Praktisch economisch recht basisbeginselen

![]()
Praktisch economisch recht basisbeginselen

basisbeginselen
Gerda Ghysels Jan Roodhooft










De site www.mijnstudiemateriaal.be geeft je toegang tot het digitale lesmateriaal bij dit boek. Je moet jouw licentie eerst wel activeren aan de hand van een activatiecode. Bij de activatie moet je de gebruiksvoorwaarden accepteren. Deze licentie is geldig gedurende een jaar en start vanaf de activatie van deze code. De licentieperiode start vanaf activatie en is 365 dagen geldig.
ACTIVATIECODE
COLOFON:
Praktisch economisch recht – basisbeginselen
Elfde druk 2026
ISBN 978-94-651-4324-8
Artikel 611370
D/2026/0078/212
Coverontwerp: Frisco
NUR 163 Zetwerk: Typ Top
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken.
In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be.
Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden leest u op www.mijnstudiemateriaal.be
© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2026
De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Praktisch economisch recht – basisbeginselen legt zich toe op de hoofdlijnen van het economisch recht waarvan het ondernemingsrecht en het marktrecht een onderdeel uitmaken. Omdat het gaat om basisbeginselen zijn verwijzingen naar de wetgeving alleen opgenomen als ze echt relevant zijn en krijgt voornamelijk de praktijk van dit vakgebied uitgebreid aandacht. Dit handboek heeft dan ook niet de pretentie om volledig te zijn en focust vooral op de basiselementen en de praktijk van het economisch recht.
Het opzet van het boek basisbeginselen is met inleidende opdrachten, talrijke voorbeelden en een begeleidende casus de materie van het economisch recht zo praktisch mogelijk aan te bieden. De opdrachten en casussen kunt u gemakkelijk terugvinden aan de hand van het volgende icoon:
De materie in deze uitgave werd bijgewerkt tot 10 juni 2026. We blijven voor u de verdere wetgeving met betrekking tot de besproken materies op de voet volgen.
Relevante uitwerkingen, aanvullingen en wetswijzigingen kunt u terugvinden bij het onlinemateriaal dat bij dit boek hoort. Meer informatie over de toegang tot het onlinemateriaal vindt u vooraan in dit boek. Docenten kunnen er ook de oplossingen van de casussen raadplegen. Het volgende icoon geeft aan dat er onlinemateriaal is voorzien: .
Voor een meer diepgaande benadering van de materie is er ook Praktisch economisch recht
Nota van de uitgeverij: voor de schrijfwijze van de afkortingen nv, bv, cv, vzw ... volgen wij de officiële Nederlandse spelling (het ‘Groene Boekje’). We gebruiken dus kleine letters, in afwijking van de wettekst zelf die een hoofdletter gebruikt.
Al uw opbouwende reacties zijn welkom via hoger.onderwijs@vanin.be.
Gerda Ghysels
Jan Roodhooft
een of meer opdrachten en casussen
een verwijzing naar te raadplegen hoofdstukken in het boek
een verwijzing naar onlinemateriaal
een actualisering of andere wijziging
VOORBEELD
2.1.1
2.2.2
2.2.3
2.2.3.1
2.2.3.2
1 Vrijheid van ondernemen en algemene verplichtingen van de onderneming
De vrije en intellectuele beroepen
3.1 De toegang tot ondernemingsactiviteiten
3.1.1 De vrijheid van ondernemen
3.1.2 De juridische bevoegdheid
3.1.2.1 Handelingsbekwaamheid
3.1.2.2 Onverenigbaarheden
3.1.2.3 Beroepsverboden
3.2 De formele verplichtingen van de onderneming
3.2.1 Inschrijven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO)
3.2.2 Openen van een zakelijke betaalrekening
3.2.3 Bekendmaken van de huwelijksovereenkomst
3.2.4 Een boekhouding voeren
3.2.5 Voldoen aan de vestigingswet 52
3.2.5.1 De vestigingswet en de bevoegdheden van de gewesten 52
3.2.5.2 De afschaffing van de vestigingswet voor gereglementeerde beroepen in Vlaanderen 53
3.2.5.3 De vestigingswet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Wallonië 53
3.2.5.4 Vergunningen en toelatingen aanvragen en specifieke regels
3.2.6 Een btw-nummer aanvragen
3.2.7 Aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds
54
55
56
3.2.8 Registreren in het UBO-register (Ultimate Beneficial Owner) 56
3.2.9 Afsluiten van verzekeringen
56
3.3 Enkele algemene verplichtingen van ondernemingen 57
3.3.1 Algemene verplichting van informatie, transparantie en niet-discriminatie
57
3.3.2 De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) of General Data Protection Regulation (GDPR) 57
3.3.2.1 Wat is GDPR of AVG? 57
3.3.2.2 Wettelijke basis 58
3.3.2.3 Een aantal belangrijke regels en rechten van de betrokkene 59
3.3.2.4 Op welke ondernemingen is GDPR van toepassing?
61
3.3.2.5 Wie houdt toezicht op de GDPR? 61
3.3.2.6 De functionaris voor gegevensbescherming of Data Protection Officer (DPO) 61
3.3.2.7 Het verwerkingsregister 61
3.3.2.8 Wat als bedrijven niet in orde zijn, welke sancties kunnen zij krijgen? 62
2 Wat verstaan we onder intellectuele eigendom?
3 Waarom zijn intellectuele eigendomsrechten belangrijk?
4 Hoe ontstaan de intellectuele eigendomsrechten en wat wordt beschermd?
4.1
2.1
2.2
2.2.1
2.3
2.2.4
2.2.5
2.2.6
2.3.1
2.3.2
2.3.3
2.3.4
2.3.5
2.3.6
2.4 Het kortetermijnhandelshuurcontract
2.4.1
3 Verkoop van een handelszaak
4 Inpandgeving roerende goederen
4.1 De wetgeving op inpandgeving invoege sedert 1 januari
4.2 De bestaande waarborgen ‘pand op de handelszaak’
Hoofdstuk 4 Betalingsachterstand bij handelstransacties – schulden van de consument
1
3
1.2.1
4.2.1
4.2.2
4.2.3
5
5.1
5.2
6.2.1
6.2.2
7 Precontractuele informatieverplichting bij commerciële samenwerkingsovereenkomsten
8 Schematisch overzicht overeenkomsten met handelstussenpersonen
9 Overeenkomsten met handelstussenpersonen: casussen
Begeleidende casus: Een eigen zaak van klein naar groter
2
3
3.1 Welke vorm neemt de onderneming aan?
3.2 Welke stappen moeten Joris en Yasmina ondernemen en wat moeten ze weten?
3.3 Hoe gaat het verder?
Hoofdstuk 6 Inleiding: eenmanszaak of vennootschap
1 De voor- en nadelen van een eenmanszaak
2 Wat is een vennootschap? – Welke vennootschappen bestaan er?
3 Het vermogen van de vennootschap – de rechtspersoonlijkheid
3.1 Het vermogen van de vennootschap
3.2
4.1
en zetel van de vennootschap
4.2 Oprichting – openbaarmakingsvereisten – website
4.3 Algemene regels met betrekking tot het bestuur van een vennootschap
4.4 Uitsluiting – uittreding van een vennoot
4.5 Ontbinding en vereffening
4.5.1
4.5.2 Vereffening
4.5.2.1 Eendagsvereffening
4.5.2.2 Wie wordt vereffenaar?
4.5.2.3 De bevoegdheden van de vereffenaars
4.5.2.4 Verrichtingen van de vereffening
4.5.2.5 De sluiting van de vereffening
4.5.2.6 Aansprakelijkheid van de vereffenaars – strafsancties
4.6
4.7 Op welke vennootschappen is het Belgisch recht van toepassing?
5 Jaarrekening – controle – inzagerecht vennoten
5.1 Jaarrekening
5.2 Commissariaat
5.2.1 Beginselen
5.2.2 Benoeming – duur van het mandaat
5.2.3 Onafhankelijkheid en bezoldiging
5.2.4 Bevoegdheden
5.2.5 Aansprakelijkheid
5.3 Individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden van vennoten en aandeelhouders 119
6 De maatschap – de vennootschap onder firma – de commanditaire vennootschap
6.1 Inleiding
6.2 Definitie – kenmerken
6.3 Het aandeel van de vennoten
6.4 Bestuur van de vennootschap – vergadering van vennoten
6.5 Het vennootschapsvermogen en de rechten van de schuldeisers
6.6 Ontbinding van de vennootschap, terugtrekking en uitsluiting van een vennoot 121
6.7 Bepalingen die bijkomend specifiek gelden voor de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap
7 De besloten vennootschap (bv)
7.1 Algemeen
7.2 Oprichting
7.2.1 Aanvangsvermogen
7.2.2 Plaatsing van de aandelen
7.2.3 Storting van de inbrengen
7.2.4 Oprichtingsformaliteiten
7.2.5 Nietigheid
7.3 Effecten en hun overdracht
7.3.1 Algemeen
7.3.2 De verschillende soorten effecten
7.3.2.1 Aandelen
7.3.2.2 Obligaties
7.3.2.3 Inschrijvingsrechten
7.3.3 Overdracht en overgang van effecten
7.4 Vennootschapsorganen en algemene vergadering van aandeelhouders en obligatiehouders
7.4.1 Het bestuur
7.4.1.1 Samenstelling
7.4.1.2 Bezoldiging
7.4.1.3 Bevoegdheid en werkwijze
7.4.1.4 Dagelijks bestuur
7.4.2 Algemene vergadering van aandeelhouders
7.4.2.1 Bepalingen die gelden voor alle algemene vergaderingen van aandeelhouders
7.4.2.2 Gewone algemene vergadering
7.4.2.3 Bijzondere algemene vergadering
7.4.2.4 Buitengewone algemene vergadering
7.4.3 Vennootschapsvordering en minderheidsvordering
7.4.4 Algemene vergadering van obligatiehouders
7.5 Het vermogen van de besloten vennootschap
7.5.1 Bijkomende inbrengen – uitgifte van nieuwe aandelen, van converteerbare obligaties en van inschrijvingsrechten
7.5.2 De instandhouding van het vermogen van de vennootschap
7.5.2.1 Uitkeringen aan aandeelhouders – tantièmes
7.5.2.2 Verkrijging van eigen aandelen of certificaten
7.6 Uittreding en uitsluiting lastens het vennootschapsvermogen
7.7 Duur en ontbinding
8 Coöperatieve vennootschap (cv)
8.1
8.2
8.3 Effecten en hun overdracht en overgang
8.4 Vennootschapsorganen en algemene vergadering van obligatiehouders
8.5 Het
9.2.2 Oprichtingsformaliteiten
9.2.3
9.3.2.1
9.3.2.2 Winstbewijzen
9.3.2.3 Obligaties
9.3.2.4 Inschrijvingsrechten
9.3.3
9.4 Vennootschapsorganen en algemene vergadering van obligatiehouders
9.4.1.1
9.4.1.3 Duaal bestuur
9.4.1.4 Dagelijks bestuur
9.4.2 Algemene vergadering van aandeelhouders
9.4.2.1 Gemeenschappelijke bepalingen
9.4.2.2 Gewone algemene vergadering
9.4.2.3 Buitengewone algemene vergadering
9.4.3 Vennootschapsvordering – minderheidsvordering – deskundige
9.4.4 Algemene vergadering van obligatiehouders
9.5 Kapitaal
9.5.1 Kapitaalsverhoging
9.5.1.1
9.5.1.2 Kapitaalverhoging bij wijze van inbreng in geld
9.5.1.3 Kapitaalverhoging bij wijze van inbreng in natura
9.5.1.4 Het toegestane kapitaal
9.5.1.5 Kapitaalverhoging ten gunste van het personeel
9.5.1.6 Garantie en aansprakelijkheid
9.5.2 Kapitaalvermindering
9.5.3.1 Winstverdeling
9.5.3.2 Verkrijging van eigen aandelen, winstbewijzen of certificaten.
9.5.3.3
vennootschapsvormen
5 Vroegtijdige waarschuwing, kamers voor ondernemingen in moeilijkheden en ondernemingsbemiddeling
6 Minnelijk akkoord buiten gerechtelijke reorganisatie
7 Gerechtelijke reorganisatie
7.1 Openbare gerechtelijke reorganisatie en overdracht van onderneming onder gerechtelijk gezag
7.2 Besloten gerechtelijke reorganisatieprocedure
7.3 Overdracht onder gerechtelijk gezag
8 Het faillissement
8.1 Inleiding
8.2 Voorwaarden voor faillietverklaring
8.3 Inleiding van de procedure – faillietverklaring
8.3.1 Inleiding
8.3.1.1 De schuldenaar die heeft opgehouden te betalen
8.3.1.2 Eén of meer schuldeisers 162
8.3.1.3 De Procureur des Konings
8.3.1.4 De voorlopige bewindvoerder 162
8.3.2 Vonnis van faillietverklaring 162
8.3.2.1 Beoordeling van de faillissementsvoorwaarden 162
8.3.2.2 Aanduiding van het personeel van het faillissement 163
8.3.2.3 Vaststelling van de datum van het ophouden van betalen 163
8.4 Gevolgen van het faillissement 163
8.4.1 Buitenbezitstelling en niet-tegenstelbaarheid van bepaalde handelingen 163
8.4.1.1 Verlies van het beheer 163
8.4.1.2 Beschikkingsonbevoegdheid
8.4.1.3 Verdachte periode 164
8.4.1.4 Niet-tegenwerpelijke handelingen tijdens de verdachte periode (art. XX.111 WER) 164
8.4.2 Opschorting van de tenuitvoerlegging 165
8.4.3 Opeisbaarheid van de schulden
8.4.4 Stuiting van de interesten
8.5 Beheer en vereffening van het faillissement
8.5.1
8.5.2
8.5.3
8.5.4 Eigendomsvoorbehoud en terugvordering
8.5.4.1 Begripsbepaling
8.5.4.2 Tegenstelbaarheid
8.5.4.3 Terugvordering
8.6
8.5.5
8.6.1
8.6.2
8.7
8.8 Aansprakelijkheid van bestuurders
9 De onderneming in moeilijkheden: casussen
Begeleidende casus: Een eigen zaak van klein naar groter
1.1
1.2
1 Boek VI WER ‘Marktpraktijken en consumentenbescherming’
3 Informatie van de markt
3.1 Inleidende oefening
3.2 Basisprincipes ‘informatie’
3.2.1 De totale prijs van het product
3.2.2 De voornaamste kenmerken van het product
3.2.3 De identiteit van de onderneming (naam, adres, ondernemingsnummer …)
3.2.4 Een herinnering aan het bestaan van de wettelijke garantie, de commerciële garantie en de voorwaarden van diensten na verkoop
3.3 Meer informatieverplichtingen
3.4 Prijsaanduiding: hoeveel moet de consument betalen?
3.4.1 Inleidende oefening
3.4.2 De juiste prijs(aanduiding)
3.4.3 Prijsaanduiding voor goederen
3.4.3.1 Basisprincipe
3.4.3.2 Goederen te koop uitgestald
3.4.3.3 Prijsaanduiding per meeteenheid
3.4.4 Prijsaanduiding voor diensten
3.4.4.1 Homogene diensten
3.4.4.2 Niet-homogene diensten
3.4.5 Prijspromoties: hoeveel moet de consument betalen?
3.4.5.1 Gewone prijsverminderingen
3.4.5.2 Uitverkopen
3.4.5.3 Opruiming of solden
3.4.5.4 Waardebonnen
3.5 Benaming, samenstelling en etikettering van producten: wat koopt de consument?
3.5.1 Taal
3.5.2 Aanduiding van de hoeveelheid: hoeveel en wat koopt de consument?
3.5.3 Geregistreerde benamingen
3.5.4 Vergelijkende reclame
3.5.5 Uitgeputte voorraad
3.6 Van wie koopt de consument: overeenkomsten met consumenten
3.6.1 Inleiding
3.6.1.1 De precontractuele fase
3.6.1.2 De contractfase
3.6.1.3 De uitvoeringsfase
3.6.2 Algemene regels m.b.t. consumentencontracten
3.6.2.1 Levering
4.2
3.6.3 Overeenkomsten op afstand
3.6.3.1 Inleiding
3.6.3.2 Overeenkomsten op afstand met betrekking tot niet-financiële diensten
3.6.3.3 Overeenkomsten op afstand met betrekking tot financiële diensten
3.6.4 Buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten
3.6.4.1 Toepasselijke situaties
3.6.4.2 Uitzonderingen
3.6.4.3 Precontractuele informatie
3.6.4.4 Modaliteiten voor informatieverstrekking
3.6.5 Openbare verkoop
3.6.6 Gezamenlijk aanbod
3.6.7 Onrechtmatige bedingen
3.6.7.1 Onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen en consumenten
3.6.7.2 Onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen
3.6.8 Verlenging van dienstenovereenkomsten
4.3
4.2.2
4.2.3
4.2.4
handelspraktijken
4.2.4.1
4.2.4.2
4.2.4.3
4.2.5
4.2.6 Analyseschema ‘oneerlijke handelspraktijken’
4.3.1
4.3.2
4.3.2.1
4.3.2.2
4.3.2.3
1 Het basisprincipe van de wettelijke garantie
2 Over welke consumptiegoederen gaat het?
3 Wanneer stemt het product (niet) overeen?
5
6
7
2
2.5
2.6
In het algemeen, en dus ook in het economisch recht zijn er klassieke rechtsbronnen: de wetgeving, de rechtspraak, de gewoonte en de rechtsleer.
1.1 Het internationale recht
Het internationale recht is niet weg te denken uit het economisch recht. Er is in de eerste plaats het traditionele internationaal recht (bi- en multilaterale verdragen) maar bovenal wordt deze rechtstak bepaald door het rechtskader van de Europese Unie.
1.2 Het traditionele internationale recht
Hier gaat het om een aantal bi- of multilaterale verdragen tussen soevereine staten. Ze komen tot stand door onderhandeling en worden van kracht als en wanneer de nationale parlementen ze goedkeuren (ratificeren).
VOORBEELDEN
–
Europees Verdrag van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg; – VN-verdrag inzake internationale koopovereenkomsten van roerende zaken (1980), (dit wordt ook wel het Weens koopverdrag genoemd);
De Europese verdragen en de verdragen gesloten door de Europese Unie kunnen geconsulteerd worden op www.eur-lex.europa.eu. De verdragen die België heeft gesloten, zijn opgenomen in een verdragendatabase op de website van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking: diplomatie.belgium.be/nl/Verdragen. Ook op juridat.be staan verdragen opgenomen alsook de wetten die ze ratificeren.
Zoek enkele voorbeelden van verdragen die te maken hebben met het economisch recht.
De Europese Unie is bij uitstek een ‘supranationale politieke instelling’. Dit betekent dat de EU zelf politieke organen en procedures heeft om wetgeving uit te vaardigen.
Sinds 1 december 2009 werkt de EU op basis van het Verdrag van Lissabon, dat o.a. deze bevoegdheden regelt.
De Europese Unie heeft daartoe vijf instellingen:
1 het Europees Parlement;
2 de Raad (van de Europese Unie);
3 de Europese commissie;
4 het Hof van Justitie van de Europese Unie;
5 de Rekenkamer.
Het Europees Parlement en de Europese Raad zijn de wetgevende organen van de EU. Ze werken voor de meeste aangelegenheden op voet van gelijkheid. Alleen de Europese Commissie kan het initiatief nemen om wetgeving voor te stellen.
Naast de verdragen (afspraken over werking en bevoegdheden van de EU) zijn er drie vormen van Europese wetgeving die de instellingen kunnen uitvaardigen:
1 richtlijnen;
2 verordeningen;
3 besluiten.
De nationale overheden van de lidstaten zijn verplicht om de richtlijnen op te nemen en te verwerken in hun eigen wetgeving. Richtlijnen kunnen heel ‘streng’ zijn en laten de lidstaten weinig of geen bewegingsruimte over hoe ze om te zetten: dit noemt men ‘harmonisatierichtlijnen’.
VOORBEELDEN
– Richtlijn (EU) 2024/1799 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 bevat gemeenschappelijke regels ter bevordering van de reparatie van goederen;
– Richtlijn (EU) 2023/2225 van het Europees Parlement en de Raad van 18 oktober 2023 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2008/48/EG.
Verordeningen bevatten een algemene en volledige reglementering die rechtstreeks van toepassing is in alle lidstaten.
VOORBEELDEN
– Verordening (EU) 2025/40 van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 2024 betreffende verpakkingen en verpakkingsafval;
– Verordening (EU) 2023/988 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 inzake algemene productveiligheid;
– Verordening (EU) 2021/1230 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juli 2021 betreffende grensoverschrijdende betalingen in de Unie;
– Verordening (EU) 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking).
Besluiten bevatten bijzondere besluiten die alleen op de uitdrukkelijk aangeduide bestemmeling (staten, ondernemingen of personen) van toepassing zijn. Voor de studie van het economisch recht zijn ze minder van belang.
VOORBEELD
De beschikkingen waarbij dwangsommen of geldboetes worden opgelegd aan een bepaalde lidstaat of aan welbepaalde particuliere ondernemingen of groepen van ondernemingen (wegens het overtreden van de kartelverboden).
Hoofdstuk 1 De bronnen van het economisch recht
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft als taak ervoor te zorgen dat de lidstaten en de instellingen van de EU de verdragen en andere wetgeving naleven. Via www.eur-lex.europa.eu kun je de Europese wetgeving consulteren. Je kunt hier ook terugvinden of en met welke maatregelen de lidstaten een EU-richtlijn in nationale wetgeving hebben omgezet.
Op nationaal vlak kunnen er vooreerst wetten worden uitgevaardigd. Los van de wetten kunnen er ook Koninklijke Besluiten worden uitgewerkt. Dat zijn besluiten die door de Koning (in de praktijk zijn dat de ministers) worden genomen en die nodig zijn voor de uitvoering van bepaalde wetten. Ministers kunnen ook soms individueel optreden via een Ministerieel Besluit.
VOORBEELD
De Ministeriële besluiten houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan:
– (BS 18 maart 2020) waarbij handelszaken en winkels verplicht moesten sluiten en solden en kortingen niet toegestaan waren;
– (BS 12 februari 2021) waarbij kapperszaken en dierenparken en vakantieparken onder strikte voorwaarden na meer dan drie maanden lockdown weer mochten opengaan;
– Het Koninklijk Besluit om de ‘epidemische noodsituatie’ af te kondigen zodat verdere maatregelen om corona tegen te gaan konden genomen worden binnen het wettelijk kader van de pandemiewet (BS 28 oktober 2021). De opheffing van de instandhouding van de ‘epidemische noodsituatie’ gebeurde bij wet. (BS 11 maart 2022).
Bij het onlinemateriaal kun je beide Ministeriële besluiten en het KB als voorbeeld vinden.
In bepaalde landen, zoals België, is er ook sprake van ‘regionale wetgeving’. Dat zijn de decreten en ordonnanties van de gemeenschappen en gewesten (bv. het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse Gewest).
In het economisch recht zijn de meeste relevante wetten federaal, maar voor specifieke domeinen zijn de gewesten bevoegd. Dat is bijvoorbeeld het geval voor handelshuur.
Op het vlak van nationale wetgeving zijn op dit moment de belangrijkste wetten: het Wetboek van Economisch Recht (WER); het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV); het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat belangrijke regels uit het burgerlijk recht ook gelden in het economisch recht.
Denk daarbij bijvoorbeeld aan de bepalingen aangaande de geldigheid (c.q. de nietigheid) van rechtshandelingen en overeenkomsten, de regels inzake de burgerlijke aansprakelijkheid en de bepalingen met betrekking tot de persoonlijke zekerheden (bij kredietverlening en faillissement), verder nog de reglementering van de zogenaamd bijzondere contracten zoals de koop-verkoop, de huur en de lastgeving.
Er is ondertussen een nieuw Burgerlijk Wetboek. Een aantal boeken hiervan zijn intussen ingevoerd zoals Boek 1 Algemene Bepalingen, Boek 2 deel 3 Personen, familie en relatievermogensrecht, Boek 3 Goederenrecht, Boek 4 Nalatenschappen, schenkingen en testamenten, Boek 5 Verbintenissen, Boek 6 Buitencontractuele aansprakelijkheid en Boek 8 Bewijs. Boek 9 Zekerheden deel 1 is op 1 januari
2026 in werking getreden. Voor verdere bespreking verwijzen we naar de uitgaven Praktisch Burgerlijk Recht en Praktisch Burgerlijk Recht uitgediept.
Een voorbeeld van gewestelijke wetgeving is het Taaldecreet (voluit: Decreet 19 juli 1973 tot regeling van het gebruik van de talen voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede van de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen).
De Belgische wetgeving kan geconsulteerd worden via www.juridat.be.
Het geheel van beslissingen uitgesproken door diverse rechtscolleges vormt de rechtspraak. Hoewel die rechtspraak juridisch niet bindend is, is ze toch een belangrijke rechtsbron. Rechterlijke uitspraken van (andere) rechters vormen een precedent waarnaar rechters kunnen teruggrijpen bij hun beoordeling van een zaak. In het kader van het economisch recht zijn vooral de uitspraken van de ondernemingsrechtbank en van de hoven van beroep en het Hof van Cassatie van belang. De samenstelling en de bevoegdheden van de ondernemingsrechtbank worden in wat volgt besproken.
De Belgische rechtspraak kun je opzoeken via Juportal, dit is de officiële openbare databank. https://juportal.be/zoekmachine/zoekformulier
Gewoonterechtelijke regels zijn gebaseerd op welbepaalde en herhaalde handelswijzen die als algemeen verbindend worden aanvaard. De wetgever verwijst er soms naar.
Het bekendste voorbeeld van een gewoonte in het ondernemingsrecht is het vermoeden van passieve hoofdelijkheid tussen meerdere ondernemers die contractueel verbonden zijn ten overstaan van hun schuldeiser.
Daarnaast zijn er nog de handelsgebruiken die in bepaalde sectoren van handel en industrie gelden, bv. in de diamantsector.
Het geheel van studies geschreven door rechtsgeleerden (die verschijnen in rechtstijdschriften en juridische boeken) noemen we de rechtsleer.
De rechters zijn niet gebonden door deze studies, maar de rechtspraak wordt er wel door beïnvloed. Zodoende vormt de rechtsleer een indirecte rechtsbron.
Dat het economisch recht een bijzondere rechtstak is, bewijst het bestaan van speciale rechtbanken met name ondernemingsrechtbanken (voordien rechtbank van koophandel genoemd), in ons rechtssysteem. De werking ervan is vastgelegd in het Gerechtelijk Wetboek.
Er is een ondernemingsrechtbank in elk ambtsgebied van het hof van beroep.
Er zijn negen ondernemingsrechtbanken: de ondernemingsrechtbank Antwerpen, Brussel Nederlandstalig, Brussel Franstalig, Leuven, Gent, Eupen, Luik, Henegouwen en de ondernemingsrechtbank Waals-Brabant in Nijvel.
Sommige hebben lokale afdelingen.
De ondernemingsrechtbank in Antwerpen heeft bijvoorbeeld afdelingen in Turnhout, Mechelen, Tongeren, Hasselt en Antwerpen zelf.
Binnen een afdeling telt de ondernemingsrechtbank, afhankelijk van de grootte van de afdeling, meerdere kamers. Elke kamer bestaat uit een voorzitter (een beroepsmagistraat) en twee lekenrechters, de ‘rechters in ondernemingszaken’. Deze bijzitters komen uit het bedrijfsleven. Ze moeten geen juridische opleiding hebben en worden benoemd door de Koning voor een hernieuwbare periode van vijf jaar. Het voordeel van deze samenstelling is dat de lekenrechters meer voeling hebben met de ondernemingen en het economisch leven.
De rechtbank wordt verder bijgestaan door een griffier.
De ondernemingsrechtbanken en hun afdelingen zijn terug te vinden via de website van de Hoven en rechtbanken in België: https://www.rechtbanken-tribunaux.be. Ga eens na hoeveel afdelingen er in de ondernemingsrechtbank van Gent zijn.
De ondernemingsrechtbank is in principe bevoegd voor alle geschillen tussen ondernemingen. Een niet-onderneming die een vordering tegen een onderneming instelt, kan die eveneens voor de ondernemingsrechtbank brengen. Andersom kan dat niet. Wil een onderneming een procedure starten tegen een niet-onderneming, dan moet de zaak voor de vrederechter of de rechtbank (burgerlijke rechtbanken) van eerste aanleg gebracht worden.
De ondernemingsrechtbank is daarnaast bevoegd voor een aantal specifieke geschillen, ongeacht het bedrag, zelfs als de partijen geen onderneming zijn. Dat is onder andere het geval voor geschillen tussen Hoofdstuk 2 De ondernemingsrechtbank
vennoten van een vennootschap, geschillen met betrekking tot wisselbrieven, geschillen die ontstaan uit een faillissement, geschillen met betrekking tot intellectuele eigendomsrechten en marktpraktijken.
Daarnaast is de voorzitter van de ondernemingsrechtbank onder meer ook bevoegd voor het opleggen van de staking (na vordering tot staking) met betrekking tot bijvoorbeeld misleidende marktpraktijken (zie het deel Marktrecht).
Het vonnis (21 mei 2024) van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel met betrekking tot de uitspraak in de zaak van Eleven Sports Network tegen enkele Belgische internet access providers (Telenet BV, Proximus NV, VOO NV en Orange Belgium NV over de illegale streaming van voetbalwedstrijden door derden. Je kunt het vonnis vinden bij het onlinemateriaal.
Voor het schema van het Belgisch rechtsbestel, zie figuur 1.
3 Procedures
De gewone procedure kent drie kernmomenten:
1 de dagvaarding of soms het verzoekschrift (waarbij de eiser de verweerder voor de bevoegde rechtbank brengt);
2 de openbare terechtzitting (waar de partijen hun zaak bepleiten);
3 het vonnis (waarin de rechter zijn oordeel velt over het geschil).
Daarnaast zijn er ook de verkorte en buitengewone procedures.
In spoedeisende zaken kan de voorzitter in kortgeding maatregelen treffen (bv. een procedure waarin een leverancier wordt verplicht alvast een levering te doen die hij inhoudt).
Er bestaat in relaties tussen ondernemingen (b2b) een bijzondere procedure voor de invordering van niet-betwiste geldschulden. Hierbij moet het dossier voorgelegd worden aan een advocaat die de zaak kan doorsturen naar een gerechtsdeurwaarder. Die maant een laatste maal aan. Bij gebreke aan reactie maakt de gerechtsdeurwaarder een proces-verbaal van niet-betwisting op. Dat pv heeft dan dezelfde waarde als een klassiek vonnis.
De ondernemingsrechtbanken beschikken ook over kamers voor minnelijke schikking. De behandeling van een geschil voor de kamer voor minnelijke schikking is een afzonderlijk traject gericht op een minnelijke oplossing (verzoening tussen de partijen, wat in principe de opdracht van de rechter is). Dit is een relatief snelle en goedkope procedure, waarbij de partijen in principe de oplossing zelf in handen hebben.
Indien de partijen niet tot een akkoord komen, wordt de zaak doorverwezen naar een andere kamer voor verdere afhandeling.
HOF VAN CASSATIE
Hoogste rechtscollege. Oordeelt niet in feite, gaat na of de wet juist is geïnterpreteerd en of er geen procedurefouten werden gemaakt. Kan beslissen dat een proces opnieuw moet worden gevoerd.
GRONDWETTELIJK
HOF
Waakt over de inachtneming van de grondwet door de wetgevers in België en kan o.a. wetten vernietigen en schorsen.
RECHTSGEBIED
HOF VAN BEROEP
Behandelt alle beroepen tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg (Familiekamer / Burgerl. kamer / Correctionele kamer / Fiscale kamer) en de ondernemingsrechtbank.
• Kamer van inbeschuldigingstelling
RAAD VAN STATE
Hoogste administratief rechtscollege. Twee afdelingen:
1. Wetgeving: geeft adviezen bij voorontwerpen van wet, decreet of Koninklijk Besluit.
2. Administratie: kan administratieve beslissingen van nationale en lokale overheden vernietigen.
ARBEIDSHOF
Buigt zich over de beroepen tegen uitspraken van de arbeidsrechtbank. Beroepsrechters worden bijgestaan door vertegenwoordigers van vakbonden en werkgeversorganisaties.
HOF VAN ASSISEN
Zetelt nog slechts zeer uitzonderlijk. De meeste zware misdaden komen voor de correctionele rechtbank. Alleen bij zeer ernstige misdaden zoals bijvoorbeeld zware criminele feiten tegen politiemensen of misdaden waarbij minderjarigen betrokken zijn en de familie zich verzet tegen correctionalisering, is het hof van assisen bevoegd. Over de schuld beslist een jury van twaalf burgers. Tegen een arrest van het hof van asissen is geen beroep mogelijk, wel cassatie.
Rechtbank van eerste aanleg
•Raadkamer •Beslagrechter •Arrondissementsrechtbank
FAMILIE- EN
JEUGDRECHT
BANK
Beslist over het lot van minderjarigen. Houdt zich ook bezig met echtscheidingen en voorlopige maatregelen
CORRECTIONELE RECHTBANK Behandelt nagenoeg alle misdrijven.
BURGERLIJKE
RECHTBANK
Bevoegd voor alle burgerlijke geschillen boven de 5 000,00 EUR. Daarnaast ook een aantal specifieke bevoegdheden zoals beroep tegen beslissingen van het vredegerecht.
FISCALE
RECHT-
BANK
Bevoegd voor alle scale geschillen.
ONDERNEMINGSRECHTBANK
Bevoegd voor geschillen tussen ondernemers. Naast beroepsrechters zetelen er ook vertegenwoordigers uit de economische sector.
ARBEIDSRECHTBANK
Buigt zich over conicten tussen werknemers en werkgevers én over geschillen rond de sociale zekerheid. Beroepsrechters worden bijgestaan door vertegenwoordigers van vakbonden en werkgeversoganisaties.
POLITIERECHTBANK Behandelt verkeerszaken en lichte strafzaken. Beroep is mogelijk bij de correctionele rechtbank.
VREDEGERECHT
Beslecht burgerlijke geschillen tot en met 5 000,00 EUR. Onder meer bevoegd voor huurconflicten en ongeacht het bedrag bevoegd voor betwistingen bij kredietovereenkomsten die onder het consumentenkrediet vallen.
Strafprocedure
Ontwerp: Jeroen Van Vaerenbergh.
Burgerlijke procedure
1
Algemene regels en begrippen
1 Uitgangspunt en vuistregels
Net zoals in burgerlijke geschillen geldt het uitgangspunt dat de persoon die iets beweert, het bewijs van die bewering moet leveren. Diegene die beweert bevrijd te zijn van een verbintenis moet op zijn beurt het bewijs daarvan leveren.
Verder zegt het wetboek bewijs (boek 8 Burgerlijk Wetboek) dat alle partijen gehouden zijn om mee te werken aan de bewijsvoering.
VOORBEELD
Een schuldenaar die beweert betaald te hebben, zal die betaling dus moeten bewijzen.
In het burgerlijk recht gelden twee vuistregels aangaande de toegelaten bewijsmiddelen.
1 Verbintenissen uit overeenkomsten (met een waarde van 3 500 EUR of meer) kunnen – enkele uitzonderingen niet te na gesproken – alleen bewezen worden met schriftelijke bewijzen: een authentieke akte of een onderhandse akte. Het bewijs boven of tegen een ondertekend geschrift kan enkel worden geleverd door een ander ondertekend geschrift, zelfs indien de som of de waarde dat bedrag niet te boven gaat. Het ondertekend geschrift kan daarbij ook worden vervangen door een bekentenis, een beslissende eed of een begin van bewijs door geschrift voor zover dat laatste wordt aangevuld met een ander bewijsmiddel.
2 Materiële feiten mogen worden bewezen met getuigen en vermoedens. Dat is het geval voor allerlei feitelijke gebeurtenissen en omstandigheden, zoals bij het bewijs van een onrechtmatige daad.
In het ondernemingsrecht kan de bewijsvoering soepeler en vrijer verlopen. De gedachte is dat ondernemers snel moeten kunnen werken en dat dan de tijd kan ontbreken om volwaardige schriftelijke bewijzen op te maken. De regels rond het bewijs in ondernemingszaken worden aangegeven in boek 8 BW.
Het uitgangspunt hierbij is dat het bewijs tussen of tegen ondernemingen kan worden geleverd met alle middelen van recht, tenzij de wet anders bepaalt.
Een onderneming die iets wil bewijzen tegen een niet-onderneming (bv. een klant-consument), kan zich hierop niet beroepen. Zij dient de striktere bewijsregels uit het burgerlijk recht na te leven. Een partij die geen onderneming is en die tegen een onderneming wenst te bewijzen, kan daarentegen wel alle middelen van recht gebruiken.
2
Wat verstaat men in het BW onder ‘geschrift’
‘Een geschrift is een geheel van alfabetische tekens of van enige andere verstaanbare tekens aangebracht op een drager die de mogelijkheid biedt toegang ertoe te hebben gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de informatie kan dienen en waarbij de integriteit ervan wordt beschermd, welke ook de drager en de transmissiemogelijkheden zijn.’
Hieruit kunnen we de volgende noodzakelijke elementen in aanmerking nemen:
1 de inhoud moet verstaanbaar, begrijpbaar zijn;
2 de toegang moet duurzaam zijn voor een periode nodig voor het doel van het geschrift (dus anders voor een notariële akte voor de aankoop van een woning, een huurovereenkomst, een bestelling);
3 de integriteit van de inhoud moet beschermd zijn. Dus de inhoud van het document moet in ongewijzigde toestand blijven ten opzichte van het moment waarop het gecreëerd werd;
4 er mag gelijk welke drager (of medium) gebruikt worden;
5 en er mag om het even welke wijze van overdracht gebruikt worden.
VOORBEELD
Een geschrift kan bestaan uit:
– een papieren document dat ook handgeschreven kan zijn als de inhoud maar verstaanbaar is;
– een elektronisch bestand;
– een e-mail;
– een WhatsAppbericht of een gewone sms
3 Wat verstaat men in het BW onder ‘handtekening’
‘Een handtekening is een teken of een opeenvolging van tekens, aangebracht met de hand, elektronisch of via ieder ander procedé, waarmee een persoon zich identificeert en waaruit zijn wilsuiting blijkt.’
Een geschrift kan dus geldig zijn met een geschreven handtekening maar ook met een elektronische handtekening.
VOORBEELD
Een elektronisch document zoals een digitale belastingaangifte kan met een elektronische handtekening geldig ondertekend worden.
Een offerte en een bestelbon kunnen met een elektronische handtekening ondertekend worden.
4 Wat is een elektronische handtekening volgens het BW
Het Burgerlijk Wetboek verwijst voor de definitie naar de Europese Verordening die rechtstreeks van toepassing is in de lidstaten van de EU. Deze verordening wordt ook de eIDAS-verordening genoemd; dat staat voor Electronic Identities And Trust Services. Met deze Verordening wil de EU het vertrouwen in de elektronische transacties in de EU vergroten door een gemeenschappelijke regeling voor veilige elektronische transacties tussen burgers, ondernemingen en overheden. Zo wil zij ook de publieke en private onlinediensten, e-business en elektronische handel in de Unie stimuleren.
Er zijn drie soorten elektronische of e-handtekeningen
1 De gewone elektronische handtekening
Deze handtekening is gemakkelijk in gebruik. Daartegenover is ze ook eenvoudiger te vervalsen. Er is bijgevolg minder garantie dat diegene van wie de handtekening is, ze ook zelf heeft geplaatst.
VOORBEELD
Een ingescande handtekening op een document.
Een e-mailhandtekening
Met photoshop een handtekening plaatsen op een PDF.
Een handtekening met een pen op een touchscreen van tablet of smartphone wanneer je pakje wordt geleverd door de verzenddienst (bpost, DHL)
Het vinkje akkoord bij de vraag of je cookies accepteert.
2 De geavanceerde elektronische handtekening
Deze handtekening is iets moeilijker in gebruik maar geeft meer garantie dat diegene van wie de handtekening is, ze ook zelf heeft geplaatst.
Hier wordt een unieke persoonsgebonden code aan een bericht gekoppeld.
Deze vorm van elektronische handtekening laat toe om de identiteit van de ondertekenaar en de inhoud van het originele document te achterhalen.
VOORBEELD
Een handtekening, met gebruik van gebruikersnaam en paswoord, eventueel in combinatie met een pincode.
Men noemt dat tweefactorauthenticatie.
Het token (identificatienummer) dat je met je bankkaart genereert wanneer je een banktransactie online wilt ondertekenen.
3 De gekwalificeerde elektronische handtekening
De gekwalificeerde elektronische handtekening is de meest veilige. Het is een technischere en complexere vorm. Deze vorm van e-handtekening werkt via gekwalificeerde certificaten en gekwalificeerde dienstverleners. In België moeten deze dienstverleners door de Federale Overheidsdienst Economie erkend worden. Ze moeten strikte voorwaarden naleven, onder andere over beveiliging.
Er is een officiële lijst van erkende Europese dienstverleners te vinden via de site van de Europese unie (https://eidas.ec.europa.eu/efda/trust-services/browse/eidas/tls) en voor België op de site van de FOD economie (https://economie.fgov.be/sites/default/files/Files/Online/Lijstgekwalificeerde-dienstverlenersprestataires-vertrouwensdiensten-in-Belgie.pdf).
VOORBEELD
Ondertekenen via je identiteitskaart, dus met een e-ID-kaartlezer en pincode.
Itsme is een gekwalificeerde dienstverlener. Via de Itsme-app (https://www.itsme.be/get-started) kun je via je smartphone een gekwalificeerde elektronische handtekening maken. Die is wel gekoppeld aan een profiel dat je kan maken met je e-ID of bankkaart.
Enkel natuurlijke personen kunnen de elektronische handtekening gebruiken. Voor rechtspersonen is er een gelijkaardig systeem, ook met erkende dienstverleners, dat de elektronische zegel wordt genoemd.
Hier bestaan ook een gewone, een geavanceerde en een gekwalificeerde vorm van.
Door gebruik te maken van de elektronische zegel is het mogelijk voor een rechtspersoon om zich op elektronische wijze juridisch te verbinden.
5 Bewijsregels bij het ondertekenen met een elektronische handtekening
Een elektronische handtekening mag in juridische procedures niet geweigerd worden, louter omdat ze elektronisch is of niet gekwalificeerd. Het is wel zo dat enkel de gekwalificeerde handtekening gelijkgesteld wordt met een handgeschreven handtekening.
Bij de gekwalificeerde handtekening is er een wettelijk vermoeden dat de handtekening geldig is en van de persoon komt die de handtekening gezet heeft. Er is dus sprake van een volledige gelijkstelling aan de zelfgeschreven handtekening. Deze handtekening is bindend voor de rechter. Wie de handtekening toch zou betwisten, moet het bewijs daarvan leveren.
Bij alle andere elektronische handtekeningen moet bij betwisting de partij die de handtekening gezet heeft zelf bewijzen dat de handtekening geldig is.
Ga eens na welke en voor welke diensten jij allemaal al een e-handtekening gebruikt. Welk soort digitale handtekening is volgens jou in die verschillende gevallen de beste keuze.
De Vlaamse overheid stimuleert de bedrijven en organisaties om slim te digitaliseren.
Daar hoort ook de efficiënte keuze bij tussen de verschillende soorten digitale handtekeningen.
Om de ondernemingen, organisaties en besturen bij te staan heeft de Vlaamse overheid een stappenplan uitgewerkt dat je hier kunt terugvinden: https://www.vlaanderen.be/het-facilitair-bedrijf-informatiemanagement/informatie-digitaliseren/de-elektronische-handtekening/ stappenplan-elektronische-handtekening.
Zoek eens uit wat bij de keuze om te werken met elektronische handtekeningen, de basisvragen zijn die een onderneming zich moet stellen.
Geef een voorbeeld waarbij werken met e-handtekening tijd en financiële middelen kan sparen.
Hoofdstuk 3 Het bewijs in ondernemingszaken
2.1.1
Elke onderneming moet een boekhouding voeren die past bij de aard en de omvang van het bedrijf. Die boekhouding omvat ‘al hun verrichtingen, bezittingen en rechten van welke aard ook, en hun vorderingen, schulden en verplichtingen van welke aard ook’.
Voor een modern bedrijf is de boekhouding een onmisbaar beleidsinstrument bij het uitbouwen van de onderneming. Juridisch is de boekhouding verder van belang als bijzonder bewijsmiddel.
Dat laatste is niet vanzelfsprekend en wel om twee redenen:
1 De boekhouding bevat tal van bedrijfsgeheimen (zoals de identiteit van de handelspartners, klanten en leveranciers, de gehanteerde winstmarges …) en heeft dus een vertrouwelijk karakter.
2 Elke onderneming stelt zelf haar boekhouding eenzijdig op (d.w.z. zonder de rechtstreekse medewerking van de tegenpartij).
Mede omwille van dat vertrouwelijke en eenzijdige karakter wordt het procedurele gebruik van de boekhouding speciaal gereglementeerd (zie verder onder 2.1.3 Procedureel gebruik van de boekhouding).
2.1.2 Bewijskracht van de boekhouding
Het wetboek bewijs schrapt de vereiste dat de boekhouding regelmatig moet worden gevoerd. Ook een onregelmatig gevoerde boekhouding kan dus als bewijs dienen tussen ondernemingen of tegen ondernemingen.
Inzake de bewijskracht van de boekhouding gelden twee hoofdregels.
2.1.2.1 Geschillen tussen ondernemingen onderling
De boekhouding van een onderneming heeft slechts wettelijke bewijswaarde tegen een andere onderneming als de vermeldingen in de boekhouding van de onderscheiden partijen overeenstemmend zijn. In andere gevallen oordeelt de rechter vrij over de bewijswaarde van de boekhouding.
De onderliggende gedachte is dat de feitenrechter de gegevens van de boekhouding van de gedingvoerende ondernemingen met elkaar kan confronteren.
VOORBEELD
Als onderneming 1 aan onderneming 2 iets verkocht heeft, dan zouden in hun boekhoudingen dezelfde gegevens (nr. factuur, bedragen ...) moeten terug te vinden zijn.
Als de boekhouding van een ondernemer als bewijsinstrument aanvaard wordt, dan kunnen de daarin geregistreerde gegevens zowel in zijn voordeel als in zijn nadeel worden gebruikt.
2.1.2.2 Geschillen van een niet-ondernemer tegen een ondernemer
In een rechtsgeding van een niet-ondernemer tegen een ondernemer, geldt de regel dat de boekhouding van de ondernemer tegen hem gebruikt kan worden. In dat geval moet de regel van de onsplitsbaarheid worden gerespecteerd. Dat betekent dat diegene die zich op de boekhouding beroept, deze
boekhouding in haar geheel moet nemen. De inhoud van de volledige boekhouding wordt als geheel beschouwd, men kan er dus geen onderdeel uitnemen en dat ‘los’, ‘op zich staand’ bekijken.
De boekhouding van de onderneming levert geen bewijs op tegen personen die geen onderneming zijn.
VOORBEELD
Zo kan de onderneming bijvoorbeeld het bestaan van een schuld van de klant niet bewijzen doordat ze in haar boekhouding een dergelijke vordering heeft opgenomen.
2.1.3
De rechtbank kan, op verzoek van een partij of ambtshalve, in de loop van een procedure de openlegging bevelen van het geheel of van een gedeelte van de boekhouding van de onderneming. De boekhouding mag niet ten nadele van de onderneming worden gesplitst.
De rechter kan daarbij ook maatregelen opleggen om de vertrouwelijkheid van de desbetreffende stukken te vrijwaren.
VOORBEELD
Als de rechtbank in een procedure een gerechtsdeskundige aanstelt zou ze meteen kunnen bepalen dat de partij die haar boekhouding dient voor te leggen, die enkel aan de gerechtsdeskundige moet overmaken en niet aan de tegenpartij in de procedure.
2.2.1
De factuur kan worden gedefinieerd als ‘elk document of elk bericht op papier, of in een elektronisch format dat de bevestiging inhoudt van een schuldvordering in geld wegens de levering van goederen of diensten’. Ze wordt opgesteld door de leverancier en aan de klant bezorgd (afgegeven of verstuurd).
Bekeken vanuit het standpunt van de klant bevat de factuur, naast de specificatie van de geleverde goederen of diensten, de prijs die hij de leverancier verschuldigd is.
Een factuur kan dus ook elektronisch zijn. Er is ook de gestructureerde elektronische factuur, dat is een factuur die verzonden en ontvangen wordt in een gestructureerde elektronische vorm die automatische en elektronische verwerking ervan mogelijk maakt. Dus een volledig geautomatiseerd proces.
De materiële vorm van de factuur (papier of elektronisch) heeft op zich geen belang. Ze zijn allemaal aan dezelfde regels onderworpen.
Dat betekent voor beide vormen dat de authenticiteit van de herkomst (de identiteit van de leverancier/dienstverlener of diegene die de factuur heeft uitgereikt) moet gewaarborgd zijn, evenals de integriteit van de inhoud (dat de inhoud geen wijzigingen heeft ondergaan) en dat de leesbaarheid moeten worden gewaarborgd, vanaf het moment dat de factuur wordt opgemaakt en bezorgd, tot en met de wettelijke bewaringstermijn ervan (zeven jaar).
Hoofdstuk 3 Het bewijs in ondernemingszaken
Bij elektronisch factureren moeten de partijen vooraf overeenkomen dat en hoe het factureren elektronisch zal gebeuren. Het is logisch dat de partijen dit overeenkomen aangezien alle betrokkenen over de nodige hardware, software en netwerken moeten beschikken om alles veilig en correct te laten gebeuren.
Het elektronisch factureren kan op verschillende wijzen gebeuren, de ene vorm is al meer ingeburgerd dan de andere.
Een factuur per e-mail, als tekst of als PDF-, Excel- of Word-bestand verzenden naar de koper is ook een vorm van e-facturatie. De partijen kunnen ervoor kiezen om het bestand te beveiligen. Dit is een van de eenvoudigste vormen in de B2C-relatie (Business to Consumer).
Een klant bestelt kleding via een webshop. Hij geeft de bestelling in via het winkelmandje, kiest de betaalwijze en de leveringswijze, bevestigt (drukt concreet op een button ‘Bevestigen’) en krijgt een orderbevestiging. Vervolgens verschijnt de elektronische factuur (ze wordt meestal ook nog eens via e-mail bezorgd) die de klant dan onmiddellijk kan betalen (als hij hiervoor kiest) via het systeem van de verkoper/leverancier.
Ziekenhuisfacturen, facturen voor nutsvoorzieningen enz. kunnen bijvoorbeeld via het doccleplatform ontvangen (https://doccle.be/nl/wat/) en betaald worden. De patiënt of klant kiest voor dit systeem via zijn account op doccle. Hij ontvangt dan vanuit het systeem een e-mail met de melding dat er een nieuwe elektronische factuur ter beschikking is op de portaalsite. Het elektronisch proces kan ook via de smartphone verlopen.
Hoewel de factuur een veelvuldig gebruikt document is, worden de vormvereisten en het gebruik ervan door het ondernemingsrecht niet of nauwelijks geregeld.
De factuur wordt daarentegen wel gereglementeerd in de btw-wetgeving. De btw-wetgeving geeft ook aan welke vermeldingen er op een factuur moeten voorkomen.
De basisregel is dat btw-plichtigen (bijgevolg de ondernemingen) een factuur uitreiken voor de door hen verrichte leveringen van goederen en voor de door hen verstrekte diensten. Die verplichting geldt vooral in de onderlinge verrichtingen tussen belastingplichtigen. Het is dan ook niet altijd verplicht om facturen uit te reiken aan de klanten-verbruikers, dat wil zeggen personen die de goederen en diensten bestemmen voor hun privégebruik. Als de klant-verbruiker of de consument om een factuur vraagt moet er wel een factuur worden opgesteld.
Wanneer ondernemingen, in het kader van een overheidsopdracht, goederen en diensten leveren (we noemen dit B2G of Business to Government), dan zijn ze in Vlaanderen, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en op federaal niveau, verplicht om e-facturen te sturen.
Sedert 1 januari 2026 is e-facturatie verplicht voor alle transacties tussen belastingplichtige ondernemingen (dus B2B of Business to Business). Hier gaat het over een volledig geautomatiseerd digitaal proces in een bepaald bestandstype en via het Europees netwerk Peppol.
Zoek eens uit wat de redenen kunnen zijn om e-facturering te gebruiken.
In België worden er per jaar gemiddeld 1 miljard facturen uitgeschreven. Hoeveel miljard efficiëntiewinst zouden de ondernemingen per jaar samen kunnen genereren door e-facturatie?
De officiële website voor e-facturatie van België kan je daarbij helpen. https://efactuur.belgium.be/ nl/article/wat-zijn-de-voordelen-van-e-facturatie.
2.2.2
Een factuur moet een aantal verplichte vermeldingen bevatten. Het gaat onder andere om: het woord ‘factuur’; de factuurdatum; een volgnummer. Iedere factuur moet een uniek identificatienummer krijgen; de identiteit van de leverancier of dienstverrichter. Zijn naam, rechtsvorm, adres en btw-identificatienummer moet worden opgenomen; de identiteit van de afnemer. Daarbij moet de naam, het adres en het btw-identificatienummer worden aangegeven; de datum van het belastbaar feit: het gaat om de datum waarop de levering of de dienst heeft plaatsgevonden of de datum van ontvangst van (een deel van) de prijs; de aard van de uitgevoerde handeling; de maatstaf van heffing: per tarief het bedrag exclusief btw; de btw-tarieven; de verschuldigde btw: het bedrag van de verschuldigde btw in euro; het totaalbedrag.
Soms komen nog bijkomende vermeldingen ter sprake. Dat kan bv. het geval zijn als men factureert aan een buitenlands bedrijf en de btw verschuldigd is door de medecontractant (men vermeldt dan ‘btw verlegd’). Als er eerder al een voorschotfactuur uitgereikt werd, dan moet dat eveneens vermeld worden op de factuur.
Op de factuur kunnen ook algemene voorwaarden (de kleine lettertjes op de voor- of achterzijde) worden opgenomen, maar dat is niet verplicht. Bij een discussie tussen de klant en de leverancier zal die laatste nagenoeg altijd teruggrijpen naar de algemene voorwaarden waarbij hij wellicht zal stellen dat die de contractuele afspraken tussen de partijen bevatten. In het hoofdstuk over marktrecht van dit boek wijzen we op een aantal clausules in algemene voorwaarden die niet geldig zijn.
Een voorbeeld van een factuur kun je hieronder vinden.
2.2.3 Bewijskracht van de factuur
2.2.3.1 De factuur kan als bijzonder bewijsmiddel worden gebruikt. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een door de onderneming aanvaarde factuur bewijs oplevert tegen deze onderneming.
Algemeen wordt aanvaard dat alle handelsverrichtingen waarbij het uitreiken van een factuur gebruikelijk of verplicht is, met een (aangenomen) factuur kunnen worden bewezen.
2.2.3.2 Het gebruik van de factuur als bewijs
A De klant gebruikt de factuur als bewijs tegen de leverancier-ondernemer Tegen de leverancier-onderneming bewijst de door hemzelf opgestelde factuur de daarin opgenomen overeenkomst (bijvoorbeeld en veelal een koop-verkoopovereenkomst) met de vermelde voorwaarden van prijs, kwaliteit en levering.
Deze regel geldt voor alle klanten: zowel de klant-onderneming als de klant-verbruiker kan de factuur tegen de leverancier inroepen.
B De leverancier-ondernemer wil de factuur als bewijs gebruiken tegen de klantondernemer
Tegen de klant bewijst de factuur de daarin vermelde overeenkomst, op voorwaarde dat de klant die factuur aanvaardde.
Die aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend (‘bij stilzitten’) gebeuren. Als aanvaarding wordt beschouwd: de (gedeeltelijke) betaling van de factuur (via overschrijving bijvoorbeeld); het laattijdig protest tegen de factuur; het inboeken van de factuur. Gaat de klant niet akkoord met de vermeldingen op de factuur (zoals bv. de te betalen bedragen), dan moet hij die weigeren en binnen een redelijke termijn protesteren. Een factuur die niet tijdig geprotesteerd werd, wordt vermoed te zijn aanvaard.
Ook rijst hier het probleem van de – meestal op de rugzijde en al dan niet in ‘kleine lettertjes’– op de factuur vermelde ‘Algemene voorwaarden’. In beginsel binden dergelijke algemene voorwaarden de klant-ondernemer: ze maken immers deel uit van de aangenomen factuur. Hierbij moet wel worden uitgegaan van de gedachte dat de leverancier te goeder trouw handelt en de wederpartij bijvoorbeeld niet plotseling overvalt met nieuwe of tegenstrijdige algemene voorwaarden.
VOORBEELD
Op de website van uitgeverij Van In kun je de algemene verkoopsvoorwaarden terugvinden: https://www.vanin.be/verkoopsvoorwaarden/.
Het Burgerlijk Wetboek bewijs geeft aan dat de uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding van een factuur door een persoon die geen onderneming is een feitelijk vermoeden uitmaakt. Het gebrek aan betwisting van een factuur door een persoon die geen onderneming is, kan dan, volgens deze nieuwe wet, niet worden beschouwd als een aanvaarding van de factuur, behalve als de afwezigheid van betwisting een omstandig stilzwijgen uitmaakt. De nieuwe wet bepaalt ook dat een overeenkomst die afwijkt van deze regels (bv. algemene voorwaarden van de ondernemer die van deze principes afwijken) nietig is.
VOORBEELD
Er kan sprake zijn van omstandig stilzwijgen wanneer de klant niet reageert op meerdere aanmaningen. Dat kan worden gezien als een feitelijk vermoeden van stilzwijgende aanvaarding van de factuur.
C Hoe een factuur protesteren?
Een factuur kan best geprotesteerd worden door een aangetekend schrijven te sturen naar de leverancier.
In dat schrijven neem je de precieze redenen op waarom je de factuur niet aanvaardt.
Het protest moet binnen een ‘redelijke termijn’ gebeuren. In de praktijk betekent dat binnen een korte termijn, van een week à 10 dagen. Hierbij is het ook belangrijk na te kijken welke termijn er opgenomen is in de algemene verkoopsvoorwaarden. Indien de verkoopsvoorwaarden op de factuur niet vooraf gecommuniceerd werden en de koper die dus eigenlijk niet kent, dan is het aangewezen deze ook te protesteren in de brief.
Het is dus zeker niet voldoende om de niet-correcte factuur gewoon terug te sturen naar de leverancier.
Het is ook aangewezen een factuur die bij de verkeerde geadresseerde terechtgekomen is te protesteren. Een voorbeeld van een protestbrief kun je terugvinden bij het onlinemateriaal. Hoofdstuk 3 Het bewijs
1 Zoek een voorbeeld van een factuur en controleer of alle vereiste elementen aanwezig zijn.
2 Op de factuur hieronder staat onderaan de formulering ‘betaling 30 dagen einde maand’.
– Wat is in dit geval de uiterste datum waarop de klant moet betalen?
– Is hierover verwarring mogelijk?
– Hoe zou jij het formuleren of aanpakken om geen discussie mogelijk te maken?
– Zoek nieuwe voorbeelden van facturen en vergelijk de betalingstermijnen en de formulering.
– Veronderstel dat jij een eigen zaak hebt, waarom zijn betalingstermijnen dan zo belangrijk?
Ga ook eens kijken wat de wet zegt in het hoofdstuk over de betalingsachterstand en termijnen.
3 Ga eens na in de Algemene en Bijzondere Factuurvoorwaarden van Farys de waterleveringsmaatschappij:
– welke Ondernemingsrechtbank bevoegd is als de klant een geschil wil aankaarten bij de rechtbank.
– welke de voorwaarden zijn waaronder de factuur geprotesteerd kan worden.
Casussen
1 Marcel laat zijn wagen herstellen bij garage De Voldere. Enkele dagen later ontvangt hij een factuur van 900 EUR. Marcel vindt dat bedrag schromelijk overdreven en weigert te betalen. Je wordt opgebeld door de heer De Voldere. Om Marcel te dwingen ttot betalen roept hij in dat Marcel de factuur nooit protesteerde. Wat denk je van dit argument? Zou je antwoord anders zijn mocht de herstelling gedaan zijn aan een bestelwagen die Marcel als ondernemer gebruikt?
2 Oscar wil zijn tuin afschermen en heeft van Tuinen Joris in zijn mailbox een offerte ontvangen voor een houtenschutting. Oscar kan akkoord gaan met onder meer het bedrag (5 400 EUR) van de offerte en hij print de offerte, plaatst er zijn handtekening op en mailt een scan van het getekende document terug naar Tuinen Joris. Enige tijd nadien ontstaat er een betwisting over de vermeldingen op de offerte wanneer de factuur na uitvoering van de werken veel hoger blijkt te zijn dan de offerte.
– Oscar laat het daar niet bij en wil een procedure aanspannen, welke rechtbank is bevoegd? – Hoe zit het met de bewijskracht van de digitale offerte met de handtekening van Oscar?
– Hoe had Oscar het ondertekenen van de offerte nog kunnen aanpakken?
3 Peter laat een nieuw badkamermeubel plaatsen door nv Pieters. Hij betaalt 2 560 EUR aan diegene die het meubel komt plaatsen. Die belooft dat hij enkele dagen later een factuur zal opsturen. Het is nu twee maanden later en Peter heeft nog altijd geen factuur ontvangen. Kan hij eisen dat nv Pieters hem alsnog een factuur geeft?
4 Geef aan waar hoger beroep moet worden aangetekend tegen de volgende vonnissen/beschikkingen: – een uitspraak van de ondernemingsrechtbank over een discussie inzake een factuur; – een uitspraak van de arbeidsrechtbank rond een verbrekingsvergoeding die een werknemer vraagt; – een uitspraak van de vrederechter inzake de huur van een woning; – een uitspraak van de vrederechter inzake een discussie rond handelshuur.
5 Electrozaak Perfecto bv verzond op 20 april 2026 de factuur (een pdf) voor reparatie van een wasautomaat naar het mailadres van haar klant Pol.
Een maand later, op 20 mei 2026, krijgt Pol telefoon van Perfecto met de vraag de factuur van 220 euro dringend te betalen. Pol, die normaal altijd correct zijn betalingen opvolgt, schrikt hiervan. Hij gaat op zoek naar de mail, met de factuur, maar die is niet te vinden.
Pol vraagt daarop aan Perfecto om hem alsnog de factuur per post over te maken. Moet Perfecto op deze vraag ingaan?
Wat kan hier fout gelopen zijn? Hoe kon Perfecto dit voorkomen? Wie moet bewijs leveren?
Kan Pol nog protest aantekenen als hij dan ook nog eens merkt dat de factuur een hoog bedrag reprobel bevat dat Pol betwist?

Leveringsadres
J&Y fietsfitters Fietsstraat 57 8500 Kortrijk
Uw referentie Mail van 2025-06-17
Pagina: 1/2
Factuur
FactuurnummerKlantnummerFactuurdatum 920147306512137502025-06-18
Facturatieadres
J&Y fietsfitters Fietsstraat 57 8500 Kortrijk Belgium
GE/25/2025 2025-06-17
Uw bestelnummer: Uw besteldatum: Uw BTW nummer: BE0535878874
Ons ordernummer: 70079387
Betalingsvoorwaarden:Betaling 30 dagen einde maand
Betaaldatum: 2025-07-30
Vermeld bij betaling: 9201473065
Art.codeISBN Omschrijving HoeveelheidPrijs excl. BTWKorting BTWNetto excl. BTW
605359978-94-647-0431-0Praktisch economisch recht basisbeg.'24
Adres Uitgeverij VAN IN n.v. Nijverheidsstraat 92/5 BE 2160 Wommelgem
Pagina: 2/2
Factuurnummer Klantnummer Factuurdatum 9201473065 1213750 2025-06-18 Art.code ISBN Omschrijving
BTW samenvatting
Alle bedragen zijn in euro
Adres Uitgeverij VAN IN n.v. Nijverheidsstraat 92/5 BE 2160 Wommelgem
Voor het toepassingsgebied en de regels met betrekking tot de vrijheid van ondernemen en de algemene verplichtingen van de onderneming moeten we terugvallen op het Wetboek van Economisch Recht (afgekort WER).
1 We vinden de definitie die aangeeft wie wel en wie geen onderneming is terug in het Wetboek van Economisch Recht. Dit ondernemingsbegrip is van toepassing in de volledige economische wetgeving, voor zover er in een bepaald boek van het WER geen andere definitie is opgenomen.
Het uitoefenen van een economische activiteit is in het nieuwe ondernemingsbegrip doorslaggevend om te bepalen wie een ‘onderneming’ is.
De definitie is als volgt:
Een onderneming is elk van volgende organisaties: iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent; iedere rechtspersoon; iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.
Zijn dan geen ondernemingen:
iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen winstuitkering als doel heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie; iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of diensten aanbiedt op een markt; de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse Agglomeratie, de gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
VOORBEELD
Vallen dus ook onder het nieuwe ruime ondernemingsbegrip: – maatschappen (vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid); – vzw’s; – vrije beroepers zoals geneesheren en advocaten; – landbouwers. Hoofdstuk 1 Vrijheid van ondernemen en algemene verplichtingen van de onderneming
De economische bedrijvigheden van de overheid vallen in principe niet onder het ondernemingsbegrip. De politieke taak van de overheid en de overheidsinstellingen bestaat immers uit het behartigen van het algemeen welzijn, wat een economische activiteit uitsluit. Nochtans worden de verrichtingen van bepaalde overheidsbedrijven wel als economische activiteit beschouwd en dat op grond van de bijzondere wetten waarbij hun organisatie en de werking wordt geregeld.
De NMBS en bpost worden wel als onderneming beschouwd omdat zij als overheidsbedrijven een economische activiteit uitoefen. Zij bieden uiteraard goederen en diensten aan op een markt. Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) is een publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen en diensten aanbiedt op de markt. Zijn opdracht is te waken over de veiligheid in de voedselketen en de kwaliteit van ons voedsel, ter bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant. Het agentschap wordt dus niet als onderneming beschouwd.
2 Het vaststellen dat er sprake is van een onderneming, heeft belangrijke gevolgen. Zo kunnen ondernemingen bijvoorbeeld failliet verklaard worden of in aanmerking komen voor de maatregelen waarin wordt voorzien door het insolventierecht. De onderneming is bovendien beschermd tegen oneerlijke praktijken van derden, bv. door de merknaam te deponeren.
De bewijsmiddelen tegen ondernemingen zijn ook ruimer (zie het bewijs in ondernemingszaken). De geschillen worden behandeld voor een gespecialiseerde rechtbank, met name de ondernemingsrechtbank.
Er wordt ter bescherming van derden een vermoeden gehanteerd dat elke verbintenis van de onderneming een ondernemingsactiviteit is en dit tot het tegendeel bewezen is.
Geef drie concrete voorbeelden van organisaties die onder de definitie van ‘onderneming’ vallen en verklaar.
De wet bepaalt wat een beoefenaar van een vrij beroep is. Er bestaat geen officiële opsomming van alle vrije beroepen. Men gaat wel uit van een aantal gezamenlijke kenmerken zoals het bestaan van een deontologische code en een wettelijke regeling voor toegang tot het beroep. Daarbij gaat het onder meer om diplomavereisten en het volgen van verplichte vorming.
Zo zijn er bijvoorbeeld specifieke reglementeringen die bijzondere voorwaarden vastleggen voor de uitoefening van het beroep voor erkende accountants, fiscaal accountants, gecertificeerde accountants, gecertificeerde belastingsadviseurs, gecertificeerde fiscaal accountants, vastgoedmakelaars, landmetersexperten, psychologen, advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders, bedrijfsrevisoren, wisselagenten en vermogensbeheerders, architecten, medische en paramedische beroepen (geneesheren, kinesitherapeuten, tandartsen, verpleegkundigen) en verzekeringstussenpersonen. Voor al die beroepen werden ook specifieke beroepsfederaties opgericht. Er is ook een overkoepelende federatie vrije beroepen: www.federatievrijeberoepen.be.
Zoek voor de erkende accountants, de advocaten, de kinesitherapeuten en de vastgoedmakelaars de specifieke beroepsfederatie op het internet.
Hoofdstuk 1 Vrijheid van ondernemen en algemene verplichtingen van de onderneming
Door de invoering van de nieuwe definitie van het ondernemingsbegrip vallen ‘vrije beroepen’ als natuurlijke personen die op zelfstandige basis een economische activiteit uitoefenen ook onder het nieuwe begrip onderneming.
1 Zoek eens op hoe het aantal vrije beroepsbeoefenaars zich verhoudt tegenover het totaal aantal zelfstandige ondernemers in België.
https://www.federatievrijeberoepen.be/nieuws/vrije-beroepers-met-voorsprong-de-grootstegroep-zelfstandigen
2 Zelfstandige ondernemers en starters vormen een zeer belangrijke motor voor de economie.
– Zoek eens uit welke sectoren de sterkste evolutie kenden.
– Hoe verloopt de evolutie van het aantal vrouwelijke zelfstandige ondernemers?
– Hoeveel starters waren er in 2023 in de verschillende gewesten?
https://economie.fgov.be/nl/themas/ondernemingen/kmos-en-zelfstandigen-cijfers/ zelfstandigen-belgie/het-profiel-van-zelfstandigen
3.1 De toegang tot ondernemingsactiviteiten
3.1.1 De vrijheid van ondernemen
Elke burger is vrij om een economische activiteit naar keuze uit te oefenen. Het merendeel van het regelgevend kader waarbinnen deze economische activiteit kan uitgeoefend worden vinden we terug in Boek III van het Wetboek Economisch Recht, dat de vrijheid van vestiging, dienstverlening en algemene verplichtingen van de ondernemingen behandelt.
In de huidige tijd is het van belang te beklemtonen dat de vrijheid van ondernemen en van vrije – en eerlijke – mededinging een van de hoekstenen vormt van het economisch recht van de Europese Unie.
3.1.2.1 Handelingsbekwaamheid
Om ondernemingsactiviteiten te kunnen doen en om commerciële verbintenissen te kunnen aangaan, moet men juridisch bekwaam zijn. Dat houdt in dat men niet alleen rechtsbekwaam moet zijn (wat in een moderne rechtstaat in beginsel eenieder is), maar tevens handelingsbekwaam. Men moet dus bekwaam zijn om zijn rechten en plichten zelf en zelfstandig uit te oefenen.
Elke meerderjarige burger (vanaf de volle leeftijd van 18 jaar) is in principe volledig handelingsbekwaam. Op die regel bestaan wel een aantal uitzonderingen, onder andere voor wat betreft mensen met een geestesstoornis.
3.1.2.2 Onverenigbaarheden
Een aantal burgers mag geen ondernemingsactiviteiten uitvoeren. Het betreft personen die in de samenleving bepaalde ambten bekleden, functies of beroepen uitoefenen in het algemeen belang. Het goed vervullen van die functies is onverenigbaar met activiteiten met een economisch doel en winstbejag. Er kan immers sprake zijn van belangenvermenging.
Zo’n onverenigbaarheid treft alle personen die een rol spelen bij de rechtsbedeling, zoals de magistraten, advocaten, gerechtsdeurwaarders en notarissen en verder de personen in overheidsdienst.
VOORBEELD –
Voor de operationele politiediensten gelden absolute beroepsonverenigbaarheden. Zo mogen zij als onderwijzend personeel bij een erkende rijschool geen praktisch onderricht geven op de openbare weg.
– Magistraten kunnen geen deel uitmaken van een gemeenteraad.
– Leden van de raad van bestuur of gemeenschapsafgevaardigden van de Vlaamse regering bij een overheidsinstelling, die ook ondernemer zijn, mogen geen ondernemingsactiviteiten uitvoeren met deze instelling. Bv. een lid van de raad van bestuur van de VRT mag geen goederen of diensten leveren aan de VRT.
– Het beroep notaris is onverenigbaar met dat van ontvanger van de directe of indirecte belastingen of commissaris van politie.
3.1.2.3 Beroepsverboden
Bij wijze van (bijkomende) sanctie, kan aan bepaalde personen door de rechter het verbod worden opgelegd om (verder) ondernemingsactiviteiten of bestuursfuncties uit te oefenen in sommige vennootschappen. Dit verbod kan zowel door de strafrechter als door de ondernemingsrechtbank, m.n. in het kader van een faillissement opgelegd worden. Door de wet van 4 mei 2023 werd een centraal register van bestuursverboden ingericht.
Een bestuursverbod opzoeken in het Centraal register kan via https://justban.just.fgov.be
De toegang is publiek en je kunt zoeken op naam en geboortedatum maar ook op ondernemingsnummer.
Het gaat hier om verplichtingen die van toepassing zijn op ondernemingen in België. Als er afwijkingen zijn aan de algemene regelgeving voor ondernemingen in het Brussels Gewest dan vermelden we die.
3.2.1 Inschrijven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO)
Een onderneming moet zich voor aanvang van haar activiteiten inschrijven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen (KBO). Dit is een centraal (elektronisch) register voor het hele land met informatie over:
Elke natuurlijke persoon die in België een onderneming is. Het gaat dus om iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent.
Elke rechtspersoon naar Belgisch recht.
Elke rechtspersoon naar buitenlands of internationaal recht die in België over een zetel, een vestigingseenheid of een bijkantoor beschikt.
Elke andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die verplicht is zich in te schrijven in de KBO.
Elke vestigingseenheid van voorgaande ondernemingen, waar activiteiten worden uitgevoerd op een adres in België.
Bij inschrijving (de wet spreekt over geregistreerde entiteiten) van een onderneming (of een vestigingseenheid van een onderneming) krijgt deze een uniek identificatienummer, het ondernemingsnummer of vestigingsnummer. De nummers zijn niet overdraagbaar tussen ondernemingen.
Hoofdstuk 1 Vrijheid van ondernemen en algemene verplichtingen van de onderneming
Sedert 19 september 2023 zijn de eerste ondernemingsnummers toegekend die beginnen met het cijfer 1. De bestaande ondernemingen die nog een nummer hebben dat begint met het cijfer 0, behouden dit ook.
De KBO is gestoeld op het ‘only once’-principe, of ook ‘de unieke inzameling van gegevens’ voor de bedrijven. De ondernemingen moeten niet langer dezelfde formaliteiten bij verschillende administraties vervullen. De KBO staat in voor de informatie-uitwisseling tussen de verschillende administraties. De KBO is ook verbonden met het Europees systeem van handels- en vennootschapsregisters (BRIS).
Bij inschrijving in de KBO zijn de volgende gegevens verplicht te vermelden: de naam of de firmanaam; de nauwkeurige aanduiding van de adressen, van de maatschappelijke zetel en van de verschillende vestigingseenheden in België; de rechtsvorm; de rechtstoestand (minnelijk akkoord, ontbinding, stopzetting …); de oprichtings- en de stopzettingsdatum van de geregistreerde entiteit of de vestigingseenheid; de identificatiegegevens van de oprichter, mandatarissen en lasthebbers van de geregistreerde entiteit; de economische activiteiten die de geregistreerde entiteit uitoefent (alle economische activiteiten zijn omschreven in de NACEBEL-lijst; elke activiteit heeft een code, die bestaat uit een nummer en een omschrijving); andere basisidentificatiegegevens die verstrekt moeten worden op het ogenblik van de oprichting van de rechtspersoon; de aanduiding van de toelatingen, erkenningen en de vergunningen waarover de geregistreerde entiteit beschikt; in voorkomend geval, de verwijzing naar de website van de de geregistreerde entiteit, haar telefoonnummer en haar e-mailadres; de gegevens betreffende de betaalrekeningen (bv. zichtrekeningen) van de geregistreerde entiteit.
Die gegevens zijn een bron van – ook statistische – informatie voor de overheid en voor andere belanghebbenden, zoals schuldeisers, leveranciers en concurrenten.
De toepassing KBO Public Search geeft de mogelijkheid om de NACEBEL-codes en andere bedrijfsgegevens van de eigen zaak maar ook van andere ondernemingen te controleren. Op de ondernemingspagina is er nu ook een externe link naar ‘de checkinhoudingsplicht’ en ‘het register van bestuurdersverboden’ en de databank van statuten (notariële akten).
De verplichting tot registratie is (ook) een middel om sluikhandel te bestrijden of te bestraffen.
Noteer via de website van Statbel (het Belgisch Statistiekbureau) de NACEBEL-code van ‘het ambachtelijk vervaardigen van brood en van verse banketbakkersproducten’.
De ondernemingen moeten hun ondernemingsnummer gebruiken in betrekkingen met andere ondernemingen alsook in betrekkingen met administratieve en gerechtelijke overheden. Bovendien moeten alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders en andere stukken uitgaande van inschrijvingsplichtige ondernemingen altijd het ondernemingsnummer vermelden. Dat geldt ook voor de door de onderneming gebruikte gebouwen, marktkramen, bepaalde vervoermiddelen en hun website en Facebookpagina.
Bovenvermelde documenten moeten eveneens de domiciliëring en het nummer van ten minste één betaalrekening, waarvan de inschrijvingsplichtige onderneming houdster is bij een kredietinstelling gevestigd in de Europese Economische Ruimte, vermelden.
