Hoofdstuk 5 Rechtshandhaving
1 Inleiding
1. In de vorige hoofdstukken hebben we besproken hoe recht tot stand komt. De uitgevaardigde regels zouden hun doel missen wanneer ze niet afgedwongen kunnen worden. Deze afdwingbaarheid is eveneens gebonden aan rechtsregels. Er is immers een verbod van eigenrichting.
Het gerechtelijk recht is de rechtstak die de regels bevat die het voor de rechtssubjecten mogelijk maken hun subjectieve rechten af te dwingen. We vinden ze voornamelijk terug in het Gerechtelijk Wetboek wat het privaatrechtelijk procesrecht betreft.
2. Om de juridische strijd tussen de juridische opponenten (eiser en verweerder) te beslechten, zijn er ook speciale instanties voorzien, de rechtbanken en hoven. Tevens zijn er bijzondere rechtbanken die bevoegd zijn in geval van bepaalde geschillen met de overheid: de Raad van State en het Grondwettelijk Hof.
2 Privaatrechtelijk procesrecht
2.1 Procedure in eerste aanleg
2.1.1 De rechtsingang op tegenspraak
3. De rechtbank komt in beginsel slechts in actie wanneer een partij hiertoe het initiatief neemt. Dat is een gevolg van het zogenaamd accusatoir karakter van de burgerlijke rechtspleging. De partijen nemen zelf de touwtjes in handen. Ze bepalen de eis(en), de voortgang van de procedure, de bewijsmiddelen …
4. De normale manier om een vordering voor de rechter te brengen is de dagvaarding (art. 700 Ger.W.). Dat is het processtuk dat door een gerechtsdeurwaarder wordt betekend en waarbij de wederpartij wordt opgeroepen om voor de rechter te verschijnen. Het moet verplicht een aantal essentiele vermeldingen bevatten.
VOORBEELD
Zo moet een dagvaarding de identiteit van de eiser en verweerder, het onderwerp en een korte samenvatting van de middelen van de vordering bevatten alsmede de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt en de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting (art. 702 Ger.W.). Om de verweerder de tijd te geven zijn verdediging voor te bereiden, is de termijn om voor de rechtbank te verschijnen ten minste 8 dagen (art. 707 Ger.W.). Deze termijn kan worden ingekort in spoedeisende gevallen.
5. Naast de dagvaarding zijn er volgens artikel 700 Ger.W. nog twee andere manieren om een vordering voor de rechter te brengen, namelijk het verzoekschrift en de vrijwillige verschijning.
– Het verzoekschrift wordt aan de griffier gezonden die de partijen zal oproepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt (art. 1034bis tot 1034sexies Ger.W.). Deze oproeping gebeurt
via een gerechtsbrief. Hierdoor spaart men de kosten van de deurwaarder uit. De procedure is evenwel enkel mogelijk wanneer de wet hierin voorziet.
VOORBEELD
Zo voorziet artikel 229, § 3 oud BW dat een echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting door een van de echtgenoten aangevraagd kan worden via een verzoekschrift (art. 1254, § 1 Ger.W.).
– Bij een vrijwillige verschijning kunnen de partijen zelfs vermijden dat ze worden opgeroepen. Ze stellen een verklaring op die ze op een vastgestelde inleidingszitting voorleggen aan de rechter.
In een aantal gevallen moet het Openbaar Ministerie van de vorderingen op de hoogte gebracht worden (art. 764 Ger.W.).
2.1.2 De inleidende zitting
6. Vooraleer de rechter aan de zaak begint, moet de rechtbank eerst gevat worden. Dat gebeurt door inschrijving van de zaak op de algemene rol uiterlijk de dag vóór de zitting waarvoor de dagvaarding is gedaan (art. 716-717 Ger.W.). Er is een griffierecht (rolrecht) verschuldigd op datum van de veroordeling.
7. Bij elke rechtbank wordt een algemene rol bijgehouden waarop iedere zaak in volgorde van binnenkomst wordt ingeschreven door de griffier.
Voor elke kamer van een gerecht bestaat ook een bijzondere rol, die eveneens door de griffier wordt bijgehouden en die de lijst omvat van alle aan een bepaalde kamer toegewezen zaken (art. 714, eerste lid Ger.W).
Ten slotte is er nog de zittingsrol, namelijk de rol waarop iedere zaak die op een bepaalde zitting behandeld wordt, in de volgorde van de inschrijving op de algemene rol wordt ingeschreven (art. 714, tweede lid Ger.W.).
8. Op de datum vermeld in de dagvaarding of de gerechtsbrief verschijnen de partijen in persoon of vertegenwoordigd door hun advocaat voor de rechter (art. 727-728 Ger.W.). In fiscale zaken kan men zich ook laten bijstaan door een accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor om mondelinge of schriftelijke toelichting te geven wanneer de rechter dit opportuun acht (art. 728, § 2bis Ger.W.). Voor de vrederechter, de ondernemingsrechtbank en de arbeidsgerechten mogen de partijen ook vertegenwoordigd worden door hun echtgenoot, hun wettelijk samenwonende partner of een bloed- of aanverwante houder van een schriftelijke volmacht en speciaal door de rechter toegelaten.
9. Voor zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, kan de akte van rechtsingang of de verweerder verzoeken dat ze worden behandeld op de inleidingszitting. Ook beide partijen samen kunnen dat vragen (art. 735, §§ 1-2 Ger.W.). Korte debatten zijn er wanneer de zaak weinig discussies oplevert, en het dus niet vereist is om schriftelijke middelen aan te voeren of lang te pleiten.
De zaak kan dan meteen ten gronde behandeld worden of de rechter kan de zaak verdagen naar een nabije datum.
VOORBEELD
De vraag van de partijen voor het aanstellen van een deskundige om de schade vast te stellen of het verzoek van de koper om uitstel van betaling te verkrijgen, kan op de inleidende zitting behandeld worden.
10. In de meeste gevallen wordt de zaak niet op de inleidende zitting behandeld en wordt die hetzij uitgesteld, hetzij worden conclusietermijnen bepaald, hetzij wordt de zaak naar de rol verzonden.
2.1.3
Conclusies
11. In de zaken die op de inleidende zitting niet behandeld zijn, dus waarvan de behandeling tijdelijk uitgesteld is, nemen de partijen conclusies. Een conclusie is een geschreven akte waarin een procespartij haar eis of verweer formuleert ten aanzien van de andere partij en ten aanzien van de rechter. Artikel 744 Ger.W. geeft aan wat er in de conclusie moet staan. Meer bepaald bevatten de conclusies achtereenvolgens de uiteenzetting van de relevante feiten, de aanspraken van de concluderende partij, de middelen die worden ingeroepen ter ondersteuning van de vordering of het verweer en het gevraagde beschikkend gedeelte van het vonnis. Het volstaat niet te verwijzen naar een conclusie genomen in een andere zaak of in een andere aanleg. Dit alles wordt zowel op de griffie neergelegd (art. 742 Ger.W.) als aan de tegenpartij bezorgd (art. 745 Ger.W.).
