH.331/594.501 (AOIF 65/2010) van 25 oktober 2010). Als een ‘naaste familielid’ ten laste tijdens het belastbare tijdperk overleden is, wordt deze persoon geacht nog altijd deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat hij al voor het vorige aanslagjaar ten laste was (art. 139 WIB 1992). VOORBEELD

Mevrouw X vermeldt in haar belastingaangifte voor het aanslagjaar 2019 (inkomstenjaar 2018) onterecht haar hoogbejaarde grootmoeder met een zware handicap als persoon ten laste. De grootmoeder van mevrouw X verbleef op 1 januari 2019 bestendig en duurzaam in een WZC en maakte dus niet, zoals vereist is om ten laste te zijn, deel uit van het gezin van mevrouw X. Deze voorwaarde moet feitelijk worden beoordeeld. De domiciliëring van de grootmoeder op het adres van mevrouw X bewijst niet dat ze deel uitmaakte van het gezin van mevrouw X aangezien het domicilie niet overeenkwam met de werkelijke verblijfplaats (HvB Gent, 25.03.2025). 5 Dat ‘naaste familielid’ mag tijdens het belastbare tijdperk geen beroepsinkomsten hebben genoten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn (art. 145 WIB 1992). 6 Dat ‘naaste familielid’ mag geen leefloon of equivalent leefloon genieten (art. 145 WIB 1992). 7 Dat ‘naaste familielid’ mag tijdens het belastbare tijdperk niet meer dan 4 100,00 EUR (aj. 2026) aan nettobestaansmiddelen hebben. Bij de berekening van dat maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen voor het ten laste nemen van een zorgbehoevende ascendent of zijverwant tot en met de tweede graad die 66+ is, wordt géén rekening gehouden met een eerste deel van zijn pensioen, de rente of als zodanig geldende toelage (dus met uitsluiting van bv. werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen)) tot 33 050,00 EUR per jaar (aj. 2026) (art. 143, 3° WIB 1992). De schijf van 33 050,00 EUR is een brutobedrag. Om het nettobedrag van de bestaansmiddelen vast te stellen, wordt het geïndexeerde bedrag van 33 050,00 EUR dus afgetrokken van het brutobedrag van de pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen (na aftrek van de persoonlijke sociale bijdragen die verschuldigd zijn ter uitvoering van de sociale wetgeving, met inbegrip van de zogenaamde solidariteitsbijdrage). Het saldo wordt vervolgens verminderd met de (andere) kosten

77


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

die de belastingplichtige verantwoordt te hebben gedaan om die bestaansmiddelen te verkrijgen of te behouden (namelijk de kosten die verhoudingsgewijs betrekking hebben op het gedeelte van de pensioenen, renten ... die bestaansmiddelen uitmaken), of, bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens, met een forfaitair bedrag aan kosten dat gelijk is aan 20 % van dat saldo (art. 142 WIB 1992). (ontvangen bruto pensioenen - 33 050 EUR (*)) × 80 % = nettobestaansmiddelen pensioen (*) vrijstellingsschijf alleen van toepassing bij ten laste nemen van de persoon in de regeling ‘zorgbehoevende ascendent of broer/zus ouder dan 66 jaar’ Als een echtpaar van ascendenten deel uitmaakt van het gezin van de belastingplichtige, moet het bedrag van de pensioenen …, dat in voorkomend geval niet in aanmerking moet worden genomen voor het vaststellen van het bedrag van de nettobestaansmiddelen, voor elke ascendent afzonderlijk worden vastgesteld, rekening houdend met zijn verkregen pensioen en rekening houdend of de voorwaarden tot vrijstelling zijn vervuld (art. 136 WIB 1992). Ook de voorwaarde van het maximumbedrag van de bestaansmiddelen moet voor elke ascendent afzonderlijk worden berekend, rekening houdend met zijn of haar eigen nettobestaansmiddelen (Parl. Vr. nr. 1828 van Wouter Vermeersch d.d. 21 december 2023). Een gezinspensioen betaald aan beide ascendenten samen is een bestaansmiddel in hoofde van elke ascendent voor het deel van dat gezinspensioen dat overeenkomstig art. 35 WIB 1992 als inkomen van die ascendent wordt beschouwd (Parl. Vr. nr. 8068 van mevrouw Avontroodt d.d. 18 oktober 2005). Art. 127, WIB 1992 (waarbij onroerende inkomsten en bepaalde roerende en diverse inkomsten belastbaar zijn in hoofde van de echtgenoten volgens het vermogensrecht) is volgens de Administratie niet van toepassing voor de vaststelling van de bestaansmiddelen (circulaire Ci.RH.331/594.501 (AOIF 65/2010) van 25 oktober 2010). Opmerking: als dat ‘naaste familielid’ nog een onroerend goed bezit (zelfs als dat de woning is waarin deze persoon zelf woont met diegene die hem wil ten laste nemen), zal heel vaak de grens van de nettobestaansmiddelen overschreden zijn, aangezien het inkomen uit dat onroerend goed ook meetelt als nettobestaansmiddel. Als de voorgaande zeven voorwaarden zijn vervuld, heeft de belastingplichtige ‘mantelverzorger’ recht op de toeslag belastingvrije som voor ‘zorgbehoevende ascendent of zijverwant tot en met de tweede graad 66+’ van 5 950,00 EUR (aj. 2026) (art. 132, lid 1, 7° WIB 1992). Als die ‘zorgbehoevende ascendent of zijverwant tot en met de tweede graad 66+’ ten laste ook ‘zwaar gehandicapt’ is (volgens art. 135 WIB 1992), wordt de toeslag van 5 950,00 EUR (aj. 2026) niet verdubbeld (art. 132, tweede lid WIB 1992). Opmerking: de belastingplichtige kan voor een ascendent, een broer of een zus die niet zorgbehoevend is, of die de leeftijd van 66 jaar niet heeft bereikt op 1 januari 2026, eventueel recht hebben op de toeslag op de belastingvrije som voor ‘andere persoon ten laste’ van 1 980,00 EUR (art. 132, eerste lid, 8° WIB 1992). Bij de berekening van de bestaansmiddelen mag de in art. 143, 3° WIB 1992 bedoelde eerste schijf van 33 050,00 EUR (aj. 2026) aan pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen niet worden toegepast. Zie het onderdeel ‘Verhoging voor andere personen ten laste’ hierna voor de exacte voorwaarden.

78


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Samengevat: ascendent/zijverwant tweede graad, die deel uitmaakt van gezin zoon op 01.01.2026 Is de ascendent/zijverwant tweede graad, die deel uitmaakt van gezin zoon op 01.01.2026, op 01.01.2026 66 jaar of ouder? Ja Neen Is die ascendent/zijverwant tweede graad ‘zorgbehoevend’? Ja

Neen

NBM (met vrijstelling schijf pensioenen 33 050,00 EUR)

NBM (zonder vrijstelling schijf pensioenen 33 050,00 EUR) ≤ 4 100,00 EUR dan ten laste nemen > 4 100,00 EUR in rubriek B.5 code 1032 = 1 (toeslag dan niet ten laste 1 980,00 EUR) Als die ascendent ook zware handicap heeft: bijkomend code 1033 = 1 (extra toeslag 1 980,00 EUR)

≤ 4 100,00 EUR dan ten laste nemen in rubriek B.4 code 1027 = 1 (toeslag 5 950,00 EUR)

> 4 100,00 EUR dan niet ten laste

VOORBEELD 1

Inkomsten van het jaar 2025 van een zorgbehoevende (maar niet ‘zware handicap’) ascendent ouder dan 66 jaar op 1 januari 2026 die de andere voorwaarden vervult om als ten laste aangemerkt te worden van de dochter die nog inwoont: – woning van de ascendent (betrokken door het gezin), niet-geïndexeerd KI 1 000,00 EUR; – pensioen van de ascendent: 34 250,00 EUR; – dividenden en intresten van de ascendent: 800,00 EUR. Er worden geen werkelijke kosten verantwoord. Vaststelling van de nettobestaansmiddelen: Woning (eigen woning): 1 000,00 × 2,2446 (afgerond op de euro) = (dit bedrag is al een nettobedrag waarvan geen kosten meer mogen worden afgetrokken. Zie ook nr. 136/35, A, 1° Com.IB 92)

2 245,00

Pensioen (brutobedrag): 34 250,00 Gedeelte van het pensioen dat geen bestaansmiddel is: – 33 050,00 Verschil: 1 200,00 Dividenden en intresten: 800,00 Brutobestaansmiddelen: 2 000,00 Aftrekbare kosten: 2 000,00 × 20 % = – 400,00 Nettobestaansmiddelen: + 1 600,00 Totaal van de nettobestaansmiddelen: 3 845,00 Omdat het totale bedrag van de nettobestaansmiddelen van de ascendent lager is dan het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen dat van toepassing is voor aanslagjaar 2026 (4 100,00 EUR), mag de ascendent als ‘zorgbehoevend naast familielid 66+’ ten laste aangemerkt worden bij de dochter (code 1027-40 = 1 bij de dochter; toeslag belastingvrije som van 5 950,00 EUR bij de dochter). Stel dat het niet-geïndexeerd KI van de eigen woning 1 400,00 EUR is, dan: nettobestaansmiddelen uit onroerend goed 3 142,00 EUR (= 1 400,00 × 2,2446) + nettobestaansmiddelen uit pensioen, dividenden en intresten 1 600,00 EUR = 4 742,00 EUR, wat meer is dan de grens van 4 100,00 EUR, waardoor de ascendent niet ten laste kan worden genomen.

79


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Stel dat de ascendent niet zorgbehoevend was op 1 januari 2026, dan zou de ascendent alleen onder de regeling ‘andere persoon ten laste’ kunnen vallen, maar bij de berekening van de bestaansmiddelen vindt de vrijstellingsschijf van 33 050,00 EUR pensioenen daar geen toepassing. Gevolg: nettobestaansmiddelen 2 245,00 EUR (uit onroerend goed) + (34 250,00 + 800,00) × 80 % = 30 285,00 EUR, wat opnieuw meer is dan 4 100,00 EUR, dus ook dan niet ten laste (ook niet als andere persoon ten laste).