Met het ondernemingsnummer kun je via ‘Check inhoudingsplicht’ van de FOD Financiën checken of een onderneming nog fiscale of sociale schulden heeft. Dit is handig wanneer je met deze onderneming zaken wenst te doen. Bedrijven zijn trouwens soms verplicht deze controle te doen vooraleer ze de factuur van bepaalde andere bedrijven (bv. in de aannemingssector of schoonmaaksector) betalen. Als er sociale of fiscale schulden zijn kan er namelijk een inhoudingsplicht bestaan. https://www. checkinhoudingsplicht.be/
Zoek via de KBO Public Search het ondernemingsnummer op van een onderneming uit jouw buurt. En check nadien of er fiscale of sociale schulden zijn.
Voor de inschrijving bij de KBO moeten de inschrijvingsplichtige ondernemingen zich tot een ondernemingsloket wenden. Dit zijn vzw’s. Het ondernemingsloket vervult de volgende taken: inschrijven van de inschrijvingsplichtige ondernemingen bij de KBO; schrappen of wijzigen van hun gegevens; nagaan of aan alle voorwaarden en vergunningen die nodig zijn om een bepaalde activiteit of een bepaald beroep uit te oefenen, voldaan is; de toegang tot de gegevens over de ondernemingen verzorgen; het inschrijvingsrecht en de andere kosten innen;
De ondernemingsloketten kunnen voor de ondernemer alle administratieve formaliteiten vervullen (inschrijving bij de btw, RSZ …).
Ondernemingen kunnen sommige gegevens ook zelf wijzigen.
Er zijn acht erkende ondernemingsloketten in België:
1 Acerta ondernemingsloket vzw;
2 Xerius ondernemingsloket vzw;
3 Eunomia vzw;
4 Group S ondernemingsloket vzw;
5 Securex ondernemingsloket – GO-START vzw;
6 Partena ondernemingsloket vzw;
7 Liantis ondernemingsloket vzw;
8 U.C.M. ondernemingsloket vzw.
Een adressenlijst van de erkende ondernemingsloketten (met ook het e-mailadres en de link naar de pagina voor het indienen van een online aanvraag) is terug te vinden bij het onlinemateriaal.
We vermelden hier nog even de verschillende extra stappen die een rechtspersoon moet ondernemen:
1 Vennootschappen en verenigingen zijn verplicht om het Centraal register bestuursverboden te raadplegen bij oprichting. Zij moeten ook een verklaring neerleggen bij de griffie van de ondernemingsrechtbank, waarbij ze verklaren dat er tegen de personen die ze als bestuurders aanduiden geen veroordeling werd uitgesproken door een rechtscollege van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte. Bij het onlinemateriaal is het standaardformulier dat de ondernemingsrechtbanken hiervoor ter beschikking stellen terug te vinden.
Hoofdstuk 1 Vrijheid van ondernemen en algemene verplichtingen van de onderneming
2 Statuten en oprichtingsakte opmaken, al dan niet met behulp van een notaris, en neerleggen bij de griffie van de ondernemingsrechtbank. Een uittreksel uit de oprichtingsakte moet gepubliceerd worden in het Belgisch Staatsblad.
3 De griffie geeft die gegevens door aan de KBO, die een ondernemingsnummer toekent.
4 Met dat ondernemingsnummer (ontvangen via de griffie van de ondernemingsrechtbank) richt de rechtspersoon zich tot het ondernemingsloket.
5 Het ondernemingsloket gaat nu na of wel degelijk aan alle vestigingsvoorwaarden voldaan is. Als dat het geval is, dan zal zij de onderneming inschrijven als geregistreerde onderneming, vestigingsnummer(s) toekennen en nota nemen van de activiteiten die de onderneming zal uitoefenen.
Het voorgaande beschreven proces van oprichting van vennootschappen en verenigingen wordt meer en meer online mogelijk:
1 In het kader van de digitalisering heeft de Federatie van Notarissen het platform Manage My Business opgericht. Via Manage My Business kan een vennootschap (BV, NV of een CV) opgericht worden met de virtuele begeleiding van een notaris. Ook de oprichtingsakte kan van op afstand opgemaakt worden. Ook de statutenwijzigingen en de stopzetting van de vennootschap kan online gebeuren.
Je kunt hier bijvoorbeeld vlot digitaal de gegevens die de notaris nodig heeft om de statuten en oprichtingsakte op te maken op voorhand doorgeven.
Zoek op welke gegevens je moet invullen om een oprichtingsakte en statuten te laten maken voor een bv? Onthoud deze elementen alvast voor wanneer het hoofdstuk vennootschappen wordt besproken.
Deze link kan je helpen: https://manage-my-business.be/standaardmodel-besloten-vennootschap-bv/?lang=nl
2 Voor de oprichting van een vennootschap (VOF, Comm.V) of vereniging (VZW) waarvoor geen notariële akte nodig is, kan het volledige oprichtingsdossier online ingediend worden op de website van de Federale Overheidsdienst Justitie via de toepassing Just on Web (https://justonweb. be/companies). Fysieke verplaatsingen naar de Ondernemingsrechtbank zijn hier niet meer nodig.
3.2.2 Openen van een zakelijke betaalrekening
Ondernemers moeten houder zijn van een betaalrekening bij een kredietinstelling gevestigd in de Europese Economische Ruimte (EER).
Een betaalrekening (meestal een zichtrekening) is een basisbankdienst, die dient voor het beheer van geld via storting/afhaling en overschrijvingen (zie het deel Marktrecht, Betaalrekeningen en betalingsdiensten).
Tegenwoordig is het vanzelfsprekend dat de burgers en de ondernemingen over één of meer financiële rekeningen beschikken.
Geef twee redenen waarom in België en bij uitbreiding in Europa ondernemingen verplicht zijn om een betaalrekening te hebben.
3.2.3 Bekendmaken van de huwelijksovereenkomst
Ook ondernemingen staan met hun gehele vermogen in voor de betaling van hun schulden. De schuldeisers moeten precies weten op welke goederen uit dat vermogen zij bij wanprestatie van hun schuldenaar beslag kunnen leggen. Bij gehuwde ondernemers speelt het huwelijksvermogensrecht daarbij een grote rol.
De notaris doet een inschrijving (een registratie) van een huwelijksovereenkomst of een wijziging daarvan in het Centraal Register van Samenlevings- en Huwelijksovereenkomsten (enkel wettelijk samenwonende) (CRH; https://www.notaris.be/mybox).
Het is niet mogelijk om te zien onder welke huwelijksovereenkomst andere mensen gehuwd zijn.
Zo kan een onderneming die een vordering heeft op een klant in het register bv. niet nakijken onder welke huwelijksovereenkomst die gehuwd is.
Het Wetboek Economisch Recht bepaalt welke ondernemingen boekhoudplichtig zijn. Elke boekhoudplichtige onderneming moet een boekhouding voeren die aangepast is aan de aard en de omvang van het bedrijf.
Iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent, iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de vennootschappen onder firma en de gewone commanditaire vennootschap met een omzet exclusief btw lager dan 500 000 EUR mogen een vereenvoudigde boekhouding (bestaande uit een financieel dagboek, een inkoopboek en een verkoopboek) voeren en moeten geen rekeningstelsel hanteren. Zij moeten wel jaarlijks een inventaris maken van alle bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen.
Daarnaast moeten ze wel een interne jaarrekening opmaken volgens een bij KB vastgelegd microschema. Ze zijn niet verplicht om de jaarrekening openbaar te maken.
Ook de verenigingen en stichtingen hoeven geen dubbele boekhouding te voeren.
Een vereenvoudigde boekhouding is uitgesloten voor bepaalde sectoren zoals verzekeringen, kredietverrichtingen en beleggingen en beursverrichtingen
De andere boekhoudplichtige ondernemingen moeten een dubbele boekhouding voeren en daarbij gebruikmaken van een minimaal wettelijk algemeen rekeningstelsel (MAR). Zij moeten ook jaarlijks een inventaris en een interne jaarrekening opmaken. De kleine vennootschappen mogen voor die jaarrekening een verkort schema gebruiken. Zowel de kleine als de grote vennootschappen die de rechtsvorm van een nv, een bv of een cv hebben aangenomen, zijn verplicht die jaarrekening ook openbaar te maken (neerlegging bij de NBB).
3.2.5 Voldoen aan de vestigingswet
3.2.5.1 De vestigingswet en de bevoegdheden van de gewesten
Door de zesde staatshervorming werden de gewesten (Vlaamse, Brusselse en Waalse Gewest) bevoegd voor de regelgeving met betrekking tot de vestigingswetgeving. Hierbij is de ligging van het domicilieadres (eenmanszaken) of het adres van de maatschappelijke zetel bepalend om te weten onder welke gewestelijke reglementering de ondernemer valt. De Belgische regelgeving (vestigingswet) was overigens in strijd met de Europese Richtlijn die stelt dat elke Europeaan op een gelijke basis een
onderneming moet kunnen starten in elke lidstaat. Als een ondernemer zijn beroep wettelijk kan uitoefenen in ‘zijn land’ dan moet hij dat op dezelfde basis kunnen uitoefenen in een andere lidstaat. De regels waren dus strenger voor Belgische onderdanen dan voor EU-onderdanen.
3.2.5.2 De afschaffing van de vestigingswet voor gereglementeerde beroepen in Vlaanderen
De vestigingswet werd afgeschaft in Vlaanderen. Wie in Vlaanderen een zelfstandige activiteit als ondernemer in hoofd- of bijberoep wil uitoefenen moet sinds 1 september 2018 geen bewijs van basiskennis bedrijfsbeheer meer leveren. In Vlaanderen heb je sinds 1 januari 2019 ook geen attest van beroepsbekwaamheid meer nodig om een zaak te kunnen oprichten.
Het is nu aan de federaties van de sectoren om de kwaliteit van de uitoefening van het beroep te garanderen. Dit kan via opleidingen, kwaliteitslabels en externe controles.
Voor de dakwerken, ruwbouwactiviteiten moest men bewijs voorleggen van specifieke beroepskennis. Het is evident dat het kennen en kunnen toepassen van de gangbare normen bij die activiteit noodzakelijk is om de veiligheid van de bouwwerken te kunnen garanderen. Het is dus nu in Vlaanderen aan de bouwfederatie om dit via opleidingen, kwaliteitslabels en controles te bewaken.
Daarnaast wordt een aantal kwaliteitsgaranties vastgelegd in de milieuwetgeving, de wetgeving inzake voedselveiligheid en gezondheid en veiligheid.
Belangrijk is om op te merken dat in het Waalse en het Brusselse Gewest de vestigingswet niet volledig is afgeschaft. Dus iemand (ook komend uit Vlaanderen) die zich in Brussel of Wallonië wil vestigen moet nog wel voldoen aan de nog geldende regels van de vestigingswet in deze gewesten.
VOORBEELD
Het domicilieadres of de maatschappelijke zetel van je vennootschap is in Antwerpen, en je werkt als bouwbedrijf ook in Brussel. In dat geval is er geen vestigingswet op jouw onderneming van toepassing.
3.2.5.3 De vestigingswet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Wallonië
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en in Wallonië is de vestigingswet gedeeltelijk afgeschaft
Een bewijs van basiskennis bedrijfsbeheer is er ook niet meer nodig. Voor vijf beroepen werd de verplichting om beroepsbekwaamheid aan te tonen afgeschaft. Het gaat over de volgende beroepen: slager-groothandelaar, textielreiniger-verver, pedicurespecialist, massagespecialist en tandtechnicus.
Voor de gereglementeerde beroepen binnen de sectoren voeding, bouw, voertuigen, personenzorg en overige gespecialiseerde beroepen zoals installateurs-frigoristen blijft de verplichting om het bewijs van beroepsbekwaamheid te leveren bestaan.
Zo heeft Wallonië zijn reglementering sedert 1 oktober 2025 afgestemd op die van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
3.2.5.4 Vergunningen en toelatingen aanvragen en specifieke regels
Soms heb je een of meerdere vergunningen of toelatingen nodig om een bepaald type activiteit op te starten. De grote groepen zijn: de omgevingsvergunningen (stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning); vergunningen inzake voedselveiligheid; de groep van de socio-economische machtiging (afhankelijk van de handelsoppervlakte van je vestiging); de leurkaart voor ambulante handel met name huis-aan-huisverkoop; de specifieke activiteiten. Dit zijn specifieke richtlijnen en vergunningen voor bepaalde activiteiten, bv. voor personenvervoer.
VOORBEELD
Ook als je als onderneming voor het goede doel producten verkoopt, heb je een vergunning nodig. Dat is een vergunning voor niet-commerciële verkoop.
Een tankstation dat broodjes verkoopt, heeft hiervoor een vergunning nodig van de eetwareninspectie van het FAVV.
Om een stuk grond in te richten als parkeerplaats voor voertuigen of lichtreclames te plaatsen, heb je een stedenbouwkundige omgevingsvergunning nodig.
Zoek eens uit welke vergunningen je nodig hebt als je met een Foodtruck zou starten.
Voor de uitoefening van de vrije en intellectuele beroepen en voor banken en kredietinstellingen blijven specifieke regels van toepassing met betrekking tot het recht op vestiging.
Zo wordt de toegang tot en de uitoefening van de vrije en intellectuele beroepen gereglementeerd en door de ordes en instituten bewaakt (bv. de Orde van Geneesheren, de Orde van Advocaten en het Instituut der Bedrijfsrevisoren).
Ter bescherming van het spaarderspubliek moeten banken en kredietinstellingen die hun werkzaamheden in België willen uitoefenen, een vergunning krijgen van de Autoriteit voor Financiële diensten en Markten (FSMA). De FSMA houdt, naast de Nationale Bank van België (NBB) toezicht op de Belgische financiële sector.
Op de website van de NBB worden onder de rubriek ‘financieel toezicht’, de kredietinstellingen weergegeven met een vergunning in België. https://www.nbb.be/nl/financieel-toezicht/prudentieel-toezicht/toezichtsdomeinen/bewaring/lijsten
Zoek een voorbeeld van een wijzing met betrekking tot een kredietinstelling naar Belgisch recht in de laatste twaalf maanden. Kun je de wijzigingen verklaren? Welke spaarbanken hebben in België een vergunning gekregen?
Buitenlanders die geen burger zijn van de Europese Economische Ruimte en Zwitserland en die in België een zelfstandige activiteit willen uitoefenen, moeten een bedrijfsvergunning en een beroepskaart aanvragen bij het gewest (Waalse, Brussels Hoofdstedelijk en Vlaamse) waar ze zich wensen te vestigen. Hierop zijn bij KB vastgelegde uitzonderingen mogelijk.
VOORBEELD
Oekraïense vluchtelingen genieten tijdelijke bescherming (momenteel tot 4 maart 2027) en ontvangen een verblijfskaart van beperkte duur en zij zijn sedert 20 augustus 2022 vrijgesteld van de beroepskaart.
De gewesten hebben zelf bevoegdheid de wetgeving aan te passen.
Vlaanderen heeft inmiddels door middel van een decreet eigen Vlaamse regels ingevoerd.
Het is de bedoeling om via de beroepskaart ondernemingen aan te trekken die een innovatieve, economische, sportieve, artistieke- of culturele meerwaarde hebben voor Vlaanderen.
De nieuwe beoordelingsvoorwaarden zoals onder meer: zichzelf een minimumloon kunnen uitkeren, opleiding aantonen, jobcreatie in Vlaanderen, levensvatbaarheid van de onderneming, openbare veiligheid, enz. zorgen voor een vernieuwend en duidelijk wettelijk kader. De beroepskaarten zijn voor Vlaanderen voor 3 jaar geldig en kunnen worden verlengd.
De categorieën waarop het decreet zich richt zijn:
Start-ups en scale-ups met een innovatief karakter, bv. nieuwe technologie toegepast in bestaande producten;
Klassieke ondernemingen zoals een pitazaak of een restaurant met als voorwaarden: een startkapitaal van 18600 euro en de ondernemer moet een diploma van secundair onderwijs kunnen aantonen;
Speciale statuten: bv. kunstenaars of sportcoaches.
Zoek op welke bewijsstukken je als buitenlandse onderdaan komende van de UK moet voorleggen om een beroepskaart voor Vlaanderen te kunnen krijgen om hier als student een onderneming te starten. Maak gebruik van de simulator van de Vlaamse overheid. https://www.vlaanderen.be/werken/in-vlaanderen-komen-werken/beroepskaart-voorbuitenlandse-ondernemers/simulator-beroepskaart-voor-buitenlandse-ondernemers
Zodra een onderneming een ondernemingsnummer krijgt, maar voor zij effectief haar activiteit start, moet zij een btw-nummer aanvragen.
De wet zegt immers: ‘Eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig leveringen van goederen of diensten verricht, is in principe btw-plichtig (art. 4 W.btw).’
De ondernemer moet een formulier (terug te vinden op de de website https://financien.belgium. be/nl/ondernemingen onder de rubriek aanvang, wijziging en einde van de activiteit) invullen en indienen bij het bevoegde btw-controlekantoor. De onderneming kan die aanvraag zelf doen, het ondernemingsloket kan dat voor hem doen tegen betaling of een gemachtigde (bv. een accountant) kan de nodige stappen ondernemen.
Is de onderneming alleen in België btw-plichtig, dan moet ze btw 1234.567.899 noteren op alle hoger vermelde akten en documenten en op de website.
Is de onderneming niet btw-plichtig, dan volstaat de vermelding van het ondernemingsnummer 1234.567.899.
Is de onderneming btw-plichtig en heeft ze ook intracommunautaire verrichtingen, dan moet ze btw BE 1234.567.899 vermelden. Als het om een rechtspersoon gaat, dan wordt hier ook bv. RPR Antwerpen aan toegevoegd. Dus btw BE 1234.567.899 RPR Antwerpen. Kleine ondernemingen (omzet van maximum 25 000 EUR) die kiezen voor de vrijstellingsregeling van btw mogen de letters BE niet vermelden, wel btw. Vanaf 1 januari 2025 kunnen zij ook vrijstelling krijgen in andere lidstaten van de EU. Dan vermelden ze BE 1234.567.899 EX.
3.2.7 Aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds
De zelfstandige ondernemer (persoon die in België een beroepsactiviteit uitoefent en die niet gebonden is door een arbeidsovereenkomst, dus geen werknemer is) moet de wetgeving inzake het sociaal statuut van de zelfstandigen naleven en aansluiten bij een sociale verzekeringskas van hun eigen keuze ofwel bij de Nationale Hulpkas voor Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen. Het Statuut Student Zelfstandige (regeling voor studenten die tijdens hun studies starten met een eenmanszaak of vennootschap) voorziet in voordelige tegemoetkomingen voor de betaling van sociale bijdragen aan een sociale verzekeringskas.
Meer informatie kan je vinden op de website van de overheidsdienst Sociale zekerheid: https://socialsecurity.belgium.be/nl/statuut-student-zelfstandige-faq.
3.2.8 Registreren in het UBO-register (Ultimate Beneficial Owner)
De verplichte registratie van gegevens (naam, rijksregisternummer …) van ‘uiteindelijke begunstigden’ (UBO’s) is een maatregel tegen witwassen, financiering van terrorisme en voor het opsporen van fiscale fraude.
Daarom hebben de fiscus en de politie onbeperkt toegang tot het UBO-register.
Voor burgers is er een beperkte toegang als gevolg van de wet op bescherming van de privacy (GDPR).
Vennootschappen, (internationale) vzw’s en stichtingen zijn verplicht hun UBO’s te registreren in het UBO-register.
Dat zijn de natuurlijke personen die eigenaar zijn van meer dan 25 % van de aandelen of stemrechten van de vennootschap en de natuurlijke personen die zeggenschap hebben over de vennootschap door bijvoorbeeld een aandeelhoudersovereenkomst.
In de vzw’s en stichtingen zijn de UBO’s in principe de leden van de raad van bestuur.
Niet naleven van de verplichtingen voor het UBO-register is een reden voor ambtshalve doorhaling uit de KBO.
Praktisch gebeurt de registratie op de website van de FOD Financiën: https://financien.belgium.be/nl/E-services/Ubo-register.
3.2.9 Afsluiten van verzekeringen
Er zijn een aantal verzekeringen, die de ondernemer – afhankelijk van de activiteit van de onderneming – verplicht moet afsluiten: de beroepsaansprakelijkheidsverzekering om zich te verzekeren tegen onopzettelijke schade door een contractuele of een beroepsfout voor advocaten, accountants, architecten of artsen; de verzekering tienjarige aansprakelijkheid voor architecten, aannemers en andere dienstverleners uit de bouwsector; de burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering brand en ontploffing voor zaken die toegankelijk zijn voor het publiek (winkels, horecazaken, kantoorgebouwen met meer dan 500 m2 publieke ruimte).
Hoofdstuk 1 Vrijheid van ondernemen en algemene verplichtingen van de onderneming
De sancties kunnen bestaan in het verbod om het beroep of de activiteit nog uit te oefenen, een strafrechtelijke sanctie en/of boete. Verder loopt men het risico de slachtoffers zelf te moeten vergoeden.
Daarnaast zijn er ook verzekeringen die niet verplicht zijn maar wel aan te raden, bijvoorbeeld de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering, een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid enz.
3.3 Enkele algemene verplichtingen van ondernemingen
3.3.1 Algemene verplichting van informatie, transparantie en niet-discriminatie
In het WER wordt een algemene verplichting van informatie, transparantie en niet-discriminatie opgelegd aan ondernemingen.
Een onderneming moet vooreerst informatie over zichzelf verstrekken aan klanten en die informatie op een eenvoudige manier ter beschikking stellen. Het gaat daarbij onder andere over de naam, de rechtsvorm, het adres, het ondernemingsnummer, de algemene voorwaarden, de eventuele contractuele garantie die de onderneming vermeldt …
Op vraag van de klant moet de onderneming nog bijkomende informatie verstrekken. Dat kan bijvoorbeeld gaan om: de manier waarop de onderneming de prijs berekent, zodat de afnemer de prijs kan controleren, of een voldoende gedetailleerde kostenraming als de precieze prijs van een goed niet gegeven kan worden; een verwijzing naar de geldende beroepsregels en de manier waarop gereglementeerde beroepen inzage in die regels kunnen krijgen; eventuele gedragscodes die op de onderneming van toepassing zijn alsook het adres waar zij elektronisch raadpleegbaar zijn en de beschikbare talen waarin deze codes raadpleegbaar zijn.
Daarnaast zijn er ook verplichtingen opgelegd van niet-discriminatie. Zo mogen de afnemers niet onderworpen worden aan discriminerende vereisten op grond van nationaliteit of woonplaats.
1 Zoek een vijftal instanties op die je met raad en daad kunnen bijstaan bij het opstarten van een onderneming en die je ook gedurende de levensloop van een onderneming zou kunnen raadplegen.
2 Wat zijn de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het Statuut Student Zelfstandige? En wat zijn de voordelen?
3 Wat zijn volgens jou de valkuilen voor een beginnende ondernemer? Waarom zou iemand zelfstandig ondernemer willen worden? Zou jij de stap zelf willen wagen? Waarom wel? Waarom niet?
3.3.2 De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) of General Data Protection Regulation (GDPR)
3.3.2.1 Wat is GDPR of AVG?
De Algemene Verordening Gegevensbescherming is de Europese wetgeving die de regels bevat in verband met de bescherming van natuurlijke personen, met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens en het vrije verkeer van persoonsgegevens.
Onder persoonsgegevens verstaat men alle informatie waardoor iemand geïdentificeerd kan worden, zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van de natuurlijke persoon.
VOORBEELD
Soms worden volgende persoonsgegevens gevraagd bij het maken van een account of het plaatsen van een bestelling op een webshop: je naam, je adres, je telefoonnummer, je leeftijd, of je gehuwd bent of niet, je e-mailadres, een foto van jezelf, een bankrekeningnummer.
Zoek eens uit welke persoonsgegevens jij hebt achtergelaten bij een bepaalde webshop.
Er zijn bepaalde persoonsgegevens die in de wetgeving extra beschermd worden, omdat het zogenaamde gevoelige gegevens zijn. Hiervoor voorziet de GDPR in extra regels en dus bescherming.
VOORBEELD
Gevoelige gegevens zijn onder meer politieke opvattingen, religieuze overtuiging, lidmaatschap van een vakbond. Gegevens over gezondheid, seksuele geaardheid, strafrechtelijke veroordelingen enz.
De GDPR is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van de persoonsgegevens en op de verwerking van de persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.
De GDPR bevat dus regels over wat er mag gebeuren met persoonsgegevens, wat de toe te passen procedures zijn, maar ook hoe deze gegevens beschermd moeten worden.
3.3.2.2 Wettelijke basis
De wettelijke basis is de Algemene Verordening Gegevensbescherming, ook bekend als de GDPR van 27 april 2016. Een verordening bevat algemene en volledige reglementering die rechtstreeks van toepassing is in alle lidstaten van de EU. Er is dus geen aparte nationale wetgeving vereist.
De verordening is daadwerkelijk in voege getreden op 25 mei 2018.
Bij het online materiaal kun je de verordening terugvinden.
We gaan in dit onderdeel in op de grote lijnen van de regelgeving in kwestie. Voor verdere informatie kun je altijd terecht op de website van de Europese commissie.
Zeven jaar na de inwerkingtreding van de AVG is er sedert 19 november 2025 een wetgevingsvoorstel van de Europese Commissie voor een nieuwe verordening voor de vereenvoudiging van de bestaande regelgeving voor AI, voor cyberbeveiliging en voor gegevensbeveiliging.
Dit voorstel moet nog goedgekeurd worden door het Europees Parlement en de Europese Raad. Gezien het op dit moment nog geen wetgeving is, bespreken we de voorstellen hier niet.
3.3.2.3 Een aantal belangrijke regels en rechten van de betrokkene
1 Ondernemingen zijn verplicht om op een begrijpelijke en transparante wijze te informeren (informatierecht) hoe de persoonsgevens van natuurlijke personen worden verzameld en hoe ze verwerkt worden. Daarnaast zijn ook het recht op inzage, het recht op correctie en verwijderen en het recht op bezwaar tegen een bepaald gebruik belangrijke rechten van de personen van wie de persoonsgegevens verzameld en verwerkt worden. Deze personen worden de betrokkenen genoemd.
VOORBEELD
Je kunt aangeven dat je niet langer gepersonaliseerde aanbevelingen op een webshop wilt ontvangen. Dat wordt bv. voor kleding vaak gebruikt.
Je kunt ook aangeven dat je geen post meer wenst te ontvangen.
Je kunt op elk moment inzage vragen in de gegevens die een webshop van jou bezit.
2 Ondernemingen moeten als de persoon erom vraagt, de persoonlijke gegevens kunnen verwijderen, ook als de gegevens al zijn doorgespeeld of gedeeld met een derde partij.
VOORBEELD
Je hebt je aangemeld bij een supermarktplatform voor levering van bestellingen aan huis. Je hebt een profiel aangemaakt en ook toestemming gegeven voor het bijhouden van je aankoopgeschiedenis. Dat is handig bij volgende bestellingen. Ook je locatiegegevens zijn dus bekend bij het platform. Je wil nu je toestemming voor deze gegevensverwerking intrekken en je gegevens laten verwijderen. Dat is de uitoefening van het recht op verwijdering, de webshop zal de gegevens moeten verwijderen.
3 Ondernemingen zijn verplicht om het verzamelen, het verwerken en het opslaan van de persoonsgegevens te beperken tot specifieke en gerechtvaardigde doelen. Zij moeten deze doelen duidelijk maken aan de persoon van wie de gegevens verzameld worden. (De gegevens mogen dus niet verder gebruikt worden voor andere doeleinden.)
VOORBEELD
In het kader van het algemeen belang en de gezondheid moeten apothekers persoonsgegevens met betrekking tot aankoop van door een arts voorgeschreven medicatie bijhouden. Dit is het farmaceutisch dossier. Het kan voor een individuele persoon belangrijk zijn dat de apotheek bij aankoop van een medicijn kan uitmaken of het mag gebruikt worden in combinatie met medicatie die de persoon al gebruikt. Dit is een gerechtvaardigd doel, waartegen geen bezwaar mogelijk is. De medicatiehistoriek moet tenminste 12 maanden bijgehouden worden. De apotheker kan ook je aankopen registreren zonder voorschrift van een arts, maar hier kun je wel bezwaar tegen maken.
4 Ondernemingen mogen de persoonsgegevens niet langer bewaren dan nodig voor de doelen waarvoor ze zijn verzameld (= opslagbeperking).
VOORBEELD
Een vakantiepark moet, wanneer het persoonsgegevens van de klant verkrijgt, in duidelijke en eenvoudige taal uitleggen waarom het die gegevens nodig heeft (het doel), hoe ze die wenst te gebruiken en hoelang ze bewaard zullen worden.
5 Ondernemingen moeten een lek in de gegevens binnen 72 uur melden, tenzij het lek geen gevaar inhoudt voor de persoonlijke gegevens die verzameld werden. Het is de onderneming die moet kunnen aantonen dat er geen gevaar was voor de persoonsgegevens.
VOORBEELD
Op 1 augustus 2022 werd CASA NV (de interieurketen) slachtoffer van een cyberaanval met een lek in persoonsgegevens tot gevolg. Zij lanceerden op 2 augustus een persbericht en stuurden aan alle betrokkenen op 9 augustus 2022 een e-mail.
De inhoud van de e-mail van CASA NV is te bekijken bij het onlinemateriaal.
Een datalek kan ook ontstaan door het verlies van een USB-stick waarop niet-versleutelde privégegevens van klanten staan.
VOORBEELD
Op 18 november 2025 was er een wereldwijde technische storing van het internetwerk die de toegang tot de website van Newpharma verstoorde. Newpharma meldde via mail het volgende:
“Wij willen je geruststellen: de veiligheid van onze systemen en je gegevens is niet in het geding en is op geen enkel moment gecompromitteerd geweest. Onze operaties en de voorbereiding van je bestellingen zijn niet beïnvloed.
Wij bieden onze excuses aan voor het ongemak en danken je voor je geduld. Ons team staat tot je beschikking voor eventuele vragen.”
Hoe kun je zo’n gegevenslek melden, en waar moet het gebeuren? Bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) kun je bijkomende info vinden (zie: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/professioneel/acties/gegevensinbreuk).
6 Personen kunnen met de GDPR hun persoonsgegevens eenvoudiger overdragen van het ene bedrijf naar het andere, wanneer zij dat wensen. Personen hebben het recht om hun persoonsgegevens in een gestructureerde vorm te verkrijgen.
VOORBEELD
Als je van energieleverancier, van bank of van gsm-operator wilt veranderen, kunnen je persoonsgegevens eenvoudig, rechtstreeks overgemaakt worden onder de beschermende regels van GDPR.
De wijze waarop een onderneming met de regels van GDPR omgaat, kun je terugvinden in haar privacybeleid. Het is aangewezen die toch even te bekijken vooraleer je een nieuwe account maakt.
Bij wijze van voorbeeld kun je eens naar het privacybeleid van Bol gaan (zie: https://www.bol.com/ be/nl/tc/privacybeleid/).
– Welke rechten heb jij hier als klant?
– Hoelang worden jouw gegevens hier bewaard?
– Hoe gaan zij om met gegevens van kinderen?
–
Met welke derde partijen werken zij samen?
Zoek ook eens het privacybeleid op van een andere onderneming waar jij persoonlijke gegevens hebt achtergelaten.
3.3.2.4 Op welke ondernemingen is GDPR van toepassing?
Iedereen die persoonsgegevens verwerkt valt onder de GDPR. In het bijzonder zijn dus ook alle ondernemingen verplicht de regels van GDPR toe te passen.
De verordening geeft de volgende definitie van onderneming: ‘een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm ervan, met inbegrip van maatschappen en persoonsvennootschappen of verenigingen die regelmatig een economische activiteit uitoefenen’.
3.3.2.5 Wie houdt toezicht op de GDPR?
Elke lidstaat moet een toezichthoudende autoriteit aanstellen, dat is een onafhankelijke overheidsinstantie. In België is de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) het onafhankelijke orgaan dat erop toeziet dat de bescherming van de persoonsgegevens correct verloopt.
De Gegevensbeschermingsautoriteit is opgericht door de wet van 3 december 2017.
De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft in een toolbox voorzien om functionarissen bij gegevensbescherming en verwerkingsverantwoordelijken bij te staan (zie: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/professioneel/eerstehulp-avg/toolbox).
Ook scholen moeten de GDPR volgen. Ga eens na hoe jouw school te werk gaat met de GDPR.
3.3.2.6 De functionaris voor gegevensbescherming of Data Protection Officer (DPO)
De functionaris voor gegevensbescherming is de persoon in de onderneming die de toepassing van de GDPR moet controleren. Hij moet nagaan of de gegevens volgens de regels worden opgeslagen, verwerkt, gedeeld met partners enz.
Niet alle ondernemingen moeten een functionaris voor gegevensbescherming aanstellen, maar het mag altijd en het is ook aan te raden.
De ondernemingen die met gevoelige persoonsgegevens werken en ondernemingen waarbij de dataverwerking vanwege de aard en de omvang en de doelen stelselmatige observatie op grote schaal vereist, moeten een functionaris voor gegevensbescherming aanstellen.
Een functionaris voor gegevensbescherming geeft de ondernemer zekerheid dat de regels opgevolgd worden en daarnaast kunnen ook hoge boetes voorkomen worden.
3.3.2.7 Het verwerkingsregister
Het verwerkingsregister documenteert hoe de onderneming de persoonsgegevens verwerkt. Het omvat een overzicht van alle datastromen, verwerkingsprocessen en beveiligingen van de persoonsgegevens. Bij controle door de Gegevensbeschermingsautoriteit moet je het altijd kunnen voorleggen. Het moet bewaard worden op de maatschappelijke zetel.
Het verwerkingsregister is verplicht voor: alle ondernemingen met meer dan 250 werknemers; alle ondernemingen met minder dan 250 werknemers, die gevoelige persoonsgegevens verwerken, of structureel gegevens verwerken (dus niet toevallig of occasioneel) of die gegevens verwerken waarbij er risico is voor de rechten en vrijheden van de betrokken personen.
3.3.2.8 Wat als bedrijven niet in orde zijn, welke sancties kunnen zij krijgen?
Inbreuken op de AVG worden beboet door de Gegevensbeschermingsautoriteit met een maximumbedrag van 10 miljoen EUR, of ingeval het om een onderneming gaat met een maximaal bedrag van 2 % van de totale wereldwijde omzet van het voorgaande boekjaar, indien dit bedrag hoger is dan 10 miljoen EUR.
Wanneer de verplichting om de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming door te geven aan alle betrokkenen, niet wordt nageleefd dan wordt het plafond van de administratieve boetes verhoogd tot 20 miljoen EUR en 4% van de totale wereldwijde omzet van het voorgaande boekjaar.
Naast deze boetes zijn er ook nog andere maatregelen die de Gegevensbeschermingsautoriteit kan nemen in het kader van haar corrigerende bevoegdheden. Zo kan zij onder meer een waarschuwing geven, of een berisping of een aanmaning (inclusief een bevel met een voorwaardelijke sanctie zoals dwangsommen).
VOORBEELD
De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft op 28 januari 2021 een boete van 50 000 EUR opgelegd aan de onderneming Family Service, die de ‘roze dozen’ verdeelt aan aanstaande moeders, wegens verschillende inbreuken op de AVG, waaronder een gebrek aan transparantie ten aanzien van haar klanten over haar handel in persoonsgegevens. Het bedrijf heeft zonder geldige toestemming gegevens van meer dan 1 miljoen klanten en hun kinderen gedeeld met zakenpartners (zie: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/professioneel/ handel-in-persoonsgegevens-de-gba-bestraft-het-aanbieden-van-roze-dozen).
De GBA heeft op 25 mei 2022 een boete van 50 000 EUR opgelegd aan de persgroep Roularta voor het beheer van cookies op de websites levif.be en knack.be. De boete heeft vooral betrekking op de wijze van verzamelen van de toestemming van de gebruiker voor het plaatsen van cookies op zijn apparaat, die niet aan alle voorwaarden van de AVG voldoet. Dit was de eerste beslissing die de GBA nam naar aanleiding van het onderzoek naar het beheer van cookies op de meest populaire Belgische perssites.
Hier kun je meer lezen rond het gebruik van cookies: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/burger/nieuws/2023/10/20/de-gba-publiceert-eenchecklist-voor-het-correcte-gebruik-van-cookies
Via deze link kun je ter illustratie het cookiebeleid van Bol nalezen: https://www.bol.com/be/nl/tc/cookiebeleid/
Het Belgische bedrijf Freedelity, gespecialiseerd in het verzamelen en het gedeelde gebruik van identiteits- en contactgegevens van consumenten, in samenwerking met verschillende verkopers (ook grote winkelketens), waarbij soms ook de identiteitskaart als klantenkaart gebruikt wordt, werd op 28 november 2024 door de GBA aangemaand om zich binnen de 4 maanden in regel te stellen met de inbreuken op ‘de verkregen toestemming’, ‘de minimale gegevensverwerking’ en ‘de opslagbeperking
Hoofdstuk 1 Vrijheid van ondernemen en algemene verplichtingen van de onderneming
van gegevens’. Er werd een dwangsom bepaald van 5 000 euro per dag vertraging in geval van nietnaleving of gedeeltelijke naleving.
De GBA heeft een eigenaar van een BV die een studentenhuis met 8 studentenkamers verhuurt op 4 september 2025 een boete en corrigerende maatregelen opgelegd voor het gebruiken van camera’s om toezicht te houden op de bewoners. De eigenaar heeft naast de boete van 9 700,00 EUR het bevel gekregen om binnen de 14 dagen de verwerking van de camerabeelden stop te zetten en alle bestaande beelden te vernietigen.
Het persbericht van de GBA met toelichting kun je terugvinden bij het onlinemateriaal.
De wetgeving op intellectuele eigendom is terug te vinden in het Wetboek van economisch recht boek XI ‘Intellectuele eigendom en bedrijfsgeheimen’. Verder zijn ook andere Europese rechtsbronnen van toepassing, zoals het Benelux-Verdrag inzake intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen) en verschillende Verordeningen van het Europees Parlement en de Raad, onder andere over merken, kwekersrecht, beschermingscertificaat voor geneesmiddelen en Richtlijnen van de EU onder meer met betrekking tot het auteursrecht.
We leggen in dit hoofdstuk de nadruk op het belang en het ontstaan van intellectuele eigendom en bedrijfsgeheimen. Daarnaast vermelden we ook het ‘recht op domeinnamen’.
Intellectuele eigendom is het geheel van rechten die bescherming bieden voor: merken of tekeningen en modellen (merken en modellenrecht); literaire en artistieke creaties in ruime zin (auteursrecht en naburige rechten); computerprogramma’s (databanken); uitvindingen (met uitvindingsoctrooi); de bescherming van geneesmiddelen (aanvullende beschermingscertificaten, kortweg ABC); het kweken van gewassen (kwekersrecht); topografiëen van halfgeleiderproducten (chipsrecht); bedrijfsgeheimen.
Het toepassingsgebied van intellectuele eigendomsrechten is dus uitgebreid.
Kunnen beschermd zijn: logo’s, benamingen, handelsnaam, merknamen, kunstwerken, planten, websites, modeontwerpen, foto’s, cijfergegevens, een recept, een boek, een plantenras, een computerchip, een muziekcompositie, een liedjestekst enz.
Een bedrijfsgeheim is geheime informatie, die een handelswaarde heeft en die onderworpen is aan redelijke maatregelen om ze geheim te houden. De onderneming moet dus aantonen dat er specifieke maatregelen zijn genomen voor de geheimhouding. Door de geheimhouding ben je langer beschermd dan door een patent of octrooi.
Bedrijfsgeheimen kunnen commerciële informatie zijn maar het kan ook gaan om technische informatie.
VOORBEELD
– Een octrooi op een geneesmiddel geldt maximaal voor 25 jaar. Na die periode kunnen andere ondernemingen het namaken en ook verkopen onder een andere naam (men noemt dat een generisch geneesmiddel; zie: https://www.eg.be/nl/generische-geneesmiddelen/lijst-eg-producten).
Een aanvullend beschermingscertificaat beschermt de exploitatie van een geneesmiddel, door de beschermingstermijn van een octrooi te verlengen. De reden kan zijn dat de beschermingstermijn te kort is om de zeer hoge kosten van de investeringen en de lange testtijd voor het ontwikkelen van het geneesmiddel terug te verdienen.
Paracetemol EG Teva is zo het generieke en goedkopere geneesmiddel van Dafalgan.
– De speculoos Biscoff van Lotus Bakeries is een geregistreerd en beschermd recept. Slechts zes mensen kennen het bedrijfsgeheim. Stel dat een werknemer het recept onrechtmatig zou bemachtigen en er ook mee aan de slag zou gaan, dan is dat oneerlijke mededinging en strafbaar.
Ook prijslijsten, of overeenkomsten die de onderneming gebruikt of lijsten van medewerkers en rapporten van marktonderzoeken kunnen het voorwerp uitmaken van intellectuele eigendom en dus onder bedrijfsgeheimen vallen.
Geef nog een aantal voorbeelden van bedrijfsgeheimen waar jij al mee in contact bent gekomen. Verklaar waarom het belangrijk is dat die informatie beschermd is en dus niet zomaar door derden mag worden gebruikt.
Daan en Peter hebben samen hun eigen bio-brouwerij opgericht. Welke bedrijfsgeheimen zouden zij hebben en welke maatregelen zouden zij kunnen nemen om hun bedrijfsgeheimen te beschermen. Je kunt ook inspiratie opdoen bij het initiatief van de FOD Economie: https://www.bedrijfsgeheim.be/
3 Waarom zijn intellectuele eigendomsrechten belangrijk?
Het is voor ondernemingen belangrijk dat uitvindingen, ontwerpen, merken, uitgaven, films, muziekstukken, bedrijfsgeheimen enz. beschermd worden tegen namaak en piraterij. De ondernemingen hebben hierin geïnvesteerd en bij schending van hun rechten door bijvoorbeeld onrechtmatig gebruik en oneerlijke mededinging kunnen zij inkomsten verliezen. Bovendien stimuleert de bescherming van intellectuele eigendomsrechten de innovatie, de creativiteit, de technologische ontwikkeling en is ze dus belangrijk voor het behoud van de concurrentiepositie van ondernemingen en de verdere ontwikkeling van de verschillende economische sectoren.
VOORBEELD
Het bedrijf ECA uit België heeft een nieuw chirurgisch virusneutraliserend mondmasker ontwikkeld, met een microscopisch laagje citroenzuur dat beschermt tegen virusdruppels van anderen, om zo jezelf en de omgeving te beschermen. Het is voor het bedrijf belangrijk dat hun ontwerp en productieprocedé beschermd wordt.
Naast de intellectuele eigendomsrechten is er ook een zogenaamd recht op een domeinnaam. Een domeinnaam is de unieke naam (vertaling van het IP-adres met cijfers) waarmee de onderneming op het internet te herkennen is. Een domeinnaam bevat meestal de naam van je onderneming, of van haar product of dienst. Om commerciële redenen kan je die best registreren. Via de domeinnaam is de website van de onderneming beter te vinden en domeinnaam maakt ook een link tussen de emailadressen en de website.
VOORBEELD
De domeinnaam van de elektriciteitsleverancier Engie is ‘engie’ https://www.engie.be/nl/.
Dat is dus zeer gemakkelijk terug te vinden. Hier is gekozen voor de extensie ‘.be’ maar je kan op basis van je markt als onderneming ook kiezen voor ‘.com’ of ‘.eu’.
Maar er zijn ook nog andere domeinnaamextensies mogelijk zoals immo.be om duidelijk aan te geven in welke sector je onderneming is gevestigd. Bijvoorbeeld https://www.logic-immo.be/.
Ga naar de website van DNS België en zoek eens uit welke nieuwe domeinnaamextensies zij nog aanbieden voor specifieke sectoren. Welke domeinnaam en extensie zou jij kiezen als je een zaak in de muziekbusiness zou opzetten?
4 Hoe ontstaan de intellectuele eigendomsrechten en wat wordt beschermd?
4.1 Hoe ontstaan intellectuele eigendomsrechten?
4.1.1 Automatisch zonder registratie
Auteursrechten en naburige rechten (bv. het recht van de uitvoerder van een muzikale compositie), rechten op computerchips, rechten op databanken, rechten op een handelsnaam, ontstaan automatisch zonder registratie. Ook bedrijfsgeheimen ontstaan automatisch zonder dat je ze geregistreerd hebt. Ze moeten wel aan de voorwaarden van bedrijfsgeheim voldoen.
Er ontstaat door openbaarmaking (bv. publicatie) of door het eerste gebruik ervan een intellectuele eigendom. Dat betekent dat de houder van de intellectuele eigendom (bv. de uitgever van een boek die met de auteur een uitgeefovereenkomst heeft, of de eigenaar van een recept of een lied, of een databank voor vastgoed of een concept van een tv-programma als enige het recht krijgt om dat te exploiteren (verkopen), er meerdere van te maken, te gebruiken in een bepaald gebied.
Toch kan het interessant zijn om het te registreren.
VOORBEELD
Je laat je als ondernemer inschrijven in de KBO met je handelsnaam, die je als merk gaat gebruiken. In de KBO komt de naam in jouw sector niet voor.
Na een tijd krijg je een aangetekende zending van een ondernemer met dezelfde merknaam, met de melding dat je de handelsnaam niet meer mag gebruiken omdat het een geregistreerd merk is. Het kan commercieel en financieel een klap zijn wanneer je je handelsnaam moet wijzigen. Hoofdstuk 2 Ondernemen en intellectuele eigendom
4.1.2 Na registratie
Het recht op het kweken van gewassen, het merkenrecht, het recht op een model, het octrooirecht op een uitvinding, het recht op een domeinnaam voor een website ontstaat enkel na registratie Daarnaast zijn er ook de geregistreerde benamingen, benamingen van oorsprong, geografische aanduidingen, traditionele specialiteiten. Die moeten geregistreerd worden om intellectuele eigendomsrechten te kunnen verwerven (zie het hoofdstuk over Boek VI WER Marktpraktijken, punt 3.5.3).
Dat betekent dat de houder van de intellectuele eigendom het recht verwerft om het gewas, het merk enz. te exploiteren, maar ook dat hij anderen kan verbieden om het te gebruiken.
Het is dus belangrijk dat er een geheimhoudingsverklaring wordt opgesteld wanneer je een idee of uitvinding aan een andere partij toelicht of toont.
Zet je idee ook niet op een website vooraleer je het geregistreerd hebt, want dat wordt gezien als ‘openbaar bekendmaken’ en dan kun je geen octrooi meer aanvragen.
VOORBEELD
De Geraardsbergse mattentaart is een beschermde geografische aanduiding en recept dat Europees geregistreerd is. Deze registratie beschermt de consument tegen misleiding.
Sommige rechten moet je dus registreren.
De rechten zijn geografisch en in de tijd beperkt, Voor een merk is dat bijvoorbeeld 10 jaar maar verlenging is mogelijk. Voor een model binnen de Benelux maximaal 25 jaar. Registratie is betalend.
De officiële instantie voor registratie in de Benelux is het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BOIP). Als je daarbuiten bescherming wilt, kun je registreren in elk land afzonderlijk bij de officiële instantie. Maar voor een merk kun je bijvoorbeeld ook voor de Europese lidstaten in één keer registreren bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).
Het kan ook gebeuren dat een merknaam geen merkbescherming van het BOIP of het EUIPO krijgt omdat de merknaam niet onderscheidend is en bijvoorbeeld gewoon de kenmerken van het product beschrijft.
VOORBEELD
Campina kreeg geen bescherming voor het merk BIOMILD voor yoghurt. Nestlé kreeg geen bescherming voor het koffiemerk PURE SELECTIONS. In 2021 werd de Europese registratie voor het kledingmerk NO LABEL geschrapt voor kleding én voor de winkel. NO LABEL is nu vrij te gebruiken. Dit zijn voorbeelden die het risico om te kiezen voor een beschrijvende merknaam duidelijk maken.
Bij het BOIP kun je ook een i-depot nemen. Dat betekent dat je digitaal en tegen een heel lage prijs nieuwe ideeën kunt vastleggen. Het i-depot is geldig in heel Europa en ligt voor vijf jaar vast. Het i-depot is geen intellectueel eigendomsrecht maar het is wel belangrijk omdat het jouw idee, werk, app, game of uitvinding een vaste datum en exact tijdstip geeft. Je kunt dus aantonen dat jij het als eerste ontworpen of bedacht hebt (zie: https://www.boip.int/nl/ondernemers/ideeen).
Om domeinnamen te registreren (die nog vrij zijn) kan je terecht bij een registreerder. Zo is er DNS Belgium voor de .be-domeinen. Voor een .eu-domein registreer je via Eurid en voor .com- of .intwebadressen kan je bij de registreerder InterNic terecht. Een geregistreerde domeinnaam blijft geregistreerd tot deze wordt ingetrokken door de onderneming.
Het is de persoon of de onderneming die de intellectuele eigendomsrechten bezit die zelf moet optreden als er een inbreuk (namaak, piraterij, plagiaat en) wordt gepleegd op zijn of haar rechten. Er zijn wel beroepsorganisaties zoals Sabam die mee schendingen van intellectuele rechten opvolgen.
VOORBEELD
– Als ondernemer merk jij dat tekeningen en foto’s van jouw website zijn overgenomen en gebruikt door een andere ondernemer. Je kunt uiteraard direct juridische stappen ondernemen en naar de rechtbank stappen. Maar het kan ook een optie zijn om eerst een aangetekend schrijven te richten, waarin je aangeeft dat er sprake is van schending van rechten en dat dit onmiddellijk rechtgezet moet worden.
Als je op die manier tot een compromis kunt komen, is dat meegenomen. Lukt dat niet dan kun je een professionele bemiddelaar inschakelen en als dit geen oplossing geeft, toch naar de rechtbank stappen.
– Een student(e) loopt stage op de marketingafdeling van een onderneming. De onderneming werkt met een origineel, intern ontwikkeld format voor nieuwsbrieven voorzien van een origineel logo.
– De student(e) maakt ongevraagd, zonder overleg met de ondernemer en zonder bronvermelding gebruik van dit format in zijn/haar bachelorproef. Dat is een inbreuk op de intellectuele eigendom (auteursrecht, merkenrecht) en kan juridische en financiële gevolgen hebben voor de student(e).
– Een café met de naam Cognac moest na 20 jaar haar naam wijzigen wegens inbreuk op de Franse merknaam Cognac. Ze ontvingen een aangetekend schrijven van de Franse registratiedienst voor inbreuk op de bescherming van de geografische indicatie Cognac. Ook alle verwijzingen (bierkaartjes, glazen, kledij, lichtreclame enz.) moesten binnen twee maanden verwijderd worden. – Door een uitspraak op 19 november 2024 (Rechtbank Den Haag) moest Wibra onmiddellijk stoppen met het produceren en verkopen van bloemmodellen en dierenfiguren opgebouwd uit plastic bouwsteentjes omdat dit een inbreuk is op het model- en merkenrecht van Lego. De bouwsteentjes verschillen namelijk te weinig van de legoblokjes (inbreuk modelrecht) en Wibra prees ze ook aan als ‘lego bloemen’ en ‘dieren lego’ (inbreuk merkenrecht). Er werd een dwangsom uitgesproken van 10 000 euro voor iedere overtreding of 500 euro per product met een maximum van 250 000 euro, te betalen aan Lego.
– Een ex-medewerker van het chocoladebedrijf Callebaut heeft voor zijn vertrek naar een concurrent duizenden bestanden gedownload waaronder chocoladerecepten en marketingstrategieën (bedrijfsgeheimen). De rechtbank oordeelde op 13 januari 2026 dat er misbruik van vertrouwen was en veroordeelde de ex-medewerker tot 6 maanden effectieve gevangenis en een boete van 2 000 euro.
Uit het voorgaande onthouden we dat het altijd nuttig is om vooraf eens te checken welke intellectuele eigendom er al bestaat op bepaalde merken, tekeningen, modellen en domeinnamen maar ook op uitvindingen.
Het Benelux Merkenregister bevat alle merken met werking in de Benelux: Hoofdstuk 2 Ondernemen en intellectuele eigendom
https://www.boip.int/nl/merkenregister?app=%2F
Het Benelux tekeningen- en modellenregister: https://www.boip.int/nl/modellenregister/help
EUIPO eSearch Plus databank bevat de Europese registraties: https://euipo.europa.eu/eSearch/ WIPO World intellectual property organization: https://www.wipo.int/portal/en/index.html
Het eRegister is het Belgisch octrooiregister: https://bpp.economie.fgov.be/bpp-portal/home
Het Europees Octrooiregister: https://www.epo.org/searching-for-patents/legal/register.html
Generieke domeinnamen WHOIS om de eigenaar van een website op te zoeken: https://www.godaddy.com/nl-be/whois
‘Be’ en ‘eu’ op de websites van DNS Belgium om te checken of de gewenste domeinnaam nog vrij is: https://www.dnsbelgium.be/nl/homepage domeinnamen checken voor Europa: https://eurid.eu/nl/
Ideescan – intellectuele rechten
Ga naar website van het BOIP en doe eens een ideescan (https://www.ideescan.be/).
Je krijgt een verslag met praktische tips en toelichting voor het beschermen van je intellectuele eigendom. Je kunt het verslag downloaden. De scan is anoniem; je moet geen persoonsgegevens achterlaten.
Je kunt voor het maken van de scan jouw eigen idee voor een onderneming nemen of je kunt vertrekken van de volgende gegevens als voorbeeld om in te vullen.
– Jouw idee zit nog gewoon in je hoofd en je hebt nog geen acties ondernomen om het vast te leggen.
– Jouw idee gaat over een nieuwe dienst of activiteit en je hebt er al met andere mensen over gepraat.
–
–
Je hebt wel al een naam bedacht voor jouw onderneming.
Maar je hebt nog geen beroep gedaan op een grafisch bureau om je naam of logo uit te werken.
– Je hebt de naam of logo nog niet geregistreerd als merk.
– Je bent als particulier actief in de sector onderwijs.
Verschillende wetten (bv. de Handelshuurwet) verwijzen naar het begrip handelszaak.
Algemeen gesteld is de handelszaak een geheel van roerende en onroerende goederen, die zijn samengebracht om een onderneming uit te baten, wat onder meer ook de opbouw van een klantenbestand inhoudt.
Aangezien de handelszaak geen afzonderlijke rechtspersoon is die volledig losstaat van het privévermogen van de ondernemer-natuurlijke persoon, is de keuze van een rechtsvorm bij de oprichting van een handelszaak uiterst belangrijk (zie het hoofdstuk over vennootschapsrecht).
In het Burgerlijk Wetboek staan specifieke regels ingelast die het statuut van de zogenaamde handelshuur regelen. Het wijkt op een aantal punten af van het zogenaamde gemene huurrecht. Het is voor een handelszaak immers essentieel om te kunnen rekenen op een zekere stabiliteit als zij zich op een bepaalde plaats vestigt en er investeringen doet, klanten werft ...
Door de zesde staatshervorming is de woninghuurwetgeving de bevoegdheid van de gewesten geworden. Hetzelfde geldt voor de handelshuur. Het Vlaamse Gewest heeft van die bevoegdheid gebruikgemaakt met het ‘zogenaamde pop-up’ decreet. Dat decreet staat naast de handelshuurwet en komt tegemoet aan de vraag naar een wettelijke regeling voor handelshuur voor korte termijn. Het gaat dan om contracten van maximum één jaar. Dat is interessant voor pop-upwinkels en pop-uprestaurants. Ook in Wallonië en in het Brussels Gewest is er een regelgeving specifiek gericht op pop-upstores.
In Wallonië werden er ook een aantal wijzigingen aangebracht aan de handelshuurwetgeving. Zo is het daar bv. niet meer nodig om langs de vrederechter of een notaris te gaan als de huurder en verhuurder in onderling akkoord een einde willen stellen aan de handelshuur. In het Brussels Gewest is er verder bv. een milieuordonnantie waardoor verhuurders en houders van een milieuvergunning verplicht zijn om onder meer alle nodige maatregelen te treffen om de gevaren, hinder of ongemakken ten gevolge van de inrichting te voorkomen, te verminderen of te verhelpen. Ze moeten ook elk ongeval en gevaar voor personen onmiddellijk aan de gemeente melden.
Ga op zoek naar nieuwe initiatieven die gebruikmaken van het pop-up decreet.
Een handelshuurcontract moet verplicht geregistreerd worden binnen vier maanden na het afsluiten van het contract. Dat moet gebeuren bij het plaatselijk kantoor rechtszekerheid van de FOD
Financiën. Online registreren kan snel via het platform MY Rent van de FOD Financiën (zie: https:// financien.belgium.be/nl/E-services/MyRent).
In het huurcontract wordt veelal bepaald dat de huurder deze verplichting van registratie moet nakomen.
2.2.1 Toepassingsgebied
Onder de handelshuur valt de huur van onroerende goederen of gedeelten ervan. De huurder of onderverhuurder gebruikt die onroerende goederen, hetzij uitdrukkelijk of stilzwijgend vanaf de ingebruikneming, hetzij krachtens een uitdrukkelijke overeenkomst tussen de partijen, voor het drijven van een kleinhandel of voor het bedrijf van een ambachtsman die rechtstreeks in contact staat met het publiek in de loop van de huurperiode.
Kenmerkend voor de toepasselijkheid van de handelshuurwet is dar er een rechtstreeks contact is met het publiek in het gehuurde goed. Zowel mondelinge als schriftelijke huurovereenkomsten kunnen onder de toepassing van de handelshuurwet vallen.
VOORBEELD
– Een commerciële ruimte verhuren voor de uitbating van een bakkerswinkel.
– Een onroerend goed verhuren waarin een apotheek wordt uitgebaat.
– Een gebouw verhuren aan een bank of een verzekeringsmakelaar voor het uitoefenen van hun economische activiteit.
Een aantal overeenkomsten vallen evenwel niet onder de handelshuur. Dat is onder meer het geval voor de huurovereenkomsten die schriftelijk zijn gesloten voor een termijn die gelijk is aan of korter is dan één jaar.
2.2.2 Duurtijd en opzegging
De handelshuurovereenkomst wordt in beginsel aangegaan voor een periode van negen jaar. Deze regel is van dwingend recht. Wel kunnen partijen overeenkomen dat de huur langer (doch niet korter) zal zijn dan negen jaar. In dat geval moet de overeenkomst, om ze tegenwerpelijk te maken aan derden, wel worden overgeschreven in het register van hypothecaire openbaarmaking van de Algemene Administratie van Patrimoniumdocumentatie.
Als de huurder en de verhuurder het eens zijn kunnen zij in onderling akkoord te allen tijde een einde maken aan de overeenkomst. Dit akkoord moet dan wel worden vastgelegd in een authentieke akte (bij de notaris) of bij verklaring voor de rechter. In Wallonië is dat niet nodig.
Een eenzijdige beëindiging is ook mogelijk.
De huurder kan de huur namelijk beëindigen bij het verstrijken van elke driejarige periode. Hiervoor moet hij zes maanden op voorhand zijn voornemen kenbaar maken bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploot.
Voor de verhuurder is het moeilijker om de overeenkomst vervroegd te beëindigen. Dat kan namelijk alleen bij het verstrijken van elke driejarige periode als de verhuurder zich die mogelijkheid voorbehield in het huurcontract en dan nog alleen maar om een aantal beperkte redenen (zo bv.
het zelf uitoefenen van een handel in het pand of het laten uitoefenen door familieleden van een dergelijke handel).
In dat geval moet de verhuurder een opzegtermijn van één jaar naleven. Afhankelijk van de aard van de door de verhuurder uit te voeren handel zal aan de huurder een uitzettingsvergoeding verschuldigd zijn.
Daarnaast geldt voor de huurwet ook dat een huurovereenkomst kan beëindigd of geschorst worden als één van de partijen zich kan beroepen op overmacht. Dus een uitzonderlijke onvoorziene situatie, waar de partijen niet kunnen aan ontkomen (onvermijdbaar) en waardoor één of beide partijen buiten hun wil om, hun verplichting niet meer kunnen nakomen.
VOORBEELD
Het gehuurde handelspand wordt door een gasontploffing, waar de ondernemer-huurder geen schuld aan heeft, met de grond gelijk gemaakt. Dit is een geldige reden om overmacht in te roepen en de handelshuurovereenkomst te beëindigen en dit onder meer omwille van het blijvend karakter van de situatie. Bovendien kan de huurder niet meer over het pand beschikken.
2.2.3 Huurprijs, indexering en herziening
De huurder en verhuurder zijn op het moment van het aangaan van de huurovereenkomst vrij een huurprijs overeen te komen. Hierbij kan de verhuurder de onroerende voorheffing overigens ten laste van de huurder leggen. De verhuurder kan de huurprijs alleen indexeren als hij in de huurovereenkomst een indexeringsclausule heeft opgenomen.
De wet bevat de mogelijkheid de huurprijs te (laten) herzien. Meer bepaald kan de vrederechter bij het verstrijken van elke driejarige periode de huurprijs herzien. Voorwaarde hiervoor is dat de normale huurwaarde van het goed gewijzigd is met ten minste 15 % en dit ten gevolge van nieuwe omstandigheden.
De vordering in herziening moet ingesteld worden bij de vrederechter de laatste drie maanden van de lopende driejarige periode.
De rechter doet uitspraak naar billijkheid, zonder te letten op het gunstig of ongunstig rendement dat uitsluitend aan de huurder is toe te schrijven.
Bij een handelshuur wil de huurder vaak aan het begin van de huur of tijdens de looptijd ervan belangrijke verbouwingswerken uitvoeren aan het onroerend goed.
VOORBEELD
Een caféhouder die een handelspand huurt wil dit pand verbouwen. Hij wil daarvoor bv. een toog installeren, een podium bouwen, een kleine keuken inrichten ...
De huurder heeft het recht aan het gehuurde goed elke verbouwing uit te voeren die dienstig is voor zijn onderneming en waarvan de kosten drie jaar huur niet te boven gaan, mits daardoor noch de veiligheid, noch de goede staat, noch de esthetische waarde van het gebouw in het gedrang komen.
Wil de huurder andere (lees: verregaandere) werken uitvoeren dan moet hij een aanvraag richten aan de eigenaar om te mogen overgaan tot de werken in kwestie. Dat moet gebeuren via een aangetekend schrijven of een gerechtsdeurwaardersexploot. Daarbij moet de aanvraag vergezeld gaan van een plan van de architect of een kostenbestek van de aannemer.
De verhuurder beschikt opvolgend over een termijn van dertig dagen om zich te verzetten, wat hij kan via een aangetekend schrijven of een gerechtsdeurwaardersexploot. Als de verhuurder zich verzet, dan moet de huurder hem binnen de dertig dagen in verzoening oproepen of dagvaarden. Bij het einde van de huur kan de verhuurder de verwijdering van de werken niet vragen, tenzij anders wordt overeengekomen. Hij kan wel eisen dat de werken behouden blijven. Als de verbouwingen niet verwijderd worden, zal de eigenaar hetzij de meerwaarde van het goed, hetzij de materialen en werkuren moeten betalen.
Gaat het om onterecht uitgevoerde werken, dan kan de verhuurder hetzij de verwijdering vragen hetzij de werken behouden zonder een vergoeding te moeten betalen.
2.2.5 Overdracht van huur
De meeste handelshuurovereenkomsten vermelden dat het aan de huurder verboden is om de handelshuur over te dragen aan een derde.
Zelfs als er een dergelijk verbod in de huurovereenkomst staat, kan de huurder de huur onder bepaalde voorwaarden toch overdragen aan iemand anders en dit als de overdracht of onderverhuring samen geschiedt met de overdracht of de verhuring van de handelszaak en slaat op de gezamenlijke rechten van de hoofdhuurder.
Als de verhuurder of zijn familie een gedeelte van het onroerend goed bewoont, geldt deze uitzondering niet en blijft het verbod van huuroverdracht of onderverhuring gelden.
De huurder die gebruik wil maken van dit recht van onderverhuring of huuroverdracht, moet aan de verhuurder het ontwerp van akte van overdracht of van onderverhuring betekenen bij ter post aangetekende brief of bij exploot van gerechtsdeurwaarder.
De verhuurder kan zich om wettige redenen tegen de overdracht of de onderverhuring verzetten. Hij moet zijn verzet daarbij laten kennen binnen dertig dagen na de betekening, bij gebreke waaraan hij geacht wordt ermee in te stemmen.
De oorspronkelijke huurder blijft bij een overdracht wel hoofdelijk mee gehouden tot de verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst.
2.2.6
Als de huurtermijn verstreken is, heeft de huurder voorrang op om het even wie om het goed opnieuw te huren. Meer bepaald heeft hij drie keer het recht op een zogenaamde huurhernieuwing. Na drie verstreken huurhernieuwingen (na 36 jaar in de regel) kan de verhuurder de huurder verplichten om het gehuurde pand te ontruimen.
Om de huurhernieuwing te verkrijgen moet de huurder een aangetekend schrijven of deurwaardersexploot richten aan de verhuurder tussen de 18de en 15de maand voor het verstrijken van de huurperiode. Hierbij moet de huurder de voorwaarden aangeven waaronder hij de nieuwe huur wil aangaan.
Deze voorwaarden moeten betrekking hebben op de nieuwe huur en niet op de lopende huur.
VOORBEELD]
Zo mag de huurder niet als voorwaarde voor de huurhernieuwing vooropstellen dat hij voor de nog lopende maanden van de huur een korting wil op de huurprijs.
Bovendien moet dit aangetekend schrijven vermelden dat de verhuurder geacht zal worden akkoord te gaan als deze niet reageert binnen de drie maanden.
De verhuurder heeft vervolgens de mogelijkheid om akkoord te gaan (hij kan dit uitdrukkelijk doen of stilzwijgend – door niet te reageren), te weigeren of andere voorwaarden (bv. op het vlak van de prijs) voorop te stellen. Hiervoor geldt zoals al aangegeven een termijn van drie maanden.
Vervolgens is het weer aan de huurder te reageren waarbij de zaak ook voor de rechtbank kan komen (de huurder heeft dertig dagen de tijd na het antwoord van de verhuurder om de zaak voor de rechter te brengen).
Bij een huurhernieuwing is het belangrijk op een formeel correcte manier te handelen en dit zowel als huurder als als verhuurder. De belangen die voorliggen zijn vaak bijzonder groot. De termijnen en vormvoorschriften zijn bijzonder strikt.
Als de verhuurder weigert zal hij afhankelijk van het ingeroepen motief al dan niet een schadevergoeding moeten betalen.
2.3 Het korte termijn handelshuurcontract in Vlaanderen
2.3.1 Toepassingsgebied
Dit decreet is van toepassing op de huur van onroerende goederen of gedeelten ervan. Een uitdrukkelijke overeenkomst van partijen bepaalt dat de huurder het pand in de loop van de huur hoofdzakelijk gebruikt om een kleinhandel of het bedrijf van een ambachtsman uit te oefenen. Daarbij is er een rechtstreeks contact tussen de huurder en het publiek. De overeenkomst is uitdrukkelijk voor een termijn van niet meer dan één jaar gesloten.
Daarbij maakt het niet uit op welke manier het contact tussen de huurder en het publiek tot stand komt en of de huurder al dan niet eigenaar is van de handelszaak in het gehuurde pand.
Met andere woorden is er de vereiste van een schriftelijke overeenkomst die uitdrukkelijk de duurtijd van ten hoogste één jaar vermeldt.
2.3.2
De huurovereenkomsten waarop dit decreet van toepassing is, eindigen automatisch op hun einddatum. Daarvoor is geen opzegging nodig en de huurder heeft geen recht op een huurhernieuwing.
De huurovereenkomst kan wel, mits akkoord van de huurder en verhuurder, een of meerdere keren, enkel schriftelijk en onder dezelfde voorwaarden worden verlengd. Maar de totale duur van de opeenvolgende verlengingen mag nooit langer dan een jaar zijn.
Als de totale duur van de opeenvolgende verlengingen wel langer is dan een jaar, dan valt de huurovereenkomst onder de handelshuurwet en wordt er verondersteld dat zij aangegaan is voor een periode van negen jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de aanvankelijke huurovereenkomst van korte duur in werking is getreden.
VOORBEELD
Op 20 december 2025 startte Lieselot, een ontwerpster van kinderkleding, met een pop-upwinkel in een leegstaand fabriekspand in Gent. Daarvoor ging ze een kortetermijnhandelshuurcontract van vier maanden aan. Het contract vermeldt 20 april 2026 als einddatum van de huurtijd.
Lieselots project slaat aan. Ze beslist om met ingang van 21 april 2026 een nieuw kortetermijnhandelshuurcontract aan te gaan voor negen maanden.
Gezien de totale duur van de huur dertien maanden bedraagt en dus meer is dan één jaar, valt de huurovereenkomst onder de wet op de handelshuur. Daardoor wordt verondersteld dat ze is aangegaan voor negen jaar met begindatum 20 december 2025.
De huurder kan een lopend korte termijn handelshuurcontract altijd beëindigen op voorwaarde dat hij één maand van tevoren opzegt. De opzegging kan gebeuren via een deurwaardersexploot of via een aangetekende brief. De verhuurder kan het contract niet zomaar beëindigen.
De partijen kunnen ook altijd in onderling overleg de lopende huur beëindigen. Hun akkoord moet wel schriftelijk worden vastgelegd. Dit is dus een contractuele beëindiging.
De partijen kunnen in onderling overleg de overeenkomst stopzetten om een nieuwe overeenkomst aan te gaan die valt onder de wettelijke bepalingen van de handelshuurwet.
In beide gevallen van beëindiging van de huurovereenkomst, kan de huurder niet rekenen op enige vergoeding voor zijn uitzetting, tenzij dat natuurlijk onderling overeengekomen is.
2.3.3
De belastingen die van toepassing zijn op het onroerend goed worden geacht in de huurprijs begrepen te zijn, tenzij anders wordt overeengekomen. Zo wordt bijvoorbeeld de onroerende voorheffing op het pand verondersteld in de huurprijs te zijn verrekend.
De kosten van de nutsvoorzieningen (water, gas, elektriciteit ...) van het onroerend goed zijn ten laste van de huurder en kunnen met alle middelen bewezen worden.
Tenzij schriftelijk anders overeengekomen is, heeft de huurder het recht aan het gehuurde goed verbouwingen uit te voeren die relevant zijn voor zijn onderneming.
De verbouwingswerken door de huurder mogen de kosten van een jaar huur niet overschrijden. De kosten kunnen nadien niet op de verhuurder verhaald worden.
De uitvoering van de werken die ondernomen zijn door de huurder, gebeuren op zijn risico. De verhuurder kan – hetzij voor, hetzij tijdens de uitvoering van de werken – eisen dat de huurder zijn eigen aansprakelijkheid verzekert, alsook die van de verhuurder en van de eigenaar. En dat zowel ten opzichte van derden als ten opzichte van elkaar.
Als de huurder geen bewijs levert van een toereikende verzekering dan kan de verhuurder de werken laten stopzetten.
Als de verbouwingen zijn uitgevoerd op kosten van de huurder, dan kan de verhuurder, tenzij het anders is overeengekomen in de huurovereenkomst, de verwijdering ervan eisen bij het vertrek van de huurder. Als de verhuurder de uitgevoerde verbouwingswerken behoudt, is hij geen vergoeding verschuldigd.
2.3.5 Overdracht van huur en onderverhuring
Overdracht van huur en onderhuur is verboden.
2.3.6 Vervreemding van het verhuurde goed
In het geval van vervreemding of verkoop van het gehuurde goed moet de nieuwe eigenaar het huurcontract verder naleven.
2.4 Het kortetermijnhandelshuurcontract in het Brussels Gewest en in Wallonië
2.4.1 Het Waals decreet
Ook in Wallonië is er sinds 1 mei 2018 een decreet van toepassing rond de verhuur van handelspanden voor korte duur. Het nieuwe decreet is van toepassing op handelshuurcontracten met een duur van maximaal één jaar. Na afloop van die duur eindigt de overeenkomst zonder dat een opzeg moet gegeven worden. Een verlenging van de huur is wel mogelijk zolang de totale duur van de huur één jaar niet te boven gaat. Het decreet laat de huurder ook toe om de overeenkomst te allen tijde op te zeggen via een aangetekend schrijven en met een opzegtermijn van één maand. De verhuurder heeft geen opzegmogelijkheid.
De huurder mag volgens het decreet verbouwingen aan het pand uitvoeren die dienstig zijn voor zijn onderneming, op voorwaarde dat de kosten niet meer bedragen dan de prijs van één jaar huur. De huurder moet bovendien de verhuurder hiervan, voor de aanvang van de werken, schriftelijk in kennis stellen. De verhuurder kan zich om ‘wettige redenen’ hiertegen verzetten. Op het einde van de huur kan de verhuurder de verwijdering van de verbouwingen vorderen. Als hij de werken wil behouden is hij geen enkele vergoeding verschuldigd. De verhuurder kan zich niet verzetten tegen de verwijdering van de werken door de huurder.
In het decreet worden zowel onderhuur als huuroverdracht verboden. Niettemin kunnen de partijen anders overeenkomen.
In het Brusselse Gewest is een ordonnantie voor handelshuur van korte duur (dus ook voor popupstores) in werking getreden sinds 19 mei 2019. Sinds dan kan men ook in Brussel een winkel (ver)huren voor een duur van één jaar of minder. De huurder kan dan te allen tijde de lopende huur beëindigen, als hij een opzeg van een maand respecteert. Bij zo’n huur van korte duur moet er een intredende en een uittredende plaatsbeschrijving opgesteld worden. De huurwaarborg mag niet hoger zijn dan één maand huur.
Tenzij in de overeenkomst anders wordt overeengekomen, mag de huurder aan het gehuurde goed elke verbouwing uitvoeren die nuttig is voor zijn onderneming. Voorwaarde hiervoor is wel dat daardoor de veiligheid, de netheid of de esthetische waarde van het gebouw niet in het gedrang komt.
De huurder moet de verhuurder via een aangetekende brief op de hoogte brengen van zijn beslissing om werken uit te voeren en dit voor het begin van de werken. De verhuurder beschikt vervolgens over een termijn van tien werkdagen om zich er om wettige redenen tegen te verzetten.
Er bestaat geen specifieke wetgeving m.b.t. de verkoop van een handelszaak.
Men is bijgevolg aangewezen op de regels van het burgerlijk recht m.b.t. de geldigheidsvereisten van de overeenkomst. Het gaat onder andere om: vrijwillige toestemming, bekwaamheid, bepaald voorwerp en geoorloofde oorzaak.
De gebreken in deze basisvereisten zoals dwaling, bedrog, geweld … kunnen aanleiding geven tot nietigverklaring.
Met betrekking tot het voorwerp doet men er goed aan de elementen die als deel van de handelszaak bij de verkoop betrokken zijn, duidelijk te vermelden. Anders zal de rechter bij betwisting de zaak moeten beslechten.
Voor de eigendomsoverdracht van de handelszaak moet rekening worden gehouden met de overdrachtregels die gelden voor lichamelijk roerende goederen, voor schuldvorderingen, voor onroerende goederen en voor merken en modellen.
De verkoper van de handelszaak heeft naast de leveringsplicht ook de verplichting de koper te vrijwaren tegen eigen daad en tegen daden van derden.
Zo mag de verkoper van de handelszaak niet proberen het cliënteel terug te winnen.
De wettelijke verplichting van niet-mededinging is wel beperkt naar voorwerp, naar plaats en tijd.
VOORBEELD
Een likeur- en wijnhandel verkopen en in de nabijheid een schoenenwinkel openen, is niet schadelijk voor de verkochte handelszaak. Een schoenenwinkel verkopen en in een andere gemeente een nieuwe kaaswinkel openen, is ook toegelaten.
Wat het aspect tijd betreft, zal men rekening houden met het feit dat er na verloop van tijd voldoende sterke klantenbinding is.
Het verkoopcontract van de handelszaak bevat meestal uitdrukkelijk een concurrentiebeding. Om geldig te zijn, moet dit voldoende beperkt zijn in tijd en/of ruimte.
Een overname kan belangrijke fiscale en financiële gevolgen hebben. De overnemer kan dus best op veilig spelen om te voorkomen dat hij mee moet opdraaien voor de fiscale en sociale schulden van de overdrager. Het is daarom aan te raden om de overnameovereenkomst door een advocaat te laten opstellen.
roerende goederen
4.1 De wetgeving op inpandgeving invoege sedert 1 januari 2018
Het pand op de handelszaak is afgeschaft zodat geen nieuwe panden op een handelszaak kunnen worden gevestigd. De vroeger bestaande regeling blijft wel gelden voor reeds bestaande panden op handelszaken.
De zogenaamde Wet roerende zekerheden voerde een compleet ander stelsel in wat betreft het pand. Er is één systeem van pand voor alle roerende goederen. Daarbij kan een pand op roerende goederen worden gevestigd zonder buitenbezitstelling.
VOORBEELD
Het in pand geven van een dure productiemachine, waarbij de schuldenaar-ondernemer de machine nog in zijn bezit houdt en ze dus nog kan inzetten voor de productie.
De publiciteit wordt verzekerd door de inschrijving in een nieuw online Nationaal Pandregister. De registratie van het pandrecht daarin vervalt na verloop van een (hernieuwbare) termijn van 10 jaar.
Het Nationaal Pandregister is te vinden op de website van FOD België: https://financien.belgium.be/ nl/E-services/pandregister.
Er is een eenvoudigere procedure gecreëerd voor de ‘uitwinning’ van de goederen die in pand werden gegeven. Is de pandgever geen consument dan moet de rechter zelfs niet meer tussenkomen voor de uitwinning. Voor pandgevers-consumenten moet dat wel nog gebeuren.
