Hoofdstuk 5 De samenlevingsvormen buiten het huwelijk
De samenlevingsvormen buiten het huwelijk
1 Inleiding
Mensen die willen ‘samenleven’ of ‘samenwonen’ hoeven dat niet binnen het kader van het huwelijk te doen:
– Vooreerst zijn er de klassieke samenlevingen in groepsverband (bv. communes en kloostergemeenschappen).
– Daarnaast bestaan er klassieke familiale samenlevingsverbanden (bv. broer en zus leven samen onder één dak).
– Meer voorkomend zijn de gezinnen die ervoor kiezen om bestendig, maar louter feitelijk samen te wonen buiten elk wettelijk statuut om (al dan niet overspelig ).
– Sedert de wet van 23 november 1998 kunnen partners ook kiezen voor het statuut van wettelijke samenwoning.
In hetgeen volgt wordt eerst aandacht besteed aan de feitelijke samenwoning of het ‘concubinaat’; daarna wordt dieper ingegaan op de wettelijke samenwoning en de rechtsbescherming die deze instelling biedt aan buitenhuwelijks samenlevende partners in een tweerelatie.
2 De feitelijke samenwoning (het concubinaat)
2.1 Begrip ‘feitelijke samenwoning’
Feitelijke samenwoning of concubinaat vandaag is een bestendige levensgemeenschap tussen twee personen , al dan niet van hetzelfde geslacht, die een gezin vormen, met of zonder kinderen, maar zonder instelling, die niet met elkaar gehuwd zijn én die geen verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd, en;
2.2 De wet
2.2.1 Regel: feitelijk samenwonen
Samenwonende mensen zijn niet verplicht om te kiezen voor een wettelijk statuut (huwelijk of wettelijke samenwoning ). Ze kunnen eenvoudigweg feitelijk gaan samenleven, waarbij ze al dan niet op hetzelfde adres gedomicilieerd zijn.
Deze vorm van samenleven is niet wettelijk geregeld en is de oervorm , als men ervoor kiest, maar ook als men voor niets kiest.
2.2.2 Uitzondering: wettelijk samenwonen
Pas sinds de wet van 23 november 1998 kunnen samenwonende mensen ook kiezen voor een meer georganiseerde vorm van wettelijke samenwoning tussen twee personen.
Deze vorm van samenleven veronderstelt – net zoals het huwelijk – een instelling, met enkele voorwaarden om ‘ in het statuut te stappen’ en is derhalve een uitdrukkelijke keuze
Sinds het decreet van 1 december 2000 worden samenwonenden en gehuwden fiscaal wel gelijkgeschakeld , als zij minstens één jaar ononderbroken samenwonen.
2.3 De rechtspraak
Feitelijk samenwonen heeft een hele evolutie doorgemaakt en werd vroeger erg stiefmoederlijk behandeld .
2.3.1 Vóór
de jaren 1970
Feitelijke samenwoning was jarenlang not done: de rechtspraak stond er zeer defensief tegenover en toonde vaak zelfs een veroordelende houding, meer bepaald door feitelijke samenwoning strijdig te achten met de openbare orde en de goede zeden.
De maatschappij was van oordeel dat ‘ kinderen in het huwelijk moesten geboren worden’ en vooral het overspelig concubinaat werd met argusogen bekeken.
Als gevolg daarvan:
– kon een partner geen schadevergoeding krijgen bij het overlijden van de andere partner met wie hij of zij feitelijk samenwoonde; – waren overeenkomsten of schenkingen tussen concubanten absoluut nietig
2.3.2 Vanaf de jaren 1970
Het Hof van Cassatie haalt de feitelijke samenwoning stilaan uit de verdomhoek en formuleert een nieuw onderscheid tussen:
– rechtshandelingen gesteld in een niet-overspelig concubinaat (‘eenvoudig concubinaat ’): deze rechtshandelingen werden vanaf dan vrij algemeen aanvaard en niet meer strijdig geacht met de openbare orde en de goede zeden; – rechtshandelingen gesteld in een overspelig concubinaat : deze rechtshandelingen bleven ongeoorloofd , zéker als ze de bedoeling hadden de overspelige relatie in stand te houden, waardoor ze tegen de openbare orde indruisten.
2.3.3 Arrest Hof van Cassatie d.d. 1 februari 1989
Het Hof van Cassatie haalt de feitelijke samenwoning nog meer uit de verdomhoek. De absolute nietigheid verdwijnt en wordt vervangen door de relatieve nietigheid
Het Hof formuleert een nieuw onderscheid:
Hoofdstuk 5 De samenlevingsvormen buiten het huwelijk
– Enkel de wettige echtgenoot wordt nog beschermd en kan zich beroepen op het ongeoorloofde karakter van het concubinaat, met name alleen als deze zich daardoor beledigd voelt.
– Derden kunnen voortaan geen enkele rechtshandeling, voortkomend uit een concubinaat, nog laten vernietigen
2.3.4 Europees Hof voor de Rechten van de Mens – EHRM Straatsburg
Het standpunt in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is:
– Gezinsvorming buiten het wettelijk kader van het huwelijk valt óók onder het begrip ‘gezin’, zoals gesteld in art. 8 EVRM (eerbiediging van het privéleven).