VOORBEELD 2

Een zoon woont al heel zijn leven bij zijn ouders in de ouderlijke woning (KI van de woning 975,00 EUR, behoort tot het huwelijksvermogen van de ouders). De ouders bezitten geen ander onroerend goed dan die gezinswoning. De zoon wil een van zijn ouders of beide ouders ten laste nemen. De vader is op 1 januari 2026 72 jaar en de moeder 66 jaar. Geen van beide ouders is ‘zorgbehoevend’ op 1 januari 2026, maar de vader heeft wel een zware handicap (dateert al van vóór de leeftijd van 65 jaar). Inkomsten van het jaar 2025 van de ascendenten die voldoen aan de andere voorwaarden om als ten laste te worden aangemerkt: – pensioen van de man: 36 000,00 EUR; – pensioen van de vrouw: 3 000,00 EUR. Er worden geen werkelijke kosten verantwoord. Noch de vader, noch de moeder kan onder de ‘regeling zorgbehoevend naast familielid 66+’ ten laste worden genomen, want geen van beide is zorgbehoevend op 1 januari 2026. De vader en/of de moeder kunnen onder de regeling ‘andere persoon ten laste’ vallen, maar bij de berekening van de bestaansmiddelen vindt de vrijstellingsschijf van 33 050,00 EUR pensioenen dan geen toepassing. Woning man (eigen woning): 975,00 × 50 % × 2,2446 (afgerond op de euro) = 1 094,00 Nettobestaansmiddelen (onroerend goed) man: 1 094,00 Pensioen man (brutobedrag): (*) 36 000,00 Aftrekbare kosten: 36 000,00 × 20 % = – 7 200,00 Nettobestaansmiddelen (pensioen) man: + 28 800,00 Totaal nettobestaansmiddelen man: 29 894,00 (*) geen vrijstellingsschijf van toepassing omdat de man geen zorgbehoevende 66-plusser is. Woning vrouw (eigen woning): 975,00 × 50 % × 2,2446 (afgerond op de euro) = 1 094,00 Nettobestaansmiddelen (onroerend goed) vrouw: 1 094,00 Pensioen vrouw (brutobedrag): (*) 3 000,00 Aftrekbare kosten: 3 000,00 × 20 % = – 600,00 Nettobestaansmiddelen (pensioen en roerend) vrouw: + 2 400,00 Totaal nettobestaansmiddelen vrouw: 3 494,00 (*) geen vrijstellingsschijf van toepassing omdat de vrouw geen zorgbehoevende 66-plusser is. Persoon ten laste moet individueel beoordeeld worden.

80


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Omdat de vader meer dan 4 100,00 EUR nettobestaansmiddelen heeft, kan hij niet ten laste worden genomen door de zoon. Omdat de moeder geen zorgbehoevende 66-plusser is, maar haar nettobestaansmiddelen niet meer zijn dan 4 100,00 EUR, kan zij als andere persoon ten laste worden genomen door de zoon. Code 1032-35 = 1 bij de zoon; toeslag belastingvrije som bij de zoon van 1 980,00 EUR.

6

Verhoging voor andere personen ten laste

6.1

Bedragen

De belastingvrije som wordt verhoogd met 1 980,00 EUR (aj. 2026) voor elke andere persoon die de belastingplichtige ten laste heeft (art. 132, eerste lid, 8° WIB 1992).

6.2

Welke ‘andere’ personen kan de belastingplichtige ten laste nemen?

De belastingplichtige (gehuwde of alleenstaande) kan de volgende ‘andere’ personen ten laste nemen (art. 136, 2°-4° WIB 1992): 1 de ascendenten (ouders, grootouders, schoonouders) van de alleenstaande belastingplichtige of van beide echtgenoten; 2 de zijverwanten tot en met de tweede graad (broers en zusters) van de alleenstaande belastingplichtige of van beide echtgenoten; 3 de personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest toen hij/zij kind was. De echtgenoot/wettelijk samenwonende kan nooit als ten laste worden beschouwd. Het fiscaal voordeel is eventueel de toepassing van het huwelijksquotiënt.

6.3

Voorwaarden om als ten laste te worden beschouwd

De voorwaarden om ‘andere’ personen ten laste te nemen zijn dezelfde als die voor kinderen ten laste: 1 de ‘andere’ persoon moet op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige (art. 136 WIB 1992). Als een van de ‘andere’ personen ten laste tijdens het belastbare tijdperk overleden is, wordt deze persoon geacht nog altijd deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar, op voorwaarde dat hij al voor het vorige aanslagjaar ten laste was (art. 139, WIB 1992); 2 de ‘andere’ persoon mag tijdens het belastbare tijdperk niet meer dan 4 100,00 EUR (aj. 2026) nettobestaansmiddelen hebben genoten (art. 136 WIB 1992). Bij de berekening van de bestaansmiddelen om als ‘ander persoon ten laste worden genomen’ is de vrijstelling van de eerste schijf van 33 050,00 EUR (aj. 2026) bruto aan pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen als bedoeld in art. 34, WIB 92, niet van toepassing (ook al is die persoon 66 jaar of ouder); 3 de ‘andere’ persoon mag tijdens het belastbare tijdperk geen beroepsinkomsten hebben genoten die voor de belastingplichtige beroepskosten zijn (art. 145 eerste lid, 1° WIB 1992); 4 geen student-zelfstandige met bepaalde bedrijfsleidersbezoldigingen zijn (art. 145, eerste lid, 2° en tweede lid WIB 1992); 5 de ‘andere’ persoon mag geen leefloon krijgen of een equivalent leefloon krijgen (art. 145, lid 1, 3° WIB 1992). 81


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

7

Verhoging voor de alleenstaande met kinderlast

Iedere belastingplichtige die als ‘alleenstaande’ wordt belast, met ten minste één kind ten laste op 1 januari van het aanslagjaar heeft recht op een verhoging van 1 980,00 EUR (aj. 2026) op zijn belastingvrije som (art. 133, eerste lid, 1° WIB 1992). Art. 133, eerste lid, 1° WIB 1992 werd zo gewijzigd dat ook de ouder die als ‘alleenstaande’ wordt belast en aan wie bij toepassing van art. 132bis WIB 1992, de helft van de toeslagen op de belastingvrije som voor één of meer kinderen wordt toegekend, maar die zelf geen kinderen ten laste heeft, recht heeft op een volledige toeslag van 1 980,00 EUR (aj. 2026) voor alleenstaande met kinderlast. Sinds aanslagjaar 2009 wordt de toeslag voor alleenstaande met kinderlast niet meer toegekend aan diegenen die als alleenstaanden worden belast omwille van de enige reden dat één van de echtgenoten/wettelijk samenwonenden iemand is die beroepsinkomsten heeft van meer dan 13 460,00 EUR (aj. 2026) die zonder progressievoorbehoud van belasting zijn vrijgesteld (art. 133, tweede lid WIB 1992). We denken hier bijvoorbeeld aan gehuwden met kinderen ten laste waarvan één van de twee meer dan 13 460,00 EUR beroepsinkomsten als EU-ambtenaar heeft genoten in 2025. Als dat de enige reden is waarom zij als alleenstaanden worden belast, dan kan men niet meer genieten van de toeslag voor alleenstaande met kinderlast. Als er echter bijkomend nog een andere reden is waarom die gehuwden als alleenstaanden worden belast voor aanslagjaar 2026 (bv. omdat 2025 ook het jaar van huwelijk is) dan kan men wel nog de toeslag toekennen voor alleenstaande met kinderlast aan diegene die kinderen fiscaal ten laste heeft of die kinderen heeft voor wie de fiscale co-ouderschapsregeling (art. 132bis WIB 1992) geldt. VOORBEELD 1

De volgende kinderen maken op 1 januari 2026 deel uit van het gezin van een niet-hertrouwde weduwe met een gezamenlijk belastbaar inkomen van 28 000,00 EUR: – Geert (°10-10-2018); – Chantal (°02-04-2023). Voor Chantal worden geen uitgaven voor oppas afgetrokken. Op 1 januari 2026 woont haar nieuwe partner wel al bij haar in. Aangifte: code 1010-57: X; code 1030-37: 2; code 1038-29: 1 De belastingvrije som van de weduwe bedraagt: + basisbedrag: 10 910,00 + 2 kinderen ten laste: + 5 110,00 + 1 kind < 3 jaar op 01-01-2026: + 740,00 + alleenstaande met kinderlast: + 1 980,00 18 740,00 EUR VOORBEELD 2

Harry en Rika passen fiscaal co-ouderschap toe voor hun vier gemeenschappelijke kinderen (1,5 jaar, 2,5 jaar, 6 jaar en 8 jaar op 01-01-2026). De kinderen zijn officieel bij Rika gedomicilieerd. Harry is fiscaal alleenstaande. Voor het kind van 1,5 jaar trekt Harry geen werkelijke kinderoppaskosten af. Harry’s gezamenlijk belastbaar inkomen is 40 000,00. Aangifte Harry: code 1001-66: X; code 1036-31: 4; code 1058-09: 1 Belastingvrije som van Harry: + basisbedrag: + 10 910,00 + toeslag vier kinderen in co-ouderschapsregeling: + 9 255,00

82

(1/2 van 18 510,00)


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

+ 1 kind < 3 jaar op 01-01-2026 voor wie geen aftrek van kinderoppaskosten door Harry: + alleenstaande met kinderlast:

8

+ 370,00 + 1 980,00

(1/2 van 740,00)

Verhoging voor werkelijk alleenstaande met kinderlast en laag inkomen

Voor aanslagjaar 2026 wordt aan de belastingplichtige met ‘kinderlast’ die alleen wordt belast, naast de bijkomende toeslag van 1 980,00 EUR (zie punt 7 in dit hoofdstuk) nog twee fiscale voordelen toegekend wanneer bijkomend aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: – geen andere persoon dan de kinderen, ascendenten, zijverwanten tot en met de tweede graad van de belastingplichtige, en de personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest, mag op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige (artikel 133, tweede lid, eerste streepje, WIB 1992); – het belastbaar inkomen van de belastingplichtige mag niet meer bedragen dan 24 390,00 EUR (aanslagjaar 2026) (artikel 133, tweede lid, tweede streepje, WIB 1992). Er wordt enkel rekening gehouden met de gezamenlijk belaste inkomsten van de belastingplichtige om te bepalen of de inkomensgrens is overschreden. Dit volgt uit het feit dat artikel 133, WIB 1992 is ingebed in afdeling I van het hoofdstuk met betrekking tot de berekening van de personenbelasting, het gewoon stelsel van aanslag, dat betrekking heeft op de gezamenlijk belaste inkomsten; – het nettobedrag van de belastbare beroepsinkomsten van de belastingplichtige, waarbij geen rekening wordt gehouden met de werkloosheidsuitkeringen, pensioenen en afzonderlijk belastbare inkomsten, moet minstens 4 100,00 EUR (aanslagjaar 2026) bedragen (artikel 133, tweede lid, derde streepje, WIB 1992). Die twee extra fiscale voordelen zijn: een extra verhoging van de belastingvrije som (art. 133, derde lid WIB 1992) én een extra verhoging van de belastingvermindering voor kinderoppaskosten (art. 145/35, achtste lid WIB 1992) (voor mogelijks tweede fiscaal voordeel zie bespreking ‘Vak X: uitgaven die recht geven op een belastingvermindering’). Het bedrag van de bijkomende toeslag op de belastingvrije som voor ‘werkelijke alleenstaande ouder met laag inkomen’ wordt vastgelegd op (art. 133, derde lid WIB 1992): – wanneer het belastbare inkomen van de belastingplichtige 19 250,00 EUR (aanslagjaar 2026) bedraagt of minder: 1 290,00 EUR (aanslagjaar 2026); – wanneer het belastbaar inkomen van de belastingplichtige meer bedraagt dan 19 250,00 EUR (aanslagjaar 2026): (24 390,00 − belastbaar inkomen) 1 290,00 × 24 390,00 – 19 250,00 De belasting op die bijkomende toeslag die niet kan worden aangerekend op de basisbelasting, wordt bij de opmaak van het aanslagbiljet automatisch omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet (art. 134 § 3, derde lid WIB 1992).