Het Nationaal Pandregister is openbaar.
Men kan ook een eigendomsvoorbehoud laten registreren in het pandregister. Ook al is het ‘goed’ al verwerkt of vermengd, toch kan de verkoper zijn rechten nog laten gelden.
Het eigendomsrecht blijft zelfs bestaan als de goederen al verwerkt zijn in een onroerend goed op voorwaarde dat het eigendomsvoorbehoud geregistreerd is in het Nationaal Pandregister. Denk hierbij bijvoorbeeld maar aan het geval waarin een aannemer een nieuwe verwarmingsketel installeert in een woning.
De bestaande waarborgen ‘pand op de handelszaak’ doven geleidelijk uit. We beperken ons in wat volgt dan ook tot een kort overzicht van wat het pand op de handelszaak juist inhoudt.
De vroegere wetgeving bevatte een niet-beperkende opsomming aan van de elementen die als deel van een handelszaak in pand gegeven kunnen worden.
Concreet luidt dit als volgt: ‘Het pand omvat het geheel der waarden die de handelszaak uitmaken, met name de klandizie, het uithangbord, de handelsinrichting, de merken, het recht op de huurceel, het mobilair van het magazijn en het gereedschap, dat alles behoudens strijdig beding. Het mag de aanwezige voorraad opgeslagen waren, tot een bedrag van 50 t.h. hunner waarde, omvatten’.
De inpandgeving van de handelszaak kan alleen gebeuren t.a.v. kredietinstellingen met regeringstoelating Bovendien moet de inpandgeving gebeuren bij een authentieke akte of geregistreerde onderhandse akte.
Om reden van openbaarheid en tegenstelbaarheid aan derden moet de akte ingeschreven worden in het register van de hypothecaire openbaarmaking van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie bij het kantoor Rechtszekerheid van het gerechtelijk arrondissement waar de handelszaak zich bevindt. De datum van inschrijving bepaalt de rang. De inschrijving geldt voor een periode van tien jaar.
De pandgever blijft de zaak exploiteren. Hij mag echter geen goederen vervreemden of verplaatsen met als bedrieglijk opzet de waarde van het pand te verminderen.
Als de pandgever zijn verbintenissen niet naleeft, kan de schuldeiser overgaan tot inbeslagneming van de in pand gegeven goederen van de handelszaak. Dat gebeurt bij deurwaardersexploot.
De ondernemingsrechtbank moet het beslag geldig verklaren. Het is de voorzitter van de rechtbank die na het horen van de partijen de hele of gedeeltelijke verkoop zal bevelen. De opbrengst zal bij voorrang aan de pandhoudende schuldeiser overgemaakt worden, bij afwezigheid van schuldeisers die in die rangorde voorrang hebben (bv. hypothecaire schuldeisers).
VOORBEELD
Via de portaalsite eservices van het Ministerie van Financiën kun je onder meer voor registratie de bevoegde kantoren Rechtszekerheid terugvinden (zie: https://eservices.minfin.fgov.be/annucomp/ welcomeMenu1.do).
Zo is er een kantoor Rechtszekerheid in Dendermonde (zie: https://eservices.minfin.fgov.be/annucomp/UIC01_act01_loadResultBureauDetailWelkom.do?action=/welcomeMenu1Extend. do&idTqBureau=6252).
Stel dat je de handelshuurovereenkomst voor jouw bloemenwinkel gevestigd in de gemeente of stad waar je nu woont, moet registeren. Zoek eens op bij welk kantoor Rechtszekerheid je daarvoor moet zijn.
5 Elektronisch contracteren voor onroerend
Een aantal belemmeringen voor het sluiten van overeenkomsten langs elektronische weg werden opgeheven.
Zo bepaalt het WER dat onder andere de overeenkomsten in verband met onroerend goed via elektronische weg kunnen worden gesloten. Een onroerend goed kan dus per e-mail worden verkocht. De wetgeving volgt hiermee de technologische evolutie.
De rechter kan wel oordelen dat de overeenkomst niet geldig is afgesloten wanneer er praktische belemmeringen zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer een noodzakelijk certificaat nodig voor de overeenkomst enkel op papier wordt uitgereikt door een overheid (bv. het verplichte energieprestatiecertificaat (EPC), een bodemattest, een stedenbouwkundig uittreksel, of uittreksel van het kadaster).
De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat heeft het platform Biddit (zie: https://www. biddit.be/nl/catalog/landing) in het leven geroepen voor het online kopen en verkopen van vastgoed. Op deze site kun je een bod uitbrengen vanop je laptop, met behulp van je eID-kaart, (je identiteitskaart), maar het kan ook vanop jouw smartphone, door gebruik te maken van de app Itsme. Elk bod is bindend. Wanneer je het hoogste bod hebt gedaan binnen een bepaalde periode, dan word je gecontacteerd door de notaris die de verkoop verder finaliseert.
Ook huren kan volledig digitaal verlopen, inclusief de verplichting om de huurovereenkomst te registreren. Bepaalde vastgoedmakelaars bieden deze mogelijkheid via hun website. Door de website van de immomaatschappij te linken met het MYRent-flatform van de federale overheidsdienst Financiën (zie: https://financien.belgium.be/nl/E-services/MyRent), kan de huurovereenkomst binnen enkele minuten digitaal worden geregistreerd.
1
Hoofdstuk 4 Betalingsachterstand bij handelstransacties – schulden van de consument
Betalingsachterstand bij handelstransacties
Heel wat ondernemers nemen in hun algemene voorwaarden (dat zijn de kleine lettertjes die vaak op de achterzijde van de factuur staan) een regeling op ingeval van laattijdige betaling door een klant. Veelal voorzien de algemene voorwaarden dat de klant een intrest verschuldigd is en ook een forfaitaire schadevergoeding. Voor zover de vastgelegde intrestvoet en schadevergoeding niet overdreven en niet in strijd met de wetgeving zijn, zullen de bepalingen van de algemene voorwaarden in beginsel ook geldig zijn. In dat verband zijn een intrestvoet van 12 % en een schadevergoeding van eveneens 10 % voor heel wat rechters aanvaardbaar, tenzij er een afwijkende wetgeving is (bijvoorbeeld in de relatie met consumenten, zie verder). Ze zullen in beginsel ook van toepassing zijn voor zover de klant de voorwaarden aanvaardde.
De (Europese) wetgever wil betalingsachterstanden sterk ontmoedigen. Uitstel van betaling brengt immers (vooral kleine en middelgrote) ondernemingen in liquiditeitsproblemen, wat de economie vertraagt en ondergraaft. Daarnaast is het ook de bedoeling om het betalingsrisico te verminderen op de gehele Europese markt, zeker voor ondernemingen die internationaal handel drijven. Er bestaat dan ook een specifieke Belgische wetgeving met betrekking tot de betalingsachterstand in handelstransacties.
Deze wet voor B2B-handelstransacties werd vanaf 1 februari 2022 verstrengd. Onder meer door de coronapandemie waren laattijdige betalingen namelijk sterk toegenomen, met alle gevolgen van dien voor ondernemingen die zo in financiële moeilijkheden komen.
VOORBEELD
Een studie van dataverwerkingsexpert Altares toont aan dat 61,9% van de Belgische ondernemingen haar facturen in het vierde kwartaal van 2024 niet op tijd betaalde. Dus zes op de tien ondernemingen betaalden hun rekeningen te laat. 2,4% van de laatbetalers betaalde zelfs later dan 90 dagen. Daarmee is België de traagste betaler van Noord-Europa. De grote bedrijven betalen het vaakst te laat. Het betaalgedrag varieert per sector. De transport- en distributiesector blijft de slechtste betaler met slechts 30,2% die op tijd betaalde.
Persbericht Altares: https://www.altares.be/nieuws/belgie-blijft-de-traagste-betaler-in-noord-europamet-62-te-late-betalingen-in-q4-2024/
De regeling B2B-handelstransacties is alleen van toepassing op economische activiteiten in de relatie tussen ondernemingen of tussen een onderneming en een aanbestedende overheid. Dat betekent
meteen dat een ondernemer geen beroep kan doen op de wet als hij bv. verkoopt aan particulieren of aan hen bepaalde diensten verleent.
VOORBEELD
De regeling is wel van toepassing als een ondernemer een geluidsinstallatie verkoopt aan de uitbater van de taverne om de hoek om die in zijn zaak te plaatsen. Als zijn echtgenote bv. een televisietoestel voor thuis bij hem koopt, is de wet niet van toepassing.
Deze wettelijke regeling is in de relatie met de overheid alleen van toepassing als de specifieke bepalingen van de regelgeving inzake overheidsopdrachten niet van toepassing zijn. Door middel van een KB werden de uitvoeringsregels van de betalingsregels bij overheidsopdrachten aangepast.
1.2.1 Betalingstermijn afgesproken of niet
Als de contractspartijen geen betalingstermijn afspreken, dan moet de betaling in beginsel gebeuren binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van de factuur door de klant. De betalingstermijn begint dus te lopen de eerste dag die volgt op de ontvangst van de factuur door de schuldenaar. Staat de ontvangstdatum van de factuur niet vast of wordt de factuur voor de levering verstuurd, dan moet de betaling gebeuren binnen dertig dagen na ontvangst van de goederen of diensten. Is er een procedure (met verificatieperiode) van aanvaarding of controle van de goederen of diensten voorzien in de overeenkomst en komt de factuur voor het einde van die periode, dan maakt deze verificatieperiode integraal deel uit van de betalingstermijn.
VOORBEELD
Bij aankoop door een elektrobedrijf van een partij wasmachines, werd in de overeenkomst voorzien dat er een verificatietermijn van 2 weken is voor controle. Dit om na te gaan of de toestellen voldoen aan de technische vereisten zoals voorzien in de overeenkomst. De aankoop gebeurde op datum van 10 februari 2026, de ontvangstdatum van de factuur is 20 februari 2026. De goederen werden geleverd op 18 februari 2026. De verificatieperiode eindigt dus op 4 maart 2026. De betalingstermijn gaat in de eerste dag die volgt op de ontvangst van de factuur, dus op 21 februari 2026 en niet op 4 maart 2026.
De wet voorziet uitdrukkelijk het verbod om afspraken te maken over de ontvangstdatum van de factuur om te voorkomen dat de wettelijke start van de betalingstermijn wordt omzeild en niet strookt met de realiteit.
Spreken de contractspartijen wel een betalingstermijn af, dan is die niet noodzakelijk geldig. De wet geeft namelijk grenzen aan van wat kan en wat niet. Zo mag de overeengekomen betalingstermijn tussen ondernemingen in principe nooit langer zijn dan 60 kalenderdagen. Voor bepaalde sectoren kan bij KB een uitzondering worden toegestaan.
Een grote distributeur spreekt onderling met lokale kleine ondernemingen die zijn leveranciers zijn een betalingstermijn van 120 kalenderdagen af. Het beding, de clausule dus in de overeenkomst wordt beschouwd als ‘niet geschreven’. In dit geval geldt dan een betalingstermijn van 30 kalenderdagen. Het doel is het aanwenden van machtsposities van grote ondernemingen t.a.v. kleinere te milderen.
Hoofdstuk 4 Betalingsachterstand bij handelstransacties – schulden van de consument
Voor overheden zijn de regels strikter. Vanaf 1 januari 2025, geldt een behandelingstermijn (vervangt de verificatietermijn en de betalingstermijn), waarbij nazicht en betaling moeten plaatsvinden binnen 30 kalenderdagen.
Hierop zijn uitzonderingen mogelijk als aan verschillende voorwaarden samen wordt voldaan: uitdrukkelijke vermelding van de langere behandeltermijn in de opdrachtdocumenten; de afwijking moet objectief gerechtvaardigd zijn door de bijzondere aard of eigenschappen van de opdracht; de behandeltermijn mag maximum 60 dagen tellen; de verlenging mag niet onbillijk zijn tegenover de opdrachtnemer.
Voor opdrachtgevers (overheidsinstanties) die gezondheidszorg verstrekken voorziet het KB ook een uitzondering met specifieke voorwaarden.
1.2.2
Als de klant laattijdig betaalt (en dus de hiervoor beschreven betalingstermijnen niet naleeft), dan heeft de schuldeiser bij niet-betaling op de vervaldag recht op een intrest tegen de referentie-intrestvoet (de referentie-intrestvoet van de Europese Centrale Bank) vermeerderd met acht procentpunten en afgerond tot het hogere halve procentpunt. Die intrest is automatisch verschuldigd. Ondernemingen onderling kunnen hiervan binnen bepaalde grenzen afwijken, maar als de overheid de klant is, kan dat niet.
Los van de intrest kan de schuldeiser aanspraak maken op een redelijke schadeloosstelling voor de invorderingskosten. De wet voorziet een vast bedrag van 40 EUR dat de klant automatisch (zonder aanmaning) verschuldigd is. Bovenop dat forfaitaire bedrag heeft de schuldeiser recht op een redelijke schadeloosstelling voor alle andere invorderingskosten die dat vaste bedrag te boven gaan en die ontstaan zijn door de laattijdige betaling, daarin begrepen de rechtsplegingvergoeding overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek.
De wettelijk toepasbare rentevoeten zijn terug te vinden op de website van de FOD Financiën (https://financien.belgium.be/nl/over_de_fod/structuur_en_diensten/algemene_administraties/ thesaurie/rentevoet_betalingsachterstand_handelstransacties).
Voor het eerste semester van 2026 was die rentevoet voor betalingsachterstand bij handelstransacties 10,5 %. Wat is de rentevoet op dit moment?
De wet bepaalt dat de winnende partij van een proces een forfait voor zijn advocaatkosten krijgt van de verliezer. Die wetgeving is er gekomen o.w.v. de discussie die was ontstaan in de rechtspraak of de verliezer van een proces de advocatenkosten van de winnaar moest betalen.
Meer bepaald werden de zogenaamde rechtsplegingsvergoedingen zeer sterk verhoogd. Concreet worden ze afhankelijk gesteld van de waarde van de vordering. Hoe hoger het bedrag van de vordering die voor de rechtbank wordt gebracht is, hoe hoger ook de rechtplegingsvergoedingen zullen zijn.
In beginsel wordt een zogenaamd basisbedrag toegekend. Dat begint op 235,47 EUR en kan, voor de grootste vorderingen, zelfs tot 23 546,51 EUR per aanleg gaan. Op verzoek van een van de partijen
kan de rechter ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, tot aangegeven minima of maxima.
VOORBEELD
Voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn (bijvoorbeeld een echtscheidingsprocedure) bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 1 883,72 EUR, het minimumbedrag 117,73 EUR en het maximumbedrag 15 697,67 EUR.
De rechtsplegingsvergoedingen zijn zowel van toepassing in geschillen tussen ondernemers, tussen een ondernemer en een particulier als bij geschillen tussen particulieren. Ook bij een geschil tussen bv. de overheid en een particulier of ondernemer zijn de rechtsplegingsvergoedingen van toepassing. De bedragen gelden ‘per aanleg’. Als er dus zowel een procedure in eerste aanleg als in hoger beroep wordt gevoerd, is de rechtsplegingsvergoeding twee keer verschuldigd.
Het boek XIX WER geeft aan welke spelregels een onderneming moet volgen als een consument een factuur niet tijdig betaalt. Daarnaast worden allerlei verplichtingen opgelegd aan professionelen die zulke facturen willen invorderen (bv. incassobureaus, advocaten die tot de ‘minnelijke invordering’ buiten de rechtbank overgaan, …).
Een eerste uitgangspunt van de wet is dat een ondernemer niet langer een schadevergoeding en intresten kan vragen aan een consument door het feit dat deze een factuur van die ondernemer niet tegen de vervaldag betaalt en dit zelfs niet als dat in zijn contract of algemene voorwaarden zo zou staan. De consument heeft voortaan namelijk recht op een eerste gratis herinnering. Eens de ondernemer die gestuurd heeft, krijgt de klant nog een termijn van minstens 14 dagen om alsnog tot betaling over te gaan zonder dat de ondernemer hem een extra vergoeding (schadebeding, intresten, …) kan vragen.
Die eerste aanmaning moet trouwens een aantal wettelijk verplichte vermeldingen bevatten. Zo moet de onderneming onder andere aangeven wat het verschuldigde saldo van de factuur is en het bedrag van het schadebeding dat zal worden geëist bij niet-betaling binnen de termijn van 14 kalenderdagen.
Daarnaast worden beperkingen aangebracht aan het schadebeding dat de onderneming kan overeenkomen met een consument. Het bedrag mag niet hoger zijn dan 20 euro als het verschuldigde saldo lager dan of gelijk aan 150 euro is. De vergoeding mag 30 euro vermeerderd met 10 % van het verschuldigde bedrag op de schijf tussen 150,01 en 500 euro bedragen als het verschuldigde saldo tussen 150,01 en 500 euro is en 65 euro vermeerderd met 5 % van het verschuldigde bedrag op de schijf boven 500 euro met een maximum van 2 000 euro als het verschuldigde saldo hoger dan 500 euro is. Neemt de onderneming geen schadebeding op dan zal ze haar werkelijke schade door de te late betaling moeten bewijzen.
VOORBEELD
Een consument is aan een onderneming nog een bedrag van 250 euro verschuldigd. Het schadebeding mag dan maximaal 30 euro zijn plus 10 % van 100 euro (250 euro - 150 euro). Dat geeft een totaal van 40 euro.
Een consument is aan een onderneming nog een bedrag van 1 500 euro verschuldigd. Het schadebeding mag dan maximaal 65 euro zijn plus 5 % van 1 000 euro (1 500 euro - 500 euro). Dat geeft een totaal van 115 euro.
De wet brengt ook grenzen aan aan de intresten die een onderneming aan een consument kan vragen bij een laattijdige betaling. Die intresten mogen niet hoger zijn dan de interest tegen de referentieinterestvoet vermeerderd met acht procentpunten bedoeld in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties.
Neemt de onderneming geen regeling op inzake de intresten, dan kan zij enkel de wettelijke intresten vragen. Voor 2026 is dat 4,5 %.
Doet de onderneming uiteindelijk beroep op een advocaat, incassobureau of gerechtsdeurwaarder om haar factuur te innen dan moeten die zich ook houden aan strikte wettelijke voorschriften. Hun aanmaningen zullen bovendien een aantal verplichte vermeldingen moeten bevatten. Het zou ons te ver leiden daarop verder in te gaan.
We merken nog even op dat ook hier in geschillen tussen ondernemingen en consumenten (B2C), de regeling rechtsplegingsvergoeding van toepassing is. Zie hierboven 1.3 Rechtsplegingsvergoeding.
1 In je buurt wordt door een projectontwikkelaar een groot flatgebouw opgetrokken. Bedoeling van de projectontwikkelaar is de appartementen te verkopen. Volgens enkele buren zou de projectontwikkelaar trouwens tevens notaris zijn in West-Vlaanderen. Quid?
2 Geef aan of het al dan niet gaat om ondernemingsactiviteiten. Motiveer je antwoord:
–
Een ondernemer koopt een hifi-installatie om in zijn zaak te installeren.
Een ondernemer koopt een hifi-installatie als nieuwjaarsgeschenk voor zijn zoontje.
– Een particulier verkoopt een tweedehandswagen. –
–
Een ondernemer trekt een wissel.
Een jongerenvereniging brengt op oudejaarsavond feestvierders naar huis tegen betaling.
3 Roger wil zich als zelfstandig klusjesman vestigen. Het is zijn bedoeling om bij particulieren kleine herstellingen en onderhoudswerken uit te voeren, zoals het repareren van sanitaire installaties, werken aan verwarmingsinstallaties, schilderen en behangen. Kan Roger dat zomaar doen?
4 Lieven wordt online benaderd door een financiële instelling die hem een krediet wil toekennen. Zij stellen interessante voorwaarden voor, maar Lieven is er toch niet gerust in omdat de naam ‘Shizuoka Bank’ hem verrassend overkomt. Waar kan Lieven nakijken of dit een instelling is met een wettelijke vergunning om krediet toe te staan in België. Kijk ook eens na van welke financiële instellingen recentelijk de vergunning werd gestopt en welke er zijn bijgekomen.
5 Geleide zoekopdracht 1: Je wil uitzoeken wie in jouw buurt en ruimere omgeving als concurrentie in dezelfde sector actief is. Je kent de namen of ondernemingsnummers of juridische vormen niet. Stel dat je een bier zou willen brouwen en hiervan een winstgevende activiteit wil maken.
– Zoek uit hoeveel vervaardigers van bier er in jouw gemeente en buurgemeenten zijn?
Hoeveel natuurlijke personen en hoeveel rechtspersonen zijn er?
– Wat is hun ondernemingsnummer?
– Kies er een drietal ondernemingen uit, die je nader wil bekijken. Zoek het volgende op:
• Wie is er de bestuurder?
• Welke rechtsvorm heeft de onderneming?
• Oefent de onderneming nog andere activiteiten uit?
• Kan je de publicatie van de statuten vinden in het Belgisch Staatsblad?
• Open de jaarrekening.
6 Geleide zoekopdracht 2: Je kent het ondernemingsnummer van een onderneming en je wil toch eens het volgende checken:
Wie het zijn, dus over welke onderneming gaat het hier?
– Wat is de rechtsvorm?
–
Wie zijn de bestuurders?
– Hoe zien de statuten er uit?
– Hoe hoog was het kapitaal bij oprichting?
Daarnaast interesseert het je ook wel hoe ze er financieel voor staan. Maken ze winst of verlies? Dit is zijn de ondernemingsnummers waar je mee aan de slag kan: 0457 622 640, 0461 227 872, 0540 814 788, 0434 861 589, 0447 208 503 en 0563 854 664.
7 Elisa en Guy beslissen een traiteurszaak over te nemen in het hartje van Antwerpen. De winkel in kwestie heeft een zeer goede reputatie in de ruime omgeving. Elisa en Guy betalen een aanzienlijke overnamesom voor de handelszaak. Groot is hun verbazing als twee maanden na de koop de vorige eigenaar een nieuwe delicatessenzaak begint op 200 meter van hun deur. Nu het aantal klanten zienderogen vermindert, wensen Elisa en Guy te vernemen welke stappen ze kunnen ondernemen.
8 Wim en Adinda willen op een stuk grond een magazijn bouwen voor hun tegelbedrijf. Daarvoor is wel een verkavelingswijziging (vergunning nodig). Zij contacteren voor deze aanvraag hun architect en mailen hierover met elkaar. De architect mailt hierover met de gemeente met zijn cliënten in cc. Wat later merken Wim en Adinda tot hun verbazing dat zij in hun mailbox verkiezingspropaganda ontvangen van de burgemeester. Is dat conform de basisregels van de GDPR? Wat kunnen Wim en Adinda doen?
9 Ellemien wil na haar studies een eigen zaak oprichten. Ze zit als studente industriële wetenschappen met een idee rond het ontwikkelen van ‘verse ambachtelijke gezonde koekjes’, vooral gericht op kleine kinderen. Omdat het afstuderen nadert, onderzoekt Ellemien al de mogelijkheden van haar project met een paar eigenaars van ambachtelijke bakkerijen. Ze had zelfs al een paar prototypes mee om te proeven tijdens de meeting. Uiteindelijk slaagt Ellemien en ze beslist om haar uitvinding te beschermen. Maar tot haar verbazing ziet ze haar eigen idee in de octrooidatabase staan met als houder van het octrooi een van de eigenaars van de bakateliers. Wat kan Ellemien nu doen? Hoe had zij dat kunnen/moeten voorkomen?
In het handelsverkeer gebeurt het maar al te vaak dat een overeenkomst tot stand komt door de bemiddeling van een tussenpersoon. Zijn tussenkomst kan verschillende vormen aannemen. Zijn rol kan bestaan uit het in contact brengen van twee partijen bij de sluiting van een contract zonder dat hij zich verder inmengt. Maar hij kan ook een meer prominente rol innemen en bijvoorbeeld één van de contractpartijen vertegenwoordigen bij het sluiten van een overeenkomst. Soms kan hij zelf overeenkomsten met klanten afsluiten in eigen naam en voor eigen rekening. De volgende voorbeelden illustreren enkele mogelijke rollen die een tussenpersoon kan vervullen:
VOORBEELDEN
– Een autofabrikant kan een beroep doen op een distributeur om zijn wagens in een bepaald land te verdelen. De distributeur kan op zijn beurt werken met lokale garages die de wagens mogen verkopen. Die verkopen de wagens van een bepaald merk dan in eigen naam en voor eigen rekening aan de eindklant.
– Een hamburgerketen kan een beroep doen op plaatselijke bedrijven die de naam van de keten en het businessconcept mogen gebruiken en die onder ‘de vlag van het bedrijf’ in kwestie hun diensten op de markt aanbieden.
– Een buitenlands bedrijf kan werken met een plaatselijke agent om klanten aan te brengen. De agent gaat dan op zoek naar klanten en brengt die in contact met zijn opdrachtgever.
Een ondernemer die een klein bedrijfje heeft probeert vaak alles van a tot z te doen. Hij houdt zich bezig met inkopen, verkopen, administratie en nog zoveel meer. Als een bedrijf groeit, is dat niet meer zomaar mogelijk. Eén van de denkpistes die men dan heeft bestaat erin werknemers in dienst te nemen. Ook het werken met handelstussenpersonen kan een oplossing bieden voor bepaalde problemen of een te hoge werklast. Zo’n tussenpersoon is overigens een zelfstandige ondernemer.
Ook als een ondernemer in het buitenland zaken wil gaan doen is het vaak nodig ‘anderen’ in te schakelen. Werken met ‘plaatselijke’ mensen heeft bovendien een hoop voordelen. Zij kennen nu eenmaal beter de markt en zijn ook op de hoogte van de wetgeving en reglementering in het land in kwestie. Hoofdstuk 5 Overeenkomsten met handelstussenpersonen
1.3 Toepasselijke bepalingen
De wet regelt niet alle overeenkomsten met handelstussenpersonen. Dat is ook niet mogelijk, gelet op de ruimte die de contractuele vrijheid aan partijen biedt. Bovendien is een aantal van deze contracten al voldoende door het gemeenrechtelijk verbintenissenrecht of door de regels van lastgeving geregeld.
Een aantal contracten hebben geen erkenning van de wetgever gekregen, maar worden door de rechtspraak als dusdanig wel erkend.
VOORBEELD
Een voorbeeld hiervan is de franchiseovereenkomst.
Voor een aantal contracten is een wettelijke regeling nodig geweest met het oog op de bescherming van de belangen van de zwakkere contractpartij, zoals de regeling inzake de alleenverkoopovereenkomst en die inzake de handelsagentuur.
Bij de bestudering van de overeenkomsten met handelstussenpersonen moet er ook aandacht zijn voor de Europese en Belgische regelgeving met betrekking tot het mededingingsrecht. Gelet op het specifieke en ingewikkelde karakter van deze regelgeving gaan we hier niet uitvoerig op in. We moeten wel de aandacht vestigen op een wet die als omzetting van een Europese richtlijn de algemene voorwaarden en contractuele overeenkomsten tussen ondernemers aan beperkingen onderwerpt. Deze wet introduceert ook een lijst van verboden bedingen en verbiedt misleidende en oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen (zie ook Marktrecht, marktpraktijken en consumentenbescherming).
Deze wet is bijgevolg ook van toepassing op de overeenkomsten die we in dit hoofdstuk behandelen.
Hierna bespreken we vijf soorten overeenkomsten met handelstussenpersonen. Het gaat om:
1 de overeenkomst van handelsagentuur;
2 de commissieovereenkomst;
3 de concessieovereenkomst;
4 de franchiseovereenkomst en;
5 de makelaarsovereenkomst.
Vervolgens gaan we kort in op de precontractuele informatie die in het kader van bepaalde commerciële samenwerkingsovereenkomsten verstrekt moet worden.
Op het einde van dit hoofdstuk voegen we een schematisch overzicht in van de overeenkomsten met handelstussenpersonen. We maken in het schema ook de indeling handelstussenpersonen in economische zin (werken in eigen naam en voor eigen rekening) en de handelstussenpersonen in strikt juridische zin (werken voor rekening van iemand anders).
2 De overeenkomst van handelsagentuur
2.1 Definitie
De overeenkomst van handelsagentuur is een overeenkomst waarbij de ene partij (de handelsagent) door de andere partij (de principaal), zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en het eventueel afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal. Om van een handelsagentuur te kunnen spreken moeten dus vijf voorwaarden vervuld zijn:
1 Tussen de principaal en de handelsagent mag er geen gezagsrelatie bestaan. Dat betekent dat de handelsagent wel richtlijnen mag krijgen van zijn principaal, maar dat hij zijn werkzaamheden naar eigen goeddunken indeelt en zelfstandig beschikt over zijn tijd.
2 De handelsagent voert geen occasionele opdrachten uit voor zijn principaal. De principaal en de handelsagent houden voortdurend en geregeld contact met elkaar.
3 De handelsagent ontvangt een vergoeding voor zijn diensten.
4 De handelsagent handelt in naam en voor rekening van zijn principaal. Bij het afsluiten van de zaak ontstaat er een directe rechtsband tussen de derde ( de klant) en de principaal.
5 De taak van de handelsagent bestaat er hoofdzakelijk in te bemiddelen tussen een principaal en een derde, de potentiële klant. Eventueel kan dat bemiddelen leiden tot het afsluiten van een contract.
2.2.1 Vergoeding van de handelsagent
De agent kan betaald worden in de vorm van commissielonen, hij kan een vast bedrag krijgen, of een combinatie van beide. De commissie is een vergoeding die varieert naargelang het aantal zaken of de waarde ervan. De partijen zijn volledig vrij in het bepalen van de vergoeding. Als zij dat niet doen, wordt de commissie bepaald aan de hand van de gebruiken van de sector. Bij ontstentenis van dergelijke gebruiken heeft de handelsagent recht op een billijk percentage, waarbij rekening wordt gehouden met alle op de transactie betrekking hebbende elementen.
De wet beschermt de handelsagent tegen eenzijdige wijziging van de commissie maar nu ook tegen eenzijdige wijziging en verhoging van kosten door de principaal. Zo een eenzijdige wijziging kan gezien worden als een verbreking van de handelsagentuur.
VOORBEELD
Een handelsagent werkt voor een buitenlandse producent van een gekend sportmerk (principaal) en krijgt een commissie van 10% op de verkoopprijs exclusief btw verminderd met de transportkosten, verpakkingskosten en verzekering. Dat is zo afgesproken in de overeenkomst. Door de stijgende energiekosten en verpakkingskosten wegens stijging karton en papierprijs, verhoogt de principaal eenzijdig de kosten die in mindering gebracht worden van het bedrag waarop de commissie berekend wordt. Dit kan gezien worden als een verbreking van de handelsagentuur. Het is wel belangrijk dat de handelsagent tijdig aangeeft dat hij het hiermee niet eens is, om vermoeden van stilzwijgend akkoord te voorkomen. De wet zegt nu eenmaal dat rekening houdend met de omstandigheden de rechter kan oordelen dat, wanneer de handelsagent gedurende een relatief lange periode zonder enig voorbehoud commissies aanvaardt die zijn berekend op grond van een verlaagd percentage, hij stilzwijgend instemt met de aldus toegepaste wijziging.
Voor de zaken die gesloten zijn tijdens de duur van de handelsagentuurovereenkomst, heeft de agent in drie gevallen recht op commissie: als de zaak door zijn bemiddeling is gesloten; als de zaak gesloten is met een derde, die de agent vroeger al voor soortgelijke zaken heeft aangebracht; als de principaal de handelsagent een bepaald gebied of een bepaald cliënteel heeft toegewezen en de zaak uit dat gebied of dat cliënteel komt.
Voor zaken die worden afgesloten na het einde van de handelsagentuur, heeft de agent in twee gevallen recht op een commissie als de transactie hoofdzakelijk te danken is aan de werkzaamheden van de agent tijdens de duur van de handelsagentuurovereenkomst en de zaak afgesloten is binnen een termijn van zes maanden, te rekenen vanaf het einde van de overeenkomst; als de bestelling ontvangen werd voor het einde van de agentuurovereenkomst.
De commissie is opeisbaar zodra de principaal zijn verplichtingen ten opzichte van de klant is nagekomen of zodra de principaal de verplichtingen had moeten nakomen. Ze is ook opeisbaar als de klant zijn contractuele verplichtingen nakwam. De commissie wordt uiterlijk betaald op de laatste dag van de maand die volgt op het kwartaal waarin zij opeisbaar is.
Hoe zou volgens jou de commissie van een handelsagent voor de internationale verkoop van juridische en hoogtechnologische diensten zich verhouden tegenover de commissie van een handelsagent die luxejachten verkoopt?
2.2.2 Duur en einde van de overeenkomst
De handelsagentuurovereenkomst kan voor bepaalde of voor onbepaalde duur gesloten worden. Een mondelinge overeenkomst of een schriftelijke overeenkomst waarvan de duur niet in het contract is bepaald, is een overeenkomst van onbepaalde duur. Een schriftelijke overeenkomst waar wel is voorzien in een duur en die na het verloop van die termijn wordt verdergezet, wordt van in het begin geacht een contract van onbepaalde duur te zijn.
De agentuurovereenkomst die voor bepaalde duur is aangegaan, neemt een einde bij het verstrijken van de overeengekomen termijn. Ze kan ook vroeger eindigen als partijen het eens zijn over een vervroegde stopzetting. In de overeenkomst voor bepaalde duur kan de mogelijkheid opgenomen zijn ze vervroegd te beëindigen met naleving van een opzegtermijn.
De agentuurovereenkomst die gesloten is voor onbepaalde duur of waarvan vermoed wordt dat ze is aangegaan voor onbepaalde duur, kan te allen tijde in onderling akkoord stopgezet worden. Ze kan door elk van de partijen ook eenzijdig beëindigd worden door het naleven van een opzegtermijn.
De duur van deze opzeggingstermijn bedraagt een maand gedurende het eerste jaar van de overeenkomst. Voor elk daaropvolgend jaar komt er een maand bij, zonder dat deze termijn meer dan zes maanden mag bedragen. De partijen kunnen geen kortere, maar wel langere termijnen overeenkomen. Doen zij dit, dan mag de termijn die de principaal moet naleven niet korter zijn dan diegene die de agent moet naleven.
In de sector van het verzekeringswezen, van de kredietinstellingen of van de gereglementeerde markten voor effecten waar een paritair overlegorgaan werd opgericht, gelden bijzondere regels over de opzeg.
De agentuurovereenkomst (ongeacht of die voor bepaalde dan wel onbepaalde duur werd aangegaan) kan ook meteen beëindigd worden door één van de partijen wegens een ernstige tekortkoming of uitzonderlijke omstandigheden. In zekere mate is dat vergelijkbaar met het ontslag om een dringende reden in het kader van de arbeidsovereenkomst
VOORBEELD
Ernstige tekortkomingen kunnen bv. zijn; – het overtreden van de contractueel opgelegde exclusiviteit; – het aanvaarden van steekpenningen door de handelsagent; – het faillissement van een van de partijen; – de veroordeling van de handelsagent voor daden waardoor het vertrouwen van de principaal geschokt kan worden.
Een beëindiging als gevolg van een ernstige tekortkoming of van uitzonderlijke omstandigheden moet binnen zeven dagen na de ontdekking van de feiten gebeuren door de partij die een einde maakt aan de overeenkomst van handelsagentuur. Binnen zeven dagen na de beëindiging moet diezelfde partij per brief aangeven wat de ernstige tekortkoming of de uitzonderlijke omstandigheden inhielden.
Als de opzegtermijn niet wordt nageleefd (of als de overeenkomst werd opgezegd wegens een ernstige tekortkoming of wegens uitzonderlijke omstandigheden die er geen waren), dan voorziet de wet dat de partij die in gebreke is gebleven de juiste opzegtermijn te geven een opzegvergoeding moet betalen. Die vergoeding komt overeen met een bedrag dat wordt berekend op basis van het aantal maanden opzegtermijn die gegeven hadden moeten worden en het gemiddelde van de commissies die verdiend zijn gedurende de twaalf maanden die voorafgegaan zijn aan de beëindiging van de overeenkomst.
2.2.3
De handelsagent kan ook soms aanspraak maken op een uitwinningsvergoeding. Hiervoor is vereist dat hij nieuwe klanten geworven heeft voor de principaal of de zaken met bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid. Als er in de agentuurovereenkomst een concurrentiebeding is opgenomen, geldt er een weerlegbaar vermoeden dat de agent cliënteel heeft aangebracht. Bovendien moet de aanbreng van nieuwe klanten nog aanzienlijke voordelen kunnen opleveren voor de principaal na het einde van de overeenkomst.
De uitwinningsvergoeding is niet verschuldigd als de principaal de agentuurovereenkomst terecht beëindigt wegens een ernstige tekortkoming van de agent of als de agent zelf de overeenkomst beeindigt zonder dat daar bepaalde door de wet aanvaarde redenen (bv. de agent beëindigde terecht de overeenkomst omwille van een ernstige tekortkoming in hoofde van de principaal) voor voorliggen.
Het maximum dat de handelsagent kan krijgen als uitwinningsvergoeding is één jaar vergoeding berekend op basis van de laatste vijf jaar of als het contract nog geen vijf jaar heeft geduurd, op het gemiddelde van de voorafgaande jaren. Niettemin geeft de wet aan dat als het bedrag van de vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, de handelsagent – mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst – boven die vergoeding een schadeloosstelling kan krijgen ter waarde van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding.
In de agentuurovereenkomst kan een concurrentiebeding staan. Dat is een clausule die de agent verbiedt om producten te verkopen of diensten te leveren die concurrerend zijn met de producten of diensten van de principaal.
Om geldig te zijn moet deze clausule voldoen aan een aantal voorwaarden:
1 het concurrentiebeding moet schriftelijk bedongen zijn;
2 de clausule moet betrekking hebben op dat soort zaken waarmee de agent belast is;
3 de clausule moet beperkt blijven tot een bepaald geografisch gebied of tot de groep personen of het geografisch gebied waarvoor de agent bevoegd is;
4 het concurrentiebeding moet beperkt zijn in de tijd. Het mag niet verder reiken dan zes maanden na de beëindiging van de overeenkomst.
Als een concurrentieclausule één van deze voorwaarden overtreedt, wordt de clausule voor nietgeschreven gehouden en kan de principaal er zich niet op beroepen.
Bij het online materiaal kun je een voorbeeld van een handelsagentuurovereenkomst vinden.
De commissieovereenkomst is een contract waarbij een persoon (de commissionair) zich tegen vergoeding verbindt om in eigen naam, maar voor rekening van een ander (de committent) over te gaan tot het stellen van een of meer rechtshandelingen van commerciële aard.
De commissionair handelt dus in eigen naam. Dit betekent dat hij zich, in tegenstelling tot de handelsagent, persoonlijk verbindt bij de overeenkomst met de derde-klant. Er ontstaat bijgevolg geen rechtstreekse band tussen de committent en de derde-wederpartij.
De commissionair blijft in de eerste plaats een handelstussenpersoon, wat betekent dat hij de transactie, ook al sluit hij die in eigen naam, niet voor zich persoonlijk aangaat, maar wel voor een ander.
De commissieovereenkomst kan alleen betrekking hebben op commerciële transacties.
Zoals bij de handelsagentuur onderscheidt de commissieovereenkomst zich van de klassieke lastgeving door de vergoeding die essentieel is.
3.2.1 Verplichtingen van de commissionair
1 De commissionair krijgt zijn instructies van de committent en voert die uit. De committent zal de commissionair opdragen voor hem een tegenpartij te zoeken om een handelscontract te sluiten. Op de commissionair rust de verplichting om de instructies die hem zijn gegeven, nauwgezet te volgen.
2 De commissionair moet de identiteit van zijn opdrachtgever, de committent, verzwijgen.
3 De commissionair moet verantwoording afleggen over de gedane verrichtingen. Veelal zal deze plicht gepaard gaan met een aantal clausules die de aansprakelijkheid van de commissionair regelen.
4 De commissionair heeft naar de committent een informatieplicht. Hij moet zijn opdrachtgever informeren over alle relevante informatie met betrekking tot de transactie.
3.2.2 Verplichtingen van de committent
1 De committent moet de transactie voor zijn rekening nemen als de door de committent vooraf opgelegde instructies door de commissionair werden nageleefd.
2 De committent moet het commissieloon betalen dat aan de commissionair toekomt. Het commissieloon is verschuldigd zodra de transactie is afgesloten. De partijen kunnen de modaliteiten in dat verband volledig vrij bepalen.
3 De committent moet de kosten terugbetalen die de commissionair bij de uitvoering van zijn opdracht heeft gedaan.
Een verkoopconcessie is een overeenkomst waarbij de concessiegever (meestal de producent of de importeur van een product) aan een concessiehouder het recht verleent om in eigen naam en voor eigen rekening de producten van de concessiegever te verkopen.
Om van een verkoopsconcessie te kunnen spreken moeten dus de volgende voorwaarden vervuld zijn: De concessiehouder beschikt over een volledige zelfstandigheid bij de verkoop van de goederen die de concessieovereenkomst specificeert. In die zin is hij eigenlijk geen handelstussenpersoon. Hij neemt zelf de risico’s met betrekking tot de verkoop van de goederen en sluit zelf, in eigen naam, de contracten.
De concessiehouder verkoopt ook zijn goederen voor eigen rekening en neemt de financiële risico’s. Hij geniet van de opbrengst die hij maakt op de verkoop, maar draagt ook het verlies van zijn exploitatie.
De verkoopconcessie is een vorm van contract met tussenpersonen die bijvoorbeeld zeer vaak voorkomt in de automobielsector.
Boek X WER regelt bepaalde concessieovereenkomsten. Daarin zijn de spelregels betreffende de eenzijdige beëindiging van de voor onbepaalde tijd verleende concessies van alleenverkoop opgenomen. In wat volgt staan we enkel stil bij die concessieovereenkomsten van alleenverkoop.
De wet maakt een onderscheid tussen overeenkomsten die zijn aangegaan voor bepaalde duur en overeenkomsten die zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Beide soorten overeenkomsten kunnen altijd beëindigd worden in onderling akkoord.
Een concessieovereenkomst voor bepaalde duur loopt in principe af door het verlopen van de duur van de overeenkomst. Als een van de partijen de overeenkomst vroegtijdig verbreekt, kan deze partij hiervoor contractueel aansprakelijk worden gesteld.
De niet-verlenging van een overeenkomst van bepaalde duur moet ten vroegste zes maanden en ten laatste drie maanden voor de beëindiging per aangetekende brief aan de tegenpartij gemeld worden. Doet men dat niet of niet correct, dan blijft het contract automatisch geldig voor een onbepaalde duur of voor de bepaalde duur die in het contract voorzien was in het geval van stilzwijgende verlenging.
De wet beperkt de contractuele vrijheid van de partijen om overeenkomsten van bepaalde duur te verlengen. Het oorspronkelijke contract mag slechts tweemaal hernieuwd worden. Gebeurt dat vaker, dan wordt het contract geacht een contract van onbepaalde duur te zijn.
Een concessieovereenkomst van onbepaalde duur kan onmiddellijk beëindigd worden op grond van een ernstige tekortkoming van een van de partijen aan haar contractuele verplichtingen. Een van de partijen kan ze ook beëindigen door het geven van een redelijke opzegtermijn of de betaling van een billijke opzegvergoeding.
De overeenkomst die voor onbepaalde duur is aangegaan, kan onmiddellijk en zonder vergoeding ontbonden worden wegens een grove tekortkoming. Dat is een fout die de verdere samenwerking tussen partijen, vereist voor de uitvoering van de overeenkomst, onmogelijk maakt. Een voorbeeld hiervan is de schending door de concessiehouder van zijn plicht om zich exclusief te bevoorraden bij de concessiegever.
Als er geen grove tekortkoming (ook wel zware fout genoemd) is, moet bij de beëindiging van de overeenkomst een opzegtermijn nageleefd worden. De partijen kunnen deze termijn onderling bepalen. Als zij niet tot een akkoord kunnen komen, zal de rechter de knoop moeten doorhakken. Om te bepalen welke termijn redelijk is moet de rechter zich laten leiden door het criterium van de duur van de periode die de opgezegde partij nodig zal hebben om een gelijkwaardige concessie te vinden.
Zo kan onder andere rekening gehouden worden met de duur van de overeenkomst, het territorium van de overeenkomst, het voorwerp van de overeenkomst, de nettowinst … Op basis van die verschillende elementen oordeelt de rechter naar billijkheid.
4.2.2 Vergoedingen wegens beëindiging van de overeenkomst
De wet voorziet in twee soorten vergoedingen, met name de vervangende opzegvergoeding en de bijkomende opzegvergoeding
1 Als de zware fout waarvoor de overeenkomst werd beëindigd geen zware fout was of als de opzegtermijn niet wordt gerespecteerd, moet de opzeggende partij een vervangende opzegvergoeding betalen. Die wordt bepaald overeenkomstig de opzegtermijn die gegeven had moeten worden (voor de berekening, zie boven) en overeenkomstig bepaalde financiële parameters (die verband houden met de opbrengsten uit de concessie).
2 Naast de vervangende opzegvergoeding kan de concessiehouder – en dus niet de concessiegever – aanspraak maken op een bijkomende billijke vergoeding. De bedoeling hiervan is de concessiehouder te vergoeden voor een aantal inspanningen en kosten die hij gemaakt heeft voor de concessie en die nutteloos dreigen te worden door het verlies van de concessie.
De concessiehouder kan hier aanspraak op maken als er sprake is van een concessie van alleenverkoop voor onbepaalde duur die door de concessiegever wordt beëindigd op andere gronden dan een grove tekortkoming van de concessiehouder, of ingeval de concessiehouder het contract beëindigt wegens grove tekortkoming van de concessiegever.
De bijkomende billijke vergoeding bestaat uit drie elementen:
1 een vergoeding voor het cliënteel dat door de concessiehouder is aangebracht en dat na de beëindiging van de concessieovereenkomst blijft;
2 een vergoeding voor de kosten die door de concessiehouder zijn gemaakt met het oog op de exploitatie van de concessie en die na de beëindiging van de concessie aan de concessiegever voordelen blijven opleveren (voorbeeld hiervan zijn de reclame-uitgaven die de concessiehouder doet tijdens de duur van de concessie);
3 een vergoeding voor het rouwgeld (= de opzegvergoedingen) dat de concessiehouder verschuldigd is aan zijn personeel dat hij verplicht is te ontslaan wegens het verlies van de concessie.
4.2.3 Overige toepasselijke bepalingen
Voor geschillen met betrekking tot bepalingen die buiten de duur en de beëindiging van de concessieovereenkomsten vallen, moet men terugvallen op het gemene recht.
De franchiseovereenkomst is een distributietechniek waarbij een ondernemer met zijn tegenpartij overeenkomt dat hij deel mag uitmaken van het distributiesysteem van de tegenpartij en dat hij gebruik mag maken van bepaalde standaarden eigen aan het distributiesysteem (logo, naam …). In ruil daarvoor betaalt hij vergoedingen aan zijn tegenpartij.
De bedoeling van dit franchisesysteem is een bepaald marketingconcept een wijde verspreiding te geven, zonder hiervoor de financiële risico’s te lopen en te genieten van de naambekendheid bij de consument.
De overeenkomst wordt gesloten tussen een franchisegever (dat is partij die de knowhow verleent) en een franchisenemer (dat is de partij die de knowhow gebruikt en hiervoor vergoedingen betaalt).
De franchisenemer bevindt zich als zelfstandige uitbater in een afhankelijke positie ten aanzien van de franchisegever (vaak grote retailers). Om deze reden is een goed juridisch kader met betrekking tot mededinging en handelspraktijken tussen ondernemingen belangrijk (zie het hoofdstuk over marktpraktijken en consumentenbescherming).
www.franchise.be is een onlineplatform waar ondernemers, franchisegevers en franchisenemers elkaar kunnen vinden.
1 Zoek drie voorbeelden van ketens die met franchisenemers werken.
2 Bekijk voor Bagel Corner en Albert Heijn eens hoeveel eigen vermogen je nodig hebt als franchisenemer.
3 En met welke vergoedingen moet je rekening houden?
5.2
1 Inzake franchise bestaat in België geen specifieke wetgeving. Bijgevolg moet het algemene verbintenissenrecht erop toegepast worden. Op Europees vlak bestaat er wel een richtlijn in het kader van het mededingingsrecht. Daarnaast bestaat er een Europese erecode en het Economisch Wetboek (Marktpraktijken en Bescherming van de mededinging) met specifiek verbod van onder meer onrechtmatige bedingen.
2 In franchisecontracten wordt onder andere een regeling getroffen rond licenties die gegeven worden aan de franchisenemer, bepaalde werkmethodes die de franchisenemer moet volgen, geheimhoudingsverplichtingen, de verplichting het imago van de keten te respecteren … Aan de andere kant krijgt ook de franchisegever een aantal belangrijke verplichtingen opgelegd, zoals de commerciële ondersteuning van de franchisenemer.
3 De partijen bepalen zelf de duur en beëindiging van de franchiseovereenkomst. Als ze dat niet doen, kan men terugvallen op het gemene recht.
4 In het kader van een franchiseovereenkomst moet de franchisenemer een aantal vergoedingen betalen aan de franchisegever. Hierbij gaat het onder andere om: een toetredingsvergoeding: dat is een eenmalige bijdrage betaald bij het afsluiten van de franchiseovereenkomst. Het bedrag is afhankelijk van de grootte van de franchisezaak alsook van de grootte van het territorium waarvoor exclusiviteit werd verleend.
een periodieke bijdrage: op regelmatige, vastgelegde tijdstippen zal de franchisenemer een vergoeding betalen bestaande uit een vast percentage van de omzet of uit een marge op de aangekochte goederen door de franchisenemer van de franchisegever. publiciteitsvergoeding: er kan een vergoeding worden gevraagd om de kosten van reclamecampagnes te dekken. vergoedingen voor bijzondere prestaties: er kan ook een vergoeding worden gevraagd voor diensten waarop de franchisenemer vrijblijvend een beroep kan doen, bijvoorbeeld een vergoeding voor het regelen van de boekhouding.
De makelaar is een onafhankelijke tussenpersoon die als opdracht heeft te bemiddelen bij de totstandkoming van overeenkomsten. De makelaar beperkt er zich in beginsel toe de partijen bij elkaar te brengen en sluit bijgevolg niet zelf de overeenkomst. De makelaar treedt dus op in naam van zijn opdrachtgever en voor rekening van zijn opdrachtgever.
Een typisch voorbeeld van een makelaar is de vastgoedmakelaar, die kopers en verkopers van vastgoed bij elkaar brengt.
Als een consument een bemiddelingsovereenkomst afsluit met een vastgoedmakelaar (bv. opdracht tot bemiddeling bij verkoop, verhuur …), dan gelden specifieke wettelijke regels. Zo moet de makelaar altijd werken met een contract op een duurzame drager (bv. op papier), waarin een aantal verplichte vermeldingen staan (bv. de duur van de overeenkomst …). Het KB voorziet verder onder andere in een bedenktijd van veertien dagen na het sluiten van de bemiddelingsovereenkomst ongeacht de plaats waar de overeenkomst wordt gesloten.
Die bedenktijd geldt alleen voor het contract met de vastgoedmakelaar en niet voor de verkoop- of verhuurovereenkomst zelf. Tevens zijn er deontologische bepalingen waaraan een vastgoedmakelaar zich dient te houden.
6.2 Toepasselijke bepalingen
De makelaarsovereenkomst is een overeenkomst voor de verhuur van diensten die geregeld wordt door de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek. Als de makelaar toch de opdracht zou krijgen om rechtshandelingen te stellen in naam van een van de partijen, gaat het makelaarscontract gepaard met lastgeving en worden de bepalingen met betrekking tot de lastgeving in het oud Burgerlijk Wetboek van toepassing.
6.2.1
1 De makelaar moet de opdracht die hem is gegeven, uitvoeren met de spoed en bekwaamheid die men van hem mag verwachten. Hij moet de nodige stappen doen om een tegenpartij te vinden en die in contact te brengen met zijn opdrachtgever.
2 De makelaar moet zijn opdrachtgever verder informeren over de mogelijke risico’s van de transactie en over de solvabiliteit en deskundigheid van de tegenpartij.
6.2.2 Verplichtingen van de opdrachtgever
1 De opdrachtgever moet aan de makelaar een vergoeding betalen. Meer bepaald heeft de makelaar veelal recht op een vergoeding als de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de derdewederpartij effectief tot stand komt. De partijen zijn evenwel vrij om te bepalen wanneer het loon verschuldigd is.
2 De opdrachtgever moet de kosten terugbetalen die de makelaar in de uitvoering van zijn opdracht heeft moeten maken. Ook hierover kunnen ze afspraken maken.
Deze verplichting is van toepassing op commerciële samenwerkingsovereenkomsten waarbij de ene persoon het recht geeft aan de andere om bij de verkoop van producten of de verstrekking van diensten een commerciële formule te gebruiken onder één of meerdere van de volgende vormen: een gemeenschappelijk uithangbord; een gemeenschappelijke handelsnaam; een overdracht van knowhow; een commerciële of technische bijstand.
Bij zulke overeenkomst moet de persoon die het recht verleent aan de andere minstens één maand voor de ondertekening van het contract (de samenwerkingsovereenkomst) een ontwerp daarvan meedelen aan de andere partij. Bovendien moet er ook een afzonderlijk document (het Precontractueel Informatie Document of PID) bezorgd worden met daarin allerlei verplichte informatie. Enerzijds 15 belangrijke contractuele bepalingen zoals de kosten bij opstart of wederkerende kosten zoals voor marketing, informatica en transport, de verplichtingen inzake minimumomzet enz. en anderzijds 15 gegevens die moeten toelaten de samenwerkingsovereenkomst correct te beoordelen. Zoals bv. de staat van de markt en de vooruitzichten. Op deze manier wordt bv. voor een franchisenemer een duidelijk pre-informatief kader vastgelegd, waardoor hij uitvoerig vooraf verplicht geïnformeerd wordt.
Het ontwerp van overeenkomst en het afzonderlijk document worden door middel van een duurzame gegevensdrager ter beschikking gesteld voor de persoon die het recht verkrijgt, hetgeen toegankelijk moet zijn voor de persoon die het verkrijgt.
Als die bepalingen niet nageleefd worden kan de persoon die het recht verkrijgt de nietigheid inroepen van de commerciële samenwerkingsovereenkomst of van bepaalde clausules daarvan. Dat moet in de regel gebeuren binnen de twee jaar na het sluiten van de overeenkomst.
Schematisch overzicht overeenkomsten met handelstussenpersonen
De makelaarsovereenkomst De concessie-overeenkomst De franchise-overeenkomst
De commissieovereenkomst
De handelsagentuur- overeenkomst
Overeenkomsten met handelstussenpersonen
tussenpersonen in economische zin (werken in eigen naam en voor eigen rekening)
tussenpersonen in economische zin (werken in eigen naam en voor eigen rekening)
tussenpersonen in juridische zin (werken voor andermans rekening)
tussenpersonen in juridische zin (werken voor andermans rekening)
tussenpersonen in juridische zin (werken voor andermans rekening)
Een zelfstandig ondernemer, de franchisenemer mag deel uitmaken van een distributiesysteem en gebruik maken van de knowhow van de franchisegever in ruil voor een vergoeding
Er wordt aan een concessiehouder het recht verleend om de producten van de concessiegever (producent of importeur) te verkopen
Een onafhankelijke tussenpersoon ( de makelaar ) heeft als opdracht te bemiddelen over de totstandkoming van een overeenkomst voor rekening van de opdrachtgever
De commissionair verbindt zich tot het stellen van één of meerdere rechtshandelingen van commerciële aard (commerciële transacties) voor rekening van de committent
De handelsagent bemiddelt permanent met de bedoeling overeenkomsten af te sluiten en hij sluit overeenkomsten af voorrekening van een principaal
Indeling
Omschrijving activiteit
anders: opdrachtgever voor eigen rekening voor eigen rekening
iemand
anders: de opdrachtgever in eigen naam in eigen naam
Handelt in naam van iemand anders: de principaal in eigen naam
Handelt voor rekening van iemand anders: de principaal iemand anders: opdrachtgever committent iemand
Overeenkomsten met handelstussenpersonen: casussen
1 De 34-jarige Igor werkt al een zestal jaar als handelsagent voor nv Sobrimo. Igor wenst nu de agentuurovereenkomst die hij met de firma sloot, te beëindigen. Welke opzegtermijn moet Igor naleven? En kan hij zomaar in dienst treden bij een concurrent van Sobrimo?
2 Goedele wenst op basis van een franchiseovereenkomst een winkel in bruidskleding te beginnen. Hiertoe richt zij een pand in dat gelegen is op de benedenverdieping van een appartementsgebouw. Zeer groot is haar verbazing als enkele dagen voor de geplande opening een mede-eigenaar van het gebouw haar de basisakte toont. Hierin wordt namelijk vermeld dat handelsexploitaties in het gebouw verboden zijn. Goedele, die niet voor alle inrichtingskosten van de winkel wil opdraaien, wil nu een aantal van die uitgaven verhalen op de franchisegever. Maakt zij enige kans?
3 Marc wil zijn villa verkopen. Hij doet een beroep op een vastgoedmakelaar, Immo De Traeghe. Na enkele dagen heeft Marc spijt van zijn beslissing en zou hij alsnog onder het contract met de vastgoedmakelaar uit willen geraken. Maar kan dat wel?
4 Een tweetal jaren geleden sloot Lucas een franchiseovereenkomst met een internationale keten. Groot was de verbazing van Lucas toen enkele weken geleden op nog geen kilometer van zijn bedrijf een nieuw filiaal van de franchiseketen de deuren opende. Aan Lucas was nochtans verteld dat hem exclusiviteit zou worden gegeven voor Brugge en omgeving. Helaas heeft Lucas deze belofte niet op papier. Quid?
5 Hans en Dallila stellen hun woning te koop via een vastgoedmakelaar voor de prijs van 250 000 EUR. Na twee maanden slaagt de makelaar erin, met akkoord van Hans en Dallila, het huis te verkopen voor een heel wat lagere prijs 185 000 EUR. De makelaar vraagt betaling van de contractueel afgesproken vergoeding van 3 % + btw. Hans en Dallila vinden dat bedrag schromelijk overdreven. De makelaar zou immers nauwelijks enige reclame gemaakt hebben. Kunnen zij dat bedrag betwisten?
Begeleidende casus: Een eigen zaak van klein naar groter
In deze case behandelen we alleen de juridische stappen en verplichtingen die de ondernemer moet nemen en nakomen voor en na de start van de onderneming.
We bekijken twee etappes van het leven van deze onderneming. In de eerste etappe starten we met een eenmanszaak (natuurlijke persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent) om daarna in de tweede etappe in te gaan op de juiste keuze van de juridische ondernemingsvorm in een groeiscenario.
Uiteraard zijn de bedrijfseconomische elementen die komen kijken bij de oprichting van een eigen zaak de basis voor het welslagen van de onderneming. Een groeiende rendabele onderneming komt er niet zomaar. Met een goede voorafgaandelijke analyse en een sterk plan, maak je al een stap in de goede richting.
Hieronder reiken we beknopt een paar basiselementen aan die een aanzet vormen voor een echt businessplan. De verdere uitwerking van een businessplan maakt geen deel uit van de cursus economisch recht.
Aanzet businessplan
1 Beschrijf concreet welk project of welke activiteit je wil realiseren
Wat wil je concreet gaan doen?
Waarom wil je dit eigenlijk doen? Wat zijn je beweegredenen, waar zit je motivatie.
Welke meerwaarde biedt jouw product of dienst voor je klant? Waarom zou men bij jou kopen en niet bij de concurrent? Dat noemt men de ‘value propositions’.
2 Ben je uniek met dit idee of zijn er al concurrenten?
Wie is jouw doelgroep precies? Wie zou jouw product of dienst willen kopen? Is het ‘nice to have’ or ‘need to have’?
Hoe ziet de markt eruit voor jouw activiteit of product? Is die bestaand? Is die groot? Is die groeiend?
Zijn de concurrenten grote spelers?
3 Maak een commercieel plan
Teken uit hoe je je product of dienst aan de man gaat brengen. Hoe ga je je klant bereiken?
Via welke verkoopkanalen, tegen welke prijs en met welke promotie of reclame?
4 Hoe ga je je organiseren en waar ga je je vestigen? Ga je alleen werken of niet?
5 Maak een financieel plan
Breng de nodige investeringen in kaart en zoek uit hoe je die gaat financieren.
Lijst op wat je vaste kosten zullen zijn.
Simuleer een financieel plan om te berekenen vanaf welk moment je ‘break even’ draait dus winst noch verlies maakt en vanaf welk moment je echt winst maakt.
Hoofdstuk 5 Overeenkomsten met handelstussenpersonen
Joris en Yasmina zijn twee studenten die in hun tweede jaar bedrijfsmanagement zitten. Ze kiezen bewust voor duurzaamheid en vooral voor ecologisch leven en handelen. Ze zijn met andere woorden begaan met het milieu en met levenskwaliteit. Daarnaast zijn ze ook gedreven om een eigen zaak te beginnen die aansluit bij die ‘motivators’.
Joris en Yasmina zijn ook fietsliefhebbers die in het weekend en in de vakanties de kuitenbijters van de Vlaamse en Waalse Ardennen trotseren en ook de Mont Ventoux heeft voor hen geen geheimen meer.
Vanuit die verschillende visies en passies hebben zij het idee opgevat om te beginnen met een fietshersteldienst. Hun droom reikt nog verder, maar ze willen nu in combinatie met hun studies klein beginnen.
Hun ultieme droom is een zaak uit te bouwen waar fietsen herstellen en verkopen hand in hand gaan met een ontmoetingsplaats, een soort praatcafé voor ‘fietsliefhebbers en professionelen’ met een hart voor duurzaamheid.
Op dit moment willen Joris en Yasmina hun droom combineren met hun studies en zien ze het als een try-outperiode en een bijverdienste. Ze noemen zich de J&Y-fietsfitters.
Een aantal studenten hebben hen als vriendendienst gratis geholpen. Jan, die grafisch ontwerp studeert, heeft een logo gemaakt voor ‘J&Y-fietsfitters’ en Adinda, studente informatica, heeft een website gemaakt. Ze hebben ook een fantastische, originele baseline voor J&Y-fietsfitters gevonden.
Concreet zal hun organisatie er als volgt uitzien:
In weekends, op feestdagen en in vakantieperioden kan je bij fietspech het telefoonnummer van ‘de fietsfitters’ bellen en dan komt een medewerker ter plaatse om je te depanneren.
De actieradius waarbinnen zij werken is mooi afgelijnd in functie van de woonplaats van Joris en Yasmina. Joris woont in Lochristi bij Gent en Yasmina woont in Kortrijk.
Ze gebruiken het tuinhuis en een stuk van de garage van hun ouders, dat ze ombouwen tot een fietsherstelplaats tijdens de weekends.
Het gezin van Yasmina vangt sedert augustus 2022 bij hen thuis de Oekraïense vluchtelingen Tatiana en Aleksandr op. Aleksandr is technisch geschoold en zou graag Yasmina en Joris helpen in hun onderneming. Die bijkomende handen zijn welkom nu ze ook aan hun bachelorproef moeten beginnen werken.
Er ligt dus een duidelijk plan op tafel, maar wat moeten Joris en Yasmina weten en doen voor ze effectief van start kunnen gaan?
In wat volgt doorloop en beantwoord je de vragen over de stappen die Joris en Yasmina moeten ondernemen om hun zaak juridisch correct op te starten.
3.1 Welke vorm neemt de onderneming aan?
1 Joris en Yasmina kiezen er elk apart voor om als zelfstandig ondernemer te beginnen en dus als natuurlijke persoon en niet als vennootschap of rechtspersoon te beginnen.
Kunnen Joris en Yasmina een zelfstandige beroepsactiviteit beginnen?
Om die vraag te beantwoorden, moeten we nagaan of ze aan de juridische voorwaarden voldoen:
– Zijn Joris en Yasmina meerderjarig?
– Zijn ze handelingsbekwaam? Wat betekent dat?
– Speelt hun nationaliteit een rol?
– Zijn er onverenigbaarheden waardoor Joris en Yasmina geen ondernemingsactiviteiten mogen uitvoeren?
– Zullen ze economische activiteiten uitvoeren?
– Zijn ze juridisch een onderneming?
– Kunnen ze allebei de naam ‘fietsfitters’ gebruiken?
– Moeten Joris en Yasmina hun kennis van bedrijfsbeheer bewijzen?
2 Moeten Joris en Yasmina ook over de nodige beroepskennis beschikken? Gaan ze met andere woorden een gereglementeerd beroep aanvatten?
3 Moeten ze een diploma of specifieke beroepskennis van fietsen herstellen kunnen voorleggen?
Hun domicilie ligt in Gent en Kortrijk.
4 Als Joris en Yasmina hun droom van fietsen herstellen en verkopen in combinatie met een ontmoetingsplaats en praatcafé kunnen realiseren, zijn er dan nog bepaalde vergunningen of toelatingen nodig?
Om deze vragen te beantwoorden kun je naast jouw zoekwerk gebruikmaken van wat behandeld werd in:
– 1 De onderneming;
3 Het statuut van de ondernemer en de toegang tot het beroep;
– 3.1 Toegang tot ondernemingsactiviteiten;
– 3.2 De formele verplichtingen van de onderneming; –
3.2.5 Voldoen aan de vestigingswet;
– of van het onlinemateriaal
5 Wanneer (onder welke voorwaarden) kunnen Yoris en Yasmina beroep doen op het ‘Statuut Student Zelfstandige’?
Welke voordelen zou hen dat bieden?
6 Mag Aleksandr in hun bedrijf werken?
Moet hij bedrijfskennis of bedrijfsbeheer kunnen bewijzen?
Heeft hij bepaalde vergunningen nodig?
Wat als Aleksandr hier in Vlaanderen ook als ondernemer aan de slag zou willen gaan?
7 Beginnen als eenmanszaak heeft voordelen, maar er zijn ook risico’s en nadelen aan verbonden. Hoe zouden ze hun samenwerking als aparte eenmanszaken die samenwerken, kunnen regelen? Kunnen zij daarvoor contracten met elkaar afsluiten?
Evalueer de keuze van Joris en Yasmina. Waar zou jij voor kiezen?
8 Joris en Yasmina zijn goed in boekhouden en kiezen ervoor om hun boekhouding zelf uit te voeren.
Is dit realistisch? Zo ja, waarom?
3.2 Welke stappen moeten Joris en Yasmina ondernemen en wat moeten ze weten?
1 Moeten Joris en Yasmina zich inschrijven in de KBO?
2 Moeten Joris en Yasmina zich tot een ondernemingsloket wenden? – Welke gegevens moeten Joris en Yasmina aan het ondernemingsloket bezorgen? – Welke documenten moeten zij aan het ondernemingsloket bezorgen als ze voldoen aan het Statuut Student Zelfstandige? – Kunnen Joris en Yasmina kiezen naar welk loket ze gaan?
3 Krijgt J&Y-fietsfitters een ondernemingsnummer?
4 Joris en Yasmina moeten een bankrekening openen voor hun zaak. Mogen zij de zichtrekening die ze al hebben hiervoor gebruiken?
5 Zijn ze btw-plichtig? Wat betekent dat?
6 Moeten ze een boekhouding voeren? Zo ja, welke vorm moet die hebben?
7 Moeten ze zich aansluiten bij een sociale verzekeringskas?
8 Moeten Joris en Yasmina bepaalde verzekeringen afsluiten?
9 Welke fiscaliteit is op hen van toepassing?
1 Zoek uit hoeveel bijdragen Joris en Yasmina aan een sociale verzekeringskas zouden moeten betalen.
Formuleer je antwoorden op basis van wat er in het hoofdstuk Vrijheid van ondernemen en algemene verplichtingen van de onderneming 3.2 De formele verplichtingen van de Onderneming aan bod kwam.
Neem voor meer informatie eventueel contact op met een ondernemingsloket of een sociale verzekeringskas.
2 Maak een voorbeeldfactuur voor de firma van Joris en Yasmina. Je mag zelf de nodige info/ nummers verzinnen, maar ze moeten wel voldoen aan de wettelijke structuur.
10 Vallen Joris en Yasmina met hun onderneming onder de GDPR-regels? Geef toelichting
11 Is het belangrijk dat Joris en Yasmina eens nakijken hoe zij ‘hun intellectuele eigendom’ kunnen beschermen? Zo ja, verklaar waarom en geef aan wat ze het best zoal kunnen doen.
Spelen Jan en Adinda hier ook een rol in?
Je kunt hiervoor gebruikmaken van het hoofdstuk over ondernemen en intellectuele eigendom en van de ideescan.
3.3 Hoe gaat het verder?
Yasmina en Joris zijn klein begonnen, maar wat als ze willen uitbreiden? Blijft deze ondernemingsvorm dan de beste keuze? Wat als ze huwen? Zijn er nieuwe verplichtingen... Hoe het verder gaat met hun zaak nadat Yasmina en Joris zijn afgestudeerd, bekijken we in de tweede etappe van de begeleidende casus in het deel over ondernemingsrecht.
Raadpleeg de vergelijkende tabel met ondernemingsvormen het algemeen besluit van het hoofdstuk over vennootschapsrecht om je antwoord te formuleren.
Hoofdstuk 6 Inleiding: eenmanszaak of vennootschap
Wie als ondernemer aan de slag wil gaan, moet aan een reeks verplichtingen voldoen. Eerder (zie het hoofdstuk over de formele verplichtingen van de onderneming) werd al dieper op die verplichtingen ingegaan.
Naast het vervullen van die formele verplichtingen, zal een beginnende ondernemer ook een keuze moeten maken of hij met een eenmanszaak wil beginnen dan wel een vennootschap wil starten. Beide hebben hun voor- en nadelen. Het is belangrijk de voor- en nadelen telkens af te wegen om in het concrete geval de juiste keuze te kunnen maken. Elke onderneming is daarbij anders waardoor een ‘enige juiste en altijd geldende keuze’ niet bestaat.
Overigens kan wie een eenmanszaak heeft te allen tijde overstappen naar een vennootschap.
Naast de juridische aspecten spelen uiteraard ook het ondernemersprofiel en de redenen om te ondernemen van zij die hetzij een eenmanszaak, hetzij een vennootschap willen oprichten, een rol. Het is aangewezen om zich daarvan voorafgaand aan een opstart rekenschap van te geven.
Op de site van HUB Brussels kun je hier meer informatie over vinden. https://info.hub.brussels/nl/gids/alvorens-een-bedrijf-te-starten/ ondernemer-worden-heb-ik-het-juiste-profiel-en-de-juiste
Op de site van VLAIO kun je met de entrespiegeltool jouw ondernemersprofiel checken. https://www.vlaio.be/nl/nieuws/start-slim-check-jouw-ondernemersprofiel-met-de-entre-spiegel
Als een ondernemer een eenmanszaak begint heeft dat vooreerst een aantal voordelen tegenover het starten van een vennootschap. Zonder volledig te willen zijn kunnen onder andere de volgende zaken opwegen tegen het oprichten van een vennootschap: Aan het starten van een eenmanszaak zijn slechts beperkte kosten verbonden. De ondernemer die een eenmanszaak begint heeft ook geen minimumkapitaal nodig om de zaak te starten. Bij sommige vennootschappen is dat wel het geval. Soms is er voor een vennootschap een minimumkapitaal nodig en in andere gevallen een toereikend aanvangsvermogen.
De start van een eenmanszaak vereist minder formaliteiten dan die van een vennootschap. Ook in de loop van de werking van de onderneming kent een eenmanszaak minder formaliteiten dan een vennootschap. Zo moeten er geen algemene vergaderingen gehouden worden, zijn de verplichtingen inzake boekhouding eenvoudiger enz. Dit alles leidt er ook toe dat de kosten van de werking van een eenmanszaak vaak lager liggen dan die binnen een vennootschap.
Bij een eenmanszaak ligt de beslissingsmacht in handen van één persoon. In het kader van een vennootschap zullen er vaak meerdere vennoten en soms zelfs ook meerdere bestuurders aanwezig zijn waardoor je wel eens meer rekening moet houden met anderen. Binnen een eenmanszaak is de totale opbrengst van de zaak ook voor één persoon. Bij een vennootschap (tenzij het gaat om een vennootschap met één vennoot) ligt dat ook anders.
Tegenover de eerder aangehaalde voordelen staan echter ook een aantal nadelen. Hierbij kan het gaan om: In een eenmanszaak bestaat er geen scheiding tussen het privé- en het bedrijfsvermogen. Dat is voornamelijk problematisch als het slecht gaat met de onderneming. De ondernemer die een eenmanszaak heeft, riskeert namelijk zijn volledige privévermogen kwijt te raken als het bedrijf uiteindelijk slecht presteert. Hij riskeert ook persoonlijk failliet te worden verklaard. Een ziekte of ongeval van diegene op wiens naam de eenmanszaak staat, kunnen problematisch zijn voor de eenmanszaak.
Bij een eenmanszaak is het moeilijker met anderen samen te werken (tenzij met werknemers) of investeerders te vinden.
De fiscaliteit (o.a. personenbelasting) is vaak minder voordelig binnen een eenmanszaak dan binnen een vennootschap.
Werken binnen een vennootschap biedt een aantal voordelen, zoals:
Bij heel wat vennootschappen zijn de vennoten slechts beperkt aansprakelijk. Meer bepaald zijn ze alleen aansprakelijk voor hun inbreng. De schuldeisers van de vennootschap kunnen in de regel dan ook het privévermogen van de vennoten niet aanspreken. Een faillissement van de vennootschap brengt in de regel ook geen faillissement van de vennoten met zich mee. Er bestaat wel rechtspraak die zegt dat een bestuurder en zaakvoerder tegenwoordig onder bepaalde voorwaarden failliet kunnen worden verklaard.
Het is eenvoudiger om in het kader van een vennootschapsvorm met meerdere mensen samen te werken. Daarnaast is het ook eenvoudiger om investeerders te vinden voor de onderneming. Het wegvallen door ziekte, ongeval of overlijden van één van de vennoten leidt niet tot het einde van de vennootschap.
Het belastingregime binnen een vennootschap (o.a. vennootschapsbelasting) is vaak voordeliger dan het fiscaal regime van een eenmanszaak.
Tegenover deze voordelen staan ook een aantal nadelen:
Bij de oprichting van een vennootschap is soms een minimumkapitaal vereist; in andere vennootschappen is een toereikend aanvangsvermogen nodig. Bij de oprichting en in de loop van het bedrijf zijn er ook meer formaliteiten van toepassing wat meteen een hogere kostprijs met zich meebrengt.
De verplichtingen inzake boekhouding zijn strenger dan in een eenmanszaak.
Er kunnen onenigheden of discussies met andere vennoten ontstaan waardoor de werking van de vennootschap verlamd kan worden.
Zoek voor drie door jezelf te kiezen vennootschappen op: – wie de zaakvoerders/bestuurders zijn; – wanneer de vennootschap is opgericht (en met welk kapitaal); – wat de vennootschapsvorm is en; – wat de laatste drie balansen zijn.
Je kunt deze informatie (tenzij voor ‘oude’ vennootschappen) vinden op de website van het Belgisch Staatsblad en de Nationale Bank van België.
Je kunt ook als je het ondernemingsnummer kent de opzoekingen via de KBO doen.
In wat volgt bespreken we het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (dat ook als WVV wordt afgekort). Dat Wetboek bestaat uit 18 deelboeken. Elk artikel krijgt een nummer dat begint met het boek. Zo wordt het eerste artikel van boek 1 bv. art. 1:1 WVV genoemd. Dit artikel bevat trouwens de definitie van wat een vennootschap is.
We beperken ons hier tot een bespreking van de spelregels inzake ‘vennootschappen’ die in het wetboek staan. Er wordt niet ingegaan op de wettelijke regels die gelden voor verenigingen en stichtingen die binnen het wetboek ook aan bod komen. Er wordt wel kort stilgestaan bij de vzw.
Bij de uitwerking van het nieuwe wetboek stonden drie krachtlijnen centraal. Meer bepaald: wilde de wetgever het vennootschapsrecht eenvoudiger maken door bv. het aantal vennootschapsvormen aanzienlijk te beperken. werd gekozen voor meer aanvullend recht en flexibiliteit. Vennootschappen krijgen dus de mogelijkheid om heel wat zelf te regelen in de statuten. werd het vennootschapsrecht aangepast aan Europese evoluties.
Het WVV was dadelijk van toepassing op vennootschappen die werden opgericht sinds 1 mei 2019. Voor andere vennootschappen werd het geleidelijk ingevoerd.
De statuten van op 1 mei 2019 al bestaande vennootschappen moesten aangepast worden aan het WVV. Daarvoor hadden bestaande vennootschappen de tijd tot 1 januari 2024. Een aantal vennootschappen deed dit op dit moment nog altijd niet. Bestuurders/zaakvoerders van zulke vennootschappen waar dat niet gebeurde riskeren hoofdelijk aansprakelijk te worden gesteld met de vennootschap voor eventuele schulden.
2 Wat is een vennootschap? – Welke vennootschappen bestaan er?
1 Een vennootschap heeft volgende kenmerken: ze wordt opgericht door een of meerdere personen. Die noemt men de vennoten (in personenvennootschappen) of aandeelhouders (in de andere vennootschappen). De oprichting gebeurt via een rechtshandeling. Dat kan een contract zijn, maar omdat een vennootschap veelal ook door één persoon kan worden opgericht, werd het niet opportuun geacht altijd te spreken van een contract; de vennoot of vennoten brengen iets in gemeenschap; de vennootschap heeft een vermogen. Dit vermogen is afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de vennoten;
de vennootschap heeft de uitoefening van een of meer welbepaalde activiteiten tot voorwerp; de vennootschap heeft als doel aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen.
