Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven 1
Niet-aftrekbare belastingen
De belastingen op de winst zijn niet als beroepskost aftrekbaar (art. 198, 1e WIB 1992). Vallen de belastingopbrengsten uit een terugbetaling of regularisatie groter uit dan de niet-aftrekbare belastingkosten van het boekjaar, dan wordt de post van de verworpen uitgaven op nul gebracht en de begintoestand van de reserves verhoogd met het overblijvende gedeelte. Overzicht van de voornaamste niet-aftrekbare belastingen (art. 198, lid 1 WIB 1992) – Vennootschapsbelasting inclusief de erop betrekking hebbende verhogingen, vermeerderingen, nalatigheidsintresten en de afzonderlijke aanslag geheime commissielonen; – de 5 % afzonderlijke aanslag op verwezenlijkte meerwaarden op aandelen van DBI-beleggingsen vastgoedvennootschappen (in de mate dat ze vrijgesteld zijn overeenkomstig art. 192, § 1 WIB 1992) (= sinds aanslagjaar 2026); – de 7,5 % afzonderlijke aanslag op het bovenmatig deel van forfaitair geraamde voordelen van alle aard die werden toegekend aan werknemers (= vanaf aanslagjaar 2027); – voorafbetalingen; – voorheffingen die met de Ven.B verrekenbaar zijn zoals RV op verkregen intresten/dividenden en het FBB; – geraamd bedrag van de belastingen; – de in art. 219bis vermelde afzonderlijke aanslagen; – de forfaitaire belasting op de werknemersparticipatie die de vennootschap draagt i.p.v. in te houden; – roerende voorheffing die de uitkerende vennootschap (als schuldenaar van het inkomen) draagt ter ontlasting van de genieter; – de 10 % afzonderlijke heffing op de liquidatiereserve (art. 219 quater WIB 1992). Let op: Bij de toekenning of betaalbaarstelling van roerende inkomsten moet de schuldenaar in principe roerende voorheffing inhouden (art. 261, 1° WIB 1992). Hij moet de verschuldigde voorheffing in elk geval storten op rekeningnummer BE42 6792 0000 0054 van de ontvanger Roerende voorheffing binnen de 15 dagen na toekenning of betaalbaarstelling van het roerend inkomen. Bovendien moet hij nog een aangifte in de RV indienen binnen die zelfde termijn (formulier 273 [andere roerende inkomsten dan dividenden] of 273A [dividenden]). Schuldenaar (dividend) Bruto 100,00 EUR RV 30 %
genieter 70,00 EUR (netto)
ontvangkantoor 30,00 EUR RV Let op: Roerende voorheffing die de uitkerende vennootschap (als schuldenaar van het inkomen) niet inhoudt, maar zelf draagt ter ontlasting van de genieter (in principe geboekt onder de rekening 640), 279
Deel 3 Vennootschapsbelasting
komt in de verworpen uitgaven van de uitkerende vennootschap maar is geen verrekenbare RV in hoofde van die uitkerende vennootschap. Aftrekbare belastingen en taksen – Onroerende voorheffing; – Niet-aftrekbare btw; – Buitenlandse belasting die niet verrekenbaar is in België; – Verkeersbelasting en de kilometerheffing (wel eventueel deel als niet-aftrekbare autokosten); – Belasting op inverkeerstelling (wel eventueel deel als niet-aftrekbare autokosten); – Vergunningsrecht van sterke dranken; – Lokale belastingen (van gemeenten en provincies) zoals belasting op drijfkracht, op personeel, op hinderlijke bedrijven …; – Bedrijfsvoorheffing ten laste genomen door werkgever (= loon).
2
Gewestelijke belastingen, heffingen en retributies
In de vennootschapsbelasting zijn de gewestelijke belastingen, heffingen en retributies niet aftrekbaar, alsmede de eventuele verhogingen, vermeerderingen, kosten en nalatigheidsintresten met betrekking tot deze belastingen (art. 198, 1ste lid, 5° WIB 1992). Voor het Vlaamse Gewest vallen volgende gewestbelastingen onder deze niet-aftrekbaarheid: – de oppervlaktewaterheffing (heffing op waterverontreiniging en op winning van grondwater) (bevestigd door het Hof van Cassatie, 15-11-2024 (F.21.0130.N)); – de heffing op de verwijdering van vaste afvalstoffen; – de dossiertaks milieuvergunning; – de heffingen op de meststoffen; – de heffing ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten; – de heffing ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verkrotting van gebouwen of woningen; – de grindheffing; – de heffingen op de winning van grondwater; – de planbatenheffing; – de elektriciteitsheffing; – het waterwegenvignet; – de belasting op de afgifte van jachtverloven en jachtvergunningen; – het vergunningsrecht voor de watervangst; – de retributie voor privatief gebruik van wegen, waterwegen en hun aanhorigheden; – de accijns op de strandconcessies; – de verschuldigde regionale belastingen op spelen en weddenschappen en automatische ontspanningstoestellen zijn eveneens niet-aftrekbare beroepskosten. Doorgerekende gewestbelastingen Als de gewestbelasting wordt doorgerekend aan een klant, blijft ze een verworpen uitgave in hoofde van de wettelijke belastingschuldige vennootschap en niet bij de klant. De belastingplichtigen aan wie deze gewestbelasting daarna wordt doorgerekend, kunnen deze kost fiscaal volledig aftrekken. De doorgerekende gewestelijke belastingen hebben bij de klant niet meer het karakter van een belasting maar behoren tot de kostprijs van een geleverd goed of een verleende dienst (Parl. Vr. nr. 637, Goris d.d. 3 februari 2005, Parl. Vr. nr. 218 Dhr. Van Der Maelen, d.d. 7 maart 2013, Cass., 21 december 2017 en Cass. 23 juni 2022).
280
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
3
Geldboeten, verbeurdverklaringen, straffen van alle aard en verhogingen van sociale bijdragen
Zijn niet aftrekbaar: geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, administratieve geldboeten opgelegd door overheden, zelfs wanneer die geldboeten niet het karakter van een strafrechtelijke sanctie hebben en zelfs wanneer hun bedrag is berekend op basis van een aftrekbare belasting, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel 30 WIB 1992, alsook regularisatieheffingen en sommen betaald bij minnelijke schikkingen en de verhogingen van sociale bijdragen (art. 53, 6° WIB 1992). Zijn dus op te nemen in de verworpen uitgaven: – alle in het WIB 1992 vermelde vaste geldboeten, zowel de administratieve geldboeten (art. 445 WIB 1992) als de strafrechtelijke geldboeten (o.a. art. 449, 450, 452 en 456 WIB 1992); – vaste btw-boeten (o.a. art. 70, § 4 Btw-Wetboek); – vaste boete van 250,00 EUR m.b.t. Eurovignet; – belastingverhogingen of evenredige administratieve geldboeten inzake btw, registratierechten of bedrijfsvoorheffing, bv. een proportionele boete van 15 % bij opening van de ‘bijzondere rekening’ btw of een proportionele boete van 10 % bij het verkeerdelijk in aftrek brengen van btw; – gemeentelijke administratieve sancties (GAS-boetes); – boeten die werknemers oplopen en die ten laste van de werkgever vallen (verkeersboeten of strafrechtelijke geldboeten die een werknemer oploopt tijdens de normale uitoefening van de dienstbetrekking, en die het gevolg zijn van het opvolgen van bepaalde dwingende instructies van de werkgever, zie Parl. Vr. nr. 469 Dhr. De Potter, 14 mei 2009); – gerechtelijke transactionele boeten; – boeten wegens inbreuk op de reglementering van de prijzen of de kwaliteit, op de milieuwetgeving, op de reglementering inzake mededinging (bv. EG-kartelboeten); – verhogingen van sociale bijdragen, bijvoorbeeld als men ten onrechte verminderde voorlopige bijdragen betaalde of de sociale bijdragen te laat betaalde. Voor nalatigheidsintresten blijft het principe: bijzaak volgt hoofdzaak. Volgende boeten zijn voor 100 % aftrekbaar: – belastingverhogingen m.b.t. onroerende voorheffing van professioneel gebruikt vastgoed zijn wel aftrekbaar (Parl. Vr. nr. 24143 Dhr. Van der Donckt, 28 februari 2018, CRIV 54 COM 858, p. 2); – contractuele schadevergoeding: dit is een boete wegens het niet naleven van een contractuele verbintenis, bijvoorbeeld wegens een laattijdige levering; – boetes en verhogingen van sociale bijdragen die als voordeel van alle aard belast worden in hoofde van werknemers of bedrijfsleiders; – de bijdrage wegens laattijdige neerlegging van de jaarrekeningen (circ. AOIF 12/2007 d.d. 1804-2007). Parkeerretributies zijn te beschouwen als autokosten. Een gedeelte ervan komt in verworpen uitgaven als niet-aftrekbare autokosten.
281
Deel 3 Vennootschapsbelasting
4
Jaarlijkse taksen op de kredietinstellingen, collectieve beleggingsinstellingen en verzekeringsondernemingen
De jaarlijkse taks op de kredietinstellingen, op de collectieve beleggingsinstellingen en op de verzekeringsondernemingen worden ten belope van 100 % aangemerkt als een verworpen uitgave.