9

Verhoging bij huwelijk/wettelijke samenwoning

De belastingvrije som wordt voor het jaar van huwelijk of verklaring van de wettelijke samen- woning verhoogd met 1 980,00 EUR (aj. 2026) op voorwaarde dat de echtgeno(o)t(e) dat jaar persoonlijk

83


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

geen nettobestaansmiddelen heeft verkregen van meer dan 4 100,00 EUR (art. 133, eerste lid, 2° WIB 1992). De belastingplichtige verkrijgt die verhoging echter niet in gevallen waarin aan het huwelijk/de wettelijke samenwoning nog in hetzelfde jaar een einde komt door echtscheiding, scheiding van tafel en bed of beëindiging van de wettelijke samenwoning (art. 133 lid 5 WIB 92). Feitelijke scheiding valt daar niet onder. Die maakt immers geen einde aan het huwelijk of de wettelijke samenwoning. De uitsluiting van de verhoging geldt niet als de beëindiging van het wettelijk samenwonen in hetzelfde jaar gevolgd wordt door een huwelijk tussen de gewezen wettelijk samenwonende partners (art. 133, lid 5 WIB 1992).

10

Aanrekening van de belastingvrije som

10.1

Belastingvoordeel van de belastingvrije som

De belastingvrije som (het (eventueel verhoogde) basisbedrag vermeerderd met de toeslagen) is het gedeelte van het inkomen dat vrijgesteld is van belasting, te berekenen aan de onderste schijf. Sinds aanslagjaar 2017 wordt de af te trekken belasting die op de belastingvrije som drukt, berekend tegen aparte tarievenschijven en tarieven (die verschillen van die op het inkomen zelf ). De belasting op de belastingvrije som wordt voor aanslagjaar 2026 aldus bepaald op: Inkomstenschijf van de belastingvrije som

Tarief

–

11 460,00 EUR

25 %

11 460,00 EUR

16 320,00 EUR

30 %

16 320,00 EUR

27 190,00 EUR

40 %

27 190,00 EUR

49 840,00 EUR

45 %

49 840,00 EUR

–

50 %

10.2 Alleenstaanden Alle toeslagen op de belastingvrije som waarop de alleenstaande recht heeft, worden samengeteld met het basisbedrag. De som ervan vormt de belastingvrije som.

10.3 Gehuwden/wettelijk samenwonenden Elke partner heeft recht op het basisbedrag van de belastingvrije som, zijnde 10 910,00 EUR (art. 134, § 4, 1° WIB 1992). De toeslag van de belastingvrije som wegens zware handicap (1 980,00 EUR) komt toe aan de gehandicapte zelf (art. 134, § 4, 1° WIB 1992). Voor de aanrekening van de toeslagen voor personen ten laste maakt de administratie sinds aanslagjaar 2018 steeds twee berekeningen achter de schermen: – een berekening waarbij de toeslagen voor personen ten laste worden gevoegd bij het basisbedrag van de belastingvrije som van de echtgenoot met het hoogste gezamenlijk belastbaar inkomen (= basisberekening) en; – een berekening waarbij de toeslagen worden gevoegd bij het basisbedrag van de belastingvrije som van de echtgenoot met het laagste gezamenlijk belastbaar inkomen (= alternatieve berekening). In eerste instantie wordt die aanrekening toegepast die leidt tot het meeste voordeel op een bepaald tussenniveau nl. dat van de ‘belasting Staat verhoogd met de belasting op de federale inkomsten box

84


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

(= in de artikelen 17, § 1, 1° tot 3° en 6°, en 90, eerste lid, 6° en 9°, vermelde inkomsten en op de meerwaarden op roerende waarden en titels die op grond van artikel 90, eerste lid, 1°, WIB 1992 belastbaar zijn) voor beide echtgenoten/wettelijk samenwonenden samen’. Maar als de uitkomst van die vergelijking is dat er aangerekend moet worden bij de partner met het laagste belastbaar inkomen, zal in tweede instantie wél een vergelijking op het niveau van het eindsaldo worden gemaakt. In functie daarvan kan dan toch nog aangerekend worden op het hoogste belastbaar inkomen als dat toch voordeliger uitvalt (= administratieve correctie, die nog niet in de wet is ingeschreven maar wel al wordt toegepast sinds aanslagjaar 2018). Die aanrekeningsregels voor toeslagen voor personen ten laste zijn van toepassing op alle belastingplichtigen die samen worden belast en zijn dus niet beperkt tot belastingplichtigen die buitenlandse inkomsten hebben verkregen waarvoor bij toepassing van artikel 155 of 156, WIB 1992 een belastingvermindering kan worden verleend. De belastingvrije som wordt allereerst per partner aangerekend op de opeenvolgende tarief- schijven, te beginnen met de laagste tariefschijf. VOORBEELD

Gemeenschappelijk belast echtpaar wonende in het Vlaamse gewest, zonder buitenlandse inkomsten, met vier kinderen ten laste. Echtgenoot 1 heeft netto gezamenlijk belastbare bezoldigingen ten bedrage van 50 000,00 EUR. Echtgenoot 2 heeft netto gezamenlijk belastbare bezoldigingen ten bedrage van 32 000,00 EUR en is zwaar gehandicapt (66 %). Elk deed voor 1 050,00 EUR aan pensioensparen en heeft Vlaamse geïntegreerde woonbonus van 2 280,00 EUR. 7 % gemeentebelasting. gezamenlijk belastbaar inkomen

echtgenoot 1 echtgenoot 2 50 000,00 32 000,00

toeslagen bij de echtgenoot met het hoogste gezamenlijk belastbaar inkomen (basisaanrekening) basis 10 910,00 10 910,00 toeslagen + 18 510,00 + 1 980,00 29 420,00 12 890,00 basisbelasting 18 620,00 10 512,00 belasting op BVS – 9 674,50 – 3 294,00 belasting Staat 8 945,50 7 218,00 totaal belasting Staat 16 163,50 gereduceerde belasting Staat 6 712,97 5 416,60 gewestelijke opcentiemen 2 232,53 1 801,40 federale vermindering pensioensparen – 315,00 – 315,00 gewestelijke vermindering geïntr. woonbonus – 912,00 – 912,00 federale personenbelasting 6 397,97 5 101,60 gewestelijke personenbelasting 1 320,53 889,40 totale belasting excl. gemeentebelasting 13 709,50 aanvullende gemeentebelasting 7 % x 13 709,50 + 959,67 totale belasting incl. gemeentebelasting 14 669,17 toeslagen bij de echtgenoot met het laagste gezamenlijk belastbaar inkomen (alternatieve aanrekening)

85


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

belastingvrije som (BVS) basis 10 910,00 10 910,00 toeslag handicap + 1 980,00 toeslag kinderlast + + 18 510,00 10 910,00 31 400,00 basisbelasting 18 620,00 10 512,00 belasting op BVS – 2 727,50 – 10 241,50 belasting Staat 15 892,50 270,50 totaal belasting Staat 16 163,00 gereduceerde belasting Staat 11 926,21 202,99 gewestelijke opcentiemen 3 966,29 federale vermindering pensioensparen – 315,00 – 202,99 niet benutte vermindering pensioensparen (112,01) gewestelijke vermindering woonbonus – 912,00 niet benutte vermindering woonbonus (844,49) federale personenbelasting 11 611,21 0,00 gewestelijke personenbelasting 3 054,29 totale belasting excl. gemeentebelasting 14 665,50 aanvullende gemeentebelasting 7 % x 14 665,50 + 1 026,59 totale belasting excl. gemeentebelasting 15 692,09

67,51

– 67,51

0,00

Vermits de alternatieve aanrekening leidt tot een lagere belasting op het niveau van de belasting Staat voor beide echtgenoten samen (16 163,00 < 16 163,50), zal verder doorgerekend worden tot het eindsaldo. Vermits het eindsaldo lager is bij de basisaanrekening, zal de alternatieve berekening toch niet worden toegepast → definitieve aanrekening bij echtgenoot 1 (deze met hoogste belastbaar inkomen). Een overschot aan belastingvrije som van de ene echtgenoot (doordat zijn belastingvrije som hoger is dan zijn belastbaar inkomen) kan overgeheveld worden naar de andere echtgenoot. Die regeling (art. 134, § 4, lid1, 3° en 4° WIB 1992) komt neer op het volgende: – het ‘overschot’ van de belastingvrije som, in hoofde van de echtgenoot aan wie de toeslagen wegens personen ten laste worden toegerekend (dus de echtgenoot met het hoogste belastbare inkomen als de basisregel van toepassing is, of de echtgenoot met het laagste belastbare inkomen als de afwijkende regel wordt toegepast), wordt overgeheveld naar de andere echtgenoot, desgevallend beperkt tot het gedeelte dat nodig is om zijn belastingvrije som op dezelfde hoogte te brengen als zijn belastbaar inkomen; – een ‘overschot’ bij de echtgenoot aan wie de toeslagen niet zijn toegerekend (ingevolge de basisregel dan wel de afwijkende regel) volledig wordt overgeheveld naar de andere echtgenoot (de memorie van toelichting bevat een aantal cijfervoorbeelden van deze overhevelingsregeling; Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 54-2791/001 p. 21-25). De basisbelasting van elke echtgenoot wordt dan verminderd met de berekende belasting op zijn volgens voorgaande regels bepaalde belastingvrije som.