12. De verplichting om de tegenpartij hiervan een kopie te bezorgen, geldt voor alle stukken die een partij wil gebruiken (art. 736 Ger.W.). Dat is een essentieel onderdeel van het recht van verdediging en van de rechtspleging op tegenspraak.
Bovendien geldt het als middel om de rechter te dwingen te antwoorden op de door de partij aangevoerde middelen. Dat is een onderdeel van de motiveringsplicht die de Grondwet voorschrijft (art. 149 Gw.).
Een verweerder die vindt dat hij volkomen onterecht gedagvaard is, kan in zijn conclusie via een tegeneis een schadevergoeding vorderen wegens tergend en roekeloos geding (art. 780bis Ger.W.). Hij moet de oorspronkelijke eiser dan niet dagvaarden. Overigens kan een verweerder die op zijn beurt een ‘tegenvordering’ heeft tegen de eiser, deze in beginsel ook in zijn besluiten formuleren.
2.1.4
Instaatstelling
13. De partijen kunnen zelf overeenkomen binnen welke termijnen ze conclusies moeten nemen en hoeveel conclusies ze mogen nemen. De rechter zal deze overeenkomst in een beschikking bekrachtigen (art. 747, § 1 Ger.W.). In deze beschikking wordt meestal ook de pleitdatum vastgelegd (= rechtsdag) en de duur van de pleidooien. Aangezien deze beschikking afdwingbaar is, zijn de partijen hierdoor gebonden en draagt dit bij tot het wegwerken van de gerechtelijke achterstand.
Wanneer de partijen geen overeenkomst bereiken over het verloop van de procedure, zal de rechter zelf een kalender opstellen met conclusietermijnen en pleitdatum.
2.1.5 Terechtzitting
14. De pleidooien zijn in beginsel openbaar (art. 757 Ger.W.). Het openbaar karakter van de terechtzittingen is ook een grondwettelijk principe (art. 148 Gw.) dat verder in internationale verdragen opgelegd wordt (art. 6 EVRM), behalve bij de in de wet voorziene uitzonderingen.
15. Bij de pleidooien lichten (de advocaten van) zowel de eiser als de verweerder hun standpunt toe. Enkele uitzonderingen niet te na gesproken moeten de partijen zelf niet aanwezig zijn op deze zitting.
2.1.6 Vonnis
16. Na de pleidooien worden de debatten gesloten (art. 769 Ger.W.). De rechter neemt de zaak dan in beraad om een vonnis uit te werken.
17. De uitspraak moet gebeuren binnen de maand na de sluiting van de debatten (art. 770 Ger.W.).
Deze termijn wordt niet altijd nageleefd. Deze termijn wordt verlengd met een maand als de debatten worden gesloten gedurende de maand voor de gerechtelijke vakantie. Wanneer de rechter gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak te berechten, kan de zaak aan de rechter worden onttrokken (art. 652 Ger.W.).
De uitspraak is zoals de terechtzitting openbaar (art. 149 Gw.). Het vonnis moet gemotiveerd worden (art. 780 Ger.W.). Een vonnis bestaat steeds uit een redengeving (overwegend gedeelte) en een beschikkend gedeelte dat de eigenlijke beslissingen van de rechter bevat.
Men spreekt van een vonnis wanneer een beslissing genomen werd door een lagere rechtbank op het niveau van een gerechtelijk arrondissement of een kanton. Een arrest is een beslissing van een hof (art. 22 Ger.W.).
18. In de praktijk wordt het vonnis meestal gemaild of opgestuurd naar de advocaten van de partijen. Dat is voor de partij in wiens voordeel de uitspraak geveld is, onvoldoende om ze uit te voeren. Hij moet de uitspraak eveneens aan de andere partij betekenen, hetgeen gebeurt door een gerechtsdeurwaardersexploot. Door de betekening van het vonnis begint in beginsel de termijn van verzet en beroep te lopen. De rechtsmiddelen dienen binnen deze termijn ingesteld te worden (art. 57 Ger.W.).
2.2 Rechtsmiddelen
2.2.1 Begrip en kenmerken
19. Rechtsmiddelen zijn de middelen die de wet aan de partijen of aan derden toekent om een nieuwe beslissing te verkrijgen in een geschil waarin een rechter reeds uitspraak heeft gedaan.
De wet maakt een onderscheid tussen gewone rechtsmiddelen (verzet en hoger beroep) en buitengewone rechtsmiddelen (voorziening in cassatie, derdenverzet, herroeping van gewijsde, verhaal op de rechter) (art. 21 Ger.W.). Bovendien is er het buitengewone middel van de intrekking van het vonnis ingevolge een arrest van het Grondwettelijk Hof (art. 16 Bijz.Wet GwH).
In dit boek behandelen we alleen de gewone rechtsmiddelen en de voorziening in cassatie.
20. De gewone rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld door de verliezende partij, d.i. de partij die in de einduitspraak niet alles gekregen heeft wat ze gevorderd heeft. Indien een partij verzet aantekent tegen een verstekvonnis, dan schorst dat in de regel (tenzij een afwijkende regel in de wet staat of de rechter anders beveelt) de tenuitvoerlegging. Vonnissen zijn in principe wel uitvoerbaar als hoger beroep wordt aangetekend. Dit geldt tenzij de wet anders bepaalt of de rechter anders beveelt. De uitvoerbaarheid bij voorraad is dus thans, in tegenstelling tot vroeger, de regel en niet meer de uitzondering (art. 1397 Ger.W.).
21. In principe kunnen alle vonnissen aangevochten worden. Toch is het niet altijd mogelijk om gewone rechtsmiddelen aan te wenden, zo bijvoorbeeld als de inzet van de discussie bepaalde bedragen niet te boven gaat (bv. bij een vonnis voor de rechtbank van eerste aanleg beneden de 2 500 EUR). Om ertegen beroep te kunnen aantekenen mag het vonnis bovendien niet louter een tussenvonnis zijn. Tegen een gemengd tussenvonnis (wat ook een stuk een eindvonnis omvat – m.a.w. waar een bepaald geschilpunt definitief werd beoordeeld) kan wel hoger beroep worden aangetekend.
De mogelijkheden om verzet aan te tekenen tegen een verstekvonnis werden zeer sterk beperkt. Verzet is in principe enkel nog mogelijk tegen een verstekvonnis waartegen geen hoger beroep ingesteld kan worden.
22. Rechtsmiddelen moeten binnen een bepaalde termijn aangewend worden. Die termijn bedraagt in beginsel wat betreft hoger beroep (art. 1051 Ger.W.) en verzet (art. 1048 Ger.W.) één maand na de betekening van het vonnis. Na het verstrijken van die termijn kunnen ze dus niet meer aangewend worden.