2 Het WVV beperkt het aantal vennootschapsvormen die vroeger bestonden. Er bestaan volgende vennootschappen met rechtspersoonlijkheid: de vennootschap onder firma (vof of VOF); de commanditaire vennootschap (commv of CommV); de besloten vennootschap (bv of BV); de coöperatieve vennootschap (cv of CV); de naamloze vennootschap (nv of NV); de Europese vennootschap (SE); de Europese coöperatieve vennootschap (SCE).
Daarnaast bestaat ook de maatschap. Dat is de basisvorm van de personenvennootschappen en de enige vennootschapsvorm is die geen rechtspersoonlijkheid heeft.
Zo verdwenen bv. de cvba, de cvoa enz. terwijl een bvba een bv werd.
Een op 1 mei 2019 al bestaande vennootschap die een vorm had die verdween moest worden omgevormd naar een vennootschapsvorm die onder het WVV wel blijft bestaan.
3.1 Het vermogen van de vennootschap
Net als natuurlijke personen heeft een vennootschap een eigen vermogen. Dat vermogen staat los van het persoonlijk vermogen van de vennoten of aandeelhouders. Het vermogen van de vennootschap bestaat uit alle goederen (zowel roerende als onroerende en zowel tegenwoordige als toekomstige), die de vennootschap moet aanwenden om haar statutaire doelstellingen te verwezenlijken.
De vennootschap is de enige eigenaar van haar vermogen. Zij neemt daar beslissingen over via haar organen. Zo kan de vennootschap bijvoorbeeld zelf beslissen om een onroerend goed dat haar eigendom is te verkopen. De aandeelhouders of vennoten hebben geen eigendomsrechten op de goederen van de vennootschap. Zij hebben alleen aandelen in de vennootschap en hebben rechten als aandeelhouder (bv. recht op een dividend, stemrecht op de algemene vergadering …).
Het vermogen van de vennootschap groeit als er winsten worden geboekt en het krimpt als er verliezen worden geleden.
Met uitzondering van de maatschap hebben de vennootschappen die onder het WVV nog bestaan rechtspersoonlijkheid.
In wezen komt het hierop neer: zodra het recht een vennootschap als rechtspersoon erkent, kan deze vennootschap naast de natuurlijke personen (d.w.z. mensen van vlees en bloed) als volwaardig rechtssubject aan het rechtsleven participeren. Net als natuurlijke personen kan de vennootschap
7 Vennootschapsrecht
dan eigenaar van goederen worden, kan ze verbintenissen en overeenkomsten aangaan en kan ze haar belangen ten overstaan van rechtbanken verdedigen. Rechtspersonen kunnen verder bijvoorbeeld ook aansprakelijk gesteld worden bij foutief gedrag en zullen de slachtoffers daarvan een schadevergoeding moeten betalen.
Om haar rechten uit te kunnen oefenen maakt een vennootschap gebruik van organen. Een orgaan is de natuurlijke persoon die of het college van natuurlijke personen dat voor de rechtspersoon beslissingen neemt of rechtshandelingen verricht (zo bv. de bestuurder van een vennootschap).
Diegene die een verbintenis aangaat voor een vennootschap moet voor of na zijn handtekening overigens wel vermelden in welke hoedanigheid hij optreedt.
VOORBEELD
Marc Janssens is de enige bestuurder van bv Dakwerken Janssens. Als de bv bij een leverancier van bouwmaterialen dakpannen aankoopt en Marc Janssens ondertekent het contract, dan moet hij bij zijn handtekening schrijven ‘Voor bv Dakwerken Janssens, Marc Janssens, bestuurder’.
In het WVV worden vooreerst een aantal regels aangegeven die in principe gelden voor alle vennootschappen (tenzij er uitdrukkelijk van wordt afgeweken). Deze regels staan in Boek 2 van het WVV.
1 Elke vennootschap moet een naam hebben, die vrij gekozen kan worden. De naam die men aan een vennootschap geeft kan een fantasienaam zijn (bv. bv De Heidebloem). Het kan daarnaast ook gaan om een naam waar de familienaam van de oprichter in voorkomt (bv. nv Janssens & Peeters).
De naam moet wel verschillen van de naam van elke andere rechtspersoon. Men mag namelijk geen verwarring stichten met bestaande rechtspersonen. Als de naam dezelfde is dan deze van een andere rechtspersoon of er zozeer op gelijkt dat er verwarring kan ontstaan, kan de wijziging van de naam gevraagd worden. Wie benadeeld wordt door deze naam kan eventueel ook een schadevergoeding vragen.
2 In de statuten van de vennootschap moet het gewest bepaald worden waar de zetel van de rechtspersoon gevestigd is. De statuten mogen ook het adres bepalen waarop de zetel van de vennootschap gevestigd is, maar dat is niet verplicht.
De vennootschap kan beslissen om de zetel van de vennootschap te verplaatsen. Meestal kan die beslissing genomen worden door het bestuur van de vennootschap.
4.2 Oprichting – openbaarmakingsvereisten – website
1 Wie een vof, commv of Europees Economisch Samenwerkingsverband wil oprichten, kan dat doen via een authentieke of via een onderhandse akte. Voor de oprichting van een bv, cv, nv, Europese vennootschap of Europese coöperatieve vennootschap is integendeel sowieso een authentieke akte vereist. Een dergelijke vennootschap zal dus via een notaris moeten worden opgericht.
Een eventuele latere wijziging van de statuten moet gebeuren in de vorm die voor de oprichtingsakte vereist is.
Een vennootschap kan ook online worden opgericht. Wie een vennootschap wil oprichten moet zich daarvoor niet noodzakelijk fysiek verplaatsen naar een notariskantoor. Het verlijden van de authentieke akte kan namelijk ook gebeuren via elektronische ondertekening tijdens een videovergadering met de notaris. Dit geldt voor alle rechtspersonen. Hiertoe ontwikkelde de Federatie van het Notariaat (Fednot) het platform https://manage-my-business.be. Een BV, een NV of een CV kan op die manier opgericht worden met de virtuele begeleiding van een notaris. Andere rechtsvormen kunnen eveneens vanop afstand worden opgericht via videoconferentie met een notaris.
2 Op de griffie van de ondernemingsrechtbank wordt voor iedere vennootschap een dossier bijgehouden. Hierin moeten een aantal stukken worden neergelegd, bv. een uitgifte van de authentieke oprichtingsakte. Dit dossier laat aan derden waarmee een vennootschap handelt (bv. leveranciers) toe om na te gaan of de vennootschap geldig is opgericht, of de vennootschap de activiteiten die ze wil doen wel mag doen, enz.
De vennootschap wordt ook ingeschreven in het rechtspersonenregister, wat een onderdeel vormt van de Kruispuntbank van ondernemingen. Verder wordt de oprichting bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
3 Een vennootschap kan een e-mailadres en een website opnemen in haar oprichtingsakte. Als bv. een vennoot dan naderhand communiceert via dit e-mailadres, wordt dat geacht geldig te zijn gebeurd.
4.3 Algemene regels met betrekking tot het bestuur van een
1 Zoals we eerder al aangaven handelen vennootschappen door hun organen. De bevoegdheden van die organen worden onder andere aangegeven in de wet en in de statuten van de vennootschap. De leden van deze organen (zoals bv. bestuurders) verbinden zich niet persoonlijk voor de verbintenissen van de vennootschap. Zij gaan enkel verbintenissen aan voor de vennootschap.
In principe beslist de algemene vergadering wat de financiële en andere voorwaarden zijn waaronder het mandaat van een lid van het bestuursorgaan wordt uitgeoefend. De algemene vergadering beslist ook over de voorwaarden waaronder het bestuursmandaat wordt beëindigd.
Niet alleen een natuurlijke persoon maar ook een andere vennootschap kan een bestuursmandaat opnemen in een vennootschap. In dat geval moet deze een natuurlijke persoon benoemen als vaste vertegenwoordiger. Deze vaste vertegenwoordiger wordt dan belast met de uitvoering van dat mandaat in naam en voor rekening van de vennootschap.
2 Elk lid van een bestuursorgaan of dagelijks bestuurder moet de hem opgedragen taak naar behoren uitvoeren. De wet geeft daarbij ook een aantal wettelijke verplichtingen aan waaraan een bestuurder zich moet houden.
Als bestuurders hun opdracht niet naar behoren vervullen, kunnen zij aansprakelijk gesteld worden. Vooreerst kunnen zij aansprakelijk worden gesteld door de vennootschap zelf. Bovendien kunnen ook derden (zoals bv. bepaalde leveranciers bij wie een schuld openstaat, de fiscus, de
RSZ …) hen aansprakelijk stellen als er sprake is van een buitencontractuele fout. Om daarvan te kunnen spreken moet het gaan om beslissingen, daden of gedragingen die zich kennelijk buiten de marge bevinden waarbinnen normaal voorzichtige en zorgvuldige bestuurders, geplaatst in dezelfde omstandigheden, redelijkerwijze van mening kunnen verschillen.
In contracten met derden (bv. klanten) kan de vennootschap de buitencontractuele aansprakelijkheid van haar bestuurders wel uitsluiten.
Het WVV beperkt de aansprakelijkheid van bestuurders qua bedrag. Meer bepaald wordt de aansprakelijkheid beperkt tot maximaal 125 000 EUR voor bestuurders van de kleinste vennootschappen (met een gemiddelde omzet op jaarbasis van minder dan 350 000 EUR exclusief btw en waarvan het gemiddelde balanstotaal niet hoger was dan 175 000 EUR). Een beperking tot 250 000 EUR speelt in rechtspersonen met een gemiddelde omzet op jaarbasis van minder dan 700 000 EUR exclusief btw en waarvan het gemiddelde balanstotaal niet hoger was dan 350 000 EUR. Deze bedragen gaan bv. tot 1 miljoen EUR bij een omzet van 9 000 000 EUR en een balanstotaal van 4 500 000 EUR en soms zelfs tot 3 miljoen EUR.
Deze aansprakelijkheidsbeperkingen zijn echter niet van toepassing in geval van lichte fout die eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt, van zware fout, van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden in hoofde van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld. Bezondigt een bestuurder zich met andere woorden aan een herhaalde lichte fout of aan een zware fout dan is deze onbeperkt aansprakelijk.
Binnen een vennootschap gebeurt het wel eens dat er conflicten ontstaan tussen de vennoten, waardoor die niet langer ‘door een deur kunnen’. Deze onenigheid tussen de vennoten kan ook negatieve gevolgen hebben op de werking van de vennootschap.
Het WVV bevat een regeling die het mogelijk maakt om een vennoot uit te sluiten door diens aandelen gedwongen over te nemen of om zelf uit te treden uit een vennootschap waarbinnen men vennoot is door de andere vennoten te verplichten de aandelen over te nemen. De spelregels in kwestie zijn echter alleen van toepassing op besloten vennootschappen en op naamloze vennootschappen, met uitsluiting van genoteerde vennootschappen.
4.4.1 Uitsluiting
Vooreerst kunnen een of meer aandeelhouders van een bv of nv die samen minstens 30 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten eisen dat een aandeelhouder zijn effecten aan hen overdraagt. Ze moeten dan wel een gegronde reden daarvoor kunnen aantonen.
VOORBEELD
Er kan bv. een gegronde reden zijn als de vennoot in kwestie de vennootschap onterecht beconcurreert, zijn controlerecht misbruikt, de vennootschap bestookt met gerechtelijke procedures, enz.
De procedure wordt gevoerd voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de vennootschap. Als de rechter de vordering inwilligt, verplicht die de aandeelhouder tegen wie de procedure werd gevoerd om zijn aandelen aan de eisers over te dragen. Verder verplicht hij de eisers om
de aandelen over te nemen tegen betaling van de prijs die hij vaststelt. In de praktijk zal de rechtbank veelal een deskundige aanstellen om de waarde van de aandelen te bepalen.
4.4.2
Daarnaast is onder bepaalde voorwaarden ook een uittreding mogelijk. Meer bepaald kan iedere vennoot om gegronde redenen vorderen dat zijn effecten worden overgenomen door de aandeelhouders op wie deze gegronde redenen betrekking hebben.
Een vennoot zou dit bv. kunnen overwegen als zijn rechten binnen de vennootschap manifest miskend worden door de andere vennoten.
Ook deze procedure wordt gevoerd voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de vennootschap. Als de rechter deze vordering inwilligt, veroordeelt hij de aandeelhouder tegen wie de procedure gestart werd om de effecten van de eisende partij over te nemen tegen de prijs die hij vaststelt. De eisende partij zal de effecten op zijn beurt moeten overdragen tegen betaling van vastgestelde prijs.
4.5 Ontbinding en vereffening
4.5.1 Ontbinding
Vennootschappen kunnen om drie redenen ontbonden worden. Meer bepaald kan er sprake zijn van een ontbinding van rechtswege, een vrijwillige ontbinding of een gerechtelijke ontbinding. Vennootschappen worden van rechtswege ontbonden door het verstrijken van de duur waarvoor ze werden opgericht. De meeste vennootschappen worden evenwel voor onbepaalde duur opgericht zodat daar de ontbinding van rechtswege niet geldt. De vennootschap wordt ook van rechtswege ontbonden door een uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde waaraan de vennoten of aandeelhouders de vennootschap in de statuten hebben onderworpen.
Een bv, een cv, een nv, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap kan ook op elk ogenblik vrijwillig ontbonden worden door een besluit van de algemene vergadering. Verder kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de vennootschap de gerechtelijke ontbinding uitspreken van de vennootschap. Dat kan bv. gebeuren op verzoek van een vennoot als er sprake is van een wettige reden.
VOORBEELD
Er kunnen zulke wettige redenen zijn als een normale voortzetting van de zaken van de vennootschap onmogelijk is door de diepgaande en blijvende onenigheid tussen de aandeelhouders of vennoten.
De rechtbank kan de ontbinding ook uitspreken op vraag van iedere belanghebbende of van het openbaar ministerie als de vennootschap haar verplichting om een jaarrekening neer te leggen niet is nagekomen.
4.5.2 Vereffening
Met de ontbinding van de vennootschap begint de vereffening daarvan. Alle stukken die uitgaan van de vennootschap moeten trouwens vermelden dat ze in vereffening is.
4.5.2.1 Eendagsvereffening
De ontbinding en vereffening van een vennootschap is onder bepaalde voorwaarden in slechts één akte mogelijk. Het gaat daarbij om een zogenaamde ‘eendagsvereffening’. Er dient dan geen vereffenaar te worden aangesteld. Hiervoor is vereist dat: er geen vereffenaar is aangeduid; alle schulden van de vennootschap ten aanzien van derden terugbetaald zijn of dat de nodige gelden daartoe werden geconsigneerd; de algemene vergadering van aandeelhouders of vennoten beslist tot de ontbinding en sluiting van de vereffening in één akte.
Ook de rechtbank die een ontbinding uitspreekt kan overigens tegelijk de onmiddellijke sluiting van de vereffening uitspreken en geen vereffenaar aanwijzen.
4.5.2.2 Wie wordt vereffenaar?
Bij de ontbinding van een vennootschap moeten er een of meerdere vereffenaars worden benoemd. Tenzij de statuten iets anders zeggen worden de vereffenaars van de vennootschap benoemd door de algemene vergadering. Meestal wordt er gekozen voor een of meerdere voormalige bestuurders omdat zij het best vertrouwd zijn met de toestand van de onderneming. Men zou echter ook iemand anders kunnen aanstellen, bv. een advocaat of een accountant.
Soms moet de benoeming van de vereffenaars voorgelegd worden aan de voorzitter van de rechtbank. Dat is meer bepaald het geval als uit de staat van actief en passief blijkt dat niet alle schuldeisers volledig terugbetaald kunnen worden.
Bepaalde personen mogen in principe niet als vereffenaar worden aangeduid. Dit geldt bv. voor wie bepaalde strafrechtelijke veroordelingen heeft opgelopen.
Werden er geen vereffenaars benoemd, dan worden de vennoten-zaakvoerders (in een vof of commv), de leden van de raad van bestuur of de leden van de directieraad (in een Europese of Europese coöperatieve vennootschap) of de bestuurders (in een bv, nv of cv) ten aanzien van derden als vereffenaars beschouwd.
4.5.2.3 De bevoegdheden van de vereffenaars
De vereffenaars moeten de vennootschap vereffenen. Dat betekent dat ze het vermogen van de vennootschap (de activa) te gelde moeten maken om met de opbrengst ervan de schulden van de vennootschap (de passiva) te betalen. Het eventuele overschot moeten ze vervolgens verdelen onder de aandeelhouders of de vennoten.
Hierbij beschikt de vereffenaar (tenzij de statuten, het benoemingsbesluit of rechterlijke uitspraak anders bepalen) over de bevoegdheid om alle handelingen te stellen die nodig of dienstig zijn voor de vereffening van de vennootschap. Zo kan de vereffenaar bv. de stock van de vennootschap verkopen, onroerende goederen openbaar laten verkopen enz.
Voor handelingen en operaties die verder reiken dan de gewone verzilvering, vereist de wet de voorafgaandelijke machtiging vanwege de algemene vergadering.
4.5.2.4 Verrichtingen van de vereffening
De vereffenaar moet op geregelde tijdstippen staten opstellen omtrent de toestand van de vereffening en die aan de rechtbank overmaken. Hierin staat onder andere welke ontvangsten en uitgaven er waren, welke uitkeringen gebeurden en wat er nog moet worden vereffend.
Elk boekjaar moet de vereffenaar aan de algemene vergadering verder een jaarrekening voorleggen met vermelding van de reden waarom de vereffening nog niet kon worden voltooid. Die algemene vergadering blijft overigens verder bestaan tot aan de sluiting van de vereffening.
Net als de curatoren na een faillissement, moeten de vereffenaars bij het betalen van de schulden rekening houden met de voorrechten waarover schuldeisers beschikken. Voor het overige worden de schulden naar evenredigheid betaald waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen opeisbare en niet-opeisbare schulden. Wat deze laatste betreft wordt wel een disconto in rekening gebracht omdat ze vroeger worden betaald dan dat ze opeisbaar zijn.
Als blijkt dat niet alle schuldeisers volledig kunnen worden terugbetaald, legt de vereffenaar het plan van verdeling van de activa onder de verschillende schuldeisers ter goedkeuring voor aan de rechtbank.
Na betaling van de schulden (of de consignatie van de nodige gelden daarvoor) verdeelt de vereffenaar het restant onder de vennoten of aandeelhouders.
4.5.2.5 De sluiting van de vereffening
Zodra de vereffenaars hun taak hebben vervuld, moet de vereffening formeel worden afgesloten. Hiervoor leggen de vereffenaars op de zetel van de vennootschap een cijfermatig verslag van vereffening neer. Deze documenten worden gecontroleerd door de commissaris. Als er geen commissaris werd aangesteld, beschikken de vennoten over een individueel onderzoeksrecht. De algemene vergadering beslist vervolgens over de goedkeuring van de rekeningen. Ze beslist ook over de kwijting aan de vereffenaars en stelt de afsluiting van de vereffening vast. De afsluiting wordt openbaar gemaakt.
Door de sluiting van de vereffening worden de vennoten of aandeelhouders van rechtswege onverdeelde eigenaars (elk voor hun deel) van alle actieve vermogensbestanddelen van de vennootschap, ook al zijn die op het ogenblik van de sluiting van de vereffening niet gekend.
Een vereffening die werd gesloten kan heropend worden als na sluiting van de vereffening blijkt dat een of meer actieve vermogensbestanddelen van de vennootschap ‘vergeten’ werden. Meer bepaald kan de heropening dan gevraagd worden door elke schuldeiser wiens schuldvordering niet integraal werd voldaan. De rechtbank zal de heropening alleen bevelen als de waarde van het vergeten actiefbestanddeel de kosten van de heropening van de vereffening overschrijdt.
4.5.2.6 Aansprakelijkheid van de vereffenaars – strafsancties
De vereffenaar moet zijn taak naar behoren vervullen. Hij is tegenover de vennootschap en tegenover de schuldeisers van de vennootschap aansprakelijk voor fouten die hij begaat in de uitvoering van zijn opdracht. Hij is ook aansprakelijk tegenover andere derden als de fout die hij begaat een buitencontractuele fout is.
Vereffenaars die hun taak niet naar behoren vervullen kunnen bovendien strafsancties oplopen.
De rechtsvorderingen tegen vennootschappen verjaren door het verloop van dezelfde tijd als rechtsvorderingen tegenover natuurlijke personen. De wet bevat wel een aantal bijzondere verjaringstermijnen.
VOORBEELD
Vorderingen tegen de oprichters van een vennootschap verjaren na vijf jaar. Deze termijn begint te lopen vanaf de oprichting van de vennootschap. Ook vorderingen tegen bestuurders van vennootschappen verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de verrichtingen die worden aangevochten. Als de verrichtingen verborgen werden gehouden, loopt de vijf jaar vanaf de ontdekking ervan.
4.7 Op welke vennootschappen is het Belgisch recht van toepassing?
Het WVV is alleen van toepassing op vennootschappen die in België hun statutaire zetel hebben. De plaats van de werkelijke activiteit (de zogenaamde werkelijke zetelleer die vroeger gold) is dus niet van belang. De bedoeling hiervan bestaat erin meer ondernemingen naar België te halen.
5 Jaarrekening – controle – inzagerecht vennoten
In Boek 3 van het WVV staan de regels over de jaarrekening van vennootschappen, de controle daarop door de commissaris en het inzagerecht van vennoten.
Het bestuursorgaan van de vennootschap moet jaarlijks een jaarrekening opmaken (art. 3:1 WVV).
Deze jaarrekening moet ter goedkeuring voorgelegd worden aan de algemene vergadering. Kleinere vennootschappen moeten geen ‘volledige’ jaarrekening opstellen. Afhankelijk van hun grootte mogen zij werken met een verkort schema of zelfs een microschema.
De jaarrekening moet openbaar worden gemaakt en worden neergelegd bij de Nationale Bank van België. Op de website www.nbb.be kun je overigens de (verkorte) jaarrekening van vennootschappen gratis raadplegen. Je kan hier ook via de balanscentrale de modelschema’s opvragen.
5.2.1 Beginselen
Het commissariaat is het orgaan binnen de vennootschap dat belast is met de controle van de vennootschap. Meer bepaald moet de commissaris de financiële toestand van de vennootschap controleren. Hij heeft als taak de boekhoudkundige controle van de jaarrekening te doen. Meer bepaald moet hij een legaliteitscontrole doen en geen opportuniteitscontrole ten aanzien van het gevoerde beleid.
De wettelijke controle door een commissaris is niet nodig voor een vof, commv en bij niet-genoteerde kleine vennootschappen.
5.2.2 Benoeming – duur van het mandaat
De commissarissen worden benoemd door de algemene vergadering. Hierbij kunnen alleen bedrijfsrevisoren of geregistreerde auditkantoren worden gekozen.
De commissarissen worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van drie jaar. Tijdens hun opdracht kunnen zij alleen om wettige redenen door de algemene vergadering worden ontslagen.
Een verschil van mening over een boekhoudkundige verwerking of een controleprocedure is op zich geen wettige reden voor opzegging. Bij een onregelmatig ongevraagd ontslag hebben zij recht op schadevergoeding.
Behoudens gewichtige persoonlijke redenen mag de commissaris tijdens zijn opdracht niet vrijwillig ontslag nemen, tenzij op de algemene vergadering en nadat hij die schriftelijk heeft ingelicht over de beweegredenen van zijn ontslag.
Zowel de benoeming als de ambtsbeëindiging moeten openbaar worden gemaakt.
5.2.3 Onafhankelijkheid en bezoldiging
De commissaris moet zijn opdracht in alle onafhankelijkheid kunnen uitoefenen. De commissaris mag dan ook noch in de gecontroleerde vennootschap, noch in een daarmee verbonden onderneming andere taken of opdrachten aanvaarden die zijn onafhankelijkheid in het gedrang te brengen.
Omwille van de onafhankelijkheid bepaalt de wet ook dat de bezoldiging van de commissaris moet bestaan uit een vast bedrag dat bij de aanvang van de opdracht door de algemene vergadering wordt vastgesteld met naleving van de ter zake geldende normen uitgevaardigd door het Instituut der Bedrijfsrevisoren. Vennootschapscommissarissen mogen dan ook bijvoorbeeld niet bijkomend beloond worden met tantièmes.
5.2.4
Om hun opdracht te kunnen uitoefenen (zijnde de controle op de financiële toestand van de vennootschap en op de regelmatigheid van de jaarrekening), verleent de wet aan de commissarissen uitgebreide onderzoeksbevoegdheden.
Zo kunnen zij te allen tijde en ter plaatse de boeken, brieven, notulen en alle andere documenten en geschriften van de vennootschap inkijken. Verder kunnen zij zowel van de bestuurders als van alle andere medewerkers van de vennootschap alle ophelderingen en inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die zij nodig achten.
De commissaris moet jaarlijks een controleverslag opstellen voor de gewone algemene vergadering van de aandeelhouders of van de vennoten. In dat verslag moet onder andere vermeld worden of naar hun oordeel de jaarrekening een getrouw beeld geeft van de financiële toestand.
5.2.5
De vennootschapscommissarissen zijn aansprakelijk voor de tekortkomingen bij het vervullen van hun taken. Commissarissen riskeren bij bepaalde overtredingen van de wet strafsancties.
5.3 Individuele onderzoeks- en controlebevoegdheden van vennoten en aandeelhouders
Als er geen commissarissen benoemd werden in de vennootschap (omdat dit niet nodig was), hebben alle vennoten individueel de onderzoeks- en controlebevoegdheid van een commissaris. Zij kunnen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een accountant (art. 3:101 WVV).
De vergoeding van de accountant is in principe ten laste van diegene die zich laat bijstaan, tenzij een rechter anders beslist of de accountant met toestemming van de vennootschap werd benoemd.
Als de vennootschap geen commissaris moet aanstellen, maar een of meer vennoten toch aandringen op de aanstelling dan moet het bestuursorgaan die vraag voorleggen aan de algemene vergadering.
6 De maatschap – de vennootschap onder firma – de
1 De maatschap, de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap zijn zogenaamde personenvennootschappen. De wettelijke regeling hieromtrent staat in Boek 4 van het WVV.
Personenvennootschappen zijn vennootschappen waarbij de samenwerking tussen de vennoten centraal staat en niet het door hen ingebrachte vermogen. Zo’n vennootschap wordt dus omwille van de persoon van de vennoten aangegaan.
2 De maatschap is daarbij het basismodel van de personenvennootschap. Er is ook een tijdelijke of stille variant. Het is ook de enige vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid. Dit heeft belangrijke gevolgen.
VOORBEELD
Een maatschap kan bijvoorbeeld niet als dusdanig optreden in een gerechtelijke procedure. Daarnaast maken de goederen van de maatschap bv. deel uit van het vermogen van de vennoten zelf en staan de vennoten met hun persoonlijk vermogen in voor schulden van de maatschap ….
De maatschap wordt in de praktijk vooral gebruikt in het kader van familiaal vermogensrechtelijke en successieplanningen. Bovendien worden maatschappen wel eens gebruikt door professionelen die in een (al dan niet tijdelijk) samenwerkingsverband willen werken.
VOORBEELD
Twee webdeveloppers, met elk hun eigen eenmanszaak, kiezen ervoor om samen onder de koepel van een maatschap grotere IT-projecten te realiseren. Op die manier kunnen zij een aantal belangrijke afspraken vastleggen en als de samenwerking niet meer opportuun is, kan de maatschap ontbonden worden.
De vennoten kunnen ook overeenkomen dat de maatschap wel rechtspersoonlijkheid zal hebben. In dat geval neemt de maatschap de vorm aan van een vennootschap onder firma (vof) of van een commanditaire vennootschap (commv).
6.2
De maatschap is een overeenkomst waarbij twee of meer personen zich ertoe verbinden om hun inbrengen in gemeenschap te brengen met het oogmerk aan haar vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel uit te keren of te bezorgen. De maatschap wordt bij dit alles in het gemeenschappelijk belang van de partijen aangegaan.
Uit deze definitie blijkt dat er in een maatschap minstens twee vennoten (of ‘maten’) moeten zijn. De maatschap kan worden opgericht via een onderhandse overeenkomst.
Om een maatschap op te richten is er geen minimum inbreng van de maten bepaald, er moet ook geen financieel plan worden gemaakt.
Een maatschap kan ‘stil’ zijn. Dat is het geval als er overeengekomen wordt dat zij bestuurd wordt door een of meerdere zaakvoerders (al dan niet vennoten) die handelen in eigen naam zonder het bestaan van de vennootschap te onthullen. Deze discretiemogelijkheid is een voordeel van de maatschap.
Een maatschap wordt geacht te zijn aangegaan voor een onbepaalde duur. Ze kan echter ook tijdelijk zijn. De maatschap die een welbepaalde verrichting tot voorwerp heeft wordt namelijk geacht te zijn aangegaan voor de tijd die de verrichting zal duren.
VOORBEELD
Een maatschap opgericht tussen een aannemer en een domotica-specialist om een bepaald bouwproject te realiseren.
6.3 Het aandeel van de vennoten
In de maatschapsovereenkomst kan het aandeel van de vennoten in de winsten en verliezen worden bepaald, alsook hun deel in het vennootschapsvermogen ingeval van ontbinding. Als het aandeel van de vennoten niet in de overeenkomst wordt bepaald, is ieders aandeel evenredig aan zijn inbreng in de vennootschap. Als een vennoot slechts zijn nijverheid (arbeid) heeft ingebracht, wordt zijn aandeel berekend alsof zijn inbreng gelijk was aan de kleinste inbreng anders dan in nijverheid.
De aandelen kunnen niet worden overgedragen, tenzij iets anders is overeengekomen. Iedere vennoot mag evenwel (zonder toestemming van zijn medevennoten) een derde persoon tot deelgenoot nemen, voor wat zijn aandeel in de vennootschap betreft.
1 De vennootschap wordt bestuurd door een of meerdere zaakvoerders. Dit kunnen al dan niet vennoten zijn.
Als er niets specifieks is overeengekomen over het bestuur van de vennootschap worden de vennoten geacht elkaar wederkerig de macht te hebben verleend om te besturen. De daden van bestuur verricht door een van de vennoten verbinden dan de anderen, tenzij een van hen zich ertegen verzet voordat de handeling is verricht.
De vennoten zijn ten aanzien van derden echter alleen verbonden door de daad van een van hen of van een zaakvoerder voor zover die hebben gehandeld binnen de perken van hun bevoegdheden.
2 De vennoten nemen eenparig alle beslissingen die de vennootschap aanbelangen of die de overeenkomst wijzigen, tenzij de overeenkomst bepaalt dat hun beslissingen bij meerderheid worden genomen.
6.5 Het vennootschapsvermogen en de rechten van de schuldeisers
De goederen die worden ingebracht in een maatschap en de goederen die voortkomen uit de vennootschapsactiviteit vormen een onverdeeld vermogen tussen de vennoten. Ze zijn bestemd voor de activiteit van de vennootschap. De vennoten mogen geen rechten op deze goederen laten gelden die strijdig zijn met de bestemming ervan.
De schuldeisers wiens schuldvordering voortvloeit uit de activiteit van de vennootschap kunnen verhaal uitoefenen op het volledige vennootschapsvermogen. De vennoten zijn ten aanzien van deze schuldeisers bovendien persoonlijk en hoofdelijk gehouden met hun eigen vermogen. Bij een stille vennootschap kunnen derden alleen verhaal uitoefenen op de vennoot of zaakvoerder die met hen in persoonlijke naam heeft gehandeld.
De persoonlijke schuldeisers van een van de vennoten kunnen daarentegen hun vordering alleen maar verhalen op het aandeel van de betreffende vennoot en de winsten die hem of haar zijn uitgekeerd.
6.6 Ontbinding van de vennootschap, terugtrekking en uitsluiting van een vennoot
De vennootschap wordt ontbonden: door de verstrijking van haar duur; door de materiële of juridische verdwijning van de zaak of door de voltrekking van de verrichting, als zij uitsluitend werd opgericht met het oog op de exploitatie van die zaak of het stellen van die verrichting; door de dood, de onbekwaamheid, de vereffening, het faillissement of het kennelijk onvermogen van een van de vennoten; door een beslissing van de vennoten; of door de verwezenlijking van een ontbindende voorwaarde van de overeenkomst.
Als de vennootschap werd aangegaan voor onbepaalde duur kan elk van de vennoten haar eenzijdig opzeggen met inachtneming van een redelijke opzeggingstermijn, voor zover die opzegging te goeder trouw is en niet ontijdig gebeurt.
Er kan ook sprake zijn van een gerechtelijke ontbinding van de vennootschapsovereenkomst om wettige redenen.
6.7 Bepalingen die bijkomend specifiek gelden voor de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap
De regels inzake de maatschap die eerder werden aangegeven zijn in principe ook van toepassing op de vof en de commv. Bovenop komen er een aantal specifieke regels die hier zijn aangegeven.
De maatschap is een vennootschap onder firma als alle vennoten onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap. De maatschap is een commanditaire vennootschap als zij wordt aangegaan door een of meerdere vennoten die onbeperkt en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van de vennootschap (de gecommanditeerde vennoten genoemd), en nog een of meerdere vennoten die zich beperken tot inbreng in geld of in natura en die niet deelnemen aan het beheer (de commanditaire vennoten genoemd).
In de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap zijn de zaakvoerder(s) het bestuursorgaan.
Vennoten in een vennootschap onder firma of in een commanditaire vennootschap kunnen niet persoonlijk worden veroordeeld op grond van verbintenissen van de vennootschap zolang deze niet zelf is veroordeeld.
De besloten vennootschap (bv) is de ‘basisvorm’ waaronder een vennootschap kan worden opgericht. De meeste vennootschappen nemen dan ook deze vorm aan. De bepalingen omtrent de bv zijn terug te vinden in Boek 5 WVV.
De besloten vennootschap wordt overigens gedefinieerd als ‘een vennootschap zonder kapitaal waarin de aandeelhouders slechts hun inbreng verbinden’ (art. 5:1 WVV).
Een groot aantal regels die in het WVV staan in verband met de bv zijn van aanvullend recht. Dat betekent dan ook dat de oprichters van een bv (of de vennoten daarvan) een zeer grote vrijheid hebben om de spelregels binnen de vennootschap zelf te bepalen en dit bv. op het vlak van de stemrechten.
Een bv kan haar aandelen ook op een gereglementeerde markt laten noteren, net als een nv. Voor een genoteerde bv gelden een aantal specifieke regels. Het zou ons te ver leiden daarop dieper in te gaan.
7.2.1
Binnen een bv is er geen verplicht minimumkapitaal. Er moet alleen nog een toereikend aanvangsvermogen zijn. Dat betekent dat de oprichters erop moeten toezien dat de vennootschap bij de oprichting over een eigen vermogen beschikt dat toereikend is voor de voorgenomen economische activiteit. Bij de bepaling van een toereikend aanvangsvermogen mag ook vreemd vermogen (zoals kredieten die worden aangegaan bij een bank) meegerekend worden. Een bescherming van het aanvangsvermogen is ook dat de oprichters via de statuten de inbreng ‘onbeschikbaar’ kunnen maken voor uitkering.
Vóór de oprichting van de vennootschap moeten de oprichters van de besloten vennootschap aan de notaris een financieel plan overhandigen. Hierin moeten zij naast andere bedrijfseconomische elementen het bedrag van het aanvangsvermogen verantwoorden in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid van de vennootschap over een periode van ten minste twee jaar. Dit stuk wordt door de notaris bewaard. Het plan wordt niet openbaar gemaakt.
De wet geeft ook aan wat er allemaal in het financieel plan moet staan.
VOORBEELD
Zo moet er in het plan een nauwkeurige beschrijving van de voorgenomen bedrijvigheid, een overzicht van alle financieringsbronnen bij de oprichting, een begroting van de verwachte inkomsten en uitgaven voor een periode van minstens twee jaar na de oprichting enz. worden opgenomen.
Hoewel dit niet verplicht is, is het in de praktijk aangewezen om voor de opmaak van een dergelijk plan een beroep te doen op een externe expert (bv. een accountant).
De oprichters zijn aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap (naar een verhouding die de rechter vaststelt) bij een faillissement dat wordt uitgesproken binnen de drie jaar na de verkrijging van de rechtspersoonlijkheid. Hiervoor is wel vereist dat het aanvangsvermogen bij de oprichting kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over ten minste twee jaar. Om deze aansprakelijkheid te beoordelen zal de rechtbank onder andere kijken naar de inhoud van het financieel plan.
7.2.2 Plaatsing van de aandelen
De door de bv uitgegeven aandelen moeten volledig en onvoorwaardelijk zijn geplaatst. Van deze regel kan in de statuten niet afgeweken worden. De oprichters zijn hoofdelijk gehouden voor de aandelen waarvoor niet op geldige wijze zou zijn ingeschreven.
De bv mag niet inschrijven op haar eigen aandelen. Ook een dochtervennootschap mag in principe niet inschrijven op de aandelen die de moedervennootschap uitgeeft.
Als er sprake is van een inbreng in natura (bv. een inbreng van een wagen, van cliënteel of kennis en arbeid), dan is het belangrijk dat die vermogensbestanddelen correct gewaardeerd worden. De oprichters moeten dan in een verslag uiteenzetten waarom de inbreng van belang is voor de vennootschap. Ook vermeldt het verslag wat er precies wordt ingebracht en wordt daar een gemotiveerde waardering van gegeven. Er wordt ook aangegeven welke vergoeding als tegenprestatie voor de inbreng wordt verstrekt. Een revisor beoordeelt de waardering van de oprichters. De oprichters kunnen afwijken van diens beoordeling. Ze moeten dat dan wel motiveren.
De oprichters zijn aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de kennelijke overwaardering van de inbrengen in natura.
7.2.3
Tenzij de oprichtingsakte anders bepaalt worden alle inbrengen vanaf de oprichting volledig gestort. Een inbreng kan op drie manieren gebeuren.
Bij een inbreng in geld wordt dat geld vóór de oprichting gedeponeerd op een bijzondere rekening bij een financiële instelling. Een bewijs van die deponering wordt overhandigd aan de instrumenterende notaris.
Een inbreng kan daarnaast ook in natura gebeuren. Daarbij kan bv. een onroerend goed of een wagen worden ingebracht.
Ten derde kan een inbreng ook in nijverheid gebeuren. De inbreng in nijverheid is meer bepaald een verbintenis om arbeid of diensten te presteren. Als de inbrenger dan definitief in de onmogelijkheid is om zijn verbintenissen na te komen (omdat hij bv. overlijdt of definitief arbeidsonbekwaam wordt), komen de aandelen die hem zijn uitgereikt tegen zijn inbreng in principe te vervallen.
7.2.4 Oprichtingsformaliteiten
De oprichting van een bv moet gebeuren bij een notaris. Meer bepaald moet de bv opgericht worden via een authentieke akte. Die oprichtingsakte moet een aantal verplichte vermeldingen bevatten.
VOORBEELD
De oprichtingsakte moet onder andere melding maken van het aantal aandelen dat wordt uitgegeven, de overdrachtsbeperkingen ervan en, als er verschillende soorten aandelen bestaan, dezelfde gegevens en de rechten per soort.
Bij de oprichting moeten alle aandeelhouders verschijnen (eventueel kunnen ze wel een volmacht geven). Het WVV biedt de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden bij de oprichtingsakte te verschijnen zonder als oprichter te worden beschouwd. Op die manier vermijdt men een oprichtersaansprakelijkheid.
Zoals eerder al werd aangegeven kan een bv ook online worden opgericht. Het verlijden van de authentieke akte kan gebeuren via elektronische ondertekening tijdens een videovergadering met de notaris.
7.2.5 Nietigheid
Een besloten vennootschap kan nietig verklaard worden als de oprichtingsakte niet werd opgemaakt in de vereiste vorm. Hetzelfde geldt als er in de oprichtingsakte geen gegevens voorkomen over de naam, het voorwerp van de vennootschap en de inbrengen. Ook als het voorwerp van de vennootschap ongeoorloofd of strijdig met de openbare orde is of als er geen enkele geldig verbonden oprichter is kan een bv nietig verklaard worden.
7.3 Effecten
7.3.1 Algemeen
Een besloten vennootschap kan alle effecten uitgeven die niet door of krachtens de wet zijn verboden.
De aandelen die een besloten vennootschap uitgeeft moeten op naam zijn (een genoteerde besloten vennootschap kan gedematerialiseerde effecten uitgeven). De andere effecten die een besloten vennootschap uitgeeft zijn op naam of gedematerialiseerd als de statuten dit toelaten. Een gedematerialiseerde effect wordt vertegenwoordigd door een boeking op rekening bij een centrale effectenbewaarinstelling of bij een erkende rekeninghouder.
Als verscheidene personen zakelijke rechten hebben op eenzelfde aandeel (bv. als de aandelen in een nalatenschap vallen en de onverdeelde eigendom zijn van meerdere erfgenamen), kan de vennootschap de uitoefening van het stemrecht schorsen totdat een enkele persoon ten aanzien van de vennootschap als houder van het stemrecht is aangewezen.
Als het eigendomsrecht is gesplitst tussen een blote eigenaar en een vruchtgebruiker, oefent de vruchtgebruiker van effecten alle aan die effecten verbonden rechten uit tenzij de statuten, een testament of een overeenkomst anders bepalen.
Op de zetel van de vennootschap wordt een register gehouden voor elke categorie van effecten op naam die de vennootschap heeft uitgegeven. Het belang van dit register is groot. Wie in een register van effecten op naam staat ingeschreven als houder van een effect, wordt namelijk (weerlegbaar) vermoed de houder te zijn van de effecten in kwestie.
7.3.2 De verschillende soorten effecten
7.3.2.1 Aandelen
Binnen een bv bestaat voortaan een zeer grote vrijheid om in de statuten de aan de aandelen verbonden rechten te bepalen. Als de statuten niets anders zeggen is aan elk aandeel één stem verbonden en geven alle aandelen recht op gelijke rechten.
VOORBEELD
Zo kan een bv aandelen uitgeven met een meervoudig stemrecht, aandelen zonder stemrecht of aandelen die slechts onder bepaalde voorwaarden kunnen stemmen. Verder kunnen de statuten het aantal stemmen waarover iedere aandeelhouder in de vergaderingen beschikt beperken.
Wel blijft als regel gelden dat de vennootschap minstens één aandeel moet uitgeven. Een bv moet namelijk sowieso minstens één aandeelhouder hebben. Bovendien geldt als regel dat minstens één aandeel stemrecht moet hebben.
Elk aandeel moet verder delen in de winst of in het vereffeningssaldo. Tenzij de statuten anders bepalen, geeft elk aandeel recht op een gelijk aandeel in deze winst en het vereffeningssaldo.
7.3.2.2 Obligaties
Een bv kan ook obligaties op naam uitgeven die eventueel converteerbaar zijn in aandelen. Deze obligaties kunnen voor een bepaalde termijn of eeuwigdurend worden uitgegeven.
7.3.2.3 Inschrijvingsrechten
Een besloten vennootschap kan ook inschrijvingsrechten uitgeven die al dan niet aan een ander effect zijn verbonden. Dat inschrijvingsrecht is het recht om, onder de vastgelegde uitgiftevoorwaarden, in te schrijven op nieuwe aandelen van een vennootschap wanneer die een kapitaalverhoging doorvoert. De periode waarin de inschrijvingsrechten kunnen worden uitgeoefend, mag niet langer zijn dan tien jaar te rekenen vanaf hun uitgifte.
7.3.3 Overdracht en overgang van effecten
1 De overdracht en overgang van effecten gebeurt volgens de regels van het verbintenissenrecht en contractenrecht. De toestemming van de koper en de verkoper volstaat in principe voor de geldigheid van zo’n contract. Omwille van bewijsredenen wordt er niettemin best een schriftelijke overeenkomst opgesteld. De opmaak daarvan is maatwerk. Er wordt dan ook best een beroep gedaan op een jurist.
Om de overdracht tegenwerpelijk te maken aan de vennootschap en aan derden moet de overdracht van de aandelen opgetekend worden in het aandelenregister. Een overdracht of overgang van een gedematerialiseerd effect kan aan de vennootschap en aan derden maar worden tegengeworpen door boeking van de ene op de andere effectenrekening.
2 De statuten van de bv mogen de overdraagbaarheid van de aandelen vrij regelen. Als er niets anders in de statuten staat, geldt de wettelijke regeling. Die geeft aan dat elke overdracht of overgang (zowel bv. een koop van de aandelen, een overgang door een erfenis …) onderworpen is aan de instemming van ten minste de helft van de aandeelhouders die ten minste drie vierde van de aandelen bezitten, na aftrek van de aandelen waarvan de overdracht is voorgesteld.
VOORBEELD
Binnen een bv zijn er 7 500 aandelen. Pieters bezit 2 000 aandelen, Janssens 1 000, Smekens 1 000, Leekens 1 500 en De Smet 2 000. Pieters wenst 1 000 aandelen over te dragen. Hiervoor heeft hij de toestemming nodig van drie vennoten (Pieters zelf en twee andere). Zij moeten ook samen drie vierde van de aandelen bezitten (3/4 van (7 500 – 1 000 aandelen) = 4 875 aandelen. Een mogelijk scenario is dus dat Pieters (1 000 aandelen) bijgetreden wordt door Leekens (1 500 aandelen), door De Smet (2 000 aandelen) en door Janssens (1 000 aandelen).
Overdrachten die met miskenning van deze regels gebeuren kunnen niet aan de vennootschap of aan derden worden tegengeworpen, ongeacht of de overnemer al dan niet te goeder trouw was.
Als de andere aandeelhouders de overdracht weigeren, kan de discussie voorgelegd worden aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. Als deze de weigering willekeurig vindt, kan hij de overdracht van de aandelen toch toelaten.
De instemming van de andere aandeelhouders is niet vereist als de aandelen worden overgedragen aan of overgaan naar een aandeelhouder, aan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende partner van de overdrager of aan de bloedverwanten van de overdrager in de rechte opgaande of in de rechte neerdalende lijn.
Verder mogen overeenkomsten tussen de aandeelhouders de vrije overdraagbaarheid van de aandelen beperken.
3 Zolang een aandeel niet volgestort is, zijn bij een verkoop van de aandelen zowel de overdrager als de overnemer ervan tegenover de vennootschap en tegenover derden hoofdelijk gehouden tot volstorting. De overdrager die wordt aangesproken kan wel voor wat hij heeft betaald regres uitoefenen op zijn overnemer en op elk van de latere overnemers. Hij kan wat hij betaalde aan de vennootschap of aan de derde dus terugvorderen van de latere overnemers.
4 Het WVV bevat verder ook de mogelijkheid om een uitkoopbod te doen. Meer bepaald kan ieder die alleen of in onderling overleg handelend rechtstreeks of onrechtstreeks 95 % van de aandelen met stemrecht van een besloten vennootschap bezit een uitkoopbod doen om het geheel van de aandelen met stemrecht of de effecten die toegang geven tot stemrecht van deze vennootschap te verkrijgen.
7.4 Vennootschapsorganen en algemene vergadering van aandeelhouders en obligatiehouders
7.4.1 Het bestuur
7.4.1.1 Samenstelling
Het bestuur van een bv gebeurt door een of meerdere bestuurders die al dan niet een college vormen. De bestuurders kunnen daarbij natuurlijke of rechtspersonen zijn. Als een rechtspersoon aangewezen wordt tot bestuurder, benoemt hij een natuurlijk persoon als vaste vertegenwoordiger. Deze natuurlijke persoon wordt dan belast met de uitvoering van de opdracht in naam en voor rekening van de rechtspersoon.
De bestuurders worden door de algemene vergadering van aandeelhouders benoemd voor een bepaalde of voor een onbepaalde termijn.
Tenzij de statuten of de algemene vergadering in het benoemingsbesluit anders bepalen, kan de algemene vergadering het mandaat van een niet-statutair benoemde bestuurder te allen tijde en zonder opgave van redenen met onmiddellijke ingang beëindigen. De statuten kunnen evenwel iets anders voorzien en bv. een opzegtermijn en/of een opzegvergoeding bepalen. Zelfs als er niets in de statuten staat kan de algemene vergadering beslissen om bv. een opzegtermijn na te leven of een opzegvergoeding te betalen.
Bestuurders kunnen daarnaast ook statutair worden benoemd. In dat geval vereist het ontslag een statutenwijziging. De statuten kunnen ook vereisen dat er een motivering wordt gegeven voor het ontslag en/of dat er strengere meerderheidsvereisten voor de beslissing (of zelfs een unanimiteit) moeten zijn.
Een bestuurder kan ook zelf ontslag nemen. Hij moet daarbij geen opzeggingstermijn naleven.
7.4.1.2 Bezoldiging
Een bestuurder wordt in principe bezoldigd voor de uitoefening van zijn mandaat. Van deze regel kan worden afgeweken. Meer bepaald kunnen de statuten anders bepalen of kan de algemene vergadering bij de benoeming anders beslissen.
7.4.1.3 Bevoegdheid en werkwijze
De bevoegdheid van de bestuurders van de besloten vennootschap is in principe zeer ruim. Ze kunnen alle bestuursbeslissingen nemen die nuttig zijn voor de verwezenlijking van het vennootschapsdoel, met uitzondering van die waarvoor wettelijk alleen de algemene vergadering bevoegd is.
Werden er meerdere bestuurders benoemd, dan is volgens de wettelijke regel iedere bestuurder afzonderlijk bevoegd om alle bestuursbeslissingen alleen te nemen. De statuten kunnen de bevoegdheden van de bestuurders wel beperken. Statutair kan ook worden bepaald dat de bestuurders alleen collegiaal kunnen besluiten.
Elke bestuurder kan de vennootschap ook vertegenwoordigen in relaties met derden of bv. voor de rechtbank. Is er sprake van een collegiaal bestuursorgaan dan vertegenwoordigt het bestuursorgaan de vennootschap. De statuten kunnen echter een of meerdere bestuurders de bevoegdheid geven om de vennootschap alleen of gezamenlijk te vertegenwoordigen. De statuten kunnen de vertegenwoordigingsbevoegdheid ook beperken.
De vennootschap is verbonden door de handelingen van de bestuurders zelfs als die handelingen buiten haar voorwerp liggen, tenzij de vennootschap kan bewijzen dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onwetend van kon zijn.
Er wordt in de wet een ganse procedure uitgewerkt die van toepassing is als er een belangentegenstrijdigheid is tussen een bestuurder en de vennootschap. Dat is het geval als een bestuurder een rechtstreeks of onrechtstreeks belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met het belang van de vennootschap
VOORBEELD
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval dat de vennootschap een onroerend goed wil kopen dat eigendom is van een bestuurder of het geval waarin de bestuurder een lening wil geven aan de vennootschap tegen een welbepaalde rentevoet.
7.4.1.4 Dagelijks bestuur
Het dagelijks bestuur van de vennootschap en de vertegenwoordiging van de vennootschap wat dat bestuur aangaat kan worden toevertrouwd aan een of meerdere dagelijkse bestuurders. Dit gebeurt door het bestuursorgaan. De dagelijkse bestuurders treden dan elk alleen, gezamenlijk of als college op.
Het bestuursorgaan dat het orgaan van dagelijks bestuur heeft aangesteld is belast met het toezicht daarop.
Het dagelijks bestuur omvat de handelingen en de beslissingen die niet verder reiken dan de behoeften van het dagelijks leven van de vennootschap. Verder omvat het de handelingen en de beslissingen die, ofwel om reden van hun minder belang dat ze vertonen, ofwel omwille van hun spoedeisend karakter, de tussenkomst van het bestuursorgaan niet rechtvaardigen.
7.4.2 Algemene vergadering van aandeelhouders
Het WVV geeft vooreerst een aantal algemene bepalingen aan die gelden voor alle algemene vergaderingen van aandeelhouders. Vervolgens worden een aantal specifieke regels aangegeven voor gewone, bijzondere en buitengewone algemene vergaderingen.
7.4.2.1 Bepalingen die gelden voor alle algemene vergaderingen van aandeelhouders
De algemene vergadering van aandeelhouders oefent de bevoegdheden uit die in de wet staan. Bovendien kunnen de statuten de bevoegdheden van de algemene vergadering uitbreiden. Als er maar één aandeelhouder is binnen de bv, heeft een algemene vergadering natuurlijk geen zin. De wet zegt dat de enige aandeelhouder dan de bevoegdheden uitoefent die aan de algemene vergadering zijn toegekend. Hij kan die niet overdragen.
De algemene vergadering wordt in principe bijeengeroepen door het bestuursorgaan (en desgevallend de commissaris). Ze bepalen ook de agenda van de algemene vergadering. Zij zijn verplicht de algemene vergadering binnen drie weken bijeen te roepen als aandeelhouders die een tiende van het aantal uitgegeven aandelen vertegenwoordigen dat vragen.
De oproeping tot de algemene vergadering moet de agenda met de te behandelen onderwerpen vermelden. Deze oproeping moet minstens vijftien dagen voor de vergadering gebeuren. Ook de stukken die de vennootschap aan de aandeelhouders ter beschikking moet stellen worden samen met de oproepingsbrief bezorgd.
De aandeelhouders (ook die met aandelen zonder stemrecht) kunnen ook eenparig en schriftelijk alle besluiten nemen die tot de bevoegdheid van de algemene vergadering behoren. Een uitzondering geldt voor statutenwijzigingen. In dat geval moeten de formaliteiten van bijeenroeping niet worden nageleefd.
Alle aandeelhouders mogen deelnemen aan de algemene vergadering. Daarnaast wonen ook de bestuurders de algemene vergadering bij. Als er een commissaris is binnen de vennootschap, dan woont deze de vergadering bij als de algemene vergadering beraadslaagt op grond van een door de commissaris opgesteld verslag.
In de statuten wordt vermeld welke formaliteiten moeten worden vervuld om tot de algemene vergadering te worden toegelaten.
Het bestuursorgaan kan verder de mogelijkheid bieden om op afstand deel te nemen aan de algemene vergadering door middel van een door de vennootschap ter beschikking gesteld elektronisch communicatiemiddel.
Op de algemene vergadering wordt een aanwezigheidslijst opgemaakt. Elke aandeelhouder kan inzage krijgen in deze lijst. In principe moeten de leden van het bestuursorgaan verder antwoord geven op de vragen die hun worden gesteld met betrekking tot de agendapunten. Ze kunnen dat weigeren als de mededeling van bepaalde gegevens of feiten de vennootschap schade kan berokkenen of in strijd is met de door hen of door de vennootschap aangegane vertrouwelijkheidsverbintenissen. Hetzelfde geldt voor vragen die gesteld worden aan de commissaris. Er worden verder notulen opgemaakt van de vergadering. Deze notulen worden ondertekend door de leden van het bureau en door de aandeelhouders die erom verzoeken.
7.4.2.2 Gewone algemene vergadering
Binnen een bv moet er elk jaar minstens één algemene vergadering worden gehouden. Dit moet gebeuren in de gemeente, op de dag en het uur zoals dat in de statuten staat.
Op deze gewone algemene vergadering wordt alleszins de jaarrekening behandeld. De algemene vergadering zal namelijk moeten beslissen of ze die al dan niet goedkeurt. Na de goedkeuring van de jaarrekening, beslist de algemene vergadering ook of kwijting gegeven wordt aan de bestuurders en de commissaris.
7.4.2.3 Bijzondere algemene vergadering
Naast de jaarlijkse ‘gewone’ algemene vergadering kunnen er ook bijzondere algemene vergaderingen worden gehouden. Die beslist dan over aangelegenheden die tot haar bevoegdheid behoren en die geen wijziging van de statuten inhouden.
7.4.2.4 Buitengewone algemene vergadering
De buitengewone algemene vergadering is bevoegd voor alles wat te maken heeft met een wijziging van de statuten. Dergelijke statutenwijzigingen moeten notarieel worden vastgesteld bij authentieke akte. De buitengewone algemene vergadering kan alleen geldig beraadslagen en besluiten over wijzigingen in de statuten als de voorgestelde wijzigingen nauwkeurig zijn aangegeven in de oproeping.
Bovendien moeten de aanwezige of vertegenwoordigde aandeelhouders ten minste de helft van het totaal aantal uitgegeven aandelen vertegenwoordigen. Als dit niet het geval is dan is een tweede bijeenroeping nodig. De nieuwe vergadering kan dan geldig beslissen ongeacht hoeveel aandeelhouders en aandelen er aanwezig zijn.
Een wijziging van de statuten is in principe alleen mogelijk met een drievierdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen. Voor beslissingen die een wijziging van het voorwerp en van de doelen van de
vennootschap inhouden is een ruimere meerderheid nodig. Hierover kan slechts beslist worden als de aanwezige of vertegenwoordigde aandeelhouders ten minste de helft van het totaal aantal uitgegeven aandelen vertegenwoordigen. Bovendien moet er een viervijfdemeerderheid voor de wijziging stemmen.
De algemene vergadering beslist of er al dan niet tegen de leden van het bestuursorgaan of tegen de commissaris een vennootschapsvordering moet worden ingesteld en dit omdat ze hun taak niet naar behoren uitoefenden.
Als de bestuurders tegelijk aandeelhouder zijn en zelf een meerderheid hebben binnen de algemene vergadering (of ze een meerderheid van de aandeelhouders achter zich staan hebben), zal zo’n vennootschapsvordering niet ingesteld kunnen worden. Deze aandeelhouders zullen nu eenmaal geen vordering tegen zichzelf of tegen een bevriend bestuurder willen instellen. Vandaar dat de wet aangeeft dat minderheidsaandeelhouders voor rekening van de vennootschap een vordering tegen de leden van het bestuursorgaan kunnen instellen. Deze minderheidsaandeelhouders moeten ten minste 10 % van het aantal uitgegeven aandelen bezitten. Bovendien kunnen aandeelhouders met stemrecht de vordering alleen instellen als ze de kwijting op de algemene vergadering niet hebben goedgekeurd.
Een of meer aandeelhouders die aandelen bezitten die ten minste 10 % vertegenwoordigen van het aantal uitgegeven aandelen kunnen aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank ook vragen om een deskundige aan te stellen om de boeken en de rekeningen van de vennootschap na te kijken en ook de verrichtingen die haar organen hebben gedaan. Hiervoor is vereist dat er aanwijzingen zijn dat de belangen van de vennootschap op ernstige wijze in gevaar (dreigen te) komen.
7.4.4 Algemene vergadering van obligatiehouders
De algemene vergadering van obligatiehouders kan de uitgiftevoorwaarden van obligaties wijzigen. Zo’n besluit heeft alleen uitwerking als de vennootschap er uitdrukkelijk mee instemt.
Een algemene vergadering van obligatiehouders kan bijeengeroepen worden door het bestuursorgaan en eventueel de commissaris. De oproeping tot de algemene vergadering bevat de agenda. De statuten bepalen de formaliteiten die moeten worden vervuld om tot de algemene vergadering van obligatiehouders te worden toegelaten.
Op elke algemene vergadering van obligatiehouders wordt een aanwezigheidslijst bijgehouden. De algemene vergadering van obligatiehouders kan alleen geldig beraadslagen en besluiten als de aanwezige leden ten minste de helft van het bedrag van de in omloop zijnde effecten vertegenwoordigen. Een voorstel is aangenomen als het is goedgekeurd door leden ten minste drie vierde van het bedrag van de obligaties waarvoor aan de stemming is deelgenomen vertegenwoordigen.
Er worden notulen opgemaakt van de vergadering. Die worden ondertekend door de leden van het bureau en door de obligatiehouders die erom verzoeken.
Eerder gaven we al aan dat er binnen een bv geen minimumkapitaal moet zijn. De afschaffing van de kapitaalsvereiste brengt met zich dat er ook geen spelregels meer zijn voor een kapitaalsvermeerdering of kapitaalsvermindering binnen een besloten vennootschap. Het WVV geeft wel een aantal andere spelregels aan rond het vermogen van de bv.
7.5.1 Bijkomende inbrengen – uitgifte van nieuwe aandelen, van converteerbare obligaties en van inschrijvingsrechten
Als een bv nieuwe aandelen wil uitgeven, dan is daar een statutenwijziging voor nodig. Hetzelfde geldt bij de uitgifte van nieuwe converteerbare obligaties of inschrijvingsrechten. De algemene vergadering kan daarnaast ook bijkomende inbrengen aanvaarden zonder uitgifte van nieuwe aandelen. Hiervoor volstaat een gewone meerderheid van stemmen. Een dergelijk besluit moet wel in een authentieke akte vastgesteld worden.
Op nieuwe aandelen die uitgegeven worden kan in principe slechts worden ingeschreven door de personen die aan de voorwaarden voldoen om aandeelhouder te kunnen worden. De vennootschap mag niet inschrijven op haar eigen aandelen. De aandelen waarop in geld wordt ingeschreven moeten eerst worden aangeboden aan de bestaande aandeelhouders, en dit evenredig met het aantal aandelen dat zij bezitten.
Bij een latere inbreng in natura gelden in grote lijnen dezelfde regels die ook al bij een inbreng in natura bij de oprichting gelden.
In de statuten kan aan het bestuursorgaan de bevoegdheid toegekend worden om nieuwe aandelen, converteerbare obligaties of inschrijvingsrechten uit te geven. Deze bevoegdheid kan echter slechts gedurende vijf jaar worden uitgeoefend, te rekenen van de bekendmaking van de oprichtingsakte of van de statutenwijziging. De algemene vergadering kan deze bevoegdheid wel eventueel een of meerdere malen hernieuwen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar.
7.5.2 De instandhouding van het vermogen van de vennootschap
7.5.2.1 Uitkeringen aan aandeelhouders – tantièmes
Om de schuldeisers van de besloten vennootschap te beschermen, bevat het WVV een aantal regels omtrent de instandhouding van het vermogen van de vennootschap (art. 5:141 tot 5:153 WVV). De wetgever wilde immers vermijden dat uitkeringen uit het vennootschapsvermogen worden verricht ten nadele van schuldeisers.
Het uitgangspunt van de wet is dan ook dat uitkeringen (winstuitkeringen, tantièmes …) niet tot gevolg mogen hebben dat het eigen vermogen van de vennootschap negatief wordt. Bovendien mogen uitkeringen niet tot gevolg hebben dat de vennootschap na de uitkering binnen het jaar opeisbare schulden niet meer zou kunnen betalen. Wettelijk of door de statuten bepaalde, onbeschikbare reserves moeten in de bv blijven en kunnen niet worden uitgekeerd.
Dit alles betekent dan ook dat er vooraleer bedragen kunnen worden uitgekeerd (bv. als tantièmes of als winstuitkeringen aan aandeelhouders) er een dubbele test moet worden gedaan. Meer bepaald is er enerzijds een balanstest nodig en anderzijds een liquiditeitstest.
VOORBEELD
Activa Passiva
Gebouw
Voorraad Handelsgoederen
Liquide middelen
Totaal
Nettoactieftest
75 000 Eigen vermogen
75 000
20 000 Inbreng 40 000
15 000 Reserves 25 000
Overgedragen winsten 10 000
Vreemd vermogen
Lening bij de bank
110 000 Totaal
35 000
35 000
110 000
Op het actief komt het nettoactief overeen met het totaal van de activa min de voorzieningen en schulden. Hier dus 110 000 EUR min 35 000 EUR = 75 000 EUR.
Op het passief is dit gelijk aan de inbrengen plus de reserves en de overgedragen winsten. Deze bv kan dus volgens de nettoactieftest 75 000 EUR uitkeren.
Als zij meer uitkeert dan 75 000 EUR dan wordt het nettoactief negatief.
Veronderstel nu dat de oprichters voorzichtig wilden zijn en dat zij in de statuten bepaald hebben dat de inbrengen, dus 40 000 EUR, ‘onbeschikbare inbreng’ is.
Dan kan er maar 35 000 EUR uitgekeerd worden aan de aandeelhouders.
Liquiditeitstest
Hiermee moet worden aangetoond dat als men dus in de algemene vergadering beslist heeft om een uitkering van 35 000 EUR te doen, er geen probleem zal zijn voor de bv om haar schulden die binnen de 12 maanden vervallen (dus betaald moeten worden) te betalen.
Als blijkt dat de leden van het bestuursorgaan wisten of moesten weten dat de vennootschap door de uitkering kennelijk niet meer in staat zou zijn haar schulden te voldoen, zijn zij tegenover de vennootschap en derden hoofdelijk aansprakelijk voor alle daaruit voortvloeiende schade. De vennootschap kan bovendien uitkeringen die in strijd met deze principes werden gedaan van de aandeelhouders of alle andere personen ten behoeve van wie de uitkering is beslist terugvorderen, ongeacht of ze te goeder of te kwader trouw zijn.
7.5.2.2 Verkrijging van eigen aandelen of certificaten
In het WVV wordt de verkrijging van eigen aandelen en certificaten in de besloten vennootschap vereenvoudigd en aangepast aan de afschaffing van het kapitaalbegrip. Om eigen aandelen te kunnen verkrijgen moet er voldaan zijn aan een aantal voorwaarden: de verkrijging moet vooreerst toegelaten zijn door een voorafgaand besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders; het voor de verkrijging uitgetrokken bedrag moet verder voor uitkering vatbaar zijn; de verrichting moet volgestorte aandelen of certificaten die betrekking hebben op volgestorte aandelen als voorwerp hebben; het aanbod tot verkrijging van de aandelen of certificaten wordt tot alle aandeelhouders gericht, tenzij een algemene vergadering waarop alle aandeelhouders of certificaathouders aanwezig of vertegenwoordigd zijn eenparig tot de verkrijging besluit.
De algemene vergadering of de statuten bepalen het maximum aantal te verkrijgen aandelen of certificaten, de duur waarvoor de toestemming tot verkrijging is verleend evenals de minimum- en maximumwaarde van de vergoeding.
De aldus verkregen aandelen of certificaten kunnen door de bv worden vernietigd of in portefeuille worden gehouden. Een vernietiging vereist wel een statutenwijziging. De aan de verkregen aandelen verbonden rechten blijven geschorst totdat ze worden vervreemd of vernietigd. Zolang de verkregen aandelen tot het vermogen van de vennootschap behoren, komen de eraan verbonden dividendrechten te vervallen.
De besloten vennootschap mag in principe ook niet onbeperkt middelen voorschieten, leningen toestaan of zekerheden geven om derden (zoals bv. de koper van de aandelen) toe te laten om haar aandelen verkrijgen. Om dat toch te kunnen doen moeten er een aantal voorwaarden vervuld zijn.
VOORBEELD
– het bestuursorgaan moet een verslag opstellen met daarin de redenen voor de verrichting en de voorwaarden waartegen deze plaatsvindt, samen met de daaraan verbonden risico’s voor de liquiditeit en de solvabiliteit van de vennootschap.
– het voor de verrichting uitgetrokken bedrag moet voor uitkering vatbaar zijn.
Verder bevat het WVV spelregels over een alarmbelprocedure. Als het nettoactief van de vennootschap negatief dreigt te worden of is geworden, moet het bestuursorgaan namelijk de algemene vergadering van aandeelhouders bijeenroepen. Hierbij moet men besluiten over de ontbinding van de vennootschap of over in de agenda aangekondigde maatregelen om de continuïteit van de vennootschap te vrijwaren.
Als de algemene vergadering niet overeenkomstig dit artikel wordt bijeengeroepen, dan wordt de door derden geleden schade, behoudens tegenbewijs, geacht uit het ontbreken van een bijeenroeping voort te vloeien.
7.6 Uittreding en uitsluiting lastens het vennootschapsvermogen
1 In de statuten van een bv kan vermeld worden dat aandeelhouders het recht hebben om uit de vennootschap te treden. In dat geval regelen de statuten de voorwaarden en modaliteiten daarvan.
De belangrijkste modaliteiten van zo’n recht op uittreding zijn de volgende: een uittreding kan enkel als ze statutair is toegelaten. De uittreding van oprichters kan alleszins pas gebeuren vanaf het derde boekjaar na de oprichting; tenzij de statuten anders bepalen, kunnen de aandeelhouders slechts uittreden gedurende de eerste zes maanden van het boekjaar; tenzij de statuten anders bepalen, treedt een aandeelhouder met al zijn aandelen uit, waarbij zijn aandelen worden vernietigd; tenzij de statuten anders bepalen, heeft de uittreding uitwerking op de laatste dag van de zesde maand van het boekjaar. Het bedrag van het scheidingsaandeel moet ten laatste één maand nadien worden betaald; de uittredende vennoot ontvangt een vergoeding (het zogenaamde scheidingsaandeel). Dat bedrag is in principe gelijk aan de voor deze aandelen werkelijk gestorte en nog niet terugbetaalde inbreng, zonder evenwel het bedrag van de nettoactiefwaarde van deze aandelen zoals die blijkt uit de laatste goedgekeurde jaarrekening, te overschrijden.
2 De statuten kunnen verder bepalen dat de vennootschap een aandeelhouder om een wettige reden of omwille van een andere in de statuten vermelde reden kan uitsluiten.
In dat geval moet een wettelijk omschreven procedure gevolgd worden. Zo is alleen de algemene vergadering bevoegd om een uitsluiting uit te spreken, mag de aandeelhouder wiens uitsluiting gevraagd wordt zijn opmerkingen te kennen te geven aan de algemene vergadering, moet de aandeelhouder die erom verzoekt gehoord worden, enz.
Tenzij de statuten anders bepalen, heeft de uitgesloten aandeelhouder recht op uitkering van de waarde van zijn scheidingsaandeel. De aandelen van de uitgesloten aandeelhouder worden vernietigd.
3 De statuten kunnen verder bepalen dat in geval van overlijden, faillissement, kennelijk onvermogen, vereffening of onbekwaamheidsverklaring van een aandeelhouder hij op dat ogenblik van rechtswege wordt geacht uit te treden. De aandeelhouder, of, naargelang het geval, zijn erfgenamen, schuldeisers of vertegenwoordigers hebben in dat geval recht op uitkering van de waarde van zijn scheidingsaandeel.
Tenzij de statuten iets anders bepalen, worden besloten vennootschappen voor onbepaalde duur aangegaan. Als de vennootschap toch voor een bepaalde duur wordt aangegaan, kan de algemene vergadering besluiten tot verlenging voor een bepaalde of onbepaalde duur. Dit besluit vereist een statutenwijziging.
1 Onder het ‘oude’ vennootschapsrecht werd de coöperatieve vennootschap vooral gebruikt voor vennootschappen in de coöperatieve sector en voor professionele vennootschappen waarin vrije beroepers hun activiteiten samen uitoefenden (bv. advocatenvennootschappen). Onder het WVV werd dit aangepast. De coöperatieve vennootschap wordt nu immers voorbehouden aan de ‘eigenlijke’ coöperatieven. Dit zal ertoe leiden dat deze vennootschapsvorm heel wat minder vaak zal worden gebruikt.
2 De coöperatieve vennootschap kan erkend worden als een sociale onderneming. Deze erkenning heeft onder meer fiscale en sociaalrechtelijke voordelen. De erkenning gebeurt via aanvraag bij de FOD Economie.
3 De wettelijke bepalingen met betrekking tot coöperatieve vennootschappen staan in Boek 6 WVV. Het WVV geeft aan dat de coöperatieve vennootschap ‘tot voornaamste doel heeft aan de behoeften van haar aandeelhouders dan wel derde belanghebbende partijen te voldoen en/of hun economische en sociale activiteiten te ontwikkelen, onder meer door met hen overeenkomsten te sluiten over de levering van goederen, de verrichting van diensten of de uitvoering van werken in het kader van de activiteit die de coöperatieve vennootschap uitoefent of laat uitoefenen.’
Als een vennootschap niet voldoet aan dit coöperatieve doel maar toch de vorm aanneemt van een cv kan de ondernemingsrechtbank (bv. op verzoek van een aandeelhouder of van een belanghebbende derde) de ontbinding uitspreken van de coöperatieve vennootschap.
Het WVV maakt ook geen onderscheid meer tussen de cvoa (coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid) en de cvba (coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid). Meer bepaald blijft alleen de cv over, waar de aandeelhouders slechts beperkt aansprakelijk zijn en alleen hun inbreng verbinden.
Een coöperatieve vennootschap moet door minstens drie personen worden opgericht. Er is geen verplicht oprichtingskapitaal. Wel moeten de oprichters ervoor zorgen dat de coöperatieve vennootschap bij de oprichting over een toereikend eigen vermogen beschikt. Ook hier moet een financieel plan worden opgemaakt.
De vennootschap wordt opgericht via authentieke akte. Ook hier kan men onder bepaalde voorwaarden niet verschijnen als oprichter maar als gewone verschijner. Op die manier riskeert men geen oprichtersaansprakelijkheid. Ook hier kan de oprichting online gebeuren.
Een coöperatieve vennootschap kan in principe alleen aandelen op naam met stemrecht uitgeven. Ook kunnen er obligaties op naam of, als de statuten dit toelaten, gedematerialiseerde obligaties worden uitgegeven. De vennootschap moet minstens drie aandelen uitgeven met stemrecht.
Tenzij de statuten anders bepalen, kunnen de aandelen vrij worden overgedragen aan aandeelhouders. Aan derden kunnen de aandelen slechts worden overgedragen als zij behoren tot de door de statuten bepaalde categorieën en voldoen aan de statutaire vereisten om aandeelhouder te worden.
Overeenkomsten of de statuten kunnen grenzen stellen aan de overdraagbaarheid.
8.4 Vennootschapsorganen en algemene vergadering van obligatiehouders
1 Een cv wordt bestuurd door een of meerdere bestuurders die al dan niet een college vormen. De bestuurders kunnen zowel natuurlijke als rechtspersonen zijn. De bestuurders worden door de algemene vergadering van aandeelhouders benoemd voor een bepaalde of voor een onbepaalde termijn. Bestuurders kunnen ook statutair worden benoemd.
Tenzij de statuten anders bepalen of de algemene vergadering bij hun benoeming anders beslist, worden de bestuurders bezoldigd voor de uitoefening van hun mandaat.
Elke bestuurder is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het voorwerp van de vennootschap, tenzij die waarvoor volgens de wet de algemene vergadering bevoegd is. De statuten kunnen de bevoegdheden van elke bestuurder beperken. De statuten kunnen ook bepalen dat de bestuurders een collegiaal bestuursorgaan vormen.
Het bestuursorgaan kan het dagelijks bestuur van de vennootschap, alsook de vertegenwoordiging van de vennootschap wat dat bestuur aangaat, opdragen aan een of meer personen, die elk alleen, gezamenlijk of als college optreden.
2
De algemene vergadering van aandeelhouders oefent de bevoegdheden uit die het WVV haar toewijst. De statuten kunnen de bevoegdheden van de algemene vergadering uitbreiden.
De aandeelhouders mogen deelnemen aan de algemene vergadering. De statuten bepalen welke formaliteiten moeten worden vervuld om tot de algemene vergadering te worden toegelaten. Het bestuursorgaan kan overigens aan de aandeelhouders de mogelijkheid bieden om op afstand deel te nemen aan de algemene vergadering door een door de vennootschap ter beschikking gesteld elektronisch communicatiemiddel.
Ieder jaar moet er ten minste één algemene vergadering worden gehouden in de gemeente, op de dag en het uur bij de statuten bepaald. Voor een wijziging van de statuten is ook hier een buitengewone algemene vergadering vereist.
3 De algemene vergadering van obligatiehouders is bevoegd om de uitgiftevoorwaarden te wijzigen. Een besluit van de algemene vergadering van obligatiehouders tot wijziging van de uitgiftevoorwaarden heeft evenwel geen uitwerking zonder de uitdrukkelijke instemming van de vennootschap.
8.5 Het vermogen van de vennootschap
Niet iedereen kan inschrijven op nieuwe aandelen. Men moet daarvoor namelijk voldoen aan de voorwaarden om aandeelhouder te kunnen worden.
Er mag geen uitkering gebeuren als het nettoactief van de vennootschap negatief is of daardoor negatief zou worden.
Ook bij een cv bestaat er een alarmbelprocedure. Als het nettoactief van de vennootschap negatief dreigt te worden of is geworden, moet het bestuursorgaan de algemene vergadering bijeenroepen om te besluiten over de ontbinding van de vennootschap of over in de agenda aangekondigde maatregelen om de continuïteit van de vennootschap te vrijwaren.
De aandeelhouders hebben het recht om binnen bepaalde grenzen uit de vennootschap te treden. Tenzij de statuten anders bepalen, wordt in geval van overlijden, faillissement, kennelijk onvermogen, vereffening of onbekwaamheidsverklaring van een aandeelhouder hij op dat ogenblik van rechtswege geacht uit te treden.
De statuten kunnen verder bepalen dat de aandeelhouder die niet langer beantwoordt aan de statutaire vereisten om aandeelhouder te worden, wordt geacht op dat ogenblik van rechtswege uit te treden.
Verder kan een vennootschap een aandeelhouder uitsluiten om een wettige reden. De statuten kunnen bovendien bijkomende redenen tot uitsluiting bepalen.
De naamloze vennootschap (nv) is een vennootschapsvorm die bedoeld is voor de grote vennootschappen met een ruim aandeelhouderschap. Het gaat volgens de wettelijke definitie om ‘een vennootschap met een kapitaal en waarin de aandeelhouders slechts hun inbreng verbinden’ (art. 7:1 WVV).