10.4 Terugbetaalbaar federaal belastingkrediet voor kinderlast Soms kan de belastingvrije som (het basisbedrag en de verschillende toeslagen) hoger zijn dan het gezamenlijk belastbaar inkomen, waardoor de belastingplichtige het belastingvoordeel van de belastingvrije sommen niet ten volle kan genieten. 86


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Door de (lagere) tariefschaal voor de berekening van de basisbelasting (= de belasting op het gezamenlijk belaste inkomen), kan wanneer het gezamenlijk belaste inkomen gelijk is aan of licht hoger is dan de belastingvrije som, de belasting op de belastingvrije som hoger zijn dan de basisbelasting. Het voordeel van de tariefverlaging op het inkomen wordt op die manier dus niet ten volle verleend. Vandaar dat het gedeelte van de belasting op de belastingvrije som dat niet in mindering kan worden gebracht van de basisbelasting en betrekking heeft op: – de toeslag op de belastingvrije som voor kinderen ten laste; – de toeslag op de belastingvrije som voor kinderen die jonger zijn dan drie jaar en voor wie geen belastingvermindering voor uitgaven voor kinderoppas wordt gevraagd; – de toeslag op de belastingvrije som voor werkelijk alleenstaande ouders met een laag in- komen; kan worden omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet voor kinderen. Bij de berekening van het ‘belastingkrediet voor kinderen’ wordt ervan uitgegaan dat de belastingvrije som achtereenvolgens is opgebouwd uit het basisbedrag (art. 131 WIB 92), de toeslagen die betrekking hebben op personen ten laste andere dan kinderen (art. 132, eerste lid, 7° en 8°, en art. 133, eerste lid WIB 92), vervolgens op de toeslagen voor kinderen ten laste (inclusief kinderen jonger dan drie jaar waarvoor geen belastingvermindering voor uitgaven voor kinderoppas wordt gevraagd) (art. 132, eerste lid, 1° tot 6° WIB 92), en ten slotte op de toeslag voor alleenstaande ouder met laag inkomen, zodat de niet aangerekende belasting op de belastingvrije som bij voorrang slaat op die laatste bijkomende toeslag (art. 134, § 3, vierde lid WIB 92). Het belastingkrediet voor kinderen (kinderen ten laste inclusief kinderen jonger dan drie jaar waarvoor geen belastingvermindering voor uitgaven voor kinderoppas wordt gevraagd) is evenwel beperkt tot 550,00 EUR (aj. 2026, permanente bevriezing op het niveau van aj. 2025) per kind ten laste waarvoor geen fiscale co-ouderschapsregeling wordt toegepast en tot 275,00 EUR (aj. 2026) per kind waarvoor wel een fiscale co-ouderschapsregeling wordt toegepast (art. 134, § 3, tweede lid WIB 1992). Dit maximumbedrag wordt verhoogd met de niet benutte belastingvermindering op de bijkomende toeslag voor werkelijke alleenstaande ouder met laag inkomen (art. 134, § 3, derde lid, 3° WIB 92). Bij de bepaling van het maximumbedrag van het belastingkrediet voor kinderlast, worden gehandicapte kinderen ten laste voor twee gerekend. Bij een gemeenschappelijke aanslag kan bij beide echtgenoten de belasting op de belastingvrije sommen hoger zijn dan de basisbelasting en kunnen bij beide echtgenoten toeslagen voor kinderlast in rekening zijn gebracht. In geval van een gemeenschappelijke aanslag wordt bij elk van de echtgenoten het gedeelte van de belasting op de belastingvrije som dat niet in mindering kan worden gebracht van de basisbelasting en betrekking heeft op toeslagen voor kinderlast, omgezet in een terugbetaalbaar belastingkrediet. Het terugbetaalbaar belastingkrediet is niet van toepassing (art. 134, § 3 vierde lid WIB 1992): – op de belastingplichtige die beroepsinkomsten heeft die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en die niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten (voor de internationale ambtenaren dus); – op de echtgenoot van een in het eerste streepje vermelde belastingplichtige die overeenkomstig artikel 126, § 2, eerste lid, 4° alleen wordt belast (d.w.z. belast als alleenstaande omwille van feit dat echtgenoot internationale ambtenaar is met zulke inkomsten > 13 460,00 EUR).

87


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Het belastingkrediet voor kinderlast kan verrekend worden met de belasting op de afzonderlijk belastbare inkomsten. Meestal is een verrekening echter niet mogelijk en moet het belastingkrediet dus terugbetaald worden (op voorwaarde dat het terug te betalen bedrag minstens 2,50 EUR bedraagt). De omzetting in een terugbetaalbaar belastingkrediet gebeurt automatisch bij de opmaak van het aanslagbiljet. VOORBEELD

Een alleenstaande met een netto gezamenlijk belastbaar inkomen (bezoldigingen) van 24 000,00 EUR heeft op 01-01-2026 drie kinderen ten laste (niet in een co-ouderschapsregeling): een zoon van acht jaar, een zoon van vijf jaar en een dochter van twee jaar waarvoor geen belastingvermindering voor kinderoppaskosten wordt gevraagd. Zijn nieuwe partner woont in op 01-01-2026. Aangifte: Code 1001-66: x Code 1101-63: x = neen, mag niet aangekruist worden want geen werkelijk alleenstaande Code 1030-37: 3 Code 1038-29: 1 Deze alleenstaande heeft recht op een belastingvrije som van: basisbedrag belastingvrije som 10 910,00 EUR + toeslag van 11 440,00 EUR wegens drie kinderen ten laste + toeslag van 740,00 EUR wegens kind jonger dan drie jaar waarvoor geen aftrek van kinderoppaskosten wordt gevraagd + toeslag van 1 980,00 EUR wegens alleenstaande belast met kinderlast = 25 070,00 EUR. Berekening van het in principe terugbetaalbaar belastingkrediet voor kinderlast: Belasting op inkomen van 24 000,00: 7 152,00 Belasting op belastingvrije som van 25 070,00: - 7 823,00 In principe terugbetaalbaar belastingkrediet voor kinderlast: 671,00 Door het verschil in belastingschijven van belasting op inkomen en belasting op belastingvrije som kan 671,00 EUR niet effectief worden benut. Dat deel kan worden toegerekend aan de belasting op de belastingvrije som voor kinderlast. Bijgevolg heeft de alleenstaande recht op terugbetaalbaar belastingkrediet voor kinderlast. Er kan maximaal 550,00 EUR per kind (niet in een co-ouderschapsregeling) worden toegekend, waarbij een gehandicapt kind voor twee telt. Bijgevolg maximaal terugbetaalbaar: 550,00 × 3 = 1 650,00 EUR, wat beneden de maximumgrens is, dus terugbetaalbaar: 671,00 EUR.

11

Aangifte

A Persoonlijke gegevens 1 Je was op 01-01-2026 Bepalend is de burgerlijke stand en de gezinssituatie op 1 januari 2026 (1 januari van het aanslagjaar). Als je een rubriek aankruist moet je in voorkomend geval ook de andere toepasselijke codes van deze rubriek aankruisen. Het correct aankruisen van de vakjes naast de voorziene codes vormt de basis voor de vrijstelling van de onderste schijf van je inkomsten (art. 131 t.e.m. art. 134 WIB 1992).

88


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

A. PERSOONLIJKE GEGEVENS ( Kruis de passende vakjes aan (rubrieken 1 tot 5) en vul – zo nodig – het gevraagde aantal in (rubriek 6)) 1. U was op 1.1.2026: – ongehuwd en niet-wettelijk samenwonend 1001-66 ❏ – uit de echt gescheiden of daarmee gelijkgesteld (door de beëindiging van de wettelijke samenwoning – van tafel en bed gescheiden

{

Code 1001-66 ongehuwd en niet wettelijk samenwonend OF uit de echt gescheiden of daarmee gelijkgesteld (door de beëindiging van de wettelijke samenwoning) OF van tafel en bed gescheiden

Code 1001-66 kan in drie gevallen worden aangekruist. Die code betreft de ‘fiscaal alleenstaanden’. Geval 1: op 1 januari 2026 ongehuwd en niet-wettelijk samenwonend

Fiscale betekenis Op 1 januari 2026 nog ongehuwd en niet wettelijk samenwonend zijn en voordien ook nooit gehuwd of wettelijk samenwonend geweest zijn. Feitelijk samenwonende partners zijn fiscaal twee alleenstaanden en dienen elk een aangifte in. Geval 2: op 1 januari 2026 uit de echt gescheiden of daarmee gelijkgesteld

Fiscale betekenis Die code 1001-66 is ook voorzien voor wie op 1 januari 2026 uit de echt gescheiden was of daarmee gelijkgesteld was (zijnde diegene die hun wettelijke samenwoning hebben beëindigd) en bovendien niet hertrouwd was, noch een nieuwe verklaring van wettelijke samenwoning had afgelegd. Vanaf het jaar van echtscheiding of beëindiging van wettelijke samenwoning worden de gewezen partners elk apart belast en moeten ze elk een afzonderlijke aangifte indienen. Geval 3: op 1 januari 2026 van tafel en bed gescheiden

Fiscale betekenis Onder de code 1001-66 vallen ook diegenen die van tafel en bed gescheiden zijn ingevolge een vonnis van de rechtbank. Voor de fiscus zijn ook deze personen te beschouwen als apart te belasten. Gevolgen op fiscaal vlak voor diegene die code 1001 moet aankruisen Aparte aangifte, afzonderlijke aanslag en de toeslag van 1 980,00 EUR ingeval die ten minste één kind ten laste heeft op 1 januari 2026 of kan genieten van de toeslag kinderlast bij toepassing van art. 132bis WIB 1992. Eventueel (als nog bijkomende voorwaarden vervuld zijn) recht op twee extra voordelen (zie bespreking punt 8 in dit hoofdstuk).

