Skip to main content

GENIE Chemie 3.2 (KathOndVla) - Proefversie

Page 1

Chemie

©

N

IN

GENI VA

3.2

LEER SCHRIFT


VA

© N IN


IN

GENIE

©

VA

N

Chemie

3.2


VA

© N IN


INHOUD STARTEN MET GENIE

11

GENIE EN DIDDIT

14

WAT IS CHEMIE?

15

THEMA 01: HOE WERK JE VEILIG IN EEN LABO?

VERKEN

20

IN

CHECK IN

21

` HOOFDSTUK 1: Waarmee moet je rekening houden

in een labo?

N

1.1 Het gebruikte veiligheidsmateriaal 1.2 Het chemisch etiket 1.3 Soorten labomateriaal 1.4 Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een laboproef? 1.5 De algemene veiligheidsregels binnen een labo

23 23 26 29 33 34

` HOOFDSTUK 2: Hoe pas je enkele vaak gebruikte

VA

labotechnieken toe?

2.1 De bunsenbrander 2.2 De balans 2.3 De trechter en het filtreerpapier 2.4 Hoe lees je het vloeistofniveau in glaswerk af?

35 35 37 38 39

THEMASYNTHESE 40 CHECKLIST

41

©

PORTFOLIO CHECK IT OUT

42

AAN DE SLAG

43

OEFEN OP DIDDIT

3


THEMA 02: ZUIVERE STOFFEN EN MENGSELS CHECK IN

46

VERKEN

47

` HOOFDSTUK 1: Hoe onderscheiden we stoffen van elkaar? 49

IN

1.1 Wat betekent de term ‘stofeigenschap’? 49 1.2 Stofeigenschap: massadichtheid 52 1.3 Stofeigenschappen: kook - en smeltpunt 55 56 1.4 Stofeigenschap: geleidbaarheid 1.5 Stofeigenschap: oplosbaarheid van stoffen (in water) 57 Hoofdstuksynthese 58

59

2.1 Onderscheid tussen zuivere stoffen en mengsels

59

2.2 Soorten mengsels

61

N

` HOOFDSTUK 2: Is het een zuivere stof of een mengsel?

Hoofdstuksynthese 66

` HOOFDSTUK 3: Hoe kunnen we een mengsel van stoffen

scheiden? 67

VA

3.1 Scheidingstechnieken 67 79 3.2 Scheidingsschema’s Hoofdstuksynthese 80

THEMASYNTHESE

82

CHECKLIST

84

PORTFOLIO

©

CHECK IT OUT

AAN DE SLAG OEFEN OP DIDDIT

4

85 86


THEMA 03: VERDERE STUDIE VAN EEN CHEMISCHE STOF CHECK IN

94

VERKEN

95

` HOOFDSTUK 1: Hoe kunnen we een chemische stof

voorstellen?

96 96 99 102

IN

1.1 Namen en symbolen van elementen 1.2 Symbolische voorstelling van een chemische stof 1.3 Bolstaaf- en bolschilmodellen van een chemische stof

` HOOFDSTUK 2: Kunnen we zuivere stoffen nog verder

indelen?

105

` HOOFDSTUK 3: Welke naam krijgen de enkelvoudige

N

stoffen?

3.1 Onderverdeling binnen de enkelvoudige stoffen 3.2 Niet-metalen 3.3 Metalen

109 109 110 115

VA

THEMASYNTHESE 116 CHECKLIST

118

PORTFOLIO

CHECK IT OUT

119

AAN DE SLAG

120

©

OEFEN OP DIDDIT

5


THEMA 04: KENMERKEN VAN EEN CHEMISCHE REACTIE CHECK IN

126

VERKEN

127

` HOOFDSTUK 1: Wat is een chemische reactie?

129

genoteerd?

IN

` HOOFDSTUK 2: Hoe wordt een chemische reactie 2.1 Reagentia en reactieproducten 2.2 Wet van behoud van atomen

133 133 134

` HOOFDSTUK 3: Welke types chemische reacties

bestaan er?

140

N

` HOOFDSTUK 4: Wat gebeurt er met de massa

voor en na een chemische reactie?

144

` HOOFDSTUK 5: Welk nut hebben chemische reacties als

VA

energiebron?

5.1 Chemische energie 5.2 Exo-energetische reacties 5.3 Endo-energetische reacties

148 148 150 154

THEMASYNTHESE 158 CHECKLIST

160

PORTFOLIO

161

AAN DE SLAG

162

©

CHECK IT OUT

OEFEN OP DIDDIT

6


THEMA 05: BOUW, EIGENSCHAPPEN EN RANGSCHIKKING VAN ATOMEN CHECK IN

171

VERKEN

172

` HOOFDSTUK 1: Hoe evolueerde het atoommodel?

174 175

IN

1.1 Van voorwerp tot atoom 1.2 Nog kleiner dan het atoom

174

` HOOFDSTUK 2: Wat weten we al over het atoom? 2.1 De elementaire deeltjes en hun lading 2.2 De massa van het atoom

183 183 185

` HOOFDSTUK 3: Hoe zitten elektronen verdeeld

N

in een atoom

3.1 De Bohr-Rutherford elektronenverdeling 3.2 Elektronenconfiguratie 3.3 Lewisstructuren

189 189 196 197

VA

` HOOFDSTUK 4: Wat leren we uit de plaats van

een element in het PSE?

4.1 Perioden en groepen 4.2 De a-groepen en hun naam 4.3 Waarom lijken atomen graag op een edelgas? 4.4 Elektronegativiteit 4.5 Zijn er naast de massa en elektronenconfiguratie nog andere indelingen op het PSE?

201 202 205 207 210 213

©

THEMASYNTHESE 216 CHECKLIST

219

PORTFOLIO

CHECK IT OUT

220

AAN DE SLAG

221

OEFEN OP DIDDIT

7


THEMA 06: CHEMISCHE BINDINGEN EN HUN ROOSTERS CHECK IN

226

VERKEN

227

` HOOFDSTUK 1: Zijn deeltjes in een verbinding altijd op

eenzelfde manier gebonden?

229 230

IN

1.1 Wat is het verschil tussen een binding en een verbinding? 1.2 Welke soorten bindingen bestaan er?

229

` HOOFDSTUK 2: Hoe wordt een ionbinding gevormd? 2.1 De ionbinding 2.2 De formule-eenheid van ionverbindingen 2.3 De neutraliteitsregel

232 232 234 236

N

` HOOFDSTUK 3: Hoe wordt een atoombinding gevormd? 238 3.1 De atoombinding 3.2 De molecuulformule van atoomverbindingen

238 241

` HOOFDSTUK 4: Hoe wordt een metaalbinding gevormd? 245

VA

4.1 De metaalbinding 4.2 Verklaring van de eigenschappen van metalen

245 247

` HOOFDSTUK 5: Welk belang en voorkomen hebben

enkelvoudige stoffen? 5.1 Niet-metalen 5.2 Metalen

249 249 254

THEMASYNTHESE 256

©

CHECKLIST

257

PORTFOLIO CHECK IT OUT

258

AAN DE SLAG

259

OEFEN OP DIDDIT

LABO’S

8

268


STEM-VAARDIGHEDEN (VADEMECUM) METROLOGIE Grootheden en eenheden • Machten van 10 en voorvoegsels • Eenheden omzetten • Nauwkeurig meten • Afrondingsregels • Formularium

STAPPENPLANNEN •

Grafieken tekenen

• NW-stappenplan

OPLOSSINGSSTRATEGIE Formules omvormen • Vraagstukken oplossen • Grafieken lezen

N

•

IN

•

CHEMISCHE CONVENTIES / HET PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN Te kennen elementen/symbolen • Groepsnamen en periodenummers • Index en coëfficiënt • Reagentia en reactieproducten

VA

•

LABO’S

• Labomaterialen

• Labotechnieken

• Veiligheidsvoorschriften •

H- en P-zinnen

©

SOORTEN BINDINGEN

SCHEIDINGSTECHNIEKEN

9


Notities

VA

N

IN

©

10


STARTEN MET GENIE Opbouw van een thema CHECK IN

CHECK IN

Safety first!

In de CHECK IN maak je kennis

Wat op school gebeurt in een labo, doet de industrie op grote

schaal. Ze gebruiken en stockeren chemische stoffen volgens de

richtlijnen die vanuit de overheid worden opgelegd. Hoewel er heel wat veiligheidsmaatregelen zijn, loopt er toch

met het onderwerp van het thema.

soms iets mis. Zo ontplofte in 1976 in Italië een

chemische fabriek en kwamen er giftige dampen in het nabijgelegen stadje Seveso terecht.

BEKIJK DE VIDEO

In de video zie je hoe de ramp kon gebeuren en welke lessen eruit getrokken werden.

In het kadertje onderaan vind

De overheid houdt een overzicht bij van alle bedrijven in België die gevaarlijke stoffen produceren, behandelen of transformeren: de Sevesobedrijven. 1

je een aantal vragen die je op

Scan de QR-code en zoek via de website op welke Sevesobedrijven bij jou in de buurt liggen. Noteer ze hier. OPEN DE WEBSITE

2

veiligheidspictogrammen. Welke van de onderstaande pictogrammen zijn dat?

beantwoorden.

Ga op zoek op de website en kruis aan.

?

OPDRACHT 1

Welke gevaren loop jij bij je thuis?

Waarom wordt er in reclame over huishoudproducten vermeld dat je ze buiten het bereik van kinderen moet houden? Waarom zijn die producten zo gevaarlijk en hoe kunnen we dat gevaar beter inschatten?

In de verkenfase zul je

` Wie of wat moet je beschermen?

` Welke veiligheidspictogrammen kun je in een labo op school terugvinden? ` Welke veiligheidsmaatregelen moet je in een labo op school respecteren?

THEMA 01

Hoe gevaarlijk zijn huishoudproducten?

VERKEN

In het labo is het ook belangrijk om op te letten tijdens het uitvoeren van een proef.

1

CHECK IN

597489-Genie-Ch3-Th1.indd 18

etiketten aandachtig. 2

Beantwoord de vragen. a

hebt over het onderwerp

20/05/2021 12:58

Je leerkracht laat vijf chemische producten zien die je ook thuis kunt terugvinden, bijvoorbeeld producten om te poetsen, om te wassen of af te wassen, te koken, te tuinieren of jezelf te verzorgen. Bekijk de producten en de

merken dat je al wat kennis

N

18

VERKEN

het einde van het thema kunt

De vier grootste gevaren voor de bevolking in de directe omgeving van een Sevesobedrijf zijn vastgelegd in vier

IN

1

Welke pictogrammen vind je terug op de verpakkingen? Zet telkens een kruisje onder het pictogram per keer dat je het tegenkomt op een verpakking.

dat in het thema aan bod komt. Jouw voorkennis

andere

wordt hier geactiveerd.

HOOFDSTUK 1

THEMA 01

VERKEN

597489-Genie-Ch3-Th1.indd 19

VA

Waarmee moet je rekening houden in een labo?

producteigen

pictogrammen

19

20/05/2021 12:58

LEERDOELEN Je kunt al:

DE HOOFDSTUKKEN

de gevaren inschatten bij het werken met chemische producten; jezelf en je omgeving beschermen voor gevaren;

bewust omgaan met stoffen en hun gevaren en zo een veilige omgeving creëren.

Na het activeren van de voorkennis volgen een aantal hoofdstukken.

Je leert nu:

de veiligheidsmaatregelen in een labo kennen en juist toepassen; de meest gebruikte labomaterialen benoemen en hun functie beschrijven;

In het labo kun je heel wat

extra (veiligheids)materialen

Een thema bestaat uit meerdere hoofdstukken. Doorheen de hoofdstukken

of voorwerpen terugvinden die

een chemisch etiket lezen en naar de betekenis handelen;

je niet in een ander klaslokaal

ziet. Ze zorgen ervoor dat je kunt

de veiligheidspictogrammen interpreteren en bespreken;

werken in een veilige omgeving.

de werking en het nut van H- en P-zinnen interpreteren en

verwerf je de nodige kennis en vaardigheden om uiteindelijk een antwoord

Raadpleeg zeker altijd het

bespreken;

reglement vóór het uitvoeren van

de onderdelen van een verslag begrijpen en toepassen.

een labo, zodat je altijd veilig te werk kunt gaan.

te geven op de centrale vraag of het probleem uit de CHECK IN.

1.1 Het gebruikte veiligheidsmateriaal

OPDRACHT 2

Hoe ziet mijn labolokaal eruit? 1

Loop rond in het labolokaal en kruis aan welke materialen je ziet. Ontbreekt er iets? Vul dan gerust het lijstje aan. EHBO-kistje

 beschermende kledij:

gaskranen

 brandblusser met

branddeken

handblusser

nooddouche oogdouche trekkast

aparte eilanden

labojas, labobril, handschoenen

label: A/B/C/D/E/F

 waterkranen  noodstop  aangepast tafelblad

THEMASYNTHESE SYNTHESE

 

©

       

de algemene regels CONTRACT

THEMA 01

HOOFDSTUK 1

597489-Genie-Ch3-Th1.indd 21

Als leerling verbind ik mij ertoe om de volgende regels altijd toe te passen in het labo. Bij fouten tegen deze regels weet ik dat er gevolgen zijn voor mijn veiligheid en die van anderen rondom mij.

21

Ik draag steeds het juiste beschermingsmateriaal op de juiste manier: labojas dichtgeknoopt, veiligheidsbril op de neus, handschoenen indien nodig. Losse haren bind ik samen.

Mijn labotafel is altijd ordelijk.

In het labo houd ik de doorgang vrij en leg ik alle onnodige materialen, zoals mijn boekentas, op de daartoe voorziene plaats.

20/05/2021 12:58

SYNTHESE EN CHECKLIST We vatten de kern van het thema voor je samen in de hoofdstuksynthese en themasynthese.

Vervolgens willen we graag dat je vorderingen

maakt en dat je reflecteert op je taken en leert

uit feedback. De checklist is een hulpmiddel om

Ik gedraag me steeds rustig, blijf zo veel mogelijk aan mijn werkbank en speel niet in het labo. Ik neem geen materialen of stoffen mee uit het labo. Eten of drinken doe ik niet in een labolokaal.

Als er iets misloopt, haal ik er meteen de leerkracht bij.

de betekenis van H- en P-zinnen

Ik giet een gebruikte stof nooit terug in de fles, maar verwerk ze als afval.

Wanneer ik aan een stof ruik, doe ik dat steeds op de correcte manier, door te wuiven.

Klaar met de proef? Dan maak ik alles schoon, berg alles correct op en was mijn handen grondig.

de naam en toepassingen van het labomateriaal

Ik kom steeds goed voorbereid naar het practicum.

CHECKLIST

Ik ken de brandprocedure en weet hoe ik moet reageren bij brand.

Als leerling van deze klas verklaar ik me tijdens een labo altijd te houden aan de bovenstaande regels. Ik respecteer de extra maatregelen die in mijn school genomen worden.

JA

NOG OEFENEN

• •

•

• • • • • •

Datum,

H- EN P-ZINNEN

1 Begripskennis •

Naam en handtekening,

zie p 28

Ik kan de algemene regels binnen een labo opsommen.

Ik kan de verschillende veiligheidsmaterialen in een lokaal benoemen en de functie bespreken.

Ik kan de verschillende onderdelen van een chemisch etiket herkennen en de informatie gebruiken om veilig te werken in een labo.

Ik herken de veiligheidspictogrammen en weet hoe ernaar te handelen.

TOEPASSINGEN LABOMATERIAAL

om veilig in een labo te werken ken/kan ik:

Ik kan de H- en P-zinnen opzoeken, interpreteren en ernaar handelen. Ik weet hoe een labo verloopt.

Ik weet dat een labo afval met zich meebrengt en verwerk dat op een correcte manier.

Ik kan de verschillende onderdelen van een bunsenbrander benoemen.

Ik kan de stappen om een bunsenbrander aan te steken in de juiste volgorde

de basishandelingen

opsommen.

Ik kan de verschillende vlammen van een bunsenbrander benoemen en de

de veiligheidspictogrammen

warmste plek aangeven.

2 Onderzoeksvaardigheden •

Ik kan een bunsenbrander aansteken.

•

Ik kan het vloeistofniveau in glaswerk correct aflezen.

• •

Ik kan een balans gebruiken.

Ik kan werken met trechter en filtreerpapier.