5
Taks op de inscheping van een luchtvaartuig
Vanaf 1 april 2022 is per vertrekkende passagier een vliegtuigtaks verschuldigd op alle burgerlijke vluchten die vertrekken vanaf een in België gelegen luchthaven. De zgn. vliegtuigtaks is gelijk aan: Tot 28.07.2025
Vanaf 29.07.2025
Vanaf 01.01.2027
Vanaf 01.01.2028
Vanaf 01.01.2029
Minder dan 500 km
€ 10,00
€ 10,00
€ 10,00
€ 10,50
€ 11,00
Verder dan 500 km, maar binnen de EER, het Verenigd Koninkrijk of Zwitserland
€ 2,00
€ 5,00
€ 10,00
€ 10,00
€ 10,00
Verder dan 500 km en buiten de EER, het Verenigd Koninkrijk of Zwitsersland
€ 4,00
€ 5,00
€ 10,00
€ 10,00
€ 10,00
De taks is ook van toepassing op zakelijke vluchten en privévluchten (ook de privéjets zijn bedoeld). De luchtvaartmaatschappij moet de taks innen en doorstorten naar de Schatkist. Als de luchtvaartmaatschappij de inschepingstaks doorrekent met een uitdrukkelijke en afzonderlijke vermelding op de factuur, dan is dat geen verworpen uitgave bij de luchtvaartmaatschappij, maar wel bij haar klanten.
6
Niet-aftrekbare pensioenen, kapitalen, werkgeversbijdragen en -premies
Vele vennootschappen engageren zich tegenover hun werknemers of bedrijfsleiders om een extrawettelijk pensioen op te bouwen. Zij betalen daarvoor bijdragen, hetzij aan een verzekeringsmaatschappij in het kader van een groepsverzekering of een IPT-verzekering, hetzij aan een pensioenfonds. Deze extra-legale pensioenbijdragen zijn aftrekbaar onder strikte wettelijke voorwaarden (art. 52,3°, b en art. 59 WIB 1992). Werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering en rechtstreeks uitbetaalde pensioenen aan personeelsleden zijn maar aftrekbaar voor zover zij uitgedrukt in jaarlijkse rente 80 % van de laatste normale brutojaarbezoldiging niet overschrijden (art. 59 WIB 1992 en 195 WIB 1992). Is het beloofde pensioenkapitaal groter dan het wettelijk toegelaten maximumbedrag, dan moet het overdreven gedeelte van de premies bij de vennootschap onder de verworpen uitgaven worden opgenomen (code 1204). Wanneer de vennootschap voor haar bedrijfsleider een extralegaal pensioen opbouwt, dan moet zij regelmatig en minstens maandelijks een bedrijfsleidersbezoldiging toekennen (in geld of in natura).
282
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
7
Niet-aftrekbare autokosten en minderwaarden op personenwagens, auto’s dubbel gebruik en minibussen
7.1
Aftrekpercentages
Sinds aanslagjaar 2021 zijn de kosten van personenwagens en auto's dubbel gebruik, minibussen aftrekbaar volgens volgende gramformule (wet van 25 december 2017, BS 29 december 2017): aftrek % = 120 % – (0,5 % × brandstofcoëfficiënt × aantal g CO2/km)
Brandstofcoëfficiënt – voor dieselauto’s: 1. – voor voertuigen met een aardgasmotor (CNG) en een belastbaar vermogen van minder dan 12 fiscale paardenkracht: 0,90. – voor voertuigen met een andere motor bv. voor een benzineauto, benzinehybride, dieselhybriden, LPG, biobrandstof, elektrische motor of andere: 0,95. Aftrekpercentage – CO2-uitstoot ≤ 200g/km: maximaal 100 % en minimaal 50 %. – CO2-uitstoot > 200g/km: dan bedraagt de fiscale aftrek slechts 40 %. Ook de aftrekbaarheid van de brandstofkosten van personenwagens wordt berekend volgens de gramformule. Valse plug-inhybride De wetgever ontmoedigt de zgn. valse plug-inhybridewagens. Het gaat om plug-inhybridewagens uitgerust met zowel een brandstofmotor als met een elektrische batterij die een energiecapaciteit heeft van minder dan 0,5 kWh per 100 kilogram van het wagengewicht of een uitstoot heeft van meer dan 50 gram CO2 per kilometer of meer dan 75 gram CO2 per kilometer als de CO2-uitstoot is bepaald volgens de Euro 6e-bis-norm of een latere norm. Bij de bepaling van het aftrekpercentage volgens de nieuwe gramformule moet worden gerekend met: – de CO2-uitstoot van hetzelfde model dat uitsluitend voorzien is van een brandstofmotor; – indien van een hybridemodel geen uitvoering bestaat met uitsluitend een brandstofmotor, dan wordt de uitstootwaarde van de hybrideversie vermenigvuldigd met 2,5. Uitzondering: de ‘valse’ plug-inhybridepersonenwagen behoudt zijn eigen CO2-waarde als de wagen aangekocht is vóór 1 januari 2018, d.w.z. besteld werd vóór 1 januari 2018 (gedateerde en ondertekende bestelbon) of waarvan het operationeel leasingcontract werd getekend vóór 1 januari 2018.
7.2
Vergroeningswet: evolutie van de aftrekpercentages
Voor alle personenwagens, auto’s voor dubbel gebruik en minibussen die worden aangeschaft/gehuurd/geleased vanaf 1 januari 2026 zal enkel nog de kostenaftrek aanvaard worden als het emissievrije wagens betreft. Voor de wagens met CO2-uitstoot die zijn aangekocht, geleased of gehuurd vóór 1 januari 2026 werd een overgangsregeling uitgewerkt (de grandfathering-regeling met behoud van de bestaande aftrekregeling en een uitdoofscenario).
283
Deel 3 Vennootschapsbelasting
Om te weten welk aftrekpercentage toepasselijk is, is het van belang wanneer de wagen werd aangekocht, geleased of gehuurd. Datum van aankoop. De datum van aankoop is niet noodzakelijk het moment waarop de belastingplichtige economisch eigenaar van de wagen wordt. Ook de op dat moment reeds bestelde, maar nog niet geleverde bedrijfswagens wordt voor de toepassing van de wetsbepalingen als aangekocht beschouwd. Voor bedrijfswagens die geleased of gehuurd worden en waarvan de economische eigendom dus niet overgedragen wordt, zal gekeken worden naar de datum waarop het lease- of huurcontract wordt afgesloten. In bestaande contracten worden niet ingebroken. CO2-uitstootvrije personenwagens Een uitstootvrije personenwagen (bv. volledig elektrisch of op waterstof) is op heden 100% aftrekbaar. Voor voertuigen aangeschaft of besteld vanaf 1 januari 2027 daalt de aftrekbaarheid progressief naargelang het jaar van aankoop. Van zodra de aftrek is bepaald in functie van het aankoopmoment blijft dit percentage behouden zolang de vennootschap deze wagen gebruikt. Jaar van aankoop/huur/leasing
Fiscale aftrekbaarheidspercentage
2026
100 %
2027
95 %
2028
90 %
2029
82,5 %
2030
75 %
2031 e.v.
67,75 %
Personenwagens op uitsluitend fossiele brandstof Wagens aangekocht vóór 01.07.2023 Voor de CO2-uitstotende wagens die vóór 1 juli 2023 aangekocht zijn, blijven de huidige regels in verband met de fiscale aftrekbaarheid gelden (= grandfathering-regeling). De wagen zal dus nooit meer dan 100 % aftrekbaar zijn en niet minder dan 50 % (40 % voor wagens met CO2-uitstoot ≥ 200 g/km). Wagens aangekocht in de periode 01.07.2023 tot 31.12.2025 Voor wagens aangekocht tussen 1 juli 2023 en 31 december 2025 geldt een uitdoofregeling. De huidige fiscale regels blijven van toepassing tot en met aanslagjaar 2025. Vanaf aanslagjaar 2026 (boekjaar dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2025) start de uitdoofregeling en daalt de maximale aftrek jaarlijks (max. 75 % voor aj. 2026 (boekjaar ten vroegste vanaf 01-01-2025), max. 50 % voor aj. 2027, max. 25 % voor aj. 2028 en 0 % vanaf aj. 2029). Voor deze wagens worden vanaf aanslagjaar 2026 ook de ondergrenzen van 40 % en 50 % opgeheven. De fiscale aftrek kan vanaf aanslagjaar 2026 dus al dalen tot 0 % (bv. bij een uitstoot van 240 g/km voor een dieselmotor en bij een uitstoot van 253 g/km voor een benzinemotor).
284
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
Aanslagjaar
minimumaftrek
maximumaftrek
Aj. 2025 (boekjaar gestart vanaf 01.01.2024)
50 % / 40 %
100 %
Aj. 2026 (boekjaar gestart vanaf 01.01.2025)
0%
75 %
Aj. 2027 (boekjaar gestart vanaf 01.01.2026)
0%
50 %
Aj. 2028 (boekjaar gestart vanaf 01.01.2027)
0%
25 %
Aj. 2029 (boekjaar gestart vanaf 01.01.2028)
0%
0%
Wagens aangekocht vanaf 01.01.2026 Personenwagens, auto’s dubbel gebruik en minibussen met CO2-uitstoot die aangekocht worden vanaf 1 januari 2026 zijn niet meer fiscaal aftrekbaar. Plug-inhybridepersonenwagens De regels inzake CO2-uitstotende personenwagens zijn ook van toepassing op plug-inhybridewagens. Voor plug-inhybrides aangekocht tussen 1 januari 2023 en 30 juni 2023 worden de kosten voor benzine- of dieselverbruik echter begrensd op 50 %. Voor plug-inhybrides aangekocht tussen 1 juli 2023 en 31 december 2025 zullen de benzine- of dieselkosten aftrekbaar zijn ten belope van max. 50 %, ten belope van max. 25 % vanaf 1 januari 2027 en 0 % vanaf 1 januari 2028. Elektriciteitskosten volgen de gewone regels. Op die manier worden chauffeurs gestimuleerd om elektrisch te rijden met hun plug-inhybridevoertuig en wordt het gebruik van de verbrandingsmotor voor dergelijke auto’s ontmoedigd. Volgens het regeerakkoord De Wever I zou de regering voorzien in een ruimere overgangsperiode voor plug-inhybridewagens. Het kabinet-Jambon werkte al een tijd aan een nieuw fiscaal gunstregime voor plug-inhybridewagens. De regelgeving van de vorige regering (de Vergroeningswet) zou daarmee worden versoepeld. Het kabinet-Jambon had voor ogen om die plug-inhybrides vanaf 2026 wel nog 100 procent fiscaal aftrekbaar te houden, om dat voordeel dan later te laten uitdoven. Maar in april 2025 werd volgens het kabinet-Jambon duidelijk dat de Europese Commissie de regeling niet zou aanvaarden, omdat die niet in lijn lag met de klimaatagenda. Er stonden ook 282 miljoen euro aan Europese relancemiddelen op het spel: die waren voorzien als ons land fiscale voordelen voor bedrijfwagens alleen nog zou toekennen aan emissievrije voertuigen. De fiscale versoepeling voor plug-inhybrides geldt alleen in de personenbelasting. Vennootschappen moeten dus de regeling van de vorige regering (die van de Vergroeningswet, zoals hierboven besproken) blijven volgen.