89


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

1002-65 ❏ – gehuwd of wettelijk samenwonend (Als u op 1.1.2026 feitelijk gescheiden, maar nog niet uit de echt gescheiden was (of daarmee gelijkgesteld door de beëindiging van de wettelijke samenwoning), moet u zowel code 1002-65 (gehuwd of wettelijk samenwonend) als code 1018-49 (feitelijk gescheiden) aankruisen (en in voorkomend geval ook de andere toepasselijke codes van dere rubriek – u bent in 2025 gehuwd en woonde sinds 2024 of vroeger, tot uw huwelijk, nog niet wettelijk 1003-64 samen met uw echtgenoot, of ❏ – u hebt in 2025 een verklaring van wettelijke samenwoning afgelegd 1004-63 ❏ De nettobestaansmiddelen van uw echtgenoot of wettelijk samenwonende partner bedroegen in 2025 niet meer dan 4 100,00 EUR (1) 1018-49 ❏ … maar op 1.1.2026 leefden u en uw echtgenoot of wettelijk samenwonende partner feitelijk gescheiden 1019-48 ❏ Uw feitelijke scheiding vond plaats in 2025

{

Code 1002-65

gehuwd of wettelijk samenwonend

Fiscale betekenis Diegene die op 01-01-2026 gehuwd of wettelijk samenwonend is in de zin van art. 1476 van het Burgerlijk Wetboek en niet uit de echt gescheiden of daarmee gelijkgesteld (door de beëindiging van de wettelijke samenwoning) is op 01-01-2026, noch van tafel en bed gescheiden is op 01-01-2026. Let op: Wie op 01-01-2026 feitelijk gescheiden leefde, maar nog niet uit de echt gescheiden was (of daarmee gelijkgesteld door de beëindiging van de wettelijke samenwoning), moet zowel code 1002-65 (gehuwd of wettelijk samenwonend) als code 1018-49 (feitelijk gescheiden) aankruisen (en in voorkomend geval ook de andere toepasselijke codes van deze rubriek). Let op: personen die feitelijk samenwonen, maar geen verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van hun gemeenschappelijke woonplaats, zijn geen wettelijk samenwonenden en mogen code 1002-65 niet aankruisen. Gevolgen van code 1002-65 op fiscaal vlak (zonder code 1003-64) – Eén gezamelijke aangifte en één gezamelijke aanslag; – belastingvrije som = 10 910,00 per echtgenoot (aanslagjaar 2026); – mogelijke toepassing van het huwelijksquotiënt. Voor de echtgenoten die fiscaal als gehuwden of wettelijk samenwonenden samen worden belast voorziet de wet in een eventuele verdeling van de beroepsinkomsten volgens het huwelijksquotiënt. De belastingcomputer zorgt er automatisch voor dat de echtgenoot die geen of zeer weinig beroepsinkomsten geniet, 30 % van het gezamenlijk belastbare beroepsinkomen van het gezin krijgt toegewezen (met een maximum van 13 460,00 EUR voor aanslagjaar 2026). Het huwelijksquotiënt wordt echter niet toegepast wanneer daardoor de ‘belasting staat’ verhoogd met de belasting op de roerende inkomstenbox, voor beide echtgenoten samen, zou verhoogd worden (art. 87, eerste lid en art. 88 WIB 1992). Hiermee is een oplossing gegeven voor de gevallen waarin het huwelijksquotiënt in o.a. ‘verdragssituaties’ niet in het voordeel maar wel in het nadeel van de belastingplichtige blijkt te werken. Het huwelijksquotiënt speelt enkel bij fiscaal voordeel. Uitzondering: een aparte belastingaanslag blijft gelden voor diegenen die pas in het jaar 2025 gehuwd zijn (en sinds 2024 of vroeger, tot het huwelijk, niet wettelijk samenwoonde met zijn echtgenoot) of een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd. Zij dienen de codes 1003-64 aan te kruisen:

90


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Code 1003-64

in 2025 gehuwd en tot het huwelijk niet wettelijk samenwonend OF

in 2025 een verklaring afgelegd van wettelijke samenwoning

Fiscale betekenis Echtgenoten die in 2025 in het huwelijk zijn getreden en sinds 2024 of vroeger, tot het huwelijk, niet wettelijk samenwoonden of personen die in 2025 een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd. Zij worden voor het jaar van huwelijk /jaar van aflegging verklaring van wettelijk samenwoning fiscaal toch als ‘alleenstaanden’ belast via een afzonderlijke aanslag. Iedere echtgenoot/ wettelijk samenwonende kruist op zijn/haar eigen aangifteformulier de code 1003-64 aan bovenop de code 1002-65. Gevolgen op fiscaal vlak – Twee aangiften en twee aanslagen; – belastingvrije som = 10 910,00 EUR per echtgenoot (aanslagjaar 2026); – géén toepassing van het huwelijksquotiënt; – gemeenschappelijke kinderen zijn maar fiscaal ten laste van één van beide partners; – toeslag van 1 980,00 EUR ingeval die ten minste één kind ten laste heeft op 01-01-2026 of kan genieten van de toeslag kinderlast bij toepassing van art. 132bis WIB 1992. Ingeval code 1003-64 dient aangekruist te worden, dient nagegaan te worden of code 1004- 63 ook moet aangekruist worden. Code 1004-63 huwelijk aangegaan in 2025/verklaring van wettelijke samenwoning aangegaan in 2025 én uw echtgenoot/wettelijk samenwonende heeft in 2025 nettobestaansmiddelen die niet meer bedragen dan 4 100,00 EUR

Diegene die in de loop van 2025 een huwelijk is aangegaan/in 2025 een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd, waarbij de nettobestaansmiddelen van zijn/haar echtgenoot/wettelijk samenwonende in het inkomstenjaar 2025 niet meer dan 4 100,00 EUR bedragen, moet de code 1004-63 bijkomend aankruisen. Fiscale betekenis De sinds 2025 gehuwde/wettelijk samenwonende krijgt een aanvullende verhoging van de belastingvrije som met 1 980,00 EUR indien zijn/haar echtgenoot/wettelijk samenwonende niet meer dan 4 100,00 EUR nettobestaansmiddelen heeft genoten tijdens het jaar waarin het huwelijk werd aangegaan/tijdens het jaar waarin de verklaring van wettelijke samenwoning werd afgelegd. Code 1018-49

feitelijk gescheiden

Wie op 01-01-2026 feitelijk gescheiden leefde, maar nog niet uit de echt gescheiden was (of daarmee gelijkgesteld door de beëindiging van de wettelijke samenwoning), moet zowel code 1002-65 (gehuwd of wettelijk samenwonend) als code 1018-49 (feitelijk gescheiden) aankruisen. Code 1019-48

de feitelijke scheiding vond plaats in de loop van 2025

De code 1019-48 is bijkomend aan te kruisen bovenop de code 1018-49 (en code 1005-62) als de feitelijke scheiding plaatsvond in 2025.

91


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Wanneer de administratie van de situatie op de hoogte werd gebracht, zendt zij op vraag van de betrokkenen aan elk van hen een afzonderlijk aangifteformulier. Fiscaal is dat gezin nog bestaande voor de inkomsten van 2025 zodat er één aanslag op naam van beiden gevestigd zal worden. Bij de berekening van de verschuldigde belasting brengt de administratie die twee aangiften zelf samen om één gemeenschappelijke aanslag te vestigen. Een aanslagbiljet m.b.t. de aanslag op naam van beide echtgenoten/partners wordt aan elk van beiden toegezonden. Elke ex-partner kan aan de administratie de omdeling vragen van de gemeenschappelijk ingekohierde aanslag over de twee partners. Deze verdeling heeft geen juridische waarde, maar dient als hulpmiddel om de gemeenschappelijke schuld/vordering onder hen te verdelen. De fiscus moet zich baseren op de splitsingsregels die zijn opgenomen in de art. 144-1 tot 144-7 KB/WIB 1992 voor de berekening van ieders aandeel in de gemeenschappelijke aanslag. 1010-57

❏ weduwnaar, weduwe of daarmee gelijkgesteld (door het overlijden van uw wettelijk samenwonende partner) 1011-56 ❏ uw echtgenoot of wettelijk samenwonende partner is overleden in 2025. Voor u en hem of haar: 1012-55 ❏ kiest u voor één gemeenschappelijke aanslag 1013-54 ❏ kiest u voor afzonderlijke aanslagen

Code 1010-57

weduwnaar of weduwe gelijkgesteld

Fiscale betekenis Dit vak moet je aankruisen als je op 1 januari 2026 weduwnaar of weduwe was of daarmee gelijkgesteld door het overlijden van je samenwonende partner. Gevolgen op fiscaal vlak Op fiscaal gebied wordt een weduwnaar of weduwe behandeld zoals een alleenstaande. Enkel voor het jaar van overlijden kan daarvan worden afgeweken door uitdrukkelijk te kiezen voor de behandeling als gehuwde. Voor de alleenstaande weduwnaar/weduwe is er een toeslag van 1 980,00 EUR als hij/zij op 1 januari 2026 ten minste één kind ten laste heeft of kan genieten van de toeslag kinderlast bij toepassing van art. 132bis WIB 1992. Eventueel (als nog bijkomende voorwaarden vervuld zijn) heeft hij recht op twee extra voordelen (zie bespreking punt 8 in dit hoofdstuk). Code 1011-56 overlijden van echtgenote of wettelijk samenwonende partner in 2025

O verlijden van echtgenote of wettelijk samenwonende partner in 2025. Voor u en hem of haar: Code 1012-55 Code 1013-54

kiest u voor een gemeenschappelijke aanslag kiest u voor twee afzonderlijke aanslagen

Diegene die in de loop van het jaar 2025 weduwe of weduwnaar is geworden, of diens wettelijk samenwonende partner gestorven is in de loop van 2025, moet bijkomend de code 1011-56 aankruisen, alsook aanduiden of er gekozen wordt voor een gemeenschappelijk aanslag dan wel voor twee afzonderlijke aanslagen. Fiscale betekenis De overlevende echtgenoot/wettelijke samenwonende kan kiezen om voor het jaar van overlijden belast te worden als alleenstaande of als gehuwde. Als beide echtgenoten/partners in hetzelfde jaar overleden

92


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

zijn moet deze keuze gemaakt worden door de erfgenamen of begiftigden (art. 126 WIB 1992). De keuze wordt uitgeoefend door aankruising van de codes 1012-55 of 1013-54 in vak II van de aangifte: – code 1012-55: keuze voor één gemeenschappelijke aanslag; – code 1013-54: keuze voor twee afzonderlijke aanslagen. Als de code 1013-54 aangekruist wordt, moeten steeds twee afzonderlijke formulieren ingediend worden: – een aangifte op naam van de overlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende partner waarin de langstlevende partner zijn/haar persoonlijke inkomsten en het deel in de gemeenschappelijke inkomsten van 2025 opneemt, – een aangifte op naam van de nalatenschap van de overleden echtgenoot of wettelijke samenwonende partner met daarin de door de overledene persoonlijk genoten inkomsten samen met zijn/haar deel in de gemeenschappelijke inkomsten van 2025. Als beide echtgenoten in hetzelfde jaar overleden zijn, komt de keuze toe aan de erfgenamen van de laatst overledene. De basisregel blijft de individuele aanslag zoals bij alleenstaanden voor wie niet kiest voor de gemeenschappelijke aanslag zoals bij gehuwden. Gevolgen op fiscaal vlak Wie voor het jaar van overlijden belast wil worden zoals gehuwden (code 1012-55 aangekruist), geniet de voordelen van het huwelijksquotiënt, het meewerkinkomen, de mogelijke overdracht van beroepsverliezen van de overledene naar de overlevende. Maar men verliest als gehuwde de extra toeslag van 1 980,00 EUR op de belastingvrije som wegens kinderlast, heeft ook geen recht op de toeslag ‘werkelijke alleenstaande ouder met laag inkomen’ noch op hoger tarief voor belastingvermindering voor kinderoppaskosten. De administratie kan onmogelijk de ‘meest voordelige keuze’ voor de belastingplichtige toepassen. Het individueel belang van de langstlevende echtgenoot loopt immers niet steeds parallel met dat van de overige erfgenamen. De overlevende echtgenoot kan zich wel informeren bij zijn taxatiedienst om een weloverwogen keuze te maken. 2 Deze aangifte betreft: code 1022-45

een belastingplichtige die in 2025 overleden is = aangifte m.b.t. overleden persoon