23. Als partijen hun geschil dat bij een rechter aanhangig gemaakt is, onderling oplossen door een overeenkomst, kunnen ze aan de rechter vragen deze overeenkomst te bekrachtigen. Tegen dat akkoordvonnis is geen rechtsmiddel mogelijk (art. 1043 Ger.W.).
24. Beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van de rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling, alsmede vonnissen waarbij wordt bevolen dat partijen in persoon moeten verschijnen, zijn niet vatbaar voor verzet of hoger beroep (art. 1046 Ger.W.).
2.2.2 Verzet
25. Wanneer een partij niet op de inleidende zitting verschijnt, kan op die zitting tegen haar verstek worden gevorderd (art. 802 Ger.W.). De wet laat echter soms toe om tegen dat verstekvonnis verzet aan te tekenen (art. 1047 Ger.W.). Maar dat kan enkel in gevallen waar geen beroep aangetekend kan worden (omdat de inzet van het geschil te laag is). Dat verzet wordt voor dezelfde rechter gebracht. Hij zal het geschil opnieuw volledig behandelen.
2.2.3 Hoger beroep
26. Het beroep is een gewoon rechtsmiddel waarbij de verliezende partij de herziening vraagt van het gewezen vonnis door de onmiddellijk hogere rechtsmacht. Aldus kan een partij die wegens een schadegeval een schadevergoeding vorderde van 5 000 EUR, maar van de rechter in eerste aanleg slechts een vergoeding kreeg van 3 000 EUR, hoger beroep instellen.
27. Artikel 616 Ger.W. bepaalt dat tegen ieder vonnis hoger beroep kan ingesteld worden, tenzij de wet anders bepaalt. Het hoger beroep is dus geen algemeen rechtsbeginsel. Bij de algemene uitleg over het begrip rechtsmiddelen werden reeds een aantal beperkingen opgenomen (bv. het laten voorbijgaan van de termijn om het rechtsmiddel in te stellen).
Daarenboven zijn er ook proceseconomische redenen die het instellen van hoger beroep beperken. Zo kan er geen beroep worden ingesteld tegen een vonnis (art. 617 Ger.W.): – van de vrederechter wanneer de waarde van het geschil 2 000 EUR niet overschrijdt; – van de politierechter wanneer de gevorderde schadevergoeding van het verkeersongeval 2 000 EUR niet overschrijdt. In strafzaken geldt deze beperking van de beroepsmogelijkheden echter niet (art. 172 Sv.);
– van de rechtbank van eerste aanleg en de ondernemingsrechtbank wanneer uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 2 500 EUR niet overschrijdt.
Vonnissen van de arbeidsrechtbank en de rechtbank van eerste aanleg die een uitspraak doet over de toepassing van de belastingwetgeving, komen steeds in aanmerking voor hoger beroep.
Tegen beslissingen alvorens recht te doen – met onderzoeks- en provisionele maatregelen – is in principe geen onmiddellijk hoger beroep mogelijk. Het hoger beroep tegen deze beslissingen kan enkel samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis worden ingesteld. Ook tegen loutere tussenvonnis-
sen (die geen gemengd oordeel inhouden en deels een eindvonnis zijn) kan niet zomaar hoger beroep worden aangetekend.
28. De eiser in hoger beroep wordt de appellant genoemd, de gedaagde in hoger beroep de geïntimeerde. De regels van het geding (in eerste aanleg) zijn ook van toepassing op de rechtsmiddelen, zodat de procedure in beroep quasi dezelfde is als in eerste aanleg (art. 1042 Ger.W.).
2.2.4 Cassatie
29. Alhoewel het Hof van Cassatie vaak wordt betiteld als ‘hoogste rechtscollege’ is het geen gewone rechtbank. Het doet immers geen uitspraak over het geschil als dusdanig (art. 147 Gw.). Daarom kan men een voorziening in cassatie niet als een derde aanleg beschouwen.
Men kan slechts om twee redenen een beroep doen op het Hof van Cassatie: enerzijds wegens overtreding van de wet en anderzijds wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen (art. 608 Ger.W.). Aldus oefent het Hof toezicht uit op de wettigheid van rechterlijke beslissingen. Bovendien is het Hof van Cassatie slechts bevoegd om uitspraak te doen over beslissingen die in laatste aanleg (dus in beroep of in eerste en tegelijk laatste aanleg) gewezen zijn.
Het Hof is niet bevoegd om feitelijke gegevens vast te stellen. Het kan enkel rekening houden met de feiten zoals die door de feitenrechter vastgesteld werden.
30. Wanneer het Hof van Cassatie schendingen van de wet of procedurefouten vaststelt, verbreekt het Hof het aangevochten vonnis of arrest en verwijst het de zaak naar eenzelfde rechtscollege als datgene dat het verbroken vonnis of arrest geveld heeft (art. 1110 Ger.W.). Dat laatste rechtscollege behandelt en beoordeelt de zaak dan weer in al zijn aspecten. Het rechtscollege moet verplicht rekening houden met de beslissing van het Hof van Cassatie alvast wat dat rechtspunt betreft.
De termijn om cassatie aan te tekenen bedraagt in principe drie maanden vanaf de betekening van het vonnis of arrest waartegen cassatie wordt aangetekend (art. 1073 Ger.W.).
3 Gewone gerechtelijke instellingen: rechtbanken en hoven
3.1 Bevoegdheid van de rechtbanken
31. De omvang van de wetgeving, de ingewikkeldheid van het recht en de behoefte aan eigen procedures voor bepaalde takken van het recht, brengen met zich mee dat voor een aantal domeinen van het recht eigen rechtbanken bestaan of eigen afdelingen binnen eenzelfde rechtbank. Deze domeinen zijn: het strafrecht, het familie- en jeugdrecht, het ondernemingsrecht, het sociaal recht, het burgerlijk recht en het fiscaal recht.
Ook binnen deze domeinen kan men nog een onderverdeling hebben: bijvoorbeeld in het strafrecht is naargelang van de ernst van het misdrijf de politierechtbank of de correctionele rechtbank (en uitzonderlijk het assisenhof) bevoegd om in eerste aanleg recht te spreken. Men kan immers van een rechter niet verwachten dat hij specialist is op al deze vlakken. Daarvoor is het recht te uitgebreid.
32. De specialisatie van de rechtbanken laat ook toe de samenstelling van de rechtbank aan te passen aan de aard van de geschillen die ze dient te beslechten: een of meer rechters, beroepsrechters, lekenrechters of een jury. De ondernemingsrechtbank bijvoorbeeld bestaat uit één jurist, beroepsrechter, en twee lekenrechters (rechters in ondernemingszaken) (art. 84 en 203-205 Ger. W.).