7.3
Welke kosten worden beperkt?
De fiscale CO2-gekoppelde aftrekbeperking treft o.a. volgende kosten van personenwagens, auto’s voor dubbel gebruik en minibussen: afschrijvingen, verkeersbelasting, B.I.V., verzekeringskosten, bijdrage pechbestrijding, onderhouds- en herstellingskosten, brandstofkosten, technische inspectiekosten, expertise- en gerechtskosten, garagekosten, parkeerkosten, niet-aftrekbare btw, huur, gps enz. Taxikosten blijven voor 75 % aftrekbaar. De sociale CO2-taks (solidariteitsbijdrage) die de werkgever verschuldigd is op het aan werknemers verstrekte autovoordeel is een integraal aftrekbare beroepskost.
285
Deel 3 Vennootschapsbelasting
7.4
Uitzonderingen: 100 % aftrekbare autokosten
1 De aftrekbeperking is niet van toepassing op volgende kosten: – mobilofoonkosten – financieringskosten (intrest en andere financiële kosten gedaan voor de aankoop of leasing van de wagen) Financiële kosten m.b.t. renting zijn ook aftrekbaar op voorwaarde dat: 1 duurtijd contract = minstens 24 maanden; 2 de intrest niet meer bedraagt dan de martkrente; 3 de financiële lasten zijn duidelijk afgescheiden van de overige gefactureerde kosten. – bepaalde kosten voor parking (= administratieve toegeving). Kosten voor parkeerplaatsen en/of garages (zowel de huur als de afschrijvingen) die voorbehouden zijn voor cliënten, zijn 100 % aftrekbaar (Parl. Vr. Dupré, 30 september 1993). Kosten voor parking en/of garages voor de auto’s die toebehoren aan het personeel (d.w.z. die hun eigendom zijn), zijn voor 100 % aftrekbaar (Parl. Vr. nr. 5 De Schampelaere, 8 januari 2008). Let op! Kosten voor parkingplaatsen van bedrijfswagens van de vennootschap vallen wél onder de beperkte aftrekbaarheid van autokosten. De aftrekbeperking betreft ook de terugbetaling van parkeergelden die werknemers tijdens dienstreizen hebben gemaakt. (Parl. Vr. nr. 5 De Schampelaere, 8 januari 2008). 2 De aftrekbeperking geldt ook niet in hoofde van de eigenaar voor de voertuigen die uitsluitend gebruikt worden: – voor een taxidienst of voor verhuring met chauffeur (en op grond daarvan van de verkeersbelasting vrijgesteld zijn); – als lesvoertuigen in erkende autorijscholen (speciaal uitgerust voor praktisch onderricht); – voor verhuring aan derden; – voor koerierdiensten; – voor ‘just in time delivery’ (leveringen van klein materiaal aan assemblage- en fabricatielijnen). 3 De aftrekbeperking geldt ook niet op de verantwoorde kosten m.b.t. tot minibussen die uitsluitend worden gebruikt voor het door de werkgever (of door een groep van werkgevers) georganiseerde collectief vervoer van personeelsleden tussen de woonplaats en de werkplaats. 4 Autoconstructeurs, invoerders en handelaars in nieuwe voertuigen in hoofdberoep Voor hen geldt de beperking niet op 60 % van de onderhoudskosten, verkeersbelasting en verzekeringspremies m.b.t. ‘directiewagens’. Dit zijn nieuwe auto’s die de aard hebben van koopwaar en die de belastingplichtige tijdelijk aan zijn voorraad onttrekt om ze hoofdzakelijk voor proefritten en demonstraties te gebruiken (Com.IB.66/31, 32). 5 De kosten met betrekking tot laadstations voor elektrische wagens (art. 66, § 2, 5° WIB 1992). Laadstations voor elektrische wagens moeten lineair over minstens 5 jaren afgeschreven worden (Parl. Vraag nr. 673 van Wouter Vermeersch d.d. 08-10-2021). Voor de vanaf 1 januari 2030 aangekochte, geleasede of gehuurde laadstations voor elektrische wagens zullen de kosten van die laadstations nog slechts 75 % aftrekbaar zijn (nieuw art. 66, § 6 WIB 1992 zoals van toepassing vanaf 01-01-2030).
286
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
7.5
Terugbetaalde autokosten eigen aan de werkgever
De vennootschap/werkgever kan autokosten terugbetalen aan een werknemer (bijvoorbeeld een vertegenwoordiger) of een bedrijfsleider die met zijn eigen wagen verplaatsingen aflegt voor de vennootschap. De terugbetaling kan gebeuren op basis van werkelijke stukken of op forfaitaire basis (volgens ernstige normen). De forfaitaire overheidstarieven mogen ook in de privésector worden toegepast. Het bedrag van de forfaitaire kilometervergoeding wordt zowel per kwartaal als jaarlijks (op 1 juli) aangepast. Tarief op kwartaalbasis: Van 01.07.2025 tot 30.09.2025: 0,4309 EUR/km Van 01.10.2025 tot 31.12.2025: 0,4312 EUR/km Van 01.01.2026 tot 31.03.2026: 0,4326 EUR/km Van 01.04.2026 tot 30.04.2026: 0,4571 EUR/km (1) Van 01.05.2026 tot 31.05.2026: 0,4841 EUR/km (1) Van 01.06.2026 tot 30.06.2026: 0,5055 EUR/km (1) Van 01.07.2026 tot 30.09.2026: 0,4440 EUR/km (1) Gezien de geopolitieke situatie in het Midden-Oosten wordt voor de periode van 01.04.2026 t.e.m. 30.06.2026 de berekeningswijze van de kilometervergoeding aangepast: het bedrag van de kilometervergoeding wordt maandelijks herzien. Tarief op jaarbasis: Van 01.07.2024 tot 30.06.2025: 0,4415 EUR/km Van 01.07.2025 tot 30.06.2026: 0,4449 EUR/km (2) Van 01.07.2026 tot 30.06.2027: 0,4761 EUR/km (2) Uitzonderlijk kan voor de maanden april, mei en juni 2026 worden overgeschakeld naar de bedragen die voor die maanden zijn vastgesteld; zie bij (1) hiervoor. De aftrekbaarheid van deze kilometervergoeding hangt af van de CO2-uitstoot, de motorisatie en de aanschafdatum van de wagen (art. 66, § 3 WIB 1992). De datum van aanschaf van de wagen door de werknemer of de bedrijfsleider is medebepalend voor het aftrekpercentage van de kilometervergoedingen. Als de CO2-uitstotende wagen door de werknemer of bedrijfsleider werd aangekocht/geleased/gehuurd vanaf 1 juli 2023, dan zal op termijn de aftrekbaarheid van de kilometervergoedingen worden afgebouwd (uitdoofscenario). De vennootschap moet dus beschikken over de datum van aankoop, bestelling of leasing van de eigen personenwagen van de werknemer of bedrijfsleider Parl. Vr. van Wouter Vermeersch nr. 1242, d.d. 23 november 2022). 30/70 voor plug-inhybridepersonenwagen gekocht/geleased/gehuurd sinds 1 januari 2023 De benzine- of dieselkosten van sinds 1 januari 2023 aangekochte, geleasede of gehuurde oplaadbare (plug-in)hybridepersonenwagens kunnen aftrekbaar zijn tegen een verschillend aftrekpercentage in vergelijking met het aftrekpercentage dat van toepassing is op de overige autokosten van dergelijke plug-inhybridewagens. Als een vennootschap aan haar werknemer een forfaitaire kilometervergoeding toekent voor dienstverplaatsingen die een werknemer doet met een sinds 1 januari 2023 aangekochte oplaadbare (plug-in)hybridewagen, dan kan de 70/30-regel worden toegepast om de aftrek in hoofde van de vennootschap te bepalen. Volgens de administratie mag ervan worden uitgegaan dat de forfaitaire
287
Deel 3 Vennootschapsbelasting
kilometervergoeding voor 30 % betrekking heeft op benzine- of dieselkosten en voor 70 % op de overige kosten (met inbegrip van elektriciteitskosten) (circulaire 2023/C/99 van 12 december 2023, nieuwe FAQ, nr. 8): – forfaitaire kilometervergoeding x 30 % = 50 % aftrekbaar (benzine of dieselverbruik); – forfaitaire kilometervergoeding x 70 % = aftrekbaar volgens CO2-uitstoot en aanschafdatum auto. De vennootschap kan de werkelijke verhouding hanteren als zij het werkelijke aandeel van de benzineof dieselkosten in de totale autokosten van de plug-inhybridepersonenwagen kan aantonen.