Dit vak moet worden aangekruist indien de aangifte betrekking heeft op een persoon die in de loop van het jaar 2025 overleden is. Dan moeten de erfgenamen een aangifte op naam van de nalatenschap indienen. Door de passende codes 1023-44 of 1024-43 aan te kruisen, duidt men aan of de overledene op die datum gehuwd was of niet. code 1023-44 de overleden belastingplichtige was op datum van zijn/haar overlijden gehuwd of wettelijk samenwonend code 1024-43

e overleden belastingplichtige was op datum van zijn/haar overlijden niet gehuwd en ook niet d wettelijk samenwonend maar is in 2025 weduwnaar, weduwe of daarmee gelijkgesteld geworden (gelijkgesteld wil zeggen ingevolge het overlijden van zijn of haar wettelijk samenwonende partner)

In de aangifte op naam van de nalatenschap moeten worden vermeld: de door de overledene in 2025 persoonlijk genoten inkomsten en zijn/haar deel in de gemeenschappelijke inkomsten.

93


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

codes 1025-42 en 1026-41 keuze om belast te worden als gehuwden of als alleenstaanden

Als code 1024-43 is aangekruist, zijn beide echtgenoten/wettelijk samenwonenden in 2025 overleden. De erfgenamen/begiftigden zullen moeten kiezen om die overledenen als alleenstaanden dan wel als gehuwden te laten belasten. code 1025-42: keuze voor één gemeenschappelijke aanslag code 1026-41: keuze voor twee afzonderlijke aanslagen Ben je ... a) Hebt u, als ambtenaar, ander personeelslid of gepensioneerde van een 1062-05 ❐ Ja internationale organisatie, in 2025 beroepsinkomsten verkregen die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en niet in aanmerking kunnen komen voor de berekening van de belasting op uw andere inkomsten?

2062-72 ❐ Ja

Zo ja, bedroegen die beroepsinkomsten in 2025 meer dan 13 460,00 EUR? 1020-47 ❐ Ja b) Was u op 1 januari 2026 gehuwd of wettelijke samenwonend met een in a bedoelde ambtenaar, enz. van een internationale organisatie die in 2025 meer dan 13 460,00 EUR beroepsinkomsten heeft verkregen die bij overeenkomst zijn vrijgesteld en niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op zijn andere inkomsten?

1021-46

❐ Ja

De codes 1062-05, 2062-72, 1020-47 en 1021-46 zijn er om (de echtgenoot/wettelijk samenwonende partner van) de belastingplichtigen die beroepsinkomsten genieten die vrijgesteld zijn zonder progressievoorbehoud (bv. internationale ambtenaren), al dan niet uit te sluiten van bepaalde fiscale gunstmaatregelen zoals belastingkrediet voor kinderlast, belastingkrediet voor dienstencheques, mogelijkheid van toerekening huwelijksquotiënt, toekenning verhoging belastingvrije som voor alleenstaande met kinderlast en terugbetaling van roerende voorheffing op roerende inkomsten en diverse inkomsten. Opmerkingen – Indien code 2062-72 wordt aangekruist, is de vraag of de van progressievoorbehoud vrijgestelde beroepsinkomsten hoger zijn dan 13 460,00 EUR overbodig. Het vestigen van een gemeenschappelijke aanslag impliceert immers dat de bedoelde beroepsinkomsten niet hoger zijn dan 13 460,00 EUR. – Het aankruisen van de code 1020-47 of 1021-46 impliceert individuele aanslagen. – Het aankruisen van de codes 1062-05 of 2062-72 sluit de toepassing van het belastingkrediet voor dienstencheques en de verrekening en terugbetaling van roerende voorheffing op roerende en diverse inkomsten in hoofde van die belastingplichtige uit. – Het aankruisen van de codes 1062-05 of 2062-72 of 1021-46 impliceert dat er geen omzetting belastingkrediet kinderlast kan plaatsvinden in hoofde van die belastingplichtige die de code aangekruist heeft. Fiscale betekenis code 1062-05 en 1020-47  het betreft een gehuwde of wettelijk samenwonende persoon die als ambtenaar, ander personeelslid of gepensioneerde van een internationale organisatie meer dan 13 460,00 EUR bij verdrag vrijgestelde beroepsinkomsten heeft verkregen zonder progressievoorbehoud. In de praktijk betreft het vooral de gehuwde ambtenaar of medewerker bij de Europese Unie, de zogenaamde ‘euroambtenaar’.

94


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

De vrijgestelde beroepsinkomsten van internationale ambtenaren en andere personeelsleden komen in België niet in aanmerking voor de berekening van de belasting op de andere gezinsinkomsten die hier wél belastbaar zijn. De grens van 13 460,00 EUR is exact gelijk aan het maximaal toerekenbare huwelijksquotiënt. Gevolgen op fiscaal vlak De hier bedoelde internationale ambtenaar/personeelslid/gepensioneerde wordt op fiscaal gebied behandeld als alleenstaande. Elk van de echtgenoten/wettelijke samenwonenden moet een aparte aangifte indienen. Er worden twee aanslagen gevestigd. Via deze maatregel wil men vermijden dat zo’n tweeverdienersgezin de belastingvoordelen voor gehuwden zou genieten via het huwelijksquotiënt, terwijl één van de partners toch al geen belasting betaalt op zijn beroepsinkomsten wegens zijn internationale beroepsactiviteit. De toeslag voor alleenstaande met kinderlast wordt niet meer toegekend aan diegenen die als alleenstaanden worden belast omdat een van de echtgenoten/wettelijk samenwonenden iemand is die beroepsinkomsten heeft van meer dan 13 460,00 EUR die zonder progressievoorbehoud van belasting zijn vrijgesteld (art. 133, tweede lid WIB 1992). We denken hierbij bijvoorbeeld aan gehuwden met kinderen ten laste waarvan een van de twee meer dan 13 460,00 EUR beroepsinkomsten als EUambtenaar heeft genoten in 2025. Als dat de enige reden is waarom zij als alleenstaanden worden belast, dan kan men de toeslag voor alleenstaande met kinderlast niet meer genieten. Als er echter bijkomend nog een andere reden is waarom die gehuwden als alleenstaanden worden belast voor aanslagjaar 2026 (bv. omdat 2025 ook het jaar van huwelijk is), dan kan men de toeslag voor alleenstaande met kinderlast wel nog toekennen aan diegene die kinderen fiscaal ten laste heeft of kinderen heeft voor wie de fiscale co-ouderschapsregeling (art. 132bis WIB 1992) geldt. code 1021-46 het betreft de aangifte van de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van zo’n ambtenaar enz. van een internationale organisatie

Fiscale betekenis De echtgenoot of wettelijk samenwonende partner van een ambtenaar, ander personeelslid of gepensioneerde van een internationale organisatie die meer dan 13 460,00 EUR bij verdrag vrijgestelde beroepsinkomsten heeft verkregen zonder progressievoorbehoud wordt op fiscaal gebied behandeld als een alleenstaande zodat hij een aparte aangifte moet indienen. Er worden twee aanslagen gevestigd. Gevolgen op fiscaal vlak Er wordt géén toeslag voor alleenstaande met kinderlast meer toegekend aan diegenen die als alleenstaanden worden belast omwille van de enige reden dat één van de echtgenoten/wettelijk samenwonenden beroepsinkomsten heeft van meer dan 13 460,00 EUR die zonder progressievoorbehoud van belasting zijn vrijgesteld (art. 133, tweede lid WIB 1992), bijvoorbeeld gehuwden met kinderen ten laste waarvan een van de twee meer dan 13 460,00 EUR beroepsinkomsten als EU-ambtenaar heeft genoten in 2025. Als dat de enige reden is waarom zij als alleenstaanden belast worden, dan geniet men de toeslag voor alleenstaande met kinderlast niet meer. Als er echter bijkomend nog een andere reden is waarom die gehuwden als alleenstaanden worden belast voor aanslagjaar 2026 (bv. omdat 2025 ook het jaar van huwelijk is), dan kan men de toeslag voor alleenstaande met kinderlast wel nog toekennen aan diegene die kinderen fiscaal ten laste heeft of kinderen heeft voor wie de fiscale co-ouderschapsregeling (art. 132 bis WIB 1992) geldt. Vermits de echtgenoten apart worden belast is er geen toerekening huwelijksquotiënt mogelijk op één uitzondering na (zie de bespreking van de rechtspraak hierboven).

95


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Als je als alleenstaande (man of vrouw) wordt belast, moet je de code 1028-39 aankruisen als je aan de voorwaarden voor zware handicap voldoet. Deze code 1028-39 mag niet aangekruist worden door de jongste van een koppel dat een gemeenschappelijke aangifte indient met zijn/haar echtgenoot of wettelijke samenwonende partner. Deze personen moeten immers de code 2028-09 aankruisen. Fiscale betekenis Wie wordt door de fiscus als ‘zwaar gehandicapt’ beschouwd? (zie art. 135 WIB 1992): – de personen die ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing voor tenminste 66 % blijvend lichamelijk of mentaal gehandicapt werden verklaard; – de personen waarvan de lichamelijke of geestelijke toestand het verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de arbeidsmarkt kan verdienen; – de personen waarvan de gezondheidstoestand een volledig gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid van tenminste 9 punten tot gevolg heeft (gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in de wetgeving m.b.t. tegemoetkomingen aan gehandicapten); – personen die na een periode van primaire ongeschiktheid hun verdienvermogen verminderd zien tot een derde of minder. In de eerste drie gevallen moet de handicap – ongeacht de leeftijd van de belastingplichtige het gevolg zijn van feiten vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar. Men moet echter ook rekening houden met de handicap die na de leeftijd van 65 jaar wordt vastgesteld, maar het gevolg is van feiten die vóór die leeftijd zijn voorgekomen en vastgesteld. Het bewijs van de invaliditeit moet toegevoegd worden door middel van een attest afgeleverd door de Dienst voor tegemoetkomingen aan gehandicapten. Dit bewijs blijft geldig zolang de aangeduide periode van ongeschiktheid niet is verstreken. Enkel wanneer de op het attest vermelde begindatum van de 66 %-handicap vóór de 65ste verjaardag van de betrokken persoon valt, mogen de beoogde fiscale voordelen worden toegekend. Gevolgen op fiscaal vlak Diegene die op fiscaal vlak als zwaar gehandicapt wordt beschouwd, heeft recht op een bijkomende verhoging van het belastingvrij minimum met 1 980,00 EUR. Werkelijk alleenstaande ouder met kinderlast 5. Als u alleen wordt belast en in B, 1 tot B, 3 hierna één of meer kinderen ten laste vermeldt, beantwoord dan ook de volgende vraag: maakte er op 1.1.2026 een andere persoon dan uw kinderen, pleegkinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen, ouders, pleegouders, grootouders, overgrootouders, broers en zussen, deel uit van uw gezin?