` Je kunt deze checklist ook op

invullen bij je Portfolio.

zelf zicht te krijgen of je de leerdoelen al dan niet onder de knie hebt.

BEKIJK DE KENNISCLIP

38

THEMA 01

597489-Genie-Ch3-Th1.indd 38

THEMA 01

597489-Genie-Ch3-Th1.indd 39

CHECKLIST

het laboverloop

het chemisch etiket lezen

THEMASYNTHESE

20/05/2021 12:59

39

20/05/2021 12:59

STARTEN MET GENIE

11


CHECK IT OUT

CHECK IT OUT

Safety first!

In CHECK IT OUT pas je de vergaarde kennis en vaardigheden

Bekijk de tekening en geef aan wat er misloopt in het labo. Waarom is dat gevaarlijk?

toe om terug te koppelen naar de vragen uit de CHECK IN.

AAN DE SLAG

AAN DE SLAG

1

Tot welke brandklassen behoren de voorbeelden van branden die in een chemisch labo kunnen ontstaan? Welke brandblusser zou je gebruiken?

In het onderdeel Aan de slag kun je verder oefenen.

Je leerkracht beslist of je

! de mogelijkheid tot ontploffing en brand, het vrijkomen van giftige dampen en de gevaren voor het milieu. In het labo houden we rekening met alle veiligheidspictogrammen.

jezelf, je klasgenoten, de leerkracht, het klaslokaal, de school ... Het is dan ook belangrijk dat je je bewust bent van de gevaren. Door het stellen van regels en wetten, zoals de overheid doet voor Sevesobedrijven, blijven we mogelijke ongevallen een stapje voor.

doorheen de lessen.

CHECK IT OUT

597489-Genie-Ch3-Th1.indd 40

Brandblusser

alcohol olie in een oliebad

2

Geef aan of de zinnen H- of P-zinnen zijn.

van het thema maakt of

In het labo moet je niet enkel rekening houden met de wijde omgeving, maar ook met gevaren voor

THEMA 01

Brandklasse

IN

de oefeningen op het einde

In Sevesobedrijven houdt de regering vooral toezicht op de gevaren voor de wijde omgeving:

40

Soort brand

natrium het gas dat je gebruikt om je bunsenbrander aan te steken (aardgas)

20/05/2021 12:59

Zin

H- of P-zin

Gevaar voor massa-explosie bij brand. Beschermende kledij dragen.

In contact met water komen ontvlambare gassen vrij die spontaan kunnen ontbranden. Schadelijk bij inslikken, bij contact met de huid en bij inademing. Koel bewaren.

Explosieveilige elektrische/ventilatie-/verlichtings-/... apparatuur gebruiken.

3

Welke veiligheidspictogrammen kun je linken aan de H- en P-zinnen? Zin

Bijbehorend pictogram

Giftig bij inslikken, bij contact met de huid en bij inademing.

` Per thema vind je op

Kan mogelijk de vruchtbaarheid of het ongeboren kind schaden. Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken.

adaptieve

Giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.

Verwijderd houden van warmte/vonken/open vuur/ hete oppervlakken en andere ontstekingsbronnen. Niet roken.

oefenreeksen om te leerstof

Veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsels.

verder in te oefenen.

THEMA 01

AAN DE SLAG

LABO Naam:

klas:

nummer:

LABO’S

ONDERZOEK

De geleidbaarheid van stoffen 1

Ga zelf op onderzoek! Op het einde van het leerschrift staan

Onderzoeksvraag Welke stoffen geleiden de elektrische stroom?

2

een aantal labo’s om verder experimenten uit te voeren.

Hypothese Ik denk dat:

• gedestilleerd water de stroom wel / niet geleidt (schrap wat niet past); • zout water de stroom wel / niet geleidt (schrap wat niet past);

• suikerwater de stroom wel / niet geleidt (schrap wat niet past). 3

VA

Benodigdheden

!

41

20/05/2021 12:59

N

597489-Genie-Ch3-Th1.indd 41

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen! Materiaal

    

4

Stoffen

vier maatbekers

       

grafiet (of potlood)

zeven weegschuitjes spatel

stoomkring met ledlamp en elektroden

60 ml gedestilleerd water 20 ml kraantjeswater

grafiet (koolstof van potloodkern) aluminium (Al) ijzer (Fe)

koper (Cu) suiker

keukenzout (NaCl)

Werkwijze

1

2

Neem vier maatbekers.

20 ml gedestilleerd water

20 ml kraantjeswater

20 ml gedestilleerd water 1 spatel keukenzout

Voeg aan één maatbeker 20 ml gedestilleerd water toe.

3

Voeg aan één maatbeker 20 ml kraantjeswater toe.

6

Breng in één weegschuitje een spatel keukenzout.

4 5 7 8

2.4 Hoe lees je het vloeistofniveau in glaswerk af?

20 ml gedestilleerd water 1 spatel suiker

Het vloeistofniveau lees je af via de meniscus. Dat is de naam van het grensvlak tussen de vloeistof en de lucht. Op afbeelding 9 zie je een voorbeeld.

Voeg aan één maatbeker 20 ml gedestilleerd water met 1 spatel keukenzout toe. Voeg aan één maatbeker 20 ml gedestilleerd water met 1 spatel suiker toe.

Het vloeistofpeil is vaak geen rechte lijn. Afhankelijk van de krachten die

Breng in één weegschuitje een spatel suiker.

spelen in de vloeistof, zal het vloeistofoppervlak een kromming naar boven

Breng in één weegschuitje een spatel zwavelpoeder.

LABO

of beneden maken. Je moet het vloeistofniveau steeds aflezen op de bodem van het kommetje of op de top van het bolletje. Daarbij is het belangrijk om

249

het glaswerk op ooghoogte te brengen. Doe je dat niet, dan maak je een fout bij het aflezen.

6/05/2021 16:30

aflees

10

• In de linkermarge naast de theorie is er plaats om zelf

Afb. 9 Aflezen vloeistofniveau in glaswerk via de meniscus

notities te maken. Noteren tijdens de les helpt je om de

Je kunt het vloeistofniveau in glaswerk op een correcte manier aflezen door steeds op ooghoogte te werken en rekening te houden met de meniscus.

leerstof actief te verwerken.

• Op

vind je alternatieve versies van de

• Op

vind je per themasynthese een kennisclip

STARTEN MET GENIE

 Maak oefening 5.

Je weet hoe je een filtreerpapier vouwt en hoe je het bevestigt in een trechter.

waarin we alles voor jou nog eens op een rijtje zetten.

12

B

hoogte

LEREN LEREN

themasynthese.

A

20

©

597489-Genie-Ch3-Th4-Labo.indd 249

ONDERZOEK

THEMA 01

597489-Genie-Ch3-Th1.indd 37

HOOFDSTUK 2

37

6/05/2021 16:29


2

Handig voor onderweg

In elk thema word je ondersteund met een aantal hulpmiddelen.

Kenniskader We zetten doorheen het thema de belangrijkste zaken op een rijtje in

!

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

IN

deze rode kaders.

Met GENIE ga je zelf experimenteren en op onderzoek. Daarbij moet je natuurlijk een aantal veiligheidsvoorschriften respecteren. Die vind je terug in dit kader. WEETJE

TIP

Een weetjeskader geeft extra verduidelijking of

OPDRACHT 11

In de tipkaders vind je handige tips terug bij het uitvoeren van de onderzoeken of opdrachten.

N

illustreert de leerstof met een extra voorbeeld. DOORDENKER

Nood aan meer uitdaging? Doorheen een thema zijn er verschillende doordenkers.

VA

Niet altijd even makkelijk om op te lossen, maar het proberen waard!

WOORDENLIJST Moeilijke woorden worden uitgelegd in een woordenlijst op

.

Die woorden springen extra in het oog door de stippellijn.

Bij het onlinelesmateriaal vind je een vademecum.

Dat vademecum ̒GENIE in STEM-vaardigheden ̓ omvat:

• stappenplannen om een grafiek te maken, opstellingen correct te bouwen, metingen uit te voeren …;

©

• stappenplannen om een goede onderzoeksvraag op te stellen, een hypothese te formuleren …; • een overzicht van gevarensymbolen en P- en H-zinnen; • een overzicht van grootheden en eenheden;

• een overzicht van labomateriaal en labotechnieken; • …

STARTEN MET GENIE

13


GENIE EN DIDDIT

IN

HET ONLINELEERPLATFORM BIJ GENIE

Een e-book is de digitale versie van het leerschrift. Je kunt erin noteren, aantekeningen maken, zelf materiaal toevoegen ...

• De leerstof kun je inoefenen op jouw niveau.

• Je kunt vrij oefenen en de leerkracht kan ook

N

voor jou oefeningen klaarzetten.

Hier vind je de opdrachten terug die de leerkracht

VA

voor jou heeft klaargezet.

Hier kan de leerkracht toetsen en taken voor jou klaarzetten.

Meer info over diddit vind je op https://www.vanin.diddit.be/nl/leerling.

Benieuwd hoever je al staat met oefenen en

opdrachten? Hier vind je een helder overzicht

©

van je resultaten.

• Hier vind je het lesmateriaal per thema. • Alle instructiefilmpjes, kennisclips en demovideo’s zijn ook hier verzameld.

In de uitgave bieden we bovenop het beeldmateriaal verschillende

3D-beelden aan.

Denk maar aan een 3D-voorstelling van een deeltje glucose. Zo ervaar je wetenschappen op een heel nieuwe manier!

14

GENIE EN DIDDIT

DOWNLOAD 3D-APP


INLEIDING

WAT IS CHEMIE? De begrippen ‘chemie’ en ‘scheikunde’ worden weleens door elkaar gebruikt. In huis vind je heel wat ‘chemische’ producten. Maar wat betekent ‘chemie’ nu eigenlijk?

Wanneer je Wikipedia raadpleegt, vind je voor de term chemie de volgende definitie:

IN

‘Scheikunde of chemie is een natuurwetenschap die zich richt op de studie

van de samenstelling en bouw van stoffen, de chemische veranderingen die plaatsvinden onder bepaalde omstandigheden en de wetmatigheden die daaruit zijn af te leiden.’

Die definitie leert ons dat chemie en scheikunde eigenlijk synoniemen zijn. Al denk je bij de term scheikunde misschien eerder aan ‘de kunst van het scheiden’.

Chemie is sterk verwant met biologie en fysica. De takken van wetenschap die

biofysica

natuurwetenschappen

fysicochemie

biologie

N

deze domeinen verbinden, zijn respectievelijk biochemie en fysicochemie.

fysica

chemie

voornamelijk bij moleculen van levende organismen.

• Fysicochemie verklaart verschillende mechanismen door onder andere de atoombouw te bestuderen.

VA

biochemie

• Biochemie onderzoekt onze stofwisselingsprocessen,

Het is dus belangrijk dat je niet te veel in termen van aparte (school)vakken denkt, maar steeds de linken tussen wetenschappen legt. natuurwetenschappen

levende materie

chemie

fysica

©

biologie

levenloze materie

OPDRACHT 1

Waar denk jij aan bij het woord chemie? Vul de mindmap aan.

chemie

INLEIDING

15


OPDRACHT 2

Welke van deze afbeeldingen sluit(en) het dichtst aan bij jouw beeld van chemie? a Zet een kruisje bij de afbeelding(en). b Bespreek je keuze daarna met je buur en tracht samen te bepalen wie gelijk heeft. 2

5

6

8

16

INLEIDING

11

©

10

9

VA

7

N

4

3

IN

1

 12


OPDRACHT 3

Scan de code en laat je meenemen in de wereld van chemie. In het filmpje kwamen in een razendsnel tempo een aantal sectoren aan bod waarbij chemie een belangrijke rol speelt. We zetten ze even op een rijtje. BEKIJK DE VIDEO

Geneeskunde De geneesmiddelen- of farmaceutische industrie heeft een grote

IN

impact op ons dagelijks leven. Op zonnige dagen smeer je bijvoorbeeld

zonnecrème om je huid te beschermen, je neemt een pijnstiller bij hevige hoofdpijn of je bent misschien gevaccineerd tegen COVID-19. Landbouw en voeding

Onze voeding doorloopt heel wat processen voor ze op ons bord ligt. De opbrengst van een oogst hangt namelijk meestal voor een groot stuk af van chemische producten die de gewassen beschermen,

Bouwsector

N

het rijpingsproces controleren enzovoort.

Iedereen wil het tijdens de koude wintermaanden lekker warm hebben

binnen. En dat kan! De chemische industrie levert niet alleen brandstoffen om je huis te verwarmen, maar ontwikkelt ook isolatiematerialen om de

VA

warmte binnen te houden. Energie

Wist je dat het zoeken naar hernieuwbare energiebronnen ook onderdeel is van chemisch onderzoek? Misschien rijden we straks met zijn allen op waterstof, geproduceerd via elektrolyse en gebruikt in brandstofcellen.

Verzorging en hygiëne

©

De cosmetica- en parfumindustrie genereert wereldwijd een enorme

omzet. Ongetwijfeld gebruik je regelmatig shampoo, zeep, tandpasta, deodorant … Ook dat zijn creaties van de chemische sector. Met de

nieuwste ‘nanotechnologie’ worden producten voortdurend verbeterd. Textiel

Draag je een jeans of een T-shirt? De kans is groot dat je in feite

kunststoffen draagt, door de mens vervaardigd uit polymeren. Polymeren zijn lange moleculen opgebouwd uit kleine bouwsteentjes. Nylon is

bijvoorbeeld een polymeer en bestaat al sinds 1938. Ook het kleuren van textiel is een chemisch proces.

INLEIDING

17


Kunststoffen Naast polymeren (zoals nylon of polyester) gebruiken we nog honderden andere kunststoffen voor alledaagse voorwerpen. Het recycleren van die kunststoffen is een belangrijke sector in de chemie. Vele soorten kunststoffen zijn moeilijk afbreekbaar in de natuur. Gooi flesjes en

dergelijke dus nooit zomaar weg in de natuur. Bij correcte inzameling

Milieubeheer

IN

maakt de chemiesector er misschien nog een zitbank van.

Vandaag staat de chemiesector voor zijn grootste uitdaging: duurzame en hernieuwbare materialen ontwikkelen en zoeken naar alternatieve

bronnen van energie. Naast hernieuwbare en niet-vervuilende energie is ook zuiver water van het grootste belang voor de toekomst.

Chemie of scheikunde bracht dankzij onderzoek en ontdekkingen doorheen de tijd veel welvaart. De homo sapiens wist al dat hij met vuur voedsel kon

N

garen. De Egyptenaren leerden ons de kunst van het metaal bewerken. Eeuwen later zou de kunststoffenindustrie zorgen voor kwalitatieve

en goedkope oplossingen, door zeldzame materialen te vervangen en

materialen te maken met verbeterde eigenschappen: denk maar aan de

composietmaterialen die de tandarts nu gebruikt; gouden tanden zijn niet

VA

meer van deze tijd.

Chemische bedrijven hebben soms een slechte reputatie. Toch blijven we

gretig allerlei producten van de chemiesector gebruiken voor ons comfort:

auto’s, tv’s, computers, huishoudapparaten, wegwerpartikelen … We willen

het mooiste fruit uit alle streken van de wereld, maar hebben tegelijkertijd ook een afkeer van insecticiden en bewaarmiddelen.

We worden inderdaad geconfronteerd met grote milieuproblemen. Niet alle

chemische bedrijven evolueren tot schone, duurzame ondernemingen. Maar

©

alleen door chemie te bestuderen, zullen we deze kwesties beter begrijpen. De wetenschap kan ons helpen om onze problemen aan te pakken en welvarend te blijven leven.

Scheikunde en chemie zijn synoniemen. Chemie speelt een belangrijke rol in ons leven en onze maatschappij. Geneeskunde, landbouw en voeding, bouw,

energie, verzorging en hygiëne, kunststoffen en milieubeheer zijn allemaal in mindere of meerdere mate chemische sectoren.

18

INLEIDING


HOE WERK JE VEILIG IN EEN LABO?

THEMA 01

CHECK IN

20

VERKEN

21

` HOOFDSTUK 1: Waarmee moet je rekening houden 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

23

IN

in een labo?

Het gebruikte veiligheidsmateriaal Het chemisch etiket Soorten labomateriaal Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een laboproef? De algemene veiligheidsregels binnen een labo

23 26 29 33 34

` HOOFDSTUK 2: Hoe pas je enkele vaak gebruikte

N

labotechnieken toe?