– De nationale overheden mogen zich hierin niet mengen , tenzij onder voorwaarden bepaald door de wet, ter bescherming van de openbare orde of de goede zeden (art. 8.2 EVRM).
2.4 Kenmerken van de feitelijke samenwoning
2.4.1 Mogelijke motieven voor een concubinaatsrelatie
Waarom partners ervoor kiezen om feitelijk samen te wonen en niet te huwen of wettelijk samen te wonen kan variëren en is niet eenduidig.
– Partners kiezen voor een ongebonden samenlevingsverband buiten het huwelijk of wettelijke samenwoning.
– Partners willen liever eerst een tijdje samenwonen als een soort proefhuwelijk.
– Partners vrezen de negatieve financiële gevolgen van het huwelijk (bv. een weduwe behoudt levenslang het recht op het overlevingspensioen van haar overleden echtgenoot).
– Na een eerder gebroken huwelijk (waar nog geen echtscheiding is uitgesproken), gaat men samenwonen met een nieuwe partner.
2.4.2 Onderscheid in de rechtspraak
De rechtspraak blijft het volgend onderscheid maken tussen: – rechtshandelingen gesteld in een niet-overspelig concubinaat (‘eenvoudig concubinaat ’): deze rechtshandelingen werden vanaf dan vrij algemeen aanvaard en zijn niet meer strijdig met openbare orde en goede zeden.
Gevolg
Schenkingen tussen concubanten en vorderingen tot schadeloosstelling door de langstlevende tegen foutieve dader worden aanvaard .
– rechtshandelingen gesteld in een overspelig concubinaat : deze rechtshandelingen bleven ongeoorloofd , want strijdig met de openbare orde en de goede zeden als ze de bedoeling hadden de overspelige relatie in stand te houden
Gevolg
Negatieve gevolgen voor concubanten worden vermeden, zodat schenkingen en schadeloosstellingen toch aanvaard kunnen worden.
Toch kan de bedrogen echtgenoot zich wél beroepen op het ongeoorloofde karakter en een vordering tot nietigheid instellen van schenking of testament.
2.4.3 Vermogensrechtelijke aspecten van de feitelijke samenwoning
2.4.3.1 De goederen en de schulden
Het vermogen betreft alle goederen (eigendommen) en schulden
Tussen feitelijk samenwonende partners gelden de volgende regels : – Elke partner behoudt de exclusieve eigendom over de eigen goederen.
– Goederen die samen verworven of aangekocht werden, vormen een onverdeeldheid en vallen onder het statuut van mede-eigendom; (art. 3.75 NBW: ‘niemand kan gedwongen worden om in onverdeeldheid te blijven’; overeenkomsten zijn voor maximum vijf jaar tegenstelbaar).
– Schuldeisers van één partner kunnen alleen diens vermogen aanspreken; onverdeelde goederen kunnen maar na de verdeling in beslag worden genomen én alleen voor het aandeel van de schuldenaar.
– Bij feitelijk samenwoners die duurzaam samenleven , zal er snel een vermenging van vermogens zijn: zij stellen het best een samenlevingscontract op mét een duidelijke inventaris van de goederen met registratie van de eigendom van de (eigen en gemeenschappelijke) goederen en schulden, samen met de facturen en betalingsbewijzen.
Dit contract is geldig tussen de concubanten en hun erfgenamen, maar bindt derden niet: een schuldeisers van één partner kan beslag leggen op alle goederen in de gemeenschappelijke woning.
2.4.3.2 De schenkingen en legaten tussen feitelijk samenwonende partners
Er bestaat geen wettelijk erfrecht voor concubanten in het Belgisch recht.
Concubanten die een erfenis willen overlaten aan hun partner, moeten tijdens het leven schenken of via testament een legaat overlaten aan hun partner.
Vroeger dit was absoluut nietig, aangezien het concubinaat ongeoorloofd was en in strijd met de openbare orde en de goede zeden.
Tegenwoordig is een legaat alleen nog relatief nietig, met name op vordering van een ex-echtgenoot die bewijst dat de bepalende factor voor schenking of legaat het in stand houden was van een overspelige (seksuele) betrekking.
2.4.3.3 De overeenkomsten ten bezwarende titel
Nietigverklaring is alleen een bepalende facor voor het contract in zoverre het overspel vóór het contract was het doen ontstaan, het in stand houden of het vergoeden van de overspelige (seksuele) betrekking
2.4.4 Samenlevingsovereenkomsten
Feitelijk samenwonende partners kunnen (niet verplicht) een samenlevingsovereenkomst opstellen.
Ter zake gelden de volgende regels :
– Tussen de partners geldt er geen verplichting van bijstand en getrouwheid (alleen bij huwelijk).
– Partners kunnen onderling een samenlevingsovereenkomst opstellen.