7.6
Aan derden doorgerekende autokosten
De kosten van personenwagens, auto’s dubbel gebruik, minibussen die een vennootschap doorrekent aan derden zijn voor 100 % aftrekbaar bij degene die doorrekent mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld. De fiscale aftrekbeperking van de doorgerekende autokosten dient dan te gebeuren bij de derde aan wie de kosten zijn doorgerekend (art. 66, § 2 WIB 1992). De autokosten dienen voor hetzelfde bedrag doorgerekend te worden, d.w.z. één op één (op onverbloemde wijze) zonder winstmarge. De uitzondering op de aftrekbeperking van autokosten is dus wél van toepassing bij een doorrekening met winstmarge en ook bij doorrekening tegen een forfaitair bedrag van bijvoorbeeld 500,00 EUR/maand (Parl. vraag nr. 898 van Wouter Vermeersch d.d. 2502-2022).
7.7
Privé gebruikte firmawagens
Bij de berekening van de niet-aftrekbare autokosten maakt de administratie volgend onderscheid: – de vennootschap vermeldt het voordeel op de loonfiche van de genieter; – de vennootschap vraagt een bijdrage in de kosten aan de genieter. A Vermelding van voordeel van alle aard op de loonfiche In de praktijk worden de verworpen uitgaven voor de wagen meestal berekend rekening houdende met het forfaitair bepaalde voordeel dat de werkgever vermeldt op de loonfiche van de genieter (Parl. Vr. nr. 1160 Dhr. de Clippele, 20 februari 2001). In de praktijk mag de vennootschap het voordeelbedrag aftrekken van de autokosten van die firmawagen die onderhevig zijn aan de CO2-gekoppelde aftrekbeperking. Plug-inhybridepersonenwagen gekocht/geleased/gehuurd sinds 1 januari 2023 Voor oplaadbare (plug-in)hybridepersonenwagens aangekocht, geleased of gehuurd vanaf 1 januari 2023 kan er voor de benzine- of dieselkosten een ander aftrekpercentage gelden in vergelijking met het aftrekpercentage dat van toepassing is op de overige autokosten. Voor deze wagens zal de vennootschap het voordeel van alle aard deels aanrekenen op de benzine- of dieselkosten en deels op de overige autokosten (met inbegrip van elektriciteitskosten) bij de berekening van de niet-aftrekbare autokosten. Zij kan hiervoor de pragmatische oplossing van de 70/30-regel hanteren: 30 % van het voordeel aanrekenen op de benzine- of dieselkosten en 70 % van het voordeel op de overige autokosten (met inbegrip van elektriciteitskosten).
288
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
Een uitsplitsing op basis van de werkelijke verhouding van enerzijds de benzine- en dieselkosten en anderzijds de andere autokosten in de totale autokosten is evenwel ook toegelaten om de correctie te doen van het voordeel van alle aard (Parl. Vr. nr. 1869 van Wouter Vermeersch d.d. 22 januari 2024). B Het voordeel wordt doorgerekend aan de genieter De vennootschap kan het voordeel terugvragen van de genieter via facturatie of inhouding op het nettoloon. De vennootschap boekt de ontvangen bijdrage van de genieter als een opbrengst. Zij mag de te beperken autokosten verminderen met de eigen bijdrage van de genieter voor het privé-gebruik van dat voertuig (art. 66, § 3, 3° WIB 1992). VOORBEELD
Het voordeel wordt forfaitair geraamd op 1 800,00 EUR en de vennootschap vraagt het voordeel terug aan de werknemer of de bedrijfsleider. 416 – Diverse vordering
1 800,00
aan 743 – Diverse bedrijfsopbrengst
1 487,60
451 – Verschuldigde btw
312,40
In plaats van het bedrag van het voordeel terug te vragen kan de werkgever het voordeel direct inhouden op het nettoloon. 455 – Nettolonen
1 800,00
aan 743 – Diverse bedrijfsopbrengst
1 487,60
451 – Verschuldigde btw
312,40
Plug-inhybridepersonenwagen gekocht/geleased/gehuurd sinds 1 januari 2023 Het aftrekpercentage van benzine- of dieselkosten van sinds 1 januari 2023 aangekochte, geleasede of gehuurde plug-inhybridepersonenwagens kan verschillen verschillen van het aftrekpercentage op de overige autokosten. Bij de berekening van de niet-aftrekbare autokosten mag de vennootschap de 70/30-regeling hanteren: 30 % van de eigen bijdrage aanrekenen op de benzine- of dieselkosten en 70 % van de eigen bijdrage aanrekenen op de overige autokosten (met inbegrip van elektriciteitskosten). Een uitsplitsing op basis van de werkelijke verhouding van enerzijds de benzine- en dieselkosten en anderzijds de andere autokosten in de totale autokosten is evenwel ook toegelaten om de correctie te doen van de eigen bijdrage (Parl. Vr. nr. 1869 van Wouter Vermeersch d.d. 22 januari 2024).
7.8
Ontvangen schadevergoedingen
Indien n.a.v. een ongeval met een personenauto, auto voor dubbel gebruik of minibus, een schadevergoeding wordt verkregen, draagt die vergoeding slechts in beperkte mate bij tot de fiscale winst (belastbare percentage hangt af van de CO2-uitstoot per km en brandstoftype). Die schadevergoeding komt in mindering van de verworpen uitgaven.
289
Deel 3 Vennootschapsbelasting
7.9
Minderwaarden
Voor verwezenlijkte minderwaarden van personenwagens, auto’s dubbel gebruik en minibussen is het aftrekbare deel gelijk aan het percentage dat de som van de vóór de verkoop fiscaal aangenomen afschrijvingen vertegenwoordigt in de som van de geboekte afschrijvingen voor de overeenstemmende belastbare tijdperken (art. 198bis, eerste lid, 2° WIB 1992).
8
Autokosten ten belope van een deel van het voordeel van alle aard
Onder haar verworpen uitgaven moet de vennootschap een bedrag noteren dat gelijk is aan een gedeelte (17 % of 40 %) van de voordelen van alle aard uit een firmawagen die zij ter beschikking heeft gesteld aan personeelsleden en bedrijfsleiders voor privédoeleinden. Het voordeel van alle aard uit het privégebruik van een personenwagen, stationwagen en minibus wordt berekend aan de hand van volgende formule: VAA firmawagen = cataloguswaarde × leeftijdspercentage × CO2-percentage x 6/7
Cataloguswaarde = de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en de werkelijk betaalde btw, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno. Leeftijdsfactor = Periode verstreken sinds de eerste inschrijving van de auto (waarbij een begonnen maand meetelt voor een volle maand
leeftijdspercentage
Van 0 tot 12 maanden
100 %
Van 13 tot 24 maanden
94 %
Van 25 tot 36 maanden
88 %
Van 37 tot 48 maanden
82 %
Van 49 tot 60 maanden
76 %
Vanaf 61 maanden
70 %
CO2 = 5,5 % voor wagens met de volgende referentie-uitstoot (kalenderjaar 2026): – voor dieselwagens: 58 g/km CO2 – voor benzinewagens: 70 g/km CO2. Die 5,5 % moet worden verhoogd of verlaagd met 0,1 % per extra gram CO2 boven of onder de grenswaarden van 58/70. Het CO2-percentage bedraagt minstens 4 % en maximaal 18 %. Het voordeel bedraagt minstens 1 690,00 EUR op jaarbasis (kalenderjaar 2026). Het verwerpingspercentage bedraagt 17 % van het voordeel van alle aard van de wagen indien de vennootschap die bedrijfswagen ter beschikking stelt zonder dat zij enige private brandstofkosten ten laste neemt.
290
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
Zodra de vennootschap de wagen ter beschikking stelt en ook de private brandstofkosten geheel of gedeeltelijk ten laste neemt, dan is de verworpen uitgave gelijk aan 40 % van het voordeel van alle aard van de wagen. De 17 % of 40 % verworpen uitgaven moet worden berekend op het theoretische bedrag van het voordeel van alle aard voor de bedrijfswagen zonder dat een eventuele eigen bijdrage van de genieter van de wagen daarvan in mindering mag komen. Ook al factureert de vennootschap het voordeel aan de genieter aan of boekt zij het voordeel op het debet van de rekening-courant van de bedrijfsleider, dan nog moet de vennootschap de 17 % of 40 % van het voordeel in de verworpen uitgaven aangeven.
9
Niet-aftrekbare restaurantkosten
Restaurantkosten zijn kosten van maaltijden die worden opgediend in een restaurant, met inbegrip van de erbij geserveerde dranken en rookwaren. Een restaurant is elke inrichting waar maaltijden worden bereid en verkocht om in die inrichting te worden verbruikt. Restaurantkosten zijn voor 69 % aftrekbaar (art. 53, 8° bis WIB 1992). De 69 % aftrekbeperking is ook van toepassing op: – de buitenlandse restaurantkosten; – de restaurantkosten begrepen in hotelrekeningen; – de restaurantkosten bij seminaries en colloquia; – bedrijfsrefters voor bedrijfsleiders en/of zakenrelaties. Er geldt géén aftrekbeperking voor volgende restaurantkosten: – restaurantkosten onder de vorm van goederen en diensten die te boeken zijn in de rubriek “handelsgoederen, grond- en hulpstoffen” van de resultatenrekening (art. 52,13° WIB 1992); – restaurantkosten die aan derden worden doorgerekend mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld (art. 53/1 WIB 1992); – restaurantkosten gemaakt door vertegenwoordigers van de voedingssector die producten verkopen of verdelen die zijn bestemd voor menselijke consumptie en voor zover de vertegenwoordiger kan aantonen dat die kosten noodzakelijk zijn in het kader van een bestaande/verhoopte relatie leverancier-klant; – aan personeelsleden terugbetaalde forfaitaire verblijfkosten (volgens de overheidsnormen) ter gelegenheid van dienstreizen in België (Parl. Vr. nr. 387 Mevr. Wouters, 29 april 2013); – de tijdens een buitenlandse zakenreis gemaakte restaurantkosten waarvan het werkelijke bedrag wordt terugbetaald onder de vorm van een belastingvrije terugbetaling van kosten eigen aan de vennootschap (Parl. Vr. nr. 061 Van Biesen d.d. 21 april 2014); – kosten van sociale maaltijden verstrekt aan het personeel in een bedrijfsrestaurant; – restaurantkosten gemaakt voor het geheel van het personeel ter gelegenheid van Sinterklaas, Kerstmis of Nieuwjaar (slechts 1 manifestatie per jaar) en ter gelegenheid van de overhandiging van eretekens aan personeelsleden of pensioneringen. Deze restaurantkosten zijn aftrekbare sociale voordelen); – restaurantkosten die aanleiding geven tot belastbare voordelen van alle aard bij de genieter. Restaurantkosten geboekt als handelsgoederen De fiscale aftrekbeperking voor restaurantkosten is enkel van toepassing op kosten die niet thuishoren in de rubriek II.A “handelsgoederen, grond- en hulpstoffen” van de resultatenrekening.