De voornaamste kenmerken van de nv zijn de volgende: de nv is de kapitaalvennootschap bij uitstek, dit wil zeggen dat het door de aandeelhouders ingebrachte kapitaal primeert op de persoonlijke kwaliteiten en vaardigheden van de aandeelhouders; de door de nv uitgegeven aandelen zijn in de regel vrij overdraagbaar, dit willen zeggen de aandeelhouder kan zijn aandelen naar goeddunken vrij verkopen, wegschenken, ruilen …
De wettelijke regels die verband houden met de nv zijn terug te vinden in Boek 7 WVV.
Voor genoteerde naamloze vennootschappen (vennootschappen waarvan de aandelen, effecten en obligaties genoteerd zijn op een effectenbeurs) gelden een aantal specifieke regels. Het zou ons echter te ver leiden daarop verder in te gaan.
9.2.1 Het kapitaal
1 Het kapitaal van een nv bedraagt minimaal 61 500 EUR.
Het kapitaal moet bij de oprichting volgestort zijn ten belope van minimaal 61 500 EUR. Bovendien moet op ieder aandeel dat overeenstemt met een inbreng in geld en op ieder aandeel dat geheel of ten dele overeenstemt met een inbreng in natura, een vierde worden gestort. De aandelen die volledig of deels inbrengen in natura vertegenwoordigen moeten volgestort zijn binnen een termijn van vijf jaar na de oprichting van de vennootschap.
Voor de oprichting van een nv volstaat het dat er één oprichter is.
Net als bij een bv moeten de oprichters voor de oprichting van een nv een financieel plan overhandigen aan de notaris. Hierin moeten zij het bedrag van het kapitaal van de op te richten vennootschap verantwoorden in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid over een periode van ten minste twee jaar. Dit stuk wordt door de notaris bewaard. De oprichters kunnen aansprakelijk gesteld worden.
Het kapitaal van de vennootschap moet volledig en onvoorwaardelijk zijn geplaatst.
2 In een nv zijn inbrengen van geld en inbrengen in natura mogelijk. Wat niet kan zijn inbrengen van nog te presteren arbeid.
In geval van een inbreng in geld moeten de gelden, vóór de oprichting van de vennootschap, gedeponeerd worden op een bijzondere rekening op naam van de vennootschap in oprichting, geopend bij een financiële instelling.
Gebeurt de inbreng in natura, dan moeten de oprichters, vóór de oprichting van de vennootschap, een onafhankelijke deskundige (een bedrijfsrevisor) aanstellen. Die moet een controleverslag opstellen. Daarin moet hij elke inbreng in natura beschrijven en de waarde ervan bepalen. Daarnaast maken ook de oprichters een eigen verslag op, waarin zij eventueel hun afwijkende conclusies uiteenzetten.
3 Bij een quasi-inbreng spelen er soortgelijke regels als bij een inbreng in natura.
Er is sprake van zo’n quasi-inbreng als een vennootschap binnen twee jaar na haar oprichting een vermogensbestanddeel wil aankopen dat toebehoort aan een oprichter, een bestuurder, een aandeelhouder of een lid van de directieraad of een raad van toezicht en dit tegen een vergoeding van ten minste een tiende van het geplaatste kapitaal.
9.2.2 Oprichtingsformaliteiten
De nv moet worden opgericht via een notariële akte. Bij de oprichting moeten alle aandeelhouders aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Niet alle aandeelhouders moeten daarbij als oprichter optreden. Wie niet optreedt als oprichter vermijdt het risico van een oprichtersaansprakelijkheid op te lopen.
9.2.3 Nietigheid
Een nv kan soms nietig verklaard worden. De gevallen waarin dit kan zijn in grote lijnen dezelfde als bij een bv.
VOORBEELD
Een nv kan nietig worden verklaard als het voorwerp van de vennootschap ongeoorloofd is of strijdig met de openbare orde. Denk daarbij bv. maar aan illegale producten maken en produceren.
Daarnaast kan een nv ook nietig verklaard worden als er in de oprichtingsakte geen gegevens voorkomen over het bedrag van het geplaatste kapitaal.
9.3 Effecten en hun overdracht en overgang
9.3.1 Algemeen
Een naamloze vennootschap kan, net als een bv, alle effecten uitgeven die niet door of krachtens de wet verboden zijn. De effecten die een nv uitgeeft zijn op naam of gedematerialiseerd. Effecten aan toonder zijn dus in principe niet toegelaten.
Als verscheidene personen zakelijke rechten hebben op eenzelfde aandeel, kan een naamloze vennootschap, de uitoefening van het stemrecht schorsen. Verder oefent een vruchtgebruiker in principe de rechten verbonden aan een effect uit.
Ook hier wordt op de zetel van de vennootschap een register gehouden voor elke categorie van effecten op naam die de vennootschap heeft uitgegeven.
9.3.2 De verschillende soorten effecten
9.3.2.1 Aandelen
Het kapitaal van een nv is verdeeld in een of meer aandelen, met of zonder vermelding van waarde. Deze aandelen hebben al dan niet stemrecht. De nv moet wel minstens één aandeel uitgeven. Bovendien moet minstens één aandeel stemrecht hebben.
Tenzij de statuten anders bepalen, geeft elk aandeel recht op een deel in de winst en in het vereffeningssaldo evenredig met het deel dat dit aandeel in het kapitaal vertegenwoordigt.
De statuten kunnen het aantal stemmen waarover iedere aandeelhouder in de vergaderingen beschikt beperken, op voorwaarde dat die beperking verplicht van toepassing is op iedere aandeelhouder zonder onderscheid van het effect waarmee hij aan de stemming deelneemt.
Verder kunnen overeenkomsten de uitoefening van het stemrecht regelen. Deze overeenkomsten moeten in de tijd beperkt zijn en mogen niet strijdig zijn met het belang van de vennootschap.
9.3.2.2 Winstbewijzen
Winstbewijzen vertegenwoordigen het kapitaal niet. Ze worden door de vennootschap uitgegeven als tegenprestatie voor iets anders dan een inbreng. Veelal worden ze toegekend aan personen die aan de vennootschap bepaalde diensten hebben bewezen of die voor de vennootschap bepaalde arbeid hebben verricht.
VOORBEELD
‘Oprichtersaandelen’ worden aan bepaalde oprichters – naast hun kapitaalaandelen – toegekend omwille van hun inspanningen en initiatief om alle nodige vergunningen en formaliteiten bij verschillende overheden in orde te brengen bij de oprichting van de nv.
De statuten bepalen de rechten die verbonden zijn aan de winstbewijzen, zo bv. in welke mate ze stemrecht hebben. Maximaal kunnen er aan de winstbewijzen de helft van het aantal stemmen dat is toegekend aan de gezamenlijke aandelen worden toegekend. Bovendien kunnen ze bij de stemming niet worden aangerekend voor meer dan twee derde van het aantal stemmen uitgebracht door de aandelen.
9.3.2.3 Obligaties
Een nv kan obligaties uitgeven. Deze obligaties kunnen uitgegeven worden voor een bepaalde termijn of ‘eeuwigdurend’.
Het WVV biedt de mogelijkheid om converteerbare obligaties uit te geven. In dat geval is de obligatie converteerbaar in aandelen van de nv. Het conversierecht kan dan toekomen aan de obligatiehouder of aan de vennootschap, of kan automatisch (al dan niet onder bepaalde voorwaarden) plaatsvinden. Om te weten wat de concrete regeling is, moeten de uitgiftevoorwaarden worden bekeken. De converteerbare obligaties moeten volledig zijn volgestort.
9.3.2.4 Inschrijvingsrechten
Naamloze vennootschappen kunnen verder ook inschrijvingsrechten uitgeven. Hierbij wordt het recht gegeven om in te schrijven op nieuwe aandelen van een vennootschap onder de voorwaarden die voor de uitgifte van deze aandelen worden vastgelegd.
De periode waarin de inschrijvingsrechten kunnen worden uitgeoefend, mag in principe niet langer zijn dan tien jaar te rekenen vanaf hun uitgifte.
In de uitgiftevoorwaarden wordt bepaald op welke data de inschrijving op aandelen, in geval van uitoefening van het inschrijvingsrecht, zal plaatshebben en binnen welke termijnen de houders van dat recht hun besluit moeten meedelen.
9.3.3 Overdracht en overgang van effecten
1 De overdracht van aandelen in een nv gebeurt volgens de regels van het gemeen recht (verbintenissen- en contractenrecht). Ook hier moet de overdracht geformaliseerd worden in het register van de betrokken effecten. Als er sprake is van de overdracht of overgang van een gedematerialiseerd effect, dan gelden er andere regels. In dat geval kan deze overdracht aan de vennootschap en aan derden slechts worden tegengeworpen door boeking van de ene op de andere effectenrekening.
2 De effecten binnen een nv zijn in principe volledig vrij overdraagbaar. Niettemin kunnen de statuten, de uitgiftevoorwaarden van effecten of overeenkomsten die bv. tussen aandeelhouders worden afgesloten grenzen aan deze overdrachten aanbrengen. Zo kunnen de statuten van de vennootschap bijvoorbeeld goedkeuringsclausules of clausules van voorkoop bevatten. Goedkeuringsclausules houden in dat de overdracht van aandelen onderworpen wordt aan de voorafgaande goedkeuring door een orgaan van de vennootschap. Clausules van voorkoop houden in dat de aandeelhouder die zijn aandelen wenst over te dragen, die eerst moet aanbieden aan de overige aandeelhouders.
Aandeelhoudersovereenkomsten zijn overeenkomsten waarbij de belangrijke aandeelhouders onderling allerlei afspraken maken om de macht en de zeggenschap in de vennootschap in handen te houden via hun meerderheidspositie in de algemene vergadering van aandeelhouders. Logischerwijze zullen zulke overeenkomsten eveneens clausules bevatten waarbij de vrije overdracht van de betrokken aandelen wordt beperkt, zoals de reeds aangegeven goedkeuringsen voorkoopclausules.
Deze clausules moeten aan een aantal grenzen beantwoorden. Zo moeten onvervreemdbaarheidsclausules door een rechtmatig belang worden verantwoord, met name wat hun duur betreft. Onvervreemdbaarheidsclausules van onbepaalde duur kunnen dan weer te allen tijde worden opgezegd met inachtneming van een redelijke opzeggingstermijn. Bij goedkeuringsclausules of clausules die in een voorkooprecht voorzien, mag de toepassing van die clausules niet tot gevolg hebben dat de onoverdraagbaarheid meer dan zes maanden duurt, te rekenen van de datum van het verzoek om goedkeuring of van de uitnodiging om het recht van voorkoop uit te oefenen.
In geval van overdracht van een niet volgestort aandeel, zijn de overdrager en overnemer – net als in een bv – tegenover de vennootschap en tegenover derden hoofdelijk gehouden tot volstorting en heeft de verkoper een regres op de koper.
3 Iedere natuurlijke persoon of iedere rechtspersoon die, alleen of in onderling overleg handelend, rechtstreeks of onrechtstreeks 95 % van de effecten met stemrecht van een genoteerde naamloze
vennootschap bezit, kan een openbaar bod tot uitkoop doen om het geheel van de door de vennootschap uitgegeven effecten met stemrecht of die toegang geven tot stemrecht te verkrijgen.
Bovendien kan er een meldingsplicht rusten op wie in een nv rechtstreeks of onrechtstreeks gedematerialiseerde stemrechtverlenende effecten verwerft die minstens 25 % van de stemrechten vertegenwoordigen. Meer bepaald moet hij binnen de vijf dagen na de verwerving een kennisgeving hiervan doen aan de vennootschap. Doet men dit niet, dan riskeert men sancties (bv. niet mogen deelnemen aan de stemming op de algemene vergadering van aandeelhouders).
9.4 Vennootschapsorganen en algemene vergadering van obligatiehouders
9.4.1 Het bestuur
In de naamloze vennootschap zijn er vier mogelijke bestuursvormen. Meer bepaald is er het monistisch bestuur, het monistisch bestuur met een enkele bestuurder, het duale bestuur en het dagelijks bestuur.
9.4.1.1 Het monistisch bestuur
1 Bij een monistisch bestuur wordt de nv bestuurd door een collegiaal bestuursorgaan (de raad van bestuur). Deze raad van bestuur telt tenminste drie bestuurders. Dat kunnen natuurlijke of rechtspersonen zijn. Zolang de vennootschap minder dan drie aandeelhouders heeft, mag de raad van bestuur bestaan uit twee bestuurders tenzij het gaat om een genoteerde vennootschap waar dit niet toegelaten is.
2 Deze bestuurders worden benoemd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Zij worden daarbij benoemd voor ten hoogste zes jaar, maar hun mandaat is onbeperkt hernieuwbaar.
De algemene vergadering kan het mandaat te allen tijde en zonder opgave van redenen met onmiddellijke ingang beëindigen. Tenzij de statuten anders bepalen, kan de algemene vergadering op het moment van de opzegging niettemin altijd een latere datum bepalen waarop het mandaat eindigt of een vertrekvergoeding toekennen. In de statuten kan bovendien een andere regeling staan. Zo kunnen de statuten bepalen dat het mandaat van een bestuurder alleen kan worden beeindigd mits inachtneming van een opzeggingstermijn of toekenning van een vertrekvergoeding. In dat geval kan de algemene vergadering het mandaat van een bestuurder toch altijd beëindigen om wettige redenen, zonder een opzeggingstermijn te moeten naleven of een vertrekvergoeding te moeten betalen.
De bestuurder kan op zijn beurt ontslag nemen door een loutere kennisgeving aan de raad van bestuur.
3 De bestuurders worden in principe bezoldigd voor de uitoefening van hun mandaat. De statuten kunnen echter een andersluidende regeling opnemen en ook de algemene vergadering kan bij de benoeming aangeven dat het mandaat onbezoldigd is.
4 De raad van bestuur is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van het voorwerp van de vennootschap, behoudens die waarvoor volgens de wet de algemene vergadering bevoegd is. De statuten van de vennootschap kunnen deze bevoegdheden van de raad van bestuur wel beperken.
De raad van bestuur vertegenwoordigt de vennootschap tegenover derden, met inbegrip van de vertegenwoordiging in rechte (bv. voor de rechtbanken). De statuten kunnen aan een of meer bestuurders de bevoegdheid verlenen om de vennootschap alleen of gezamenlijk te vertegenwoordigen. De statuten kunnen aan de vertegenwoordigingsbevoegdheid ook beperkingen aanbrengen.
De vennootschap is verbonden door de handelingen van de raad van bestuur zelfs als die handelingen buiten haar voorwerp liggen. Een uitzondering op die regel bestaat als de vennootschap bewijst dat de derde daarvan op de hoogte was of er, gezien de omstandigheden, niet onkundig van kon zijn.
5 Van de vergaderingen van de raad van bestuur worden notulen opgemaakt. Deze notulen worden ondertekend door de voorzitter en de bestuurders die erom verzoeken. De vergaderingen van de raad van bestuur kunnen ook ‘schriftelijk’ verlopen.
6 Er bestaan regels voor als een bestuurder een rechtstreeks of onrechtstreeks belang van vermogensrechtelijke aard heeft dat strijdig is met het belang van de vennootschap.
9.4.1.2 De enige bestuurder
De wet laat toe om in de statuten te bepalen dat de naamloze vennootschap wordt bestuurd door slechts een enkele bestuurder. Die bestuurder kan dan al dan niet in de statuten worden benoemd. Er kan meteen ook een statutaire opvolger aangesteld worden.
De statuten kunnen bepalen dat de enige bestuurder hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk is voor de verbintenissen van de vennootschap, maar dat hoeft niet het geval te zijn.
Aan de enige bestuurder kunnen binnen bepaalde grenzen statutaire vetorechten toegekend worden voor statutenwijzigingen, beslissingen over de winstuitkering en voor zijn eigen ontslag. Aan deze instemming voor het eigen ontslag zijn er wel grenzen.
9.4.1.3 Duaal bestuur
De statuten kunnen ook een duaal bestuur inrichten. Bij zo’n duaal bestuur wordt het bestuur waargenomen door een raad van toezicht en een directieraad.
De raad van toezicht is bevoegd voor het algemeen beleid en de strategie van de vennootschap en voor alle handelingen die op grond van andere bepalingen van het wetboek specifiek aan de raad van bestuur zijn voorbehouden. Hij houdt ook toezicht op de directieraad. De raad van toezicht vertegenwoordigt de vennootschap tegenover derden met inbegrip van de vertegenwoordiging in rechte in alle materies waarvoor hij exclusief bevoegd is. De raad van toezicht beslist ook over de aan de leden van de directieraad te verlenen kwijting.
De raad telt minstens drie leden. Leden van de raad van toezicht kunnen niet tegelijk ook lid zijn van de directieraad. De leden van de raad van toezicht worden door de algemene vergadering van aandeelhouders benoemd. Zij worden benoemd voor ten hoogste zes jaar, maar hun mandaat is onbeperkt hernieuwbaar.
De leden van de raad van toezicht worden in principe bezoldigd voor de uitoefening van hun mandaat. De statuten kunnen nochtans anders bepalen of de algemene vergadering kan bij hun benoeming anders besluiten.
De raad van toezicht kan ook een of meer adviserende comités oprichten waarvoor hij ook aansprakelijk is.
De directieraad oefent alle bestuursbevoegdheden uit die niet aan de raad van toezicht zijn voorbehouden. De directieraad vertegenwoordigt verder de vennootschap tegenover derden, met inbegrip van de vertegenwoordiging in rechte.
De directieraad verschaft aan de raad van toezicht op regelmatige tijdstippen de noodzakelijke gegevens voor de uitoefening van zijn taak. De directieraad brengt ook ten minste één keer per jaar aan de raad van toezicht schriftelijk verslag uit over de hoofdlijnen van het algemeen strategisch beleid, de algemene en de financiële risico’s en de beheers- en controlesystemen van de vennootschap. Daarnaast levert de directieraad aan de raad van toezicht tijdig de nodige informatie aan over de gegevens die de raad van toezicht moet opnemen in het jaarverslag.
De directieraad telt minstens drie leden. De leden van de directieraad worden aangesteld en ontslagen door de raad van toezicht. De raad van toezicht stelt tevens de bezoldiging vast van de leden van de directieraad.
9.4.1.4 Dagelijks bestuur
Het dagelijks bestuur van de vennootschap en de vertegenwoordiging van de vennootschap voor wat dat bestuur betreft kan worden toevertrouwd aan een of meerdere personen. Dit gebeurt door het bestuursorgaan. De benoeming, het ontslag en de bevoegdheid van de dagelijkse bestuurders wordt geregeld in de statuten van de vennootschap. Het bestuursorgaan dat het orgaan van dagelijks bestuur heeft aangesteld is belast met het toezicht daarop.
De wet geeft ook aan wat het dagelijks bestuur inhoudt. Meer bepaald omvat dit de handelingen en de beslissingen die niet verder reiken dan de behoeften van het dagelijks leven van de vennootschap. Verder omvat het de handelingen en de beslissingen die, ofwel om reden van hun minder belang dat ze vertonen ofwel omwille van hun spoedeisend karakter, de tussenkomst van het bestuursorgaan niet rechtvaardigen.
Het WVV geeft ook voor de nv eerst een aantal algemene spelregels aan die gelden voor wat betreft de algemene vergadering van aandeelhouder binnen een nv. Vervolgens wordt stilgestaan bij de gewone algemene vergadering, de bijzondere algemene vergadering en de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders.
De regels die in de wet staan rond de bijzondere algemene vergadering, zijn specifiek van toepassing op genoteerde vennootschappen. Vanzelfsprekend kan er echter ook in een niet-genoteerde nv een bijzondere algemene vergadering plaatsvinden. Die kan te allen tijde bijeengeroepen worden om te beraadslagen en te besluiten over aangelegenheden die tot haar bevoegdheid behoren en die geen wijziging van de statuten inhouden.
De regeling met betrekking tot de algemene vergadering is in belangrijke mate gelijklopend met deze binnen een bv. Er zijn maar een beperkt aantal verschillen.
9.4.2.1 Gemeenschappelijke bepalingen
1 De algemene vergadering van aandeelhouders oefent minstens de bevoegdheden uit die het WVV haar toewijst. De statuten kunnen deze bevoegdheden uitbreiden. Als de vennootschap slechts één aandeelhouder telt, oefent hij de bevoegdheden uit die aan de algemene vergadering zijn toegekend. Hij kan deze bevoegdheden dan niet overdragen.
2 De algemene vergadering wordt bijeengeroepen door de raad van bestuur of de enige bestuurder (bij een duaal bestuur gebeurt dit door de raad van toezicht) of de commissaris. Aandeelhouders die een tiende van het kapitaal vertegenwoordigen kunnen de bijeenroeping vragen, met ten minste de door de betrokken aandeelhouders voorgestelde agendapunten.
In een niet-genoteerde vennootschap, gebeurt de oproeping door: een aankondiging die ten minste vijftien dagen voor de vergadering wordt geplaatst in het Belgisch Staatsblad; een aankondiging in een nationaal verspreid blad, behalve voor gewone algemene vergaderingen die plaatsvinden in de gemeente, op de plaats, de dag en het uur aangeduid in de oprichtingsakte met een agenda die zich beperkt tot de behandeling van en goedkeuring over de jaarrekening, het jaarverslag, het verslag van de commissaris en de stemming over de kwijting; op de website van de vennootschap als de vennootschap een website heeft in de zin van wat eerder bij de algemene principes rond vennootschappen werd aangegeven.
De oproeping wordt ook meegedeeld aan de houders van de aandelen op naam, de leden van het bestuursorgaan, en, in voorkomend geval, de commissaris. Ze wordt ook meegedeeld aan houders van aandelen op naam zonder stemrecht en winstbewijzen op naam zonder stemrecht. Als alle aandelen op naam zijn, kan de vennootschap zich beperken tot deze mededeling.
De oproeping vermeldt verder de plaats waar en de datum en het uur waarop de algemene vergadering plaatsvindt. Ook wordt aangegeven wat de agenda is.
3 Een schriftelijke algemene vergadering is ook binnen de nv mogelijk.
De raad van bestuur, de enige bestuurder of de raad van toezicht kunnen bovendien aan aandeelhouders de mogelijkheid bieden om op afstand deel te nemen aan de algemene vergadering door middel van een door de vennootschap ter beschikking gesteld elektronisch communicatiemiddel.
4 De statuten van de nv geven aan welke formaliteiten die de aandeelhouders moeten vervullen om tot de algemene vergadering te worden toegelaten.
De houders van aandelen zonder stemrecht, winstbewijzen zonder stemrecht, converteerbare obligaties, inschrijvingsrechten of certificaten die met medewerking van de vennootschap werden uitgegeven, mogen de algemene vergadering bijwonen, maar slechts met raadgevende stem.
5 Op de algemene vergadering geven de leden van het bestuursorgaan en de commissarissen antwoorden op vragen. Net als in een bv kan ook hier geweigerd worden om vragen te beantwoorden als de mededeling van bepaalde gegevens of feiten de vennootschap schade kan berokkenen of in strijd is met de door hen of door de vennootschap aangegane vertrouwelijkheidsverbintenissen.
Van de algemene vergadering worden er notulen opgemaakt. Deze worden ondertekend door de leden van het bureau en door de aandeelhouders die erom verzoeken.
9.4.2.2 Gewone algemene vergadering
Er moet jaarlijks minstens één algemene vergadering worden gehouden. Die wordt gehouden in de gemeente, op de dag en het uur dat in de statuten is vermeld. Dat noemt men de gewone algemene vergadering.
Op die vergadering wordt de jaarrekening besproken en desgevallend goedgekeurd. De algemene vergadering beslist ook (bij afzonderlijke stemming) of er aan de bestuurders of de leden van de raad van toezicht en commissarissen kwijting gegeven wordt.
9.4.2.3 Buitengewone algemene vergadering
De buitengewone algemene vergadering heeft het recht om wijzigingen aan te brengen aan de statuten.
De voorgestelde wijzigingen moeten dan wel nauwkeurig aangegeven worden in de oproeping. Bovendien moeten de aanwezige of vertegenwoordigde aandeelhouders ten minste de helft van het kapitaal vertegenwoordigen. Om tot een wijziging te kunnen beslissen moet een drievierdemeerderheid gehaald worden.
De algemene vergadering kan over een wijziging van het voorwerp en de doelen van de vennootschap alleen geldig beraadslagen en besluiten, als de aanwezigen niet alleen de helft van het kapitaal vertegenwoordigen, maar ook, in voorkomend geval, de helft van het totale aantal winstbewijzen. Om een wijziging te kunnen stemmen is een viervijfdemeerderheid nodig.
9.4.3 Vennootschapsvordering – minderheidsvordering – deskundige
De algemene vergadering beslist of er tegen de bestuurders, de leden van de raad van toezicht of de commissarissen een vennootschapsvordering moet worden ingesteld om hen bv. aansprakelijk te stellen voor een foute uitoefening van hun mandaat. In een duaal bestuur beslist de raad van toezicht of tegen de leden van de directieraad een vennootschapsvordering wordt ingesteld. De raad van toezicht is dan bevoegd om al het nodige te doen om namens de vennootschap deze vennootschapsvordering in te stellen
Ook in een nv kunnen minderheidsaandeelhouders voor rekening van de vennootschap een vordering tegen de bestuurders of de leden van de raad van toezicht instellen. Hiervoor moeten ze op de dag waarop de algemene vergadering zich uitspreekt over de al dan niet aan de bestuurders te verlenen kwijting, effecten bezitten die ten minste 1 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de op die dag bestaande effecten. Het volstaat daarnaast ook dat ze op diezelfde dag effecten bezitten die een gedeelte van het kapitaal vertegenwoordigen ter waarde van ten minste 1 250 000 EUR.
De aandeelhouders die ten minste 1 % hebben van het geheel aantal stemmen, of die effecten bezitten die een gedeelte van het kapitaal vertegenwoordigen ter waarde van ten minste 1 250 000 EUR, kunnen daarnaast ook aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank (die dan zetelt in kort geding) vragen om een of meerdere deskundigen aan te stellen. Deze deskundige krijgt dan als opdracht om de boeken en de rekeningen van de vennootschap na te zien en ook de verrichtingen die haar organen deden. Opdat de vordering succesvol zou zijn is vereist dat er aanwijzingen zijn dat de belangen van de vennootschap op ernstige wijze in gevaar komen of dreigen te komen.
9.4.4 Algemene vergadering van obligatiehouders
1 De regels die in de wet staan rond de algemene vergadering van obligatiehouders zijn van aanvullend recht. Ze gelden alleen als de uitgiftevoorwaarden van de obligatie er niet van afwijken.
2 De algemene vergadering van obligatiehouders is vooreerst bevoegd om de uitgiftevoorwaarden van de obligatielening te wijzigen. De besluiten van de algemene vergadering om de uitgiftevoorwaarden te wijzigen hebben echter slechts uitwerking als de vennootschap daarin uitdrukkelijk toestemt.
3 De raad van bestuur of de enige bestuurder (en in een duaal bestuur de raad van toezicht) en, in voorkomend geval, de commissaris, kunnen een algemene vergadering van de obligatiehouders bijeenroepen. Ze bepalen ook haar agenda.
Ze moeten de algemene vergadering van obligatiehouders binnen de drie weken bijeenroepen als obligatiehouders die een vijfde van het bedrag van de in omloop zijnde effecten vertegenwoordigen dat vragen. Hierbij moeten minstens de door de betrokken obligatiehouders voorgestelde agendapunten op de agenda staan.
De oproeping tot de algemene vergadering van obligatiehouders bevat meteen ook de agenda van de vergadering.
De oproeping gebeurt door middel van een aankondiging die geplaatst wordt in het Belgisch Staatsblad en in een nationaal uitgegeven blad. Dit alles moet gebeuren ten minste vijftien dagen voor de vergadering. Aan de obligatiehouders op naam worden de oproepingen vijftien dagen voor de vergadering meegedeeld. Als alle obligaties op naam zijn, volstaat deze mededeling.
Als de vennootschap een vennootschapswebsite heeft, moet de aankondiging ook geplaatst worden op de vennootschapswebsite.
4 Op elke algemene vergadering van obligatiehouders moet een aanwezigheidslijst worden bijgehouden. De vennootschap moet bij de aanvang van de vergadering een lijst van de in omloop zijnde obligaties ter beschikking stellen van de obligatiehouders.
Om geldig te kunnen beraadslagen moeten de aanwezige leden ten minste de helft van het bedrag van de in omloop zijnde effecten vertegenwoordigen. Om een voorstel is kunnen aannemen moet een drievierdemeerderheid worden behaald van het bedrag van de obligaties waarvoor aan de stemming is deelgenomen.
De algemene vergadering van obligatiehouders kan beslissingen ook schriftelijk of via elektronische weg nemen. Het bestuursorgaan kan de mogelijkheid bieden om op afstand deel te nemen aan de vergadering.
9.5 Kapitaal
9.5.1 Kapitaalsverhoging
9.5.1.1 Algemeen
Als een vennootschap nieuwe, bijkomende (financiële) middelen nodig heeft (bv. om nieuwe investeringen te kunnen doen), zijn er verschillende mogelijkheden. Zo kan de vennootschap een krediet aangaan bij een bank, kan ze een obligatielening uitschrijven of ze kan bv. nieuw kapitaal aantrekken vanwege de aandeelhouders of de aandeelhouders kunnen een inbreng in natura (van vermogensbestanddelen) doen. In de twee laatste gevallen is er sprake van een kapitaalsverhoging.
Om een kapitaalsverhoging te kunnen doen, is er in principe een statutenwijziging nodig. Niettemin kan ook het bestuursorgaan beslissen om een kapitaalsverhoging te doen binnen de grenzen van het toegestane kapitaal.
De uitgegeven aandelen moeten volledig en onvoorwaardelijk worden geplaatst. Hiervan kan niet afgeweken worden.
Aandelen kunnen uitgegeven worden onder, boven of met de fractiewaarde van de bestaande aandelen. De nieuwe aandelen kunnen ook worden uitgegeven met of zonder uitgiftepremie. Die uitgiftepremie is eigenlijk een soort entreegeld dat de inschrijvers op nieuwe aandelen eventueel moeten betalen bovenop de prijs van het aandeel.
VOORBEELD
De oprichters van een nv hebben een startkapitaal bijeengebracht van 500 000 EUR, waarbij 20 000 aandelen werden uitgegeven. Elk aandeel heeft een nominale waarde van 25 EUR. De onderneming slaagt erin via winstgevende activiteiten reserves op te bouwen voor 500 000 EUR. Maar na verloop van tijd volstaan de reserves niet meer om deze sterk groeiende nv te financieren. Er wordt overgegaan tot een kapitaalverhoging van 500 000 EUR via uitgifte van 20 000 nieuwe aandelen.
Rekening houdend met de intrinsieke waarde (eigen vermogen/aantal aandelen) van de aandelen en om de bestaande aandeelhouders niet te benadelen zal de uitgifte van de nieuwe aandelen gebeuren tegen 50 EUR, hoewel de nominale waarde 25 EUR is. De intrinsieke waarde na reservering bedraagt immers 50 EUR (1 000 000 EUR/20 000). Na een kapitaalverhoging tegen 25 EUR zou de intrinsieke waarde terugvallen naar 37,50 EUR (1 500 000 EUR/40 000).
De uitgiftepremie van 25 EUR moet volledig gestort worden bij de inschrijving.
Als een nv een kapitaalsverhoging wil doen, moet het bestuursorgaan in principe een verslag opstellen over de verrichting. Hierop is er een controle door de commissaris (of een revisor als er geen commissaris is). Deze regel vindt geen toepassing bij kapitaalverhogingen door omzetting van reserves.
Het besluit tot kapitaalverhoging moet vastgelegd worden in een notariële akte.
9.5.1.2 Kapitaalverhoging bij wijze van inbreng in geld
De kapitaalverhoging door een nieuwe inbreng van geld is de meest gebruikelijke. In essentie komt het hierop neer: nieuw kapitaal wordt ingebracht en dus moeten er nieuwe aandelen worden uitgegeven als tegenprestatie voor dat kapitaal.
Bij een kapitaalsverhoging in geld hebben de bestaande aandeelhouders een voorkeurrecht. De aandelen moeten eerst worden aangeboden aan de bestaande aandeelhouders. Dit moet gebeuren naar evenredigheid van het deel van het kapitaal dat hun bestaande aandelen vertegenwoordigt. Dit voorkeurrecht kan verhandeld worden gedurende de gehele inschrijvingstijd, zonder dat aan die verhandelbaarheid andere beperkingen kunnen worden gesteld dan diegene die van toepassing zijn op het effect waaraan het recht is verbonden.
9.5.1.3 Kapitaalverhoging bij wijze van inbreng in natura
Voor een kapitaalsverhoging komt alleen een inbreng in natura van vermogensbestanddelen die naar economische maatstaven kunnen worden gewaardeerd in aanmerking. Wat niet in aanmerking komt zijn verplichtingen tot het verrichten van werk of van diensten.
Als een kapitaalverhoging een inbreng in natura omvat, moet het bestuursorgaan in het verslag dat het opmaakt aangeven waarom de inbreng van belang is voor de vennootschap. Het verslag moet ook een gemotiveerde waardering bevatten. Die waardering wordt onderzocht door de commissaris (of revisor als er geen commissaris is).
9.5.1.4 Het toegestane kapitaal
De statuten kunnen aan het bestuursorgaan of aan de raad van toezicht de bevoegdheid toekennen om het geplaatste kapitaal in een of meer malen tot een bepaald bedrag te verhogen. Deze bevoegdheid kan slechts worden uitgeoefend gedurende vijf jaar, te rekenen van de bekendmaking van de oprichtingsakte of van de statuten. De algemene vergadering kan deze termijn wel een of meerdere malen vernieuwen voor een termijn die niet langer mag zijn dan vijf jaar.
9.5.1.5 Kapitaalverhoging ten gunste van het personeel
Een vennootschap die in de loop van de laatste drie boekjaren ten minste twee dividenden heeft uitgekeerd, kan onder bepaalde voorwaarden tot kapitaalverhoging overgaan door de uitgifte van aandelen met stemrecht, die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd voor het personeel. Hierbij kan men ook vastleggen wie er precies in aanmerking komt en onder welke voorwaarden.
VOORBEELD
Zo kan men bv. aangeven welke anciënniteit de leden van het personeel op de datum van de opening van de inschrijving moeten hebben om voor de uitgifte in aanmerking te komen. Deze mag niet lager zijn dan zes maanden en niet hoger dan drie jaar.
Verder wordt de termijn bepaald die wordt toegekend aan de leden van het personeel voor de uitoefening van hun rechten. Deze mag niet minder mag bedragen dan dertig dagen, en niet meer dan drie maanden te rekenen van de opening van de inschrijving.
9.5.1.6 Garantie en aansprakelijkheid
Het bestuursorgaan is aansprakelijk voor het gedeelte van de kapitaalverhoging waarvoor niet op geldige wijze is ingeschreven. Bovendien is het bestuursorgaan o.a. gehouden tot werkelijke volstorting van een vierde op de aandelen en tot werkelijke volstorting binnen vijf jaar van de aandelen die geheel of ten dele overeenstemmen met inbreng in natura.
Verder is het bestuursorgaan aansprakelijk voor schade die het onmiddellijke en rechtstreekse gevolg is van de kennelijke overwaardering van de inbrengen in natura.
9.5.2 Kapitaalvermindering
Ook voor een vermindering van het kapitaal is een statutenwijziging nodig. Ook hier moeten de aandeelhouders die zich in gelijke omstandigheden bevinden gelijk worden behandeld.
Als het kapitaal wordt verminderd door een terugbetaling aan de aandeelhouders (of door een vrijstelling van de storting van het saldo van de inbreng), wordt er aan de schuldeisers het recht gegeven om een zekerheid te vragen. Deze regel is niet van toepassing op de kapitaalverminderingen ter aanzuivering van een geleden verlies of om een reserve te vormen tot dekking van een voorzienbaar verlies of om een niet-beschikbare reserve aan te leggen.
9.5.3 Instandhouding van het kapitaal
9.5.3.1 Winstverdeling
De algemene vergadering moet vooreerst jaarlijks een bedrag inhouden van ten minste een twintigste van de nettowinst voor de vorming van een reservefonds. Deze verplichting neemt een einde als het reservefonds een tiende van het kapitaal heeft bereikt.
Er mag verder geen uitkering gebeuren als het nettoactief is gedaald of door de uitkering zou dalen beneden het bedrag van het gestorte of, als dit hoger is, van het opgevraagde kapitaal, vermeerderd met alle reserves die volgens de wet of de statuten niet mogen worden uitgekeerd.
De statuten kunnen aan het bestuursorgaan de bevoegdheid verlenen om uit het resultaat van het boekjaar een interimdividend uit te keren. Dit mag alleen nadat het bestuursorgaan aan de hand van een staat van activa en passiva die de commissaris beoordeelt, heeft vastgesteld dat de winst volstaat om een interimdividend uit te keren. Als het interimdividend het bedrag te boven gaat van het later door de algemene vergadering vastgestelde jaardividend, wordt het meer uitgekeerde beschouwd als een voorschot op het volgende dividend.
Als het interimdividend onregelmatig werd uitgekeerd, moeten de aandeelhouders of alle andere personen ten behoeve van wie de uitkering is beslist ze terugstorten als de vennootschap bewijst dat de aandeelhouders van de onregelmatigheid op de hoogte waren of daarvan, gezien de omstandigheden, niet onkundig konden zijn.
9.5.3.2 Verkrijging van eigen aandelen, winstbewijzen of certificaten. Een nv mag niet zomaar eigen aandelen verkrijgen. Dit mag namelijk in principe alleen maar gebeuren onder een aantal strikte voorwaarden.
VOORBEELD
Zo moet de verkrijging toegelaten zijn door een voorafgaand besluit van de algemene vergadering, genomen met naleving van de aanwezigheids- en meerderheidsvereisten voorgeschreven voor een statutenwijziging.
Bovendien moet het voor die verkrijging uitgetrokken bedrag voor uitkering vatbaar zijn, moet de verrichting volgestorte aandelen betreffen en moet het aanbod gericht worden tot alle aandeelhouders, tenzij een algemene vergadering waarop alle aandeelhouders aanwezig of vertegenwoordigd waren eenparig tot de verkrijging besluit.
De statuten kunnen bepalen dat er geen besluit van de algemene vergadering nodig is als de verkrijging noodzakelijk is ter voorkoming van een dreigend ernstig nadeel voor de vennootschap. Deze
mogelijkheid is slechts drie jaar geldig te rekenen van de bekendmaking van de oprichtingsakte of van de machtigingsakte, maar kan verlengd worden.
De verkregen aandelen kunnen worden vernietigd of in portefeuille worden gehouden. De stemrechten van de aandelen die door de vennootschap werden verkregen worden geschorst. De dividendrechten komen te vervallen en tevens gelden er specifieke spelregels voor de vervreemding van aldus verkregen aandelen.
De vennootschap mag ook niet zomaar middelen voorschieten, leningen toestaan of zekerheden stellen met het oog op de verkrijging van haar aandelen door een derde. Hiervoor dienen er strikte voorwaarden te worden vervuld.
9.5.3.3 Alarmbelprocedure
Net als in een bv kan er ook in een nv sprake zijn van een alarmbelprocedure die moet worden gevolgd. Als door geleden verlies het nettoactief gedaald is tot minder dan de helft van het kapitaal, moet het bestuursorgaan de algemene vergadering bijeenroepen. De vergadering moet dan besluiten over de ontbinding van de vennootschap of over maatregelen om de continuïteit van de vennootschap te vrijwaren. Als de algemene vergadering niet wordt bijeengeroepen, dan wordt de door derden geleden schade, behoudens tegenbewijs, geacht uit het ontbreken van de bijeenroeping voort te vloeien.
Als het nettoactief is gedaald tot beneden 61 500 EUR, kan iedere belanghebbende of het openbaar ministerie de ontbinding van de vennootschap voor de rechtbank vorderen. De rechtbank kan dan aan de vennootschap een bindende termijn toestaan om haar toestand te regulariseren.
Naamloze vennootschappen worden in principe voor onbepaalde duur aangegaan. In de statuten kan wel een andere regeling staan. Als ze voor bepaalde duur wordt aangegaan kan de algemene vergadering beslissen tot een verlenging tot een bepaalde of onbepaalde duur. Hierbij moeten de regels die gelden voor een statutenwijziging worden nageleefd.
Het WVV bevat ten slotte nog een aantal strafbepalingen.
VOORBEELD
Bestuurders die de voorschriften inzake winstuitkeringen en interimdividenden niet naleven kunnen gestraft worden met een geldboete van vijftig euro tot tienduizend euro en bovendien met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar.
1 De reglementering rond vzw’s maakte vroeger het voorwerp uit van een aparte wetgeving, los van de vennootschapswetgeving. Dat is nu niet meer het geval. De wetgeving voor vzw’s is nu immers opgenomen in het WVV, meer bepaald in Boek 9.
2
Een vzw is een vereniging die wordt opgericht via een overeenkomst tussen twee of meer personen (leden genaamd). Een vzw moet dus minstens twee oprichters hebben. Ze kan worden opgericht via een authentieke of door een onderhandse akte
Een vereniging als een vzw streeft een belangeloos doel na in het kader van een of meer welbepaalde activiteiten die zij tot voorwerp heeft. Zij mag geen vermogensvoordeel uitkeren of bezorgen aan de oprichters, de leden, de bestuurders of enig andere persoon behalve voor het in de statuten bepaald belangeloos doel. Elke verrichting in strijd met dit verbod is nietig.
De vzw is verder een vereniging met rechtspersoonlijkheid waarvan de leden in die hoedanigheid niet aansprakelijk zijn voor de verbintenissen die de vereniging aangaat.
VOORBEELD
Het trefpunt zelfhulp is opgericht onder de vorm van een vzw. Dit is het informatie- en ondersteuningscentrum voor zelfhulpgroepen in Vlaanderen. http://www.zelfhulp.be
Het belangeloos doel is om te ondersteunen en te informeren over de meerwaarde van zelfhulpgroepen, lotgenotencontact en ervaringsdeskundigheid en daarnaast het onderzoek te stimuleren en ook zelf aan onderzoek doen.
Geef nog een drietal voorbeelden van vzw’s en zoek eens hun ‘belangeloos doel’ op.
3 Een vzw wordt bestuurd door een collegiaal bestuursorgaan. Dit bestuursorgaan telt minstens drie bestuurders, die natuurlijke of rechtspersonen kunnen zijn. Als en zolang de vereniging minder dan drie leden heeft, mag het bestuursorgaan ook bestaan uit twee bestuurders.
Deze bestuurders worden benoemd door de algemene vergadering van leden, en dit voor een bepaalde dan wel voor een onbepaalde termijn.
De statuten kunnen ook bepalen dat het bestuursorgaan het dagelijks bestuur van de vereniging (alsook de vertegenwoordiging van de vereniging wat dat bestuur aangaat) kan opdragen aan een of meer personen, die elk alleen, gezamenlijk of als college optreden. Het bestuursorgaan dat zo’n orgaan van dagelijks bestuur heeft aangesteld is dan wel belast met het toezicht op dit orgaan.
4 Ook in een vzw bestaat er een algemene vergadering van leden. Het bestuursorgaan roept deze algemene vergadering bijeen in de gevallen bepaald bij de wet of de statuten of als ten minste een vijfde van de leden het vraagt. De agenda wordt bij de oproeping gevoegd. Elk door ten minste een twintigste van de leden ondertekend voorstel wordt op de agenda gebracht.
Tenzij de statuten anders bepalen, heeft ieder lid op de algemene vergadering een gelijk stemrecht.
5 Elk lid van de vereniging is vrij uit te treden door zijn ontslag in te dienen bij het bestuursorgaan. Een lid dat zijn bijdrage niet betaalt wordt geacht ontslag te nemen. Bovendien kunnen leden worden uitgesloten. Het lid moet dan worden gehoord. De uitsluiting kan slechts door de algemene vergadering worden uitgesproken met naleving van de aanwezigheids- en meerderheidsvereisten voorgeschreven voor een statutenwijziging.
Het WVV bevat naast de aspecten die eerder binnen dit boek besproken werden nog een aantal andere boeken. Deze hebben betrekking op: de erkenning van vennootschappen (Boek 8). Zo kunnen bv. bepaalde vennootschappen erkend worden als landbouwonderneming; stichtingen (Boek 11); de herstructurering van vennootschappen (Boek 12) waarbij onder andere fusies, splitsingen en de inbreng van algemeenheid of van bedrijfstak aan bod komen. Boek 13 handelt dan weer over de herstructurering van verenigingen en stichtingen; de omzetting van vennootschappen in een andere rechtsvorm (denk bv. aan het geval dat een besloten vennootschap haar rechtsvorm wil aanpassen naar een nv). De regeling in verband met deze omzetting wordt behandeld in Boek 14; de Europese rechtsvormen die worden behandeld in Boeken 15 tot 18 van de wet.
In dit boek wordt op deze aspecten niet verder ingegaan. We verwijzen hiervoor naar de bespreking van dit alles in de uitgave Praktisch vennootschapsrecht.
Uit de voorgaande uiteenzetting blijkt dat het niet zo eenvoudig is om de juiste ondernemingsvorm te kiezen. Daar komen een aantal belangrijke vragen bij kijken, waarop je als starter een antwoord moet formuleren. En die je voor een keuze plaatsen.
De vergelijkende tabel kan je hierbij ook helpen.
Ga je alleen ondernemen of ga je dat samen doen met partners?
Is wie je partner is belangrijk of is het vooral van belang dat die in het bedrijf investeert?
Hoeveel kapitaal heb je ter beschikking; bv. heb je 61 500 EUR om een nv op te richten of niet?
Wil je jouw privévermogen veiligstellen, beschermen?
Ben je bereid persoonlijke risico’s te nemen, dus hoe sta je tegenover ‘aansprakelijkheid’?
Ga je enkel voor gecommanditeerde vennoten (die werken in de venootschap) of ook voor commanditaire vennoten (stille vennoten, geldschieters)?
Zal jouw onderneming een cöoperatief doel hebben of een ander doel?
Vergelijkende tabel vennootschapsvormen
Gecommanditeerde vennoot onbeperkt en hoofdelijk; Commanditaire vennoot beperkt tot inbreng beperkt tot de inbreng beperkt tot de inbreng beperkt tot de inbreng
Aansprakelijkheid onbeperkt onbeperkt en hoofdelijk
Oprichtingsakte geen, wel vennootschapsovereenkomst notarieel of onderhandse akte notarieel of onderhandse akte notariële akte notariële akte notariële akte
bewijs van toereikend aanvangsvermogen nodig
minimum 61 500 EUR
Minimum in te brengen kapitaal geen minimumkapitaal geen minimumkapitaal: ingebrachte goederen zijn onverdeeld vermogen geen minimumkapitaal; ingebrachte goederen zijn onverdeeld vermogen bewijs van toereikend aanvangsvermogen nodig
minimum 61 500 EUR het begrip kapitaal vervalt hier
Vol te storten kapitaal niet van toepassing niet van toepassing niet van toepassing niet van toepassing Het begrip kapitaal vervalt hier.
Inbreng niet van toepassing geld of in natura (ook arbeid) vrij te bepalen geld of in natura, ook arbeid en knowhow geld of in natura geld of in natura
Verificatie bedrijfsrevisor bij inbreng goederen neen neen neen ja ja ja Aandelen vennootschapsovereenkomst bevat aandeel vennoten in winst en verlies op naam op naam op naam, een genoteerde vennootschap mag ook gedematerialiseerde aandelen uitgeven op naam of gedematerialiseerd op naam
Maatschap vof comm V bv nv cv
Mogelijkheid van overdracht niet overdraagbaar tenzij andere overeenkomst niet overdraagbaar tenzij andere overeenkomst niet overdraagbaar tenzij andere overeenkomst mogelijkheid voor vrije overdraagbaarheid vrij overdraagbaar niet vrij overdraagbaar
Bestuur een of meer zaakvoerders een of meer zaakvoerders een of meer zaakvoerders commanditaire vennoot mag geen bestuursdaden stellen een of meer bestuurders een of meer bestuurders/ 3 formules van bestuur mogelijk een of meer bestuurders
Fiscaal personenbelasting vennootschapsbelasting vennootschapsbelasting vennootschapsbelasting vennootschapsbelasting vennootschapsbelasting
dubbele boekhouding
dubbele boekhouding
dubbele boekhouding
dubbele boekhouding als omzet hoger is dan 500 000 EUR
dubbele boekhouding als omzet hoger is dan 500 000 EUR
Boekhoudkundige verplichtingen vereenvoudigde boekhouding als omzet max. 500 000 EUR
verplicht en minimum inhoud wettelijk vastgelegd verplicht en minimum inhoud wettelijk vastgelegd verplicht en minimum inhoud wettelijk vastgelegd
Financieel plan niet verplicht niet verplicht niet verplicht
Uitgifte obligatielening neen neen neen ja ja ja
nettoactieftest verplichte balans en liquiditeitstest
verplichte balansen liquiditeitstest
Uitkering van winst vrij, wel verboden om aan één vennoot alle winst toe te kennen vrij vrij
Jaarrekening neerleggen dus openbaar niet verplicht niet verplicht tenzij ze voldoet aan de criteria van ‘grote’ venootschap en ten minste één van de onbeperkt aansprakelijke vennoten is een rechtspersoon niet verplicht tenzij ze voldoet aan de criteria van ‘grote’ venootschap en ten minste één van de onbeperkt aansprakelijke vennoten is een rechtspersoon verplicht verplicht verplicht
1 De Raad van Bestuur van de nv Snelco zou wegens de zeer talrijke Raden van Bestuur willen overgaan tot delegatie van vertegenwoordigingsmacht. Er wordt een statutaire bepaling opgenomen als volgt: ‘De vennootschap zal ten aanzien van derden rechtsgeldig vertegenwoordigd en verbonden worden door de handtekening van twee bestuurders’. Daaropvolgend tekent bestuurder Lievens alleen de nieuwe verzekeringsovereenkomsten van de nv. Is deze bepaling en werkwijze in overeenstemming met de vennootschapswetgeving? Motiveer. Zou je antwoord anders zijn als het bestuursorgaan van een bv zo’n beslissing zou nemen?
2 De oprichters van een nv hebben een startkapitaal van 600 000 EUR bijeengebracht, waarbij 24 000 aandelen werden uitgegeven met een nominale waarde van 25 EUR. De onderneming realiseert na een aantal jaren een reserve van 250 000 EUR. Er wordt wegens grote expansieplannen besloten over te gaan tot een kapitaalverhoging van 375 000 EUR door uitgifte van 15 000 nieuwe aandelen. Zou het fair zijn ten opzichte van de bestaande aandeelhouders de nieuwe aandelen uit te geven tegen 25 EUR? Maak de nodige berekeningen en motiveer. Hoe kan dit opgelost worden?
3 Binnen een bv zijn er 15 000 aandelen. De Cock bezit 5 000 aandelen, De Groote 4 000, Fahy 3 000 en Mulders 3 000. Fahy wenst zijn aandelen over te dragen aan de heer Lievens, zijnde een niet-aandeelhouder. Onder welke voorwaarden kan dat?
4 Yassin en Amir zijn twee broers die beslissen samen een schilderszaak te beginnen. Beide broers hebben de intentie op termijn een aantal werknemers in dienst te nemen. Bovendien staan ze erop dat het familiale karakter van de onderneming niet verloren gaat. Welke vennootschapsvorm zouden de broers in hun situatie best kiezen? Motiveer je antwoord. En welke formaliteiten moeten ze naleven bij de oprichting?
5 Door een erfenis kwam Maarten in het bezit van 20 % van de aandelen van een kleine nv, waarin geen commissaris werd aangesteld. Maarten meent nu dat er met de boek- houding van het bedrijf wordt gefoefeld en wenst daarin inzage te krijgen. Vanwege de raad van bestuur krijgt hij evenwel een negatief antwoord op zijn verzoek. Quid?
6 Rafael en Jean wensen samen een onderneming op te starten om websites te ontwikkelen. Ze willen elk maximaal een kapitaal van 3 000 EUR inbrengen. Ze willen hierbij wel hun privévermogen beschermen. Welke mogelijkheden hebben zij?
7 Marcel De Buyser heeft een eenmanszaak waarbij hij hard- en software verkoopt alsook IT-services levert aan bedrijven. Een van zijn klanten betaalt zijn rekeningen niet. De klant in kwestie is een vof. Marcel maakt zich ernstige zorgen en vraagt zich af of hij de vennoten en/of bestuurders van de vennootschap persoonlijk kan aanspreken als de vennootschap zelf niet betaalt? Zou je antwoord anders zijn als de klant een bv was?
8 Marc en Marcel zijn beide vennoot van wat nu nog bvba Het Kakelnest heet. Zij waren van plan om volgend jaar een flinke winstuitkering te doen vanuit de vennootschap naar de aandeelhouders toe. Iemand zei hen evenwel dat dit sinds 1 januari 2020 niet zomaar meer zou kunnen. Maar is dat wel zo?
9 Pierre is bestuurder van een bv. Hij werd daarbij aangesteld voor onbepaalde duur en kreeg een vergoeding van 30 000 EUR bruto op jaarbasis. Hij verneemt nu dat de algemene vergadering beslist heeft zijn mandaat van de ene dag op de andere te beëindigen. Pierre is danig geschrokken en wil het er niet bij laten. Hij vraagt u of hij een vergoeding kan eisen voor zijn ontslag?
10 Jan en Liesbeth en Steven, willen samen een bv oprichten om een muziekstudio te exploiteren. Steven is de gepassioneerde muziekliefhebber en hij is de enige die kennis heeft van de muziekwereld en alle technische aspecten van de business. Hij beschikt echter niet over financiële middelen om in te brengen.
Kan Steven zijn kennis en knowhow inbrengen in ruil voor aandelen van de bv? Zo ja, hoe verloopt zoiets dan?
11 De balans van een bv bevat de volgende gegevens: Activa: 320 000 EUR en passiva:
Eigen vermogen 240 000 EUR
Inbreng 150 000
Beschikbare reserves 50 000
Overgedragen winst 40 000
Vreemd vermogen 80 000 EUR
Hoeveel kan deze bv maximaal uitkeren? Maak de nodige berekeningen.
12 Welke vennootschappen zijn verplicht een financieel plan op te maken. Waaruit moet zo een financieel plan bestaan. Zoek eens uit wat die minimuminhoud omvat en wat de bedoeling van de wetgever is?
13 Jonas wil zich samen met een aantal studenten sociaal werk inzetten om de situatie van pleegkinderen die al dan niet in een instelling verblijven te verbeteren. Zij willen onder meer regelmatig boeiende activiteiten organiseren met impact op het welbevinden van deze kinderen. Zij denken eraan een vzw op te richten. Is dit een goed idee? Zo ja, waarom?
De continuïteit van een onderneming kan bv. in het gedrang komen door tegenvallende resultaten, door wanbeheer of door omstandigheden extern aan de onderneming (bv. een belangrijke klant die failliet gaat en zijn openstaande facturen niet betaald heeft, klanten die in moeilijkheden zijn gekomen ten gevolge van de coronacrisis).
In dat geval zijn er twee houdingen mogelijk. Ofwel geeft men de onderneming een laatste kans om na de nodige aanpassingsmaatregelen tot een duurzaam herstel te komen. In dat geval kan er sprake zijn van een gerechtelijke reorganisatie.
Ofwel is iedere hulp overbodig en zal de onderneming zo snel mogelijk van de markt verwijderd moeten worden om marktverstoringen te vermijden. In dat geval voorziet de wetgever de wettelijke regels van het faillissement.
De wettelijke regels inzake ondernemingen in moeilijkheden zijn terug te vinden in boek XX van het WER (Wetboek Economisch Recht). De wet van 7 juni 2023 bracht belangrijke wijzigingen aan Boek XX WER. Ze trad in werking op 1 september 2023.
Boek XX WER is van toepassing op ondernemingen. Ook vrije beroepers en hun vennootschappen (bv. een advocaat of een geneesheer) kunnen failliet verklaard worden.
Ook vzw’s en zelfs organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die een winstuitkeringsoogmerk hebben (bv. de maatschap) vallen onder het toepassingsgebied van het insolventierecht.
De wet is daarentegen niet van toepassing op de kredietinstellingen, de verzekeringsondernemingen, de herverzekeringsondernemingen, de beleggingsondernemingen, de beleggingsondernemingen of instellingen voor collectieve beleggingen in de zin van artikel 1.2 c van Richtlijn (EU) 2019/1023, de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, de centrale tegenpartijen, de vereffeningsinstellingen, de centrale effectenbewaarinstellingen, de instellingen die ondersteuning verlenen aan centrale effectenbewaarinstellingen, de depositobanken, de financiële holdings, de gemengde financiële holdings, de betalingsinstellingen en de instellingen voor elektronisch geld.
Het insolventieregister dat in april 2017 werd opgericht werd verder uitgebreid. Het wordt nu ook gebruikt als gegevensdatabank voor insolventieprocedures, andere dan faillissementen. Dit register wordt ingericht en beheerd door de ordes van advocaten.
5 Vroegtijdige waarschuwing, kamers voor ondernemingen in moeilijkheden en ondernemingsbemiddeling
1 Op de griffie van het rechtsgebied waar de schuldenaar het centrum van zijn voornaamste belangen heeft of bij het Openbaar Ministerie, worden de inlichtingen en gegevens verzameld die kunnen wijzen op dreigende insolventie en op de noodzaak onverwijld te handelen.
Het gaat daarbij onder andere om de wijzigingen inzake het aantal werknemers, de wijzigingen van de zetel, beslagberichten, bedragen die de schuldenaar verschuldigd is uit hoofde van verstekvonnissen of vonnissen waarvan men de hoofdsom niet betwist… Deze gegevens worden ook opgenomen in het centraal register van de economische knipperlichten. Het register is niet publiek voor iedereen toegankelijk omwille van de zorgelijke situatie van de onderneming.
2 Binnen de ondernemingsrechtbanken bestaan er kamers voor ondernemingen in moeilijkheden. Zij volgen de toestand van ondernemingen in moeilijkheden op om de continuïteit van hun activiteiten te vrijwaren en de bescherming van de rechten van de schuldeisers te verzekeren. Zij kunnen de schuldenaar oproepen en horen.
3 Als hij meent dat er sprake is van dreigende insolventie kan de schuldenaar aan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden vragen schuldeisers op te roepen om een schikking met die schuldeisers af te sluiten. Als er een regeling tot stand komt wordt daar een proces-verbaal van opgesteld.
Verder kan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden op verzoek van de schuldenaar ook een herstructureringsdeskundige aanstellen.
Als uit het onderzoek blijkt dat de schuldenaar zich in een staat van faillissement bevindt, dan kan de kamer voor ondernemingen in moeilijkheden het dossier verzenden naar de procureur des Konings. Zij kan het dossier ook overmaken aan de rechtbank om een herstructureringsdeskundige aan te stellen of om de ontbinding van een vennootschap te horen uitspreken.
4 De voorzitter van de insolventierechtbank (ondernemingsrechtbank) kan ook soms een herstructureringsdeskundige aanstellen over de onderneming.
Verder kan de voorzitter van de rechtbank, als er aanwijzingen bestaan dat de voorwaarden voor een faillissement vervuld zijn, de onderneming geheel of ten dele het beheer van het geheel of een gedeelte van haar activa of activiteiten ontnemen. De voorzitter van de rechtbank wijst dan één of meer voorlopige bewindvoerders aan en bepaalt hun bevoegdheid.
6 Minnelijk akkoord buiten gerechtelijke reorganisatie
De wet biedt ondernemers de mogelijkheid om minnelijke akkoorden af te sluiten. In het kader van een minnelijk akkoord heeft de ondernemer de mogelijkheid om, buiten een gerechtelijke procedure
om, akkoorden af te sluiten met één of meer schuldeisers. De partijen bepalen vrij de inhoud van dit akkoord dat derden niet bindt.
VOORBEELD
Daarbij kan bv. een herschikking van de schulden of een afbetalingsplan worden overeengekomen.
7.1 Openbare gerechtelijke reorganisatie en overdracht van onderneming onder gerechtelijk gezag
1 Een schuldenaar die het openen van een procedure van gerechtelijke reorganisatie of van overdracht onder gerechtelijk gezag aanvraagt, richt een verzoekschrift aan de rechtbank.
Bij dit verzoekschrift moeten een aantal zaken worden gevoegd. Indien dat niet lukt kan dat later nog worden rechtgezet voor wat betreft bepaalde stukken.
VOORBEELD
Zo moet een uiteenzetting gevoegd worden van de gebeurtenissen waarop zijn verzoek is gegrond en waaruit blijkt dat naar zijn oordeel de continuïteit van zijn onderneming onmiddellijk of op termijn bedreigd is. Tevens moet een aanwijzing van de doelstelling of de doelstellingen waarvoor de ondernemer het openen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie of van overdracht van gerechtelijk gezag aanvraagt worden gevoegd.
Zolang de rechtbank geen uitspraak heeft gedaan over het verzoekschrift kan de schuldenaar niet failliet verklaard worden. Bovendien kan vanaf dat ogenblik geen gedwongen verkoop meer plaatsvinden van de goederen (zowel roerend als onroerend) van de schuldenaar.
2 Een ondernemer kan een gerechtelijke reorganisatie vragen als de continuïteit van de onderneming bedreigd is, en dat hetzij onmiddellijk, hetzij op termijn.
Ook ondernemers die in staat van faillissement zijn, kunnen overigens een gerechtelijke reorganisatie vragen. Schuldenaars die eerder al een gerechtelijke reorganisatie kregen, kunnen dat nadien niet onbeperkt opnieuw vragen.
3 De rechtbank behandelt vervolgens het verzoek. Indien de voorwaarden vervuld lijken, verklaart de rechtbank de procedure van gerechtelijke reorganisatie geopend en bepaalt zij de duur van de opschorting, die niet langer mag zijn dan vier maanden. De rechtbank kan die termijn wel soms verlengen.
De rechtbank kan de procedure vroegtijdig beëindigen als blijkt dat de schuldenaar kennelijk niet in staat is om de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de onderneming te handhaven. Dat kan ook als blijkt dat de informatie die werd verstrekt aan de gedelegeerde rechter, aan de rechtbank of aan de schuldeisers bij de neerlegging van het verzoekschrift of later, kennelijk onvolledig of onjuist is.
Onder bepaalde voorwaarden kan de schuldenaar zelf ook tijdens de procedure geheel of gedeeltelijk verzaken aan zijn vordering tot gerechtelijke reorganisatie.
4
In het kader van een dergelijke gerechtelijke organisatie kan vooreerst een minnelijk akkoord uit de bus komen met één of meerdere schuldeisers. Komt een dergelijk akkoord uit de bus, dan sluit de rechtbank de procedure.
Een tweede mogelijkheid bestaat erin een reorganisatieplan op te stellen dat via een procedure wordt goedgekeurd. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt naargelang er sprake is van een kleine of middelgrote onderneming dan wel een grote onderneming. Het zou ons te ver leiden om tot in de details op de regels voor een grote onderneming in te gaan.
Bij een dergelijke procedure moet de ondernemer in moeilijkheden een reorganisatieplan opmaken. Als een herstructureringsdeskundige werd aangesteld helpt die daarbij. De wet geeft aan wat er in zo’n plan moet staan. Zo bevat het alle informatie die de stemgerechtigde schuldeisers nodig hebben om zich te kunnen uitspreken over het voorgestelde plan. De schuldeisers moeten over dat plan stemmen.
De rechtbank kan de homologatie weigeren als het plan kennelijk geen redelijk vooruitzicht biedt op het afwenden van de vereffening of het faillissement van de schuldenaar of op het waarborgen van de levensvatbaarheid van de onderneming.
Als het plan gehomologeerd is, kan de rechtbank het wel nog intrekken. Elke schuldeiser kan daar om vragen, als hij aantoont dat het plan niet stipt wordt uitgevoerd of dat een stipte uitvoering niet mogelijk zal zijn en hij daardoor schade lijdt. In geval van een herroeping heeft het plan in de toekomst geen uitwerking meer. Wat in het verleden gebeurde blijft wel overeind.
De wet maakt het mogelijk om bij een dreigende insolventie een besloten gerechtelijke reorganisatieprocedure te volgen. De onderneming die zo’n procedure wil voeren kan dan bepalen welke schuldeisers zij in de besloten procedure wil betrekken.
De vertrouwelijke procedure laat toe akkoorden te sluiten, waarbij geen enkele beslissing openbaar wordt gemaakt, met een beperkt aantal schuldeisers zonder dat dit het krediet van de onderneming doet wankelen. Niet-betrokken schuldeisers blijven buiten het plan en hebben recht op de volledige uitbetaling van hun vordering.
De besloten procedure vereist in elk geval de aanwijzing van een herstructureringsdeskundige. Deze zal de onderneming ook bijstaan in de onderhandelingen met de schuldeisers. Het doel is om levensvatbare ondernemingen in moeilijkheden de mogelijkheid te geven om discreet aan een duurzame oplossing te werken en ondertussen de activiteiten voort te zetten.
Verder is een overdracht onder gerechtelijk gezag mogelijk. Meer bepaald kan de rechtbank de overdracht onder gerechtelijk gezag van het geheel of een gedeelte van een onderneming bevelen teneinde een efficiënte vereffening van de rechtspersoon of van het patrimonium van de onderneming te verzekeren.
De schuldenaar kan deze overdracht vragen in het inleidend verzoekschrift of op een later ogenblik in de procedure. De rechtbank zal dan een vereffeningsdeskundige aanwijzen die wordt gelast met het organiseren en realiseren van de overdracht.
Merken we overigens nog op dat een ondernemer die meent in staat van faillissement te verkeren kan vragen aan de rechtbank hem failliet te verklaren waarbij hij kan verzoeken dat voorafgaand aan de faillietverklaring de overgang van een geheel of een deel van zijn activa en activiteiten wordt voorbereid. Dit kan als men aantoont dat hiermee de vereffening van de onderneming wordt vergemakkelijkt en een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de schuldeisers kan worden bereikt en de werkgelegenheid zoveel mogelijk kan worden behouden.
8.1
Het principe van het faillissement is vrij eenvoudig. Een schuldenaar die heeft opgehouden te betalen, wordt door zijn schuldeisers onder druk gezet (dagvaardingen, beslagen met verkopen die daaruit voortvloeien …). Om de stormloop naar de onderneming in moeilijkheden op een geordende manier te laten verlopen, voorziet men een gerechtelijke tussenkomst, waarbij men een persoon aanduidt, de curator, die belast wordt met het te gelde maken van het actief en de verdeling van dat actief onder de verschillende schuldeisers.
De wet voorziet ook een besloten voorbereiding van het faillissement. De onderneming die meent in staat van faillissement te verkeren, kan de rechtbank vragen hem failliet te verklaren en dat voorafgaand aan de faillietverklaring de overgang van een geheel of een deel van de activa en de activiteiten wordt voorbereid. Hierbij verloopt de procedure met gesloten deuren en wordt het op geen enkele wijze bekendgemaakt. De onderneming moet aantonen dat met deze wijze van voorbereiding van het faillissement, de vereffening wordt vergemakkelijkt, waarbij een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de gezamenlijke schuldeisers kan gebeuren en de werkgelegenheid zo veel mogelijk kan behouden worden.
De rechtbank wijst hierbij één of meerdere vereffeningsdeskundigen aan (art. XX. 97/1-97/2).
Dit wordt ook wel ‘een stil faillissement’ genoemd.
VOORBEELD
Restaurantketen Lunch Garden heeft dankzij de procedure van een ‘stil faillissement’ toch een doorstart kunnen maken met behoud van 41 vestigingen en 430 werknemers.
Om failliet te kunnen worden verklaard moet er sprake zijn van een schuldenaar die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en van wie het krediet geschokt is.
Duurzaam ophouden te betalen betekent dat de stopzetting van betaling een voortdurend karakter moet hebben. Een tijdelijke liquiditeitscrisis is nog geen aanleiding tot faillissement.
Bovendien is vereist dat het krediet van de ondernemer geschokt is. De rechter moet zich hiervoor op het ogenblik van de faillissementsverklaring plaatsen en nagaan of de ondernemer op dat ogenblik
nog een beroep kan doen op krediet. Als dat niet het geval is, is de voorwaarde van het geschokt krediet vervuld.
Wie als natuurlijke persoon geen economische activiteit meer uitoefent kan failliet verklaard worden als hij heeft opgehouden te betalen toen hij die activiteit nog uitoefende. Een natuurlijk persoon die overleden is kan failliet verklaard worden tot zes maanden na zijn overlijden. Een ontbonden rechtspersoon kan failliet worden verklaard tot zes maanden na het sluiten van de vereffening.
8.3 Inleiding van de procedure – faillietverklaring
8.3.1 Inleiding
De procedure van faillietverklaring wordt ingeleid op aangifte of op dagvaarding. De personen die een procedure kunnen opstarten, zijn:
8.3.1.1 De schuldenaar die heeft opgehouden te betalen
Er rust op de schuldenaar die duurzaam opgehouden heeft te betalen, een verplichting om hiervan aangifte te doen op de griffie van de insolventierechtbank (ondernemingsrechtbank) binnen de maand na het effectief staken van de betalingen (het zogenaamd neerleggen van de boeken). Dit gebeurt elektronisch in het insolventieregister of door de neerlegging van een akte ter griffie als de schuldenaar niet de mogelijkheid heeft een elektronische aangifte te doen.
8.3.1.2 Eén of meer schuldeisers
De schuldeiser die vaststelt dat zijn schuldenaar (ondernemer) duurzaam heeft opgehouden te betalen, kan naar de rechtbank stappen en zijn schuldenaar dagvaarden in faillissement.
Deze wijze van inleiding van de procedure zal in de meeste gevallen als drukkingsmiddel gebruikt worden om de betaling van een bepaalde schuld te bekomen. Daarmee dient wel voorzichtig te worden omgesprongen. Een schuldeiser die een dergelijk drukkingsmiddel gebruikt kan immers aansprakelijk worden gesteld omdat hij op die manier misbruik maakt van de faillissementsprocedure.
8.3.1.3 De Procureur des Konings
De Procureur des Konings kan op grond van de inlichtingen die hem worden doorgegeven door de kamers voor ondernemingen in moeilijkheden beslissen om de handelaar die in staat van faillissement verkeert, te dagvaarden in faillissement.
8.3.1.4 De voorlopige bewindvoerder
Ook de voorlopige bewindvoerder kan een procedure opstarten.
8.3.2 Vonnis van faillietverklaring
8.3.2.1 Beoordeling van de faillissementsvoorwaarden
Als de rechtbank vaststelt dat de voorwaarden voor het faillissement vervuld zijn, zal ze bij vonnis het faillissement van de onderneming uitspreken.
8.3.2.2 Aanduiding van het personeel van het faillissement
In het vonnis van faillietverklaring duidt de rechtbank één of meer rechter-commissaris(sen) aan, die de afwikkeling van het faillissement voor de rechtbank zullen opvolgen. Daarnaast benoemt de rechtbank ook een of meer curatoren, die worden belast met de afwikkeling van het faillissement.
A De rechter-commissaris wordt gekozen onder de leden van de insolventierechtbank
Zijn taak bestaat er hoofdzakelijk in toezicht uit te oefenen op het beheer en de vereffening van het faillissement, zodat die verrichtingen bespoedigd zouden worden. Hij speelt ook de rol van verslaggever voor de rechtbank en zit alle vergaderingen van schuldeisers van de gefailleerde voor. Hij beveelt ten slotte een aantal maatregelen die zich opdringen voor het beveiligen en het bewaren van de goederen van de boedel.
B De curator is de centrale figuur van het faillissement
Hij wordt gekozen uit de lijst van curatoren die door de insolventierechtbank wordt samengesteld. Alleen advocaten kunnen op die lijst staan. De curator wordt belast met het beheer van de failliete boedel en de vereffening ervan. Bij het faillissement van een vrije beroeper wordt een medecurator aangesteld uit dezelfde beroepsgroep om bijstand te verlenen aan de curator in verband met de beroepstechnische en deontologische aspecten van het beroep en de vrijwaring van de vertrouwelijke gegevens verbonden met dit vrij beroep.
VOORBEELD
Zo zal er bv. bij het faillissement van een geneesheer iemand van de orde der artsen als medecurator worden aangeduid.
8.3.2.3 Vaststelling van de datum van het ophouden van betalen
In het faillissementsvonnis wordt de datum aangegeven waarop de schuldenaar heeft opgehouden te betalen. In de regel is dat de dag van het vonnis van faillietverklaring of de dag van overlijden wanneer de faillietverklaring nadien is uitgesproken. Dit tijdstip kan worden vervroegd als ernstige en objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven. Als voor de bepaling van de datum van staking van betaling een ander tijdstip wordt uitgekozen, mag die datum niet verder teruggaan dan zes maanden voor het vonnis van faillietverklaring.
De datum van staking van betaling is van belang voor het bepalen van de verdachte periode. De verdachte periode wordt zo genoemd omdat gevreesd wordt dat tijdens deze periode de schuldenaar die zijn einde als ondernemer voelt naderen, bepaalde commerciële ‘gestes’ zou doen die de andere schuldeisers zouden kunnen benadelen.
8.4 Gevolgen van het faillissement
8.4.1 Buitenbezitstelling en niet-tegenstelbaarheid van bepaalde handelingen
8.4.1.1 Verlies van het beheer
Het vonnis van faillietverklaring heeft als eerste gevolg dat de gefailleerde automatisch het beheer over zijn vermogen verliest (buitenbezitstelling).
De goederen, bedragen, sommen en uitkeringen die de gefailleerde ontvangt sinds de faillietverklaring op grond van een oorzaak die dateert van na het faillissement vallen echter niet in het faillissement.
De gefailleerde behoudt het beheer daarvan. De inkomsten en goederen die hij verwerft vanaf de faillietverklaring kan hij behouden.
8.4.1.2 Beschikkingsonbevoegdheid
Betalingen, verrichtingen en handelingen die de gefailleerde zou doen vanaf de dag van het vonnis van faillietverklaring, kunnen niet aan de boedel worden tegengeworpen. De gefailleerde is immers niet meer beschikkingsbevoegd. De betalingen die desondanks verricht zouden zijn, zijn van rechtswege nietig. De bedoeling is evident. Men wil de failliete boedel beschermen en verhinderen dat bepaalde activa zouden verdwijnen. De buitenbezitstelling geldt ook in de andere richting. Betalingen die aan de gefailleerde zijn gedaan na het vonnis van faillietverklaring, zijn geen geldige betalingen.
8.4.1.3 Verdachte periode
Als de insolventierechtbank in het vonnis van faillietverklaring een andere datum van staking van betaling vaststelt dan die van het vonnis van faillietverklaring, geldt een bijzondere regeling voor betalingen, verrichtingen en handelingen die tijdens de verdachte periode plaatsgehad hebben. De verdachte periode is dan de periode tussen de datum van staking van betaling en het vonnis van faillietverklaring.
8.4.1.4 Niet-tegenwerpelijke handelingen tijdens de verdachte periode (art. XX.111 WER)
1 Een aantal handelingen die tijdens de verdachte periode werden gesteld zijn niet-tegenwerpelijk aan de boedel. Het gaat o.a. om:
‘Alle handelingen waarbij om niet werd beschikt over roerende of onroerende goederen alsmede alle handelingen, verrichtingen of overeenkomsten, vergeldend of onder bezwarende titel, indien de waarde van wat de gefailleerde heeft gegeven de waarde van wat hij daarvoor heeft ontvangen aanmerkelijk overtreft;’
Het is de bedoeling van de wetgever om elke vorm van ‘vrijgevigheid’ van de schuldenaar uit te schakelen. Anders zou de schuldenaar bijvoorbeeld schulden kunnen kwijtschelden of een onroerend goed kunnen verhuren voor een uiterst lage huurprijs …
‘Alle betalingen, hetzij in geld, hetzij bij overdracht, verkoop, of anderszins, wegens niet-vervallen schulden;’
Hier is het de bedoeling van de wetgever te voorkomen dat de schuldenaar door één schuldeiser te betalen voor de vervaldag het principe van de gelijkheid van behandeling van de schuldeisers niet zou respecteren.
‘Alle betalingen anders dan in geld of in handelspapier, wegens vervallen schulden;’
Ook al gaat het hier om vervallen schulden, toch kunnen ook zij als verdacht worden beschouwd. Het gaat hier immers over specifieke betalingsvormen, zoals betaling d.m.v. een aankoop of door overdracht van een schuldvordering.
VOORBEELD
Een winkelier die zijn leveranciers niet kan betalen, staat aan één van hen zijn schuldvordering af, die hij heeft tegenover een belangrijke klant.
‘Alle bedongen hypotheken en alle rechten van gebruikspand of van pand op de goederen van de schuldenaar gevestigd wegens voordien aangegane schulden.’
Het zou immers niet logisch zijn dat de wetgever zou toelaten dat de schuldeiser achteraf, wanneer de schuldenaar in financiële moeilijkheden komt, zekerheden zou eisen. Dit zou tevens volkomen in strijd zijn met het principe van gelijkheid van schuldeisers.
De sanctie voor dit type verrichtingen is de niet-tegenstelbaarheid.
2 Er bestaat ook een tweede manier om zich te beschermen tegen onrechtmatige verarming van het vermogen van de gefailleerde tijdens de verdachte periode.