– Een verboden bepaling is: een beding om geen einde te maken aan de relatie
Hoofdstuk 5 De samenlevingsvormen buiten het huwelijk
– Een toegelaten bepaling is: een beding met een overeenkomst omtrent de eigendom van de goederen en de gehoudenheid van de schulden (maar : bij een overspelige relatie bestaat de mogelijkheid om de vernietiging ervan te vragen).
– Een samenlevingsovereenkomst is in principe voor onbepaalde duur, doch steeds opzegbaar ; een overeenkomst van onverdeeldheid is maximaal voor vijf jaar tegenstelbaar en moet om de vijf jaar vernieuwd worden.
– De vorm van een samenlevingscontract kan onderhands of notarieel
– Mogelijke bedingen in een samenlevingscontract zijn:
• bepaling en besteding van inkomsten,
• bepaling van bijdrage in de kosten,
• bepaling van einde van de samenleving.
2.4.5 Testament en tontinebeding (of beding van aanwas)
Feitelijk samenwonende partners erven in regel niet van elkaar.
Probleem
Feitelijk samenwoners kopen een onroerend goed (huis of appartement); dit behoort hen – in principe – in onverdeeldheid toe.
Als een van de partners sterft, zal diens deel toekomen aan diens erfgenamen, waardoor er een mogelijk conflict ontstaat tussen de erfgenamen van de eerststervende en de langstlevende partner: de langstlevende zal ofwel het deel van de erfgenamen moeten overkopen, dan wel het goed verkopen en verhuizen.
Oplossingen
Deze situatie kunnen feitelijk samenwoners op twee manieren vermijden, namelijk enerzijds door een testament op te stellen en anderzijds door in de aankoopovereenkomst uitdrukkelijk een tontinebeding op te laten nemen.
2.4.5.1 Testament
Concubanten kunnen een testament opstellen waarin zij elkaar begunstigde maken van ieders deel in het onroerend goed.
Zij moeten wel rekening houden met mogelijke negatieve gevolgen:
– Er is altijd een reserve voor de reservataire erfgenamen.
– Er zijn hoge erfrechten voor de langstlevende concubanten (45-65 %), terwijl die niet meer gelden voor erfrechten op de gezinswoning. – Een testament kan steeds herroepen worden.
2.4.5.2 Tontinebeding
Om aan de negatieve gevolgen te ontsnappen, biedt het Belgisch recht de mogelijkheid om een tontinebeding of een beding van aanwas in de aankoopakte te laten opnemen.
Dat is een geschreven overeenkomst waardoor beide partners overeenkomen dat ‘ de langstlevende partner ’ vanaf het begin beschouwd wordt als de eigenaar of vruchtgebruiker, van het gehele onroerend goed, omdat bij het overlijden van een van hen diens eigendomsaandeel aangroeit bij het eigendomsaandeel van de langstlevende partner.
Hierdoor kunnen negatieve gevolgen vermeden worden:
– De reservataire erfgenamen worden uitgesloten: het deel van de eerststervende wordt immers geacht nooit aan hen toebehoord te hebben.
– Door tontine kunnen hoge erfbelastingen vermeden worden: registratierechten bij het aangaan van een overeenkomst zijn immers veel lager dan erfbelastingen.
Er bestaan ook alternatieven, want ook een tontine in vruchtgebruik is mogelijk. Na de dood van de langstlevende, die rustig bleef wonen tot het overlijden, gaat het deel van de eerstoverledene naar diens erfgenamen, omdat zij na diens dood al naakte eigenaar waren van dat deel.
Mogelijk is er een probleem op het einde van een relatie : concubanten kunnen niet eisen dat het onroerend goed verkocht zou worden, behalve bij een tontine voor vijf jaar, die telkens stilzwijgend verlengd zou worden.
2.4.6 Vergoeding bij het verbreken van een concubinaatsrelatie
In regel zijn partners die feitelijk samenwonen elkaar geen trouw of bijstand verschuldigd en ze zijn vrij om op ieder ogenblik een einde te maken aan het concubinaat.
Een beding om geen einde te maken aan de relatie is zelfs een verboden bepaling in een samenlevingsoverreenkomst.
Toch stelt de rechtspraak grenzen aan de vrijheid: zodra er sprake is van een foutieve verbreking, kan die recht geven op schadevergoeding (bv. bij het verbreken van een verloving of het verlaten van een zwangere partner zonder morele of materiële hulp …).
2.4.7 Afstamming en kinderen uit een feitelijk samenlevend koppel
Ter zake gelden de volgende regels.
2.4.7.1 Afstamming van moederszijde
Van moederszijde geldt ook hier de moederschapsregel: een kind geboren uit een moeder wordt automatisch kind van die vrouw (mater semper certa est).
2.4.7.2 Afstamming van vaderszijde
Van vaderszijde geldt evenwel de vaderschapsregel niet: er is immers geen huwelijk …
De vader moet/kan het kind erkennen als het zijne volgens de voorgeschreven procedure voor de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Een meerderjarig kind (vanaf 12 jaar samen met moeder) moet toestemming verlenen, terwijl voor een minderjarig kind ook de toestemming van de moeder noodzakelijk is bij de erkening.