De bunsenbrander De balans De trechter en het filtreerpapier Hoe lees je het vloeistofniveau in glaswerk af?

VA

2.1 2.2 2.3 2.4

35 35 37 38 39

THEMASYNTHESE

40

CHECKLIST

41

PORTFOLIO

CHECK IT OUT 42 AAN DE SLAG 43

©

OEFEN OP DIDDIT

19


CHECK IN

Safety first! Wat op school gebeurt in een labo, doet de industrie op grote

schaal. Ze gebruiken en stockeren chemische stoffen volgens de

richtlijnen die vanuit de overheid worden opgelegd. Hoewel er heel wat veiligheidsmaatregelen zijn, loopt er toch

soms iets mis. Zo ontplofte in 1976 in Italië een

chemische fabriek en kwamen er giftige dampen in het nabijgelegen stadje Seveso terecht.

In de video zie je hoe de ramp kon gebeuren

IN

en welke lessen eruit getrokken werden.

BEKIJK DE VIDEO

De overheid houdt een overzicht bij van alle bedrijven in België die gevaarlijke stoffen produceren, behandelen of transformeren: de Sevesobedrijven.

1 Scan de QR-code en zoek via de website op welke Sevesobedrijven bij jou in de buurt liggen. Noteer ze hier.

OPEN DE WEBSITE

N

2 De vier grootste gevaren voor de bevolking in de directe omgeving van een Sevesobedrijf zijn vastgelegd in vier veiligheidspictogrammen. Welke van de onderstaande pictogrammen zijn dat?

VA

Ga op zoek op de website en kruis aan.

©

In het labo is het ook belangrijk om op te letten tijdens het uitvoeren van een proef.

` Wie of wat moet je beschermen?

` Welke veiligheidspictogrammen kun je in een labo op school terugvinden? ` Welke veiligheidsmaatregelen moet je in een labo op school respecteren?

20

THEMA 01

CHECK IN

?


VERKEN

Hoe gevaarlijk zijn huishoudproducten? OPDRACHT 1

Welke gevaren loop jij bij je thuis? Waarom wordt er in reclame over huishoudproducten vermeld dat je ze buiten het bereik van kinderen moet

N

IN

houden? Waarom zijn die producten zo gevaarlijk en hoe kunnen we dat gevaar beter inschatten?

1 Je leerkracht laat vijf chemische producten zien die je ook thuis kunt terugvinden, bijvoorbeeld producten om te

VA

poetsen, om te wassen of af te wassen, te koken, te tuinieren of jezelf te verzorgen. Bekijk de producten en de etiketten aandachtig.

2 Beantwoord de vragen.

©

a Welke pictogrammen vind je terug op de verpakkingen? Zet telkens een kruisje onder het pictogram per keer dat je het tegenkomt op een verpakking.

andere

producteigen

pictogrammen

THEMA 01

VERKEN

21


b Op het etiket lees je niet alleen de ingrediënten van het product, je vindt er ook terug wat er mis kan lopen bij fout gebruik. Geef per product één voorbeeld van wat er mis kan gaan. 1

2 3 4 5

TIP

IN

Lees altijd goed de etiketten en veiligheidspictogrammen van een product. De producten die je in huis gebruikt, kunnen gevaarlijker zijn dan je denkt. Kijk maar wat er met de ontstopper gebeurt in de video.

Om het etiket leesbaar te houden, is het belangrijk om tijdens het gieten het etiket naar je handpalm te richten. Zo kunnen eventuele druppels niet op het etiket terechtkomen en het etiket onleesbaar maken.

BEKIJK DE VIDEO

WEETJE

N

c Vaak zorgen de producenten ook voor een veilige sluiting, een kinderslot genoemd. Hoeveel van de producten die je bekijkt hebben een speciale dop of deksel?

VA

Dikwijls lees je op een verpakking ook iets over het Antigifcentrum. Dat is een dienst die je kunt bellen

als er iets misgelopen is met een product. Zij kunnen je vertellen hoe je dan het best reageert.

Het gratis nummer voor het Antigifcentrum is 070 245 245.

©

Je kunt ook steeds terecht op hun website.

22

THEMA 01

VERKEN

GA NAAR DE WEBSITE


HOOFDSTUK 1

Waarmee moet je rekening houden in een labo? LEERDOELEN Je kunt al:

L jezelf en je omgeving beschermen voor gevaren;

IN

L de gevaren inschatten bij het werken met chemische producten; L bewust omgaan met stoffen en hun gevaren en zo een veilige omgeving creëren.

Je leert nu:

L de veiligheidsmaatregelen in een labo kennen en juist toepassen; L de meest gebruikte labomaterialen benoemen en hun functie beschrijven;

extra (veiligheids)materialen

of voorwerpen terugvinden die

L een chemisch etiket lezen en naar de betekenis handelen;

N

je niet in een ander klaslokaal

ziet. Ze zorgen ervoor dat je kunt

L de veiligheidspictogrammen interpreteren en bespreken;

werken in een veilige omgeving.

L de werking en het nut van H- en P-zinnen interpreteren en bespreken;

In het labo kun je heel wat

Raadpleeg zeker altijd het

reglement vóór het uitvoeren van

L de onderdelen van een verslag begrijpen en toepassen.

een labo, zodat je altijd veilig te

VA

werk kunt gaan.

1.1 Het gebruikte veiligheidsmateriaal

OPDRACHT 2

Hoe ziet mijn labolokaal eruit?

©

1 Loop rond in het labolokaal en kruis aan welke materialen je ziet. Ontbreekt er iets? Vul dan gerust het lijstje aan.

EHBO-kistje

beschermende kledij:

gaskranen

brandblusser met

branddeken

handblusser

nooddouche oogdouche trekkast

aparte eilanden

labojas, labobril, handschoenen

label: A/B/C/D/E/F

waterkranen noodstop aangepast tafelblad

THEMA 01

HOOFDSTUK 1

23


Afb. 2 Oogdouche

Afb. 4 Branddeken en brandblusser

Afb. 5 Trekkast

Afb. 3 Nooddouche

IN

Afb. 1 EHBO-kistje

Afb. 6 Beschermende kledij

OPDRACHT 3

N

2 Overloop met je leerkracht de toepassingen of het gebruik van de materialen die je hebt teruggevonden.

Hoe blus je veilig een brand?

1 Aan welke drie voorwaarden moet voldaan zijn opdat een brand kan ontstaan?

©

VA

Overleg met je klasgenoten. Vul de branddriehoek aan.

24

THEMA 01

HOOFDSTUK 1

VUUR


2 Bekijk het filmpje over de soorten brandblussers en hun toepassingen.

BEKIJK DE VIDEO

Vul de tabel aan. Brandklasse

Brandend materiaal

Te gebruiken brandblussers

IN

VA

N

3 Welke aspecten van de branddriehoek neem je weg als je een brandblusser gebruikt?

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

Er zijn ook foute blusmethodes. Zo kan het blussen van een vetbrand met water resulteren in vuurspatten en steekvlammen.

©

!

Denk dus goed na voor je aan het blussen gaat. Een vetbrand moet je altijd blussen met een vochtige doek.

FOUTE BLUSMETHODE

JUISTE BLUSMETHODE

Er zijn verschillende materialen in een labolokaal, elk met hun eigen

gebruiksaanwijzing. Bij twijfel over correct gebruik spreek je de leerkracht aan.

` Maak oefening 1.

THEMA 01

HOOFDSTUK 1

25


1.2 Het chemisch etiket

Op een chemisch product zit een etiket, net als bij een voedingsproduct. Op

een fles cola vind je bijvoorbeeld de hoeveelheid suikers of vetten. Voor een chemisch product hebben we meer specifieke informatie nodig. Het etiket

geeft dan de richtlijnen weer die aangeven hoe je veilig kunt werken met de stof.

Bekijk op afbeelding 7 wat er allemaal op een chemisch etiket terug te

IN

vinden is.

Elke chemische stof heeft zowel een naam als een formule. Op het etiket kun je de beide terugvinden, evenals een referentienummer (CAS) waaronder je de stof in elke databank terugvindt.

N

Natriumhydroxide NaOH

Afb. 7 Chemisch etiket

Gevaar

H314 veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsel P 280.1+3-301+330+331-305+338 Beschermende handschoenen en oogbescherming dragen. NA INSLIKKEN: de mond spoelen. GEEN braken opwekken. BIJ CONTACT MET DE OGEN: voorzichtig afspoelen met water gedurende een aantal minuten; contactlenzen verwijderen indien mogelijk; blijven spoelen. WGK 1

Mr: 40

©

Op een etiket kun je ook de WGK-code terugvinden. Die geeft aan hoe gevaarlijk een stof is als je ze zou lozen in de gootsteen. ‘WGK’ is een Duitse afkorting die je in het Nederlands kunt vertalen als ‘watergevarenklassen’. In het labo moeten we gevaarlijke stoffen dus apart inzamelen.

26

THEMA 01

HOOFDSTUK 1

CAS

1310-73-2

VA

Veiligheidspictogrammen zijn universeel, je vindt ze ook terug in andere landen. Dat kan omdat ze visueel zijn, je hoeft de taal niet te spreken om de symbolen te kunnen begrijpen.

Signaalwoorden geven in het kort aan wat het grootste gevaar van de stof is. H- en P-zinnen zijn zinnen die aangeven wat de gevaren zijn van het werken met een stof, of welke voorzorgsmaatregelen je moet nemen.


OPDRACHT 4

Waarvoor staan de letters H en P op een chemisch etiket? 1 Zoek op het internet op waarvoor de letter H staat in H-zinnen. a Noteer de Engelse term:

b Vertaal die term naar het Nederlands:

c Welke van de volgende zinnen geeft een gevaar weer en zou dus een H-zin kunnen zijn?

Kan irritatie aan de luchtwegen veroorzaken Niet in de buurt van een vlam brengen Op een koude plaats bewaren

IN

2 Zoek op het internet op waarvoor de letter P staat in P-zinnen.

a Noteer de Engelse term:

b Vertaal die term naar het Nederlands:

c Welke van de volgende zinnen geeft een veiligheidsmaatregel weer en zou dus een P-zin kunnen zijn?

Kan irritatie aan de luchtwegen veroorzaken Niet in de buurt van een vlam brengen Op een koude plaats bewaren

3 Scan de QR-code en ontdek de betekenis van alle H- en P-zinnen.

N

OPDRACHT 5

H- EN P-ZINNEN

Wat betekenen de chemische veiligheidspictogrammen?

VA

Vul de tabel aan door de correcte benaming te linken aan het veiligheidspictogram en de verklaring. Kies uit:

corrosieve of bijtende stof – giftige stof – houder onder druk – lange termijn gezondheidsgevaarlijk – ontplofbare of explosieve stof – ontvlambare stof – oxiderende of brand bevorderende stof – schadelijke stof – schadelijk voor het (aquatische) milieu Betekenis

Verklaring

Dit zijn explosieve stoffen. Ze kunnen op verschillende manieren tot

©

1

Betekenis

2

Verklaring

ontploffing gebracht worden.

Deze stoffen worden onder een verhoogde druk opgeslagen.

Betekenis

Verklaring

Deze stoffen zijn giftig, de manier van opname kan verschillen. Zo

3

kun je de stof via de huid binnenkrijgen, via de neus ...

THEMA 01

HOOFDSTUK 1

27


Betekenis 4 Verklaring

Deze stoffen bevorderen brand.

Betekenis

Verklaring

Deze stoffen zijn schadelijk voor het milieu en moeten na gebruik

Betekenis 6 Verklaring

Betekenis

op de correcte manier verwerkt worden.

IN

5

Deze bijtende stof kan ernstige brandwonden veroorzaken.

N

7

Verklaring

Betekenis

VA

8

Deze stoffen zullen in de nabijheid van een vlam snel ontbranden.

Verklaring

voor verduidelijking.

Betekenis

Verklaring

Deze stoffen veroorzaken schade op lange termijn

9

©

Deze stof brengt een gevaar met zich mee, bekijk de H- en P-zinnen

(kankerverwekkend, giftig, beïnvloeden de vruchtbaarheid ...).

Het is belangrijk om een chemisch etiket te kunnen lezen. Zo kun je ook veilig omgaan met de stof.

Op het etiket kun je de volgende onderdelen terugvinden: naam en formule van de stof, veiligheidspictogrammen, signaalwoorden, H- en P-zinnen, WGK-code.

` Maak oefening 2 en 3.

28

THEMA 01

HOOFDSTUK 1


1.3 Soorten labomateriaal

In het labo vind je heel wat soorten materialen die je nodig hebt om proeven uit te voeren. Het is belangrijk dat je weet over welk materiaal er gesproken wordt tijdens een labo. Daarom moet je de namen van de labomaterialen goed kennen. OPDRACHT 6

IN

Wat zijn de namen van de meest gebruikte labomaterialen?

1 Hieronder zie je het meestgebruikte materialen in een chemielokaal. Noteer de juiste naam van het labomateriaal bij de afbeelding. Kies uit:

afzuigerlenmeyer – balans – büchnertrechter – bunsenbrander – buret – draadnet – driepikkel –

dubbele noot – erlenmeyer – gegradueerde pipet – horlogeglas – kookkolf – kroestang – liebigkoeler – maatbeker – maatcilinder – maatkolf – mortier en stamper – petrischaal – pijpaardendriehoek –

pipetzuiger – pipetteerballon – proefbuis – proefbuisborstel – proefbuisklem – scheitrechter – spatel – spuitfles – statief – statiefklem – statiefring – thermometer – toestel van Hoffman – trechter –

VA

N

verbrandingskroes – verbrandingslepel – vigreuxkolom – volpipet – weegschuit

©

THEMA 01

HOOFDSTUK 1

29


©

VA

30

IN

N

THEMA 01

HOOFDSTUK 1


©

VA

IN

N

2 Ontdek via de ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal de verschillende materialen en hun toepassing.

THEMA 01

HOOFDSTUK 1

31


Een olifant weeg je niet met een keukenweegschaal, een scheutje azijn

meet je niet af met een emmer. Om een zo precies mogelijke meting te

doen, neem je een meetinstrument dat zo nauw mogelijk aansluit bij de

hoeveelheid (kwantiteit) die je nodig hebt. Net daarom zijn er maatcilinders en maatkolven beschikbaar in verschillende groottes, die telkens zeer

precies gegradueerd zijn. Om een welbepaald volume vloeistof precies te

meten gebruiken we geen maatbekers of erlenmeyers, maar wel maatkolven. Maatkolven hebben slechts één maatstreepje, maar zijn het meest precieze

glaswerk om één bepaald volume vloeistof af te meten. Het is aan jou om de

IN

juiste maatkolf te kiezen (100 ml, 250 ml, 500 ml, 1 l …).

Om een labo correct en veilig uit te voeren, moet je de namen en de

toepassingen van labomaterialen kennen. Laat de keuze van het materiaal

afhangen van de hoeveelheid stof die je nodig hebt en kies het juiste materiaal.

©

VA

N

` Maak oefening 4.

32

THEMA 01

HOOFDSTUK 1


1.4 Waar moet je op letten bij het uitvoeren van een laboproef?

Om een labo correct uit te voeren, moet je je voldoende voorbereiden voor de start. Tijdens het labo moet je alles goed noteren, nadien schrijf je een duidelijk verslag. We zetten alles op een rijtje. 1 Voor de start van het labo:

IN

• Onderzoeksvraag formuleren

• Hypothese stellen indien mogelijk

• Nagaan of je alle materialen herkent

• Veiligheid van de chemische producten bekijken/opzoeken • Nalezen en de werkwijze begrijpen

• Nagaan welke waarnemingen je zeker moet noteren 2 Tijdens het labo:

N

• Alle benodigdheden nemen

• Proefopstelling maken indien nodig • Uitvoeren werkwijze

• Waarnemingen noteren

©

VA

• Opruimen

3 Na het labo:

• Chemisch afval verwijderen volgens opgelegde richtlijnen • Berekeningen maken • Besluiten trekken

• Kijken of je besluit overeenstemt met je eventuele hypothese • Reflecteren over je eigen labowerk, je resultaten en je voorbereiding

• Verslag inleveren

THEMA 01

HOOFDSTUK 1

33


1.5 De algemene veiligheidsregels binnen een labo

OPDRACHT 7

Hoe ga je veilig te werk? 1 Waarom is een laboreglement belangrijk en wat houdt het in? Bekijk het filmpje. 2 Om te werken in een labo moet je vertrekken van goede afspraken. Die maak je samen regels en onderteken het voor akkoord.