1101-63

❐ Neen

Fiscale betekenis De belastingplichtige die alleen wordt belast (d.w.z. één van de codes 1001-66, 1003-64, 1010-57 en 1018-49 aankruist en de code 1012-55 en 1019-48 niet aankruist) en één of meer kinderen ten laste heeft en/of kind(eren) naar wie in het kader van een co-ouderschapsregeling een deel van de belastingvrije som wordt overgeheveld conform art. 132 bis WIB 1992 (dus belastingplichtige met ‘kinderlast’) (d.w.z. code 1030-37 en /of 1034-33 en/of 1036-31 is ingevuld), moet het vakje

96


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Neen (code 1101-63)) aankruisen voor zover er op 1 januari 2026 geen enkele andere persoon dan zijn kinderen, pleegkinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen, ouders, pleegouders, grootouders, overgrootouders, broers en zusters, deel uitmaakt van zijn gezin. Samengevat worden hier ‘werkelijke alleenstaanden met kinderen ten laste of kinderen in fiscaal co-ouderschap’ bedoeld. Let op: koppels die op 1 januari 2026 feitelijk samenwonen alsook echtgenoten die in 2025 in het huwelijk zijn getreden en sinds 2024 of vroeger, tot aan het huwelijk niet-wettelijk samenwoonden alsook partners die in 2025 een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd, mogen die code 1101-63 niet aankruisen. Gevolgen op fiscaal vlak Voor aanslagjaar 2026 wordt aan de belastingplichtige met ‘kinderlast’ die alleen wordt belast, naast de bijkomende toeslag van 1 980,00 EUR (alleen belast met kinderlast) nog twee fiscale voordelen toegekend wanneer bijkomend aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan: – geen andere persoon dan de kinderen, ascendenten, zijverwanten tot en met de tweede graad van de belastingplichtige, en de personen van wie de belastingplichtige als kind volledig of hoofdzakelijk ten laste is geweest, mag op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige (artikel 133, tweede lid, eerste streepje, WIB 1992); – het belastbaar inkomen van de belastingplichtige mag niet meer bedragen dan 24 390,00 EUR (aanslagjaar 2026) (artikel 133, tweede lid, tweede streepje, WIB 1992). Er wordt enkel rekening gehouden met de gezamenlijk belaste inkomsten van de belastingplichtige om te bepalen of de inkomensgrens is overschreden. Dit volgt uit het feit dat artikel 133, WIB 1992 is ingebed in afdeling I van het hoofdstuk met betrekking tot de berekening van de personenbelasting, het gewoon stelsel van aanslag, dat betrekking heeft op de gezamenlijk belaste inkomsten; – het nettobedrag van de belastbare beroepsinkomsten van de belastingplichtige, waarbij geen rekening wordt gehouden met de werkloosheidsuitkeringen, pensioenen en afzonderlijk belastbare inkomsten, moet minstens 4 100,00 EUR (aanslagjaar 2026) bedragen (artikel 133, tweede lid, derde streepje, WIB 1992). Die twee extra fiscale voordelen zijn: een extra verhoging van de belastingvrije som (art. 133, derde lid WIB 1992) (zie punt 8 in dit hoofdstuk) én en extra verhoging van de belastingvermindering voor kinderoppaskosten (art. 145/35, achtste lid WIB 1992). Geen volledig kalenderjaar rijksinwoner 6. Als u tijdens het inkomstenjaar minder dan 12 maanden aan de personenbelasting onderworpen rijksinwoner was, vermeld dan hier hoeveel maanden (van 0 tot 11) u aan die belasting onderworpen was (als u de 15de van de maand onderworpen was, mag u die maand meetellen, anders niet): ▲ Uitzondering: de maanden dat een overleden persoon de 15de van de maand niet meer aan de personenbelasting onderworpen was door zijn of haar overlijden, mogen wel worden meegeteld.

1199-62 ...

Invullen code 1199 (van 0 tot 11) voor aanslagjaar 2026 1 Als je op 15.01.2025 nog geen rijksinwoner, onderworpen aan de personenbelasting was, maar dat in de periode van 16.01.2025 tot 31.12.2025 wel geworden bent, dan moet je hier vermelden hoeveel maanden er nog waren (van 0 tot 11) vanaf de eerste dag dat je aan de personenbelasting onderworpen was tot 31.12.2025. Als die eerste dag vóór de 16de van de maand viel, mag je die maand meetellen, anders niet.

97


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

2 Als je rijksinwonerschap, waarbij u onderworpen bent aan de personenbelasting, beëindigd is in de loop van 2026, maar vóór 15.12.2026 (aanslagjaar 2026 speciaal), dan moet je hier vermelden hoeveel maanden (van 0 tot 11) je aan de personenbelasting onderworpen was. Als die laatste dag de 15de of na de 15de van de maand viel mag je die maand meetellen, anders niet. Die rubriek houdt verband met de proratering van de meeste federale voordelen ingeval het belastbaar tijdperk geen volledig kalenderjaar bestrijkt (zie art. 129/1 WIB 92 en art. 174/1 WIB 92). Zie voor een uitgebreide bespreking hiervan: het hoofdstuk m.b.t. inleidende begrippen, punt 3.3. B Gezinslasten 1 Kinderen ten laste code 1030-37 aantal kinderen die fiscaal volledig als ten laste beschouwd kunnen worden

Deze code is uitdrukkelijk voorbehouden voor de kinderen die fiscaal volledig ten laste zijn. Kinderen waarvoor de fiscale ouderschapsregeling van toepassing is, mogen hier niet vermeld worden. code 1031-36

aantal kinderen ten laste met een zware handicap

In code 1031-36 geeft men op hoeveel van de kinderen vermeld naast code 1030-37 een zware handicap hebben. code 1038-29 aantal kinderen van code 1030-37 die op 01-01-2026 nog geen drie jaar waren en voor wie men geen belastingvermindering voor kinderopvangkosten vraagt

In code 1038-29 geeft men op hoeveel van de kinderen vermeld naast code 1030-37 op 01-01-2026 jonger zijn dan drie jaar en waarvoor de belastingplichtige geen belastingvermindering voor uitgaven voor kinderoppaskosten aanvraagt. Bedoeld worden de kinderen geboren ná 01-01-2023. Per kind ten laste dat jonger is dan drie jaar en waarvoor géén opvangkosten worden ingebracht, zal de belastingvrije som verhoogd worden met een toeslag van 740,00 EUR voor het aanslagjaar 2026 (art. 132, eerste lid, 6° WIB 1992). code 1039-28

aantal kinderen van code 1038-29 met zware handicap

In code 1039-28 duidt men aan hoeveel van de kinderen vermeld naast de code 1038-29 een zware handicap hebben. Per zwaar gehandicapt kind ten laste dat jonger is dan drie jaar en waarvoor géén opvangkosten worden afgetrokken, zal de belastingvrije som nog eens verhoogd worden met een toeslag van 740,00 EUR voor het aanslagjaar 2026 (art. 132, tweede lid WIB 1992). 2+3 Co-ouderschap Voor de fiscale co-ouderschapsregeling zijn twee rubrieken voorzien op het aangifteformulier: a kinderen die fiscaal ten uwen laste zijn, maar voor wie de helft van het belastingvoordeel toegekend moet worden aan de andere ouder wegens de gelijkmatig verdeelde huisvesting van de kinderen

98


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

Deze rubriek mag je alleen invullen als de volgende voorwaarden vervuld zijn: – je voldoet samen met de andere ouder aan de onderhoudsplicht bepaald in artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek voor je gemeenschappelijke kinderen die recht geven op de verhogingen van de belastingvrije som; – je maakt géén deel uit van het gezin van die andere ouder; – de kinderen in kwestie hebben hun fiscale woonplaats bij jou, maar de huisvesting is gelijkmatig verdeeld over jou en de andere ouder; – deze gelijkmatige verdeling vloeit voort uit een geregistreerde of door de rechter gehomologeerde overeenkomst of een rechterlijke beslissing, die op 01-01-2026 een feit is. code 1034-33 aantal kinderen code 1035-32 aantal kinderen van code 1034-33 met zware handicap code 1054-13 aantal kinderen van code 1034-33 die op 01-01-2026 nog geen drie jaar waren en voor wie uzelf geen belastingvermindering voor kinderopvangkosten vraagt code 1055-12 aantal kinderen van code 1054-13 met zware handicap

b kinderen die fiscaal ten laste zijn van de andere ouder, maar voor wie de helft van het belastingvoordeel aan je toegekend moet worden wegens de gelijkmatig verdeelde huisvesting van de kinderen Deze rubriek mag je alleen invullen als de volgende voorwaarden vervuld zijn: – je voldoet samen met de andere ouder aan de onderhoudsplicht bepaald in artikel 203, § 1, van het Burgerlijk Wetboek voor je gemeenschappelijke kinderen die recht geven op de verhogingen van de belastingvrije som; – je maakt géén deel uit van het gezin van die andere ouder; – de kinderen in kwestie hebben hun fiscale woonplaats bij de andere ouder, maar de huisvesting is gelijkmatig verdeeld over jou en de andere ouder; – deze gelijkmatige verdeling vloeit voort uit een geregistreerde of door de rechter gehomologeerde overeenkomst of een rechterlijke beslissing, die op 01-01-2026 een feit is. code 1036-31 aantal kinderen code 1037-30 aantal kinderen van code 1036-31 met zware handicap code 1058-09 aantal kinderen van code 1036-31 die op 01-01-2026 nog geen drie jaar waren en voor wie uzelf geen belastingvermindering voor kinderopvangkosten vraagt code 1059-08 aantal kinderen van code 1058-09 met zware handicap

4 Ascendenten en broers/zussen, van 66 jaar of ouder ten laste code 1027-40 aantal ascendenten en broers/zussen, van 66 jaar of ouder, die zorgbehoevend zijn en die fiscaal te uwen laste zijn.