Als de toestemming van het kind en/of de moeder ontbreekt, kan de vader verhaal halen bij de familierechtbank (voor bewijs van vaderschap via een DNA-test).
Kinderen van een feitelijk samenwonend koppel van wie de afstamming vaststaat, hebben dezelfde erfenisrechten als de kinderen geboren binnen een huwelijk
Hoofdstuk 5 De samenlevingsvormen buiten het huwelijk
2.4.8 De persoonlijke relatie tussen de feitelijk samenlevende partners
Tussen feitelijk samenwonende partners gelden geen huwelijksplichten en zijn er evenmin huwelijksrechten van toepassing.
Er is geen plicht tot samenwonen, geen getrouwheidsverplichting, geen bijstandsverplichting en geen hulpverplichting.
De partners kunnen zich zelfs niet rechtsgeldig verbinden om samen te wonen of elkaar trouw te zijn , omdat dit een overeenkomst zou zijn die een beperking inhoudt van de persoonlijke vrijheid en dus indruist tegen de mensenrechten.
Concubanten kunnen wel bij overeenkomst een onderhoudsverplichting voorzien, volgens modaliteiten die zij zelf bepalen.
3 De wettelijke samenwoning (art. 1475-1479 BW)
3.1 Begrip ‘wettelijke samenwoning’
De wettelijke samenwoning is een privaatrechtelijke instelling die het vormen van een bestendige levensgemeenschap tussen twee personen beoogt, al dan niet van hetzelfde geslacht, die niet met elkaar gehuwd zijn, maar wel een verklaring van wettelijke samenwoning hebben afgelegd, en die een gezin vormen, met of zonder kinderen.
Dit is mogelijk sinds en wordt geregeld in de wet van 23 november 1998.
De instelling van de wettelijke samenwoning staat niet in Boek I van het oude BW (‘Personen’), maar wel in de nieuwe Titel Vbis van Boek III. Blijkbaar wilde de wetgever geen nieuwe staat invoeren, maar wel een vermogensrechtelijke regeling tussen twee partners.
3.2 Kenmerken van de ‘wettelijke samenwoning’
De volgende elementen kenmerken de ‘wettelijke samenwoning ’ in de Belgische rechtsorde.
3.2.1 Instituut
De wettelijke samenwoning is een geïnstitutionaliseerde vorm van samenleven tussen mensen.
De wettelijke samenwoning is (net zoals het huwelijk) een instelling met juridische gevolgen, terwijl het concubinaat (de feitelijke samenwoning) het louter inschrijven betekent van personen op hetzelfde domicilieadres.
3.2.2 Overeenkomst
Ook de wettelijke samenwoning is een vormelijk contract tussen twee personen: de wettelijke samenwoning kan niet geldig tot stand komen solo consensu of door het louter samenleven, maar komt slechts tot stand nadat een overeenkomst gesloten is en dan nog pas nadat wettelijke openbare formaliteiten vervuld zijn. De formaliteiten verschillen van die van het huwelijk.
3.2.3 Levensgemeenschap
Wettelijk samenwonenden zijn niet louter juridisch verbonden (met rechten en plichten), zij worden ook geacht samen te leven als een gezin.
3.2.4 Minder bestendigheid
Het grootste verschil met het huwelijk is dat de wettelijke samenwoning veel minder een bestendige verbintenis inhoudt: elke partner kan altijd, op ieder ogenblik, zonder motivering en zonder opzegtermijn een einde maken aan de wettelijke samenwoning.
Het volstaat om een eenvoudige verklaring van beëindiging van de wettelijke samenwoning af te leggen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, zonder procedure voor de familierechtbank.
3.2.5 Seksuele neutraliteit
In tegenstelling tot het huwelijk is deze samenlevingsvorm seksueel neutraal. Hij staat dus ook open voor nauwe (aan)verwanten.
3.2.6 Exclusiviteit
De wettelijke samenwoning is, net zoals het huwelijk, een exclusieve relatie tussen twee personen, ook monogamie genoemd.
In België en Europa is bigamie bij wet verboden en zelfs strafbaar als misdrijf (art. 366 Sw.), terwijl in sommige Afrikaanse landen (bv. Marokko) polygamie toegelaten is.
3.3 Voorwaarden van de ‘wettelijke samenwoning’
De wettelijke samenwoning is een vormelijke overeenkomst. Ook hier dient voldaan te worden aan een aantal voorwaarden, op te delen in grondvoorwaarden en vormvoorwaarden.
3.3.1 Grondvoorwaarden
3.3.1.1 Twee personen in leven
Een wettelijke samenwoning wordt gesloten tussen twee personen die elk nog in leven zijn op het moment van de sluiting. Een wettelijke samenwoning tussen meer dan twee personen is niet toegelaten, evenmin een postume wettelijke samenwoning (art. 1475 BW).