33. Elke rechtbank is slechts bevoegd voor geschillen in een bepaald domein van het recht: dat noemt men de materiële bevoegdheid van een rechtbank. Daarnaast is elke rechtbank tevens bevoegd over een bepaald grondgebied: dat is de territoriale bevoegdheid.
34. De laagste rechtbanken staan het dichtst bij de bevolking. Je vindt een vredegerecht in je onmiddellijke buurt, namelijk één per gerechtelijk kanton (art. 59 Ger. W.).
Het tweede niveau is dat van het arrondissement. Er zijn dertien arrondissementen gekoppeld aan de provincie waar een rechtbank van eerste aanleg is gevestigd. Er zijn evenwel aparte rechtbanken voor Eupen (ten behoeve van de Duitstalige gebieden) en in Brussel waar een Nederlandstalige en Franstalige rechtbank van eerste aanleg is (wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde). Er blijven nog wel een groter aantal lokale afdelingen bestaan. Politierechtbanken vinden we ook in Halle en Vilvoorde zodat er vijftien politierechtbanken zijn. Arbeidsrechtbanken en ondernemingsrechtbanken zijn gekoppeld aan de zones van het Hof van Beroep met ook hier enkele uitzonderingen (Brussel (N+Fr), Waals-Brabant en Eupen), waardoor er negen overblijven. Het ambtsgebied van die rechtbanken is opgenomen in de bijlage bij het Gerechtelijk Wetboek.
Een derde niveau is dat van de provincies waar men enkel de assisenhoven aantreft. Aangezien Brussel niet tot een provincie behoort, moet de wet uitdrukkelijk voorzien dat hiervoor ook een assisenhof bestaat (art. 114-115 Ger.W.).
Op het vierde niveau situeren zich de hoven van beroep en de arbeidshoven. Hiervoor is het Belgisch grondgebied volgens de Grondwet in vijf delen verdeeld. Er is een hof te Antwerpen, met bevoegdheid voor de provincies Antwerpen en Limburg, te Gent, met bevoegdheid voor Oost- en West-Vlaanderen, te Brussel, voor de provincies Brabant en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, te Luik, voor de provincies Luik, Luxemburg en Namen, en te Bergen, voor de provincie Henegouwen (art. 156 Gw.).
Op het hoogste nationale niveau situeert zich het Hof van Cassatie, met bevoegdheid voor het hele Belgische grondgebied. Er is dus maar één Hof van Cassatie (art. 147 Gw. en art. 128 Ger.W.), in Brussel.
Op supranationaal niveau treffen we dan nog diverse rechtbanken aan, onder meer het BeneluxGerechtshof, het Europees Hof van Justitie (in Luxemburg) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (in Straatsburg).
35. Gezien de brede basis (vele vredegerechten) en de smalle top (één Hof van Cassatie) zegt men dat de gerechtelijke organisatie piramidaal is opgebouwd. Dat bevordert ook de rechtszekerheid door de eenheid van rechtspraak. Wanneer een hogere rechtbank of hof een vonnis van een lagere rechtbank verbreekt, zal de lagere rechter, wanneer hij later een gelijkaardig probleem moet oplossen, waarschijnlijk rekening houden met de argumentatie van de rechter in beroep. Doet hij dat niet, dan is de kans groot dat zijn uitspraak hervormd zal worden als de verliezende partij in beroep gaat. Hetzelfde geldt voor de rechters in beroep die uiteindelijk rekening zullen houden met wat het Hof van Cassatie heeft beslist. Aldus zal het recht in heel België op een eenvormige manier worden toegepast.
3.2 Organisatie van de rechtbanken over het Belgisch grondgebied
3.2.1 Vredegerecht
36. De vrederechter neemt kennis van alle vorderingen waarvan het bedrag niet meer dan 5 000 EUR bedraagt (art. 590 Ger.W.). Deze bepaling geldt echter slechts tenzij de wet een andere rechtbank bevoegd maakt, bijvoorbeeld voor commerciële geschillen.
VOORBEELDEN
– Als koper van een grasmachine (een robotmaaier) van 999,00 EUR weiger je te betalen omdat je vindt dat het toestel niet voldoet. De verkoper zal je voor het vredegerecht dagen.
– Wanneer je je nieuwe Volvo niet wilt betalen, zal de vrederechter niet bevoegd zijn omdat de prijs meer is dan 5 000 EUR.
– Een ondernemer weigert de levering van 850,00 EUR te betalen omdat de goederen beschadigd zouden zijn. Ook in dit geval zal niet de vrederechter maar de ondernemingsrechtbank bevoegd zijn omdat het een geschil tussen ondernemingen betreft.
Daarnaast heeft de vrederechter specifieke bevoegdheden ongeacht het bedrag. Zo is hij bv. bevoegd voor huurconflicten ongeacht het bedrag (art. 591 Ger.W.).
3.2.2
Politierechtbank
37. Er zijn 15 politierechtbanken. Een arrondissement voor de vestiging van een politierechtbank is evenwel niet hetzelfde als voor een rechtbank van eerste aanleg of een arbeidsrechtbank.
VOORBEELDEN
– Hoewel er in principe één rechtbank van eerste aanleg per provincie is, zijn er voor de rechtbank van eerste aanleg in Oost-Vlaanderen drie afdelingen: in Dendermonde, Gent en Oudenaarde.
– Hoewel de arbeidsrechtbanken gekoppeld zijn aan de zones van de Hoven van Beroep (zo zijn er 5 voor heel België), zijn er voor Gent 10 afdelingen: in Aalst, Brugge, Dendermonde, Gent, Ieper, Kortrijk, Oudenaarde, Roeselare, Sint-Niklaas en Veurne.
– Daarentegen zijn er maar 8 afdelingen van de ondernemingsrechtbank voor hetzelfde rechtsgebied: in Brugge, Dendermonde, Gent, Ieper, Kortrijk, Oostende, Oudenaarde en Veurne.
– Er zijn afzonderlijke politierechtbanken in Halle en in Vilvoorde, terwijl heel de provincie OostVlaanderen als één arrondissement beschouwd wordt. Al zijn er wel afdelingen in Aalst, Dendermonde, Gent, Oudenaarde en Sint-Niklaas.
38. In strafzaken is de politierechtbank in eerste aanleg onder meer bevoegd voor de kleinere strafzaken, overtredingen genoemd (art. 137 Sv.). Je vindt de mogelijke straffen terug in het hoofdstuk ‘Indelingen van het recht’ onder randnummer 9.
De politierechtbank uit zich in hoofdzaak door de uitbreiding van de bevoegdheid waardoor deze de ware ‘verkeersrechtbank’ wordt. Zij beslecht onder meer alle misdrijven inzake verkeersovertredingen met inbegrip van de onopzettelijke slagen en verwondingen en doding indien zij het gevolg zijn van een verkeersongeval, een vluchtmisdrijf en het ontbreken van een verplichte aansprakelijkheidsverzekering (art. 138 Sv.).