291
Deel 3 Vennootschapsbelasting
Hiermee zorgt de wetgever voor een oplossing ten aanzien van restaurantkosten gemaakt door reisorganisatoren en evenementorganisatoren. Reisorganisatoren die pakketreizen aanbieden tegen een enige prijs (maaltijden inbegrepen) doen vaak een beroep op plaatselijke restaurants of traiteurs voor het verbruik van maaltijden en dranken door de afnemers van die reizen. Ook evenementorganisatoren maken restaurantkosten ten voordele van de persoon die beroep doet op deze organisator voor een event. Wanneer deze organisatoren al de gemaakte restaurantkosten voor iedere deelnemer op de factuur gedetailleerd zouden moeten vermelden, zou dit een omstandige administratie vergen. Doorgerekende restaurantkosten Restaurantkosten die aan derden worden doorgerekend zijn volledig aftrekbaar als beroepskosten mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld (art. 53/1 WIB 1992). De uitzondering op de aftrekbeperking van restaurantkosten is alleen van toepassing als de aan derden doorgerekende kosten voor hetzelfde bedrag worden doorgerekend. De doorrekening van die restaurantkosten moet één op één (op onverbloemde wijze) worden doorgevoerd, zonder winstmarge. Bij een doorrekening tegen een forfaitair bedrag geldt de aftrekbeperking wél (Parl. Vraag nr. 898 van Wouter Vermeersch d.d. 25-02-2022).
10
Niet-aftrekbare receptiekosten en kosten voor relatie geschenken
10.1 Receptiekosten Receptiekosten zijn kosten die de belastingplichtige of zijn vertegenwoordiger maakt in het kader van zijn externe relaties voor de ontvangst van derden in eigen lokalen of elders. VOORBEELDEN
Kosten van traiteurs, aankoop van dranken, voedingswaren en bloemen met het oog op de organisatie van de jaarlijkse algemene vergadering der aandeelhouders. Receptiekosten (beroepsmatig) zijn slechts voor 50 % aftrekbaar (art. 53, 8° WIB 1992). Er is géén aftrekbeperking op volgende receptiekosten: – receptiekosten onder de vorm van goederen en diensten die te boeken zijn in de rubriek “handelsgoederen, grond- en hulpstoffen” van de resultatenrekening (art. 52,13° WIB 1992); – receptiekosten die aan derden worden doorgerekend mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld (art. 53/1 WIB 1992); – vervoerskosten gemaakt door een onderneming, met het oog op de verkoop van producten; – demonstratiekosten met eventuele uitdeling van handelsstalen; – kosten voortvloeiend uit het laten degusteren van door de onderneming verkochte of geproduceerde producten (bv. op voedingsbeurzen); – kosten van rondjes betaald in cafés door bierhandelaars en vertegenwoordigers van brouwerijen, en door verdelers van automatische ontspanningstoestellen en hun vertegenwoordigers; – de eigenlijke kosten van showrooms die gelegen zijn in de onderneming en waar de door de onderneming geproduceerde of verkochte goederen worden tentoongesteld; – cateringkosten n.a.v. verkoopsbevorderende evenementen.
292
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
Verkoopsbevorderende evenementen De kosten van spijzen en dranken en de cateringkosten die de belastingplichtige maakt in het kader van een evenement georganiseerd voor bestaande of potentiële klanten en dat hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de verkoop van welbepaalde producten of diensten te bevorderen, zijn maar voor 50 % aftrekbaar als receptiekosten. De gemaakte kosten betreffende evenementscatering blijven hun aard behouden van receptiekosten, ongeacht de context waarin ze zijn gemaakt. (Cassatie 22 februari 2019 en Cassatie 22 maart 2019).
10.2 Relatiegeschenken Relatiegeschenken zijn voorwerpen van een zekere waarde die periodiek of toevallig worden aangeboden in het kader van beroepsrelaties, zoals drank, bloemen, pralines en ook luxeartikelen zoals uurwerken, reukwaren, lederwaren. Wanneer het geschenk in kwestie niets te maken heeft met wat de schenkende vennootschap produceert of verkoopt, heeft men te maken met een relatiegeschenk. Kosten van relatiegeschenken zijn slechts voor 50 % aftrekbaar. Er geldt géén aftrekbeperking op volgende relatiegeschenken: – kosten van relatiegeschenken onder de vorm van goederen en diensten die te boeken zijn in de rubriek “handelsgoederen, grond- en hulpstoffen” van de resultatenrekening (art. 52,13° WIB 1992); – kosten van relatiegeschenken die aan derden worden doorgerekend mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld (art. 53/1 WIB 1992); – reclameartikelen (= voorwerpen, gadgets en gebruiksgoederen die massaal uitgedeeld worden met de bedoeling de benaming van de onderneming meer bekendheid te geven en die op opvallende en blijvende wijze de benaming van de schenkende onderneming dragen); – stalen (= een kleine hoeveelheid van een product om de kwaliteit ervan te laten kennen of te laten beoordelen door de toekomstige gebruiker of verbruiker); – prijzen voor wedstrijden of tombola’s; – toegangskaarten en abonnementen op culturele en sportieve manifestaties die de vennootschap aan zakenrelaties schenkt op voorwaarde dat de vennootschap op die manifestaties promotie voert. – relatiegeschenken die als voordeel van alle aard belast worden in hoofde van de genieter. Als de vennootschap een relatiegeschenk geeft aan een zelfstandige zakenrelatie (handelaar, industrieel, vrij beroeper of vennootschap) en het geschenk voor de genieter een belastbaar voordeel van alle aard uitmaakt, dan maakt de fiscus een onderscheid naargelang de waarde van het geschenk: – is het relatiegeschenk meer waard dan 250,00 EUR (btw inclusief) op jaarbasis, dan moet de schenkende vennootschap een fiche 281.50 opmaken op naam van de verkrijger. Zodoende blijft de kostprijs van het geschenk volledig aftrekbaar voor de vennootschap. – is de waarde van het geschenk niet hoger dan 250,00 EUR (btw inclusief) op jaarbasis, dan moet de vennootschap geen fiche 281.50 opstellen en is de uitgave voor 50 % aftrekbaar.
293
Deel 3 Vennootschapsbelasting
11
Niet-aftrekbare beroepskledij
Niet-specifieke beroepskledij is niet aftrekbaar (art. 53, 7° WIB 1992). Zuiver privékledij gekocht en betaald door de vennootschap ter ontlasting van haar personeelsleden en bedrijfsleiders, wordt door de administratie beschouwd als een voordeel van alle aard (Parl. nr. 102 Mevr. Claes, 29 april 2008 en Mond. Vr. nr. 15307 Dhr. Hamal, 28 oktober 2009). Er geldt géén aftrekbeperking op volgende kledijkosten: – kosten van specifieke beroepskledij; – kledijkosten die te boeken zijn in de rubriek “handelsgoederen, grond- en hulpstoffen” van de resultatenrekening (art. 52,13° WIB 1992); – kledijkosten die aan derden worden doorgerekend mits deze kosten uitdrukkelijk en afzonderlijk op factuur zijn vermeld (art. 53/1 WIB 1992).
12
Overdreven intresten
Intresten van schulden zijn aftrekbare beroepskosten voor zover zij niet meer bedragen dan de marktrente (art. 55 WIB 1992). Deel van de betaalde intrest > geldende marktrente = verworpen uitgave. De bewijslast ligt bij de belastingplichtige, die moet aantonen dat de betaalde intresten niet hoger zijn dan de rente die, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van het krediet, op de markt moet worden betaald. Wettelijke uitzondering: zijn volledig aftrekbaar als beroepskost (art. 56 WIB 1992): – intresten van openbaar uitgegeven obligaties en soortgelijke effecten (art. 56, § 2, 2° WIB 1992); – intresten betaald aan in art. 56, § 2, 2° WIB 1992 vermelde financiële instellingen (banken, kredietinstellingen en gelijkaardige financiële ondernemingen gevestigd in de EER). Maximale creditrente RC voor kalenderjaar 2026 Voor niet-hypothecaire leningen van onbepaalde duur (creditstand R/C) is het begrip “marktrente” vervangen door de rentevoet voor kredieten tot 1.000.000 EUR met variabel tarief en met een duurtijd tot één jaar aan niet-financiële ondernemingen (MFI-rente) voor contracten gesloten in november van het voorgaande jaar, verhoogd met 2,5 %. De MFI-rente wordt gepubliceerd op de site van de NBB. MFI-rente november 2025 = 3,50 % → 3,50 + 2,5 % = 6,00 % is de maximale creditrente voor kalenderjaar 2026 (ten opzichte van 7,08 % voor kalenderjaar 2025).