3.3.1.2 Ongehuwde of ongebonden staat
Partners kunnen maar wettelijk samenwonen mits ze beiden ongehuwd zijn én niet verbonden door een andere wettelijke samenwoning
Na de ontbinding van een huwelijk mogen de ex-echtgenoten wel wettelijk samenwonen.
Hoofdstuk 5 De samenlevingsvormen buiten het huwelijk
3.3.1.3 Toestemming van beide partijen
De wettelijke samenwoning is een contract : de partners moeten beiden bekwaam zijn vrij en wederzijds toe te stemmen om wettelijk samen te wonen; zij moeten meer bepaald elk een doelgebonden levensgemeenschap tot stand willen brengen (art. 1475 BW).
Dit aspect is fundamenteel en heeft een aantal gevolgen: –
Als er van een vrije toestemming geen sprake is, kan dit aanzien worden als een schijnwettelijke samenwoning
Kenmerkend voor een schijnwettelijke samenwoning is dat minstens een van de wettelijk samenwoners wel officieel toestemming geeft, maar er kennelijk alleen op uit is om een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen, verbonden aan de staat van wettelijk samenwonende (art. 1476bis BW).
De schijnwettelijke samenwoning is een misdrijf en volstrekt nietig.
– Vertegenwoordiging is uitgesloten bij de wettelijke samenwoning: de toestemming tot de wettelijke samenwoning moet verplicht door elk van de partners in persoon gegeven worden.
– De toestemming mag niet onvrij, ontbrekend of gebrekkig zijn:
• Volstrekte nietigheid geldt als een van de partijen niet bewust de toestemming kan geven tot wettelijke samenwoning (bv. geestesstoornis, drank- of druggebruik …).
• De vrederechter kan een persoon onbekwaam verklaren om een wettelijke samenwoning aan te gaan (art. 492/1 BW). Maar deze persoon kan de vrederechter alsnog verzoeken om een verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen; de vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon (art. 1475 BW).
• De toestemming mag niet aangetast zijn door een wilsgebrek.
Op de wettelijke samenwoning zijn de regels van het verbintenissenrecht van toepassing (art. 1475, § 2 BW).
Aldus kunnen wilsgebreken ingeroepen worden:
a Dwaling
Dwaling kan alleen in aanmerking komen voor zover het gaat om een dwaling over de identiteit (burgerlijke en fysieke identiteit) van de persoon.
Dwaling over het karakter, de financiële toestand of rijkdom, of de gezondheid van een partner kan niet in aanmerking genomen worden.
b Bedrog
Bedrog is – in de regel – geen grond tot nietigverklaring van de wettelijke samenwoning.
c Dwang – geweld
Sinds de wet van 2 juni 2013 maakt fysieke of psychische dwang wél een grond uit tot nietigverklaring van een wettelijke samenwoning (art. 1476ter BW).
d Benadeling
Benadeling is nooit een grond tot nietigverklaring van een wettelijke samenwoning;
3.3.1.4 Hetzelfde of een verschillend geslacht
De aanstaande partners kunnen bij een wettelijke samenwoning van hetzelfde of een verschillend geslacht zijn.
Wettelijke samenwoning staat in België open voor een man-vrouwrelatie, een man-manrelatie en een vrouw-vrouwrelatie.
3.3.1.5 Leeftijd
Op de wettelijke samenwoning is het verbintenissenrecht van toepassing.
Dit betekent dat men bekwaam moet zijn overeenkomstig art. 5.40 en 5.41 NBW om een contractuele verbintenis aan te gaan.
De minimumleeftijd om wettelijk samen te wonen is 18 jaar. Deze leeftijd valt samen met de leeftijd van de burgerlijke meerderjarigheid (art. 488 BW).
In tegenstelling tot de regeling bij het huwelijk kan de familierechtbank bij wettelijke samenwoning geen dispensatie of ontheffing verlenen voor de leeftijdsvoorwaarde.
Aangezien een minderjarige in geen geval wettelijk mag samenwonen, is er bij wettelijke samenwoning dan ook geen sprake van instemming van ouders of wie dan ook.
Voor wettelijke samenwoning geldt er in België geen maximumleeftijd
3.3.1.6 Geen (aan)verwantschapsbeletselen
Voor de totstandkoming van een wettelijke samenwoning bestaan er geen verwantschaps- of aanverwantschapsbeletselen
In tegenstelling tot het huwelijk is deze samenlevingsvorm immers seksueel neutraal , waardoor ook nauwe (aan)verwanten, voor wie een huwelijk niet mogelijk is, wel met elkaar wettelijk kunnen samenwonen.
3.3.2 Vormvoorwaarden – formaliteiten bij een wettelijke samenwoning
3.3.2.1 De verklaring van wettelijke samenwoning
De wettelijke samenwoning wordt aangegaan door een verklaring van wettelijke samenwoning af te leggen in een geschrift dat de partijen in persoon overhandigen aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats van de partners, tegen ontvangstbewijs (art. 1476 BW).