39. Fundamenteel is de hervorming van 1995 inzake de bevoegdheid in burgerlijke zaken. De politierechtbank neemt kennis ongeacht het bedrag van alle vorderingen tot schadevergoeding ontstaan uit een verkeersongeval (art. 601bis Ger.W.).
3.2.3 Rechtbank van eerste aanleg
40. De rechtbank van eerste aanleg bestaat uit vier kamers, die men respectievelijk de familie- en jeugdrechtbank, de burgerlijke rechtbank, de correctionele rechtbank en de strafuitvoeringsrechtbank noemt. Deze laatste is enkel aanwezig op plaatsen waar de zetel van een hof van beroep gevestigd is (art. 76 Ger.W.).
41. De wet van 30 juli 2013 betreffende de invoering van een familie- en jeugdrechtbank heeft een familie- en jeugdrechtbank in het leven geroepen. Daar waar voordien diverse rechtbanken bevoegd konden zijn voor bepaalde aspecten van het familiale leven (jeugdrechtbank, vredegerecht, rechtbank van eerste aanleg ...), heeft men gepoogd de transparantie te verhogen en de rechtspleging te vereenvoudigen door een familie- en jeugdrechtbank op te richten. Die bestaat uit een aantal kamers en de kamer(s) voor minnelijke schikking.
Om te pogen een geschil op te lossen zonder ruzie, zal in familiezaken de familierechtbank de partijen tijdens de inleidende zitting inlichten over de mogelijkheid hun geschil te beslechten via verzoening, bemiddeling of elke andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten (art. 731 Ger.W.).
Dat de bevoegdheden van deze rechtbank zeer ruim zijn, mag blijken uit art. 572bis Ger.W. De familierechtbank neemt kennis van:
1 vorderingen betreffende de staat van personen;
2 vorderingen tot nietigverklaring van de wettelijke samenwoning;
3 vorderingen tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden betreffende de uitoefening van hun rechten of betreffende hun goederen, alsook de voorlopige maatregelen die daarop betrekking hebben;
4 vorderingen betreffende het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling of het recht op persoonlijk contact ten aanzien van minderjarige kinderen;
5 de vaststelling van de voortdurende onmogelijkheid om het ouderlijk gezag uit te oefenen;
6 vorderingen met betrekking tot onderhoudsverplichtingen;
7 vorderingen met betrekking tot het huwelijksvermogensrecht, de erfopvolging, schenkingen onder levenden of testamenten.
Algemeen geformuleerd vormen ze allemaal burgerrechtelijke gezinsgeschillen.
VOORBEELDEN
– De vordering van de grootouders die aanspraak maken op omgangsrecht met hun kleinkind, zal door de familierechtbank behandeld worden (art. 375bis oud BW).
– Delphine Boël is in 2013 naar de familierechtbank gestapt om het wettelijke vaderschap van Jacques Boël te betwisten en, in een tweede fase, het vaderschap van Koning Albert II te laten erkennen.
De vorderingen tussen partijen die ofwel samen een minderjarig kind hebben, ofwel gehuwd zijn of waren, ofwel wettelijk samenwonenden zijn of waren, worden samengevoegd in één dossier, dat het familiedossier genoemd wordt (art. 725bis Ger.W.). Als de zaak naar een andere familierechtbank verwezen wordt, wordt het familiedossier mee overgedragen.
De jeugdkamers zijn minder vernieuwend. Zij zijn bevoegd voor de bescherming van het kind en de reactie op strafbare daden van minderjarigen en de maatregelen t.a.v. de ouders van deze minderjarigen.
42. De burgerlijke rechtbank is de rechtbank van eerste aanleg die volheid van bevoegdheid heeft. Ze neemt kennis van alle vorderingen, met uitzondering van de eisen die rechtstreeks voor het hof van beroep of het Hof van Cassatie moeten komen en evenmin wanneer de toewijzing van bevoegdheid aan een bepaald rechtscollege moet gebeuren bij uitsluiting van alle andere (art. 568 Ger.W.). Ze doet uitspraak over zowat alle geschillen in verband met het burgerlijk recht zoals schadevergoedingen … maar ook over o.a. de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwetten (art. 569 Ger.W.).
Ondanks haar naam is de rechtbank van eerste aanleg eveneens bevoegd om in beroep uitspraak te doen over burgerlijke zaken die in eerste aanleg door de vrederechter behandeld werden (> 2 000 EUR
en ≤ 5 000 EUR) (art. 577, eerste lid Ger.W.), bv. inzake huur, of door de politierechter. In dat geval is het dus een rechtbank in tweede (en laatste) aanleg.
43. Alle vorderingen betreffende bewarende beslagen (burgerrechtelijk), betreffende de tenuitvoerlegging van vonnissen en tegemoetkomingen van de Dienst voor alimentatievorderingen worden door de beslagrechter behandeld (art. 1395 Ger.W.). Deze wordt door de Koning aangewezen uit de rechters in de rechtbank van eerste aanleg (art. 79 Ger.W.).
44. De correctionele rechtbank is bevoegd om in eerste aanleg te oordelen over de meeste misdrijven.
45. De strafuitvoeringsrechtbanken zijn in het leven geroepen door de wet van 17 mei 2006 houdende oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken. Ze moeten waken over de uitvoering van de straffen uitgesproken door de hoven en rechtbanken. Oorspronkelijk oordeelden ze enkel over straffen van meer dan 3 jaar. Sinds 1 september 2022 gelden er nieuwe regels als iemand veroordeeld is tot een of meerdere gevangenisstraffen die in totaal meer dan 6 maanden en maximaal 2 jaar bedragen. Ze oordelen dus niet over de vraag of iemand al dan niet gestraft moet worden, maar wel over het al dan niet toekennen van de in de wet voorziene strafuitvoeringsmodaliteiten, onder meer elektronisch toezicht en voorwaardelijke invrijheidstelling.
Er zijn zes strafuitvoeringsrechtbanken, namelijk één per rechtsgebied van het hof van beroep, uitgezonderd in Brussel waar er twee zijn. Tegen de uitspraken van deze rechtbanken is geen beroep mogelijk, wel cassatie.
46. Elk fiscaal geschil ongeacht de waarde kan steeds voor de rechtbank van eerste aanleg, fiscale kamer, gebracht worden (art. 632 Ger.W.). Hiertegen is steeds beroep mogelijk (art. 617 Ger.W.).
47. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg (en ook van de arbeidsrechtbank en ondernemingsrechtbank) heeft een bijzondere bevoegdheid. Hij doet in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken (art. 584, eerste lid Ger.W.).