In de code 1027-40 vul je het aantal ascendenten en broers/zussen, die 66 jaar of ouder zijn én zorgbehoevend zijn en ten laste zijn. Voor het aantal personen vermeld in de code 1027-40 wordt de belastingvrije som verhoogd met 5 950,00 EUR per persoon. Zwaar gehandicapte personen tellen niet mee voor twee en zorgen niet voor een extra toeslag op de belastingvrije som.

99


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

5

Andere personen ten laste

code 1032-35 aantal andere personen die fiscaal als ten laste beschouwd kunnen worden

De code 1032-35 is voorzien voor de andere personen dan kinderen en ‘zorgebehoevende ascendenten en zijverwanten t.e.m. de tweede graad van 66 jaar of ouder’ ten laste. Voor die andere persoon ten laste wordt de belastingvrije som verhoogd met 1 980,00 EUR. code 1033-34

aantal andere personen ten laste met een zware handicap

In code 1033-34 geef je aan hoeveel van de personen ten laste vermeld naast de code 1032-35 zwaar gehandicapte personen zijn. Voor die andere zwaar gehandicapte persoon ten laste wordt de belastingvrije som nog eens met 1 980,00 EUR verhoogd.

12

Oefeningen

Vul van elke belastingplichtige het vak II van de aangifte in en bereken de belastingvrije som waarop elke belastingplichtige recht heeft. 1 Mr. en Mevr. Wachters zijn gehuwd sinds 1995. Mr. Wachters heeft een gezamenlijk belastbaar inkomen in 2025 van 35 000,00 EUR en Mevr. Wachters van 16 000,00 EUR. Mevr. Wachters is ouder dan Mr. Wachters. Sem, hun oudste zoon (°23-08-2002), ontving in 2025 een werkloosheidsuitkering van 6 000,00 EUR. Vanaf december 2025 vond hij vast werk en hij verdiende daarmee in 2025 in totaal 2 500,00 EUR. Hun dochter Sien (°03-08-2004) is zwaar gehandicapt (66 %) door een ongeval. Zij werkt in een erkende beschermde werkplaats en in 2025 verdiende ze daarmee 7 000,00 EUR. Ze krijgt ook een integratietegemoetkoming van de staat: 1 500,00 EUR. Hun zoon Pieter (°10-05-2006) studeert nog en zit op kot in Leuven. Tijdens juli en augustus 2025 ging hij werken en hij verdiende daarmee in 2025 als jobstudent 10 000,00 EUR. In de weekends van 2025 werkte hij als jobstudent in de horeca waarmee hij 1 560,00 EUR bruto verdiende (130 uren à 12,00 EUR). 2 Mevr. Boom is gescheiden en is niet hertrouwd. De kinderen zijn na de echtscheiding bij haar blijven wonen. Haar netto gezamenlijk belastbaar inkomen in 2025 is 22 000,00 EUR (werknemersloon). Lisa, haar dochter van 16, krijgt elke maand 650,00 EUR onderhoudsgeld van haar vader. Tom, haar zoon van 21, studeert nog en krijgt elke maand 840,00 EUR onderhoudsgeld van zijn vader. Hij gaat regelmatig werken als jobstudent in een hamburgerrestaurant en in 2025 verdiende hij daarmee 7 000,00 EUR (in juli en augustus 2025). De vader van mevrouw Boom, die zorgbehoevend is, maar niet zwaar gehandicapt, maakt sinds augustus 2025 ook deel uit van het gezin. Hij is geboren op 19-09-1958 en ontvangt elke maand

100


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

een pensioen van 2 600,00 EUR. Hij verhuurt zijn eigen woning (KI 1 000,00 EUR) voor 600,00 EUR per maand. 3 Mr. Deleu is feitelijk gescheiden in mei 2024. Zijn netto gezamenlijk belastbaar inkomen in 2025 is 35 000,00 EUR. Zijn dochtertje Amber (°21-01-2023) woont sinds de echtscheiding bij hem. Overdag wordt ze opgevangen door haar oma. De moeder van Amber betaalt sinds juni 2024 elke maand 100,00 EUR onderhoudsgeld voor haar dochter. Mr. Deleu ontvangt voor Amber verhoogde kinderbijslag wegens handicap. Attest kinderbijslagfonds vermeldt: 1ste pijler 2 punten, 2de pijler 2 punten, 3de pijler 1 punt, dus 5 punten in totaal. De moeder van Mr. Deleu woont bij hem in sinds 2024. Zij is nog geen 60 jaar en ontving in 2025 3 000,00 EUR werkloosheidsuitkering. Ze bezit geen onroerend goed. 4 Mr. en Mevr. Roodbroek zijn gehuwd in 2015. Mr. Roodbroek is de oudste. Mr. Roodbroek is bankbediende en heeft in 2025 een brutobezoldiging van 36 000,00 EUR genoten. Mevr. Roodbroek kampt met gezondheidsproblemen en krijgt een uitkering van de mutualiteit (in 2025: 9 000,00 EUR). Op de fiche van de mutualiteit staat vermeld dat mevrouw Roodbroek op 01-01-2026 als zwaar gehandicapt kan worden aangemerkt. Andere inkomsten hebben ze niet. Ze hebben twee kinderen: Pieter, geboren in 2020, die naar school gaat en Mieke, geboren in 2024, die thuis wordt opgevangen. 5 Karel Dupont is sinds 5 juli 2009 gehuwd met Mia Ronsse. Karel is zwaar gehandicapt en genoot in 2025 een vervangingsinkomen van 5 000,00 EUR. Mia is zelfstandige winkelierster en realiseerde in 2025 een nettowinst van 75 000,00 EUR. Er zijn geen andere inkomsten in 2025. Op 1 januari 2026 maken de volgende personen deel uit van hun gezin: – dochter Cindy (°05-12-2006): Zij helpt iedere zondag mee in de winkel van haar moeder waarvoor zij maandelijks een vergoeding heeft ontvangen van 200,00 EUR. Deze bezoldiging heeft de moeder afgetrokken als beroepskosten. Voor het overige heeft zij in 2025 geen inkomsten ontvangen. – zoon Jan (°05-11-2008): Hij heeft in de loop van 2025 een bruto leervergoeding genoten (code 250 op loonfiche): 4 500,00 EUR. Karel is jonger dan Mia. 6 Anja Derijcke is sinds 6 augustus 2025 weduwe. Haar netto gezamenlijk belastbaar inkomen in 2025 is 30 000,00 EUR en dat van haar man (tot zijn overlijden) is 21 000,00 EUR. Zij kiest ervoor om voor het aanslagjaar 2026 belast te worden als alleenstaande. Op 1 januari 2026 maken de volgende personen deel uit van haar gezin: – zoon Johan (°10-05-2000): Hij is zwaar gehandicapt (66 %). Tot 31 oktober 2025 was hij tewerkgesteld in een erkende beschutte werkplaats waar hij een bruto belastbare bezoldiging van 625,00 EUR per maand verdiende. Aangezien zijn geestelijke toestand sterk achteruitgegaan is, verblijft hij sinds

101


Vak II Persoonlijke gegevens en gezinslasten

1 november 2025 in een inrichting voor gehandicapte personen. Tijdens de weekends en de vakanties keert hij terug naar zijn ouderlijke woning. – Louise (°27-02-1944): Zij is de moeder van Anja en is sinds het overlijden van haar schoonzoon (06-08-2025) bij haar dochter komen inwonen. In 2025 heeft zij een pensioen genoten van bruto 28 000,00 EUR. 7 Mr. Appelmans is met de jongere mevrouw Peers gehuwd (vóór 2025). Op 01-01-2026 hebben Mr. en Mevr. Appelmans-Peers vier kinderen ten laste, waarvan één zwaar gehandicapt: – één gemeenschappelijk kind, geboren op 23-10-2023 (er worden geen kosten voor kinderopvang afgetrokken voor dit kind); – drie kinderen waarvan één zwaar gehandicapt (66 % handicap; kind geboren) uit het vorige huwelijk van mevrouw Peers met meneer Pruym (fiscaal alleenstaande). Alle voorwaarden voor de regeling van het fiscale co-ouderschap zijn vervuld. Mr. Appelmans heeft een gezamenlijk belastbaar inkomen in 2025 van 30 000,00 EUR en mevrouw Peers van 15 000,00 EUR. Mr. Pruym heeft een gezamenlijk belastbaar inkomen van 15 500,00 EUR (brutowinst). Zijn nieuwe partner, Mevr. Notenboom, woont feitelijk met hem samen sinds 11-12-2025. 8 Daniël is een alleenstaande zoon. Zijn vader Louis, geboren in 1953 met een pensioen van 26 000,00 EUR bruto per jaar, ging in 2025 inwonen bij zijn zoon Daniël. Louis zelf bezit geen onroerend goed. Geval 1: Louis is niet zorgbehoevend op 01-01-2026 Geval 2: Louis is zorgbehoevend op 01-01-2026, maar niet zwaar gehandicapt Geval 3: Louis is zorgbehoevend op 01-01-2026, en bovendien zwaar gehandicapt ingevolge feiten voorkomen en vastgesteld voor de leeftijd van 65 jaar. 9 Een gehuwd koppel Emma en Lotte. Josefien is de moeder van Lotte en werd geboren in 1958. Josefien is sinds 2021 opgenomen in het gezin Emma-Lotte. Haar pensioen bedraagt rond de 14 000,00 EUR bruto per jaar. Josefien bezit één woning (KI = 500,00) die niet verhuurd wordt. Emma is ouder dan Lotte. Geval 1: Josefien is niet zorgbehoevend en ook niet zwaar gehandicapt op 01-01-2026 Geval 2: Josefien is zorgbehoevend op 01-01-2026, maar niet zwaar gehandicapt Geval 3: Josefien is niet zorgbehoevend op 01-01-2026, maar wel zwaar gehandicapt ingevolge feiten voorkomen en vastgesteld voor de leeftijd van 65 jaar Geval 4: Josefien is zorgbehoevend en zwaar gehandicapt op 01-01-2026.

102


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
HO_Praktisch personenbelasting 2026_voorbeeldhoofdstuk by VAN IN - Issuu