‘Alle andere betalingen door de schuldenaar wegens vervallen schulden gedaan en alle handelingen onder bezwarende titel door hem aangegaan na de staking van betaling en voor het vonnis van faillietverklaring, kunnen niet-tegenwerpbaar verklaard worden, indien zij die van de schuldenaar iets hebben ontvangen of met hem hebben gehandeld, kennis hadden van de staking van betaling.’
3 Tot slot is er de zogenaamde faillissementspauliana. Dat is een vordering die toelaat de handelingen of betalingen die verricht zijn met bedrieglijke benadeling van de rechten van de schuldeisers, niet-tegenwerpelijk te laten verklaren.
8.4.2 Opschorting van de tenuitvoerlegging
Het faillissement is een vorm van collectief beslag. Om te verhinderen dat het principe van gelijkheid onder de schuldeisers in het gedrang komt, worden alle middelen van tenuitvoerlegging geschorst tot aan de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen.
VOORBEELD
Als een schuldeiser voor het faillissement uitvoerend beslag liet leggen op bepaalde vermogensbestanddelen van de gefailleerde, dan wordt dat beslag geschorst.
8.4.3 Opeisbaarheid van de schulden
De faillietverklaring heeft de onmiddellijke opeisbaarheid van de schulden tot gevolg. Schulden op termijn worden dus vanaf het vonnis van faillietverklaring opeisbaar ten aanzien van de gefailleerde. Deze bepaling moet gezien worden in het kader van een snelle afwikkeling van het faillissement.
VOORBEELD
Een leverancier heeft een betalingstermijn van 90 dagen verleend aan de schuldenaar. Drie dagen na de levering wordt de koper van de goederen failliet verklaard. De schuld wordt dadelijk opeisbaar en de termijn van 90 dagen vervalt.
8.4.4 Stuiting van de interesten
De rente van gewone (dat zijn niet-gewaarborgde) schuldvorderingen houdt op te lopen vanaf de faillietverklaring.
8.5 Beheer en vereffening van het faillissement
8.5.1 Rol van de curator
Zoals boven al meermaals werd aangehaald, komt de curator aan het hoofd te staan van het vermogen van de gefailleerde (zijnde de failliete boedel), waarvan hij de vereffening moet regelen. Hij is de centrale figuur in de afwikkeling van het faillissement. Hij is het die moet zorgen voor de tegeldemaking van het actief, de aanzuivering van het passief en de verdeling van het eventuele saldo.
De curator treedt daarbij zowel op voor de gefailleerde van wie hij het vermogen beheert, als voor de gezamenlijke schuldeisers, in wiens belang hij handelt.
De curator kan dus alle vorderingen van de gefailleerde uitoefenen.
De curator moet bij het vervullen van zijn opdracht ook het gezamenlijk belang van de schuldeisers nastreven. De curator moet verslag uitbrengen over zijn activiteiten.
8.5.2 Lopende contracten
1 De curator wordt in het kader van zijn beheer al snel geconfronteerd met een aantal prangende vragen, zoals die van de lopende contracten. Hij moet kiezen of hij bepaalde contracten kan of moet voortzetten met het oog op een efficiënte afwikkeling van het faillissement.
2 Het faillissement brengt in principe geen eind aan de overeenkomsten waartoe de gefailleerde als partij verbonden is. Dit heeft tot gevolg dat de andere contracterende partij in beginsel de verdere uitvoering van de overeenkomst kan vragen. Andersom kan de curator ook de voortzetting van de contractuele verplichtingen vorderen.
Huurt een ondernemer een winkelruimte en gaat hij failliet, dan eindigt de huurovereenkomst niet automatisch.
Enkel de intuitu personae-overeenkomsten (= overeenkomsten gesloten met in hoofdzaak als beweegreden de persoon van de wederpartij of bepaalde van haar persoonlijke kwaliteiten) en de overeenkomsten die een uitdrukkelijk ontbindend beding bevatten dat de overeenkomst wordt ontbonden bij faillissement, worden door de faillietverklaring beëindigd.
3 De wet vraagt van de curator dat hij onverwijld een beslissing neemt over het al dan niet voortzetten van bepaalde lopende overeenkomsten, waaronder bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomsten. Doet hij dat niet, dan kan de partij die de overeenkomst met de gefailleerde heeft gesloten, de curator in gebreke stellen. De curator beschikt dan over vijftien dagen om een beslissing te nemen. Als tegen die tijd de curator nog altijd geen standpunt heeft ingenomen, zal de lopende overeenkomst geacht worden van rechtswege te zijn ontbonden.
De andere partij kan dan een schadevergoeding vragen. Daarvoor dient deze een aangifte van schuldvordering te doen. Omdat deze vordering niet bevoorrecht is, is de kans dat de andere partij hier effectief ooit iets zal uit ontvangen klein.
Als de curator bestaande arbeidsovereenkomsten wil beëindigen, is hij overigens niet verplicht de bijzondere procedures en formaliteiten te vervullen die van toepassing zijn op de beëindiging van die overeenkomsten.
4 Als de curator de beslissing neemt om de overeenkomst toch voort te zetten, is hij tot de uitvoering van de verbintenis gehouden in zoverre ze betrekking heeft op de prestaties na het faillissement (het is dan een schuld van de boedel).
8.5.3 Aangifte en verificatie van de schuldvorderingen
1 De schuldeiser moet aangifte doen van zijn schuldvordering. De aangifte staat gelijk met het inleiden van een vordering voor de rechtbank.
In de aangifte moet ook melding worden gemaakt van persoonlijke zekerheidsstellingen die men kreeg. Bij gebreke daaraan kan de zekerheidssteller bevrijd zijn.
Het vonnis van faillietverklaring bepaalt de termijn waarbinnen de schuldeisers aangifte moeten doen van hun schuldvordering.
2 Door aangifte te doen van zijn schuldvordering wordt de schuldeiser (als zijn schuldvordering wordt aanvaard) opgenomen in het passief van de failliete boedel. Om deze reden is het aangeven van de schuldvordering een noodzakelijke voorwaarde (en ook een verplichting) voor de schuldeiser om in aanmerking te komen voor de verdeling van het actief van de failliete boedel.
Opdat alle schuldeisers verwittigd zouden worden, wordt het vonnis van faillietverklaring in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Bovendien moeten de curatoren een brief richten aan alle gekende schuldeisers.
De aangifte van schuldvordering moet elektronisch gebeuren, via het online platform ‘regsol’. De elektronische aangifte van de schuldvordering komt rechtstreeks bij de curator terecht. Enkel buitenlandse rechtspersonen of particulieren (die niet over een KBO-nummer beschikken) kunnen nog aangifte doen op papier bij de curator zelf, tenzij zij worden vertegenwoordigd door bv. een advocaat. In dat laatste geval moeten zij de aangifte ook elektronisch doen.
3 Zodra de termijn voor de aangifte van schuldvorderingen is verlopen, gaat de curator over tot de verificatie ervan.
Hij kan aan de rechtbank de betwistingen voorleggen betreffende de schuldvorderingen die hij wenst te aanvaarden of te betwisten.
4 Schuldeisers die geen aangifte doen of die een laattijdige aangifte doen, komen niet in aanmerking voor de verdeling. Op dit principe bestaat één uitzondering. Tot aan de sluiting van het faillissement hebben de schuldeisers die in gebreke zijn gebleven aangifte te doen van schuldvordering, het recht toch nog de opname ervan te vorderen zonder dat hun vordering reeds bevolen uitkeringen kan opschorten. Zij hebben echter slechts recht op een dividend berekend op het nog niet-verdeelde actief en dragen zelf de kosten en uitgaven waartoe de verificatie en de opname van hun schuldvorderingen aanleiding geven.
5 Aan hun recht opname te vorderen is wel een verjaringstermijn gekoppeld. Meer bepaald verjaart het na verloop van 1 jaar te rekenen van het faillietverklarend vonnis.
8.5.4 Eigendomsvoorbehoud en terugvordering
8.5.4.1 Begripsbepaling
Een beding van eigendomsvoorbehoud houdt in dat de verkoper van een goed de eigendomsoverdracht van de verkochte zaak opschort tot aan de volledige betaling van de prijs. Zolang de prijs niet volledig is voldaan, blijft het goed m.a.w. zijn eigendom.
Het is aangewezen om tegelijk overeen te komen dat het risico dadelijk overgaat bij levering, ook al werd er nog niet betaald.
8.5.4.2 Tegenstelbaarheid
Opdat het beding tegenstelbaar zou zijn, moet het aan een aantal voorwaarden voldoen. Meer bepaald moet het schriftelijk overeengekomen worden uiterlijk op het ogenblik van de levering van het goed. Is de koper een consument dan moet zijn instemming met het eigendomsvoorbehoud uit het geschrift blijken. Om een eigendomsvoorbehoud in te kunnen roepen moeten de goederen in ongewijzigde staat aanwezig zijn bij de klant. Hij mag ze niet bewerkt of verwerkt hebben. De goederen moeten zich ook nog bij de klant bevinden. Hij mag ze niet verkocht hebben.
Als de verkochte goederen onroerend zijn geworden door incorporatie, dan blijft het eigendomsvoorbehoud voortaan behouden op voorwaarde van registratie in het pandregister.
VOORBEELD
Een aannemer plaatst een verwarmingsketel bij een klant.
8.5.4.3 Terugvordering
De verkoper die eigenaar van de goederen gebleven is, kan ze terugvorderen van de gefailleerde schuldenaar.
De schuldeiser moet de waarde van het teruggevorderde goed verrekenen met zijn (resterende) schuldvordering. Als die waarde het bedrag van de schuldvordering overtreft, dan moet hij het saldo in het voordeel van de koper aan hem (hier dus aan de curator) terugbetalen. Volstaat de waarde van het goed niet om aan de vordering te voldoen, dan kan hij voor het saldo zijn vordering in het faillissement handhaven.
8.5.5 Vereffening van het faillissement
Uiteindelijk gaat de curator over tot de vereffening van het faillissement.
Als zou blijken dat het actief ontoereikend is om de vermoedelijke kosten van beheer en van vereffening van het faillissement te dekken, kan de rechtbank op verzoek van de curator of zelfs ambtshalve na de curator te hebben gehoord en nadat de gefailleerde hierover is opgeroepen, de sluiting van de verrichtingen van het faillissement uitspreken.
Vanaf de invoeging van het eerste proces-verbaal van verificatie van schuldvordering, of vanaf elke latere datum, gaat de curator over tot de vereffening van het faillissement. De gefailleerde wordt door de rechter-commissaris gehoord over de vereffeningswijze van het faillissement. De curator gaat over tot de verkoop van de onroerende goederen, de koopwaren en de roerende goederen.
Schuldeisers die menen dat zij door een voorgenomen verkoop van activa benadeeld zouden worden, kunnen in kortgeding de aanstelling van een curator ad hoc vragen, die aan de insolventierechtbank
kan vragen de verkoop te verbieden die zou ingaan tegen de belangen van een schuldeiser of van de gefailleerde.
8.6.1 Verdeling
Zodra het actief te gelde is gemaakt, kan de curator overgaan tot de verdeling van dat actief onder de verschillende schuldeisers.
De curator zal dus een rangregeling moeten opmaken van de schuldeisers naar gelang van de redenen van voorrang waarop ze zich kunnen beroepen.
Het saldo van de rekening dient voor de uitdeling. Als er een overschot zou zijn, komt dat toe aan de gefailleerde.
8.6.2 Sluiting
Op de algemene vergadering van schuldeisers die wordt bijeengeroepen voor de afsluiting van het faillissement, geven de verschillende schuldeisers hun opmerkingen bij de rekeningen. De betwistingen die zich met betrekking tot de rekeningen zouden kunnen voordoen, worden door de rechtbank beslecht. Zo nodig worden de rekeningen verbeterd. Vervolgens wordt het faillissement afgesloten.
De sluiting van het faillissement betekent ook dat de curator van zijn opdracht wordt ontheven en hiervoor ook een algemene kwijting krijgt.
De beslissing tot sluiting van de verrichtingen van het faillissement van een rechtspersoon ontbindt deze en brengt de onmiddellijk sluiting van zijn vereffening mee.
Bij de sluiting van het faillissement wordt ook aandacht geschonken aan de toekomst van de gefailleerde.
Meer bepaald stelt de wet dat als de gefailleerde een natuurlijke persoon is, hij ten aanzien van zijn schuldeisers wordt bevrijd van zijn restschulden, onverminderd de eventuele gestelde zakelijke zekerheden door de schuldenaar of een derde. Een uitzondering geldt voor de alimentatieschulden van de gefailleerde en voor de schulden voortvloeiend uit de verplichting tot herstel van de schade verbonden aan het overlijden of aan de aantasting van de lichamelijke integriteit van een persoon waaraan de gefailleerde schuld heeft.
Elke belanghebbende (met inbegrip van de curator en het openbaar ministerie) kan een verzoekschrift neerleggen om te vragen dat de kwijtschelding deels of volledig wordt geweigerd. Dit kan meer bepaald gebeuren als de gefailleerde kennelijk grove fouten begaan heeft die hebben bijgedragen tot het faillissement. Hetzelfde geldt als de gefailleerde ‘wetens’ naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand op de vragen van de rechter-commissaris of van de curator onjuiste inlichtingen heeft verstrekt.
De echtgenoot, gewezen echtgenoot, wettelijk samenwonende of gewezen wettelijk samenwonende van de gefailleerde die persoonlijk verbonden is voor de schuld die de gefailleerde tijdens de duur van
het huwelijk (of van de wettelijke samenwoning) was aangegaan wordt ingevolge de kwijtschelding in principe van die verplichting bevrijd.
Persoonlijke zekerheidsstellers (bv. borg) kunnen bevrijd worden. Daarvoor moet de natuurlijke persoon die zich kosteloos persoonlijk zeker heeft gesteld voor de gefailleerde, een verzoekschrift neerleggen bij de griffie van de insolventierechtbank. Hij kan dat doen als het bedrag van de zekerheid kennelijk niet in verhouding is tot zijn terugbetalingsmogelijkheden Het verzoekschriftmoet een welomschreven inhoud hebben.
De rechtbank zal dan beslissen om de persoonlijke zekerheidsstellers al dan niet (deels of volledig) te bevrijden.
Als bij faillissement van een onderneming, de schulden de baten overtreffen, kunnen de bestuurders, de leden van een directieraad of van een raad van toezicht, alsmede alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming. Hiervoor is vereist dat een door hen begane, kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement.
Deze regeling is niet van toepassing wanneer de gefailleerde onderneming over de drie boekjaren voor het faillissement een gemiddelde omzet van minder dan 620 000,00 EUR, buiten de belasting over de toegevoegde waarde, heeft verwezenlijkt en wanneer het totaal van de balans bij het einde van het laatste boekjaar niet hoger was dan 370 000,00 EUR.
1 Nv Probora verhuurt een handelspand aan Eugeen De Wilde, die in het pand een winkel voert. Eugeen De Wilde werd failliet verklaard en een curator werd aangesteld. Wat gebeurt er in dergelijk geval met de huur? Loopt die automatisch verder of komt er een einde aan? En wat gebeurt er met de achterstallige huurgelden?
2 Bv Verellen heeft een aanzienlijke schuldvordering op nv De Boerderij. De nv in kwestie werd failliet verklaard. Binnen welke termijn dient de bv haar schuldvordering in te dienen? En wat als die aangifte laattijdig wordt gedaan?
3 Guido Bax bracht zijn auto binnen voor een onderhoud bij Marcel Van Bruul, een garagist met een eenmanszaak. Drie dagen nadat hij failliet was gegaan, kwam Marcel bij Guido langs om de factuur cash te innen. Een paar weken later kreeg Guido een brief van de curator die vroeg om een bedrag aan hem te betalen. Een verbaasde Guido liet weten reeds aan Marcel zelf te hebben betaald en daar ook een kwitantie van te hebben. Toch bleef de curator aandringen en zelfs dreigen naar de rechtbank te stappen. Wie heeft gelijk?
4 Roland heeft een aanzienlijke schuldvordering op nv Geronimo, die naar hij weet in financiële problemen zit. Van een vriend vernam hij dat de bestuurders van de nv de laatste tijd er alles voor doen om zo veel mogelijk financiële middelen uit de vennootschap te trekken om zichzelf nog te verrijken. Roland vreest dan ook dat het bedrijf, dat regelrecht afstevent op een faillissement, binnenkort nauwelijks nog activa zal bezitten. Welke stappen zou Roland kunnen ondernemen?
5 Bv Geldermans heeft heel wat kredieten uitstaan bij de bank. Op het moment dat de financiële toestand van de bv er somber begint uit te zien, vraagt de bank een bijkomende hypotheek op het bedrijfsgebouw, anders worden de kredieten opgezegd. De bv verleent de hypotheek en gaat twee maanden later failliet. Kan de curator de hypotheek aanvechten? En wat als de bv enkele weken voor het faillissement haar handelszaak voor een spotprijs zou hebben verkocht?
6 Lucien, voormalig café-uitbater, ging enkele jaren geleden failliet. In het faillissement konden niet al zijn schuldeisers volledig worden betaald. Lucien vraagt zich nu af of de schuldeisers zich later nog tegen hem zullen kunnen keren, mocht hij ooit over serieus wat inkomsten beschikken.
7 Wie van de volgende personen kan zich beroepen op boek XX WER (insolventie van de ondernemingen)?
De architectenassociatie bv Lust-Verelst; de eenmanszaak De Ridder, handelaar in fietsen; de nv De Witte Tornado, wasserij; Frans De Wondelaere, advocaat?
Begeleidende casus: Een eigen zaak van klein naar groter
De onderneming van Joris en Yasmina kent alle succes. De fietshersteldienst blijkt een absoluut schot in de roos te zijn. Yoris en Yasmina die hun studies intussen voltooiden, denken er dan ook aan voluit voor het bedrijf te kiezen en dat verder uit te bouwen.
Zo willen ze de fietshersteldienst 365 dagen per jaar ter beschikking stellen. Bovendien willen ze een bedrijfspand kopen waarin ze, naast de fietsherstelplaats ook een café willen uitbaten waar wielertoeristen en fietsliefhebbers elkaar kunnen ontmoeten.
Verder denken ze er zelfs aan een eigen fiets te ontwikkelen en te fabriceren. Ze zoeken hiervoor enkele partners om de fietsen die ze op de markt brengen, zowel in België als in het buitenland te verkopen.
Een buitenlandse fabrikant van elektrische fietsen heeft tot slot gehoord van hun onberispelijke reputatie en vraagt hen of ze zijn fietsen niet in België willen verkopen.
1.2 Dat ook enkele problemen kent
Helaas is het niet alleen rozengeur en maneschijn voor Joris en Yasmina. Eén van hun belangrijkste klanten ging namelijk failliet terwijl hij nog een factuur van enkele tienduizenden euro’s aan hen moest betalen. Zij vrezen dat geld voorgoed kwijt te zijn.
Daarnaast maken ze zich zorgen over hoe ze de uitbreiding (nieuw pand, machines, personeel …) moeten gaan financieren. Hun eigen spaarpot is namelijk beperkt. Wel is er een oom van Yasmina, die zelf zakenman is, en die in het bedrijf zou willen stappen en erin zou willen investeren.
De evolutie en groei van de onderneming doet natuurlijk een aantal vragen rijzen:
1 Heeft het zin te kiezen voor een vennootschap en zo ja, welke?
Joris en Yasmina, die werken onder een eenmanszaak, denken eraan om een vennootschap op te richten.
Heeft het zin om voor een vennootschap te kiezen? Wat zijn daarvan de voor- en nadelen? Wat zou je in dit geval aan Joris en Yasmina aanraden?
Als je hen adviseert om te gaan werken met een vennootschap, voor welke vorm zou je dan opteren? Wat zijn de voor- en nadelen van deze keuze?
Welke naam kunnen zij geven aan de vennootschap. Mag dat bijvoorbeeld hun eigen naam zijn? Zijn er grenzen aan wat zij mogen kiezen?
Wie neemt het best de taak van bestuurder van de vennootschap op zich?
Raadpleeg het hoofdstuk over vennootschapsrecht om je antwoord te formuleren en te motiveren.
2 Welke contracten zou je hen aanraden af te sluiten met buitenlandse verdelers/fabrikanten?
– Aan welk contract zou je denken als zij zelf verdeler worden van een buitenlandse fabrikant? Motiveer je keuze.
– Welke contracten zou je hen adviseren af te sluiten met verdelers van hun fietsen in het buitenland. Geef ook hier aan waar je je advies op baseert.
Hoofdstuk 8 De onderneming in moeilijkheden: de insolventiewetgeving
Raadpleeg het hoofdstuk over overeenkomsten met handelstussenpersonen om je antwoord te formuleren en te motiveren.
3 Wat kun je Yasmina en Joris aanraden om de openstaande schuldvordering alsnog te proberen innen?
– Welke stappen kunnen zij ondernemen als hun klant een gerechtelijke reorganisatie vraagt?
– Wat kun je hen adviseren als de klant failliet gaat?
Raadpleeg het hoofdstuk over de onderneming in moeilijkheden om je antwoord te formuleren en te motiveren.
1
Hoofdstuk 1 Boek VI WER ‘Marktpraktijken en consumentenbescherming’
Inleiding
De economie in Europa is gebaseerd op het principe van de ‘vrije markt’. We noemen dat een ‘vrijemarkteconomie’. Dat betekent dat iedereen vrij is om aan de economie deel te nemen zoals hij of zij dat wil. Consumenten zijn vrij in hun keuzes en bedrijven zijn vrij om de goederen en diensten te leveren die ze willen.
Die vrijheid is natuurlijk niet onbeperkt: er moeten spelregels of wetten zijn. Die wetten reguleren verschillende domeinen zoals belastingen, milieuwetgeving, sociale wetgeving … en marktrecht. Het marktrecht beschermt de ‘zwakkere’ in de economie en dat is doorgaans de consument.
Een consument neemt dagelijks beslissingen over zijn aankopen. Hij neemt die beslissingen meestal snel en vaak ook impulsief. Ondernemingen zijn de ‘sterkeren’ want ze zijn dagelijks bezig met het verleiden van de klant om te kopen. Daardoor is de consument een gemakkelijk slachtoffer en loopt hij het risico om er ‘bedrogen uit te komen’ doordat hij meer moet betalen dan verwacht, zijn aankoop niet echt is wat hij wou, zijn aankoop defect is … Om dat te voorkomen biedt het marktrecht de consument bescherming door te zorgen dat de relatie tussen consument en onderneming eerlijk verloopt.
Daarnaast is het ook belangrijk dat de relaties tussen de ondernemingen onderling eerlijk verlopen. Ook regels daarover komen in dit boek aan bod.
De wetten over eerlijke handelsrelaties tussen ondernemingen en consumenten en tussen ondernemingen onderling zijn opgenomen in Boek VI WER ‘Marktpraktijken en consumentenbescherming’.
Boek VI is van toepassing op alle ondernemingen. Omdat Boek VI van toepassing is op alle ondernemingen, bevat Boek VI alleen algemene regels. De meeste regels beschermen de consumenten tegen gedragingen van ondernemingen. Daarnaast heeft Boek VI ook enkele regels die ondernemingen onderling beschermen. Boek VI gaat dus zowel over: de ‘B2C’-relaties (business-to-consumer): consumenten die kopen van ondernemingen; de ‘B2B’-relaties (business-to-business): ondernemingen die kopen van andere ondernemingen.
Voor sommige soorten van bedrijven zoals reisbureaus, huwelijksbureaus, incassobureaus ... gelden bijkomende en andere regels die opgenomen zijn in aparte wetten. Die wetten zijn nodig omdat in specifieke gevallen zoals wanneer de consument op reis gaat, de consument op zoek is naar een relatie, de consument schulden heeft … de consument een extra zwakke positie heeft en dus extra bescherming nodig heeft. Die specifieke wetten worden hier niet besproken.
Het Wetboek van Economisch Recht heeft een eigen structuur. Sommige boeken zijn nodig om de andere te kunnen begrijpen. Zo bevat Boek I alle gebruikte definities en Boek XVI bevat alle sancties.
Het is aanbevolen om zowel de algemene definities als de specifieke definities voor Boek VI er op na te lezen of bij de hand te houden. Je vindt ze in de art. I.1 en. I.8 WER.
Belangrijk is wel om bij deze definities mee te geven dat voortaan het begrip product ook digitale inhoud en digitale diensten omvat. Dat is logisch gezien de digitale opmars. Digitale diensten zijn bv. het uitzenden van radio- en televisieprogramma’s via radio- en televisienetwerken. VRTMax en GoPlay zijn digitale kijkdiensten, zo ook mobiele telefoondiensten, Google maps, YouTube, ...
1 Je gaat op kot en je beseft dat je je eigen potje zal moeten koken. Daarom wil je een microgolfoven aanschaffen. Op welke manieren (verkoopvorm, waar) kun je dat doen? Probeer zo volledig mogelijk te zijn.
2 Som voor iedere verkoopvorm op welke informatie je absoluut nodig hebt om een goede keuze te kunnen maken.
Verkoopvorm 1 Verkoopvorm 2
Informatie-item 1
Informatie-item 2
3 Evalueer voor elke verkoopvorm wat de voordelen en nadelen of risico’s zijn.
Voordelen
Verkoopvorm 1
Verkoopvorm 2
Nadelen/risico’s
4 Herneem elk voor- of nadeel een keer in onderstaande tabel. Omcirkel alle voor- of nadelen die te maken hebben met ‘informatie’ en onderlijn alle voor- of nadelen die te maken hebben met ‘problemen oplossen’. Zet kruisjes in de juiste vakken. M.a.w. duid aan welk voor- of nadeel van toepassing is op welke verkoopvorm en duid ook aan of dit nadeel voor, tijdens of na de verkoop speelt.
Verkoopvorm 1
Verkoopvorm 2 …
Voordeel 1
Voordeel 2
Nadeel/risico 1
Nadeel/risico 2
Als je de vorige oefening volledig en correct hebt gemaakt, heb je een van de basisprincipes van het consumentenrecht begrepen. Voor alle zekerheid zetten we het hieronder nog eens uiteen.
Door de oefening zal je gemerkt hebben dat de consument sommige informatie altijd nodig heeft, ongeacht de verkoopvorm. De wet verplicht ondernemingen om die informatie mee te delen. We sommen de belangrijkste op:
3.2.1 De totale prijs van het product
In die totale prijs moeten de volgende elementen inbegrepen zijn: alle belastingen (bv. btw, accijnzen, toeristentaks, Recupel-bijdrage …); alle diensten die door de consument verplicht bijbetaald moeten worden; alle extra vracht-, leverings-, of portokosten.
Als die kosten redelijkerwijs niet vooraf berekend kunnen worden, dan moet daarover informatie verstrekt worden.
De prijs is met stip het belangrijkste informatie-aspect bij een aankoop. Consumenten vergelijken veel producten op basis van de ‘prijs’ en lage prijzen hebben een grote aantrekkingskracht. Dat maakt het ook zo verleidelijk om de consument (een beetje) te misleiden met prijzen. Sommige trucjes, zoals prijzen die onder een ‘psychologische drempel’ blijven (bv. 999,99 EUR), zijn toegestaan. Maar wat niet kan is de ware prijs verdoezelen door er elementen uit weg te laten die de consument toch sowieso moet betalen zoals bijvoorbeeld btw, Recupel-bijdrage ...
In het geval van de microgolfoven zou het ontoelaatbaar zijn om alleen het ‘motorgedeelte’ als microgolfoven te verkopen en de consument daarna apart de kabel en het lampje te verkopen. Mocht dit om een of andere reden wel zo verkocht worden, dan zal de verkoper dat heel duidelijk moeten vermelden. Het wijkt immers sterk af van wat de gemiddelde consument verwacht.
In dit voorbeeld merk je meteen de relatie tussen de ‘voornaamste kenmerken’ en de ‘prijs’. Beiden moeten duidelijk zijn en met elkaar overeenstemmen.
3.2.2 De voornaamste kenmerken van het product
Dit lijkt evident, maar dat is het niet altijd. Want wat zijn net de ‘voornaamste kenmerken’ van een microgolfoven? We doen een poging: het vermogen; de afmetingen; grill-, ontdooi- en andere functies.
Het is nog maar de vraag of bijvoorbeeld de lengte van de kabel, het gewicht, het verbruik, het geluidsniveau … ook behoren tot de ‘voornaamste’ kenmerken van een microgolfoven.
Daarom stellen we dat de ‘voornaamste’ kenmerken die kenmerken zijn die de ‘gemiddelde consument’ belangrijk vindt bij de aankoop van een bepaald product. De kenmerken verschillen dus van product tot product. Hoewel hierover zelden rechtszaken ontstaan, is het uiteindelijk de rechter die uitmaakt wat de ‘voornaamste kenmerken’ van een product zijn en welke niet.
In de praktijk weten fabrikanten en verkopers heel goed wat consumenten belangrijk vinden en zullen ze extra aandacht vestigen op die kenmerken. De wet verhindert dat zij bepaalde belangrijke kenmerken zouden ‘vergeten’.
3.2.3 De identiteit van de onderneming (naam, adres, ondernemingsnummer …)
Misschien heb je hier aanvankelijk niet aan gedacht, maar vast wel toen je nadacht over de voor- en nadelen en wanneer die van toepassing zijn. Het is belangrijk om te weten met wie je te doen hebt, vooral om achteraf de onderneming te kunnen contacteren als er zich problemen (levering, defecten …) voordoen.
3.2.4 Een herinnering aan het bestaan van de wettelijke garantie, de commerciële garantie en de voorwaarden van diensten na verkoop
De wettelijke garantie en de commerciële garantie (zie het hoofdstuk over de wettelijke garantie) wordt verder in het boek meer in detail behandeld. Veel consumenten zijn niet op de hoogte van hun garantierecht en van de voorwaarden van diensten na verkoop (bv. depannage). Daarom verplicht de wet dat dit meegedeeld moet worden. Door het te vermelden engageert de onderneming zich bovendien om de wettelijke en andere garantierechten te respecteren.
Onthoud dat de consument in essentie altijd goed geïnformeerd moet worden over de volgende vier zaken:
1 hoeveel hij moet betalen;
2 wat hij koopt;
3 van wie hij koopt;
4 en op welke garantie en dienst na verkoop hij recht heeft.
Deze vermeldingen zijn altijd verplicht. De wet voorziet ook regels over andere informatieverplichtingen, maar die zijn slechts onder bepaalde voorwaarden verplicht. Je kunt ze vinden in art. VI.2 WER.
In de oefening zal je vastgesteld hebben dat bepaalde verkoopvormen mogelijk nadelen of risico’s omvatten. Bij onlineaankopen kun je bijvoorbeeld het product niet inspecteren of ken je door de afstand tussen jou en de verkoper misschien het adres van de onderneming niet. Het consumentenrecht is er om de risico’s die hierdoor ontstaan zo veel mogelijk te beperken. Daarom legt de wet bijkomende informatieverplichtingen op per verkoopvorm. De verkoopvormen zijn als volgt ingedeeld: verkopen op afstand (hieronder valt onlineverkoop maar ook postorderverkoop en verkopen via een onlinemarktplaats zoals bol.com); verkopen buiten de onderneming (verkoop op beurzen, bij de consument thuis ...); openbare verkoop (openbare verkoop van inbeslaggenomen goederen door een deurwaarder).
Voortaan vallen ook overeenkomsten waarbij een onderneming digitale inhoud of digitale diensten levert, waarvoor de consument aan de onderneming persoonsgegevens verstrekt zonder een geldprijs te betalen, onder bepaalde regels van de consumentenbescherming. Dit is niet zo als het gaat over persoonsgegevens die noodzakelijk zijn om de digitale inhoud te kunnen leveren en die de onderneming uitsluitend voor dat doel verwerkt.
Het gaat hier over de consumentenbescherming bij de algemene verplichting tot informatie van de consument, de spelregels voor de verkoop op afstand, de regels rond de levering van producten.
VOORBEELD
Online games en sociale mediadiensten worden vaak geleverd in ruil voor het achterlaten van je uitgebreide persoonsgegevens als consument. Je zou kunnen stellen dat je niet met een prijs in geld hebt betaald maar wel met je persoonsgegevens.
In ruil voor de persoonsgegevens (naam, e-mailadres, interesses, bedrijf, gezinssamenstelling, ...) krijgt de bezoeker van een website toegang tot een e-book over gezonde voeding.
We bespreken de verschillende verkoopvormen later meer in detail, maar gaan eerst verder met de algemene regels over informatie. We beginnen het overzicht met wat wellicht de belangrijkste factor is voor consumenten: de prijs.
3.4 Prijsaanduiding: hoeveel moet de consument betalen?
3.4.1 Inleidende oefening
1 Er zijn verschillende manieren om prijzen aan te duiden. Lijst op hoe de prijzen zijn aangeduid: – in de supermarkt; – in het marktkraam van een slager; – in het café; – bij de kapper; – bij een herstellingsdienst voor bromfietsen; – op een website die elektro aanbiedt.
2 Duid voor elke situatie aan of er verschillen zijn naargelang het type product of dienst dat de onderneming aanbiedt.
3 Wat vind jij belangrijke kenmerken van een prijsaanduiding?
3.4.2 De juiste prijs(aanduiding)
Terwijl je de oefening maakte, zal je gemerkt hebben dat er niet een enkele manier is om prijzen aan te duiden. Het hangt af van: de situatie (supermarkt, markt, website …); van wat er verkocht wordt (goederen in de supermarkt, bij de slager, op een website … diensten bij de kapper, in het café en in de bromfietsenzaak); van het type dienst of product (een uitgeschonken trappist in het café, een kilo bananen in de supermarkt ...).
Elke situatie vereist dus specifieke regels. Er zijn echter vier regels die altijd gelden:
1 de prijs moet in euro uitgedrukt zijn;
2 de aangeduide prijs moet de totaal te betalen prijs zijn (zie basisprincipes hierboven);
3 regel 1 en 2 moeten ook gerespecteerd worden in reclame die een prijs vermeldt;
4 de prijs moet eenduidig zijn. In eenzelfde zaak mag met andere woorden hetzelfde product niet met twee verschillende prijzen aangeduid worden. Gebeurt dat toch, dan geldt voor de consument de laagste prijs.
Afronding van het totaalbedrag
Elke onderneming moet het totaalbedrag dat de consument cash betaalt afronden (en dus niet de prijs van elk afzonderlijk product).
Afronden moet naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent. Daarbij gelden twee voorwaarden: het totaalbedrag is hoger dan 5 cent; de betaling vindt plaats in de gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de consument en de onderneming.
Afronding is dus niet toegestaan bij verkoop op afstand.
Voor andere betalingswijzen (dan cash) is de afronding vrijwillig. Maar als de onderneming de afronding toepast op één ander betaalmiddel, dan moet ze het op alle betaalwijzen toepassen.
In dat geval moet op een duidelijke wijze en in de onmiddellijke omgeving van de plaats waar de consument betaalt, een boodschap aangebracht worden:
‘Het totaalbedrag wordt altijd afgerond’.
Samengevat zijn er dus twee wettelijke mogelijkheden: ofwel rondt de onderneming enkel af bij cashbetalingen; ofwel rondt de onderneming af bij alle betalingen.
Deze regels zijn ook van toepassing op vrije beroepen.
1 Toepassen
– Lies doet boodschappen in de supermarkt voor een bedrag van 19,87 EUR. Zij betaalt met een biljet van 20 EUR. Hoeveel krijgt Lies hier terug? Naar welk bedrag wordt dus afgerond?
– Jan doet boodschappen in de supermarkt voor een bedrag van 19,82 EUR. Hij betaalt met een biljet van 20 EUR. Hoeveel krijgt Jan hier terug? Naar welk bedrag wordt dus afgerond?
– Danira koopt in de supermarkt voor een bedrag van 19,88 EUR. Zij betaalt met een biljet van 20 EUR. Hoeveel krijgt Danira hier terug? Naar welk bedrag wordt dus afgerond?
2 Check in de praktijk
– Check bij jouw volgende winkelbezoek eens hoe de winkel de boodschap rond het afronden formuleert.
– Is de aankondiging voldoende duidelijk? En is ze aangebracht in de onmiddellijke omgeving van waar de consument betaalt?
Hoe betalen?
Ondernemingen zijn verplicht om cash geld te aanvaarden en minstens 1 elektronisch betaalmiddel ter beschikking te stellen. Dit geldt wanneer de consument en de ondernemer tegelijkertijd fysiek aanwezig zijn bij een transactie.
Voor cash kunnen er uitzonderingen zijn indien er veiligheidsrisico’s kunnen aangetoond worden. Maar het is sowieso verboden om meer dan 3000 euro in cash te betalen. Dit laatste vloeit voort uit de antiwitwaswetten.
VOORBEELD
In een ondergrondse parkeergarage mag alleen digitaal betalen aangeboden worden omdat er geen fysieke aanwezigheid is tussen klant en ondernemer.
3.4.3.1 Basisprincipe
Elke onderneming die de consument goederen te koop aanbiedt, moet de prijs daarvan schriftelijk en ondubbelzinnig aanduiden. In de oefening geldt dit dus voor de supermarkt, de slager op de markt, de website die elektro aanbiedt en de hersteldienst voor automechanica.
3.4.3.2 Goederen te koop uitgestald
Als de goederen te koop uitgestald zijn, moet de prijs (bovenop het basisprincipe) leesbaar en goed zichtbaar aangeduid worden. In de oefening geldt dit dus zeker voor de supermarkt en de slager op de markt.
Dit betekent dat de onderneming de keuze heeft om: a de prijs op het product of op de verpakking ervan aan te duiden; b de prijs in de onmiddellijke nabijheid van de goederen aan te duiden op voorwaarde dat het absoluut duidelijk is op welk product de prijs betrekking heeft.
3.4.3.3 Prijsaanduiding per meeteenheid
In de oefening merkte je wellicht op dat in de supermarkt of bij de slager de prijs ook per kg, meter, vierkante meter, liter ... aangegeven wordt.
Dit is een verplichting die het consumenten gemakkelijk maakt om prijzen te vergelijken. Een prijs vergelijken en inschatten is immers niet evident als producten in verschillende verpakkingen aangeboden worden. Daarom is het belangrijk om de consument een vaste, eenduidige referentie te geven namelijk de prijsaanduiding per meeteenheid.
Verkopers die over een netto verkoopoppervlakte van maximum 150 m² beschikken, worden vrijgesteld van die verplichting, maar dan wel alleen voor voorverpakte producten in vooraf bepaalde hoeveelheden.
Voor afzonderlijk verkochte producten moet alleen de prijs per meeteenheid aangeduid worden.
De prijs per meeteenheid moet net als elke prijs, ondubbelzinnig, gemakkelijk herkenbaar en goed leesbaar aangeduid worden en in de onmiddellijke nabijheid van de vermelding van de verkoopprijs zijn.
Deze verplichting geldt ook voor prijsaanduidingen in reclame.
3.4.4 Prijsaanduiding voor diensten
De dienstverleners in de oefening zijn de kapper, het café en de bromfietshersteller. Een van de drie verleent een andere soort dienst. Welke?
Het onderscheid dat we hier moeten maken is dat tussen homogene diensten en niet-homogene diensten
3.4.4.1 Homogene diensten
Homogene diensten zijn alle diensten waarvan de eigenschappen en de modaliteiten identiek of gelijkaardig zijn ongeacht het ogenblik, de plaats van de uitvoering, de dienstverstrekker of de persoon voor wie ze bestemd zijn.
Homogene diensten zijn dus diensten waarvan de tariefbepaling losstaat van de specifieke omstandigheden of kenmerken van de dienstverlening. Het is m.a.w. mogelijk om met een vast tarief te werken. In de oefening gaat het dus over haren knippen en een drankje serveren.
VOORBEELDEN
Andere voorbeelden van homogene diensten zijn: – een wagen wassen; – een kledingretouche; – een schoonheidsbehandeling.
Kun je zelf ook nog enkele voorbeelden van homogene diensten bedenken?
Voor homogene diensten geldt de regel dat de prijs schriftelijk, leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig aangeduid moet worden.
‘Ondubbelzinnig’ impliceert dat de prijs van homogene diensten op twee manieren aangeduid kan worden:
1 Forfaitair:
VOORBEELD
Haar wassen en knippen: 45 EUR
2 Door te verwijzen naar parameters:
VOORBEELD
Ramen wassen: 8 EUR per raam op het gelijkvloers, 11 EUR per raam op de eerste of de tweede verdieping.
‘Goed zichtbaar en schriftelijk’ betekent dat de prijs van homogene diensten aangeduid moet worden door een tarief (prijslijst) dat zowel binnen als buiten de zaak goed zichtbaar is.
VOORBEELD
De prijslijst van een kapperszaak of een café moet van buitenaf consulteerbaar zijn.
Weet dat er veel detailregels bestaan over de vorm van een prijslijst voor bijvoorbeeld cafés, hotels, kappers ... maar daar gaan we hier niet verder op in.
3.4.4.2 Niet-homogene diensten
De diensten die niet onder de definitie van homogene diensten vallen, zijn dus per definitie niethomogene diensten. Het zijn typisch die diensten waarvoor een bestek opgemaakt moet worden opdat de consument (en de onderneming) kan weten hoeveel de dienst zal kosten.
De bromfietshersteller is hiervan een voorbeeld. De prijs van de herstelling wordt bepaald door wat er precies stuk is aan de bromfiets en welke onderdelen eventueel vervangen moeten worden.
De consument kan de onderneming vragen om een bestek op te maken. De onderneming moet dat slechts afleveren als:
1 de consument erom vraagt;
2 de onderneming bereid is om de dienst te leveren.
VOORBEELDEN
– Een computerhersteller die geen capaciteit heeft om nieuwe klanten aan te nemen en de gevraagde dienst dus niet kan en/of wil leveren, hoeft geen bestek op te maken.
– Een computerhersteller die van mening is dat hij bepaalde werken niet kan uitvoeren volgens de gangbare normen (bijvoorbeeld door moeilijke bereikbaarheid etc.) kan besluiten dat hij de dienst niet kan en wil leveren. Hij hoeft dus geen bestek op te maken.
3.4.5 Prijspromoties: hoeveel moet de consument betalen?
Een bijzondere vorm van prijsaanduiding is de prijspromotie. Een consument kan immers nog meer verleid worden om te kopen door hem mee te delen dat een prijs (tijdelijk) lager is. Door een prijsverlaging verlaagt een onderneming haar winstmarge maar tegelijkertijd hoopt ze om meer klanten aan te trekken, weg te lokken van de concurrentie en eventueel, door de meerverkoop, de gederfde winst te compenseren. Er zijn verschillende omstandigheden waarin een onderneming promoties kan aankondigen en doorvoeren.
Er zijn in de eerste plaats de ‘gewone’ promoties, waarbij de onderneming prijzen verlaagt om de verkoop te bevorderen. Maar promoties kunnen ook in bijzondere omstandigheden plaatsvinden, zoals in het kader van solden of een uitverkoop. De prijsvermindering kan ook gevoerd worden in de vorm van de verspreiding van kortingsbonnen, getrouwheidskaarten, enz.
3.4.5.1 Gewone prijsverminderingen
Ondernemingen zijn in principe vrij om te kiezen in welke vorm ze prijsverminderingen aankondigen en aanduiden. Maar de aanduiding mag uiteraard niet misleidend zijn.
Of een prijsvermindering misleidend is, moet geval per geval bekeken worden, maar als basisprincipe kunnen we stellen dat de prijsvermindering reëel moet zijn. Opdat een prijsvermindering reëel is, moeten alvast de volgende voorwaarden vervuld zijn:
1 De vermindering moet betrekking hebben op hetzelfde product of dienst.
2 De vermindering moet berekend worden op basis van de ‘vorige prijs’. Dat is de laagste prijs die door de onderneming is toegepast tijdens een periode van 30 dagen voorafgaand aan de prijsvermindering voor dat product of de dienst. Zo worden ‘artificieel’ verhoogde verkoopprijzen vóór de prijsvermindering vermeden. Met ander woorden het feit dat men eerst de prijs verhoogt en dan daarop korting geeft is geen reële prijsvermindering.
Op de periode van 30 dagen zijn twee uitzonderingen, met name voor producten die minder dan 30 dagen op de markt zijn is de periode waarin de laagste prijs werkelijk moet toegepast zijn minimum 7 dagen en voor goederen die snel bederven of een beperkte houdbaarheid hebben is er geen periode bepaald.
VOORBEELD
Voor groenten en voorverpakt vlees kan men als ‘vorige prijs’ de prijs van de dag voordien nemen en daarop de korting berekenen. 50% korting wegens ‘korte houdbaarheid’.
Soms verhogen de kortingspercentages die de verkoper geeft in de tijd. Hier is de ‘vorige prijs’ de prijs zonder prijsvermindering die van toepassing was vóór de eerste prijsvermindering.
VOORBEELD
Een winkelier verkoopt (al gedurende een periode van 2 maanden) een DAB+ radio aan de prijs van 250 euro. Bij het begin van de solden kondigt hij een korting van 20% aan. De nieuwe verkoopprijs is dus 200 euro. De ‘vorige prijs’ was hier 250 euro en hierop moet de 20% worden berekend.
In de tweede week van de solden wil de ondernemer de verkoopprijs terugbrengen naar 150 euro. De vorige prijs is hier dus 250 euro (de prijs zonder prijsvermindering, voorafgaand aan de eerste prijsvermindering) en de korting die hij moet aankondigen bedraagt dan 40% (150/250).
3 De prijspromotie moet gedurende een concrete periode toegepast worden. Gedurende lange perioden een gelijkblijvende prijs als een promotie voorstellen is misleidend.
3.4.5.2 Uitverkopen
Een uitverkoop is elke vorm van verkoop die zo aangekondigd wordt met als doel de voorraad versneld te verkopen. Maar een uitverkoop is slechts in een beperkt aantal situaties toegelaten. ‘Uitverkoop’ is immers alweer een van die termen die consumenten erg aanspreekt en verleidt (omdat er zaakjes te doen zijn). We beperken ons hier tot het opsommen van een aantal situaties waarin een uitverkoop toegelaten is:
1 ter uitvoering van een rechterlijke beslissing;
VOORBEELD
Bij faillissement kan de curator overgaan tot een uitverkoop van de goederen.
2 bij het overlijden van een uitbater van een onderneming kunnen de erfgenamen de voorraad geheel of gedeeltelijk in uitverkoop te koop aanbieden;
3 bij de overname van een onderneming kan de overgedragen voorraad geheel of gedeeltelijk in uitverkoop te koop aangeboden worden;
4 bij een volledige stopzetting van de activiteiten van een ondernemer. Daarbij is wel vereist dat de verkoper gedurende de laatste drie jaar geen uitverkoop deed voor soortgelijke producten en dat hij zijn volledige voorraad uitverkoopt;
5 bij verbouwingswerken of herstellingswerken aan de lokalen waar de verkoop aan de consument gewoonlijk plaatsheeft. Daarvoor is wel vereist dat de werken meer dan twintig werkdagen in beslag nemen en dat de uitvoering van de werken de verkoop in de gebruikelijke gebouwen onmogelijk maakt. Bovendien mag de verkoper de drie voorgaande jaren om dezelfde reden geen soortgelijke producten uitverkocht hebben;
VOORBEELD
Een verkoper houdt een uitverkoop voor hij aan verbouwingswerken begint. De verbouwingswerken duren evenwel geen twintig werkdagen, zoals dat door de wet verplicht wordt (als men een uitverkoop wil doen). Bijgevolg kan de rechtbank de verkoper verplichten om zijn winkel gedurende de resterende dagen te sluiten.
6 bij ernstige schade die als gevolg van een ramp aan de hele voorraad producten of een belangrijk deel ervan is toegebracht;
VOORBEELD
Een bedrijf waar elektronische producten worden verkocht, brandt grotendeels uit. Van een aantal producten is alleen de verpakking zwaar beschadigd door het roet.
7 bij overbrenging of opheffing van de ruimte waar de verkopen normaal doorgaan, de inrichting moet vanaf ten minste één jaar voor het begin van de liquidatie, door dezelfde verkoper zijn uitgebaat;
8 bij overmacht waardoor de activiteit van de onderneming aanzienlijk wordt gehinderd;
VOORBEELD
De aankondiging van openbare werken van lange duur die de toegang tot de onderneming onmogelijk maken.
9 bij de opruststelling (en stopzetting van elke beroepsactiviteit) van een natuurlijke persoon die een onderneming uitbaat. Voorwaarde is wel dat die in de loop van het jaar daarvoor geen uitverkoop
heeft gehouden omwille van een stopzetting van de onderneming of de overbrenging van de verkoopinrichting.
Onthoud dat de wet toelaat dat een onderneming uitverkopen organiseert als zij zich in een situatie bevindt waarin ze een reële nood heeft om snel haar voorraad te kunnen verkopen. De wet zorgt er tegelijkertijd voor dat ondernemingen het systeem van uitverkopen niet kunnen misbruiken door zelf de nodige ‘omstandigheden’ in de hand te werken.
3.4.5.3 Opruiming of solden
Opruimingen of solden zijn aanbiedingen of verkopen tijdens een welomschreven periode waarbij de verkoper kan overgaan tot een versnelde afzet van zijn goederen tegen een verminderde prijs. Het is tijdens de soldenperiodes ook toegelaten met verlies te verkopen. De opruiming wordt aangekondigd door de termen ‘solden’ of ‘opruiming’ of door een andere gelijkaardige benaming.
De solden mogen enkel plaatsvinden in twee wettelijk vastgelegde periodes. De eerste periode is van 3 januari tot en met 31 januari en de tweede van 1 juli tot en met 31 juli. Voor alle sectoren gelden in principe dezelfde periodes, tenzij er andere vastgelegd worden door de overheid. Als 3 januari of 1 juli op een zondag valt, mogen de solden een dag eerder beginnen.
Een maand voor elke soldenperiode is er een sperperiode. In die periode is het in de sectoren kleding, lederwaren en schoenen verboden prijsverminderingen aan te kondigen of door te voeren behalve tijdens braderieën. Tijdens de sperperiode is het ook toegelaten gezamenlijke aanbiedingen te doen.
3.4.5.4 Waardebonnen
Er zijn twee soorten waardebonnen:
1 Waardebonnen (bij een aankoop) die recht geven op een latere terugbetaling van de prijs of een deel daarvan.
2 Waardebonnen die de mogelijkheid bieden onmiddellijk een korting op de prijs te krijgen.
De wet geeft ook aan welke vermeldingen verplicht zijn voor elk type waardebon. Onthoud dat het gaat om de drie klassieke informatie-items:
1 Voorwaarden om de waardebon te kunnen gebruiken = WAT hij koopt;
2 Identiteit van de onderneming = van WIE hij koopt en;
3 Bedrag = HOEVEEL hij daarvoor moet betalen
Als die voorwaarden vervuld zijn, is een onderneming verplicht een waardebon te aanvaarden.
3.5 Benaming, samenstelling en etikettering van producten: wat koopt de consument?
In tegenstelling tot wat het woord misschien laat vermoeden is de definitie van ‘etikettering’ veel ruimer dan alleen maar de verpakking. Etikettering omvat: ‘de vermeldingen, aanwijzingen, gebruiksaanwijzingen, merken, afbeeldingen of tekens die betrekking hebben op een goed of op een homogene dienst en die voorkomen op het goed zelf of op enig verpakkingsmiddel, document, bordje, etiket, band of label dat bij dit goed of bij deze dienst is gevoegd of daarop betrekking heeft’.
Deze opsomming uit de wet kunnen we samenvatten als ‘alles wat schriftelijk over een goed of dienst beweerd wordt’.
Andere voorbeelden van ‘etikettering’ naast het etiket of de verpakking zijn: een handleiding, een logo, een garantiebewijs ... De vermeldingen op het etiket moeten goed zichtbaar en leesbaar zijn en duidelijk onderscheiden kunnen worden van reclame. De benaming, samenstelling en etikettering van heel wat producten wordt apart geregeld. Zo zijn er koninklijke besluiten over honing, bier, boter, textiel, fruitsap, consumptie-ijs, brood …
Een product mag maar onder een gereglementeerde benaming verkocht worden als de wettelijk bepaalde samenstelling gerespecteerd werd. Voor bepaalde producten, zoals bijvoorbeeld chocolade, limonade e.a. moet de samenstelling ook op het etiket vermeld worden.
3.5.1 Taal
De etikettering moet minstens in een voor de gemiddelde consument begrijpelijke taal opgesteld zijn. Bij de beoordeling daarvan moet rekening gehouden worden met het taalgebied waar de goederen of diensten aan de consument aangeboden worden. De gebruikte taal is dus niet noodzakelijk de officiële bestuurstaal van een taalgebied.
VOORBEELDEN
– Een Brusselse ondernemer zou op basis van de bovenstaande bepaling kunnen aannemen dat de gemiddelde Brusselse consument het Frans voldoende machtig is om producten met eentalige Franstalige etiketten te mogen verkopen.
– Een elektronicaonderneming in Gent zou ervan uit kunnen gaan dat eentalige Engelse etiketten ook aan de regels voldoen. Een elektronicaonderneming in Houffalize kan dat misschien minder hard maken.
De rechtspraak zal indien nodig verder moeten uitwijzen waar de grens getrokken wordt. In combinatie met de principes van ‘eerlijke marktpraktijken’ (zie verder) en de algemene zorgvuldigheidsprincipes uit het Burgerlijk Wetboek, kan wel vermoed worden dat een onderneming erg voorzichtig te werk moet gaan als ze een andere taal dan die van het taalgebied van de consument gebruikt.
3.5.2 Aanduiding van de hoeveelheid: hoeveel en wat koopt de consument?
De hoeveelheid van een goed is belangrijke informatie opdat de consument goed zou weten wat hij koopt. Hierbij wordt snel duidelijk dat er meer dan een manier bestaat om hoeveelheden aan te duiden. De manier waarop producten worden aangeboden kan immers verschillen. Goederen kunnen al dan niet ‘geconditioneerd’ zijn. Dat betekent dat ze bij de verpakking of bij de fabricage al verdeeld, gemeten of gewogen zijn.
VOORBEELD
Een pak chips.
Voor geconditioneerde goederen is de aanduiding van de hoeveelheid verplicht. De hoeveelheid moet op de verpakking of op het product zelf leesbaar, goed zichtbaar en ondubbelzinnig vermeld worden.
Een meeteenheid wordt aangeduid in de ‘nominale hoeveelheid’: dit is het ‘op een voorverpakking aangegeven gewicht of volume dat overeenstemt met de netto hoeveelheid die deze voorverpakking wordt geacht te bevatten’. Ze is uitgedrukt in een meeteenheid (l, m, m², m³, cl, kg, g …). Er zijn specifieke regels over welke meeteenheid gebruikt moet worden voor welk product.
Voor goederen die gemeten of gewogen worden door de consument of in zijn aanwezigheid, moeten de aanduidingen van de meetinstrumenten voor de consument duidelijk zichtbaar zijn.
VOORBEELDEN
Bij de slager kan je altijd de weging van de producten mee aflezen. – In de supermarkt kan je zelf je groenten en fruit wegen en de hoeveelheid (gewicht) aflezen.
3.5.3 Geregistreerde benamingen
Sommige producten genieten een zekere faam en worden omwille van afkomst, fabricageproces, ingrediënten …. door de consument met een zekere kwaliteit geassocieerd. Om te vermijden dat ondernemingen misbruik zouden maken van de goede naam van bepaalde producten werden geregistreerde benamingen ingevoerd.
Een geregistreerde benaming is een geografische benaming van een land, een streek of een plaats die dient om een product dat er zijn herkomst heeft mee te benoemen. Bovendien wijst de benaming erop dat het product specifieke kenmerken bezit die verband houden met de streek waar het vervaardigd wordt.
Een streek of plaatsnaam mag gebruikt worden als een benaming van oorsprong als daarvoor een erkenning bestaat bij koninklijk besluit, als het met andere woorden een officieel erkende, geregistreerde benaming is.
VOORBEELD
Geraardbergse mattentaarten, Brussels grondwitloof, Gentse Azalea en ook de Limburgse vlaai (beschermde geografische aanduiding).
Het is verboden:
gebruik te maken van een benaming die wordt voorgesteld als een benaming van oorsprong terwijl die niet bij besluit als een benaming van oorsprong is erkend; onder een benaming van oorsprong producten te vervaardigen, te koop aan te bieden en te verkopen als die niet voldoen aan de voorwaarden gesteld inzake de erkenning van de benaming van oorsprong; onder een benaming van oorsprong producten te vervaardigen, te koop aan te bieden en te verkopen zonder in het bezit te zijn van een attest van oorsprong, als dat vereist is; een benaming van oorsprong te vertalen; aan de benaming van oorsprong een term toe te voegen als ‘soort’, ‘type’, ‘wijze’ of ‘gelijksoortig’. Zo is het bijvoorbeeld verboden op de verpakking aan te geven: ‘dit is een soort Ardense ham’.
De regels over ‘geregistreerde benamingen’ zorgen er dus voor dat de consument weet wat hij koopt Daarnaast beschermen ze de fabrikanten van dergelijke producten tegen oneerlijke concurrentie.
Naast benamingen kunnen ook de traditionele samenstellingen beschermd worden. Het label Gegarandeerde Tradionele Specialiteit mag dan op de verpakking vermeld worden. Oude Geuze en Oude Kriek hebben zo een label.
Productnamen voor levensmiddelen en landbouwproducten, wijn, gedistilleerde dranken en gearomatiseerde wijnen, in Europa geregistreerd en beschermd kun je terugvinden in de databank eAmbrosia: https://ec.europa.eu/agriculture/eambrosia/geographical-indications-register/
Voor alle geografische aanduidingen die in de EU beschermd zijn, kun je terecht in de databank
GIview: https://www.tmdn.org/giview/
Zoek eens op welke producten er in België op dit moment allemaal erkend zijn en bovenstaande benamingen mogen dragen.
Buiten de specifieke regels over ‘geregistreerde benamingen’ is vergelijkende reclame toegelaten.
Onder vergelijkende reclame verstaan we ‘elke vorm van reclame waarbij een concurrent en/of door een concurrent aangeboden goederen of diensten uitdrukkelijk of impliciet worden genoemd’.
Maar vergelijkende reclame is enkel toegestaan onder een aantal strikte voorwaarden:
1 De goederen of diensten die vergeleken worden, moeten voor hetzelfde doel bestemd zijn of in dezelfde behoefte voorzien (bv. verschillende auto’s, computers, stofzuigers en frisdranken vergelijken mag);
2 daarnaast moet de vergelijking gebaseerd zijn op objectieve, essentiële, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken. Prijzen, samenstelling van een product en leveringstermijnen zijn bijvoorbeeld essentieel en controleerbaar. Objectief betekent dat dat wat men in de vergelijking zegt, ook moet kunnen bewijzen, bijvoorbeeld via een analyse of een wetenschappelijk onderzoek;
3 De reclame mag geen verwarring stichten met concurrenten, andere merken, handelsnamen …;
VOORBEELD
Een bouwonderneming mocht van de rechtbank de benaming ‘Matibouw’ niet gebruiken omdat ze te dicht aanleunde bij ‘Batibouw’ (RK Oostende, 09-05-2011).
4 beschadiging van reputaties of kleinerende uitlatingen over andere merken, handelsnamen (of andere onderscheidende kenmerken, goederen, diensten, activiteiten of omstandigheden van een concurrent) zijn niet toegelaten. Namen noemen mag dus, maar uitdrukkingen als ‘de bedrieger’ e.d. zijn uiteraard uit den boze;
5 men mag geen oneerlijk voordeel halen uit andermans bekendheid (merk);
VOORBEELD
De zin ‘de Porsche onder de computers’ mag niet gebruikt worden.
6 men mag het eigen product niet voorstellen als een imitatie of namaak van een beschermd goed of dienst;
7 een vergelijking met producten met verschillende benamingen van oorsprong mag niet. Zo mogen champagne en schuimwijn niet met elkaar vergeleken worden.
In het algemeen moet de vergelijking waarachtig, transparant, niet-misleidend en respectvol voor concurrenten zijn.
Zoek een concreet voorbeeld van vergelijkende reclame op. Ga na of de voorwaarden waaronder vergelijkende reclame is toegelaten, zijn nageleefd.
3.5.5 Uitgeputte voorraad
Reclame maken met aantrekkelijke prijzen voor een product dat slechts zeer beperkt (of zelfs niet) in voorraad is, wordt ook wel ‘lokvogelpraktijk’ genoemd. Om paal en perk te stellen aan bepaalde excessen heeft de wetgever de situatie van een uitgeputte voorraad omkaderd.
Als een onderneming buiten haar verkoopinrichting een in de tijd begrensde reclame voor één of meerdere goederen aankondigt met vermelding van de prijs en de voorraad van de betrokken goederen is uitgeput, dan is ze verplicht aan de consument een titel (bv. een reservatiebewijs) af te geven die recht geeft op de aankoop van het betrokken goed. De verplichting geldt alleen voor goederen van meer dan 25 EUR.
Als de verplichting van toepassing is, moet de onderneming ervoor zorgen dat de consument het goed binnen een redelijke termijn en volgens de bewoordingen van het aanbod kan aankopen.
De wet staat enkele afwijkingen toe. De onderneming hoeft het goed niet ‘na te leveren’ als ze: niet meer onder dezelfde voorwaarden een nieuwe voorraad van de betrokken goederen kan aanleggen; de betrokken goederen na uitputting van haar voorraad niet langer te koop wenst aan te bieden en zij dat ook duidelijk maakt in de reclame; het aantal voorradige goederen voor elk van de verkoopinrichtingen waarvoor de reclame werd gemaakt, in de desbetreffende reclame heeft vermeld.
Bovenstaande regeling sluit uit dat ondernemingen een ‘beperkte/ontoereikende voorraad’ commercieel misbruiken.
3.6 Van wie koopt de consument: overeenkomsten met consumenten
3.6.1 Inleiding
In de inleidende oefening vond je wellicht nog heel wat ‘noodzakelijke’ informatie die nog niet aan bod kwam. Die informatie heb je nodig in een bepaalde fase van de (beslissing tot) aankoop. Het aankoopproces bestaat uit drie fasen:
3.6.1.1 De precontractuele fase
Dit is de fase van het aanbod waarin de consument (vooral) behoefte heeft aan goede, volledige en duidelijke informatie om een keuze te kunnen maken en een beslissing te nemen over zijn aankoop.
3.6.1.2 De contractfase
Dit is de fase waarin de overeenkomst of het contract wordt afgesloten. Het is het moment waarop de consument en de onderneming afspreken waartoe ze zich verbinden. In deze fase is het van belang dat beide partijen duidelijk en transparant zijn over hun wederzijdse verplichtingen. Voor de consument zal dat meestal het betalen van de prijs zijn, voor de onderneming de details van de geleverde goederen en diensten alsook de rechten die de consument heeft in het kader van de overeenkomst.
3.6.1.3 De uitvoeringsfase
Nadat de overeenkomst gesloten is moet ze uitgevoerd worden (levering van goederen, presteren van diensten etc.). De manier waarop dat gebeurt, vloeit in eerste instantie voort uit de overeenkomst maar ook uit de wet. De wet legt immers dwingende normen op voor de uitvoering van
consumentenovereenkomsten en bepaalt de rechten en plichten die van toepassing zijn als de uitvoering problematisch verloopt.
Daarnaast heb je toen je op zoek ging naar de mogelijke nadelen/risico’s en voordelen van de verschillende verkoopvormen en hoe deze onderling verschillen, zeker vastgesteld dat de ‘verkoopvorm’ een belangrijke rol speelt. Zo is bij een ‘verkoop op afstand’ de factor ‘afstand’ belangrijk. Het is tegelijkertijd een voordeel (je hoeft je niet te verplaatsen) en een nadeel of risico (je kunt de producten niet fysiek inspecteren, je weet de verkoper niet onmiddellijk geografisch te lokaliseren …).
Het consumentenbeschermingsrecht probeert die risico’s te beperken door ondernemingen te verplichten om bepaalde informatie mee te delen of om bepaalde vormvoorwaarden voor contracten te respecteren.
Daarom bestaan er specifieke regels die verschillen naargelang de contractsituatie: afhankelijk van of het om een contract ‘op afstand’ (zie het hoofdstuk over overeenkomsten op afstand), ‘buiten de verkoopruimte’ (zie het hoofdstuk over buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten) of bij ‘openbare verkoop’ (zie het hoofdstuk over openbare verkopen) gaat, gelden er specifieke regels voor die situaties. Net zoals bij ‘informatie van de markt’ zijn er ook een aantal algemene regels die in alle situaties gelden.
3.6.2 Algemene regels m.b.t. consumentencontracten
Als een onderneming een contract sluit met een consument, gelden een aantal algemene gedragsregels. We sommen de belangrijkste hier op: schriftelijke contractclausules tussen ondernemingen en consumenten moeten duidelijk en begrijpelijk opgesteld zijn. Bij twijfel over de interpretatie geldt de interpretatie die voor de consument het meest gunstig is; als de consument ertoe bewogen werd een overeenkomst te sluiten door een oneerlijke handelspraktijk kan de rechter de terugbetaling bevelen van al wat de consument al betaald heeft. Hij kan ook beslissen dat de consument het geleverde goed mag houden. Met deze regel wil men vermijden dat een onderneming oneerlijk te werk gaat, maar – naast een eventuele strafsanctie – wel de opgestreken winst mag houden. het is voor een onderneming verboden de consument een wisselbrief ter ondertekening voor te leggen om hem de betaling van zijn verplichtingen te laten beloven of waarborgen; het is voor een onderneming niet toegestaan telefoonoproepen aan te rekenen waarbij de consument, naast de prijs voor de oproep, ook moet betalen voor de inhoud, als het oproepen betreft over de uitvoering van een reeds gesloten overeenkomst;
VOORBEELD
Het is wel toegelaten om een duur telefoonnummer (bv. 0900-nummer) te gebruiken om bestellingen op te nemen. Want op dat moment is er immers nog geen overeenkomst gesloten en de consument betaalt, via zijn telecomoperator, zowel voor de oproep als voor de telefonische besteldienst. Eens de bestelling geplaatst is en er een telefonische klantendienst-na-verkoop is, dan moet er een ‘gewoon’ telefoonnummer ter beschikking staan van de consument. Merk op dat dit artikel een onderneming geenszins oplegt om een telefonische klantendienst in te richten.
bij het sluiten van een overeenkomst op het internet is het voor een onderneming verboden om ‘default-opties’ (vooraf aangevinkte vakjes) die verwijzen naar bijkomende betalende producten te gebruiken. Het zogenaamde ‘opt-in’-principe is dus de norm en het ‘opt-out’-principe is verboden;
als een onderneming kosten aanrekent voor het gebruik van een bepaald betaalmiddel (bv. kredietkaart), dan is het verboden om die kosten hoger in te stellen dan de (werkelijke) kosten voor de onderneming als gevolg van het gebruik van dat middel.
3.6.2.1 Levering
Vele producten worden aangekocht via een proces van bestelling en levering. De leveringstermijn is voor de consument een essentieel aspect. Hij koopt immers met een bepaald doel en daarbij is het meestal belangrijk het tijdstip te kunnen inschatten waarop het product effectief in zijn bezit zal zijn. Daarom zijn er specifieke regels ingesteld.
A Wat is de leveringstermijn?
Er zijn twee mogelijkheden:
1 De consument en de onderneming hebben een bepaalde leveringstermijn afgesproken. In dat geval geldt dat de afgesproken termijn nagekomen moet worden.
2 Er werd geen bepaalde leveringstermijn afgesproken. In dat geval geldt het principe dat de onderneming onverwijld (lees: zo snel mogelijk) levert, maar in ieder geval niet later dan dertig dagen na het sluiten van de overeenkomst.
B Wat als de leveringstermijn niet nagekomen wordt?
Als de toepasselijke leveringstermijn niet nageleefd wordt, geldt het principe dat de consument aan de onderneming een aanvullende termijn voorstelt. Als ook die termijn niet nageleefd wordt, heeft de consument het recht de overeenkomst te beëindigen.
Op dat principe zijn twee uitzonderingen:
1 als de leveringstermijn een essentieel onderdeel is van de koop. Het feit dat de leveringstermijn essentieel is, kan afgeleid worden uit de omstandigheden van de overeenkomst, bijvoorbeeld de aankoop van een goed voor een bepaalde gebeurtenis zoals een huwelijk. De leveringstermijn is ook ‘essentieel’ als de consument, vóór de sluiting van de overeenkomst, heeft aangegeven dat de leveringstermijn voor hem essentieel is;
2 als de onderneming heeft geweigerd het goed te leveren.
In die gevallen heeft de consument het recht om de overeenkomst onverwijld te beëindigen. In dat geval moet de onderneming alle sommen die de consument heeft betaald met betrekking tot de overeenkomst terugbetalen.
Bij het online materiaal kun je een modelbrief vinden voor de aanmaning bij niet-levering van een aankoop.
3.6.3 Overeenkomsten op afstand
3.6.3.1 Inleiding
De bijzondere regels over ‘overeenkomsten op afstand’ zijn niet zomaar van toepassing op elke denkbare overeenkomst die op afstand gesloten wordt. Er is een definitie voorhanden die het toepassingsgebied inperkt. Een overeenkomst op afstand is: ‘iedere overeenkomst die tussen de onderneming en de consument wordt gesloten in het kader van een georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de onderneming en de consument en waarbij, tot op en met inbegrip van het moment waarop de overeenkomst wordt gesloten, uitsluitend gebruik wordt gemaakt van een of meer technieken voor communicatie op afstand’.
Als we deze definitie meer in detail bekijken, blijkt dat er drie kenmerken cumulatief aanwezig moeten zijn om van een ‘overeenkomst op afstand’ te kunnen spreken:
1 B2C: de overeenkomst op afstand wordt gesloten tussen een onderneming en een consument. Een consument die een boek aankoopt in een webwinkel gaat een ‘overeenkomst op afstand aan’. Een ondernemer die daarentegen voor zijn onderneming een boek aankoopt in diezelfde webwinkel, gaat strikt genomen geen ‘overeenkomst op afstand aan’. De facto zal in de meeste gevallen de webwinkel geen onderscheid maken tussen ondernemers en consumenten en zal de verkoop op identiek dezelfde manier gebeuren. Een consument die via een veilingsite een boek aankoopt van een andere consument, gaat ook geen ‘overeenkomst op afstand’ aan;
2 georganiseerd systeem: de techniek die gebruikt wordt om een overeenkomst op afstand te sluiten, moet daarvoor specifiek georganiseerd zijn. Bijvoorbeeld een overeenkomst gesloten per correspondentie (post, e-mail …) waarbij de onderneming die techniek eigenlijk niet gebruikt om te verkopen, is geen ‘overeenkomst op afstand’. Een onderneming die een website heeft met enkel haar contactgegevens op (zonder koopmodule), en die op basis daarvan met een consument per e-mail een koop sluit, sluit geen overeenkomst op afstand;
3 tot en met de sluiting van de overeenkomst wordt enkel gebruik gemaakt van (een) techniek(en) voor communicatie op afstand. Een consument die in een showroom producten (enkel) komt bekijken, en die producten nadien in de webwinkel van dezelfde onderneming koopt, sluit een overeenkomst op afstand. Een consument die in een showroom een offerte vraagt en nadien per e-mail instemt met de koop, sluit geen overeenkomst op afstand;
Het begrip ‘techniek voor communicatie op afstand’ betekent ‘ieder middel dat, zonder gelijktijdige fysieke aanwezigheid van onderneming en consument, gebruikt kan worden voor de sluiting van de overeenkomst tussen deze partijen’.
Het spreekt voor zich dat internetverkoop vandaag de belangrijkste verkoopmanier op afstand geworden is, hoewel het de verkoop per postorder niet volledig verdrongen heeft. Ook andere manieren van communicatie op afstand (smartphones, interactieve televisie) vallen onder die definitie.
Een specifieke, veelvoorkomende manier van verkoop op afstand via digitale weg is het aanbod en het kopen op onlinemarktplaatsen.
Wat is een onlinemarktplaats? Het is een dienst die gebruik maakt van software, waaronder een website of een deel van een website, die de consumenten in staat stelt op afstand overeenkomsten te sluiten met andere ondernemingen of consumenten. Het is dus een dienst waar verschillende ondernemingen en consumenten hun producten en diensten kunnen aanbieden.
Onlinemarktplaatsen zijn o.a. Bol, Amazon, eBay, webshops van kledingketens, Zalando, ... De consument kan hier producten kopen van verschillende ondernemingen samen. Een onlinemarktplaats verdient dus geld met het realiseren van verkopen voor andere ondernemingen.
Zoals verder wordt besproken gelden er een hele reeks spelregels bij het sluiten van overeenkomsten op afstand. Een overeenkomst die niet onder die definitie valt, moet uiteraard wel altijd voldoen aan de algemene regels inzake prijsaanduiding, transparantie …
Er wordt tot slot ook een onderscheid gemaakt tussen overeenkomsten op afstand die betrekking hebben op financiële diensten en andere overeenkomsten. We zetten eerst de algemene regels, dus met betrekking tot de niet-financiële diensten uiteen. Zowel dat onderscheid als de regels zelf zijn gebaseerd op Europese richtlijnen.
3.6.3.2 Overeenkomsten op afstand met betrekking tot niet-financiële diensten
Bij overeenkomsten op afstand is het meestal onmogelijk om in een interactief gesprek informatie te verzamelen met betrekking tot een aanbod. Dat is een nadeel of risico dat je zeker identificeerde in de inleidende oefening. Anders gezegd: de informatie waarover de consument beschikt, is eenzijdig samengesteld en ter beschikking gesteld door de onderneming. Het is daarom evident dat transparantie een essentiële vereiste is van een correcte verkoop op afstand. Die transparantie is een algemeen beginsel, maar wordt voor verkopen op afstand verder gespecificeerd:
A Precontractuele informatie
Voordat de consument gebonden is door de overeenkomst op afstand, moet de onderneming hem op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie verstrekken. Die informatie wordt in de wet opgesomd.
E-commerce verandert echter veel sneller dan de wetgever de wet kan aanpassen. Daarom werd –vanuit Europa – geprobeerd om de regels zo veel mogelijk ‘futureproof’ te maken. Dit resulteert in een heel lange en gedetailleerde lijst van informatieverplichtingen.
Het doel van die informatieverplichtingen is ervoor zorgen dat de consument in alle transparantie verschillende aanbiedingen kan vergelijken en met volledige kennis van zaken een beslissing kan nemen om al dan niet een aankoop te doen. We beperken ons hier tot een opsomming en bespreking van de regels die altijd gelden en/of cruciaal zijn. Verder kun je de tabel met de volledige lijst van informatieverplichtingen vinden.
De onderneming moet duidelijk communiceren over de kenmerken van haar producten. Afhankelijk van het soort product zal er andere informatie vereist zijn. Die informatie moet de consument in de mogelijkheid stellen in te schatten of de aankoop tegemoet komt aan zijn behoefte. Ook de manier en de modaliteiten van levering en de eventuele plaatsing, maken daar deel van uit.
Een ander uiterst belangrijk aspect is de prijs. De consument moet de volledige prijs, en dus alle eventuele bijkomende kosten kennen.
Ook moet de onderneming haar contactgegevens duidelijk en volledig meegeven. Het is belangrijk dat de consument weet met wie hij handelt, zowel in de fase van de aankoopbeslissing als achteraf bij eventuele problemen.
Afhankelijk van de situatie heeft een consument bepaalde rechten, zoals bijvoorbeeld het herroepingsrecht. Sommige rechten heeft de consument sowieso. De wet verplicht de onderneming hierover mededelingen te doen. Zo gelden ze duidelijk als een engagement om de consument zijn rechten indien nodig te laten uitoefenen.
De overige verplichtingen bespreken o.a. waarborgen, dienst na verkoop, klachtendiensten, leveringskosten … Ze zijn alleen verplicht voor zover ze aanwezig zijn.
Net zoals bij andere verkoopvormen en overeenkomsten komt het er bij overeenkomsten op afstand met betrekking tot niet-financiële diensten ook op aan geïnformeerd te zijn over wat je koopt, bij wie en voor hoeveel en van welke garantie je geniet.
We gaan even in op de precontractuele informatie bij verkoop op afstand of aanbod op een onlinemarktplaats.
De onlinemarktplaats is verplicht om de volgende informatie, duidelijk en begrijpbaar en op een manier die past bij communicatie op afstand (bv. e-mail) aan de consument te bezorgen:
1 Informatie over de parameters die gebruikt werden voor de rangschikking van de aanbiedingen die je als consument gepresenteerd krijgt als gevolg van je zoekopdracht. Je moet deze informatie kunnen raadplegen vanaf de pagina online waar de aanbiedingen verschijnen.
VOORBEELD
De consument heeft de mogelijkheid om naar hotels te zoeken voor zijn vakantiebestemming, via het invullen van een trefwoord, zin of andere invoer, op een bookingsite. De consument moet ingelicht worden over hoe (de parameters) de volgorde van de getoonde resultaten werd bepaald. Zo moeten onlinemarktplaatsen de consument ook inlichten indien er betaald werd om een bepaald product een betere rangschikking te geven bij het zoekresultaat.
2 Of de derde (de aanbieder of verkoper) die de goederen, diensten of digitale inhoud aanbiedt, al dan niet een onderneming is. Als de verkoper een consument is dan moet de onlinemarktplaats dat duidelijk vermelden.