Het betreft een procedure in kort geding waar een voorlopig vonnis geveld wordt in afwachting van een behandeling ten gronde. Specifiek met betrekking tot het familierecht neemt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in iedere stand van een echtscheidingsprocedure, kennis van de voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de persoon, op het levensonderhoud en op de goederen zowel van de echtgenoten als van de kinderen (art. 1280, eerste lid Ger.W.).
3.2.4 Ondernemingsrechtbank
48. De ondernemingsrechtbank neemt kennis van alle geschillen tussen ondernemingen ongeacht de waarde van het geschil (art. 573 Ger.W.). Daarom spreekt men nu van de ‘natuurlijke rechter’. Ook geschillen in verband met wisselbrieven en orderbriefjes zullen door de ondernemingsrechtbank worden behandeld. Verder is de rechtbank ook bevoegd voor geschillen in verband met vennootschappen en verenigingen en m.b.t. faillissement (art. 574 Ger.W.).
49. Ook een niet-onderneming kan een geschil voor de ondernemingsrechtbank brengen als de verweerder de handeling in het kader van de verwezenlijking van zijn economisch doel verricht (art. 573 Ger.W.).
3.2.5 Arbeidsrechtbank
50. De arbeidsrechtbank is bevoegd om, ongeacht het bedrag van de eis, in eerste aanleg kennis te nemen van alle geschillen die betrekking hebben op het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht.
Het gaat onder meer om geschillen tussen werkgevers en werknemers inzake arbeidsovereenkomsten, gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de toepassing van cao’s, de vergoedingen voor arbeidsongevallen, kinderbijslagen … Ze worden opgesomd in art. 578-583 Ger.W.
Bijzonder aan de arbeidsrechtbank is dat ze in beginsel bestaat uit één jurist, beroepsrechter en twee ‘rechters in sociale zaken’, vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van werkgevers, werknemers en zelfstandigen.
De arbeidsrechtbank zetelt nooit in beroep omdat de vrederechter in sociale zaken geen bevoegdheid heeft. Tegen haar uitspraak is altijd beroep mogelijk.
3.2.6 Arrondissementsrechtbank
51. De arrondissementsrechtbank is een bijzondere rechtbank. Ze doet geen uitspraak over de grond van het geschil maar heeft als enige taak uitspraak te doen in bevoegdheidsgeschillen.
Wanneer de partijen in een geding het er niet over eens zijn welke rechtbank bevoegd is om over het geschil een uitspraak te doen, dan kan een partij of de rechter zelf vragen dat de arrondissementsrechtbank de juiste rechtbank bepaalt (art. 639-640 Ger.W.). Deze zendt de zaak voor verdere behandeling naar de bevoegde rechtbank. Tegen beslissingen van de arrondissementsrechtbank is geen hoger beroep mogelijk (art. 642 Ger.W.).
Het zijn de voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, de ondernemingsrechtbank en de arbeidsrechtbank die zetelen in de arrondissementsrechtbank samen met de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank (art. 74 Ger.W.).
3.2.7 Hof van beroep
52. De structuur van de rechtbank van eerste aanleg werd ook in de hoven van beroep toegepast. Zo zijn er in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken, kamers voor correctionele zaken, familiekamers, jeugdkamers en kamers voor minnelijke schikking (art. 101, § 1 Ger.W).
Tegen vonnissen die in eerste aanleg geveld werden door de ondernemingsrechtbank of de rechtbank van eerste aanleg kan hoger beroep worden ingesteld bij het hof van beroep (art. 602, 1° Ger.W.).
De strafkamers van de hoven van beroep oordelen in hoger beroep over de misdrijven waarover de correctionele rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.
Voor het hof van beroep kan een zaak in principe dus nooit in eerste aanleg aanhangig gemaakt worden. Nochtans kunnen ministers voor misdrijven die ze in uitoefening van hun ambt gepleegd hebben, in eerste aanleg berecht worden door het hof van beroep (art. 103 Gw.).
Op 9 januari 2017 is in het hof van beroep van Brussel het Marktenhof in werking getreden dat steeds een uitspraak doet in eerste en laatste aanleg (art. 101, § 1, lid 4 Ger.W). Het is exclusief bevoegd voor het volledige Belgische grondgebied voor o.a. beroepen tegen beslissingen van de Mededingingsautoriteiten, het BIPT, de CREG en de FSMA.
3.2.8 Arbeidshof
53. Elke kamer in een arbeidshof bestaat uit één raadsheer, beroepsmagistraat, en twee raadsheren in sociale zaken, vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van werkgevers, werknemers en zelfstandigen (art. 103 Ger.W.).
Het arbeidshof heeft enkel een algemene bevoegdheid als appelrechter tegen vonnissen die in eerste aanleg door de arbeidsrechtbank beslecht werden (art. 607 Ger.W.).
3.2.9 Hof van assisen
54. De bevoegdheid van het hof van assisen wordt bepaald door artikel 150 Gw., namelijk in geval van misdaden, politieke misdrijven en drukpersmisdrijven behoudens wat die laatste betreft, die door racisme of xenofobie zijn ingegeven.
Dat wordt nader omschreven in art. 216novies van het wetboek van strafvordering:
– 1° de misdrijven waarop een straf van niveau 8 is gesteld;
– 2° de doodslag;
– 3° de foltering met de dood tot gevolg;
– 4° de aantasting van seksuele integriteit en verkrachting met de dood tot gevolg;
– 5° de gijzeling met de dood tot gevolg.
VOORBEELD
Het proces van de aanslagen in Zaventem en het metrostation in Brussel werd behandeld in het hof van assisen van Brussel.
55. Het hof van assisen is een tijdelijk rechtscollege. Het wordt pas samengesteld als een beschuldigde naar het assisenhof wordt verwezen. Het hof zetelt in elke provincie en in Brussel (art. 114 Ger.W.).
Het hof bestaat uit een voorzitter en twee assessoren. Het hof houdt zitting bijgestaan door een jury met twaalf gezworenen.
56. Tegen een beslissing van het hof van assisen is geen beroep mogelijk. Er kan wel cassatieberoep tegen ingesteld worden.
3.2.10 Hof van Cassatie
57. Er is in België één Hof van Cassatie, gevestigd te Brussel (art. 147 Gw.). De taak van het Hof van Cassatie werd hoger reeds toegelicht bij de bespreking van de rechtsmiddelen.
De normale termijn om zich in cassatie te voorzien bedraagt drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de bestreden beslissing werd betekend (art. 1073 Ger.W.). Het gebeurt door een verzoekschrift neer te leggen op de griffie van het Hof van Cassatie (art. 1079 Ger.W.), dat de titel meekrijgt van ‘voorziening in cassatie’.
Je kunt jezelf niet verdedigen bij het Hof van Cassatie. Het is ook niet zonder belang welke advocaat je kiest. Het verzoekschrift waarmee men zich in cassatie voorziet, moet in burgerlijke zaken ondertekend zijn door een zogenaamde ‘advocaat bij het Hof van Cassatie’ (art. 478-479 Ger.W.). Ook in strafzaken moet je een beroep doen op een advocaat die een speciaal attest heeft.