BEKIJK DE VIDEO

IN

met je leerkracht in een contract. Lees het contract. Vul aan met de schoolgebonden

CONTRACT

Als leerling verbind ik mij ertoe om de volgende regels altijd toe te passen in het labo. Bij fouten tegen deze regels weet ik dat er gevolgen zijn voor mijn veiligheid en die van anderen rondom mij.

Ik draag steeds het juiste beschermingsmateriaal op de juiste manier: labojas dichtgeknoopt, veiligheidsbril op de neus, handschoenen indien nodig.

N

Losse haren bind ik samen.

Mijn labotafel is altijd ordelijk.

In het labo houd ik de doorgang vrij en leg ik alle onnodige materialen, zoals mijn boekentas, op de daartoe voorziene plaats.

VA

Ik gedraag me steeds rustig, blijf zo veel mogelijk aan mijn werkbank en speel niet in het labo. Ik neem geen materialen of stoffen mee uit het labo. Eten of drinken doe ik niet in een labolokaal.

Als er iets misloopt, haal ik er meteen de leerkracht bij.

Ik giet een gebruikte stof nooit terug in de fles, maar verwerk ze als afval.

©

Wanneer ik aan een stof ruik, doe ik dat steeds op de correcte manier, door te wuiven.

Klaar met de proef? Dan maak ik alles schoon, berg alles correct op en was mijn handen grondig. Ik kom steeds goed voorbereid naar het practicum.

Ik ken de brandprocedure en weet hoe ik moet reageren bij brand.

Als leerling van deze klas verklaar ik me tijdens een labo altijd te houden aan de bovenstaande regels. Ik respecteer de extra maatregelen die in mijn school genomen worden. Datum,

34

THEMA 01

HOOFDSTUK 1

Naam en handtekening,


HOOFDSTUK 2

Hoe pas je enkele vaak gebruikte labotechnieken toe? LEERDOELEN Je kunt al:

IN

L enkele toepassingen van labomaterialen in het dagelijks

leven geven; bv. een balans, een trechter , een maatkolf …

In dit hoofdstuk gaan we dieper

L het belang om veilig te werk te gaan in een labo begrijpen. Je leert nu:

L correct werken met een bunsenbrander; L correct werken met een balans;

in op enkele vaak gebruikte

labotechnieken. Die technieken ga je doorheen de jaren nodig hebben om proeven uit te voeren. Ben je tijdens het

uitvoeren vergeten hoe je een

L correct werken met een trechter en filtreerpapier;

bunsenbrander gebruikt of hoe je

L correct het vloeistofniveau in glaswerk aflezen.

een filter moet plooien? Dan kun

N

je dat hier terugvinden.

VA

2.1 De bunsenbrander

OPDRACHT 8

Welke onderdelen heeft een bunsenbrander?

Op afbeelding 8 zie je een bunsenbrander. Noteer de verschillende onderdelen op de juiste plaats. Kies uit:

©

gasregelaar – gasslang (gastoevoer) – inkomend gas – inkomende lucht – luchtinlaat – schouw – voet

Afb. 8 Bunsenbrander

THEMA 01

HOOFDSTUK 2

35


OPDRACHT 9

Hoe steek je een bunsenbrander aan? De volgorde van het aansteken van een bunsenbrander is van groot belang voor de veiligheid. 1 Bekijk de instructievideo. AANSTEKEN BUNSENBRANDER

2 Rangschik de stappen in de juiste volgorde.

Lucifer aansteken en bovenaan naast de schouw houden.

Hoogte van de vlam afstellen door aan de gastoevoer te draaien, of de gastoevoer volledig

IN

Gastoevoer en luchtinlaat sluiten. Gasregelaar openen (als die aanwezig is). openzetten (volgens instructie van de leerkracht).

De lucifer voldoende hoog boven de gasmond houden, zodat hij niet wordt uitgeblazen door

de gasstroom.

Gasslang aansluiten op de gastoevoer.

Gaskraan opendraaien.

Luchtinlaat opendraaien tot de gewenste vlam bekomen wordt.

N

OPDRACHT 10

Welke vorm en kleur heeft de vlam van een bunsenbrander?

1 In het filmpje uit opdracht 9 zie je dat de vlam uit meerdere kleurschakeringen en vormen bestaat, afhankelijk van de luchttoevoer. Teken de vlam die je kunt zien, houd rekening met de verschillende

VA

kleuren.

Luchttoevoer dicht

©

Hoe ziet de vlam eruit?

Luchttoevoer open

Hoe ziet de vlam eruit?

2 De ruisende vlam kun je gebruiken om stoffen te verwarmen. Wat is het warmste deel van de vlam? Zet een kruisje op je tekening.

OPDRACHT 11

DOORDENKER

Waarom kun je een wapperende vlam het best niet gebruiken om een stof te verwarmen? Leg uit.

36

THEMA 01

HOOFDSTUK 2


!

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT Veilig omgaan met een bunsenbrander:

• Draag een veiligheidsbril en bind losse haren samen, zo voorkom je dat ze in de vlam terechtkomen.

• Verwarm niet onder aan een proefbuis, maar op de oppervlakte van de vloeistof. Zo kun je wegspatten voorkomen.

• Richt de opening van de proefbuis weg van jezelf of anderen, zo komen eventuele spatten niet op jezelf of je buur terecht.

• Neem het glaswerk steeds vast met een tang of klem en niet met je hand; glaswerk wordt geleidelijk warm tijdens het verwarmen.

• Ben je klaar met de proef? Opgelet, het glaswerk is nog warm!

IN

• Laat een bunsenbrander nooit langer branden dan nodig.

Je kunt de onderdelen van een bunsenbrander benoemen. Ook weet je welke

stappen je moet ondernemen om een bunsenbrander aan te steken, op welke

manier je de bunsenbrander voor welke toepassing kunt gebruiken en hoe je er

2.2 De balans WEETJE De termen ‘massa’ en

Een weegschaal kent veel toepassingen. Denk maar aan de weegschaal in

de badkamer om jezelf te wegen, of de weegschaal in de keuken waarmee

je bloem kunt afwegen. Je kunt die weegschalen natuurlijk niet zomaar door elkaar gebruiken.

VA

‘gewicht’ worden in het

N

veilig mee moet omgaan.

dagelijks leven door elkaar gehaald.

• Massa is een hoeveelheid stof en heeft als eenheid kilogram.

• Gewicht is een maat voor

de aantrekkingskracht op een massa en heeft als eenheid newton.

Om verwarring te vermijden,

©

gebruiken we in de wetenschap de term ‘balans’ in plaats van ‘weegschaal’.

Elke weegschaal heeft een zeker meetbereik. Personenweegschalen kunnen

tot op 0,1 kg meten, de keukenweegschaal kan tot wel 0,0001 kg (ofwel 0,1 g). In de wetenschappen gebruiken we de term ‘balans’ in plaats van

‘weegschaal’. In het labo moeten we heel kleine hoeveelheden afwegen.

Vaak zijn er balansen met verschillende gevoeligheden aanwezig. Je kiest de balans naargelang de massa die je nodig hebt. Hoe gebruik je een balans?

• Kijk na of de balans volledig schoon is. Is dat niet het geval, verwijder dan eerst de resten met een borsteltje.

• Zet de balans aan.

• Neem een weegschuitje en leg het op de balans.

• Breng de geregistreerde massa op nul door het weegschuitje te tarreren. • Breng de af te wegen stof in het weegschuitje.

• Heb je naast het schuitje gemorst? Veeg op met het borsteltje.

• Wacht tot de balans aangeeft dat de weging compleet is. • Noteer de massa.

• Schakel de balans uit en zorg dat je ze schoon achterlaat. Bekijk de instructievideo.

Je kunt de balans correct gebruiken.

THEMA 01

GEBRUIK BALANS

HOOFDSTUK 2

37


2.3 De trechter en het filtreerpapier

Om te filtreren met filtreerpapier moet je de filter op een correcte manier gebruiken. Bekijk de instructievideo. 2

IN

1

GEBRUIK FILTER

4

VA

N

3

5

6

©

7

TIP Om het papier beter te hechten aan de

trechter kun je hem een beetje nat maken.

38

THEMA 01

HOOFDSTUK 2


2.4 Hoe lees je het vloeistofniveau in glaswerk af?

Het vloeistofniveau lees je af via de meniscus. Dat is de naam van het grensvlak tussen de vloeistof en de lucht. Op afbeelding 9 zie je een voorbeeld.

Het vloeistofpeil is vaak geen rechte lijn. Afhankelijk van de krachten die

spelen in de vloeistof, zal het vloeistofoppervlak een kromming naar boven

of beneden maken. Je moet het vloeistofniveau steeds aflezen op de bodem

IN

van het kommetje of op de top van het bolletje. Daarbij is het belangrijk om

het glaswerk op ooghoogte te brengen. Doe je dat niet, dan maak je een fout bij het aflezen.

20

A

B

aflees

N

hoogte

VA

10

Afb. 9 Aflezen vloeistofniveau in glaswerk via de meniscus

Je kunt het vloeistofniveau in glaswerk op een correcte manier aflezen door steeds op ooghoogte te werken en rekening te houden met de meniscus.

©

` Maak oefening 5.

OPDRACHT 12 ONDERZOEK

Ontdek nu zelf enkele labotechnieken. Voer het labo uit op p. 269.

THEMA 01

HOOFDSTUK 2

39


THEMASYNTHESE SYNTHESE

de algemene regels CONTRACT Als leerling verbind ik mij ertoe om de volgende regels altijd toe te passen in het labo. Bij fouten tegen deze regels weet ik dat er gevolgen zijn voor mijn veiligheid en die van anderen rondom mij.

Ik draag steeds het juiste beschermingsmateriaal op de juiste manier: labojas dichtgeknoopt, veiligheidsbril op de neus, handschoenen indien nodig. Losse haren bind ik samen.

Mijn labotafel is altijd ordelijk.

In het labo houd ik de doorgang vrij en leg ik alle onnodige materialen, zoals mijn boekentas, op de daartoe voorziene plaats.

Ik gedraag me steeds rustig, blijf zo veel mogelijk aan mijn werkbank en speel niet in het labo. Ik neem geen materialen of stoffen mee uit het labo. Eten of drinken doe ik niet in een labolokaal.

de betekenis van H- en P-zinnen

IN

Als er iets misloopt, haal ik er meteen de leerkracht bij.

Ik giet een gebruikte stof nooit terug in de fles, maar verwerk ze als afval.

Wanneer ik aan een stof ruik, doe ik dat steeds op de correcte manier, door te wuiven.

Klaar met de proef? Dan maak ik alles schoon, berg alles correct op en was mijn handen grondig.

de naam en toepassingen van het labomateriaal

Ik kom steeds goed voorbereid naar het practicum.

Ik ken de brandprocedure en weet hoe ik moet reageren bij brand.

Als leerling van deze klas verklaar ik me tijdens een labo altijd te houden aan de bovenstaande regels. Ik respecteer de extra maatregelen die in mijn school genomen worden.

Naam en handtekening,

zie p. 34

LABOMATERIALEN

N

H- EN P-ZINNEN

Datum,

VA

om veilig in een labo te werken ken/kan ik:

de veiligheidspictogrammen

©

de basishandelingen

het laboverloop

BEKIJK DE KENNISCLIP

40

THEMA 01

SYNTHESE

het chemisch etiket lezen


CHECKLIST

JA

NOG OEFENEN

1 Begripskennis • Ik kan de algemene regels binnen een labo opsommen.

• Ik kan de verschillende veiligheidsmaterialen in een lokaal benoemen en de functie bespreken.

• Ik kan de verschillende onderdelen van een chemisch etiket herkennen en de informatie gebruiken om veilig te werken in een labo.

• Ik herken de veiligheidspictogrammen en weet hoe ernaar te handelen.

• Ik kan de H- en P-zinnen opzoeken, interpreteren en ernaar handelen. • Ik weet hoe een labo veilig verloopt.

IN

• Ik weet dat een labo afval met zich meebrengt en verwerk dat op een correcte manier.

• Ik kan de verschillende onderdelen van een bunsenbrander benoemen.

• Ik kan de stappen om een bunsenbrander aan te steken in de juiste volgorde opsommen.

• Ik kan de verschillende vlammen van een bunsenbrander benoemen en de warmste plek aangeven.

2 Onderzoeksvaardigheden • Ik kan een bunsenbrander aansteken.

N

• Ik kan een balans gebruiken.

• Ik kan werken met trechter en filtreerpapier.

• Ik kan het vloeistofniveau in glaswerk correct aflezen.

invullen bij je Portfolio.

©

VA

` Je kunt deze checklist ook op

THEMA 01

CHECKLIST

41


CHECK IT OUT

Safety first!

©

VA

N

IN

Bekijk de tekening en bespreek wat er misloopt in het labo. Waarom is dat gevaarlijk?

In Sevesobedrijven houdt de regering vooral toezicht op de gevaren voor de wijde omgeving:

de mogelijkheid tot ontploffing en brand, het vrijkomen van giftige dampen en de gevaren voor het milieu. In het labo houden we rekening met alle veiligheidspictogrammen.

In het labo moet je niet enkel rekening houden met de wijde omgeving, maar ook met gevaren voor jezelf, je klasgenoten, de leerkracht, het klaslokaal, de school ... Het is dan ook belangrijk dat je je bewust bent van de gevaren. Door het stellen van regels en wetten, zoals de overheid doet voor Sevesobedrijven, blijven we mogelijke ongevallen een stapje voor. 42

THEMA 01

CHECK IT OUT

!


AAN DE SLAG

1

Tot welke brandklassen behoren de voorbeelden van branden die in een chemisch labo kunnen ontstaan? Welke brandblusser zou je gebruiken? Soort brand

natrium het gas dat je gebruikt om je bunsenbrander aan te steken (aardgas) alcohol

IN

2

Geef aan of de zinnen H- of P-zinnen zijn.

Brandblusser

olie in een oliebad

Brandklasse

Zin

Gevaar voor massa-explosie bij brand.

H- of P-zin

Beschermende kledij dragen.

N

In contact met water komen ontvlambare gassen vrij die spontaan kunnen ontbranden. Schadelijk bij inslikken, bij contact met de huid en bij inademing. Koel bewaren.

VA

Welke veiligheidspictogrammen kun je linken aan de H- en P-zinnen? Zin

Giftig bij inslikken, bij contact met de huid en bij inademing.

Kan mogelijk de vruchtbaarheid of het ongeboren kind schaden. Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken.

Giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen.

Verwijderd houden van warmte/vonken/open vuur/ hete oppervlakken en andere ontstekingsbronnen. Niet roken. Veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsels.

Explosieveilige elektrische/ventilatie-/verlichtings-/... apparatuur gebruiken.

©

3

Bijbehorend pictogram

THEMA 01

AAN DE SLAG

43


4

Welke labomaterialen zou je gebruiken om …

a te voorkomen dat je morst tijden het mengen van vloeistoffen?

b exact 10 ml van een vloeistof te nemen?

c damp te condenseren naar een vloeistof?

d vaste fosfor te verbranden boven een bunsenbrander?

IN

e vloeistof te koken boven een bunsenbrander?

f een verbrandingskroes boven een bunsenbrander te houden?

g een proefbuis boven een bunsenbrander te houden?

5

Hoeveel water zit er in de maatcilinder? Bekijk de afbeelding, teken de stippellijn van de afleeshoogte en

N

noteer het aantal mL in de maatcilinder.

©

VA

` Verder oefenen? Ga naar

44

THEMA 01

AAN DE SLAG

.

20

10


ZUIVERE STOFFEN EN MENGSELS

THEMA 02

CHECK IN

46

VERKEN

47

` HOOFDSTUK 1: Hoe onderscheiden we stoffen van elkaar? 49

IN

1.1 Wat betekent de term ‘stofeigenschap’? 49 52 1.2 Stofeigenschap: massadichtheid 1.3 Stofeigenschappen: kook- en smeltpunt 55 56 1.4 Stofeigenschap: geleidbaarheid 1.5 Stofeigenschap: oplosbaarheid van stoffen (in water) 57 Hoofdstuksynthese 58

` HOOFDSTUK 2: Is het een zuivere stof of een mengsel?