13
Intresten m.b.t. een gedeelte van bepaalde leningen
Betaalde of toegekende intresten van leningen zijn onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55 WIB 1992, niet aftrekbaar in de mate dat het bedrag van deze leningen een bepaalde schuldratio overschrijdt. Men noemt dit de zgn. ‘thin capitalisationregeling’. De aftrekbeperking speelt ten aanzien van twee soorten leningen: 1 buitenlandse verstrekkers gevestigd in een land zonder inkomstenbelasting of in een land waar deze intresten onderworpen zijn aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling dan in België;
294
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
2 leningen aangegaan bij groepsvennootschappen in de zin van art.1:20 WVV waarvan de overeenkomst is gesloten vóór 1 juli 2016 en sindsdien niet fundamenteel gewijzigd werd. Het uitstaande saldo van al deze geviseerde leningen mag maximaal gelijk zijn aan 5 keer de som van het werkelijk gestorte kapitaal bij het einde van het belastbare tijdperk en de belaste reserves (vóór aanpassing begintoestand van de reserves) bij het begin van dit tijdperk (art. 198, 11° WIB 1992). In de mate dat de geviseerde leningen die ratio overschrijden zijn de daarop betaalde of toegekende intresten verworpen uitgaven. Wanneer het totale bedrag van de belaste reserves negatief is, dan mag dat bedrag niet van het werkelijk gestorte kapitaal worden afgetrokken. Het gestorte kapitaal blijft dus het absolute minimum voor de berekening van die 5-grens. Uitzondering: intresten die betrekking hebben op obligaties of andere soortgelijke effecten, uitgegeven door een openbaar beroep te doen op het spaarwezen, blijven aftrekbaar.
14
Niet-aftrekbaar financieringskostensurplus
Intrestkosten zijn slechts aftrekbaar ten belope van een vast percentage (30 %) van de belastbare EBITDA van de vennootschap. Deze aftrekbeperking is niet van toepassing op intresten van leningen waarvan de overeenkomst is gesloten sinds 17 juni 2016 en waaraan geen fundamentele wijzigingen zijn aangebracht vanaf die datum. Zij blijven niet aftrekbaar in de mate dat de 5:1-ratio is overschreden.
15
Abnormale of goedgunstige voordelen
15.1 Artikel 26, 1ste lid WIB 1992: algemeen principe Een Belgische vennootschap wordt belast op de abnormale of goedgunstige voordelen die ze verleent, onder voorbehoud van het bepaalde in art. 54 WIB 1992, tenzij die voordelen in aanmerking komen voor het bepalen van de belastbare inkomsten van die verkrijger. De toevoeging bij de winst gebeurt via opname onder de verworpen uitgaven. De bewijslast ligt bij de administratie, maar de belastingplichtige kan een tegenbewijs aanvoeren. Wanneer de belastingplichtige aantoont dat de voordelen rechtstreeks of onrechtstreeks in aanmerking komen voor het bepalen van de in België of in het buitenland belastbare inkomsten van de verkrijgers, moeten deze voordelen niet bij de winst van de verstrekkende onderneming worden gevoegd.
15.2 Artikel 26, 2de lid WIB 1992: drie specifieke toepassingsgevallen Zonder mogelijk tegenbewijs worden die voordelen hoe dan ook bij de eigen winsten gevoegd als ze worden toegekend aan een in het buitenland gevestigde genieter (persoon of onderneming) die: – zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een relatie van wederzijdse afhankelijkheid bevindt met de Belgische onderneming; of
295
Deel 3 Vennootschapsbelasting
– in het land waar hij is gevestigd, niet wordt onderworpen aan de inkomstenbelasting of aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling dan in België (dit geldt ook voor de buitenlandse inrichtingen die aldaar zijn gevestigd); of – belangen gemeen heeft met de bedoelde belastingplichtigen of inrichtingen.
16
Sociale voordelen
Sociale voordelen zijn ‘onbelangrijke voordelen’ die met een uitgesproken sociaal oogmerk door de werkgever worden toegekend aan werknemers en bedrijfsleiders. Ze mogen ook verstrekt worden aan gewezen werknemers of bedrijfsleiders of aan hun rechtverkrijgenden. Bij de werkgever
Bij de genieter
Sociale voordelen
Verworpen uitgaven (art. 53, 14° WIB 1992) behalve de lijst met administratieve toleranties
Vrijgestelde inkomsten (ongeacht of ze aftrekbaar zijn bij de vennootschap)
Voordelen van alle aard
Aftrekbaar als beroepskosten
Belastbare inkomsten
Speciale gevallen:
16.1 Collectieve verzekeringen voor geneeskundige verzorging, arbeidsongeschiktheid, invaliditeit e.d. Bedoeld worden o.a. de premies betaald voor hospitalisatieverzekeringen (Ci.RH.322/583.327, AOIF, 41/2010, d.d. 20 mei 2010).
16.2 Anciënniteitspremie De anciënniteitspremies toegekend of betaald ten vroegste bij het bereiken van 25 of 35 jaar anciënniteit worden onder bepaalde voorwaarden beschouwd als een algemeen sociaal voordeel dat niet aftrekbaar is bij de werkgever (Ci.RH.242/601.490, AOIF 18/2010, d.d. 25 februari 2010).
16.3 Huwelijkspremie Tot de grens van 245,00 EUR: – integraal aftrekbaar als beroepskost (art. 52, 3° WIB 1992) bij de werkgever – vrijgesteld bij de genieter (vrijgesteld sociaal voordeel) Deel boven de 245,00 EUR: – aftrekbare beroepkost bij de werkgever (mits ficheplicht) – belastbaar voordeel van alle aard bij de genieter (Ci. RH.242/588.226, AOIF 30/2008, d.d. 22 september 2008)
16.4 Collectieve gelegenheidsgeschenken Vele ondernemingen willen hun personeel belonen met een waardevol geschenk naar aanleiding van een bijzondere gebeurtenis zoals een jubileum of belangrijk contract. Tot de grens van 500 EUR (btw inclusief) kwalificeert de fiscus het geschenk als een niet-aftrekbaar sociaal voordeel. Het gedeelte boven 500 EUR vormt een voordeel van alle aard.
296
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
17
Voordelen uit maaltijd-, sport-, cultuur- en ecocheques
17.1
Maaltijdcheques
Als de volgende voorwaarden voldaan zijn, worden de elektronische maaltijdcheques als een vrijgesteld inkomen beschouwd (art. 38/1, § 1 tot § 4 WIB 1992): 1 De toekenning van de maaltijdcheque moet vervat zijn in een cao op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak of in een individuele schriftelijke overeenkomst; 2 Het aantal toegekende maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal effectief gewerkte dagen van de werknemer of bedrijfsleider; 3 De maaltijdcheques worden op naam van de werknemer of bedrijfsleider afgeleverd (of toekenning is vermeld op diens individuele rekening); 4 De maaltijdcheque moet duidelijk vermelden: – de geldigheidsduur is beperkt tot 12 maanden; en – de cheque mag slechts worden gebruikt ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbruiksklare voeding; 5 De tussenkomst van de werkgever in het bedrag van de cheques mag vanaf 01.01.2026 niet méér dan niet méér dan 8,91 EUR per cheque bedragen; 6 De tussenkomst van de werknemer of bedrijfsleider moet ten minste 1,09 EUR per cheque bedragen; 7 De cheques mogen niet worden toegekend ter vervanging van loon, premies, een voordeel in natura of enig ander voordeel. 8 Het aantal elektronische maaltijdcheques en het brutobedrag min de werknemersbijdrage worden vermeld op de loonfiche van de werknemer. Fiscale aftrekbaarheid. Onder bovenstaande voorwaarden is de werkgeversbijdrage ten belope van maximaal 2,00 EUR per maaltijdcheque (vanaf 01.01.2026: 4,00 EUR per maaltijdcheque aftrekbaar als de nominale waarde van de cheque 10,00 EUR bedraagt) aftrekbaar als beroepskost. Het saldo is op te nemen in de verworpen uitgaven. Als de toekenning van cheques niet gelijktijdig voldoet aan de acht voorwaarden of bij te veel toegekende cheques, worden deze een belastbare bezoldiging bij de verkrijger en is de kostprijs van de cheques voor de werkgever volledig aftrekbaar (mits fiches 281 opgemaakt).
17.2
Sport- en cultuurcheques
Algemene regel: de toegekende sport- en cultuurcheques zijn bij de werknemer of bedrijfsleider belastbare voordelen van alle aard in de zin van art. 31, 2de lid, 2°, of 32, 2de lid, 2° WIB 1992. Uitzondering:
sport- en cultuurcheques worden onder bepaalde voorwaarden krachtens art. 38, § 1, 11° WIB 1992, als een vrijgesteld inkomen aangemerkt (Ci.RH.242/579.489, AOIF29/2009 d.d. 2 juni 2009). 297
Deel 3 Vennootschapsbelasting
De voorwaarden voor vrijstelling bij de verkrijger zijn: 1 De cheques mogen niet worden verleend ter vervanging of omzetting van loon; 2 Ze zijn vastgelegd in een cao of in een individuele overeenkomst; 3 De cheques kunnen uitsluitend ingewisseld worden bij: – erkende of gesubsidieerde cultuuroperatoren (museum, kunstatelier, theater ...) of – sportorganisaties die aangesloten zijn bij een erkende federatie of één van de vier nationale federaties (boks, voetbal, hockey en golf); Ze kunnen gebruikt worden voor de betaling van lidgelden, huur van sportterreinen, aankoop van abonnementen en toegangskaarten voor het zwembad, museum, theater enz., Ze mogen niet gebruikt worden voor aankoop van sportmateriaal of sportuitrustingen (fiets, loopband, skimateriaal …). 4 De cheque vermeldt een beperkte geldigheidsduur van 15 maanden geldig vanaf het moment dat de cheques ter beschikking worden gesteld; 5 Ze zijn afgeleverd op naam van de werknemer/bedrijfsleider (of opgenomen op de individuele rekening van de werknemer); 6 Maximaal jaarlijks een bedrag van 100,00 EUR per werknemer, per jaar; 7 Ze zijn vrijgesteld van RSZ voor werknemer en werkgever. De cheques zijn (als de voorwaarden vervuld zijn) voor hun totaal bedrag NIET aftrekbaar bij de werkgever.