4 Bijzondere instellingen: Raad van State – Grondwettelijk Hof
58. We hebben reeds gezegd dat België een rechtsstaat is, een staat waarvan de macht gereguleerd en beperkt wordt door het recht. Dat wordt onder meer belichaamd door het principe van de scheiding der machten. Elke macht heeft slechts die bevoegdheden die haar door de Grondwet of door wetten krachtens de Grondwet uitgevaardigd, zijn toegekend.
Dat betekent ook dat elke macht binnen de regels van het recht moet handelen.
VOORBEELD
Zo behoort het tot de primaire taak van de wetgevende macht om wetten te maken, maar moet ze bij het maken van de wetten rekening houden met een aantal wettelijke regels opdat de wetten rechtmatig tot stand zouden komen. Zo moet de wet via de juiste wetgevende procedure tot stand komen (art. 74, 77 of 78 Gw.), moet de juiste wetgever de bevoegdheid hebben om die aangelegenheid te regelen (federale, gemeenschaps- of gewestwetgever) …
59. Om de burger te beschermen tegen een onwettig optreden van de overheid is een rechterlijke toetsing mogelijk van de regels. Het zal misschien verwondering wekken dat een rechter niet automatisch een wet die indruist tegen de Grondwet nietig kan verklaren. Ook de rechterlijke macht kan slechts die bevoegdheid uitoefenen die haar toebedeeld is. We moeten dus zoeken naar de rechtsregels waardoor de rechter de bevoegdheid heeft om wetten of administratieve verordeningen te vernietigen. Hiertoe zijn voornamelijk twee bijzondere rechtscolleges opgericht, namelijk het Grondwettelijk Hof (art. 142 Gw.) en de Raad van State (art. 160 Gw.).
60. Merken we ten slotte op dat geen enkel rechtscollege bevoegd is om de regelmatigheid van een grondwettelijke regel te beoordelen. De Grondwet is immers de hoogste normatieve akte in de interne rechtsorde.
4.1 Grondwettelijk Hof
61. Het Grondwettelijk Hof doet bij wege van arrest, uitspraak over de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet, een decreet of een ordonnantie wegens schending van: – de regels die door of krachtens de Grondwet vastgesteld zijn voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de staat, de gemeenschappen en de gewesten; – de artikelen van titel II “De Belgen en hun rechten”; – de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet (art. 1 Bijz.Wet GwH en art. 142 Gw.).
De bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof is het vernietigen van rechtsregels die een federaal of regionaal parlement uitgevaardigd heeft maar in strijd zijn met haar bevoegdheden.
VOORBEELD
Zo heeft onder meer de federale ministerraad een beroep ingediend tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2019 tot wijziging van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wat betreft de uitrol van digitale meters (GwH 14 januari 2021, arrest nr. 5/2021, BS 1 maart 2021).
Deze regeling is een logisch gevolg van de staatshervorming aangezien er conflicten mogelijk zijn tussen de wet, het decreet en de ordonnantie. Door de Vlaamse regeling inzake terugdraaiende teller heeft de federale overheid immers minder btw-inkomsten. Als gevolg van de exclusieve bevoegdheden zal maar één wetgevende instantie regels mogen opstellen met betrekking tot een bepaald rechtsdomein.
62. Daarnaast is het Grondwettelijk Hof, zoals de naam het aangeeft, het Hof dat nagaat of regels niet indruisen tegen de Grondwet.
Er is evenwel geen algemene toetsingsbevoegdheid. De rechter mag alleen nagaan of een wet, een decreet of een ordonnantie in strijd is met de artikelen van titel II van de Grondwet en enkele andere grondwettelijke bepalingen, namelijk artikelen 170, 172 en 191. Titel II bevat alle grondrechten zoals
de onschendbaarheid van eigendom, de vrijheid van onderwijs … met als voornaamste artikelen 10 en 11 die het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel verwoorden. Artikelen 170 en 172 hebben betrekking op fiscale aangelegenheden en artikel 191 Gw. heeft betrekking op de rechten van vreemdelingen in België.
Het Hof onderzoekt dus geen geschil ten gronde en behoort daarom ook niet tot de rechterlijke macht.
Merk op dat artikel 142 Gw. enkel spreekt over de toetsing van wetten, decreten en ordonnanties aan artikelen 10, 11 en 24 Gw. De uitgebreidere bevoegdheid zoals blijkt uit artikel 1 Bijz.Wet GwH tot alle bepalingen van titel II heeft natuurlijk ook een grondwettelijke basis. Immers, artikel 142 Gw. bepaalt dat een bijzondere wet de toetsingsbevoegdheid van het Grondwettelijk Hof kan uitbreiden. Dat is gebeurd bij artikel 2 van de bijzondere wet van 9 maart 2003 (BS 11 april 2003). Merk tevens op dat het Grondwettelijk Hof tot in 2007 Arbitragehof heette.
De zesde staatshervorming biedt de mogelijkheid om een volksraadpleging te houden voor bepaalde gewestelijke materies (art. 39bis Gw.). Vooraleer de volksraadpleging gehouden wordt, kan het Grondwettelijk Hof een uitspraak doen over deze volksraadpleging (art. 142, vierde lid Gw.). Op die manier kan het Grondwettelijk Hof verhinderen dat een volksraadpleging die in strijd zou zijn met de wet, gehouden wordt.
63. De beroepen tot vernietiging kunnen ingesteld worden door de ministerraad of de regering van een gemeenschap/gewest, een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die doet blijken van een belang of door de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden (art. 2 Bijz.Wet GwH).
Deze beroepen kunnen slechts ingesteld worden binnen de 6 maanden na de bekendmaking van de te vernietigen regels (art. 3 Bijz.Wet GwH).
VOORBEELD
Wanneer er een wet wordt gemaakt die iets zou wijzigen aan het pensioenstelsel, en dat zou een invloed hebben op je later pensioen, dan kun je een verzoek indienen om die wet te vernietigen. Deze mogelijkheid ontstaat dus voordat er een geschil tot stand komt. Het ‘geschil’ dat ontstaat, is een geschil met betrekking tot het objectief recht, niet met betrekking tot je subjectieve rechten. Daarom spreekt men ook wel over het objectief contentieux.
64. Het spreekt vanzelf dat de vernietiging van een wet, een decreet of een ordonnantie een wijziging van de toepasselijke wetgeving veroorzaakt. Daarom moeten deze vernietigingsarresten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt worden (art. 9 Bijz.Wet GwH), zodat de rechtssubjecten er zich kunnen van vergewissen dat de regel uit de rechtsorde verdwenen is.