59

2.1 Onderscheid tussen zuivere stoffen en mengsels 59 2.2 Soorten mengsels 61

N

A Homogeen versus heterogeen B Homogene mengsels of oplossingen C Heterogene mengsels

61 62 63

Hoofdstuksynthese 66

VA

` HOOFDSTUK 3: Hoe kunnen we een mengsel van 67

THEMASYNTHESE

81

CHECKLIST

84

stoffen scheiden?

3.1 Scheidingstechnieken

©

A Sorteren, zeven en filtreren B Decanteren C Centrifugeren D Indampen E Destilleren F Extraheren G Andere scheidingstechnieken

67 68 71 72 73 74 76 78

3.2 Scheidingsschema’s 79 Hoofdstuksynthese 80

PORTFOLIO CHECK IT OUT

85

AAN DE SLAG

86

OEFEN OP DIDDIT

45


CHECK IN

Kun jij ook toveren? Uitdaging! Houd met deze reeks van experimentjes je ouders, broer of zus voor de gek. WAT HEB JE NODIG?

een glas

een handvol kiezelsteentjes een pak keukenzout water

IN

HOE GA JE TE WERK?

Stap 1

Neem een glas uit de kast en vul het tot aan de rand met kiezelsteentjes.

Is het glas helemaal vol? Als je die vraag stelt, krijg je als antwoord vast: ‘ja, hoor’.

N

Stap 2

Neem een pakje keukenzout uit de kast en probeer of je nog zout kunt toevoegen aan het glas.

Je zult merken dat er nog heel wat keukenzout in het glas kan toegevoegd worden. De zoutkorrels gaan de ruimte die er nog restte tussen de grotere kiezelsteentjes

VA

immers opvullen. In het glas zit nu een mengsel van keukenzout en kiezelsteentjes. Is het glas nu helemaal vol? Opnieuw zal je publiek waarschijnlijk ‘ja’ antwoorden. Stap 3

Probeer vervolgens om water toe te voegen aan het glas met de kiezelsteentjes en het keukenzout.

Gelukt? Dan was het glas dus toch niet vol. Een deel van het keukenzout is ook opgelost in het water. Je hebt nu het glas gevuld met verschillende soorten stoffen, een mengsel van

©

stoffen.

Alles gelukt? Prima!

Nu komt het moeilijke werk: zou je de stoffen terug van elkaar kunnen scheiden?

Met enige kennis van mengsels en de nodige scheidingstechnieken moet dat zeker lukken.

` Welke mengsels zijn er? ` Welke scheidingstechnieken gebruiken we om de stoffen terug van elkaar te scheiden? We zoeken het uit!

46

THEMA 02

CHECK IN

?


VERKEN

Materie, voorwerp of stof? Het woord stof speelt een centrale rol in de chemie. Een chemicus maakt

dan ook een duidelijk onderscheid tussen een voorwerp en een stof. Chemie

houdt zich namelijk niet bezig met het bestuderen van voorwerpen, maar wel met de studie van stoffen waaruit alles wat leeft (mens, dier, plant …) en alles wat niet leeft (aarde, water, lucht …) is opgebouwd. Ken jij het verschil tussen een stof en een voorwerp nog?

Vul de tabel aan.

IN

OPDRACHT 1

Het Van Dale-woordenboek geeft verschillende definities voor het woord ‘glas’. Is glas nu een stof of een voorwerp?

Betekenis 'glas' Je hebt gezocht op het woord: glas.

glas (het; o; meervoud: glazen; verkleinwoord: glaasje)

1 doorzichtige harde stof

2 glazen plaat = ruit: zijn eigen glazen ingooien, zijn eigen zaak bederven

3 glazen beker: een glas wijn; te diep in het glaasje kijken, zich bedrinken

N

stof

voorwerp

stof

voorwerp

stof

voorwerp

Het woord ‘glas’ kan dus zowel verwijzen naar het voorwerp waaruit we drinken, als naar de stof waaruit dat

©

VA

voorwerp is gemaakt.

Wanneer ‘glas’ duidt op een voorwerp, wordt het meestal gebruikt als een

verzamelnaam van stoffen: een raam bevat niet alleen de stof glas, maar ook een aluminium kader. Voor chemici is het raam een voorwerp en zijn glas en aluminium de stoffen of de materialen waaruit het raam is opgebouwd.

THEMA 02

VERKEN

47


OPDRACHT 2

Herken het verschil tussen een stof en een voorwerp. Kijk eens rond in het klaslokaal en noteer enkele voorwerpen en stoffen. Voorwerp

Stof

IN

Een voorwerp is opgebouwd uit stoffen.

OPDRACHT 3

N

De verzameling van alle stoffen in de natuur wordt materie genoemd.

Wat is het verschil tussen materie, voorwerp en stof?

HUIS

Vul de begrippen in het schema aan.

VA

materie – voorwerp – stof

BAKSTENEN

©

48

THEMA 02

VERKEN

KLEI

WATER


HOOFDSTUK 1

Hoe onderscheiden we stoffen van elkaar? LEERDOELEN

L het verschil tussen materie,

voorwerp en stof toelichten.

Je leert nu:

L uitleggen wat stofeigenschappen zijn (en ze onderscheiden van voorwerpeigenschappen);

L de begrippen aggregatietoestand, massadichtheid, smeltpunt, kookpunt, deeltjesgrootte, een stof kennen;

Stoffen kunnen verschillende eigenschappen hebben.

Zo kun je thuis een glas met azijn en een glas gevuld met water van elkaar onderscheiden door eraan te ruiken.

Suiker en zout herken je misschien door de vorm en de grootte

van de kristallen. In je eigen keuken kun je de stof zelfs proeven, als je zeker bent dat het om eetbare stoffen gaat.

Kortom, door je zintuigen te gebruiken, zijn er al heel wat

eigenschappen op basis waarvan je informatie kunt afleiden over de identiteit van de stof.

Maar wat als je je zintuigen niet mag gebruiken? Wat als het niet

N

geleidbaarheid, oplosbaarheid van

IN

Je kunt al:

L stoffen onderscheiden op basis

toegestaan! Je zou een giftige stof kunnen aanraken of inslikken. Ook ruiken gebeurt op een veilige manier. Maar zo wordt het natuurlijk moeilijker om stoffen te onderscheiden.

VA

van stofeigenschappen.

gaat over eetbare stoffen? In een chemisch labo is proeven niet

1.1 Wat betekent de term ‘stofeigenschap’?

Je kent het verschil tussen een voorwerp en een stof, maar

OPDRACHT 4

kunnen we stoffen ook onderling onderscheiden van elkaar?

Vergelijk olijfolie met water.

©

Op basis van welke eigenschappen maak je hier een onderscheid tussen de olijfolie en het water? • •

Meng nu beide vloeistoffen en noteer je waarneming. •

THEMA 02

HOOFDSTUK 1

49


Je hebt al enkele eigenschappen gebruikt om stoffen van elkaar te

onderscheiden. Zo kun je olijfolie van water onderscheiden op basis van

kleur, stroperigheid (viscositeit), oplosbaarheid in water ... Zoals hierboven beschreven, kon je azijn dan weer van water onderscheiden door zijn kenmerkende geur. OPDRACHT 5

Onderscheid de stoffen op basis van hun eigenschappen. 1 Noteer in de tweede kolom de stoffen die je in de eerste kolom ziet. Kies uit:

IN

bloem – goud – koper – olijfolie – plastic (pvc) – suiker – water

2 Noteer in de derde kolom de eigenschappen die je tot dat besluit brachten. Afbeelding 1

Stof

2

N

Op basis van deze eigenschap(pen)

3

VA

4

5

©

6

7

50

THEMA 02

HOOFDSTUK 1


Om stoffen te herkennen heb je gebruikgemaakt van eigenschappen:

• Je hebt gekeken naar de aggregatietoestand van de stof. Zo zijn sommige stoffen immers vloeibaar bij kamertemperatuur en andere stoffen vast.

Lucht bestaat voornamelijk uit gasvormige stoffen bij kamertemperatuur.

• Een metaal (zoals zilver, goud) onderscheid je van glas of plastic door zijn typische glans.

• Maar je hebt misschien ook gebruikgemaakt van de verdelingsgraad (de fijnheid van de korrels) van bloem ten opzichte van de

verdelingsgraad van suiker om die van elkaar te onderscheiden.

We maken dan ook een onderscheid tussen twee soorten eigenschappen:

IN

1 Eigenschappen die afhangen van het voorwerp (en dus veranderlijk zijn) = voorwerpeigenschappen

Afb. 10

2 Eigenschappen die typisch (eigen) zijn aan een welbepaalde stof = stofeigenschappen

Voorwerpen kunnen uit een of meerdere stoffen bestaan.

Stoffen hebben eigenschappen of kenmerken die bij de stof horen en niet veranderen. Dat noemen we onveranderlijke eigenschappen of

N

stofeigenschappen. Voorbeelden van stofeigenschappen zijn glans, verdelingsgraad, aggregatietoestand.

OPDRACHT 6

VA

Gaat het om voorwerp- of stofeigenschappen? 1 Zet een kruisje bij het juiste type eigenschap.

Voorwerpeigenschap

Stofeigenschap

Er bestaan blauwe, groene, gele, rode, paarse … legoblokken.

Water is gasvormig boven 100 °C, vloeibaar bij kamertemperatuur en vast onder 0 °C.

Suiker lost goed op in water, maar olie blijft drijven op water.

©

Mijn bril heeft een ronde vorm, de zonnebril van mijn buur is eerder hoekig.

2 Kun je de stofeigenschappen uit vraag 1 ook benoemen? Som op wat je weet.

THEMA 02

HOOFDSTUK 1

51


Voor een chemicus zijn het uiteraard de stofeigenschappen die van belang

zijn. Je maakte in de voorbije studiejaren, bij verschillende vakken, al kennis met stofeigenschappen zoals aggregatietoestand en glans.

De stofeigenschap aggregatietoestand is de vorm waarin een stof bij een welbepaalde temperatuur voorkomt: vast, vloeibaar of gasvormig.

De stofeigenschap glans geeft weer of een stof een zachte schittering heeft als

IN

er licht op invalt. Zo hebben metalen (goud, zilver, koper …) een typische glans. We bekijken nu nog enkele andere stofeigenschappen. Sommigen daarvan zul je ook nog in het vak fysica tegenkomen, of ben je misschien al eerder tegengekomen in de lessen natuurwetenschappen of STEM.

N

1.2 Stofeigenschap: massadichtheid

Twee voorwerpen met hetzelfde volume hebben niet noodzakelijk dezelfde massa: een liter water weegt immers meer dan een liter lucht. Twee

voorwerpen met dezelfde massa hebben ook niet noodzakelijk eenzelfde

volume: 1 kg pluimen en een 1 kg lood wegen evenveel, maar het volume

VA

pluimen zal natuurlijk groter zijn.

OPDRACHT 7

Ken je deze grootheden en eenheden nog?

Net als in fysica zijn er bij chemie grootheden en eenheden die je nodig hebt om berekeningen uit te voeren. Vul de tabel aan.

Grootheid

volume

©

massa

Symbool

THEMA 02

HOOFDSTUK 1

Symbool

Massa en volume zijn twee voorwerpeigenschappen: ze verschillen immers naargelang het voorwerp. Een goudstaaf heeft een grotere massa en een

groter volume dan een gouden ring, hoewel het bij beide over de stof goud gaat.

52

SI-eenheid


Massadichtheid is niets anders dan de hoeveelheid massa per volume-

eenheid. Hoe meer deeltjes in hetzelfde volume voorkomen (hoe groter de massa), hoe groter de massadichtheid (zie afbeelding 11).

En dit is dan weer wél typisch voor een welbepaalde stof: het is een stofeigenschap.

kleine massadichtheid

IN

grote massadichtheid

Afb. 11 Demonstratie van verschil in massadichtheid tussen twee voorwerpen door de massa te vergelijken voor hetzelfde volume

N

Deze nieuwe grootheid, massadichtheid, heeft dus ook weer haar eigen symbool en eenheid: Grootheid

Symbool - formule

©

VA

massadichtheid

t=

m V

SI-eenheid

Symbool

kilogram per

kg m3

kubieke meter

TIP

Denk aan je omzettingen! Zo is de eenheid

g kg = 10-3 3 cm m3

en 1 liter = 1 dm3 en 1 m3 = 1 000 dm3 = 1000 l WEETJE

Wil je nog dieper ingaan op de formule? Bekijk dan de video.

BEKIJK DE VIDEO

Als je olijfolie en water samenbrengt in een proefbuis, merk je dat die stoffen niet mengen, maar twee laagjes vormen. De twee stoffen lossen immers niet

op in elkaar. Maar als gevolg van een verschil in massadichtheid zal één stof gaan bovendrijven, namelijk de stof met de kleinste massadichtheid. Een mooie cocktail maken steunt volledig op de eigenschap van

massadichtheid. Verschillende dranken hebben een verschillende massadichtheid en vormen dus mooie laagjes in je glas.

THEMA 02

HOOFDSTUK 1

53


OPDRACHT 8

Vergelijk twee stoffen (bij kamertemperatuur) binnen één rij en vul de tabel aan.

water

kg t .103 3 m

1,0

ethanol (drankalcohol)

water

0,789

1,03

glazen knikker

kg t .103 3 m

Gevolg (vink aan wat past)

t1 ••• t2 (vul in: >, <, =)

Aluminium zinkt in water. Aluminium drijft in water.

2,70

De knikker zinkt in alcohol. De knikker drijft in alcohol.

2,2-2,6

De olielaag zit boven de waterlaag.

0,75-0,95

melk

1,03

glycerine

De olielaag zit onder de waterlaag.

De kwiklaag zit boven de melklaag.

De kwiklaag zit onder de melklaag.

De laag glycerine zit boven de

1,26

laag zeewater.

De laag glycerine zit onder de

N

13,55

zeewater

aluminium

olie

1,0

kwik

Stof 2

Massadichtheid

IN

Stof 1

Massadichtheid

laag zeewater.

VA

OPDRACHT 9 ONDERZOEK

Onderzoek nu zelf hoe je de massadichtheid van stoffen kunt bepalen. Voer het virtueel labo rond massadichtheid uit. Je vindt het op p. 271.

De stofeigenschap massadichtheid geeft de verhouding weer tussen de

massa van een stof en het volume dat die stof inneemt bij een bepaalde

©

temperatuur. Ook die stofeigenschap is specifiek en eigen aan de stof. Voor de drie aggregatietoestanden worden de afkortingen v (vast),

vl (vloeistof) en g (gas) gebruikt. Vaak worden echter ook de Engelse afkortingen gebruikt.

Aggregatietoestand

Afkorting in het Nederlands

Afkorting in het Engels

vast

v

s (solid)

vloeistof gas

54

THEMA 02

HOOFDSTUK 1

vl g

l (liquid) g (gas)


Afb. 12 Smeltpunt en kookpunt als scheidingslijn

OPDRACHT 10

Vul de tabel aan. Smeltpunt ƟS(°C)

aluminium goud ijzer kwik

1 064 1538

–38,83 1 084

van hun kookpunt en hun smeltpunt.

zilver

water

ethanol

(drankalcohol) keukenzout

2 467

2 750

2 808 357

2 570

2 155

–114

78

113

445

801

1 465

©

zwavel

962

Aggregatietoestand bij 1 000 °C

Aggregatietoestand bij 20 °C

Aggregatietoestand bij 0 °C

VA

koper

660

Kookpunt Ɵk(°C)

massadichtheid, je kunt ook gebruikmaken

N

Stof

onderscheiden op basis van hun

IN

condenseren stollen

vast onder het smeltpunt is een stof meestal in de vaste fase.

smelten

SMELTPUNT

vloeibaar tussen het smeltpunt en het kookpunt is een stof meestal in de vloeibare fase.

Je kunt stoffen niet alleen van elkaar sublimeren

KOOKPUNT

gasvormig boven het kookpunt is een stof meestal in de gasfase.

verdampen

sublimeren

1.3 Stofeigenschappen: kook- en smeltpunt

OPDRACHT 11 ONDERZOEK

Onderzoek nu zelf het smeltpunt van paraffine. Je vindt het labo achteraan op p. 275.

Het kookpunt van een stof is de temperatuur waarbij de stof overgaat van de vloeibare fase naar de gasvormige fase.

Het smeltpunt van een stof is de temperatuur waarbij de stof overgaat van de vaste fase naar de vloeibare fase.