De verklaring dient de volgende gegevens te bevatten: – de datum van de verklaring, – de naam, voornamen, plaats en datum van geboorte van beide partijen,
Hoofdstuk 5 De samenlevingsvormen buiten het huwelijk
– de handtekening van beide partijen, – de gemeenschappelijke woonplaats, – de vermelding van de wil van beide partijen om wettelijk samen te wonen, – de vermelding dat beide partijen vooraf kennis hebben genomen van de wettelijke bepalingen die de wettelijke samenwoning regelen (art. 1475 tot 1479 BW).
De overhandiging van de verklaring aan en de ontvangst tegen ontvangstbewijs door de ambtenaar van de burgerlijke stand is essentieel: een louter geschreven verklaring doet geen wettelijke samenwoning ontstaan.
Bij de ontvangst dient de ambtenaar van de burgerlijke stand na te gaan of de beide partners voldoen aan alle wettelijke voorwaarden.
3.3.2.2 De vermelding van de verklaring van wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister
Als aan alle voorwaarden voor wettelijke samenwoning voldaan is, maakt de ambtenaar van de burgerlijke stand melding van de verklaring in het bevolkingsregister (art. 1476, § 1, derde lid BW).
Bij wettelijke samenwoning wordt er geen akte van burgerlijke stand opgemaakt. De wettelijke samenwoning brengt immers geen verandering aan in de staat van de persoon en is alleen een vermogensrechtelijke regeling tussen twee partijen.
Ook de vermelding van de verklaring door de ambtenaar van de burgerlijke stand in het bevolkingsregister is essentieel: een verklaring zonder vermelding doet geen wettelijke samenwoning ontstaan. Ook is er een beperkte vorm van publiciteit mogelijk: het is toegelaten om de verklaring van wettelijke samenwoning te vermelden op de uittreksels uit het bevolkingsregister.
De wettelijke samenwoning begint op de dag van de vermelding van de verklaring door de ambtenaar van de burgerlijke stand (art. 1476, § 1 BW).
3.4 Sancties bij het niet-naleven van de voorwaarden
3.4.1 Preventief: de weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de verklaring of vermelding van wettelijke samenwoning
De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft ook bij wettelijke samenwoning de taak om de gronden vormvoorwaarden nauwgezet te controleren en de ontvangst of de vermelding van de verklaring te weigeren als niet aan alle voorwaarden is voldaan.
Sinds de wet van 2 juni 2013 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand een wettelijke basis gekregen om soms de ontvangst of melding van de verklaring van wettelijke samenwoning te weigeren of uit te stellen.
Als de ambtenaar vaststelt dat een of beide aanstaande echtgenoten niet voldoen aan alle voorwaarden om wettelijk samen te wonen of vermoedt dat het gaat om een schijnwettelijke samenwoning (1476bis BW) of de toestemming tot wettelijke samenwoning werd gegeven onder geweld of bedreiging (art. 1476ter BW), dan is de ambtenaar van de burgerlijke stand verplicht om de verklaring of vermelding te weigeren (art. 1476quater BW) en het dossier over te maken aan het Openbaar Ministerie én aan de Dienst Vreemdelingenzaken.
Bij twijfel kan de ambtenaar van de burgerlijke stand de ontvangst of de vermelding van de verklaring gedurende twee maanden uitstellen , voor bijkomend onderzoek en een eventueel advies van het Openbaar Ministerie.
De betrokkenen kunnen verhaal halen bij de familierechtbank.
3.4.2 Repressief: de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning
Een wettelijke samenwoning is nooit van rechtswege nietig. De nietigverklaring (of de ontbinding ex tunc) van een wettelijke samenwoning moet altijd door de familierechtbank gebeuren en is onderworpen aan de gemeenrechtelijke nietigverklaring van rechtshandelingen in het verbintenissenrecht.
Daarnaast kan de nietigverklaring sedert 2013 ook worden gevorderd in twee specifieke gevallen, namelijk:
1 bij schijnwettelijke samenwoning
Ondanks de formeel geuite wil van de beide partners om wettelijk samen te wonen, besluit de ambtenaar van de burgerlijke stand op basis van een geheel van omstandigheden dat de intentie van minstens een van de partners er kennelijk alleen op gericht is een verblijfsrechtelijk voordeel te verkrijgen dat verbonden is aan de staat van wettelijk samenwonende.
2 bij gedwongen wettelijke samenwoning
Hierbij wordt een wettelijke samenwoning aangegaan zonder de vrije toestemming van beide partners of geeft minstens één partner toestemming onder geweld of bedreiging.
Een grond van specifieke nietigheid geldt: de nietigheid kan door zowel beide wettelijk samenwonenden als iedereen met een belang worden ingeroepen. Het Openbaar Ministerie moet ze vorderen in geval van schijnwettelijke samenwoning of gedwongen wettelijke samenwoning (art. 1476quinquies BW).
Elk vonnis van nietigverklaring van een wettelijke samenwoning moet betekend worden aan de andere partij en de nietigverklaring van de wettelijke samenwoning heeft maar uitwerking op de dag waarop het vonnis van nietigverklaring in kracht van gewijsde treedt.