17.3
Ecocheques
De lijst van producten en diensten die aangekocht kunnen worden met ecocheques werd opgenomen als bijlage bij de cao nr. 98. Deze lijst is exhaustief. Momenteel voorziet de lijst in vier globale categorieën van producten en diensten: 1 ecologische producten en diensten; 2 korte keten; 3 duurzame mobiliteit en vrije tijd; 4 hergebruik, recyclage en afvalpreventie. De voorwaarden opdat de ecocheque als sociaal voordeel beschouwd kan worden: 1 de toekenning moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel of ondernemingsvlak. In bepaalde gevallen is een individuele overeenkomst mogelijk; 2 de ecocheque mag een maximale waarde van 10,00 EUR hebben, de cao of individuele overeenkomst bepaalt de frequentie van de toekenning; 3 de ecocheque wordt op naam afgeleverd; 4 de geldigheid van de ecocheque moet tot 24 maanden beperkt blijven en hij komt enkel in aanmerking voor de aankoop van de producten en diensten vermeld in cao nr. 98 van de Nationale Arbeidsraad; 5 de cheques kunnen niet in geld worden omgeruild; 6 het totale bedrag van de door de werkgever toegekende ecocheques mag niet meer bedragen dan 250,00 EUR per werknemer; 7 de ecocheques mogen niet worden toegekend ter vervanging van loon, premies, een voordeel in natura of enig ander voordeel. Wanneer alle voorwaarden zijn vervuld, moet de waarde van de toegekende cheques genoteerd worden onder de verworpen uitgaven bij de werkgever.
298
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
18
Huur en toegekende vergoedingen die voortkomen van een zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed
Sinds aanslagjaar 2024 zijn de huurvergoedingen (huurprijs en huurvoordelen) en de toegekende vergoedingen voor een zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed (opstal, erfpacht, vruchtgebruik en andere) niet aftrekbaar als beroepskost in volgende twee gevallen (art. 53, 33°, WIB 1992): 1 bij gebrek aan bijlage 270 MLH bij de aangifte of facturering (eerste uitsluitingsgrond); of 2 bij kosteloze registratie als privéhuur (tweede uitsluitingsgrond). 1 Geen aftrek huur/vergoeding bij gebrek aan bijlage De aftrek van de niet-gefactureerde huur/vergoedingen als beroepskost is uitgesloten als de bijlage 270 MLH bij de aangifte ontbreekt. 2 Geen aftrek huur bij kosteloze registratie als privéhuur De huur is ook niet aftrekbaar als de huurovereenkomst kosteloos is geregistreerd, omdat het onroerend goed uitsluitend bestemd is tot huisvesting van een gezin of van één persoon (zoals bedoeld in art. 161, 12°, a) of b) W.Reg.). Uitzonderingen – Bij de kosteloze registratie als privéhuur is de huur toch aftrekbaar als beroepskost als de vennootschap het onroerend goed huurt met als uitsluitend doel de huisvesting te verlenen van een werknemer of bedrijfsleider en, desgevallend, hun gezin ingevolge een wettelijke of contractuele verplichting. Denk bijvoorbeeld aan een vennootschap die een woning huurt met een kosteloos geregistreerd huurcontract en deze uitsluitend als huisvesting ter beschikking stelt van haar bedrijfsleider of kaderlid. In dat geval kan de vennootschap de niet-gefactureerde huur wel als beroepskost aftrekken op voorwaarde dat zij de bijlage 270 MLH bij haar aangifte in de vennootschapsbelasting voegt. – Bij de kosteloze registratie als privéhuur is de huur toch aftrekbaar als beroepskost in hoofde van een sociale woonmaatschappij als de huur betrekking heeft op een onroerend goed dat wordt ingehuurd om het ter beschikking te stellen van: • een natuurlijke persoon die het goed uitsluitend als woning gebruikt; of • meerdere natuurlijke personen die het goed uitsluitend gezamenlijk als woning gebruiken. De sociale woonmaatschappij moet wel haar rapporteringsverplichting nakomen via de bijlage 270 MLH of een geldig ander document (art. 194octies WIB 1992). – Het wetsontwerp tot lagere kosten II (DOC 56-1593/001) wil die aangifteverplichting van een huurbijlage afschaffen, evenals de daaraan verbonden gevolgen zoals de weigering van de aftrek van beroepskosten. Geplande inwerkingtreding: vanaf de datum die zal worden bepaald door een in ministerraad overlegd koninklijk besluit.
19
Liberaliteiten
Alle giften, schenkingen en andere vrijgevigheden die de vennootschap zonder commerciële bedoelingen aan derden doet, zijn geen aftrekbare beroepskosten worden. Deze uitgaven worden geacht niet te zijn gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en beantwoorden bijgevolg niet aan art. 49 WIB 1992.
299
Deel 3 Vennootschapsbelasting
20
Waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen
Verantwoorde waardeverminderingen en verwezenlijkte minderwaarden op aandelen zijn niet aftrekbaar (art. 198, 7° WIB 1992). De verkoopkosten moeten in mindering worden gebracht van de verkoopprijs bij de berekening van de meerwaarde/minderwaarde (art. 43 WIB 1992). Uitzondering: – Minderwaarden op aandelen die worden geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van de emitterende vennootschap zijn aftrekbaar tot ten hoogste het verlies aan werkelijk gestort kapitaal (niet-gerevaloriseerd) dat door die aandelen of delen wordt vertegenwoordigd. – Waardevermindering en minderwaarde bij verkrijgen van eigen aandelen overeenkomstig de voorschriften uit de vennootschapswetgeving, moeten niet in de verworpen uitgaven worden opgenomen maar als belastbaar dividend (inkoopbonus) worden beschouwd.
21
Terugneming van vroegere vrijstellingen
Bepaalde eerder verleende vrijstellingen moeten onder bepaalde omstandigheden in een later boekjaar worden teruggegeven via de verworpen uitgaven. Dit is onder meer het geval voor: – de voorheen verleende vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek, uitbouw technologisch potentieel, diensthoofd uitvoer en diensthoofd IKZ; – de voorheen verleende vrijstelling voor sociaal passief ingevolge het eenheidsstatuut; – het deel van de onrechtmatig verkregen energiesteun die voorheen werd vrijgesteld en dat werd terugbetaald ten gunste van het gewest, de gemeenschap, de provincie of de gemeente.
22
Werknemersparticipatie en winstpremies
Het deel van de te verdelen vennootschapswinst dat als werknemersparticipatie of winstpremie wordt bestemd, is niet als beroepskost aftrekbaar, maar dient in de verworpen uitgaven te worden opgenomen. Let op: werknemersparticipaties en winstpremies behoren tot één van de bestanddelen van het aftrekverbod. Daarop is dus steeds vennootschapsbelasting verschuldigd. Winstpremies Een winstpremie is een premie in geld die wordt toegekend ter uitvoering van de beslissing van een vennootschap (of de vennootschapsgroep) om een deel of het geheel van de winst van een boekjaar toe te kennen aan de werknemers, en dat conform de wettelijke modaliteiten. Het totale bedrag aan winstdeelnames is jaarlijks beperkt tot maximaal 30 % van de totale brutoloonmassa van het betreffende boekjaar). Een werkgever kan kiezen tussen twee vormen: de identieke of de gecategoriseerde winstpremie. De identieke winstpremie is een winstpremie waarvan het bedrag gelijk is voor alle werknemers of waarvan het bedrag overeenkomt met een gelijk percentage van het loon van alle werknemers. Voor de identieke winstpremie volstaat een beslissing door de gewone of buitengewone algemene vergadering met een gewone meerderheid van de stemmen.
300
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
De gecategoriseerde winstpremie is een winstpremie die aan alle werknemers een bedrag in speciën toekent waarvan de hoogte afhankelijk is van een verdeelsleutel die wordt toegepast op basis van objectieve criteria zoals o.a. de anciënniteit; de graad; de functie; de weddeschaal; het vergoedingsniveau en het vormingsniveau. Vennootschappen met vakbondsafvaardiging moeten de gecategoriseerde winstpremie invoeren via een specifieke ondernemingscao. Ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging kunnen die premie invoeren via cao of via een zgn. toetredingsakte. Op de winstpremie betaalt de werkgever géén patronale sociale zekerheidsbijdragen. Er is wel een solidariteitsbijdrage van 13,07 % ten laste van de werknemer verschuldigd. De vennootschap moet op de winstpremie een bevrijdende fiscale heffing van 7 % (art. 112 e.v. WIGB) inhouden ten laste van de werknemer.
23
Gewestelijke premies en kapitaal- en intrestsubsidies
De voorheen vrijgestelde gewestelijke tewerkstellings- en beroepsoverstappremies, gewestelijke kapitaal- en intrestsubsidies en gewestelijke steun voor O&O, die in het huidige boekjaar zijn terugbetaald aan het betrokken gewest, moeten in de verworpen uitgaven worden opgenomen (art. 198, lid 1, 14° WIB 1992). Zo’n terugbetaling kan twee oorzaken hebben: – vrijwillige vervreemding van het gesubsidieerde actief binnen de drie jaar; – terugbetaling om een andere reden (bv. niet voldaan aan de voorwaarden).