THEMA 02

HOOFDSTUK 1

55


1.4 Stofeigenschap: geleidbaarheid

Al ooit op kamp geweest en zelf een vuurtje moeten maken? Superleuk om dan je eten in een gamel op te warmen. Maar let op: het is geen goed idee

om de gamel vervolgens met je blote handen vast te nemen. Of een lekkere lasagne in de oven: oppassen met het aluminium bakje. We spreken hier doorgeven.

IN

over thermische geleidbaarheid, of hoe makkelijk een stof de warmte gaat

De thermische geleidbaarheid (of warmtegeleiding) geeft aan hoe vlot warmte wordt doorgegeven doorheen de stof. Eigenlijk komt het neer op de vlotheid waarmee deeltjes kunnen bewegen door de stof.

(Elektrische) geleidbaarheid is de mogelijkheid van stoffen om, in gesmolten

of opgeloste toestand, de elektrische stroom te geleiden. Aangezien niet elke stof de stroom kan geleiden (en dus een lampje kan doen branden), kun je

VA

N

op basis van die stofeigenschap stoffen van elkaar onderscheiden.

Afb. 13 Test geleidbaarheid vloeistoffen

Afb. 14 Test geleidbaarheid vaste stoffen

©

OPDRACHT 12 ONDERZOEK

Onderzoek nu zelf de elektrische geleidbaarheid van enkele stoffen. Voer het labo rond geleidbaarheid uit. Je vindt het op p. 279.

De elektrische geleidbaarheid geeft aan hoe gemakkelijk geladen deeltjes

door de stof kunnen bewegen. Bij bepaalde stoffen gaat dat vlotter dan bij

andere. Bij sommige stoffen lukt het helemaal niet. Ook die stofeigenschap is, bij kamertemperatuur, een constante en dus een mogelijke manier om een stof verder te identificeren. 56

THEMA 02

HOOFDSTUK 1


1.5 Stofeigenschap: oplosbaarheid van stoffen (in water)

Water is een belangrijk oplosmiddel, zowel in het dagelijks leven als in het

chemielabo. Kijk maar naar je eigen lichaam: dat bestaat voor meer dan de

helft uit water. Dat betekent dan ook dat er heel veel stoffen goed oplossen in het water in de cellen van je lichaam. Maar lossen alle stoffen even goed op in water?

Oplosbaarheid in water is een belangrijke stofeigenschap: je kijkt of de stof

IN

al dan niet oplost in water. Water dient dan als oplosmiddel, en de stof die

je oplost wordt de opgeloste stof genoemd. We noemen de combinatie van opgeloste stof in een oplosmiddel een oplossing. OPDRACHT 13 ONDERZOEK

Onderzoek nu zelf de oplosbaarheid van enkele stoffen.

WEETJE

N

Voer het labo rond oplosbaarheid uit. Je vindt het op p. 283.

Je kunt ondertussen stoffen al van elkaar onderscheiden op basis van verschillende stofeigenschappen. Zo leerde je over aggregatietoestand, glans, massadichtheid, kook- en smeltpunt, geleidbaarheid en

oplosbaarheid (in water). Er zijn echter nog enkele andere stofeigenschappen die je zou kunnen gebruiken:

VA

• geur

• smaak

• giftigheid

• brandbaarheid

• magnetische eigenschappen

Let op: geur, smaak en giftigheid van onbekende stoffen testen in een chemielabo op school of thuis, is uiteraard geen optie. Maar brandbaarheid en magnetische eigenschappen van stoffen ga je zeker nog

©

tegenkomen in de lessen chemie en fysica.

Wanneer een stof oplost in een oplosmiddel, spreken we van de oplosbaarheid van die opgeloste stof. Niet alle stoffen lossen even goed op in water, hoewel het het meest gebruikte oplosmiddel is (zeker in een labo).

` Maak oefening 1 en 2.

THEMA 02

HOOFDSTUK 1

57


HOOFDSTUKSYNTHESE

Maak een mindmap over dit hoofdstuk. We komen aan het einde van dit hoofdstuk, dus wordt het tijd dat je even samenvat wat je daaruit moet kennen. Om je op weg te helpen, noteerden we alvast het basisbegrip uit dit thema: stofeigenschap.

N

IN

Probeer nu zelf een mindmap rond dat begrip te maken.

©

VA

STOFEIGENSCHAP

58

THEMA 02

SYNTHESE HOOFDSTUK 1


HOOFDSTUK 2

Is het een zuivere stof of een mengsel? LEERDOELEN Je kunt al: stofeigenschappen.

Je leert nu:

L een definitie geven voor het begrip zuivere stof; L een definitie geven voor het begrip mengsel;

L zuivere stoffen en mengsels van elkaar onderscheiden;

L het onderscheid maken tussen homogene en heterogene mengsels;

gehad over stofeigenschappen en

hoe je dus stoffen van elkaar kunt

onderscheiden. Maar eigenlijk hadden

we het daar steeds over hoe je zuivere

stoffen van elkaar kunt onderscheiden. In dit hoofdstuk gaan we nu ook mengsels van stoffen bekijken.

Sommige van die mengsels hebben

een specifieke naam, en heb je vast al horen waaien: ‘rook’, ‘schuim’ …

N

L mengsels classificeren als homogeen of heterogeen mengsel; L mengsels onderverdelen in rook, nevel, oplossing, schuim,

We onderzoeken eerst het onderscheid tussen zuivere stoffen en mengsels en bekijken vervolgens elk type mengsel eens van dichterbij.

VA

suspensie of emulsie.

We hebben het in het vorige hoofdstuk

IN

L stoffen van elkaar onderscheiden op basis van

2.1 Onderscheid tussen zuivere stoffen en mengsels

OPDRACHT 14

Markeer wat volgens een chemicus een zuivere stof is. ijzer

leidingwater

©

goud

lucht

zuurstofgas

Lucht bestaat eigenlijk uit een verzameling van stoffen, zoals N2 (stikstofgas), O2 (zuurstofgas), CO2 (koolstofdioxide), waterdamp, roetdeeltjes …

Ook in het leidingwater dat wij drinken, zit meer dan alleen maar (zuiver) water. Net zoals in flessenwater trouwens: kijk maar eens op het etiket (afbeelding 15). Als we het in de lessen chemie over water hebben, bedoelen we dus de zuivere stof water!

Afb. 15 Etiket flessenwater

THEMA 02

HOOFDSTUK 2

59


WEETJE Is het je al opgevallen dat je leerkracht tijdens een proef geen

leidingwater, maar gedemineraliseerd water gebruikt? Zoals de term al aangeeft, zijn verschillende mineralen uit het water verwijderd,

waardoor de graad van zuiverheid verhoogt. Op die manier verkleint je leerkracht het risico dat andere stoffen in het water een invloed hebben op de reactie.

Je leerkracht kan ook kiezen voor gedestilleerd water. Dat water is nog zuiverder; dankzij de scheidingstechniek destillatie zijn nog meer onzuiverheden uit het water verwijderd. Het wordt vaak

IN

gebruikt in het dagelijks leven, bv. voor het navullen van loodaccu’s of in strijkijzers om kalkvrij stoom te produceren (alhoewel dat met gedemineraliseerd water ook prima werkt).

Wil je meer weten over het verschil tussen zuiver water en kraantjeswater? Bekijk dan de video.

BEKIJK DE VIDEO

Zoals je hebt geleerd in de eerste graad, wordt een verzameling van

verschillende stoffen een mengsel genoemd. Een mengsel bevat dus twee of

N

meer stoffen, die we bestanddelen of componenten noemen.

Een (zuivere) stof wordt gekenmerkt door welbepaalde waarden voor een hele reeks stofeigenschappen (smeltpunt, kookpunt, massadichtheid …) Bij een zuivere stof zijn die waarden constant en karakteristiek (typisch voor de stof).

VA

Bij een mengsel van zuivere stoffen zullen de eigenschappen zoals kookpunt, smeltpunt, massadichtheid ... afhankelijk zijn van de samenstelling van het mengsel.

` Maak oefening 3.

WEETJE

©

Kookpunt versus kooktraject Een zuivere stof heeft een constant, vast kookpunt: tijdens het koken blijft de temperatuur constant.

Een mengsel wordt gekenmerkt door een kooktraject: tijdens het koken verandert de temperatuur. temperatuur (°C)

temperatuur (°C)

g

g

vl + g

kooktraject

kookpunt vl

vl zuivere stof (bv. demiwater)

60

THEMA 02

HOOFDSTUK 2

vl + g

Grafiek 1 Zuivere stof met vast kookpunt

mengsel (bv. zout + water) tijd (s)

Grafiek 2 Mengsel met kooktraject

tijd (s)


2.2 Soorten mengsels

Soms zie je aan een mengsel dat het bestaat uit meerdere componenten: we spreken dan over een heterogeen mengsel. Soms kun je de componenten

A

niet meer onderscheiden: we spreken dan over een homogeen mengsel.

Homogeen versus heterogeen

Welke soorten mengsels worden gevormd?

IN

OPDRACHT 15 DEMO

Je leerkracht plaatst vier erlenmeyers op tafel. In elke erlenmeyer zit 20 ml zuiver water.

Aan erlenmeyer 1 wordt zand toegevoegd, aan erlenmeyer 2 zout, aan erlenmeyer 3 olijfolie en aan

erlenmeyer 4 alcohol. De twee stoffen worden lichtjes gemengd, waarna ze op de tafel geplaatst worden. 1 Noteer je waarnemingen. Schrap wat niet past. Erlenmeyer 1: water + zand Lost op / Lost niet op

Erlenmeyer 3: water + olijfolie

Lost op / Lost niet op

Lost op / Lost niet op

Ik kan de twee stoffen onderscheiden: Ja / Nee

N

Ik kan de twee stoffen onderscheiden: Ja / Nee

Erlenmeyer 2: water + zout

Ik kan de twee stoffen onderscheiden: Ja / Nee

Lost op / Lost niet op

Ik kan de twee stoffen onderscheiden: Ja / Nee

VA

2 Breng de vier mengsels onder in de juiste groep.

Erlenmeyer 4: water + alcohol

Homogeen mengsel

©

Voorbeeld

Heterogeen mengsel

Uit opdracht 15 kunnen we besluiten dat je na het mengen soms nog steeds de verschillende componenten van het mengsel ziet, maar soms ook niet.

Op basis van je waarnemingen kun je de mengsels in twee groepen indelen: homogene mengsels: slechts één soort component te zien; heterogene mengsels: verschillende soorten componenten te zien.

THEMA 02

HOOFDSTUK 2

61


B

Homogene mengsels of oplossingen

OPDRACHT 16

Geef enkele voorbeelden van homogene mengsels Vul de tabel aan. Homogene mengsels kunnen onderverdeeld worden naar de aggregatietoestand van hun componenten. Probeer van elke combinatie een voorbeeld te geven. Aggregatietoestand component 1

Aggregatietoestand component 2

v

v

brons (een mengsel van koper en tin)

vl

vl

vl

g

vl

g

N

g

IN

v

Voorbeeld

Een ander woord voor homogene mengsels is oplossingen (waarbij nog het

onderscheid vaste, vloeibare en gasvormige oplossingen wordt gemaakt). Een homogeen mengsel van twee metalen heeft nog een specifiekere naam: dat

©

VA

noemen we een legering.

Afb. 16 Het beeld van Manneke Pis is uit brons vervaardigd. Brons is een legering van koper en tin.

Homogene mengsels of oplossingen zijn mengsels waarin je de verschillende componenten niet meer van elkaar kunt onderscheiden met het blote oog. Een homogeen mengsel van twee vaste metalen wordt een legering genoemd.

62

THEMA 02

HOOFDSTUK 2


C

Heterogene mengsels

Heterogene mengsels zijn mengsels waarin je de verschillende componenten met het blote oog kunt onderscheiden. In tegenstelling tot homogene

mengsels, hebben de heterogene mengsels allemaal een specifieke naam.

Bij die naamgeving hangt de indeling samen met de aggregatietoestand van de opgeloste stof in het oplosmiddel (= stof die overheerst). OPDRACHT 17

Voorbeeld

Specifieke naam van het heterogene mengsel rook

1

IN

Vul de tabel aan. Aggregatietoestand opgeloste stof

schuim

©

suspensie

emulsie

N

roetdeeltjes boven een kampvuur 2

mist

VA

nevel

Aggregatietoestand oplosmiddel (= stof die overheerst)

3

opgeklopt eiwit 4

een aardbeiensmoothie 5

een vinaigrette (van olie en azijn) voor op een slaatje

THEMA 02

HOOFDSTUK 2

63


In opdracht 17 merk je dat verschillende soorten heterogene mengsels bestaan die we in een volgend schema kunnen weergeven: 

nevel

schuim

suspensie

emulsie

Oplosmiddel

v

g

vl g

g

in:

vl

v

vl

vl

vl

IN

rook

Opgeloste stof

Heterogene mengsels zijn mengsels waarin je de verschillende componenten kunt onderscheiden met het blote oog.

• Rook is een heterogeen mengsel dat ontstaat bij verbranding. Rook bestaat uit vaste deeltjes, verdeeld in een oplosmiddel in de gasfase.

• Nevel is de specifieke naam voor een heterogeen mengsel van

vloeistofdeeltjes in een gasfase. Net als bij rook is de gasfase hier het oplosmiddel.

• Schuim is de naam voor een heterogeen mengsel van gasdeeltjes in een

vloeistoffase. We zien hier het tegenovergestelde van een nevel: bij schuim

N

is de vloeistoffase het oplosmiddel, terwijl bij een nevel de gasfase het oplosmiddel is.

• Je spreekt van een suspensie als vaste deeltjes te onderscheiden zijn in een vloeistof.

• Een emulsie ten slotte, is een combinatie van twee te onderscheiden

VA

vloeistoffen.

` Maak oefening 4 t/m 7.

WEETJE

Om een heterogeen mengsel van

vloeistoffen (die moeilijk in elkaar

©

oplossen) om te zetten in een

meer homogeen geheel, wordt een emulgator toegevoegd. Zonder emulgator gaat het

mengsel spontaan ontmengen. Zo wordt bijvoorbeeld eigeel

toegevoegd als emulgator voor de

bereiding van mayonaise (water in olie).

Meer weten over emulsies? Bekijk dan de video. BEKIJK DE VIDEO

64

THEMA 02

HOOFDSTUK 2


Nu wordt het moeilijker: je hebt vast al weleens het woord aerosol horen

vallen. Was je als kind vaak verkouden of moest je vaak hoesten? Dan zou het kunnen dat je ‘aan de aerosol’ moest. Ook mensen met astma moeten vaak hun puffer bovenhalen.

Een aerosol is een heterogeen mengsel waarin de opgeloste fase een vaste stof, vloeistof of combinatie van beide is en het oplosmiddel een gas (meestal lucht).

Afb. 17 Aerosol

OPDRACHT 18

DOORDENKER

Opgeloste stof 

nevel

schuim

suspensie

emulsie

WEETJE

v

vl g v

vl

Oplosmiddel

in:

g g

vl

vl

vl

N

rook

IN

Bekijk opnieuw het schema op p. 64 en markeer wat onder de noemer ‘aerosol’ valt.

Smog in India en het effect van de maatregelen tegen

VA

COVID-19 in maart 2020

Door de grote hoeveelheid voertuigen (die vaak nog erg vervuilend zijn) in

India, zitten er ongelooflijk veel microscopisch

kleine deeltjes fijn stof

Afb. 18 oktober 2019 vs. april 2020, New Delhi

in de lucht. Men noemt dat ‘smog’ (smoke + fog = rook + nevel). Dat is niet alleen heel vervelend als je de monumenten in New Delhi wilt bekijken, maar vooral erg schadelijk voor de gezondheid. De stofdeeltjes

©

kunnen zich immers in de longen en andere organen nestelen en schade toebrengen.

De maatregelen die India in maart 2020 invoerde om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan (sluiten van markten, fabrieken en winkels; stilleggen van het openbaar vervoer), hadden een enorme

positieve impact op de luchtkwaliteit van het land. Uit metingen bleek dat de hoeveelheid fijn stof in de lucht met maar liefst 71 % was gedaald.

Het begrip aerosol is een verzamelnaam voor heterogene mengsels van vaste stoffen of vloeistoffen in een gas. De begrippen rook en nevel zijn dus beide voorbeelden van aerosols.

THEMA 02

HOOFDSTUK 2

65


HOOFDSTUKSYNTHESE

Maak een mindmap over dit hoofdstuk. Om je op weg te helpen, noteerden we alvast enkele begrippen uit dit thema. Probeer nu zelf een mindmap rond die begrippen aan te vullen.