De vernietiging van de wettelijke samenwoning werkt ex tunc : er wordt gehandeld alsof er nooit een wettelijke samenwoning is geweest.
In geval van nietigverklaring op basis van schijnwettelijke samenwoning of van gedwongen wettelijke samenwoning heeft de wettelijke samenwoning altijd gevolgen voor het verleden van de kinderen , zelfs al is er geen goede trouw geweest in hoofde van de beide ouders (art. 1476quinquies BW).
3.5 Gevolgen van de wettelijke samenwoning
De wettelijke samenwoning is een geïnstitutionaliseerde samenlevingsvorm , waardoor de partners aan een statuut onderworpen worden.
Veel minder uitgebreid dan het huwelijk ontstaat er in dit geval: – een primair wettelijk samenwoningsstelsel ;
Hoofdstuk 5 De samenlevingsvormen buiten het huwelijk
– een kader waarin de familierechtbank dringende, voorlopige maatregelen kan treffen tussen wettelijk samenwonenden;
– een intestaatserfrecht voor de langstlevende wettelijk samenwonende;
– een regeling omtrent de goederen, schenkingen en testamenten van de partners.
Wettelijke samenwoning creëert evenwel geen gevolgen op een aantal andere punten:
– Er is geen samenwoningsverplichting, noch enige verplichting van seksuele of morele aard ; ook is de vertegenwoordiging niet van toepassing tussen wettelijk samenwonenden.
– Er is geen regeling over de afstamming van kinderen geboren uit wettelijk samenwonende partners.
– Er worden aan de wettelijke samenwoning geen gevolgen gekoppeld op het vlak van de Belgische nationaliteit.
3.5.1 De staat en bekwaamheid
De wettelijke samenwoning wijzigt de bekwaamheid van de partners niet.
De wettelijke samenwoning heeft geen invloed op de elementen van de staat van de persoon en beïnvloedt niet de familienaam, noch de woonplaats of de Belgische nationaliteit van de partners.
3.5.2 Het primaire wettelijke-samenwoningsstelsel
Het primaire wettelijke-samenwoningsstelsel neemt slechts enkele regels over uit het primaire huwelijksstelsel om een minimale relatie tussen de partners te garanderen.
3.5.2.1 Bescherming van de gezinswoning en huisraad
– In het primaire stelsel tussen wettelijk samenwonenden worden de gezinswoning en huisraad beschermd (art. 1477, § 2 BW). De gezinswoning is het onroerend goed dat effectief bewoond wordt door minstens een van de partners. Het hele goed (én de huisraad) geniet deze bescherming.
– Per gezin kan er slechts één woning als gezinswoning worden beschermd, meer bepaald de belangrijkste
– De wijze van bescherming van de gezinswoning bij de wettelijke samenwoning is gelijk aan deze bij het huwelijk
3.5.2.2 Passieve hoofdelijkheid tussen wettelijk samenwonenden
– Wettelijk samenwonenden zijn hoofdelijk gehouden voor schulden die ze hebben aangegaan ten behoeve van het samenleven of de opvoeding van de kinderen (art. 1477, § 4 BW).
– Op deze regel bestaat slechts één uitzondering : als de schulden die de ene echtgenoot heeft aangegaan buitensporig zijn (gelet op de bestaansmiddelen van het gezin), dan is de andere echtgenoot niet hoofdelijk mee gehouden.
– De hoofdelijkheid geldt alleen voor schulden ten behoeve van het samenwonen en de opvoeding van de kinderen. Bij feitelijke scheiding bestaat er geen samenleven meer, en zal er derhalve ook geen hoofdelijkheid meer zijn.
3.5.2.3 Plicht om bij te dragen in de lasten van het samenleven
Wettelijk samenwonenden zijn hoofdelijk gehouden voor schulden die ze hebben aangegaan ten behoeve van het samenleven of de opvoeding van de kinderen (art. 1477, § 4 BW).
3.5.3 Het vermogen bij wettelijke samenwoning
Bij wettelijke samenwoning behoudt elke partner in principe de eigendom van de eigen goederen, de inkomsten daaruit en de opbrengsten uit arbeid.
Uiteraard kunnen de wettelijk samenwonende partners ook samen goederen verwerven, die, samen met de goederen waarvan geen eigendomsbewijs voorhanden is, een onverdeeldheid vormen tussen beide partners.
In het burgerlijk wetboek is een erfregeling voorzien voor het geval wettelijk samenwonenden bloedverwanten zijn van elkaar. Hiervan kan worden afgeweken via testament.
3.5.4 Afstamming en kinderen uit een wettelijk samenwonend koppel
Ter zake gelden de volgende regels
a Afstamming van moederszijde
Van moederszijde geldt de moederschapsregel: een kind geboren uit een moeder wordt automatisch kind van die vrouw (mater semper certa est).
b Afstamming van vaderszijde
Van vaderszijde geldt ook hier de vaderschapsregel niet: er is immers geen huwelijk.