24
Niet-aftrekbare betalingen aan bepaalde staten
Betalingen die een vennootschap rechtstreeks of onrechtstreeks verricht aan personen gevestigd in de geviseerde belastingparadijzen zijn niet aftrekbaar als beroepskosten wanneer de vennootschap (art. 198, 10° WIB 1992): – ofwel vergeten is om deze kosten aan te geven in het voorziene formulier 275 F; – ofwel – als ze toch aangegeven zijn op de bijlage 275 F – niet kan rechtvaardigen dat de kosten beantwoorden aan werkelijke en oprechte verrichtingen. Zelfs als de vennootschap correct al haar betalingen aangeeft op de bijlage 275 F, dan nog moet zij kunnen bewijzen dat het gaat over een normale handelstransactie en dus niet over een of andere constructie om belastingen te ontduiken. De betalingen aan de geviseerde ‘belastingparadijzen’ moeten pas op het formulier 275F worden opgenomen als het totaal van de betalingen die tijdens het boekjaar werden gedaan vermeerderd met de tijdens dat boekjaar vastgestelde toename van de schulden aan de bedoelde personen of vaste inrichtingen ten minste 100 000,00 EUR bedraagt.Voor de toepassing van deze regeling worden de volgende landen als ‘belastingparadijzen’ aangemerkt: – landen die voorkomen op de zwarte OESO-lijst; – landen die voorkomen op de Belgische zwarte lijst; – landen die voorkomen op de Europese zwarte lijst. De administratie geeft een nuttig overzicht van de geviseerde staten (per aanslagjaar), met de datum vanaf wanneer de betalingen moeten worden aangegeven, in een werkblad dat men kan consulteren
301
Deel 3 Vennootschapsbelasting
via deze hyperlink: https://financien.belgium.be/sites/default/files/bbisi/lijst_van_staten.xlsx (circulaire 2021/C/112). A OESO-lijst van onwillige landen Geviseerd worden de landen die voorkomen op een OESO-lijst van landen die door het Mondiaal Forum van de OESO inzake transparantie en uitwisseling als niet conform (non compliant) of als gedeeltelijk conform (partially compliant) worden aangemerkt (circulaire 2021/C/112 van 20 december 2021). Er staan 13 staten op de OESO-lijst: Anguilla, Botswana, Britse Maagdeneilanden, Dominica, Ghana, Guatemala, Kazachstan, Liberia, Malta, Panama, Seychellen, Trinidad en Tobago, en Vanuatu. B Belgische landenlijst van landen zonder of met lage belasting Staten ‘met lage belasting’ zijn de volgende: – Staten waar het nominale tarief van de vennootschapsbelasting lager is dan 10 %; – Staten die geen vennootschapsbelasting heffen op inkomsten van binnenlandse oorsprong of van buitenlandse oorsprong (bijvoorbeeld Hong Kong, Singapore, Panama, Uruguay); – Staten waarvan het tarief van de vennootschapsbelasting dat met de werkelijke belastingdruk op inkomsten van buitenlandse oorsprong overeenstemt lager is dan 15 %. Met dien verstande dat staten die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte niet als een staat zonder of met een lage belasting kunnen kwalificeren. Onder Staat wordt verstaan (art. 307, § 1, lid 6 WIB 1992): – een door de meerderheid van de leden van de Verenigde Naties erkende onafhankelijke Staat; – een deel van deze Staat dat op autonome wijze bevoegd is om de grondslag of het tarief van de vennootschapsbelasting, geheel of gedeeltelijk, te bepalen. Die Belgische lijst van belastingparadijzen ziet er als volgt uit (KB van 01-03-2016, BS 11-032016): Abu Dhabi, Ajman, Anguilla, Bahama’s, Bahrein, Bermuda, Britse Maagdeneilanden, Kaaimaneilanden, Dubai, Fujairah, Guernsey, Jersey, Eiland Man, Marshalleilanden, Micronesië, Monaco, Montenegro, Nauru, Oezbekistan, Palau, Pitcairneilanden, Ras al Khaimah, SaintBarthelemy, Sharjah, Somalië, Turkmenistan, Turks- en Caicoseilanden, Umm al Qaiwain, Vanuatu en Wallis-en-Futuna (art. 179 KB/WIB 1992). Om te kijken of betalingen wel of niet aangegeven moeten worden, moet men volgens de administratie kijken naar de lijst die van kracht is op 1 januari van het aanslagjaar dat verbonden is aan het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de betalingen gebeuren. C Zwarte Europese lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden De aangifteverplichting van betalingen naar belastingparadijzen geldt ook voor betalingen naar rechtsgebieden die op de Europese lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voorkomen. Die EU-lijst van jurisdicties die niet coöperatief zijn op belastinggebied, wordt vastgelegd door de Raad van de Europese Unie en wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Voor betalingen vanaf 6 maart 2026 staan de volgende tien jurisdicties op de EU-lijst: 1. AmerikaansSamoa; 2. Anguilla; 3. Guam; 4. Palau; 5. Panama; 6. de Russische Federatie; 7. Turks- en Caicoseilanden; 8. de Amerikaanse Maagdeneilanden; 9. Vanuatu en 10. Vietnam.
302
Hoofdstuk 3 Verworpen uitgaven
D Relevante ontvangers De aangifteplicht geldt voor betalingen aan: – personen of vaste inrichtingen gevestigd of gelegen in een belastingparadijs; – bankrekeningen die worden beheerd of aangehouden door een persoon of vaste inrichting gevestigd of gelegen in een belastingparadijs; – en bankrekeningen die worden beheerd door of aangehouden bij kredietinstellingen gevestigd in of met een vaste inrichting in een belastingparadijs.
25
Niet-aftrekbare commissies en andere vergoedingen aan sportmakelaars
Vanaf 01-01-2022 zijn sportmakelaarsvergoedingen in de vennootschapsbelasting nog slechts als beroepskosten aftrekbaar in de mate dat ze niet meer bedragen dan 3 % van de totale brutobezoldiging van de sportbeoefenaar, berekend per jaar gedurende de gehele duur van het arbeidscontract (art. 198, 17° WIB 1992). Bedoeld zijn de commissies, makelaarslonen, handels- of andere restorno’s, toevallige of niet-toevallige vacatiegelden of erelonen, gratificaties, vergoedingen of voordelen van alle aard die rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald in het kader van een overeenkomst met als doel om: a) hetzij een sportbeoefenaar bij te staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het hernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst bij een sportclub; b) hetzij een schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing (in de zin van art. 270, 1° of 3° WIB 1992) bij te staan in onderhandelingen met het oog op het afsluiten, het verlengen, het vernieuwen of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst met een sportbeoefenaar; c) hetzij een inkomende of uitgaande uitleenbeurt, dan wel definitieve transfer van een sportbeoefenaar te regelen. Met deze maatregel ontmoedigt de wetgever bovenmatige vergoedingen aan sportmakelaars. Aftrekverbod. In de vennootschapsbelasting maakt de winst die ontstaat door de verwerping van het excessieve gedeelte van de makelaarsvergoeding boven 3 % van het inkomen de minimale belastbare basis uit (art. 206/3 §1, lid 1 WIB 1992). Die verworpen uitgave komt terecht in het aftrekverbod en kan dus niet gecompenseerd worden door de klassieke fiscale aftrekken zoals o.m. verliezen van het boekjaar of overgedragen verliezen. Ingevolge het aftrekverbod worden ook verlieslatende sportclubs ontmoedigd om hogere vergoedingen uit te betalen.
26
Andere verworpen uitgaven
– Intresten, retributies, bezoldigingen aan niet-inwoners of buitenlandse inrichtingen met fiscale gunstbehandeling in hun land van vestiging op voorwaarde dat de Belgische belastingplichtige en de belastingplichtige gevestigd in een andere staat zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevinden (art. 54 WIB 1992). Die kosten (die de wet a priori als ‘verdacht’ aanmerkt) zijn wel aftrekbaar. De vennootschap heeft twee mogelijkheden om de toepassing van art. 54 WIB 1992 (niet-aftrekbaarheid van die kosten) te vermijden: • eerste tegenbewijs: aantonen dat de betaling wordt gedaan aan een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de
303
Deel 3 Vennootschapsbelasting
inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn als die buitenlandse entiteit in België was gevestigd; • tweede tegenbewijs: aantonen dat de betaling of verrichting deel uitmaakt van een authentieke verrichting in de zin dat deze tot stand kwam om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.Jaarlijkse taks op winstdeelnemingen (198, 4° WIB 1992). – De jaarlijkse taks op de effectenrekeningen vermeld in artikel 201/4 van het Wetboek Diverse Rechten en Taksen (art. 198, 6° WIB 1992); – Het in kosten opgenomen deel van een op niet-afschrijfbare immateriële of materiële, of financiële vaste activa geboekt disconto, voor zover de aankoopprijs lager is dan de werkelijke waarde verhoogd met het disconto (art. 198, 8° WIB 1992). – Kosten van allerlei aard m.b.t. jacht, visvangst, yachten of andere pleziervaartuigen. – Kosten voor lusthuizen. – Kosten die op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overschrijden. – Terugname eenmalige investeringsaftrek onderzoek en ontwikkeling. – De toegekende omkopingsbedragen/steekpenningen (art. 53, 24° WIB 1992); – Bijdrage verschuldigd door centrale effectenbewaarinstellingen op de nettowinsten uit geblokkeerde Russische activa (art. 53, 34° WIB 1992). Let op: op toegekende omkopingsbedragen/steekpenningen kan de afzonderlijke aanslag eveneens toegepast worden.
304