VOORBEELD
De consument heeft het recht om de identiteit van de partner die op het onlineplatform van bol. com zijn producten aanbiedt te kennen. Bv. je koopt bij bol.com een iPhone Mini 13 dan staat bij het zoekresultaat vermeld: verkoop door partner Art&Craft.
3 Indien diegene die de goederen, diensten of digitale inhoud aanbiedt geen onderneming is dan moet de consument duidelijk ingelicht worden dat de wetgeving op de consumentenbescherming niet van toepassing is op de overeenkomst. Dit is behoorlijk belangrijk natuurlijk.
4 Hoe de verplichtingen tegenover de consument verdeeld zijn tussen de aanbieder en de onlinemarktplaats. Deze afspraken tussen de aanbieder en de onlinemarktplaats doen geen afbreuk aan de verplichtingen tegenover de consument.
Uitdrukkelijk aangeven dat de toekenning van de commerciële garantie door de aanbieder/partner van het onlinemarktplatform gebeurt en de melding (inclusief de nodige contactgegevens) dat de consument zich voor de commerciële garantie bij de partner (aanbieder) van de onlinemarktplaats extra moet registreren.
Hoe en door wie de levering van het product en de retourzending verloopt. Zo moet een retourzending van bepaalde kleding gekocht op Zalando niet teruggestuurd worden naar Zalando maar naar de partner-aanbieder Peter Hahn. De retouraanvraag online gebeurt dan wel op de onlinemarktplaats. Deze afspraken beperken de rechten wat de wettelijke bescherming als consument betreft niet.
Via welke onlinewinkel koop jij niet-financiële producten aan? Is er in dat geval sprake van verkoop op afstand? Voldoet de onlinewinkel aan de voorwaarden voor verkoop op afstand? Heb jij als eens van het herroepingsrecht gebruikgemaakt?
Leveringswijzen
De onderneming moet de consument in principe 2 verschillende leveringswijzen aanbieden. Er zijn uitzonderingen mogelijk wanneer het product (dat bijvoorbeeld zeer zwaar, groot of delicaat is) dat niet toelaat. Ook kan de onderneming er voor kiezen om afhaling ter plaatse als enige mogelijkheid aan te bieden.
B Contractuele fase: principe van bevestiging
Wanneer effectief een overeenkomst gesloten wordt, moet de onderneming daarvan een bevestiging bezorgen. Dat is de contractuele informatie. De volgende regels zijn daarop van toepassing:
de informatie moet bezorgd worden op een duurzame gegevensdrager. Dat is: ‘ieder hulpmiddel dat de consument of de onderneming in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op te slaan op een manier die de informatie toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is aangepast aan het doel waarvoor de informatie is bestemd, en die een ongewijzigde weergave van de opgeslagen informatie mogelijk maakt’.
Een e-mail, een pdf-bestand, een brief … de bevestiging moet gegeven worden in een redelijke periode na sluiting van de overeenkomst en ten laatste bij de levering van de goederen of voordat de uitvoering van de dienst begint; de contractuele informatie is gelijk aan alle precontractuele informatie. Als de onderneming die precontractuele informatie al eerder bezorgde op een duurzame gegevensdrager, dan hoeft ze dat geen tweede keer te doen; voor bepaalde overeenkomsten die per telefoon worden afgesloten, moet de onderneming het aanbod bevestigen aan de consument, die alleen gebonden is nadat hij het aanbod heeft getekend of nadat hij zijn instemming met behulp van een duurzame gegevensdrager heeft gestuurd. Dit is het geval voor:
• overeenkomsten voor levering van gas of elektriciteit (niet gereed gemaakt voor verkoop in een beperkt volume of in een bepaalde hoeveelheid), waarbij de oorspronkelijke duurtijd en de essentiële voorwaarden wijzigen in het nadeel van de consument;
• dienstenovereenkomsten of verkoopovereenkomsten voor regelmatige levering van goederen, geïnitieerd door de onderneming voor zover de consument nog geen bestaande contractuele relatie heeft met de onderneming.
C Herroepingsrecht
Typisch voor een verkoop op afstand is het herroepingsrecht. Dat mechanisme probeert het mogelijke risico dat ontstaat doordat je het product niet fysiek kan inspecteren te compenseren.
Als er een herroepingsrecht aanwezig is, dan moet dit ook precontractueel vermeld worden.
1 Wat is het herroepingsrecht?
Het herroepingsrecht is het recht om de overeenkomst ongedaan te maken. Met andere woorden wanneer men een volledige en wettelijke overeenkomst heeft afgesloten dan heeft men met het herroepingsrecht toch het recht om zich te bedenken. Het dient als een bescherming voor de consument die iets bestelt dat niet (helemaal) aan zijn verwachtingen voldoet. Maar de consument kan zich uiteraard ook om andere redenen bedenken (bv. omdat de aankoop hem naderhand toch te duur lijkt).
De consument kan zijn herroepingsrecht immers uitoefenen zonder opgave van redenen
Een dergelijk recht geeft de consument heel wat overwicht. Het is dan ook logisch dat er heel wat modaliteiten bestaan die het herroepingsrecht omkaderen. Zo kan het niet onbeperkt en voor eender welk product van toepassing zijn. Zo moet de onderneming de consument het recht ‘geven’ maar beschermt anderzijds de wet de onderneming tegen mogelijke misbruiken door de consument.
2 Herroepingstermijn
Het herroepingsrecht kan ingeroepen worden gedurende veertien dagen. Voor dienstenovereenkomsten begint die termijn te lopen op de dag waarop de overeenkomst wordt afgesloten. Voor verkoopovereenkomsten over goederen is dat de dag waarop de consument het goed fysiek in bezit neemt. Voor bestellingen of leveringen in verschillende delen, geldt de dag van de levering van het laatste deel.
Voor overeenkomsten die per definitie een regelmatige levering inhouden, bijvoorbeeld een krantenabonnement, geldt de dag van de eerste levering.
Om te bepalen of het herroepingsrecht binnen de termijn werd uitgeoefend moet gekeken worden naar de datum waarop de consument zijn verklaring tot inroeping van het herroepingsrecht heeft verzonden. Het is de consument die die datum moet bewijzen.
Ook voor het herroepingsrecht geldt het principe ‘informatie = geld’. Als de onderneming de consument geen informatie heeft bezorgd over het herroepingsrecht (zie hierboven ‘Precontractuele informatie’ en ‘Contractuele informatie’) dan bedraagt de termijn van het herroepingsrecht twaalf maanden.
De wetgever probeert door die erg lange termijn de ondernemingen commercieel te dwingen om de informatieverstrekking goed te verzorgen.
VOORBEELDEN
– Een onderneming verstrekt volledige en correcte informatie over het herroepingsrecht. Na bestelling van een goed op 1 januari 2026 met levering op 15 januari 2026: het herroepingsrecht kan uitgeoefend worden tot 29 januari 2026.
– Een onderneming verstrekt geen of incorrecte informatie over het herroepingsrecht. Na bestelling van een goed op 1 januari 2026 met levering op 15 januari 2026: het herroepingsrecht kan uitgeoefend worden tot 15 januari 2027.
Een onderneming verstrekt initieel geen of incorrecte informatie over het herroepingsrecht. Na bestelling van een goed op 1 januari 2026 met levering op 15 januari 2026: het herroepingsrecht kan (op dat moment) uitgeoefend worden tot 15 januari 2027. De onderneming verstrekt alsnog de informatie over het herroepingsrecht op 1 juni 2026: het herroepingsrecht kan uitgeoefend worden tot 15 juni 2026. Hier wordt de termijn dus teruggebracht tot 14 dagen nadat de consument op de hoogte werd gesteld.
3 Hoe het herroepingsrecht uitoefenen?
Om het herroepingsrecht in te roepen kan de consument gebruikmaken van een modelformulier dat als bijlage bij het WER is gevoegd. Andere, overeenkomstige manieren, die een ondubbelzinnige verklaring inhouden, zijn ook toegelaten. Zoals hierboven beschreven, draagt de consument de bewijslast van de datum van verzending. Als de onderneming bijvoorbeeld op zijn website een onlineformulier voorziet, dan moet ze de consument zo snel mogelijk een bevestiging bezorgen op een duurzame gegevensdrager.
MODELFORMULIER om het herroepingsrecht uit te oefenen. (Boek VI WER, Bijlage 2)
MODELFORMULIER VOOR HERROEPING
(Dit formulier alleen invullen en terugzenden als u de overeenkomst wilt herroepen.)
Aan [hier moet de ondernemer zijn naam, adres en telefoonnummer en, indien van toepassing, zijn e-mailadres invullen]:
Ik/Wij(*) deel/delen(*) u hierbij mede dat ik/wij(*) onze overeenkomst betreffende de verkoop van de volgende goederen/levering(*) van de volgende dienst herroep/herroepen(*).
Besteld/Ontvangen(*) op:
Naam consument(en):
Adres consument(en):
Handtekening van consument(en) (alleen als dit formulier op papier wordt ingediend):
Datum (*) Schrappen wat niet past.
Bij het onlinemateriaal kun je een voorbeeld vinden van het document herroepingsrecht dat je als klant via mail van Zalando ontvangt bij bestelling online.
Bij het onlinemateriaal vind je ook een voorbeeld van een modelbrief voor opeising van het herroepingsrecht bij een aankoop van goederen.
4 Spelregels van het herroepingsrecht
Als de consument zijn herroepingsrecht uitoefent gelden de volgende regels:
1 de onderneming moet de consument binnen de veertien dagen, te rekenen vanaf de datum van de mededeling van de consument, alle van hem ontvangen betalingen, inclusief leveringskosten, terugbetalen. Tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen, moet die terugbetaling met hetzelfde betaalmiddel als de oorspronkelijke transactie gebeuren;
2 de consument moet de goederen binnen de veertien dagen terugsturen en draagt daarvoor de directe kosten. Dat geldt niet als de onderneming heeft aangeboden om de goederen zelf af te halen;
3 als de consument goederen heeft ontvangen kan hij er uiteraard vrij over beschikken. Als hij dan zijn herroepingsrecht uitoefent, kunnen de goederen in waarde gedaald zijn. De wet stelt dat de consument aansprakelijk is voor het ‘behandelen van de goederen dat verder gaat dan nodig was om de aard, de kenmerken en de werking van de goederen vast te stellen’;
VOORBEELD
Een consument bestelt online een paar schoenen. De schoenen uitpakken, passen en er even de kamer mee op en aflopen, komt niet overeen met ‘behandelen van de goederen dat verder gaat dan nodig was om de aard, de kenmerken en de werking van de goederen vast te stellen’. Als hij echter de schoenen draagt om een avondje te gaan stappen, gaat dat verder en is hij aansprakelijk voor de waardevermindering.
De consument is evenwel niet aansprakelijk voor waardevermindering als de onderneming geen correcte informatie heeft verstrekt over het herroepingsrecht.
4 wanneer de consument digitale inhoud of een digitale dienst heeft gekocht, en hij wil gebruik maken van zijn herroepingsrecht, dan mag hij geen verder gebruik meer maken van deze producten. En hij mag ze ook niet ter beschikking stellen van andere personen. De verkoper kan bij herroeping de digitale inhoud of de digitale dienst ontoegankelijk maken door het gebruikersaccount van de consument te blokkeren.
VOORBEELD
De toegang tot software, cloudopslag, onlinegames, ... wordt bij herroeping geblokkeerd.
5 Uitzonderingen op het herroepingsrecht
Sommige diensten en goederen zijn van die aard dat het herroepingsrecht onmogelijk of onredelijk zou zijn. Er zijn in totaal veertien uitzonderingen. Het herroepingsrecht kan niet uitgeoefend worden: 1 voor dienstenovereenkomsten na volledige uitvoering van de dienst maar, als de overeenkomst voor de consument een betalingsverplichting inhoudt, alleen als:
• de uitvoering is begonnen met uitdrukkelijke voorafgaande instemming van de consument en;
• de consument erkend heeft dat hij zijn herroepingsrecht verliest zodra de onderneming de overeenkomst volledig heeft uitgevoerd;
VOORBEELDEN
Een studentenhuis bestelt online de diensten van een poetsvrouw om binnen de twee dagen alle koten te poetsen. De studenten kunnen uiteraard niet meer herroepen als het studentenhuis twee dagen later gepoetst is. De consument heeft dan wellicht aan voorwaarde 1 voldaan door op de website uitdrukkelijk zijn voorafgaande toestemming te geven om (binnen 2 dagen) met de uitvoering van de dienst te beginnen.
Voor voorwaarde 2 zal de onderneming ervoor moeten zorgen dat de consument op de website geïnformeerd wordt over het herroepingsrecht en de mogelijkheid heeft om aan te duiden dat hij ‘erkent zijn herroepingsrecht te verliezen’. Als de onderneming dat nalaat, zou de consument in principe toch nog kunnen ‘herroepen’ nadat het studentenhuis gekuist is. Hij kan zo dus zijn geld terugeisen.
Een overeenkomst voor het bekijken van een film ‘on demand’ via digitale televisie.
2 de levering of verstrekking van goederen of diensten waarvan de prijs gebonden is aan schommelingen op de financiële markt waarop de onderneming geen invloed heeft en die zich binnen de herroepingstermijn kunnen voordoen;
VOORBEELD
Als goud geleverd wordt lang na het afsluiten van een overeenkomst met speculatieve aard, waarvan de waarde afhangt van schommelingen op de markt (online goud inkopen).
3 de levering van volgens specificaties van de consument vervaardigde goederen, of die duidelijk voor een specifieke persoon bestemd zijn;
VOORBEELD
De bestelling van een fotoboek (met persoonlijke foto’s) of visitekaartjes.
4 de levering van goederen die snel bederven of een beperkte houdbaarheid hebben;
5 de levering van verzegelde goederen die niet geschikt zijn om te worden teruggezonden om redenen van gezondheidsbescherming of hygiëne en waarvan de verzegeling na de levering is verbroken;
VOORBEELD
Producten voor persoonlijke verzorging, seksspeeltjes, steriele producten ...
6 de levering van goederen die na levering door hun aard onherroepelijk vermengd zijn met andere producten;
VOORBEELD
Huisbrandolie die thuis geleverd wordt door storting in een tank.
7 de levering van alcoholische drank waarvan de prijs overeengekomen is bij de sluiting van de verkoopovereenkomst, maar waarvan de levering slechts kan plaatsvinden na dertig dagen, en waarvan de werkelijke waarde afhankelijk is van schommelingen van de markt waarop de onderneming geen invloed heeft;
8 overeenkomsten waarbij de consument de onderneming specifiek verzocht heeft hem te bezoeken om daar dringende herstellingen of onderhoud te verrichten. Als de onderneming bij een dergelijk bezoek aanvullende diensten waar de consument niet expliciet om gevraagd heeft verleent of andere goederen levert dan vervangstukken die noodzakelijk gebruikt worden om het onderhoud of de herstellingen uit te voeren, is het herroepingsrecht op die aanvullende diensten of goederen van toepassing;
9 de levering van verzegelde audio- en verzegelde video-opnamen en verzegelde computerprogrammatuur waarvan de verzegeling na levering is verbroken;
10 de levering van kranten, tijdschriften of magazines, met uitzondering van overeenkomsten voor een abonnement op dergelijke publicaties. Als de consument met andere woorden één krant bestelt, heeft hij geen herroepingsrecht. Als hij een abonnement afsluit voor diezelfde krant, dan heeft hij wel een herroepingsrecht dat begint te lopen vanaf de levering van de eerste krant;
11 overeenkomsten die zijn gesloten tijdens een openbare veiling;
12 de terbeschikkingstelling van accommodatie anders dan voor woondoeleinden, vervoer, autoverhuurdiensten, catering en diensten met betrekking tot vrijetijdsbesteding, als in de overeenkomsten een bepaalde datum of periode van uitvoering is voorzien;
VOORBEELD
De huur van een vakantiehuisje voor een bepaalde periode, een ticket voor een concert of festival.
13 de levering van digitale inhoud die niet op een materiële drager is geleverd, als de uitvoering is begonnen en in geval de overeenkomst voor de consument een betalingsverplichting inhoudt, waarbij:
er de uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de consument is met de aanvang van de uitvoering tijdens de herroepingstermijn; en de consument heeft erkend dat hij zijn herroepingsrecht daarmee verliest; en de onderneming binnen een redelijke periode bevestiging heeft verstrekt aan de consument van de afgesloten overeenkomst en dit op een duurzame gegevensdrager;
VOORBEELD
De consument kan niet eerst software downloaden, met de mogelijkheid hem te gebruiken of te kopiëren en daarna te beslissen het programma te herroepen. Net zoals in het voorbeeld van de poetsvrouw (uitzondering 1), moet er wel voldaan zijn aan de voorwaarden inzake informatieverstrekking en toestemming met betrekking tot het herroepingsrecht.
14 de overeenkomsten voor diensten voor weddenschappen en loterijen.
Informatieverplichtingen bij overeenkomsten op afstand voor niet-financiële diensten
Informatie Wat is het? Wanneer vermelden? Waarom vermelden?
Voornaamste kenmerken van de goederen en de diensten
Identiteit van de onderneming
De beschrijving van het product met vermelding van de eigenschappen die belangrijk zijn om al dan niet voor het product te kiezen.
De gegevens die toelaten om ondubbelzinnig te weten om welke onderneming het gaat. Het omvat onder andere de handelsnaam en het ondernemingsnummer.
Altijd
Om ervoor te zorgen dat de consument goed weet wat hij koopt, de kwaliteit en de functionaliteiten kan inschatten, om ze te kunnen vergelijken en een beslissing te nemen.
Altijd
Om ervoor te zorgen dat de consument weet met wie hij een contract aangaat en, in het geval er zich een probleem voordoet, hij de (juiste) onderneming snel kan contacteren en desnoods fysiek kan opzoeken. Contactgegevens van de onderneming
Geografisch adres, e-mail, telefoon en detailinformatie over alle andere communicatiemethoden, zoals een online contactformulier, ... De inhoud, datum en tijdstip van de communicatie moet in dit geval door de consument kunnen bewaard worden op een duurzame gegevensdrager.
Altijd
Prijs van het goed of de dienst
Het gaat over de totale prijs van het goed of dienst, met inbegrip van belastingen, taksen en leveringskosten.
De melding dat er een geautomatiseerde gepersonaliseerde prijszetting wordt gehanteerd, bv. via een online tool berekend.
Altijd Enkel als dit als prijsbepalingsinstrument gebruikt wordt.
Een overeenkomst is transparant als de consument duidelijk weet waartoe hij zich verbindt. De prijs is daar een belangrijk aspect van. De prijs (vanuit het perspectief van de consument) is de totale prijs, dus met inbegrip van taksen, belastingen en de kosten om het product te leveren.
De consument moet ook op de hoogte zijn van hoe de prijs is tot stand gekomen bij een geautomatiseerd systeem (algoritme).
Belastingen en taksen Alle heffingen die aan de prijs van het goed of dienst toegevoegd worden.
Leveringskosten Vracht-, leverings- of portokosten.
Moet in de totale prijs begrepen zijn, behalve als het bedrag niet redelijkerwijs op voorhand berekend kan worden. In dat geval moet wel vermeld worden hoe de prijs berekend moet worden.
Als er leveringskosten zijn: altijd.
Een overeenkomst is transparant als de consument duidelijk weet waartoe hij zich verbindt. De prijs is daar een belangrijk aspect van. De prijs (vanuit het perspectief van de consument) is de totale prijs, dus met inbegrip van taksen, belastingen en de kosten om het product te leveren.
Andere kosten
Communicatiekosten
Dit is een restcategorie van kosten. Ze heeft tot doel ervoor te zorgen dat ook alle andere kosten, die de wetgever niet kon voorzien, gedekt zouden zijn door de aanduiding van de totale prijs.
De kosten die gelieerd zijn aan het gebruik van de techniek(en) voor communicatie op afstand.
Moet in de totale prijs begrepen zijn, behalve het bedrag niet redelijkerwijs op voorhand berekend kan worden. In dat geval moet wel vermeld worden hoe de prijs berekend zal worden.
Alleen als de kosten afwijken van het basistarief. Bv. het gebruik van een telefoonnummer aan verhoogd tarief.
Wijze van betaling Bv. kredietkaart, overschrijving Altijd
De wijze van levering (goederen) of uitvoering (diensten)
Voor goederen gaat het bv. over welke onderneming de levering verzorgt, waar het afgehaald kan worden, welke documenten daarvoor nodig zijn ...
Altijd
De leverings- of uitvoeringstermijn
Het beleid van de onderneming inzake klachtenbehandeling
De termijn waarin de onderneming zich verbindt het goed te leveren of de diensten te verlenen.
De regels, principes en procedures over klachtenbehandeling die een onderneming al dan niet voor zichzelf ontworpen heeft, en die ze stelt toe te passen. Bv. ‘wij verbinden ons ertoe om klachten te beantwoorden binnen de 2 dagen.’
Altijd
Als er een dergelijk beleid bestaat.
Een overeenkomst is transparant als de consument duidelijk weet waartoe hij zich verbindt. De prijs is daar een belangrijk aspect van. De prijs (vanuit het perspectief van de consument) is de totale prijs, dus met inbegrip van taksen, belastingen en de kosten om het product te leveren.
Hoewel de kosten geen deel uitmaken van de prijs van het goed of de dienst zelf, moet de consument de kosten wel dragen om de overeenkomst te kunnen afsluiten. Ze maken dus deel uit van de verbintenis.
De consument moet kunnen weten of hij over de aangeboden betalingsmiddelen beschikt (niet iedereen heeft een kredietkaart), en uiteraard of hij het aangeboden betalingsmiddel wil gebruiken. Er kunnen immers kosten of andere lasten aan verbonden zijn.
De consument moet kunnen inschatten of de leverings- of uitvoeringswijzen voor hem aanvaardbaar is. Zo zou bij een systeem van afhaalpunten, de consument kunnen oordelen dat dit voor hem te lastig is (te ver, openingsuren ...).
Het is meestal essentieel voor een consument te weten wanneer hij over het goed of de dienst kan beschikken.
Een overeenkomst op afstand houdt, vanuit het perspectief van de consument, risico’s in. Als het goed of de dienst niet blijkt te voldoen (defect, te laat, slechte kwaliteit ...) dan moet de consument kunnen inschatten hoe dat risico ingedekt kan worden. Informatie over een klachtenbeleid leert de consument dat, in geval van problemen, hij een zekere garantie heeft om gehoor te krijgen.
De voorwaarden, de termijn en de modaliteiten voor de uitoefening van het herroepingsrecht
Een herinnering aan het bestaan van de wettelijke waarborg van conformiteit van de goederen (inclusief voor digitale inhoud en digitale diensten)
Het herroepingsrecht is het recht voor de consument om de overeenkomst op afstand zonder opgave van redenen te herroepen (op te zeggen). Om de consument correct te informeren over het herroepingsrecht kan de onderneming gebruikmaken van een modelformulier dat in de wet is opgenomen. Ze kan ook kiezen voor een andere manier maar draagt daar dan zelf de verantwoordelijkheid voor. Een onderneming die het modelformulier gebruikt is zeker dat de informatieverstrekking conform de wet is.
Dit verwijst naar een andere wetgeving (zie het hoofdstuk over de wettelijke garantie, die bepaalt dat voor nieuwe goederen een wettelijke garantie (conformiteitsgarantie) geldt van 2 jaar.
Alleen als er een herroepingsrecht bestaat (zie het hoofdstuk over het herroepingsrecht).
De uitoefening van het herroepingsrecht is gebonden aan heel wat spelregels, o.a. inzake termijnen en bewijslast. Het past dus ook in het keuzeproces (risico-inschatting) van de consument te weten of en hoe hij van dat recht gebruik kan maken.
Dienst na verkoop
Ondernemingen kunnen een dienst na verkoop hebben. Die staat klanten bij in geval van klachten, incidenten, defecten ... die plaatsvinden na de verkoop. Ook het aanbieden van een commerciële garantie, met andere woorden een risicodekking die verder gaat dan de wettelijke garantie, valt hieronder.
De onderneming moet de consument informeren over het bestaan en de voorwaarden van de diensten na verkoop en commerciële garanties.
Alleen voor zover de genoemde diensten bestaan.
De vermelding zorgt voor een sensibilisering van de consument over het bestaan van de wettelijke garantie. De vermelding opleggen maakt ook de verplichting voor de onderneming om de wettelijke garantie te bieden meer expliciet.
Ingeval hij er een beroep op doet, hoeft de consument dus geen juridische argumentatie aan te halen over de toepasbaarheid van de wettelijke garantie, aangezien de onderneming de toepasbaarheid zelf expliciet moet vermelden.
De vermelding helpt de consument eveneens om het risico van zijn aankoop in te schatten. Ingeval er iets misloopt, of hij bijstand nodig heeft, dan weet hij dat hij een beroep kan doen op de onderneming en welke stappen hij daarbij moet volgen.
Gedragscodes
De duur van de overeenkomst
Een gedragscode is een geheel van (gedrags)regels en procedures, meestal op het niveau van een sector (een federatie of groepering van bedrijven), die een onderneming kan onderschrijven.
Als er een relevante gedragscode bestaat.
Het bestaan en de voorwaarden van waarborgsommen of andere financiële garanties die de consument op verzoek van de onderneming moet betalen of bieden
De looptijd van een abonnement, dienstverlening, het recht op gebruik van bv. software. Dat is uiteraard niet relevant voor een eenmalige aankoop.
Typisch bij verhuur van vastgoed, toestellen ... wordt een waarborg gevraagd.
Typisch voor gedragscodes is dat ze veel specifieker zijn dan de wet. Ze omvatten details die typisch voor de betrokken sector relevant zijn en gaan in veel gevallen verder dan het wettelijke minimum. Aangezien een onderneming die zich tot een gedragscode verbindt, zich daar ook aan moet houden, is het belangrijk voor de consument om te kunnen weten welke rechten hij uit de betrokken gedragscode kan putten.
Als de overeenkomst een ‘duur’ inhoudt. Zolang een overeenkomst loopt, zijn er tussen onderneming en consument wederzijds rechten en plichten. Het is belangrijk dat de consument weet hoe lang die periode loopt, en dus hoe groot zijn engagement is.
Als er een waarborg van toepassing is.
De functionaliteit van goederen met digitale elementen, digitale inhoud en digitale diensten.
Een lijst van wat men met software of andere digitale inhoud (muziek, video, spellen ...) kan doen. Daarin moeten ook de toepasselijke technische beveiligingsvoorzieningen opgenomen zijn.
Als digitale inhoud of digitale diensten het voorwerp van de overeenkomst is.
Het is belangrijk voor de consument te weten welk bedrag van hem gevraagd zal worden, ook betreft het een som die hij later normaliter terugkrijgt. Door de waarborg te geven, geeft de consument aan de onderneming een zeker ‘overwicht’ (de onderneming kan het geld van de consument ‘gijzelen’). Los van de reden van de waarborg moet de consument dat risico kunnen inschatten en moet hij dus geïnformeerd worden over de toepasselijke waarborgen.
Het gebruik van digitale inhoud en/of digitale diensten is meestal complexer dan de primaire functie. Zo kan de consument verwachten dat hij een muziekbestand kan beluisteren. Maar het is voor hem ook belangrijk te weten of het bestand bv. beveiligd is tegen kopiëren of eventueel of het afspelen beperkt is in de tijd.
De relevante compatibiliteit en interoperabiliteit van goederen met digitale elementen, digitale inhoud en digitale diensten.
Informatie over de bruikbaarheid van digitale inhoud en digitale diensten voor gebruik met bepaalde software- of hardware-infrastructuur. Of de digitale inhoud of digitale dienst met andere woorden gebruikt kan worden op een bepaald type toestel of een bepaalde operating system. Die verplichting is niet oneindig. De wet beperkt ze tot die informatie ‘waarvan de onderneming op de hoogte is of redelijkerwijs kan worden verondersteld op de hoogte te zijn.’
Als digitale inhoud of digitale diensten het voorwerp van de overeenkomst is.
Bij aankoop van digitale inhoud of digitale diensten is het belangrijk te weten of de toestellen en de software waarover men beschikt geschikt zijn om de digitale inhoud of digitale dienst te gebruiken.
De mogelijkheid van toegang tot buitengerechtelijke klachtenen geschillenbeslechtingsprocedures.
Buitengerechtelijke klachtenen geschillenbeslechting, net omdat ze buiten het gerecht plaatsvindt, is een interessante manier om geschillen op te lossen.
Als er een buitengerechtelijke klachtenen geschillenbeslechting bestaat waaraan de onderneming onderworpen is. Opdat deze mogelijkheid zou kunnen benut worden, moet de consument uiteraard op de hoogte zijn van de modaliteiten.
3.6.3.3 Overeenkomsten op afstand met betrekking tot financiële diensten
Er gelden bijzondere regels voor verkopen op afstand van financiële diensten, zoals een consumentenkrediet of een belegging. Bij financiële diensten gaat het immers vaak om belangrijke bedragen. Bovendien is het ook voor de goed geïnformeerde consument alles behalve gemakkelijk om de financiële producten (en hun risico’s) volledig te doorgronden. Deze zwakkere positie van de consument rechtvaardigt strengere regels.
Net zoals bij andere overeenkomsten geldt voor overeenkomsten inzake financiële diensten een informatieplicht. Door de specificiteit van dergelijke diensten is die veel uitgebreider en erg gedetailleerd. Het potentiële financiële risico is immers veel groter en de producten zijn meestal heel complex (moeilijke termen, moeilijk te begrijpen mechanismen van bv. kosten en rente ...).
Onthoud dat de belangrijkste informatieverplichtingen gaan over de kenmerken van het product, inclusief kosten en risico’s. Dat houdt ook de praktische instructies in die gevolgd moeten worden om het herroepingsrecht uit te oefenen: de minimumduur van de overeenkomst; de modaliteiten om de overeenkomst eventueel op te zeggen; het toepasselijke recht en de bevoegde rechter; de taal of talen waarin de informatie verstrekt zal worden.
Als hij erom verzoekt, heeft de consument evenwel het recht om ook andere informatie te verkrijgen. De consument kan ook te allen tijde vragen om de contractvoorwaarden op papier te verkrijgen.
3.6.4.1 Toepasselijke situaties
Net zoals bij overeenkomsten op afstand worden overeenkomsten die buiten verkoopruimten worden gesloten, getypeerd door bijzondere omstandigheden die specifieke regels behoeven om de consument te beschermen. De richtlijn consumentenrechten (Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten) stelt in overweging 21: ‘Bij een verkoopsituatie buiten verkoopruimten kunnen consumenten onder mogelijke psychologische druk staan of te maken krijgen met een verrassingselement, ongeacht of zij nu zelf om het bezoek van de handelaar gevraagd hebben of niet.’
Er is sprake van een ‘buiten verkoopruimten gesloten overeenkomst’ bij iedere overeenkomst tussen de onderneming en de consument in de volgende vier situaties:
1 de overeenkomst wordt gesloten in gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de onderneming en de consument op een andere plaats dan de verkoopruimten van de onderneming, bijvoorbeeld de (occasionele) verkoop van een auto polish in de buurt van een carwash;
2 de overeenkomst wordt gesloten in gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de onderneming en de consument op een andere plaats dan de verkoopruimten van de onderneming waarvoor een aanbod werd gedaan aan de consument, bijvoorbeeld een ondernemer doet een aanbod bij de consument thuis om een luchtfoto van zijn huis te kopen;
3 de overeenkomst wordt gesloten in de verkoopruimten van de onderneming of met behulp van een techniek voor communicatie op afstand, onmiddellijk nadat de consument persoonlijk en individueel is aangesproken op een plaats die niet de verkoopruimte van de onderneming is, in gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de onderneming en de consument, bijvoorbeeld een verkoper van textiel spreekt potentiële klanten aan voor zijn winkel op straat, om hen uit te nodigen binnen te komen (kopen);
4 de overeenkomst wordt gesloten tijdens een excursie die door de onderneming is georganiseerd met als doel of effect de promotie en de verkoop van goederen of diensten aan de consument.
Daarbij is uiteraard de definitie van verkoopruimten in het bijzonder van belang: iedere onverplaatsbare ruimte voor detailhandel waar de onderneming op permanente basis zijn activiteiten uitvoert; of iedere verplaatsbare ruimte voor detailhandel waar de onderneming gewoonlijk zijn activiteiten uitvoert.
3.6.4.2 Uitzonderingen
Een aantal welomschreven situaties vallen evenwel buiten het toepassingsgebied van overeenkomsten buiten verkoopruimten: de verkopen van voedingsmiddelen, dranken of andere goederen die bestemd zijn voor dagelijkse huishoudelijke consumptie en die fysiek door een onderneming op basis van frequente en regelmatige rondes bij de woon- of verblijfplaats, dan wel arbeidsplaats van de consument worden afgeleverd, bijvoorbeeld de ronde van de melkboer; de verzekeringsovereenkomsten; de verkopen georganiseerd in het raam van manifestaties zonder handelskarakter en met een uitsluitend menslievend doel, voor zover de verkoopsom 50 EUR niet overschrijdt; de overeenkomsten inzake consumentenkrediet; verkopen gesloten op een beurs. Daarbij geldt wel dat inrichting, de informatieverstrekking en de hele context van de beurs zo zijn dat de gemiddelde consument kan verwachten dat hij er aangesproken kan worden door een onderneming om goederen/diensten te verkopen. Dit laat enige ruimte voor ambigue situaties.
3.6.4.3 Precontractuele informatie
Net zoals voor overeenkomsten op afstand, geldt ook voor overeenkomsten gesloten buiten verkoopruimten dat de onderneming precontractueel (dus vooraleer de consument door de overeenkomst gebonden is) een reeks informatie-elementen moet meedelen. Het betreft grosso modo dezelfde informatie als voor overeenkomsten op afstand:
1 de voornaamste kenmerken van de goederen en de diensten;
2 de identiteit van de onderneming, onder meer haar ondernemingsnummer en handelsnaam;
3 het geografische adres waar de onderneming gevestigd is, het telefoonnummer en e-mailadres van de onderneming en detailinformatie over alle andere online communicatiemethoden (online contactformulier, chat, ...) indien beschikbaar. De bedoeling daarvan is dat de consument snel contact kan opnemen met de onderneming en er efficiënt mee kan communiceren;
4 als dat verschilt van het verstrekte adres: het geografisch adres van de bedrijfsvestiging van de onderneming, en desgevallend dat van de onderneming voor wiens rekening ze optreedt, waaraan de consument eventuele klachten kan richten;
5 de totale prijs van de goederen of diensten, met inbegrip van: alle belastingen of, als door de aard van het goed of de dienst de prijs redelijkerwijze niet vooraf berekend kan worden, de manier waarop de prijs berekend moet worden; alle extra vracht-, leverings- of portokosten; eventuele andere kosten of, als die kosten redelijkerwijs niet vooraf berekend kunnen worden, het feit dat er eventueel dergelijke extra kosten verschuldigd kunnen zijn.
In het geval van een overeenkomst die een abonnement inhoudt, omvat de totale prijs de totale kosten per factureringsperiode. Als voor dergelijke overeenkomsten een vast tarief van toepassing is, omvat de totale prijs ook de totale maandelijkse kosten.
Als de totale kosten niet redelijkerwijze vooraf berekend kunnen worden, wordt de manier waarop de prijs berekend moet worden, meegedeeld.
6 de wijze van betaling;
7 de wijze van levering of uitvoering;
8 de termijn waarin de onderneming zich verbindt het goed te leveren of de diensten te verlenen;
9 de mededeling dat, ingeval de consument het herroepingsrecht uitoefent, hij gebonden is de onderneming zijn redelijke kosten te vergoeden;
10 een herinnering aan het bestaan van de wettelijke waarborg van conformiteit van de goederen.
Ook zoals bij verkopen op afstand, zijn er nog een hele reeks andere precontractuele informatieverplichtingen, die alleen gelden wanneer ze ook effectief van toepassing zijn. Het gaat dan over klachtendiensten, dienst na verkoop …
3.6.4.4 Modaliteiten voor informatieverstrekking
Ook daarvoor zijn de meeste bepalingen analoog met die van overeenkomsten op afstand: de precontractuele informatie is bindend: ze maakt deel uit van het contract en kan niet gewijzigd worden, tenzij de partijen uitdrukkelijk een wijziging overeenkomen. Zo moet de aangeduide prijs ongewijzigd blijven in het verdere bestelproces, hetzelfde geldt voor de leveringstermijn, de kenmerken van het product ... kosten: als de onderneming geen informatie verstrekt heeft over bijkomende lasten of kosten, of over de kosten voor terugzending, dan hoeft de consument die kosten niet te betalen; de onderneming moet de (precontractuele) informatie verstrekken in een duidelijke en begrijpelijke taal en op papier of met uitdrukkelijke toestemming van de consument op een duurzame gegevensdrager (bv. e-mail, digitale omgeving);
ondertekende versie van de overeenkomst: als de overeenkomst is gesloten moet de onderneming de consument een ondertekende versie van de overeenkomst bezorgen, op papier of met de uitdrukkelijke instemming van de consument op een duurzame gegevensdrager.
Als effectief een overeenkomst wordt gesloten, moet de onderneming daarvan een bevestiging bezorgen. Dat is de contractuele informatie. Dus de regel is: als de overeenkomst gesloten is, moet de onderneming de consument een ondertekende versie van de overeenkomst bezorgen.
B Herroepingsrecht
Ook bij overeenkomsten bij verkoopruimten bestaat er een herroepingsrecht, ter compensatie van de zwakkere positie waarin de consument zich bevindt bij dit soort verkopen. Het herroepingsrecht kan ingeroepen worden gedurende veertien dagen. Voor dienstenovereenkomsten begint die termijn te lopen op de dag waarop de overeenkomst wordt afgesloten. Voor verkoopovereenkomsten van goederen is dat de dag waarop de consument het goed fysiek in bezit neemt. Voor bestellingen of leveringen in verschillende delen, geldt de dag waarop het laatste deel geleverd wordt. Voor overeenkomsten die per definitie een regelmatige levering inhouden, bijvoorbeeld een krantenabonnement, geldt de dag van de eerste levering. Om te bepalen of het herroepingsrecht binnen de termijn werd uitgeoefend moet gekeken worden naar de datum dat de consument zijn verklaring tot inroeping van het herroepingsrecht heeft verzonden. Het is de consument die de datum moet bewijzen; Als de onderneming de consument geen informatie heeft bezorgd over het herroepingsrecht dan bedraagt de termijn van het herroepingsrecht twaalf maanden. De regeling is analoog aan ‘overeenkomsten op afstand’.
C Uitvoering van het herroepingsrecht
Als de consument zijn herroepingsrecht uitoefent gelden de volgende regels:
1 de onderneming moet de consument binnen de veertien dagen, te rekenen vanaf de datum van de mededeling van de consument, alle van hem ontvangen betalingen, inclusief leveringskosten, terugbetalen. Tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen, moet die terugbetaling gebeuren met hetzelfde betaalmiddel als de oorspronkelijke transactie;
2 de consument moet de goederen binnen de veertien dagen terugsturen en draagt daarvoor de directe kosten. Dat geldt niet als de onderneming heeft aangeboden om de goederen zelf af te halen. De onderneming is evenwel verplicht om de goederen zelf af te halen als ze van die aard zijn dat ze niet per gewone post kunnen worden verzonden, bv. een salon of een auto;
3 als de consument goederen heeft ontvangen kan hij er uiteraard vrij over beschikken. Als hij dan zijn herroepingsrecht uitoefent kunnen de goederen in waarde gedaald zijn. De wet stelt dat de consument aansprakelijk is voor het ‘behandelen van de goederen dat verder gaat dan nodig was om de aard, de kenmerken en de werking van de goederen vast te stellen.’
D Uitzonderingen op het herroepingsrecht
De uitzonderingen op het herroepingsrecht zijn identiek aan die voor overeenkomsten op afstand (zie eerder), maar er is er één meer: de overeenkomsten betreffende de constructie van nieuwe gebouwen en de ingrijpende verbouwing van bestaande gebouwen.
3.6.5 Openbare verkoop
Een openbare verkoop is een verkoop door een ministerieel ambtenaar (een notaris of gerechtsdeurwaarder) via het systeem van opbod of afslag.
Openbare verkopen vallen onder het toepassingsgebied van het Wetboek van Economisch Recht, buiten de volgende uitzonderingen: openbare verkopen zonder handelskarakter; van kunst en antiquiteiten; ter uitvoering van een wetsbepaling of een rechterlijke beslissing; in het kader van een faillissement; door middel van een techniek voor communicatie op afstand.
Bovendien vallen enkel openbare verkopen van gebruikte vervaardigde goederen onder het WER.
VOORBEELD
Tapijten, juwelen, meubelen.
Openbare verkopen die onder het WER vallen, zijn niet toegelaten voor nieuwe goederen en zijn dus alleen mogelijk voor goederen die al gebruikt zijn. Ofwel moeten de goederen duidelijke tekenen van gebruik vertonen (ze mogen dus zeker niet kunstmatig verouderd zijn), ofwel moet de onderneming kunnen bewijzen dat ze gebruikt zijn.
3.6.6 Gezamenlijk aanbod
Een gezamenlijk aanbod is een aanbod waarbij de al dan niet kosteloze verkrijging van goederen of diensten gebonden is aan de verkrijging van andere goederen of diensten. Het gezamenlijk aanbod is toegelaten voor zover het geen misleidende handelspraktijken inhoudt.
VOORBEELD
Een voorbeeld van een misleidend gezamenlijk aanbod zou kunnen zijn: drie kopen en één gratis, waarbij het gratis goed in hoeveelheid veel minder blijkt te zijn dan de drie betalende.
Wel gelden er strengere regels als een gezamenlijk aanbod een financiële dienst omvat. Elk gezamenlijk aanbod aan de consument, waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, is in principe verboden.
Het is alleen toegelaten voor: financiële diensten die een geheel vormen. De Koning kan dit detailleren; financiële diensten samen met kleine door de handelsgebruiken aanvaarde goederen en diensten; financiële diensten samen met titels tot deelneming aan wettig toegestane loterijen;
VOORBEELD
Een krasbiljet van de Nationale Loterij, aangeboden bij opening van een spaarrekening. financiële diensten samen met voorwerpen waarop onuitwisbare en duidelijk zichtbare reclameopschriften zijn aangebracht, welke als dusdanig niet in de handel voorkomen. Een bijkomende voorwaarde is wel dat de prijs waartegen de onderneming ze heeft gekocht, niet meer bedraagt dan 10 EUR, excl. btw, of 5 % van de verkoopprijs, excl. btw, van de financiële dienst waarmee ze worden aangeboden. Het percentage van 5 % is dan van toepassing als het bedrag dat hiermee overeenstemt hoger is dan 10 EUR;
VOORBEELD
Een bank wenst gratis een mp3-speler aan te bieden bij het afsluiten van een spaarrekening. De bank koopt de toestelletjes aan voor 11 EUR per stuk, excl. btw. De kostprijs van de levensverzekering,
excl. btw, moet dan minimum 220 EUR bedragen. Bij een lager bedrag zou 11 EUR meer dan 5 % van de aankoopkost vertegenwoordigen.
– financiële diensten samen met chromo’s, vignetten en andere beelden met geringe handelswaarde; – financiële diensten samen met titels bestaande uit documenten die, na de aanschaf van een bepaald aantal diensten, recht geven op een gratis aanbod of een prijsvermindering bij de aanschaf van een gelijkaardige dienst, voor zover dat voordeel door dezelfde onderneming verstrekt wordt en niet meer bedraagt dan een derde van de prijs van de vroeger aangeschafte diensten.
In het Belgische recht is er in principe contractvrijheid. Partijen kunnen dus contractueel overeenkomen wat zij willen, tenzij de wet daar beperkingen op stelt. Een evidente beperking is dat men zich niet mag verbinden tot het plegen van een misdrijf.
Een consument bevindt zich in een zwakkere positie om alle contractvoorwaarden degelijk te kunnen kennen en begrijpen. Daarom zijn er een reeks verboden contractvoorwaarden omschreven. Die moeten verhinderen dat de consument zich aan een contract kan binden dat eigenlijk misbruik van hem maakt. Men noemt deze clausules ‘onrechtmatige bedingen’. Er is een regeling voor bedingen tussen ondernemingen en consumenten maar er is ook een regeling voor ondernemingen onderling in het Wetboek Economisch Recht.
Het Burgerlijk wetboek voorziet ook een algemene regeling (dus ook voor consumenten onderling) die bepaalt dat elk beding waarover niet kan onderhandeld worden en dat een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen, onrechtmatig is, en beschouwd wordt als niet geschreven. Welke regel primeert nu?
Het Economisch recht (lex specialis) krijgt voorrang op het Burgerlijk wetboek (lex generalis).
3.6.7.1 Onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen en consumenten
A Basisprincipe
Een clausule in de overeenkomst is in wezen onrechtmatig als het een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen.
B Lijst
De wet geeft een lijst van bedingen die als onrechtmatig beschouwd moeten worden. Die bedingen zijn uiteraard niet letterlijk geformuleerd maar worden omschreven in functie van hun doel.
VOORBEELDEN
Zijn onrechtmatig en dus verboden: bedingen die het de ondernemer mogelijk maken de prijs van goederen of diensten louter eenzijdig en willekeurig te doen schommelen. Het voorzien van mogelijke prijsstijgingen op basis van objectieve elementen (zoals een evolutie in de lonen, grondstofprijzen …) is wel toegelaten. De wet van 7 december 1998 vermeldt een aantal bedingen die onder bepaalde voorwaarden toegelaten zijn. Zo is een beding van prijsindexering wettig, voor zover de wijze waarop de prijzen worden aangepast expliciet beschreven is in de overeenkomst; bedingen die de ondernemer ontheffen van zijn aansprakelijkheid bij zware fout of bij bedrog van hemzelf of van zijn aangestelden; clausules die de wettelijke waarborg voor verborgen gebreken verminderen of wegnemen. Men kan
de klant de garantie waarop hij wettelijk recht heeft, niet ontnemen; bedingen die een onredelijk korte termijn vooropstellen om gebreken te melden aan de verkoper; bepalingen die een te grote schadevergoeding vooropstellen als de klant zijn verplichtingen niet naleeft;
bedingen die de consument verbieden de ontbinding van de overeenkomst te vragen als de verkoper zijn verbintenissen niet nakomt;
bedingen die in geval van betwisting de consument doen afzien van elk verhaal tegen de verkoper; bedingen die een overeenkomst van bepaalde duur automatisch verlengen, als er geen kennisgeving van niet-verlenging is van de consument, terwijl de datum die vastgesteld werd voor de kennisgeving door de consument ver verwijderd is van de einddatum van de overeenkomst; bedingen die de verkoper toestaan door de consument betaalde bedragen te behouden, als deze afziet van het sluiten van de overeenkomst, zonder een gelijkwaardig bedrag aan schadevergoeding te voorzien voor de consument als de verkoper afziet van de overeenkomst; – de bedingen die niet duidelijk geformuleerd zijn, worden geïnterpreteerd in het nadeel van de verkoper.
Als er een onrechtmatig beding voorkomt in bijvoorbeeld de algemene voorwaarden, zal het gewraakte beding (en niet de hele overeenkomst) vooreerst nietig zijn. De overeenkomst blijft bindend voor de partijen als ze zonder de onrechtmatige bedingen kan voortbestaan. De klant die hierdoor schade heeft geleden, kan mogelijkerwijze ook een schadevergoeding eisen.
Bij de beoordeling zal de rechter ook de omstandigheden van het sluiten van de overeenkomst in acht nemen, alsook de duidelijkheid en begrijpelijkheid van de bedingen.
3.6.7.2 Onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen
De bedoeling is bescherming te bieden aan de (zwakkere) ondernemingen als ze bijvoorbeeld kopen van of verkopen aan een andere onderneming, zoals leveranciers/producenten ten opzichte van grote distributiebedrijven. Door bepaalde contractuele bedingen onrechtmatig te maken, wil men verhinderen dat de sterkere partij haar dominante positie misbruikt om de juridische positie van de zwakkere partij te ondermijnen.
A Basisprincipe
Ook hier is de regel dat elk beding (clausule) in een overeenkomst gesloten tussen ondernemingen, dat een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen, onrechtmatig is.
B Lijst
De wet voorziet een lijst van: onrechtmatige bedingen die in alle gevallen verboden zijn; en onrechtmatige bedingen die, zonder bewijs van het tegendeel, vermoed worden onrechtmatig te zijn (zo’n lijst bestaat niet voor de overeenkomsten met consumenten).
Deze lijst trad in werking op 1 december 2020 en enkel voor toekomstige overeenkomsten vanaf die datum.
C Onrechtmatige bedingen die in alle gevallen verboden zijn
De volgende bedingen zijn in alle gevallen verboden: bedingen die een onherroepelijke verbintenis inhouden voor de andere partij, terwijl de uitvoering van de prestaties van de onderneming onderworpen is aan een voorwaarde, waarvan de realisatie uitsluitend afhankelijk is van haar wil; bedingen die de onderneming het eenzijdige recht geven om een of ander beding van de overeenkomst te interpreteren, m.a.w. het is niet toegelaten om de ene partij afhankelijk te laten zijn van
de goede (of slechte) wil van de andere partij; bedingen die de andere partij doen afzien van elk middel van verhaal. Naar de rechter stappen is een basisrecht, ook voor ondernemingen; bedingen die inhouden om op onweerlegbare wijze de kennisname of de aanvaarding van de andere partij vast te stellen met bedingen waarvan die niet daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen vóór het sluiten van de overeenkomst.
D Bedingen die vermoed worden onrechtmatig te zijn zonder tegenbewijs
Een aantal andere bedingen worden dan weer vermoed onrechtmatig te zijn, zonder bewijs van het tegendeel: bedingen of clausules die een ondernemer het recht geven om zonder geldige reden de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen; bedingen die een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend verlengen of vernieuwen, zonder vermelding van een redelijke opzeggingstermijn; bedingen die partijen verbinden zonder vermelding van een redelijke opzeggingstermijn; bedingen die zonder in een tegenprestatie te voorzien het economisch risico op een partij leggen waar dat normaal op een andere partij van de overeenkomst of op de andere onderneming rust; bedingen die op ongepaste wijze de wettelijke rechten van een partij uitsluiten of beperken in geval van volledige of gedeelde wanprestatie of gebrekkige uitvoering door de andere onderneming van een van haar contractuele verplichtingen; bedingen die een ondernemer ontslaan van zijn aansprakelijkheid voor opzet, zware fout of (behoudens bij overmacht) voor de niet-uitvoering van de essentiële verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken; bedingen die de bewijsmiddelen waarop de andere partij een beroep kan doen, beperken; bedingen of clausules die in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de andere partij, schadevergoedingen vaststellen die kennelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door u kan worden geleden.
Elk onrechtmatig beding is verboden en nietig. De overeenkomst blijft bindend voor de partijen indien ze zonder de onrechtmatige bedingen kan blijven verder bestaan.
3.6.8 Verlenging van dienstenovereenkomsten
Deze regelgeving heeft tot doel de consument beter te informeren en te beschermen als hij dienstenovereenkomsten van bepaalde duur afsluit en vooral als hij die wil opzeggen.
Dienstenovereenkomsten van bepaalde duur (bv. een telefoonabonnement voor één jaar) bevatten doorgaans een clausule die bepaalt hoe en onder welke voorwaarden de overeenkomst (kan) verlengd word(t)(en).
Een veel gebruikte clausule is de stilzwijgende verlenging. Die houdt in dat de overeenkomst automatisch verlengd wordt als de consument niet op voorhand te kennen geeft dat hij de overeenkomst wil opzeggen. De termijn voor die opzegging wordt in de clausule gepreciseerd. Die termijn mag niet onredelijk lang zijn. In dat geval zou de clausule onrechtmatig zijn (zie onrechtmatige bedingen).
Bij dienstenovereenkomsten van bepaalde duur, waarin een dergelijke clausule tot stilzwijgende verlenging opgenomen werd, moet de verkoper het beding ook vermelden in vet gedrukte letters en in een kader los van de tekst op de voorzijde van het eerste blad. Die bepaling moet een duidelijke voorlichting van de consument met betrekking tot de eventuele verlenging van de overeenkomst garanderen.
Als een dienstenovereenkomst van bepaalde duur stilzwijgend verlengd werd, kan de consument de overeenkomst op elk ogenblik zonder vergoeding opzeggen. Hij moet wel de opzeggingstermijn die in de overeenkomst bepaald is in acht nemen. Die termijn mag maximaal twee maanden bedragen.
Die wet laat toe bij KB bijzondere regels inzake stilzwijgende verlenging op te stellen en de verplichtingen in die bepalingen zowel te beperken voor sommige diensten als uit te breiden naar bepaalde categorieën van producten.
Zo wordt bepaald dat bij de inschrijving op ‘berichtendiensten’ (diensten geleverd per sms) informatie over de stilzwijgende verlenging per sms verstrekt moet worden (art. 33 van het KB van 9 februari 2011 tot vaststelling van de Ethische Code voor de telecommunicatie).
Binnenkort zal er allicht een wet gestemd worden waarbij ondernemingen worden verplicht om consumenten op een duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze te informeren over de nakende stilzwijgende verlenging van een overeenkomst en de mogelijkheid om zich daartegen te verzetten. Deze informatieplicht zou wel enkel gelden voor overeenkomsten afgesloten voor een duur van meer dan één maand.
Bij het onlinemateriaal vind je een modelbrief voor betwisting van stilzwijgende verlenging van een abonnement voor bepaalde duur.
Tot hier toe behandelden we de spelregels die voor consumenten en ondernemingen een ‘fair’ kader scheppen. We zagen hoe vooral transparantie en eerlijke contracten er voor moeten zorgen dat consumenten met vertrouwen kunnen consumeren. Het hiernavolgende hoofdstuk heeft een andere invalshoek. Het bespreekt het kader van wat ontoelaatbaar is.
De strijd om de gunst van de consument is hard. Ondernemingen zoeken altijd naar meer originele manieren om de consument te verleiden.
De Europese wetgever omschreef de limieten van deze ‘verleiding’. Dit is de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt). Ze werd in het WER in Belgisch recht omgezet. Ondertussen is er de omzetting van de omnibusrichtlijn die de bescherming van de consument uitbreidt en, zoals we al aangaven, is het hier ook belangrijk om aan te stippen dat als we spreken van ‘product’ dit ook digitale diensten en digitale inhoud omvat.
Het WER voorziet ook een aantal regels om ongeoorloofde marktpraktijken tegenover niet-consumenten (doorgaans ondernemingen) aan banden te leggen. Die laatste regels hebben zowel Europese als puur Belgische oorsprong.
4.2.1 Toepassingsgebied
1 De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken is een zogenaamde ‘horizontale’ regelgeving. Dat betekent dat de regels van toepassing zijn op alle soorten van goederen en diensten en alle mogelijke verkoopvormen. Het schept dus een algemeen kader.
Daartegenover staat de ‘verticale’ regelgeving. Een voorbeeld daarvan is de Wet van 28 augustus 2011 betreffende de bescherming van de consumenten inzake overeenkomsten betreffende het gebruik van goederen in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en timesharing. Die wet bepaalt dus regels die specifiek toegespitst zijn op onder andere de verkoop van timesharing.
De ‘horizontale’ regels over oneerlijke handelspraktijken zijn echter van toepassing op alle verkopen aan de consument. In het geval van timesharing en vakantieproducten van lange duur komen de wettelijke regels bovenop het algemene kader.
2 Tegelijkertijd is de richtlijn een richtlijn van maximale harmonisering. Een EU-jargon dat betekent dat de lidstaten van de Europese Unie in hun wetgeving geen regels of verboden mogen hebben (of houden) die strenger zijn dan de richtlijn oneerlijke handelspraktijken.
3 Het begrip ‘handelspraktijk’ is zeer ruim. We brengen even de definitie van ‘handelspraktijk’ in herinnering:
‘Iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een verkoper, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van producten of diensten aan consumenten.’
De regels over oneerlijke handelspraktijken zijn dus van toepassing vóór, gedurende en na de te koopaanbieding en de verkoop van producten of diensten.
Behoren dus ook tot het toepassingsgebied van de handelspraktijken: de dienst na verkoop; de activiteiten van ondernemingen op sociale media.
4.2.2
De regels oneerlijke handelspraktijken worden op drie niveaus gestructureerd.
1 Het eerste niveau verzamelt alle geviseerde praktijken en heet ‘oneerlijke handelspraktijken’. De definitie is eerder algemeen.
2 Een tweede niveau verzamelt de ‘misleidende handelspraktijken’, onderverdeeld in misleidende handelspraktijken, misleidende omissies en agressieve handelspraktijken. Elk van deze termen hebben een meer gedetailleerde definitie.
3 Tot slot, op een derde niveau, worden twee ‘zwarte lijsten’ opgenomen van concrete praktijken die in alle gevallen als respectievelijk misleidend en agressief beschouwd worden. Deze zijn zeer specifiek gedefinieerd.
Als een praktijk beantwoordt aan een specifieke definitie, is het direct duidelijk dat die verboden is. Is dat niet zo, moet de praktijk getoetst worden aan een meer algemene definitie. De bewijsvoering wordt dan moeilijker.
Dit is de meest algemene categorie. Een handelspraktijk wordt als oneerlijk beschouwd als: zij in strijd is met de vereisten van professionele toewijding; zij het economisch gedrag van de consument op wie zij gericht is, met betrekking tot het product of de dienst, wezenlijk verstoort of kan verstoren.
Het concept ‘professionele toewijding’ creëert tegelijk een verplichting en een bescherming voor ondernemingen. Zo is een verkoper bijvoorbeeld geacht over genoeg relevante vakkennis te beschikken, zijn producten en diensten te kennen en regels te kennen die van belang zijn voor zijn activiteit. Het concept zegt met andere woorden iets over de verwijtbaarheid van een handelspraktijk. De definitie beperkt de verwijtbaarheid tot wat redelijk is. Dat is uiteraard erg voor interpretatie vatbaar, maar het is wel duidelijk dat er een grens is aan wat van een onderneming verwacht mag worden en wat aan hem toegerekend mag worden.
Daarnaast geldt de vereiste dat de handelspraktijk het economische gedrag van de consument wezenlijk verstoort of kan verstoren. Als we teruggrijpen naar de definitie ervan, kunnen we besluiten dat die voorwaarde betrekking heeft op de wilsovereenstemming van de consument om tot een koop over te gaan. Het ‘verstoren’ komt met andere woorden neer op het manipuleren van de wil van de consument om hem tot een transactie te bewegen, door bijvoorbeeld iets misleidend mee te delen, of te verzwijgen (omissie), of hem onder druk te zetten.
Een a contrario voorbeeld is een handelspraktijk die indruist tegen de principes, gevoelens en regels van smaak en fatsoen. Die beïnvloedt niet het economisch gedrag.
VOORBEELD
Gewelddadige games ...
Een dergelijke verstoring heeft uiteraard niet hetzelfde effect op iedere consument. De wet voorziet dit expliciet en bepaalt dat een handelspraktijk ook oneerlijk is als een verkoper redelijkerwijs had kunnen voorzien dat ze het economische gedrag van een duidelijk herkenbare groep van consumenten, die wegens een mentale of lichamelijke handicap, hun leeftijd of goedgelovigheid, bijzonder vatbaar zijn voor die handelspraktijk of voor het onderliggende product of de onderliggende dienst wezenlijk verstoort of kan verstoren. Het uitgangspunt is het gemiddelde lid van die groep van consumenten.
Het spreekt voor zich dat dit ook erg voor interpretatie vatbaar is en verschilt van situatie tot situatie. De rechtbanken zullen dan ook geval per geval moeten beoordelen.
Een eerste grote en meer specifieke categorie van oneerlijke handelspraktijken zijn de misleidende handelspraktijken. Ze vallen uit elkaar in twee soorten: de misleidende handelingen en de misleidende omissies.
4.2.4.1 Misleidende handelingen
In de eerste plaats is een handelspraktijk misleidend als ze gepaard gaat met onjuiste informatie of informatie die de consument bedriegt of kan bedriegen over: 1 het bestaan of de aard van het product of van de dienst;
VOORBEELD
Een verkoper die met mooie brochures en foto’s een campingverblijf tijdens het WK voetbal aanprijst, terwijl de camping (nog) niet bestaat.
Merk op dat dergelijke praktijken erg dicht aanleunen bij wat in het strafrecht ‘oplichting’ wordt genoemd. Waar de kwalificatie ‘oplichting’ opgaat voor zowat alle vormen van ‘gebakken lucht verkopen’, zijn de regels in het WER beperkt tot een commerciële context en meer bepaald b2c.
2 de voornaamste kenmerken van het product of van de dienst zoals de beschikbaarheid, voordelen, risico’s, uitvoering, samenstelling, accessoires, klantenservice en klachtenbehandeling, procedé en datum van fabricage of verrichting, levering, geschiktheid voor het gebruik, gebruiksmogelijkheden, hoeveelheid, specificatie, geografische of commerciële oorsprong of van het gebruik te verwachten resultaten, of de resultaten en wezenlijke kenmerken van op het product verrichte tests of controles;
Een reclame die beweert dat door klinische tests aangetoond is dat een product acne doet smelten als sneeuw voor de zon, terwijl de test in werkelijkheid slechts een tevredenheidsenquête was.
Een advertentie beweert dat verweerde tuinmeubels in teak na één behandeling terug hun oorspronkelijke kleur vertonen. De mailing zegt dat het product werd getest en uitgeprobeerd. Het gaat hier over onjuiste beweringen over de werking van het product.
– Een tuincentrum maakt reclame voor uitheemse planten en struiken, maar geeft noch door de plaats van de planten in het verkooppunt, noch door de informatie ter plaatse duidelijk aan of het om tuin- of kamerplanten gaat. Kopers worden hierdoor misleid en planten kamerplanten in de tuin met alle gevolgen van dien.
Een verkoper van pesticiden beweert dat zijn product niet vervuilend is terwijl het in werkelijkheid wel zware metalen bevat.
3 de reikwijdte van de verplichtingen van de verkoper, de motieven voor de handelspraktijk en de aard van het verkoopproces, elke verklaring of symbool dat doet geloven dat de verkoper of het product of de dienst sponsoring of directe of indirecte steun krijgt;
VOORBEELD
Een verkoper die zich bij de consument thuis aanmeldt en voorwendt dat het om een technische interventie van zijn telefoonmaatschappij gaat, terwijl hij eigenlijk voor de concurrerende maatschappij abonnementen probeert te verkopen.
4 de prijs of de berekeningswijze van de prijs of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel;
VOORBEELD
Een kledingzaak geeft een klant 10 % korting, maar telt dat percentage al op voorhand bij de opgegeven basisprijs.
5 de noodzaak van een dienst, onderdeel, vervanging of reparatie;
VOORBEELD
Een garagehouder biedt als dienst een controle van wagens aan met het oog op de technische controle. Daarbij deelt hij de consument onterecht mee dat een bepaald onderdeel aan vervanging toe is.
6 de hoedanigheid, kenmerken en rechten van de verkoper, zoals zijn identiteit, vermogen, kwalificaties, status, erkenning, affiliatie, connecties, industriële, commerciële of intellectuele eigendomsrechten of zijn bekroningen en onderscheidingen;
VOORBEELD
Een verkoper van schoonheidsproducten beweert de producten van een bekend laboratorium te verkopen maar onder een andere naam en dus aan lagere prijzen, terwijl de producten een andere oorsprong hebben.
7 de rechten van de consument, in het bijzonder het recht op vervanging of terugbetaling in het kader van de wettelijke garantie of de risico’s die hij eventueel loopt. (zie ook hoofdstuk over de wettelijke garantie).
VOORBEELD
Een verkoper van elektronische apparatuur deelt zijn klanten mee dat ze een garantie moeten bijkopen om zeker te zijn dat ze na een jaar nog een herstelling zouden kunnen eisen (de wet voorziet dit recht tot twee jaar).
Al deze mogelijke vormen van bedrog slaan ook op de algemene presentatie van bijvoorbeeld reclame, zelfs al is de informatie feitelijk correct.
VOORBEELD
Essentiële kenmerken zoals prijs of looptijd van een contract verbergen in kleine lettertjes.
Een tweede criterium om te besluiten dat een handelspraktijk misleidend is, is dat ze de consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen. Net zoals bij de oneerlijke handelspraktijken is er een handelingselement (onjuiste informatie verstrekken of weglaten, bedriegen …) en een gevolgelement. Merk op dat de notie ‘een besluit over een transactie nemen’, veel ruimer is dan ‘tot een transactie overgaan’. Van een dergelijk besluit is al sprake als een consument bijvoorbeeld besluit om naar aanleiding van een reclame zich verder te informeren over een product. Het is ook niet vereist dat de consument zijn ‘besluit’ ook werkelijk uitvoert.
Door de omzetting van de omnibusrichtlijn wordt uitdrukkelijk de volgende verboden misleidende handelspraktijk in de wet opgenomen. Het is een verbod op een praktijk die gaat over de problematiek van de zogenaamde ‘dual quality’. Dit gaat over producten die op dezelfde manier (ze worden dus als identiek voorgesteld) in de markt gezet worden in verschillende lidstaten, terwijl het product op de ene markt niet helemaal hetzelfde (verschillende kwaliteit, samenstelling, ingrediënten ...) is dan op de andere markt. Dergelijke marketing is verboden, tenzij er legitieme en objectieve factoren dit rechtvaardigen.
VOORBEELD
Chocoladepasta verkocht in België, met dezelfde verpakking en onder hetzelfde merk in Duitsland op de markt brengen, terwijl de samenstelling of ingrediënten verschillend zijn, is misleidend voor de consument.
Ken jij nog voorbeelden van dergelijke verboden handelspraktijk gebaseerd op ‘dual quality’ marketing? Misschien ben je er op reis al mee in contact gekomen bij de aankoop van producten.
4.2.4.2 Misleidende omissie
Een tweede vorm van misleidende praktijken zijn de ‘omissies’: de weglatingen of niet-handelingen. Het zijn de handelspraktijken waarbij essentiële informatie die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weggelaten wordt. Bij de beoordeling moet wel de context van de handelspraktijk en het gebruikte communicatiemiddel in rekening gebracht worden.
VOORBEELD
Bij een reclame per sms kan niet verwacht worden dat alle gegevens op die manier verstrekt worden: naam van het bedrijf, adres- en contactgegevens, de algemene voorwaarden … Dat neemt niet weg dat die gegevens geraadpleegd moeten kunnen worden voor de consument tot een aankoop overgaat, bijvoorbeeld op een website. De beperkingen van een medium zijn met andere woorden geen excuus om essentiële informatie niet beschikbaar te stellen.
De notie ‘weglating’ moet niet (enkel) letterlijk geïnterpreteerd worden. De wet stelt onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige of laattijdige informatieverstrekking gelijk met omissie. Ook het niet duidelijk laten blijken dat een handelspraktijk een commercieel oogmerk heeft, wordt als een omissie beschouwd.
Een handelspraktijk is een ruim begrip, ook chronologisch: van de kleinste commerciële boodschap tot het sluiten en uitvoeren van een overeenkomst. De wetgever hanteert daarom ook de meer verfijnde notie ‘uitnodiging tot aankoop’. Dat is een commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product of de dienst op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument daardoor in staat stelt een aankoop te doen. Het is met andere woorden een handelspraktijk die zich chronologisch net voor het moment situeert waarop de consument al dan niet een aankoop doet. Daarom moet de consument op dat moment goed geïnformeerd zijn. Dat betekent concreet: de voornaamste kenmerken van het product of van de dienst (rekening houdend met het gebruikte communicatiemiddel); het geografische adres en de identiteit van de onderneming of van de onderneming namens wie hij optreedt; de prijs, inclusief belastingen, of als die redelijkerwijs niet vooraf berekend kan worden, de manier waarop de prijs wordt berekend; indien van toepassing, alle extra vracht-, leverings- of portokosten of, als deze kosten redelijkerwijs niet vooraf berekend kunnen worden, de vermelding dat die kosten ten laste van de consument gelegd kunnen worden; de wijze van betaling, levering, uitvoering, als deze afwijken van de vereisten van professionele toewijding; indien van toepassing, het bestaan van een herroepings- of annuleringsrecht;
voor op onlinemarktplaatsen aangeboden producten, de melding of de aanbieder een onderneming is of een consument; bij aanbiedingen op een onlinemarkplaats, algemene informatie over de parameters (en het relatief belang ten opzichte van andere parameters) die gebruikt werden voor de rangschikking van de aanbiedingen (zoekresultaten) die aan de consument worden gepresenteerd als gevolg van een zoekopdracht; informatie over of en hoe de onderneming garandeert dat gepubliceerde consumentenbeoordelingen afkomstig zijn van consumenten die het product effectief hebben gekocht of gebruikt.
Deze informatie wordt als essentieel beschouwd. Als ze niet vermeld wordt, is er ook sprake van omissie.
In sommige andere wetgevingen, bijvoorbeeld de timeshare-wet, wordt vereist dat aan de consument bepaalde specifieke informatie wordt verstrekt, die typisch is voor timesharing. Ook de informatie vereist in deze specifieke ‘verticale’ wetgeving wordt als essentieel beschouwd en hun weglating dus als omissie. Dat benadrukt het ‘horizontale karakter’ van de wetgeving over oneerlijke handelspraktijken, zoals we eerder bespraken.
4.2.4.3 Zwarte lijst van misleidende handelspraktijken
Bovenop de algemene bepalingen stelde de wetgever een lijst op van praktijken waarover hij geen twijfel wou mogelijk maken voor wat betreft hun oneerlijke karakter. Het zijn praktijken die in alle omstandigheden als misleidend beschouwd worden en dus de toets van bijvoorbeeld ‘het verstoren van het economische gedrag van de consument’ niet hoeven te doorstaan. Het gaat om de volgende praktijken:
1 als onderneming beweren een gedragscode te hebben ondertekend als dat niet het geval is;
2 een vertrouwens-, kwaliteits- of ander soortgelijk label aanbrengen zonder daarvoor de vereiste toestemming te hebben gekregen;
3 beweren dat een gedragscode door een publieke of andere instantie is erkend als dat niet het geval is;
4 beweren dat een onderneming, of haar handelspraktijken, of een product of een dienst door een openbare of particuliere instelling is erkend, goedgekeurd of toegelaten terwijl dat niet het geval is, of die niet aan de voorwaarden tot erkenning, goedkeuring of toelating voldoet;
5 producten of diensten tegen een genoemde prijs te koop aanbieden zonder dat de onderneming aangeeft dat er een gegrond vermoeden bestaat dat hij die producten of gelijkwaardige producten niet tegen die prijs kan leveren of door een andere onderneming kan doen leveren gedurende een periode en in hoeveelheden die, rekening houdend met het product of de dienst, de omvang van de voor het product gevoerde reclame en de aangeboden prijs redelijk zijn;
VOORBEELD
Een supermarktketen die reclame maakt voor fietsen tegen een zeer lage prijs vergeleken met andere aanbiedingen op de markt die, in verhouding tot de verwachte vraag, onvoldoende voorraad voorziet.
6 producten of diensten tegen een genoemde prijs te koop aanbieden en vervolgens: weigeren het aangeprezen product of de aangeprezen dienst aan de consument te tonen; weigeren een bestelling op te nemen of het product of de dienst binnen een redelijke termijn te leveren; een exemplaar van het artikel met gebreken tonen, met de bedoeling een ander product of een andere dienst aan te prijzen;
7 bedrieglijk beweren dat een product of een dienst slechts gedurende een zeer beperkte tijd beschikbaar zal zijn of dat het slechts onder speciale voorwaarden gedurende een zeer beperkte tijd beschikbaar zal zijn, om de consument onmiddellijk te doen beslissen en hem geen kans of onvoldoende tijd te geven een geïnformeerd besluit te nemen;
8 aan de consumenten met wie de onderneming vóór de transactie heeft gecommuniceerd in een taal die geen nationale taal is, een dienst na verkoop beloven en vervolgens die dienst enkel in een andere taal leveren zonder dat duidelijk aan de consument te laten weten alvorens deze zich tot de transactie verbindt;
VOORBEELD
Een marketingactie is opgesteld in het Engels, terwijl de taal van de dienst na verkoop het Frans is.
9 beweren of anderszins de indruk wekken dat een product of dienst legaal verkocht kan worden als dat niet het geval is;
VOORBEELD
De indruk wekken dat de verkoop van zware wapens volkomen legaal kan verlopen.
10 wettelijke rechten van consumenten voorstellen als een onderscheidend kenmerk van het aanbod van de onderneming;
VOORBEELD
Een reclameboodschap van een postorderbedrijf luidt: ‘Bij ons krijgt u 14 dagen bedenktijd! Zonder vragen of kosten!’ (dit is een wettelijk vastgelegd recht bij verkoop op afstand).
11 redactionele inhoud in de media, waarvoor de onderneming heeft betaald, gebruiken om reclame te maken voor een product of een dienst, zonder dat dit duidelijk uit de inhoud of uit de door de consument identificeerbare beelden of geluiden blijkt;
VOORBEELD
Een fabrikant van schoonheidsproducten koopt ruimte in een magazine en plaatst daarin een interview waarin getuigd wordt over de goede werking van een van zijn producten. Het artikel is zodanig opgesteld dat het voorkomt als een onafhankelijk door de redactie geschreven artikel.
12 feitelijk onjuiste beweringen doen betreffende de aard en de omvang van het gevaar dat de persoonlijke veiligheid van de consument of zijn gezin zou bedreigen als hij het product of de dienst niet koopt;
VOORBEELDEN
Een verkoper van fietssloten die deur-aan-deurverkoop doet en de consument bewerkt met valselijk hoge criminaliteitsstatistieken van zijn buurt.
– Een verkoper van waterzuiveringstoestellen die de consument bang maakt met argumenten dat het water bij hem thuis niet goed is voor de gezondheid van zijn kleine kinderen.
13 een product of dienst gelijkend op een door een bepaalde fabrikant vervaardigd product of verstrekte dienst op een zodanige wijze promoten dat bij de consument doelbewust de verkeerde indruk wordt gewekt dat dit product van die fabrikant afkomstig is, terwijl dat niet het geval is;
Merk de gelijkenis op met de (verboden) handel in namaakproducten. Hier wordt alleen de promotie beschouwd. De vervaardiging van en de handel in namaakgoederen is uiteraard ook verboden, maar op basis van andere specifieke wetgeving;
14 een piramidesysteem opzetten, beheren of promoten waarbij de consument tegen betaling kans maakt op een vergoeding die eerder voortkomt uit het aanbrengen van nieuwe consumenten in het systeem dan uit de verkoop of het verbruik van producten;
15 beweren dat de onderneming op het punt staat zijn zaak stop te zetten of te verhuizen, als dat niet het geval is;
VOORBEELD
Een schoenwinkel plaatst in grote letters op het uitstalraam ‘Alles moet weg wegens verhuis’. Maar in werkelijkheid verhuist de winkel niet en is er van stopzetting of einde voorraad geen sprake.
16 beweren dat een product of dienst het winnen bij kansspelen kan vergemakkelijken;
VOORBEELD
De verkoop van ‘talismannen’ die je de juiste lottocijfers zouden influisteren.
17 bedrieglijk beweren dat een product of een dienst ziekten, functiestoornissen of misvormingen kan genezen;
18 feitelijk onjuiste informatie verstrekken over marktomstandigheden of de mogelijkheid het product of de dienst te bemachtigen met de bedoeling de consument dit of deze te doen aanschaffen tegen voorwaarden die minder gunstig zijn dan de normale marktvoorwaarden;
19 beweren dat er een wedstrijd wordt georganiseerd of prijzen worden uitgeloofd zonder de aangekondigde prijzen of een redelijk equivalent daadwerkelijk toe te kennen;
20 een product of een dienst als ‘gratis’, ‘voor niets’, ‘kosteloos’ en dergelijke omschrijven als de consument iets anders moet betalen dan de onvermijdelijke kosten om in te gaan op het aanbod en het product af te halen dan wel dit te laten bezorgen;
21 marketingmateriaal voorzien van een factuur of een soortgelijk document waarin om betaling wordt gevraagd, waardoor bij de consument de indruk wordt gewekt dat hij het product of de dienst al heeft besteld terwijl dat niet het geval is;
22 op bedrieglijke wijze beweren of de indruk wekken dat de onderneming niet optreedt ten behoeve van zijn beroepsactiviteit of zich op bedrieglijke wijze voordoet als consument;
VOORBEELD
Een ondernemer verkoopt een tweedehands antieken zitmeubel. Hij doet dit via een zoekertje op het prikbord bij de plaatselijke krantenwinkel. Hij vermeldt hier echter niet bij dat deze verkoop deel uitmaakt van zijn handel in antiek en tweedehands meubels.
23 op bedrieglijke wijze de indruk wekken dat voor een bepaald product of een bepaalde dienst de dienst-na verkoop beschikbaar is in een andere lidstaat dan die waar het product wordt verkocht;
24 het aan de consument tonen van zoekresultaten na een online zoekopdracht, zonder te onthullen dat het een betaalde reclame is of dat de aanbieders betaald hebben om een hogere rangschikking in de zoekresultaten te krijgen voor hun producten;
25 beweren dat beoordelingen van producten zijn ingediend door consumenten die het product daadwerkelijk hebben gebruikt of aangekocht, zonder redelijke en proportionele stappen te nemen om dit te checken;
26 valse of misleidende beoordelingen (doen) plaatsen. Dit omvat zowel het genereren van fake beoordelingen als praktijken van influencers;
27 het aan de consument doorverkopen van tickets voor culturele - en sportevenementen, door de onderneming verkregen via software waarbij de onderneming de technische limieten op het aantal te verkopen tickets, vastgelegd door de primaire verkoper, omzeilt.