65. Wanneer de periode om een vernietigingsberoep in te stellen verstreken is, blijven de rechtsregels van toepassing. Maar dat maakt de onwettige regels niet automatisch wettig. Daarom dat de partijen naar aanleiding van een geschil met betrekking tot hun subjectieve rechten, de onwettigheid van een wet, een decreet of een ordonnantie kunnen inroepen als verdedigingsmiddel. Het is dan de rechtbank waar het geschil aanhangig is, die het opgeworpen probleem moet voorleggen aan het Grondwettelijk Hof.
Dat is een prejudiciële vraag die hetzelfde voorwerp heeft als wanneer een beroep tot nietigheid ingesteld wordt (art. 26 Bijz.Wet GwH).
4.2 Raad van State
66. Is de burger via het Grondwettelijk Hof beschermd tegen onwettige wetten, decreten of ordonnanties, dan blijft hij in de kou staan tegen onwettige beslissingen van de uitvoerende macht.
Hiertoe zijn andere beschermingsmiddelen in het leven geroepen.
67. Artikel 159 Gw. verplicht de rechterlijke macht om de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen enkel toe te passen in zover zij met de wetten overeenstemmen. Wanneer een rechter dus in een geschil een koninklijk besluit moet toepassen dat op een onwettige manier tot stand gekomen is, bijvoorbeeld doordat geen advies werd gevraagd aan de Raad van State, dan mag hij dit niet toepassen.
68. De Raad van State heeft volgens artikel 160 Gw. twee belangrijke taken: – hij doet bij wege van arrest uitspraak als administratief rechtscollege en – hij geeft advies in de door de wet bepaalde gevallen.
Daarom bestaat de Raad van State uit twee afdelingen: de afdeling bestuursrechtspraak en de afdeling wetgeving. Deze laatste werd reeds behandeld bij de wetgevingsprocedure. In dat geval geeft ze trouwens maar een advies dat niet afdwingbaar is.
69. De Raad van State is echter ook een rechtscollege dat arresten kan vellen.
De afdeling bestuursrechtspraak doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden (art. 14 RvStW.).
Het begrip ‘akte van overheden’ is heel ruim. Het betreft niet alleen de koninklijke en ministeriële besluiten van de federale overheid en de besluiten van de gemeenschaps- en gewestregeringen, maar ook van alle andere administratieve overheden zoals de provincie en de gemeente.
De onwettigheden die beteugeld worden door de nietigheid is de niet-naleving van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Zo is het vaste rechtspraak dat het inwinnen van het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State als substantieel beschouwd moet worden.
Overschrijding van macht is de schending van bevoegdheidsrechtelijke regels en inhoudelijke strijdigheid met hoger recht. Zo weten we dat elke verordening van een uitvoerende macht gebaseerd moet zijn op de Grondwet of een wettekst (zie art. 105 Gw., art. 20 en 78 BWHI).
Het verzoek tot nietigheid is ook een vorm van objectief contentieux waarvan de inzet dus niet de erkenning of bescherming is van een subjectief recht, maar wel de vaststelling van de wettigheid of onwettigheid van de bestreden rechtshandeling. Zonder dat er een concreet geschil is, vraagt een partij die er belang bij heeft de vernietiging van de administratieve akte (art. 19 RvStW.).
De termijn waarbinnen het verzoek tot nietigheid ingesteld moet worden bedraagt 60 dagen nadat de bestreden beslissingen, reglementen of besluiten werden bekendgemaakt of betekend (art. 4 ProcRvSt.).
70. De afdeling bestuursrechtspraak kan tevens optreden als cassatierechter voor beroepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Zoals bij het Hof van Cassatie treedt ze dan niet in de beoordeling van de zaken. Er wordt met andere woorden geen uitspraak gedaan over het geschil als dusdanig maar over de juiste toepassing van de wetgeving.
Als dusdanig is de Raad van State het hoogste administratieve rechtscollege.
Bij het onlinemateriaal (www.mijnstudiemateriaal.be) vind je een overzicht van de bronnen van het recht op internet met links en omschrijvingen.
5 Casussen
Welk rechtscollege heeft onderstaande uitspraak gedaan of zal geldig een beslissing kunnen nemen over het voorgelegde probleem? Verklaar waarom dit rechtscollege bevoegd was.
1 De Vlaamse Codex Fiscaliteit houdt geen schending in van het beginsel van gelijkheid en nietdiscriminatie (art. 10 en 11 Gw.) in zoverre de bepaling inzake het verschuldigde verdeelrecht enkel in een verlaagd tarief en een vermindering van de belastbare grondslag voorziet voor de verdeling of de afstand van onroerende goederen naar aanleiding van een echtscheiding of een beëindiging van de wettelijke samenwoning, maar niet bij de beëindiging van een feitelijke samenwoning.
De decreetgever heeft redelijkerwijze kunnen oordelen dat de samenwonende partners die ervoor kiezen niet door de wettelijke samenwoning of door het huwelijk te worden verbonden, de vooren nadelen van de ene en de andere samenlevingsvorm kennen en de juridische gevolgen van hun keuze aanvaarden.
2 De oorspronkelijke vordering van de huidige appellante werd ingesteld bij dagvaarding betekend op 10 december 2025 en had als voorwerp: (1) te zeggen voor recht dat de door haar geformuleerde huurhernieuwing m.b.t. het onroerende goed gelegen te Gent, rechtsgeldig is geschied; (2) te zeggen voor recht dat de handelshuurovereenkomst tussen de partijen wordt hernieuwd voor een nieuwe negenjarige periode.
In de syntheseconclusie werd door de appellante in deze vorderingen volhard.
3 Een schadevergoeding wegens bezetting zonder recht of titel, behoort slechts tot de bevoegdheid van de vrederechter als de waarde van die vordering beneden de grens blijft van de bevoegdheid van de vrederechter ratione summae (d.w.z. bevoegdheid volgens het bedrag van de vordering).
4 Mevr. L.H. (werknemer bij bpost) heeft haar voet verzwikt toen zij een krant bezorgde. Om de krant in de brievenbus te deponeren moest ze haar postvoertuig verlaten en in de richting van de brievenbus te stappen.
Het verzwikken van een voet op gemeentegrond is een verkeersongeval in de zin van artikel 29bis W.A.M.
5 Verweerster is eigenaar van een woning. Op 28 januari 2020 is een deel van een naaldboom vanaf het perceel van de verweerster afgekraakt en omgevallen. De boom beschadigde het tuinhuis en de carport van de woning ernaast van de eiseres. Zij vordert een schadeloosstelling van 6 576 EUR.
Figuur
1 Het Belgisch rechtsbestel
HOF VAN CASSATIE
Hoogste rechtscollege. Oordeelt niet in feite, gaat na of de wet juist is geïnterpreteerd en of er geen procedurefouten werden gemaakt. Kan beslissen dat een proces opnieuw moet worden gevoerd.