MATERIE

MENGSEL

IN

ZUIVERE STOF

©

VA

N

homogeen mengsel

66

THEMA 02

SYNTHESE HOOFDSTUK 2

heterogeen mengsel


HOOFDSTUK 3

Hoe kunnen we een mengsel van stoffen scheiden? LEERDOELEN

L mengsels onderscheiden van zuivere stoffen;

IN

Je kunt al:

L mengsels onderverdelen in heterogeen/homogeen;

L een verdere onderverdeling maken binnen de homogene en heterogene mengsels.

Je leert nu:

L voor een mengsel een geschikte scheidingstechniek voorstellen;

L voor de geschikte scheidingstechniek verklaren op welke

in een oudere benaming: scheikunde. Dat betekent letterlijk: ‘de kunst

om te scheiden’. De leerstof voor

dit vak omvat uiteraard veel meer, maar we beginnen met inzoomen

op het scheiden. We bekijken welke

N

eigenschap de scheiding gebaseerd is;

Het vak dat je nu volgt is chemie, of

L een scheidingsschema voorstellen voor een mengsel; L uitleggen wat een scheidingstechniek is;

L de principes zeven, filtreren, decanteren, centrifugeren,

VA

indampen, extraheren en destilleren beschrijven;

scheidingstechnieken er zijn, waarop ze gebaseerd zijn en wanneer je ze kunt toepassen. We eindigen dit

hoofdstuk met het opstellen van

scheidingsschema’s voor mengsels van meer dan twee stoffen.

©

3.1. Scheidingstechnieken

Elk soort mengsel heeft een eigen scheidingstechniek. Als je thuis pasta hebt gekookt en die afgiet door een vergiet, dan ben je aan het scheiden: via het

vergiet scheid je pasta van het water. Je baseert je daarbij op het verschil in aggregatietoestand tussen de pasta en het water.

Scheiden is het tegenovergestelde van mengen. De methodes die we gebruiken om mengsels te scheiden in hun afzonderlijke componenten steunen op verschillen in stofeigenschappen.

We gaan dieper in op enkele scheidingstechnieken: sorteren, zeven, filtreren, decanteren, centrifugeren, indampen, destilleren en extraheren.

Uiteraard bestaan er nog meer scheidingstechnieken, die mogelijk tijdens een ander labo met je leerkracht verder aan bod komen.

THEMA 02

HOOFDSTUK 3

67


OPDRACHT 19 ONDERZOEK Voer het labo rond scheidingstechnieken uit. Je vindt het op p. 287.

A

Sorteren, zeven en filtreren

Even terug naar je prille jeugdjaren! Je hebt als kind misschien wel met

zand en water gespeeld. Zonder dat je het besefte, was je als toekomstig scheikundige mengsels aan het scheiden op het strand. Je gebruikte

IN

eenvoudige methodes die de stoffen niet veranderden.

Allereerst liet je het emmertje even staan; op die manier zonken het zand

en de schelpen naar de bodem en kon je het water al grotendeels afgieten. Je liet het zand en de schelpen dus bezinken.

De schelpjes uit het zand halen kon je met je handen. Je kon ze opzij leggen en sorteren per soort, door het verschillend uitzicht. De schelpjes waren

ook merkelijk groter dan de rest en je maakte gebruik van dat verschil in deeltjesgrootte om ze er makkelijk uit te pikken.

Maar eens je alle schelpjes eruit gehaald had, merkte je ongetwijfeld dat er

N

nog onzuiverheden in het zand zaten. Omdat het verschil in deeltjesgrootte

tussen de componenten van je mengsel nu kleiner was, was het niet meer zo eenvoudig om die kleine dingetjes met de hand van het zand te scheiden. Je

speelgoedsetje zorgde waarschijnlijk voor de oplossing: door het mengsel te

VA

zeven was je in staat om uiteindelijk zand in je emmertje te verkrijgen. Door te sorteren kun je stoffen met gelijkaardige eigenschappen

onderverdelen. Zeven is een eenvoudige techniek om een heterogeen

mengsel te scheiden. Die techniek steunt op een verschil in deeltjesgrootte tussen de twee componenten. De grotere korrels kunnen niet door de zeef, maar de kleinere component(en) wel.

©

WEETJE

68

THEMA 02

HOOFDSTUK 3

Meer weten over grote zeven in de industrie? Bekijk dan de video.

BEKIJK DE VIDEO


WEETJE In de lessen aardrijkskunde heb je

het vast al gehad over verschillende soorten bodems: kleibodems,

zandbodems, leembodems, of een combinatie daarvan. Om de

bodemsamenstelling te bepalen, maakt een bodemkundige onder

andere gebruik van een set zeven met een verschillende zeefopening. Zo zijn kleikorrels kleiner dan 2 µm, leem zit tussen 2 en 50 µm en

IN

zandkorrels zijn groter dan 50 µm.

In veel gevallen moeten we echter componenten scheiden met een nog veel kleiner verschil in deeltjesgrootte. We kiezen dan voor de techniek van

filtreren. Een goed gekozen filter heeft net de juiste structuur om de ene component, het filtraat, wel door te laten en de andere component, het

mengsel van een vaste stof en een vloeistof

©

VA

N

residu, tegen te houden.

staaf

filtreerpapier trechter residu

filtraat

Afb. 19 Filtreren

Filtreren of filtratie is een eenvoudige scheidingstechniek om een heterogeen mengsel te scheiden. Die techniek steunt op het verschil in deeltjesgrootte:

vaste korrels zijn immers groter dan vloeistof- of gasdeeltjes. De vaste korrels kunnen niet door de poriën van de filter, maar de vloeistof of het gas wel. De

vaste deeltjes die achterblijven, worden het residu genoemd. Wat door de filter gaat, is het filtraat.

THEMA 02

HOOFDSTUK 3

69


WEETJE Filtreren met mondmaskers (vl-g) Filtreren of filteren gebeurt met vaste stoffen en vloeistoffen, maar ook met gassen. Denk maar aan het dragen van mondmaskers om

vochtdeeltjes die mogelijke virussen meedragen, te

scheiden van de ingeademde lucht. Tegen het zeer besmettelijke coronavirus beschermden mensen overal ter wereld

IN

zich met een dergelijk ‘filtermasker’.

VOORFILTER Afb. 20

KOOLSTOFFILTER

HEPA-FILTER

Ook het regelmatig reinigen van bv. de filters in

N

je huis (dampkap, droogkast, ventilatiesysteem ...)

is uiteraard erg belangrijk; zo blijven de filters hun

werk doen en ongewenste deeltjes scheiden van de rest.

Meer weten over filtratie in de industrie?

VA

Bekijk dan de video.

BEKIJK DE VIDEO

Als de deeltjes in je suspensie erg fijn verdeeld zijn, merk je dat het filtreren

©

al snel moeizamer gaat: het filtreerpapier wordt bedekt met een laagje van het residu (een filterkoek). In dat geval maakt men gebruik van een büchnertrechter. Die trechter wordt aangesloten op een

waterstraalpomp, waardoor een vacuüm gecreëerd wordt in de afzuigerlenmeyer. WEETJE

Wil je weten hoe dat werkt? Bekijk dan de video.

BEKIJK DE VIDEO

70

Afb. 21 Filtreren met een büchnertrechter

THEMA 02

HOOFDSTUK 3


B

Decanteren

Tijdens een filtratie bekom je zowel de vloeistof als de vaste stof uit het

heterogene mengsel. Een variant daarop is het decanteren (of afschenken). Bij die techniek gebruik je geen filter. Door de vloeistof voorzichtig af te

gieten, worden beide fasen van elkaar gescheiden. Dat er twee (of meer)

lagen gevormd worden, die je van elkaar kunt scheiden door af te gieten, komt door het verschil in massadichtheid van de componenten.

De afzonderlijke componenten (of fasen) zullen niet even zuiver zijn als bij filtratie achteraf is nog altijd een mogelijkheid.

IN

Afb. 22 Decanteren van wijn

een filtratie, maar misschien volstaat het resultaat wel voor jou. Een extra Misschien heb je al van deze techniek gehoord bij het schenken van rode

wijn? De vaste deeltjes zinken naar de bodem en door de wijn voorzichtig te schenken (decanteren) blijven de vaste deeltjes achter in de wijnfles. Decanteren is een scheidingstechniek om een heterogeen mengsel

(vast-vloeibaar of vloeibaar-vloeibaar) te scheiden. De techniek steunt op het feit dat elke stof zijn eigen massadichtheid heeft en daardoor afzonderlijke

N

lagen zal vormen (eventueel na verloop van tijd). Die lagen kunnen, min of meer, van elkaar gescheiden worden door het afgieten van de bovenste laag.

Wanneer men twee vloeistoffen met een

©

VA

verschillende massadichtheid van elkaar wil

scheiden (in een heterogeen mengsel), maakt

men gebruik van een scheitrechter. Door tijdig het kraantje te sluiten na het doorlopen van een van de vloeistoffen van het heterogene

mengsel, kun je betere resultaten verkrijgen dan door gewoon afgieten of decanteren.

Wil je weten hoe dat werkt? Bekijk dan de video.

BEKIJK DE VIDEO

Afb. 23 Decanteren met een scheitrechter

THEMA 02

HOOFDSTUK 3

71


Centrifugeren

C

Decanteren hangt onder andere af van de handigheid van de gebruiker

(snel genoeg de kraan van de scheitrechter dichtdraaien, de fles rode wijn niet te snel uitgieten en onder de juiste hoek ...). Maar ook het geduld van

de wetenschapper wordt soms op de proef gesteld: je mengsel moet immers lang genoeg in rust blijven om voldoende scheiding van de verschillende componenten te krijgen. De zwaartekracht moet zijn werk kunnen doen.

Het is daarom soms interessant om de scheiding van de componenten te

versnellen. We helpen de zwaartekracht dan een beetje door het mengsel

IN

snelle cirkelvormige bewegingen te laten maken. Bij een slazwierder

scheiden we zo de sla van het waswater. Ook de droogkast bij je thuis gaat de inhoud van de machine zeer snel ronddraaien, zodat het linnen wordt gedroogd doordat het water uit je kleren wordt gezwierd.

Die speciale techniek om componenten te scheiden op basis van

massadichtheid noemen we centrifugeren. De deeltjes met de grootste

massadichtheid worden bij de draaibeweging tegen de buitenwand geduwd. Met speciale apparaten, centrifuges, kan men zo in een labo componenten met een gering verschil in dichtheid scheiden. Die techniek wordt onder

VA

N

andere gebruikt om bloedcellen en bloedplasma van elkaar te scheiden.

Afb. 24 Centrifugeren van bloed

plasma bloedplaatjes + witte bloedcellen rode bloedcellen

Afb. 25 De componenten van bloed na centrifuge

WEETJE

Wil je meer weten over centrifugatie in de industrie?

©

Bekijk dan de video.

BEKIJK DE VIDEO

Centrifugeren of centrifugatie is een scheidingstechniek om een heterogeen

mengsel (vast-vloeibaar of vloeibaar-vloeibaar) te scheiden in verschillende componenten (net zoals decanteren).

Ze steunt op het feit dat elke stof zijn eigen massadichtheid heeft en er daardoor afzonderlijke lagen gevormd zullen worden. Met behulp van

machines (die het effect van de zwaartekracht versterken) zullen die lagen

beter en sneller van elkaar gescheiden kunnen worden dan via decanteren alleen. 72

THEMA 02

HOOFDSTUK 3


D

Indampen

Het is mogelijk dat je door filtreren of decanteren een helder filtraat bekomt. Hoewel het lijkt alsof dat een zuivere stof is, kan dat filtraat nog steeds

andere opgeloste stoffen bevatten. Het filtraat kan immers zelf nog een

oplossing zijn (= homogeen mengsel van een vaste en vloeibare fase of twee vloeibare fasen). Als de opgeloste stof en het oplosmiddel een voldoende

groot verschil in kookpunt hebben, is dat echter geen probleem. Door op te warmen tot de temperatuur van de fase met het laagste kookpunt

(‘de meest vluchtige stof’), kun je beide fasen van elkaar scheiden.

Zo verdampt water veel sneller dan keukenzout. Door een zoutoplossing

IN

op te warmen tot 100 °C, zal enkel het water verdampen en het zout

(als kristallen) achterblijven. Op die manier kunnen oplossingen dus ook

N

gescheiden worden in de opgeloste stof en het oplosmiddel.

Afb. 26 Opwarmen van zoutoplossing

©

VA

WEETJE

De techniek van indampen wordt onder meer gebruikt voor het

scheiden van zout uit zeewater. Daardoor ontstaan de bekende zoutbanken, die je vaak ziet in de Vendée-streek aan de

Franse kust, of in Bolivia.

Wil je de indamping van zout (NaCl) zien gebeuren onder een microscoop? Bekijk dan de video.

BEKIJK DE VIDEO

Indampen is een scheidingstechniek die gebruikt wordt om een homogeen

mengsel (vast-vloeistof of vloeistof-vloeistof) te scheiden. Door het opwarmen van het mengsel en het verschil in kookpunt, verdampt de vloeistof (met het laagste kookpunt) en blijven enkel de vaste deeltjes of de vloeistof met het hogere kookpunt over.

THEMA 02

HOOFDSTUK 3

73


E

Destilleren

De techniek van indampen maakt gebruik van het verschil in kookpunt tussen de componenten om een oplossing te scheiden. De ene stof is veel vluchtiger dan de andere omdat ze een groot verschil in kookpunt hebben. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een zoutoplossing in water.

Bovendien focus je bij indampen slechts op een van beide componenten.

Bij het indampen van zoutoplossing in water, houd je alleen het zout over. Daarnaast geldt een groot verschil in kookpunt niet voor alle oplossingen.

Als de kookpunten van de componenten dichter bij elkaar liggen, maar ook

als je beide componenten later apart wilt gebruiken, gaan we onze techniek

IN

moeten verfijnen. We maken opnieuw gebruik van het verschil in kookpunt van de componenten, maar gaan nu destilleren.

Destilleren is het mengsel verhitten tot boven het kookpunt van een van de componenten, maar we blijven onder het kookpunt van de andere

component. Het component dat uit het mengsel gekookt wordt en apart OPDRACHT 20 DEMO

wordt opgevangen, wordt het destillaat genoemd.

Wijn destilleren thermometer

N

Wijn is een mengsel van vele componenten.

uitlaat koelwater

Om het niet te moeilijk te maken, houden we het nu even op een mengsel van water (druivensap) en drinkalcohol

(ethanol C2H5OH). Je leerkracht bouwt de

proefopstelling zoals op de tekening.

VA 80 °C. Dat is net boven het kookpunt van

ethanol (78 °C), maar onder het kookpunt continu gekoeld met kraantjeswater.

liebigkoeler

vigreuxkolom

De wijn wordt verwarmd tot ongeveer

van water (100 °C). De liebigkoeler wordt

klem

destilleerkolf met mengsel bunsenbrander

inlaat koelwater

erlenmeyer met destillaat

Afb. 27

Wat neem je waar?

©

Besluit

Uit de wijn verdampt enkel de alcohol, die vervolgens condenseert omdat het koude stromende water in de liebigkoeler de alcoholdampen afkoelt. De verkregen heldere vloeistof die we opnieuw opvangen, noemen we het destillaat.

Destilleren is een scheidingstechniek die gebruikt wordt om homogene

mengsels van vloeistoffen of vloeistof en vaste stof, van elkaar te scheiden. Daarbij wordt gebruikgemaakt van het verschil in kookpunt tussen de

aanwezige stoffen. Wanneer het mengsel aan de kook wordt gebracht, zal

de component met het laagste kookpunt eerst verdampen. De gassen die zo ontstaan worden door een liebigkoeler geleid, zodat ze terug condenseren. 74

THEMA 02

HOOFDSTUK 3

Zo verkrijg je het destillaat.


OPDRACHT 21

DOORDENKER

Gefractioneerde destillatie van aardolie: wat is dat precies? 1 Bekijk de video over gefractioneerde destillatie van aardolie. 2 Aardolie wordt ook wel het ‘zwarte goud’ genoemd.