De vader moet/kan het kind erkennen als het zijne volgens de voorgeschreven procedure voor de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Een meerderjarig kind (vanaf 12 jaar samen met moeder) moet toestemming verlenen, terwijl voor een minderjarig kind ook de toestemming van de moeder noodzakelijk is bij de erkening. Als de toestemming van het kind en/of de moeder ontbreekt, kan de vader verhaal halen bij de familierechtbank (voor bewijs van vaderschap via een DNA-test).
Kinderen van een wettelijk samenwonend koppel van wie de afstamming vaststaat, hebben dezelfde erfenisrechten als de kinderen geboren binnen een huwelijk.
3.6 Beslechting van geschillen tijdens wettelijke samenwoning
Als er tussen wettelijk samenwonenden relationele problemen rijzen, biedt de wet slechts één toegangsmogelijkheid tot de rechter om dringende, voorlopige maatregelen te verkrijgen, namelijk ingeval de verhouding tussen de partners ernstig verstoord is (art. 1479, eerste lid BW).
Net zoals bij het huwelijk worden ook deze dringende, voorlopige maatregelen tussen wettelijk samenwonenden, door de familierechtbank bevolen, verondersteld hoogdringend te zijn. Ze hebben een voorlopig karakter en worden opgelegd via een uitspraak ten gronde.
De inhoud van de dringende, voorlopige maatregelen die de familierechter bij wettelijk samenwonenden kan bevelen, is vrij analoog met die tussen gehuwden, met één belangrijke uitzondering.
Hoofdstuk 5 De samenlevingsvormen buiten het huwelijk
3.6.1 Maatregelen ten aanzien van de persoon
De familierechtbank kan bij wettelijke samenwoning als voorlopige maatregel bevelen dat de wettelijk samenwonenden gemachtigd worden om afzonderlijk verblijf te houden, een van de wettelijk samenwonenden bevelen de gezinswoning te verlaten of eventueel een betredingsverbod opleggen, eventueel op straffe van uitdrijving, desnoods met behulp van de openbare macht.
3.6.2 Maatregelen ten aanzien van het vermogen
De familierechtbank kan bij wettelijke samenwoning als voorlopige maatregel bevelen dat aan een of beide wettelijk samenwonenden een verbod wordt opgelegd om eigen, gemeenschappelijke of onverdeelde goederen te verplaatsen, te verpanden of te vervreemden en vervolgens het persoonlijk gebruik van bepaalde goederen toewijzen aan één partner.
Desgevallend kan de familierechtbank ook bevelen om de gemeenschappelijke of onverdeelde schulden te betalen, de teruggave van goederen bevelen of een notaris aanstellen om een boedelbeschrijving op te maken …
3.6.3 Maatregelen ten aanzien de persoon en de goederen van de kinderen
De familierechtbank kan bij wettelijke samenwoning identiek dezelfde dringende, voorlopige maatregelen over de persoon en de goederen van de kinderen bevelen als bij gehuwden.
3.6.4 Geen maatregelen ten aanzien van het levensonderhoud
Strikt genomen is er geen sprake van een onderhoudsverplichting van wettelijk samenwonenden ten opzichte van elkaar.
De hulpplicht (tussen gehuwden) werd niet overgenomen bij wettelijke samenwoning.
Dit heeft tot gevolg dat de familierechter, na beëindiging van de wettelijke samenwoning, geen dringende, voorlopige maatregel kan opleggen die gesteund is op een onbestaande hulpplicht tussen wettelijk samenwonenden.
3.7
Ontbinding van de wettelijke samenwoning
3.7.1 Vijf gronden van beëindiging
De wettelijk samenwoning eindigt in vijf gevallen, voorzien in de wet:
1 ingeval de wettelijk samenwonenden met elkaar in het huwelijk treden (art. 1476, § 2, eerste lid BW);
2 door het overlijden van één partner (art. 1476, § 2, eerste lid BW);
3 door het vonnis van verklaring van afwezigheid van een van de wettelijk samenwonenden (art. 121, § 2 BW);
4 door het afleggen van een gezamenlijke verklaring door beide partners. Deze verklaring wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. De tussenkomst van de familierechtbank is niet vereist (art. 1476, § 2, tweede en derde lid BW);
Hoofdstuk 5 De samenlevingsvormen buiten het huwelijk
5 door het afleggen van een eenzijdige verklaring door een van beide partners. Deze verklaring kan elke partner steeds individueel doen en wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. De tussenkomst van de familierechtbank is niet vereist. Wel moet de ambtenaar van de burgerlijke stand binnen de acht dagen de eenzijdige beëindiging van de wettelijke samenwoning bij gerechtsdeurwaardersexploot laten betekenen aan de andere partner. Ook in dit geval komt de familierechtbank niet tussen (art. 1476, § 2, tweede en vierde lid BW).
3.7.2 Geen levensverplichting
Na de beëindiging van de wettelijke samenwoning en ongeacht de duur van de wettelijke samenwoning voorziet de wet niet in een onderhoudsuitkering tussen partners, zelfs niet in geval van behoeftigheid.