VOORBEELD
De doorverkopende onderneming gebruikt software zoals bots (geautomatiseerde processen, die acties uitvoeren zonder menselijke tussenkomst) waardoor ze elektronische wachtrijen, ingesteld door de primaire verkoper om de verkoop te limiteren, omzeilt. Zo kan deze doorverkoper tickets kopen voordat iemand anders dit kan.
Bij het onlinemateriaal vind je een modelbrief voor weigering van betaling voor gratis stalen. Het gaat over het toesturen van niet-gevraagde goederen, waarvoor betaling gevraagd werd. Geldt voor B2C en B2B.
4.2.5
In derde instantie verbiedt de wet agressieve handelspraktijken. Waar de misleidende praktijken veeleer betrekking hebben op het al dan niet verstrekken van informatie, handelen de agressieve handelspraktijken over de relatie tussen de onderneming en de consument als dusdanig. Men zou kunnen stellen dat ze bepaalde tolerantiegrenzen stelt aan de commerciële overtuigingsmethoden.
Een handelspraktijk is agressief als hij door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de consument met betrekking tot het product of de dienst aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor hij ertoe wordt gebracht of gebracht kan worden over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen.
De noties intimidatie, dwang …. zijn erg subjectief. Er zal dan ook rekening gehouden moeten worden met de context ervan. De wet voorziet enkele richtsnoeren om deze noties te beoordelen. Zo moet er rekening gehouden worden met: het tijdstip en de plaats waar de praktijk wordt uitgevoerd, de aard en de persistentie ervan; het gebruik van dreigende taal of gedragingen; het bewust uitbuiten door de onderneming van enige bijzondere tegenslagen of omstandigheden, die zo ernstig zijn dat zij het beoordelingsvermogen van de consument kunnen aantasten, met het doel zijn beslissing over het product of de dienst te beïnvloeden; door de onderneming opgelegde kosten met zich meebrengende of bovenmatige niet-contractuele belemmeringen ten aanzien van rechten die de consument uit hoofde van het contract wil uitoefenen, waaronder het recht om het contract te beëindigen of een ander(e) product of dienst of een andere verkoper te kiezen; het dreigen met maatregelen die wettelijk niet genomen kunnen worden.
Ook voor de agressieve handelspraktijken voorzag de wetgever een zwarte lijst. Het zijn praktijken die:
1 de indruk geven dat de consument het pand niet mag verlaten alvorens er een overeenkomst is opgesteld;
2 de consument thuis opzoeken en zijn verzoek om weg te gaan of niet meer terug te komen negeren, behalve in gevallen waar de wet dat wel expliciet toelaat om de uitvoering van een contractuele verplichting te verzekeren;
VOORBEELD
Geen neen accepteren. Een stofzuigerverkoper die bij een demonstratie bij de consument thuis blijft aandringen om de demonstratie verder te zetten, ook al heeft de consument al duidelijk aangegeven niet geïnteresseerd te zijn.
3 hardnekkig en ongewenst aandringen per telefoon, fax, e-mail of andere afstandsmedia;
4 aan een consument die op grond van een verzekeringspolis een vordering indient documenten vragen die redelijkerwijs niet relevant geacht kunnen worden om de geldigheid van de vordering te beoordelen, dan wel systematisch weigeren antwoord te geven op daaromtrent gevoerde correspondentie met de bedoeling de consument ervan te weerhouden zijn contractuele rechten uit te oefenen;
5 kinderen door middel van reclame er rechtstreeks toe aanzetten om geadverteerde producten te kopen of om hun ouders of andere volwassenen ertoe te overhalen die producten voor hen te kopen;
VOORBEELD
Reclame maken voor een nieuwe video van de musical van K3 met de vermelding: ‘De nieuwe video is uit! Zeg aan je moeder dat ze hem snel gaat kopen bij de boekenwinkel in je buurt.’
6 de consument uitdrukkelijk meedelen dat, als hij het product of de dienst niet koopt, de baan of de bestaansmiddelen van de ondernemer in het gedrang komen;
7 de bedrieglijke indruk wekken dat de consument al een prijs heeft gewonnen of zal winnen dan wel door een bepaalde handeling te verrichten een prijs zal winnen of een ander soortgelijk voordeel zal behalen, als: er in feite geen sprake is van een prijs of een ander soortgelijk voordeel; het ondernemen van stappen om in aanmerking te kunnen komen voor de prijs of voor een ander soortgelijk voordeel, afhankelijk is van de betaling van een bedrag door de consument of als daaraan voor hem kosten zijn verbonden.
Merk op dat sommige van deze praktijken eveneens betrekking hebben op het verstrekken van informatie. Zo kunnen de praktijken onder 6 en 7 ook als ‘misleidende handelingen’ gekwalificeerd worden. De wetgever oordeelde echter dat als het soort misleidende informatie die verstrekt wordt een dergelijke impact en verstoring van het consumentengedrag inhoudt, ze als agressief bestempeld kan worden.
4.2.6
In dit schema vatten we het voorgaande samen. We vertrekken daarbij van de ‘eenvoudigst aan te tonen’ praktijken.
Figuur 1 Oneerlijke handelspraktijken
Is de praktijk omschreven op de zwarte lijsten van misleidende en agressieve handelspraktijken?
VERBODEN Ja Nee
Is het een praktijk die door intimidatie, dwang, inclusief het gebruik van lichamelijk geweld, of ongepaste beïnvloeding, de keuzevrijheid of de vrijheid van handelen van de consument met betrekking tot het product of de dienst aanzienlijk beperkt of kan beperken, waardoor hij ertoe wordt gebracht of kan worden gebracht over een transactie een besluit te nemen dat hij anders niet had genomen?
VERBODEN Ja Nee
Wordt essentiële informatie die de consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen weggelaten?
VERBODEN Ja Nee
Gaat de handelspraktijk gepaard met onjuiste informatie of informatie die de consument bedriegt of kan bedriegen over ... (zie informatiecategorieën) zodat ze de consument ertoe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen?
VERBODEN Ja Nee
Is de handelspraktijk in strijd is met de vereisten van professionele toewijding EN verstoort of kan zij wezenlijk het economisch gedrag van de consument op wie zij gericht is, met betrekking tot het product of de dienst, verstoren?
Ja Nee
TOEGELATEN
VERBODEN
Niet alleen consumenten kunnen geconfronteerd worden met oneerlijke praktijken maar ook ondernemingen (rechtspersonen) kunnen dat risico lopen. Het WER voorziet in aparte regels voor ‘oneerlijke marktpraktijken’, opgedeeld in oneerlijke marktpraktijken, misleidende marktpraktijken en agressieve marktpraktijken. Er wordt van ‘marktpraktijken’ gesproken om geen verwarring te scheppen met ‘handelspraktijken’, die laatste zijn dus alleen van toepassing op relaties onderneming-consument. Het toepassingsgebied met betrekking tot marktpraktijken is zeer ruim. Alle personen die geen consument zijn, vallen er immers onder.
4.3.1
In eerste instantie voorziet het WER in een algemene clausule die een verbod inroept voor oneerlijke marktpraktijken ‘waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden’.
Het voordeel van zo’n algemene clausule is dat ze zowat alle oneerlijke marktpraktijken dekt. Het nadeel is dat ze zo algemeen is en dat de rechter in elk concreet geval overtuigd zal moeten worden van het oneerlijke karakter van de marktpraktijk alsook van de (potentiële) schade aan bepaalde beroepsbelangen.
Zelden echter zal een onderneming een geding inspannen dat alleen gebaseerd is op de algemene norm. Bij de meeste geschillen tussen ondernemingen is ook andere wetgeving relevant (intellectuele eigendomsrechten, boekhoudrecht, verbintenissenrecht, vennootschapsrecht, merkenrecht, domeinnaamrecht, wetgeving op de openingsuren, de toegang tot het beroep …). De overlapping met de algemene norm uit het WER is dan belangrijk omdat daardoor ook gebruik gemaakt kan worden van de vordering tot staking die zo typisch is voor het marktrecht.
Een bijzondere categorie oneerlijke marktpraktijken zijn de misleidende marktpraktijken en de misleidende omissie en andere verboden praktijken.
Alle regels van toepassing op de misleidende handelspraktijken tussen ondernemingen en consumenten worden hier hernomen en zijn dus ook van toepassing op de b2b (zie 4.2.4 Misleidende handelspraktijken hiervoor).
De regel is dat een marktpraktijk misleidend is als een onderneming (doelbewust) bedrieglijke informatie krijgt en daardoor een beslissing over een transactie neemt die ze anders niet had genomen. Het gaat dus over onjuiste informatie die de onderneming bedriegt of kan bedriegen over:
1 het bestaan of de aard van het product;
2 de voornaamste kenmerken van het product, zoals beschikbaarheid, voordelen, risico’s, uitvoering, samenstelling, accessoires, klantenservice en klachtenbehandeling, procedé en datum van fabricage of verrichting, levering, geschiktheid voor het gebruik, gebruiksmogelijkheden, hoeveelheid, specificatie, geografische of commerciële oorsprong, van het gebruik te verwachten resultaten, of de resultaten en wezenlijke kenmerken van op het product verrichte tests of controles;
3 de reikwijdte van de verplichtingen van de onderneming, de motieven voor de marktpraktijk en de aard van het verkoopproces, elke verklaring of symbool dat doet geloven dat de onderneming of het product sponsoring of directe of indirecte steun krijgt;
4 de prijs of de wijze waarop de prijs wordt berekend, of het bestaan van een specifiek prijsvoordeel;
5 de noodzaak van een dienst, onderdeel, vervanging of reparatie;
6 de hoedanigheid, kenmerken en rechten van de onderneming of haar tussenpersoon, zoals haar identiteit, vermogen, kwalificaties, status, erkenning, affiliatie, connecties, industriële, commerciele of intellectuele eigendomsrechten of haar bekroningen en onderscheidingen;
7 de rechten van de andere onderneming, of de risico’s die zij eventueel loopt;
8 marketing van een product, onder andere door vergelijkende reclame, op zodanige wijze dat verwarring wordt geschapen met andere producten, handelsmerken, handelsnamen en andere onderscheidende kenmerken van een concurrent;
9 de niet-nakoming door de onderneming van verplichtingen die opgenomen zijn in een sectorale gedragscode waaraan zij zich heeft gebonden, voor zover het niet gaat om een intentieverklaring maar om een verplichting die verifieerbaar is;
10 het mededelen van afbrekende gegevens over een andere onderneming, haar goederen, diensten of activiteit.
Voor de misleidende omissie wordt ook hier de wetgeving b2c toegepast op de b2b-transacties (zie 4.2.4.2 Misleidende omissie hiervoor).
Het gaat hier over alle marktpraktijken waarbij essentiële informatie die de onderneming nodig heeft om een geïnformeerd besluit over de transactie te nemen (doelbewust) weggelaten wordt. ‘Weglating’ moet ook hier niet enkel letterlijk worden geïnterpreteerd. Onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige of laattijdige informatieverstrekking en het niet duidelijk laten blijken van het oogmerk van de transactie, staat gelijk met omissie.
Misleiding door onjuiste informatieverstrekking en door informatieomissie zijn complementair. Door marktpraktijken vanuit deze twee perspectieven te benaderen, wordt elke praktijk waarmee bedrog en informatie gemoeid is gevat, ongeacht of er al dan niet informatie werd verstrekt.
De Belgische wet kent ook een aantal verboden die erop gericht zijn om ook ondernemingen tegen bepaalde, soms hardnekkige, praktijken te beschermen. Een aantal misleidende praktijken treft dikwijls kleinere ondernemingen en verenigingen. Aangezien ze niet onder de noemer ‘consument’ vallen, genieten ze onder de consumentenbeschermingsregels geen bescherming.
Die verbodsbepalingen of verboden praktijken zijn geen pure nieuwigheden op zich maar eerder wettelijk vastgelegde interpretaties van de algemene norm, om meer duidelijkheid te garanderen en eng interpretatieve rechtspraak te vermijden. Het gaat hier over de praktijken van spookfacturen, reclameronselaars, gedwongen verkoop en piramidesystemen. We bespreken ze kort.
4.3.2.1 Spookfacturen
Het komt voor dat personen met minder goede bedoelingen als factuur vermomd promotiemateriaal versturen. Ze gokken erop dat hun ‘reclame’ onopgemerkt bij de betalingsopdrachten van bedrijven belandt.
Daarom voorziet het WER een verbod om reclame te voeren waarbij het promotiemateriaal een factuur of gelijkaardig document bevat waarbij om betaling wordt gevraagd of dat de indruk wekt dat het product of de dienst al werd besteld terwijl dat niet het geval is.
4.3.2.2 Reclameronselaars
Een andere schadelijke praktijk bestaat erin dat bedrijven een formulier wordt toegestuurd waarop staat dat ze gratis ingevoegd kunnen worden in een bedrijvengids. Er wordt daarbij gevraagd om hun juiste gegevens te bevestigen. In de kleine lettertjes wordt echter bepaald dat de invoeging wel betalend is, veelal aan erg hoge bedragen.
De wet verbiedt daarom dat promotiemateriaal essentiële informatie verborgen houdt over: de gevolgen van het door de bestemmeling gegeven antwoord; de eigenlijke commerciële bedoeling, als die niet duidelijk blijkt uit de context.
Ondanks deze bepalingen heeft de wetgever het nuttig geacht om specifiek voor de problematiek van de reclameronselaars een bijkomende set regels in te voeren.
Het WER legt vormvoorwaarden op voor de documenten (betalingsformulier, een bestelformulier, een factuur, een aanbod, algemene voorwaarden, een voorstel tot verbetering of elk ander soortgelijk document) die bij die specifieke handelspraktijken gebruikt worden.
Zo mogen ze niet dubbelzinnig zijn over het feit dat de werving een aanbod van overeenkomst tegen betaling uitmaakt.
Verder moet in het vet en in het grootste lettertype dat in het document wordt gebruikt de duur van de overeenkomst en de hieraan verbonden prijs vermeld worden. Zo wordt vermeden dat deze essentiële informatie in de kleine lettertjes verstopt kan worden.
4.3.2.3 Gedwongen verkoop
Sommige ondernemingen proberen de fase van het sluiten van de overeenkomst over te slaan. Er wordt ongevraagd een product toegezonden of een dienst geleverd met het verzoek dit tegen betaling te verwerven of te aanvaarden. Naast het feit dat dit misleidend kan zijn, brengt het voor de onderneming ook heel wat administratieve rompslomp en kosten met zich mee om zich hiertegen te verzetten. Het WER stelt daarom een verbod op dit soort ‘gedwongen’ aankopen.
Net als consumenten is ook de onderneming niet gehouden tot betaling of terugzending van het ontvangen goed of de gepresteerde dienst die hij tegen het verbod in toch zou krijgen.
De minister kan afwijkingen op dit verbod vergunnen in het kader van een liefdadig doel, maar dan gelden strikte transparantievoorschriften. Er moet met name bij het aanbod letterlijk vermeld worden:
‘De geadresseerde heeft geen enkele verplichting, noch tot betaling, noch tot terugzending.’
4.3.2.4 Piramidesystemen
Tot slot verbiedt het WER het beheren, promoten en deelnemen aan piramidesystemen. Veelal op internet worden systemen van ‘zakendoen’ aangeboden, waarbij je niet zozeer producten moet verkopen maar vooral een netwerk uitbouwen van andere gegadigden die aan jou een commissie betalen. Deze systemen storten heel snel in en kunnen grote winsten opleveren voor diegenen die zich aan de top van de piramide bevinden. Als een onderneming zich hierin engageert (of een natuurlijk persoon richt een onderneming op met als doel aan het systeem deel te nemen), dan onttrekt deze zich aan het verbod dat voor consumenten bestaat in het kader van de Richtlijn op de oneerlijke handelspraktijken. Daarom wordt ook voorzien in een verbod voor ondernemingen.
4.3.3 Agressieve marktpraktijken
De wet voorziet ook in een expliciet verbod op agressieve marktpraktijken. Het ‘agressief karakter’ van een marktpraktijk kan worden omschreven als volgt: De vrijheid van handelen en keuze wordt ingeperkt door het aanwenden van dwang, intimidatie, fysiek geweld of ongepaste beïnvloeding.
Dat laatste is het misbruik maken van machtspositie om de keuzevrijheid van een partij (onderneming) te beperken.
Opdat er sprake is van een agressieve marktpraktijk moet dit gedrag tot gevolg hebben dat de onderneming (die de praktijk ondergaat) een transactie aangaat die zij zonder het gedrag niet zou hebben aangegaan.
Bij de beoordeling moeten uiteraard de omstandigheden van de praktijk in rekening gebracht worden. De wet somt er een aantal op: het tijdstip, de plaats, de aard en het aanhoudend karakter van de marktpraktijk; het gebruik van dreigende of grove taal of gedragingen; het bewust uitbuiten door de onderneming van bepaalde tegenslagen of omstandigheden die zo ernstig zijn dat zij het beoordelingsvermogen van de onderneming kunnen beperken, met als doel haar besluit met betrekking tot het product te beïnvloeden; het dreigen met maatregelen die wettelijk niet kunnen worden genomen; de contractuele positie van een onderneming ten aanzien van de andere onderneming.
VOORBEELD
Een ambachtelijk bakker wil niet ingaan op het aanbod van een leverancier van meel omdat hij de kwaliteit ondermaats vindt. Die leverancier dreigt ermee fake news te verspreiden over de solvabiliteit van de bakker om zo de prijzen of kredietvoorwaarden van diens werkelijke leveranciers te beïnvloeden.
Afgaande op deze definities is er dus sprake van een agressieve handelspraktijk, indien voldaan is aan de volgende drie voorwaarden:
1 ongeoorloofde druk (geweld, ongepaste beïnvloeding …);
2 aanzienlijke inperking van de keuzevrijheid of vrijheid van handelen van de andere onderneming; 3 een transactie aangegaan door een onderneming, die ze anders niet was aangegaan.
Een bijzondere categorie van verboden praktijken zijn de ongewenste communicaties. Ondernemingen die bij andere ondernemingen hun producten willen aanprijzen, zullen daarvoor in veel gevallen gebruikmaken van communicatiemiddelen zoals e-mail, die grote aantallen bestemmelingen kan bereiken tegen lage kosten. Ook fax en automatische telefoonoproepen worden in dat verband gehanteerd. Daarvoor bestaan specifieke spelregels. In de eerste plaats heeft de bestemmeling van commerciële communicaties een recht van (kosteloos) verzet: de bestemmeling moet te kennen kunnen geven de reclame niet meer te willen ontvangen en dat moet gerespecteerd worden.
Bovendien moet er bij dit soort reclameboodschappen ook transparantie zijn: de ongevraagde reclame per e-mail moet voor de ontvanger duidelijk en ondubbelzinnig als reclame herkenbaar zijn.
De vermelding van publiciteit moet duidelijk, leesbaar en op ondubbelzinnige wijze voorkomen. Bovendien moet duidelijk zijn voor wiens rekening de reclame gemaakt wordt.
Er zijn wel enkele uitzonderingen waarbij elektronische post voor reclamedoeleinden toegelaten is. Onder bepaalde voorwaarden moet de ondernemer niet voorafgaandelijk het akkoord van de klant hebben om reclame per e-mail, sms of mms te versturen: de elektronische gegevens van de klant werden rechtstreeks door de klant bezorgd aan de onderneming naar aanleiding van de verkoop van een product of dienst;
de ondernemer gebruikt de gegevens van de klant alleen om reclame te maken voor zijn eigen producten of diensten; de gegevens mogen zonder akkoord van de klant niet aan derden meegedeeld worden; de klant kan zich op een eenvoudige, duidelijke en kosteloze wijze verzetten tegen het gebruik van zijn gegevens voor reclamedoeleinden; de reclame is gericht aan rechtspersonen op voorwaarde dat de contactgegevens onpersoonlijk zijn.
Reclame per e-mail toesturen aan een rechtspersoon mag zonder voorafgaandelijke toestemming via bijvoorbeeld klantendienst@electriciteitsmaatschappij.be of info@debakkeromdehoek.be. – Reclame per e-mail zonder voorafgaandelijke toestemming sturen naar melchior.balthazar @dedriewijzen.be is niet toegelaten.
Een abonnee van een telefoonnummer kan zich ook in het algemeen verzetten tegen het gebruik van zijn nummer voor ‘direct marketing’doeleinden. De telefoonoperatoren zijn ervoor verantwoordelijk om deze nummers in een register op te nemen.
Wie aan direct marketing wil doen, moet eerst dat register consulteren. De nummers daarin mogen dus niet worden gebruikt tenzij de abonnee specifiek toelating heeft gegeven.
Een abonnee van wie het nummer opgenomen is in het register, maar die op een invulformulier van een bepaalde onderneming de toelating gaf om zijn nummer te gebruiken voor direct marketingdoeleinden, mag hiervoor met andere woorden wel opgebeld worden.
Hoewel het geen wettelijke term is, wordt dit ook wel het ‘bel-me-niet-register’ genoemd.
Ga naar https://www.bel-me-niet-meer.be en zoek daar de antwoorden op de volgende vragen:
1 Wat kun je doen om minder reclame te krijgen?
2 Hoe ben je beschermd tegen eventuele misbruiken?
3 Wie beheert de bel-me-niet-lijst?
Verkoop met verlies is een laatste verboden praktijk die in eerste instantie ondernemingen onderling en indirect ook consumenten beschermt. Met het verbod op verkoop met verlies wenst men voornamelijk middenstanders te verdedigen tegen ketens voor wie de verkoop met verlies haalbaar is, dankzij hun groot assortiment aan producten, en die op die manier de consument kunnen aantrekken. Door concurrenten als gevolg van deze praktijken uit de markt te duwen, zou de consument uiteindelijk ook minder keuze en dus wellicht slechtere voorwaarden krijgen.
Er is sprake van verkoop met verlies als een goed wordt verkocht tegen een prijs die lager is dan die waartegen het goed werd aangekocht of waartegen het bij herbevoorrading gefactureerd zou worden. Eventueel toegekende en definitief verworven kortingen moeten in die prijs worden verrekend. Het is dus de werkelijke kost die geldt.
Om uit te maken of er verkoop met verlies is, wordt geen rekening gehouden met kortingen die toegekend worden in ruil voor verbintenissen van de onderneming andere dan de aankoop van goederen. Bij een gezamenlijk aanbod geldt het verbod op verkoop met verlies voor het geheel van het aanbod.
Er gelden wel een aantal uitzonderingen, waarbij verkoop met verlies dus wel is toegelaten. Sommige vloeien rechtstreeks voort uit andere bepalingen van de wet. Verkoop met verlies is in die zin wel toegelaten: in het kader van een (regelmatige) uitverkoop en opruimingen of solden; voor goederen die niet langer bewaard kunnen worden;
VOORBEELD
Verse groenten of fruit met beperkte houdbaarheid op het einde van een markt. als externe omstandigheden het niet (langer) mogelijk maken om zonder verlies te verkopen;
VOORBEELD
Goederen die technologisch voorbijgestreefd zijn, zoals audiocassettes. als om dwingende concurrentiële redenen, de prijs afgestemd moet worden op die van de concurrentie.
Voor een aantal ondernemingen is de schade die zij lijden wegens overtreding door een andere verkoper soms niet te overzien en brengt een schadevergoeding vaak weinig soelaas. Dat is nog erger als men vaststelt dat het verkrijgen van schadevergoeding bijzonder veel tijd kan innemen. Het blijft natuurlijk altijd mogelijk een schadevergoeding te vragen.
De wetgever heeft daarom voorzien in een bijzondere, snelle procedure, namelijk de vordering tot staking, die moet worden ingediend bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
De vordering tot staking kan zowel worden ingesteld door een benadeelde ondernemer als consument. De vordering kan ook ingesteld worden door een beroeps- of interprofessionele vereniging, een in de Raad voor het Verbruik vertegenwoordigde consumentenorganisatie, de directeur-generaal van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, Kmo, middenstand en Energie of de minister van Economische Zaken. De vordering tot staking kan ook, afzonderlijk of gezamenlijk, worden ingesteld tegen verscheidene verkopers van dezelfde economische sector of hun verenigingen die gebruikmaken of het gebruik aanbevelen van dezelfde of soortgelijke verboden algemene contractuele bedingen.
De procedure is een procedure zoals in kortgeding. Dit betekent dat vorm en termijnen van het kortgeding worden gevolgd, maar dat de beschikking die wordt uitgesproken ten gronde wordt geveld. Bovendien is de uitspraak wel uitvoerbaar bij voorraad (d.w.z. voorlopig uitvoerbaar niettegenstaande verzet of beroep).
De sanctie die de rechter kan opleggen, is het stakingsbevel. Er wordt aan de overtreder verboden om het onwettig gedrag nog verder te begaan of te herhalen. Vaak zal een dergelijk verbod gepaard gaan met een dwangsom die wordt opgelegd. Ook kan de rechter de publicatie of de aanplakking van het stakingsbevel opleggen zowel binnen als buiten de inrichting van de overtreder of door publicatie in kranten.
Alle bepalingen over handhaving (bevoegdheden, procedure, sancties …) worden volgens de logica van het WER opgenomen in een apart boek: Boek XV.
De Algemene Directie Economische Inspectie (ADEI) is de federale economische controledienst. Ze is een onderdeel van de FOD Economie, Kmo, Middenstand en Energie. Naast andere wetgevingen, zijn de (beëdigde) ambtenaren van de ADEI bevoegd voor de opsporing en vaststelling van inbreuken op boek VI WER (Marktpraktijken en Consumentenbescherming).
Zij hebben daarvoor bepaalde opsporingsbevoegdheden, zoals het betreden van werkplaatsen, vaststellingen doen, monsters nemen, zich documenten doen voorleggen … Zij kunnen ook processenverbaal die bewijskracht hebben tot bewijs van het tegendeel, opstellen. Dat wil zeggen dat de vaststelling als waar beschouwd wordt tot de overtreder eventueel kan bewijzen dat de vaststelling toch niet naar waarheid is. Het woord vaststelling moet letterlijk genomen worden: het zijn de persoonlijke zintuiglijke waarnemingen (de visu et de auditu) van de verbalisant.
In boek XV wordt ook een waarschuwingsprocedure vooropgesteld. Een ambtenaar van de ADEI kan aan de overtreder een waarschuwing richten waarbij hij wordt aangemaand tot stopzetting van de handeling.
In de waarschuwing zullen opgenomen worden: de feiten, welke wetsbepalingen overtreden werden, de termijn waarbinnen stopzetting wordt geëist en dat er een vordering tot staking ingezet zal worden. De controleambtenaar bepaalt die termijn discretionair, maar zal uiteraard wel het redelijkheidsprincipe moeten respecteren.
Boek XV voorziet ook strafbepalingen. Zowel geldboetes als gevangenisstraffen zijn mogelijk. Dat houdt in dat de meeste bepalingen in het WER tot het (bijzonder) strafrecht behoren. Overtredingen kunnen dus door het parket vervolgd worden voor de strafrechtbanken. Een ander gevolg daarvan is het feit dat strafrecht van openbare orde is. Dat houdt in dat het niet noodzakelijk is dat een overtreding enige schade aanricht, de loutere overtreding van de bepaling is voldoende om vervolging te riskeren.
VOORBEELD
Er zijn 6 niveaus van strafrechtelijke boetes.
Sanctie niveau 1: een strafrechtelijke geldboete van minimum 26 euro tot een maximumbedrag van 5 000 euro of tot 4% van de totale jaaromzet, indien dit hoger is dan 5 000 euro.
Sanctie niveau 6: een strafrechtelijke geldboete van minimum 500 euro tot een maximumbedrag van 100 000 euro of tot 6% van de totale jaaromzet, indien dit hoger is dan 100 000 euro. Een onderneming met een totale jaaromzet van 1 000 000 euro in het jaar voorafgaand aan de inbreuk van niveau 6, zal een boete kunnen opgelegd worden van 100 000 euro maal 10 (de huidige opdeciemen). 6% van de omzet is lager dan 100 000 euro. Het behoud in de wetgeving van de bestaande maximumbedragen voorkomt dat ondernemingen constructies zouden kunnen maken om de omzet zo laag mogelijk te houden.
Met de totale jaaromzet wordt bedoeld: de jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan het opleggen van de geldboete, en waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen.
Vanaf een sanctie niveau 5 kan er ook een gevangenisstraf toegevoegd worden. Die kan gaan van één maand tot vijf jaar.
Wanneer er geen informatie beschikbaar is over de totale jaaromzet dan bedraagt het maximumbedrag van de geldboete 2 miljoen euro (de opdeciemen zijn op dit bedrag niet van toepassing).
Als een inbreuk vastgesteld is, kunnen daartoe specifiek aangestelde ambtenaren een transactie voorstellen (de betaling van een geldsom) die de strafvordering doet vervallen. Sinds september 2020 werd ook een regime van administratieve boetes in het leven geroepen.
Weetje: op initiatief van de FOD Economie werd de website Consumer Connect opgericht. Via deze site kunnen consumenten inbreuken melden op de wetgeving ter bescherming van de consument. Je vindt op deze website ook heel wat informatie terug over je rechten en plichten als consument. https://consumerconnect.be/nl/meld-ons-iets
7 Marktpraktijken en consumentenbescherming: casussen
1 Frank, een beginnend producent van vruchtennectar, wenst de verkoop van zijn product te bevorderen. Hij stelt een reclamefolder op waarin hij erop wijst dat vruchtennectar veel geschikter is voor kinderen dan limonade aangezien dit laatste product te veel suiker en koolzuurgas bevat. Bovendien wijst hij erop dat limonade veel minder vruchten bevat dan nectar en dat limonade niet zo goed in staat is de dorst te lessen. Joris, directeur van een limonadefabriek, krijgt deze folder in handen en vraagt zich af of die reclame zomaar kan, en zo nee, welke stappen hij hiertegen kan ondernemen.
2 Aangezien Marc en Linda binnenkort gaan samenwonen, zijn ze momenteel volop op zoek naar meubelen. Op de jaarbeurs in Geel komen ze terecht bij een verkoper van leren salonameublementen, die hen een zeer grote korting op het door hen uitgekozen model aanbiedt. Verblind door de mooie praatjes van de verkoper happen Marc en Linda toe en ondertekenen een bestelbon voor een salonameublement ten bedrage van 5 250 EUR. Op dezelfde jaarbeurs kopen zij een koffiezetapparaat van 80 EUR, dat zij contant betalen en onmiddellijk meenemen naar huis. Thuisgekomen beseffen ze evenwel dat de prijs van het salon hun budget te boven gaat en zij wensen de koop ongedaan te maken. Ook het koffiezetapparaat wensen zij terug te brengen omdat Linda’s moeder er juist ook één voor het jonge koppel had gekocht. Quid?
3 Marleen ontvangt sinds enkele maanden geregeld kaarten (met recepten, dinosaurussen, motors …) die haar worden toegestuurd door een firma uit het Brusselse. Zij beweert echter nooit zulke kaarten te hebben besteld en ze weigert de rekening te betalen. Dat alles heeft er al toe geleid dat de firma inmiddels een incassobureau heeft ingeschakeld dat nu zelfs dreigt met gerechtelijke stappen. Wat zou je Marleen aanraden?
4 Bert heeft net een frituur in het Mechelse stadscentrum overgenomen. Voor de aankoop van zijn sausen en vleeswaren wendt hij zich, op advies van diegene die hem de handelszaak verkocht, tot een groothandel in Antwerpen. Na heel wat materiaal op zijn winkelwagentje te hebben geladen, merkt hij aan de kassa tot zijn verbazing dat de prij- zen die op de rekken werden aangegeven exclusief btw waren. Bert gaat hiermee niet akkoord en treedt in discussie met de kassier. Heeft hij het gelijk aan zijn kant?
5 Boris, uitbater van een kleine elektrozaak, krijgt een wel erg mondige klant over de vloer. ‘Mijnheer’, zegt de klant, ‘bij nader inzien koop ik toch maar bij de grote elektrozaak in het shoppingcenter, want die heeft nu een speciale aanbieding: Nu twee jaar garantie op alle producten.’Wat moet Boris hiervan denken?
6 Rita heeft in de wekelijkse promotiekrant van een grote supermarktketen een wel erg interessante aanbieding gezien. Een digitale camera voor slechts 75 EUR. Aangezien de promotie ingaat op dinsdag, staat ze al voor openingstijd aan de winkeldeur. Ze is niet alleen. Er staat al een hele rij wachtenden voor haar. Eindelijk is het zover. De deuren worden geopend en de rij stormt naar de camera’s. Helaas, Rita is net te laat. De laatste camera wordt voor haar weggenomen. ‘Op is op’, zegt de winkelbediende. Een beetje beteuterd denkt Rita terug aan de lessen economisch recht en denkt …
7 Bart is een dynamisch ondernemer. Hij baat een bloeiende elektrozaak uit in een kleine stad. Zijn bedrijfsmodel is de combinatie van een zeer goede en persoonlijke service en zeer lage prijzen. Daarvoor gaat hij altijd op zoek naar interessante leveranciers. Onlangs vond hij een Chinese producent van mp3-spelers. Hij kocht een lot mp3-spelers in aan 25 EUR per stuk. Bij andere producenten zou hij gemakkelijk 35 EUR betalen voor een vergelijkbaar product. Aangezien hij ze aan 50 EUR kan verkopen, kan hij zijn winstmarges aanzienlijk vergroten. Maar er zijn kapers op de kust. Een concurrerende elektrozaak biedt enkele weken later net hetzelfde product aan, van dezelfde producent, voor 24,99 EUR! Wat moet hij hiervan denken? Wat kan hij doen?
8 Cheng is een startend ondernemer. Hij zet een e-commercebedrijfje op en laat daarvoor een logo ontwerpen. Om zich te beschermen laat hij het logo als merk registreren. Groot is zijn verbazing als amper één week later een andere e-commercewebsite opduikt met een logo dat heel sterk op dat van hem lijkt. Boos schrijft hij een e-mail naar de concurrerende website en dreigt met een vordering tot staking zoals voorzien in het WER. Het snelle en al even droge antwoord luidt dat dat niet kan omdat niets in het WER het gebruik van het logo verbiedt. Wat nu?
9 Eva heeft als consument al jaren fitnessabonnement bij hetzelfde fitnesscenter. Het gaat om een abonnement voor 1 jaar dat telkens stilzwijgend wordt verlengd. Op een dag besluit ze uit te zoeken of ze geen goedkoper abonnement kan vinden. Die zoektocht levert al snel resultaten op. Op 20 januari vindt ze een goedkoper alternatief. Daarom informeert ze bij haar fitnesscenter over hoe en wanneer ze haar abonnement kan opzeggen. Het antwoord luidt: ‘Uw contract loopt elk jaar vanaf 1 december t.e.m. 30 november van het jaar daarop. Conform de wet bedraagt de opzegtermijn 2 maanden. U kunt het contract daarom opzeggen per 30 november, op voorwaarde dat u de opzegging ten laatste op 30 september doet.’ Eva moet dus nog bijna een jaar wachten om haar contract te kunnen opzeggen. Correct?
10 Patrick heeft via de website van een sportkledingmerk een paar voetbalschoenen besteld. Patrick is thuis als de doos met schoenen geleverd wordt. Tot zijn verbazing is de doos vochtig en beschadigd, en Patrick vertrouwt het zaakje niet. Hij opent de doos en ziet dat ook de schoenen beschadigd zijn. Zijn eerste reactie is om het pakket te weigeren, maar de leveringsdienst zegt dat dit niet zomaar kan en dat Patrick het met de verkoper moet regelen. Wat kan Patrick doen?
11 Jozefien bestelt online een jurk voor een feestje dat er over anderhalve maand aankomt. Ze heeft vooraf betaald. De normale voorziene en vermelde levertijd op de website is levering binnen de vijf dagen. Dat is prima, denkt Jozefien. Maar na vijf dagen werd haar pakje niet geleverd. Na contact met de firma en na de mondelinge belofte van een snelle levering is er na vijftien dagen nog steeds geen jurk aangekomen. Jozefien vertrouwt het niet meer, en zou de aankoop willen annuleren. Wat kan ze doen?
12 Anna kocht online een smartphone voor haar dochter Femke. Veel plezier heeft Femke er nog niet aan beleefd. De smartphone werd al drie keer teruggestuurd voor herstelling. Dat heeft heel wat telefoonkosten opgeleverd met de dienst na verkoop, want die dienst heeft immers een betalend 900-nummer. Kan dit zomaar? Kun je daar als consument iets tegen doen?
Hoofdstuk 2 De wettelijke garantie
De wettelijke garantie vindt zijn oorsprong in een Europese richtlijn en werd in België verankerd in het Burgerlijk Wetboek en voor wat de bestraffing betreft in het WER.
De wetgeving op garantie, en dus de bescherming van de consument, is versterkt en ook de goederen met een digitaal element zijn erin ondergebracht sinds 1 juni 2022. Deze evolutie in de wetgeving volgt de maatschappelijke trend gezien de bekommernis tot meer duurzaamheid van consumptiegoederen en de forse opmars van digitale producten.
Er werd ook een Europese richtlijn gepubliceerd op 10 juli 2024, de zogenaamde ‘right to repair’richtlijn. Het is de bedoeling om vroegtijdig weggooien van gekochte producten in te dijken en in te zetten op reparatie (duurzame consumptie). Als goederen tijdens de wettelijke garantieperiode moeten worden gerepareerd, wordt de garantie met één jaar verlengd. Let wel: de richtlijn moet nog omgezet worden in de Belgische wetgeving.
Het gaat hier over garantie bij de verkoop van consumptiegoederen aan de consument.
Het basisprincipe van de wettelijke garantie is dat elke verkoper verantwoordelijk is voor de eigenschappen en de kwaliteit van de goederen die hij levert of waarvoor hij reclame maakt. Wat de verkoper met andere woorden levert, moet overeenstemmen met de reclame die hij maakte maar ook met wat de gemiddelde consument redelijkerwijs van het product kan verwachten. Men noemt deze overeenstemming, conformiteit. En bij gebrek daaraan is er een ‘conformiteitsgebrek’
VOORBEELD
Als je een gsm koopt, kan je ervan uitgaan dat het toestel toelaat om te telefoneren.
2 Over welke consumptiegoederen gaat het?
Consumptiegoederen zijn alle roerende lichamelijke goederen, met of zonder digitale elementen. Een goed met digitale elementen betekent een goed: waarin digitale inhoud of digitale diensten in zijn verwerkt of; die daarmee onderling verbonden is; op zodanige wijze dat het ontbreken van die digitale inhoud of die digitale diensten ertoe zou leiden dat het consumptiegoed zijn functies niet kan vervullen.
Sinds 2024 worden ook levende dieren als een consumptiegoed beschouwd en geldt er garantie voor.
VOORBEELD
Gegevens die in digitale vorm worden geproduceerd en geleverd, zoals software op computers of gestreamde media.
Digitale diensten zoals computerprogramma’s, applicaties, videobestanden, audiobestanden, muziekbestanden, digitale spellen, e-boeken, diensten voor het hosten van bestanden, spellen in de cloud, ...
3 Wanneer stemt het product (niet) overeen?
Om tot overeenstemming of conformiteit te kunnen besluiten, moet het geleverde goed in overeenstemming zijn met de beschrijving (type, hoeveelheid, kwaliteit, functionaliteit, compatibiliteit, ...) die de verkoper ervan gegeven heeft in de verkoopovereenkomst. Het goed moet de eigenschappen bezitten van de modellen of monsters die de verkoper eventueel toonde.
Voor een levend dier gaat het dan om een goede gezondheid (ook genetisch), een correct overeenstemmend ras, leeftijd, etc.
VOORBEELD
Een laptop met het label CORE I7 moet uiteraard ook werkelijke een CORE I7 processor bevatten. Een app, verkocht of aangeboden bij een wagen of een huishoudtoestel, als zijnde compatibel moet dan ook de mogelijkheid bieden om die te installeren op de gangbare smartphones (en dus op verschillende besturingssystemen).
Het geleverde goed moet geschikt zijn voor elk specifiek gebruik dat de consument wenst en dat door de verkoper werd aanvaard.
VOORBEELD
Als je een camera koopt omdat hij een bepaald zoombereik heeft, dan moet het toestel ook over dit bereik beschikken.
Het geleverde goed moet samen met alle toebehoren en instructies (ook installatie-instructies) geleverd worden.
VOORBEELD
Het geleverde goed moet de updates krijgen die in de verkoopovereenkomst bepaald worden. Dit is belangrijk voor consumptiegoederen met een digitaal element.
VOORBEELD
De updates van de software van een hartslagmeter, zoals bij de verkoop voorzien.
Vervolgens moet het goed geschikt zijn voor het gebruik dat men van soortgelijke goederen gewoonlijk mag verwachten.
VOORBEELD
Van de huidige generatie gsm’s kan je verwachten dat je naast telefoneren ook sms’en kunt versturen met het apparaat.
Van een afwasmachine mag je verwachten dat ze de vaat ook afspoelt.
Ten slotte moet het goed de prestaties en de kwaliteit leveren die men van soortgelijke goederen doorgaans mag verwachten, rekening houdend met de aard van het goed en de door de verkoper gedane mededelingen.
VOORBEELD
Van een stofzuiger mag je verwachten dat hij krachtig genoeg is om stof op te zuigen; als de verkoper publiekelijk beweert dat je er ook stenen mee kunt opzuigen, dan moet het toestel dat ook kunnen presteren.
Als de installatie van een goed, bv. een garagepoort, deel uitmaakt van het koopcontract, wordt een eventueel verkeerde installatie ook als niet-overeenstemming beschouwd. Als het goed door de consument zelf wordt geïnstalleerd, kan er niet besloten worden tot niet-overeenstemming behalve als de foutieve montage het gevolg is van een fout in de montagehandleiding.
De termijn van de wettelijke garantie begint te lopen na de levering van het product en bedraagt twee jaar. Enkel voor levende dieren is de termijn beperkt tot 1 jaar. Als men dus de niet-conformiteit van een product binnen twee jaar na levering vaststelt, kan men zich beroepen op de wettelijke garantie en de verkoper aansprakelijk stellen voor het conformiteitsgebrek. Dit geldt dus ook expliciet voor goederen met digitale inhoud en digitale diensten. Bij het inroepen van een conformiteitsgebrek binnen de twee jaar na de levering wordt dit gebrek ook vermoed al aanwezig te zijn geweest bij de levering. De verkoper mag wel het tegenbewijs leveren. Als hij daar in slaagt moet hij geen garantie geven.
Wanneer de overeenkomst evenwel voorziet in het continu leveren van digitale diensten of inhoud voor een periode langer dan twee jaar, dan kan de verkoper aansprakelijk gesteld worden voor conformiteitsgebreken gedurende die hele contractuele periode.
De garantietermijn wordt opgeschort:
Tijdens de periode vereist voor de herstelling of de vervanging van het goed. Een recente Europese richtlijn stelt dat als goederen tijdens de wettelijke garantieperiode moeten worden gerepareerd, de garantie met één jaar wordt verlengd. Die richtlijn zal nog in het Belgische recht moeten worden verwerkt.
In geval van onderhandelingen tussen de verkoper en de consument met het oog op een minnelijke schikking.
Voor tweedehandsgoederen kan een kortere termijn overeengekomen worden, maar die mag niet minder bedragen dan 1 jaar. Het is aan de verkoper om deze afwijkende overeenkomst met de consument te bewijzen.
Als het gebrek wordt vastgesteld, moet de consument dat binnen de 2 maanden melden aan de verkoper. De verkoper en de consument kunnen wel een langere termijn overeenkomen.
Na het verstrijken van de termijn van twee jaar valt de consument terug op de regelgeving inzake verborgen gebreken uit het Burgerlijk Wetboek. Deze biedt hem echter minder middelen om herstel te verkrijgen en legt de bewijslast van het bestaan van het gebrek op het ogenblik van de verkoop volledig bij hem.
Als er een gebrek aan overeenstemming wordt vastgesteld, heeft de consument het recht: zich het goed kosteloos te laten vervangen of herstellen (in functie van mogelijkheid en redelijkheid); het genezen in geval van een (ziek) dier; Hoofdstuk 2 De wettelijke
als herstelling of vervanging niet haalbaar is (wegens technisch onmogelijk, onredelijk of niet mogelijk binnen een redelijke termijn), zich een prijsvermindering te laten toekennen of de verkoop te laten ontbinden.
Prijsvermindering of ontbinding kan in elk geval wanneer: de verkoper nog geen herstelling of vervanging voltooid heeft; de verkoper geweigerd heeft het goed in overeenstemming te brengen omwille van onevenredige kosten die dit zou veroorzaken; er nog steeds non-conformiteit is ondanks pogingen tot herstel; het conformiteitsgebrek zo ernstig is dat prijsvermindering of ontbinding gerechtvaardigd is; blijkt dat herstelling of vervanging niet mogelijk is binnen een redelijke termijn of zonder ernstige overlast voor de consument.
De consument kan eventueel ook een schadevergoeding vorderen.
Bij vervanging of herstel wordt de garantietermijn van twee jaar geschorst tot voltooiing van de vervanging of de herstelling (zie wettelijke termijnen garantie).
Bij het onlinemateriaal vind je twee modelbrieven garantie (één voor bestelling vóór 1 juni 2022 en één voor bestelling vanaf 1 juni 2022). Het gaat over gebrek aan overeenstemming, vraag voor herstellen of vervangen binnen redelijke termijn, zo niet terugbetaling.
Er is een verschil tussen de wettelijke garantie en de commerciële garantie. De wettelijke garantie is van rechtswege van toepassing. De consument hoeft deze dus niet te onderhandelen en de verkoper kan ze niet beperken. De commerciële garantie is facultatief, dus niet verplicht. Ze kan al dan niet door de eindverkoper of de fabrikant worden verleend. De commerciële garantie is wel aan een aantal regels onderworpen:
1 De commerciële garantie heeft geen enkele invloed op het bestaan of de toepassing van de wettelijke garantie. Zij mag de wettelijke garantie dus niet inperken. Ze komt bovenop de wettelijke garantie.
2 De commerciële garantie kan zowel door de eindverkoper als door de fabrikant gegeven worden, maar ze is dan ook bindend voor diegene die haar aanbiedt. Ze bindt de verkoper ook voor de beweringen over het product en voor wat betreft de duurzaamheid van het product.
3 Verder zijn er een aantal verplichte vermeldingen. De commerciële garantie moet wijzen op het bestaan van de wettelijke garantie en moet ook de duur, het geografisch toepassingsgebied en de naam en het adres van de aanbieder van de garantie bevatten.
4 Indien de garantie niet conform de vereisten is, doet dat geenszins afbreuk aan de rechten van de consument.
VOORBEELD
De commerciële garantieperiode voor metalen friteuses van de fabrikant FriFri is 10 jaar. Er wordt duidelijk vermeld dat ‘de voorwaarden van deze garantie de toepassing van de wettelijke garantie voor defecten en verborgen gebreken niet uitsluit.’ https://frifri.be/nl/algemene-voorwaarden/
1 Rik koopt een stofzuiger in een elektrozaak. In het begin werkt het toestel perfect maar na 13 maanden geeft het ding de geest. Rik gaat terug naar de elektrozaak. Hij gaat er immers van uit dat hij 2 jaar wettelijke garantie geniet. De verkoper zegt hem echter dat de fabrieksgarantie slechts 1 jaar bedraagt, en die is helaas verstreken. Rik protesteert en oppert dat de wettelijke garantie 2 jaar bedraagt. De verkoper geeft hem gelijk en zegt dat de fabrikant in fout is omdat die onvoldoende garantie biedt. Wat nu?
2 Lowie heeft de gewoonte met ondernemers te onderhandelen en om altijd een of andere korting te krijgen. Meestal lukt hem dat ook. Vandaag wil hij een hifi-installatie kopen. Na veel over en weer gepalaver, kent de verkoper hem uiteindelijk een korting van 500 EUR toe. Maar dat doet de verkoper alleen onder de voorwaarde dat Lowie afstand doet van de garantie voor niet-conformiteit. Lowie moet dus afwegen of het risico op een defect opweegt tegen de korting of niet? Wat denk jij hiervan?
3 Lieve koopt een tweedehandse e-bike. Na vier maanden is de batterij al aan herstelling toe. Lieve contacteert de verkoper volgens haar nog binnen de wettelijke garantieperiode maar die zegt dat er maar drie maanden garantie is op tweedehandsgoederen. Klopt dat?
4 Leo kocht een haagschaar. Al snel heeft hij er keer op keer technische problemen mee. Leo gaat met de haagschaar dan ook terug naar de winkel om ze te laten repareren binnen de wettelijke garantieperiode van twee jaar. Maar daar krijgt hij te horen dat de garantie vervalt omdat de haagschaar niet meer in de originele verpakking zit. Klopt het dat je altijd de goederen in de originele verpakking moet terugbrengen voor reparatie binnen garantie?
5 Adil wil duurzaam en spaarzaam omgaan met energie en hij installeert een lucht-lucht-warmtepomp. Hierbij hoort een digitale app om van op afstand het verbruik af te lezen en de stand en temperatuur van de units te regelen. Na een jaar merkt Adil (van de ene dag op de andere) dat niet alle functionaliteiten op zijn app nog te gebruiken zijn. Adil contacteert de verkoper/installateur maar die verwijst naar de producent. Daar krijgt Adil te horen dat het misschien aan zijn wifi of modem of zo ligt of aan zijn smartphone. Maar een beetje later krijgt hij te horen dat er een nieuwe, geüpdatete app is gelanceerd Welke rechten heeft Adil in deze? Welke verplichtingen hebben de verkoper en de producent?
6 Shania heeft een dalmatiërpuppy gekocht bij een kweker. Wanneer het dier geleverd wordt, en bij het opgroeien blijkt dat het hondje niet goed hoort en helemaal doof dreigt te worden. Shania is heel ontgoocheld. En ze informeert zich bij een dierenkliniek die aangeeft dat doofheid bij Dalmatiërs voorkomt door een actieve selectie naar ronde, scherp afgetekende vlekken waardoor doofheid mee overgeërfd wordt. Er is dus sprake van een genetische ziekte. Heeft Shania rechten in het kader van de wettelijke garantie? Zo ja, welke en waarom? Hoofdstuk 2
Als je een grote (dure) aankoop wil of moet doen, maar je beschikt niet over voldoende geld om die aankoop in één keer te financieren, dan kan een krediet soelaas bieden. Met een krediet kan je de betaling spreiden over x aantal maanden.
De bekendste vorm is het hypothecair krediet. De meeste mensen beschikken niet over zoveel spaargeld om een huis te kunnen kopen. Maar krediet kan ook voor het aankopen van consumptiegoederen (een televisie, een tablet, een auto …) Dat is het consumentenkrediet. Er zijn ook nieuwe vormen ontstaan zoals ‘buy now, pay later’, koop nu en betaal achteraf. Die vorm neemt vooral bij online aankopen een belangrijke plaats in. De FOD Economie startte een campagne gericht op jongeren met aandacht voor de valkuilen (https://news.economie.fgov.be/249525-later-betalen-pas-op-voor-de-payback).
Het consumentenkrediet heeft dus een economische functie en is ook meer en meer belangrijk voor de duurzame energietransitie, zoals voor de aankoop van warmtepompen, zonnepanelen, laadpalen voor elektrische wagens, isolatie enz. Maar er schuilt ook gevaar in. De mogelijkheid om producten op afbetaling te kopen doet de prijs kleiner lijken. Het is immers maar een klein maandbedrag. Maar een opstapeling van kredieten leidt al snel tot situaties waarbij de kredietnemer zijn financiële draagkracht te boven gaat. Hij kan zijn schulden niet meer terugbetalen en komt in een financiële nachtmerrie terecht.
De wetgeving op het consumentenkrediet heeft tot doel om het systeem van consumentenkrediet leefbaar te houden voor alle partijen. Ze regelt de reclame hierover zodat het nemen van een krediet niet als al te verleidelijk wordt weergegeven en ze bevat een hele reeks verplichtingen voor de aanbieders om de consument tegen wanbetaling en dus tegen zichzelf te beschermen.
Consumentenkrediet is een erg complexe materie met veel gedetailleerde regelgeving. We beperken ons hier tot de hoofdlijnen aan de hand van een herkenbare situatie. En daarna vermelden we de soorten consumentenkrediet verduidelijkt met een voorbeeld.
Je ziet een reclame voor een iPhone. De reclame prijst een afbetalingsformule aan die ‘amper’ 7 % zou kosten. Om wettelijk correct te zijn moet de reclame de volgende elementen bevatten. Er moet een representatief voorbeeld gegeven worden dat de volgende standaardinformatie bevat: de debetrentevoet, vast en/of veranderlijk; specifieke informatie over eventuele andere kosten die in de totale kosten van het krediet voor de consument worden opgenomen; het kredietbedrag; het jaarlijkse kostenpercentage; de duur van de kredietovereenkomst; de contante prijs en het bedrag van eventuele voorschotten en het totale door de consument te betalen bedrag en het bedrag van de afbetalingstermijnen.
Het representatief voorbeeld moet duidelijk, beknopt, opvallend en indien van toepassing hoorbaar zijn (bv. in een radio- of tv-spot).
Elke reclame voor consumentenkrediet moet letterlijk de boodschap ‘Let op, geld lenen kost ook geld’ bevatten.
Een variant zoals ‘Opgelet, geld lenen kost ook geld’ of ‘Let op, geld lenen kost ook geld, maar advies vragen kost jou niks’ mag dus niet.
Je bent geïnteresseerd en je gaat naar de winkel en spreekt de verkoper aan over de reclame. De verkoper legt je de voorwaarden van het aanbod uit. De verkoper is hier de ‘kredietbemiddelaar’. Het is niet de verkoper die jou het geld ‘leent’. Het geld wordt uitgeleend door een financiële onderneming die met de verkoper een overeenkomst heeft gesloten. De verkoper verkoopt dus niet alleen IPhones, maar ook ‘kredieten’. Als ‘kredietbemiddelaar’ heeft hij een aantal verplichtingen.
Hij zal moeten onderzoeken of de consument in staat lijkt om het krediet effectief terug te betalen. Dat gebeurt aan de hand van een formulier (tot kredietaanvraag of informatieaanvraag). In ieder geval moeten de volgende aspecten in kaart worden gebracht: het doel van het krediet; het inkomen van de consument; de personen ten laste; de lopende financiële verbintenissen.
De consument en de borgsteller zijn verplicht om op die vragen juist en volledig te antwoorden.
Men moet de consument informeren aan de hand van een formulier genaamd: ‘Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet,’ ook aangeduid met de Engelstalige afkorting SECCI: Standard European Consumer Credit Information.
De kredietgever is de financiële instelling die effectief het krediet verleent. Zij is verantwoordelijk voor het al dan niet toekennen van het krediet. Ze zal daarvoor de informatie die de kredietbemiddelaar verkreeg gebruiken, maar ze is ook verplicht om zelf een grondig onderzoek te doen naar de terugbetalingsmogelijkheden van de consument en dus onder meer na te gaan of de consument niet geregistreerd staat als wanbetaler.
Als het krediet aanvaard wordt, komt er een kredietovereenkomst. Die moet nauwgezet alle info over het krediet bevatten. Zo ook wat er verschuldigd is in geval van wanbetaling. Principe is dat van de consument niets geëist mag worden dat niet in de kredietovereenkomst is voorzien.
Een van de belangrijkste elementen is het Jaarlijks Kostenpercentage (JKP).
Het jaarlijks kostenpercentage is een percentage uitgedrukt op jaarbasis (jaarlijkse rentevoet) waarbij rekening wordt gehouden met alle kosten die verbonden zijn aan het krediet, zowel bestaande als toekomstige (die worden financieel-technisch geactualiseerd). Daarin zitten dus ook vervat: de aflossingen en de totale kosten van het krediet voor de consument. Het JKP is aan strikte regels onderworpen. De toegelaten maximale JKP’s worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Het maximale JKP bij een verkoop op afbetaling bedraagt voor een kredietbedrag tot 1 250 EUR 20,5 %. Voor een kredietbedrag van meer dan 1 250 EUR tot 5 000 EUR 15,5 % en boven 5 000 EUR is het 12 %.
Met het JKP kan men met andere woorden de totale kostprijs van een krediet inschatten. Dat is bijgevolg een goede vergelijkingsmaatstaf. De Europese richtlijn heeft bovendien als doelstelling om voor alle EU-lidstaten een gemeenschappelijke berekeningsmethode te gebruiken zodat kredieten voor de consument vergelijkbaar zijn over de lidstaten heen.
Bij het onlinemateriaal kun je een document vinden met de evolutie van de maximale jaarlijkse kostenpercentages voor de verschillende kredietvormen.
De consument heeft het recht om van de kredietovereenkomst af te zien binnen een termijn van veertien dagen te rekenen vanaf de dag van de ondertekening van de overeenkomst (herroepingsrecht of bedenktermijn genoemd).
Om van de kredietovereenkomst af te zien, moet de consument de kredietgever daarvan met een aangetekende brief op de hoogte brengen. Bij kredietovereenkomsten waarbij lichamelijke goederen ter beschikking worden gesteld, geeft de consument de goederen onmiddellijk terug. Bij de overige kredietovereenkomsten betaalt hij het kapitaal uiterlijk binnen de dertig dagen terug.
De consument zal ook de rente voor de kredietopnemingsperiode moeten betalen. De kredietgever mag geen enkele andere vergoeding eisen en het voorschot dat werd betaald in het kader van een verkoop op afbetaling, moet hem worden teruggestort binnen de dertig dagen volgend op dat afzien van de overeenkomst.
We geven hier tot slot nog even een opsomming van de verschillende soorten consumentenkrediet.
De lening op afbetaling is elke kredietovereenkomst, waarbij geld of een ander betaalmiddel ter beschikking wordt gesteld van een consu ment. De consument verbindt zich er toe om de lening terug te betalen door periodieke stortingen
Het is je droom om er met een volledig ingericht busje een jaar lang op uit te trekken. Je leent voor de aankoop, een opknapbeurt van het busje en wat reisuitrusting een bedrag van 15 000 euro. Er wordt met de bank afgesproken dat je zal terugbetalen in 48 maanden. Per maand gaat het om een bedrag van 381,21 euro. Uiteraard ga je hierop intrest betalen (bv. in dit geval een JKP van 10,59 %). Dat
betekent dat je in totaal 18 298,08 euro zal terugbetalen aan de bank. Dus let op: geld lenen kost ook geld.
De verkoop op afbetaling is elke kredietovereenkomst die leidt tot het verwerven van lichamelijk roerende goederen of levering van diensten, verkocht door de kredietgever of de kredietbemiddelaar en waarvan de prijs wordt betaald door middel van periodieke stortingen.
VOORBEELD
Je koopt een televisietoestel of meubels op afbetaling. Je spreidt de terugbetaling in de tijd door op regelmatige tijdstippen een bedrag aan de ondernemer (kredietgever) terug te betalen.
Als een ondernemer of een persoon je een kredietovereenkomst wil aanbieden check dan altijd eerst of deze de nodige vergunning heeft hiervoor. Dit kan via de check-uw-aanbieder bij de FSMA (de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten) op https://www.fsma.be/nl/check-uw-aanbieder.
De kredietopening is elke kredietovereenkomst, waarbij koopkracht, geld of gelijk welk ander betaalmiddel ter beschikking wordt gesteld van de consument. De consument kan ervan gebruikmaken door een of meerdere kredietopnemingen te verrichten. Dat kan met behulp van een betaalinstrument of op een andere wijze (door gebruik van overschrijvingen, geldopname, …). De consument verbindt zich ertoe het bedrag terug te betalen volgens de overeengekomen voorwaarden. Een kredietopening geeft de consument dus eigenlijk een soort ‘geldreserve’.
VOORBEELD
De bank geeft jou de mogelijkheid om via je zichtrekening tot een bepaald bedrag in het rood te gaan. Uiteraard betaal je hierop intresten en dit over de gehele periode waar je dus onder nul gaat op je rekening. Het is altijd verstandig om te kiezen voor een minimaal limietbedrag om in het rood te mogen gaan.
De te betalen intresten verschillen van bank tot bank. Op spaargids.be kun je de intresten voor kredietopening bij de verschillende banken vergelijken. https://www.spaargids.be/sparen/geldreserve.html
Krediet gekoppeld aan een kredietkaart. Met een kredietkaart kun je aankopen doen waarbij de bedragen pas één keer per maand worden afgerekend via je bankrekening. Normaal betaal je per maand via de zichtrekening het bedrag integraal terug.
Maar als je niet voldoende geld op je rekening staan hebt, dan kun je kiezen om een terugbetaling in schijven te doen. Natuurlijk betaal je dan intresten, want dan gaat het hier over een kredietopening gekoppeld aan een kredietkaart. Dit is een heel dure kredietvorm!
VOORBEELD
Een kredietkaart (Diners Club, American Express, Mastercard, Visa …)
Financieringshuur is elke kredietovereenkomst waarbij de ene partij (verhuurder) zich ertoe verbindt de andere het genot van een lichamelijk roerend goed te verschaffen tegen een bepaalde prijs, waarbij die partij zich ertoe verbindt die bepaalde prijs periodiek te betalen. In de kredietovereenkomst zit, eveneens expliciet of stilzwijgend, een koopaanbod (koopoptie) vervat. De verhuurder wordt beschouwd als kredietgever of kredietbemiddelaar.
VOORBEELD
Het leasen van een wagen. Hierbij huur je een nieuwe wagen van een autoverkoper. Je betaalt dan een vast maandelijks bedrag aan de verkoper. Er wordt vooraf een termijn afgesproken waarna je ofwel de wagen terug geeft aan de verkoper ofwel koop je de wagen. De prijs van de wagen waartegen jij hem na de vaste termijn kan kopen is vastgelegd in het contract van financieringshuur. De autoverkoper wordt hier beschouwd als kredietgever.
3 Consumentenkrediet: casussen
1 Geef voor elk van de volgende gevallen aan of de wetgeving over consumentenkrediet toepassing vindt of niet en motiveer je antwoord:
Een gezin gaat een lening op afbetaling aan ten bedrage van 35 000 EUR om een elektrische wagen en een laadpaal aan te kopen voor privégebruik.
Een bakker die zijn zaak voert onder een eenmanszaak, gaat een krediet aan voor de aankoop van een bestelwagen voor de zaak.
–
Een echtpaar wil een appartement aankopen om te verhuren en gaat een krediet aan dat ze waarborgen door een hypotheek te geven op het appartement in kwestie.
2 Op een avond krijgt Adil bezoek van iemand die zich voorstelt als een vertegenwoordiger van een kredietinstelling. De persoon in kwestie stelt Adil een aantal leningen voor tegen bijzonder interessante voorwaarden. Adil is echter niet echt gediend van dit bezoek. Hij vraagt nu of een kredietinstelling zich wel mag bezighouden met dergelijke praktijken. Wat zou je antwoord zijn als Adil telefoon kreeg van een vertegenwoordiger van zo’n instelling met de vraag of die tijdens een bezoek een aantal leningsformules mag komen toelichten?
3 Freddy, ongehuwd, sloot vier dagen geleden een overeenkomst af bij een kredietinstelling waarbij hij een lening op afbetaling kreeg voor de aankoop van een motorfiets. Intussen heeft Freddy evenwel spijt dat hij de lening is aangegaan en wil hij ervan onderuit raken. Maar kan dat eigenlijk wel?
4 Meryem is op zoek naar een kleine, betaalbare en duurzame wagen en zij gaat hiervoor naar het autosalon in Brussel. Maar daar wordt de verleiding groot om toch voor een middelgrote wagen te gaan van een duurder merk. De verkoper/dealer weet haar te overtuigen en Meryem tekent de bestelbon. De verkoper wil ook een autolening toestaan. Hij zegt dat er nu tijdens het salon voordelige rentepercentage gegeven worden. Welke informatie moet de reclame voor de autolening van de dealer op het salon bevatten? Moet Meryem een autolening aangaan bij de dealer? Zijn er andere opties? Wanneer Meryem thuiskomt en zich realiseert dat ze een budgettaire flater heeft begaan, kan ze de verkoop dan nog herroepen? En wat als ze de autolening bij de dealer heeft aangegaan en die wil herroepen? Kan dat?
De bedoeling van de wetgever is het niveau van de consumentenbescherming voor wat betreft betaalrekeningen en basisbankdiensten te verhogen.
Het gaat in het bijzonder over de drie volgende elementen:
1 de vergelijkbaarheid van tarieven of vergoedingen die aan de consument voor betaalrekeningen (meestal zichtrekeningen) worden aangerekend;
2 de overstap naar een andere betaalrekening bij een andere kredietinstelling;
3 de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties.
De consumenten moeten op nationaal niveau (België) kosteloos toegang hebben tot een website waarop de vergoedingen worden vergeleken die worden aangerekend voor de diensten verbonden aan betaalrekeningen.
Het gaat hier over de vergoedingen voor de diensten die zijn opgenomen in het informatiedocument dat de bank moet bezorgen aan de consument vooraleer deze een contract voor een betaalrekening aangaat. In dit document staan de representatieve diensten die aan een betaalrekening (meestal zichtrekening) verbonden zijn.
Hiermee krijgt de consument een overzicht van een significant deel van wat de markt te bieden heeft. Het is de FSMA (Autoriteit voor Financiële diensten en markten) die door de wet aangesteld werd om een vergelijkingswebsite (soort tariefsimulator) te ontwikkelen en te beheren.
Vergelijk eens de kosten verbonden aan jouw zichtrekening bij jouw bank met die van andere banken. Maak hierbij gebruik van de vergelijkingstool-zichtrekeningen op de website van Wikifin (https://www.wikifin.be/nl/budget-betalen-lenen-en-verzekeren/vergelijkingstool-zichtrekeningen). Zit er veel verschil tussen de kosten die aangerekend worden?
Het is nu voor de consument eenvoudiger om van de ene bank naar de andere in België over te stappen als er daar bijvoorbeeld een beter aanbod beschikbaar is.
Er werd een centrale interbancaire dienst opgericht door de Belgische banken, bankswitching. De bankoverstapdienst wordt gratis aan de consument aangeboden. Hoofdstuk 4 Betaalrekeningen en
Er is ook een website met praktische informatie voor consumenten en ondernemers: https://febelfin.be/nl/diensten/van-bank-veranderen.
De procedure is eenvoudig. De overstap kan dus snel en zonder kosten gebeuren. Het is de nieuwe aanbieder (bank) die alle nodige stappen moet zetten bij de vorige bank.
De consument moet wel de nieuwe bank verwittigen. De nieuwe bank zal aan de consument een aanvraagformulier bezorgen (zie voorbeeld) waarin de consument bevestigt welke taken de nieuwe bank moet overnemen.
De globale overdrachttermijn is 10 bankwerkdagen na ontvangst van het aanvraagformulier door de nieuwe bank. Op vraag van de consument kan deze termijn verlengd worden tot maximum 1 maand.
Basisprincipe
De consument mag bij het aanvragen van, of het toegang verkrijgen tot, of bij het aanhouden van een betaalrekening niet gediscrimineerd worden op grond van nationaliteit, woonplaats of enige andere grond zoals bedoeld in de antiracismewet.
De recht op de basisbankdienst is alleen voor consumenten, natuurlijke personen.
De basisbankdienst moet binnen de gehele Europese Unie beschikbaar zijn en mag dus niet beperkt worden tot België. Zo mag geld afhalen of met kaart betalen niet beperkt worden tot België.
Welke diensten zijn inbegrepen in de basisbankdienst?
De diensten waarbij contanten (geld) in België op een rekening kunnen worden geplaatst of opgenomen, zijn mogelijk aan het loket of bij geldautomaten tijdens of buiten de openingstijden van de kredietinstelling.
Het uitvoeren van betalingstransacties is mogelijk via een betaalkaart, daaronder begrepen elektronische betalingen.
Overschrijvingen, met inbegrip van doorlopende betalingsopdrachten, zijn mogelijk aan automaten en loketten, indien beschikbaar, alsook via het internetplatform van de kredietinstelling. De basisbankdienst wordt minstens in euro aangeboden.
Iedere kredietinstelling moet de basisbankdienst aanbieden aan elke consument die legaal in België verblijft. Er mag niet gediscrimineerd worden op de voorwaarden om een betaalrekening met basisbankdienst aan te houden.
Om te garanderen dat de vergoeding voor basisbankdiensten binnen de perken blijven, kan de Koning bepalen dat een minimumaantal verrichtingen zelfs gratis zijn.
De wet voorziet nu een maximale prijs voor de basisbankdienst van maximum 12 euro per jaar. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd en bedraagt sinds 1 januari 2026 20,34 euro per jaar.
Wanneer kan de bank de basisbankdienst weigeren?
Als de consument al over een basisbankdienst beschikt.
Als de consument al over een zichtrekening beschikt. Dat kan ook bij een andere bank zijn.
Als de consument minstens 10 000 euro heeft op zijn zicht- of spaarrekeningen. Ook de rekeningen bij andere banken worden meegeteld. Dit bedrag wordt elk jaar aangepast aan de consumptieprijsindex voor de maand november van elk jaar. Als de consument kredietovereenkomsten heeft afgesloten voor minstens 10 000 euro. Dit bedrag wordt elk jaar aangepast aan de consumptieprijsindex voor de maand november van elk jaar. In geval van oplichting, misbruik van vertrouwen, frauduleus faillissement, valsheid in geschrifte of wiswassen van kapitaal door de consument.
Als een basisbankdienst wordt geweigerd of opgezegd dan kan de consument die van mening is dat dit ten onrechte is zich wenden tot Ombudsfin. Dit is de ombudsdienst voor financiële geschillen: https://www.ombudsfin.be/nl.
Deze kan de beslissing vernietigen of een andere bank de opdracht geven de basisbankdienst toch te verlenen.
De basisbankdienst biedt de consument dus mogelijkheid om tegen een redelijke prijs de minimaal noodzakelijke financiële transacties via een zichtrekening uit te voeren. De bank kan dus bepaalde personen zoals werklozen, gepensioneerden, en OCMW-steuntrekkers niet meer zomaar de opening van een zichtrekening weigeren.
De basisbankdienst is ook mogelijk voor asielzoekers en erkende vluchtelingen, ook al hebben zij meestal geen vast adres, het tijdelijk karakter van de woonplaats is geen reden om basisbankdiensten te weigeren.
Verschil tussen basisbankdienst en de universele bankdienst
De basisbankdienst met zijn wettelijk recht op een betaalrekening, gebonden aan voorwaarden is dus strikt bij wet geregeld en verschilt van de universele bankdienst. De universele bankdienst is tot stand gekomen via een charter tussen de federale overheid en de banksector.
Aan deze universele bankdienst zijn geen voorwaarden verbonden.
Er is ook geen beperking tot één rekening. Het is de bedoeling om meerderjarige consumenten die geen toegang hebben tot het digitale bankieren, om welke reden ook, toch standaard een dienstenpakket aan te bieden voor maximaal 60 euro per jaar.
Het dienstenpakket omvat: minstens 60 manuele verrichtingen per jaar (bv. papieren overschrijvingen af te geven aan het loket van het bankkantoor), een debetkaart, minstens 24 geldafhalingen per jaar aan de bankeigen automaten, afdrukken van rekeninguittreksels aan de bankeigen automaten en gratis domiciliëring. De klant moet het aanvragen bij zijn bank.
De universele bankdienst wordt in ons land door 12 banken aangeboden.
Ga naar mijnstudiemateriaal.be en gebruik de persoonlijke activatiecode die je vooraan in dit boek vindt.
Nationale wetgeving
Ministerieel besluit van 26 november 2024 (BS 2 december 2024) met betrekking tot de erkenning van drie vennootschappen als sociale onderneming.
Ministerieel besluit met betrekking tot sluiting winkels wegens corona (BS 18 maart 2020).
Ministerieel besluit van 28 november 2020 met betrekking tot een heel aantal dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken.
Ministerieel besluit van 6 februari 2021 met betrekking tot onder meer de heropening van de kappers.
Koninklijk besluit (BS 28 oktober 2021) houdende de afkondiging van de epidemische noodsituatie betreffende de COVID-19-pandemie.
Ondernemingsrechtbank
Vonnis (18 november 2021 A/21/01030) van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel met betrekking tot een vordering tot staking, van de eisende partij, Koksijde Vooruit, een feitelijke vereniging tegen de organisatie Socialistische Partij vzw voor het gebruik van de naam ‘Vooruit’.
Elektronische handtekening
Verordening 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
Lijst gekwalificeerde dienstverleners in België met betrekking tot de elektronische handtekening.
De papieren en de e-factuur
Richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 over de papieren factuur en de elektronische factuur.
Voorbeeld protestbrief factuur met voorbeeldredenen voor protest.
Vrijheid van ondernemen en verplichtingen
Lijst met websites van beroepsfederaties vrije beroepen aangesloten bij de Federatie.
Polsslag van het vrije beroep van de Federatie van vrije beroepen, aantal (regionaal, mannen, vrouwen, starters, stoppers, werkgevers en aantal tewerkgestelde werknemers) in België in 2022 (tweejaarlijkse publicatie).
Standaardformulier voor de verklaring bij het centraal register voor bestuursverboden.
Adressenlijst erkende ondernemingsloketten.
De Nacebel-nomenclatuur.
Voorbeeld bijlage BS 5 augustus 2022 met ambtshalve intrekkingen van doorhalingen in de KBO wegens niet neerlegging van de jaarrekeningen.
Verordening GDPR/AVG
Inhoud van de e-mail ‘melding datalek’ van CASA NV van 9 augustus 2022. Privacybeleid Bol.
Intellectuele eigendom
Benelux-verdrag inzake intellectuele eigendom.
Voorbeeldverslag ideescan.
Handelshuur
Handelshuurovereenkomst Brussels Gewest (bron: Livios en advocatenkantoor Monard D’Hulst).
Handelshuurovereenkomst Vlaams Gewest (bron: Livios en advocatenkantoor Monard D’Hulst).
Handelstussenpersonen
Handelsagentuurovereenkomst (bron: Flanders District of Creativity vzw).
Kredietkaart
Voorbeeld algemene voorwaarden van de ING VISA CLASSIC Kredietkaart versie 01/01/2025.
Marktrecht
Marktpraktijken en consumentenbescherming
Voorbeeld van bevestiging van herroepingsrecht van Zalando en partners (bij Deel III).
Modelbrieven (bron: ECC België)
1 Modelbrieven garantie (voor 1 juni 2022 en na 1 juni 2022)
Gebrek aan overeenstemming, vraag voor herstellen of vervangen binnen redelijke termijn, zo niet terugbetaling.
2 Modelbrief gratis stalen
Toesturen van niet-gevraagde goederen , waarvoor nu betaling gevraagd werd.
3 Modelbrief herroepingsrecht aankoop goederen
Uitoefenen van het herroepingsrecht binnen veertien dagen bij verkoop op afstand.
4 Modelbrief aanmaning niet-levering aankoop
De aankoop werd niet geleverd op de vermelde datum of bij niet-vermelding binnen dertig dagen zoals verplicht. De koper heeft recht op terugbetaling.
5 Modelbrief betwisting stilzwijgende verlenging abonnement voor bepaalde duur
De verkoper moet de consumenten op de stilzwijgende verlenging wijzen vóór hij met de koper een overeenkomst sluit: in vetgedrukte letters; in een kader; los van de tekst; aan het begin van de algemene voorwaarden.
Dat gebeurde niet. De automatische hernieuwing van dit abonnement is dan ook niet wettig.
Daarom eist de klant de aangerekende bedragen terug en zegt hij alsnog het abonnement op.
De koper hoeft ook geen enkele schadeloosstelling te betalen.
Consumentenkrediet
Consumentenkredieten voor energierenovaties kennen dalende trend in eerste kwartaal van het jaar. Mei 2024 (bron: Persbericht UPC, BVK De Belgische beroepsvereniging van het Krediet). Persbericht heropleving van de Belgische markt voor mobiliteitsfinanciering (bron: UPC, BVK 31 januari 2024).
Evolutie van het maximum-JKP voor de verschillende consumentenkredieten 1933december 2023 (FOD Economie).
Documentatie
Folder sociale bijdragen zelfstandigen 2025.
Overzicht rechtplegingsvergoedingen vanaf 01/03/2025.
Persbericht: Beduidend meer online transacties en omzet voor Belgische webshops (bron: https:// becom.digital/nl/beduidend-meer-online-transacties-en-omzet-voor-belgische-webshops/ van BeCommerce).
Nuttige links
Tarieven van rechtbanken en hoven.
Online aankopen in Vlaanderen.
Check frauduleuze webshop met de webshopcheck (links en video’s).
Veiligheidstips voor het betalen van aankopen op internet.
De commerciële naam van een zaak.
Btw-plichtig zijn.
De beroepskaart voor niet-Europese burgers die in België een zelfstandige activiteit willen starten.
Profiel van de zelfstandige ondernemers en starters als motor voor de economie.
Beroepskaartsimulator voor buitenlandse ondernemers van de Vlaamse overheid.
Betalingen, overschrijvingen en cheques binnen Europa.
Modellen van brieven met betrekking tot de wettelijke garantie FOD Economie (ConsumerConnect).
Huurovereenkomst studentenkamer/studentenstudio KULeuven 2024-2025. Vanaf academiejaar 2025-2026 is er één overkoepelend Vlaams modelhuurcontract voor de verhuur van een studentenkamer of studio.