BEKIJK DE VIDEO

Het is een mengsel dat bestaat uit vele componenten, die allemaal een nuttige toepassing hebben. De meeste componenten gebruiken we als brandstoffen. Na de destillatie worden verschillende

dalende dichtheid en kookpunt

chemicaliën 70 °C

3 Waarom spreken we hier van fracties?

kerosine voor vliegtuigen paraffine voor verlichting en verwarming 170 °C diesel 270 °C

ruwe olie

smeerolie, glansen boenproducten

brandstof voor schepen, industrie en centrale verwarming 600 °C

N

petroleum voor auto’s 120 °C

oplopende dichtheid en kookpunt

IN

‘fracties’ gevormd.

4 Vul de tekst aan. Schrap wat niet past.

De ruwe aardolie wordt verhit tot ongeveer 400 °C,

Afb. 28

.

VA

zodat een groot gedeelte

asfaltfractie voor wegen

De dampen stijgen op in de toren, koelen daarbij geleidelijk af en

opnieuw.

Fracties met een laag / hoog kookpunt worden al snel gasvormig en stijgen hoog in de toren op alvorens te condenseren. Fracties met een laag / hoog kookpunt condenseren al onderaan in de toren. Om de

verschillende fracties op te vangen, zijn op verschillende hoogten in de toren borrelkappen aangebracht. De bouw ervan zorgt ervoor dat opstijgende dampen door de openingen kunnen en de neerstromende vloeistof opgevangen wordt. Op verschillende plaatsen in de toren kan men dan de gewenste fracties aftappen.

Hoe lager / hoger een fractie in de toren wordt afgetapt, hoe lager het kookpunt van de verbindingen

©

is en hoe korter / langer de koolstofketens zijn. Hoe lager / hoger in de toren afgetapt, hoe hoger het kookpunt van de verbindingen is en hoe korter / langer de koolstofketens zijn.

WEETJE

Wil je meer weten over de destillatie van aardolie en het principe van gefractioneerde destillatie? Bekijk dan de video.

BEKIJK DE VIDEO

THEMA 02

HOOFDSTUK 3

75


F

Extraheren

Een andere veelgebruikte scheidingstechniek is extraheren of extractie: geur-, kleur- en smaakstoffen (het extract) kunnen worden onttrokken

(geëxtraheerd) met behulp van een oplosmiddel (het extractiemiddel) waarin ze beter oplossen. We maken gebruik van het verschil in oplosbaarheid in verschillende oplosmiddelen.

Je hebt vast en zeker al op het etiket van een yoghurt- of frisdrankverpakking of andere voedingswaren deze zin gelezen: ‘met natuurlijke extracten’.

De producent heeft dan een natuurlijke kleur-, geur- of smaakstof aan het

IN

product toegevoegd.

Maar hoe krijgt bv. Fanta die mooie oranje kleur? De producent voegt

caroteen als kleurstof toe. Caroteen is een oranje kleurstof die in veel

natuurlijke producten voorkomt, zoals in wortelen. Kunnen we dergelijke kleurstoffen dan uit die producten halen? Zeker en vast!

OPDRACHT 22

Extraheer de geur- en kleurstoffen uit een sinaasappel.

1 Neem de schil van een sinaasappel en snijd ze in stukjes in een mortier.

N

2 Voeg nog wat sap van de sinaasappel toe en stamp alles verder fijn met de vijzel. 3 Voeg nu de alcohol toe die je destilleerde uit wijn in opdracht 21. Wat neem je waar?

Door extractie met alcohol van de geur-, smaak en kleurstoffen uit de sinaasappel heb je nu een basis

VA

voor likeur gemaakt.

Ook bij het koffiezetten worden op die manier met behulp van heet water

geur, kleur en smaak uit de koffiebonen in je koffie gebracht. Je past hier dus

©

twee scheidingstechnieken tegelijkertijd toe: extractie en filtratie.

Afb. 29 Koffiezetten: extractie en filtratie

Geur-, kleur- en smaakstoffen (het extract) kunnen worden onttrokken

(geëxtraheerd) met behulp van een oplosmiddel (het extractiemiddel) waarin ze beter oplossen. We maken gebruik van het verschil in oplosbaarheid in verschillende oplosmiddelen.

` Maak oefening 8 t/m 14.

76

THEMA 02

HOOFDSTUK 3


WEETJE De techniek van extractie wordt vaak ook

gebruikt in de parfumindustrie, waarbij de geur van bloemen zoals rozen als extract

wordt toegevoegd aan het parfum. Let op! Niet alle kleurstoffen zijn van natuurlijke

oorsprong. Waar Fanta bijvoorbeeld wel met het natuurlijke caroteen wordt gekleurd, is dat voor Coca-Cola niet het geval. Cola dankt zijn zwarte kleur aan karamellisatie. De gebruikte kleurstof wordt bij

voedingsmiddelen aangegeven op het etiket met een zogenaamde

E-code. Op het etiket van een fles Fanta zul je zo E160a terugvinden,

IN

de code voor caroteen.

Je hebt nu meerdere scheidingstechnieken leren kennen en misschien zelfs enkele technieken uitgeprobeerd. De componenten werden gescheiden op

basis van verschillende stofeigenschappen maar de componenten zelf bleven onveranderd. We maakten gebruik van verschillen in fysische eigenschappen OPDRACHT 23

Herhaal even. 1 Vul de tekst aan.

N

van de stoffen en spreken over fysische scheidingstechnieken.

Een eerste scheidingstechniek die we zagen, was zeven. Die techniek is gebaseerd op een verschil

VA

in            . Een voorbeeld is schelpjes en zand scheiden. Een tweede

scheidingstechniek, ook gebaseerd op het verschil in            , is           .

Zo kun je bijvoorbeeld kalk uit kalkwater halen met behulp van           .

Daarnaast is er ook           , gebaseerd op een verschil in massadichtheid.

Op die manier kun je olie van water scheiden. Indampen steunt dan weer op het verschil in

, waardoor je bijvoorbeeld zout uit zeewater haalt. Het water zelf

verdampt uiteraard. Wil je toch beide componenten behouden, dan maak je gebruik van de scheidingstechniek           . Op die manier kun je

©

Ten slotte weet je nu ook wat           met behulp van een

het verschil in

2

uit wijn halen.

is: het onttrekken van geur-, kleur- en smaakstoffen

waarin ze goed oplossen. Die techniek steunt dus op in verschillende oplosmiddelen.

Zo kun je bijvoorbeeld olie uit pindanoten halen, vetten uit chips of de lekkere geur uit bloemen.

Welke scheidingstechniek kun je gebruiken voor welk soort mengsel en hoe doen ze dat in de industrie?

Ontdek het via de ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal.

THEMA 02

HOOFDSTUK 3

77


G

Andere scheidingstechnieken

Uiteraard zijn er nog veel meer scheidingstechnieken. Zo is er adsorptie. Met die techniek kunnen bv. de blauwe inktmoleculen uit water gehaald

worden, doordat ze beter hechten aan de actieve kool (het adsorptiemiddel) dan watermoleculen. Bij die scheidingstechniek maken we gebruik van het verschil in hechting aan een oppervlak.

WEETJE Gasmaskers bestaan al sinds het einde van de negentiende eeuw.

IN

Ze sturen de ingeademde lucht eerst door een filter met actieve koolstof, die de giftige stoffen adsorbeert. Tijdens de Eerste

Wereldoorlog gebruikten het Duitse leger en de geallieerden

mosterdgas, een giftig chloorgas dat door verontreinigingen in het

mengsel de kleur en geur van mosterd kreeg. Dat gas was ook bekend onder de naam yperiet (naar de stad Ieper). Gasmaskers redden toen de levens van duizenden soldaten.

N

moleculen

VA

actieve koolstof

Let op! Verwar de termen adsorptie en absorptie niet met elkaar. Absorptie is het opnemen van een stof in een andere stof. Zo kun je gemorst water

©

opkuisen met een spons. De spons kan heel wat water absorberen.

adsorptie Afb. 30

absorptie

We vermelden ook nog chromatografie, waarbij we ons baseren op het

verschil in adsorptiesnelheid van componenten van een adsorptiemiddel enerzijds en anderzijds het verschil in oplosbaarheid in het oplosmiddel. Chromatografie wordt heel vaak toegepast in de industrie. De douane

en politie kan met de techniek drugs zoals cocaïne en heroïne opsporen.

Voedingsanalisten kunnen met die techniek dan weer de samenstelling van 78

THEMA 02

HOOFDSTUK 3

voedingswaren analyseren.


3.2 Scheidingsschema’s

Je hebt nu kennisgemaakt met enkele belangrijke scheidingstechnieken.

In de industrie, maar ook in het dagelijkse leven, worden vaak meerdere

OPDRACHT 24

IN

scheidingstechnieken tegelijkertijd of na elkaar uitgevoerd.

Scheid het mengsel olie – water – krijt met behulp van een scheidingsschema. 1 Beantwoord de vragen.

a Welk soort mengsel ontstaat als je olie, water en krijt bij elkaar voegt en roert?

N

b Wat gebeurt er met het krijt?

c Wat gebeurt er met het water en de olie?

d Welke scheidingstechniek zou je (op school) toepassen om de volgende mengsels te scheiden: • olie en water:

VA

• krijt en water:

©

2 Stel het scheidingsschema op.

OPDRACHT 25 ONDERZOEK We proberen eerst theoretisch een scheidingsschema op te stellen, waarna we het schema uittesten in een

labo. Je kunt kiezen uit deze scheidingstechnieken: zeven – filtreren – decanteren – indampen – destilleren. Voer het labo rond scheidingsschema uit. Je vindt het op p 291.

THEMA 02

HOOFDSTUK 3

79


HOOFDSTUKSYNTHESE

Maak een mindmap over dit hoofdstuk. Om je op weg te helpen, noteerden we alvast het basisbegrip uit dit thema: scheidingstechniek.

IN

Probeer nu zelf een mindmap rond dat begrip te maken.

©

VA

N

Scheidingstechniek

80

THEMA 02

SYNTHESE HOOFDSTUK 3


THEMASYNTHESE

ZUIVERE STOFFEN EN MENGSELS Kernbegrippen

Notities

Kernvragen

HOOFDSTUK 1: Hoe onderscheiden we stoffen van elkaar?

Soorten stofeigenschappen:

Eigenschappen, die specifiek zijn voor een stof en waarmee je stoffen van elkaar kunt onderscheiden, noemt men stofeigenschappen.

- massadichtheid: geeft de verhouding weer tussen de massa van een stof

en het volume dat die stof inneemt bij een bepaalde temperatuur.

IN

- massadichtheid

Als gevolg van een verschil in massadichtheid zal één stof gaan bovendrijven.

- kookpunt

- kookpunt van een vloeistof: de temperatuur waarbij een vloeistof

- smeltpunt

- smeltpunt van een vaste stof: de temperatuur waarbij de stof overgaat

- geleidbaarheid

- (elektrische) geleidbaarheid: de mogelijkheid van stoffen om, in

van de vaste fase naar de vloeibare fase

N

gesmolten of opgeloste toestand, de elektrische stroom te geleiden.

- thermische geleidbaarheid: de mogelijkheid van stoffen om warmte te transporteren

- oplosbaarheid: je kijkt of de stof al dan niet oplost in water. Water dient dan als oplosmiddel en de stof die je oplost wordt de opgeloste stof

VA

- oplosbaarheid

overgaat van de vloeibare fase naar de gasvormige fase

genoemd. Samen vormen ze dan een oplossing.

HOOFDSTUK 2: Is het een zuivere stof of een mengsel?

(zuivere) stof

©

mengsel van zuivere stoffen

homogene mengsels

heterogene mengsels

- Een zuivere stof wordt gekenmerkt door welbepaalde waarden voor een

hele reeks stofeigenschappen (smeltpunt, kookpunt, massadichtheid …).

Die waarden zijn constant en karakteristiek (typisch voor de stof).

- Een mengsel van stoffen bevat meerdere stoffen. Als we naar kookpunt enz. kijken, zijn de waarden voor die grootheden afhankelijk van de samenstelling van het mengsel.

- Homogene mengsels = mengsels waarin je de verschillende componenten met het blote oog niet meer van elkaar kunt onderscheiden (oplossingen).

- Heterogene mengsels = mengsels waarin je ten minste een van de componenten kunt onderscheiden

THEMA 02

THEMASYNTHESE

81


THEMASYNTHESE

heterogene mengsels

Op basis van de aggregatietoestand van de twee componenten krijgen sommige heterogene mengsels nog een specifieke naam: vast in gasfase = rook

- rook

vloeistof in gasfase = nevel

- nevel

gas in vloeistoffase = schuim

- schuim

vast in vloeistoffase = suspensie

- suspensie

vloeistof in vloeistoffase = emulsie

- emulsie

Vast of vloeistof in gasfase = aerosol (bv. rook, nevel)

aerosol

op basis van: - verschil in deeltjesgrootte

Zeven

IN

HOOFDSTUK 3: Hoe kunnen we een mengsel van stoffen scheiden?

Scheidingstechnieken

De grotere korrels kunnen niet door de zeef, maar de kleinere

Filteren, filtratie

component(en) wel.

Gebruikt voor: heterogene mengsels (v + v, v + vl)

Vaste korrels zijn groter dan vloeistof- of gasdeeltjes. De vaste korrels

kunnen niet door de poriën van de filter, maar de vloeistof of het gas wel.

N

De vaste deeltjes die achterblijven, worden het residu genoemd. Wat door de filter gaat, is het filtraat.

- verschil in massadichtheid

Decanteren

Elke stof heeft zijn eigen massadichtheid, waardoor zich afzonderlijke

VA

Gebruikt voor: heterogene mengsels (v + vl, vl + g, v + g)

lagen zullen vormen (eventueel na verloop van tijd). Die lagen kunnen, min of meer, van elkaar gescheiden worden door het afgieten van de bovenste laag.

Gebruikt voor: heterogene mengsels (v + vl, vl + vl) Centrifugeren

Met behulp van machines (die het effect van de zwaartekracht versterken) zullen die lagen beter van elkaar gescheiden kunnen worden dan via

©

decanteren.

- verschil in kookpunt

Gebruikt voor: heterogene mengsels (v + vl, vl + vl) Indampen

Door het opwarmen van het mengsel en het verschil in kookpunt, verdampt de vloeistof en blijven enkel de vaste deeltjes (of de vloeistof met het hogere kookpunt) over.

Gebruikt voor: homogene mengsels (v + vl, vl + vl) Destilleren

Wanneer het mengsel aan de kook wordt gebracht, zal de component met

het laagste kookpunt eerst verdampen. De gassen die zo ontstaan worden door een liebigkoeler geleid, zodat ze terug condenseren. Zo verkrijg je

een destillaat. In tegenstelling tot indampen, worden beide componenten behouden. 82

THEMA 02

THEMASYNTHESE

Gebruikt voor: homogene mengsels (v + vl, vl + vl)


THEMASYNTHESE

- verschil in oplosbaarheid

Extraheren Geur-, kleur- en/of smaakstoffen kunnen onttrokken worden aan een stof omdat ze beter oplossen in een ander oplosmiddel. Gebruikt voor: homogene mengsels (v + vl, vl + vl)

BEKIJK KENNISCLIP

VA

N

IN

Mijn samenvatting

©

THEMA 02

THEMASYNTHESE

83


CHECKLIST

JA

NOG OEFENEN

1 Begripskennis Ik kan de volgende begrippen uitleggen: • aerosol

• centrifugeren • decanteren • destilleren • emulsie

• extraheren • filtreren

IN

• heterogeen mengsel • homogeen mengsel • indampen • kookpunt

• massadichtheid • nevel

• oplossing • rook

• schuim

• smeltpunt • stof

• stofeigenschap

• suspensie • voorwerp • zeven

VA

• zuivere stof

N

• scheidingstechniek

2 Onderzoeksvaardigheden

• Ik kan stoffen onderscheiden op basis van stofeigenschappen.

• Ik kan zuivere stoffen onderscheiden van mengsels op basis van het aantal soorten deeltjes.

• Ik kan typische voorbeelden van homogene en heterogene mengsels herkennen en benoemen als oplossing, emulsie of suspensie.

• Ik kan specifieke soorten mengsels benoemen zoals rook, nevel, schuim, aerosol ...

• Ik kan voor een mengsel een geschikte scheidingstechniek voorstellen.

• Ik kan voor de geschikte scheidingstechniek verklaren op welke eigenschap de

©

scheiding gebaseerd is.

• Ik kan een scheidingsschema voorstellen voor een mengsel.

` Je kunt deze checklist ook op

84

THEMA 02

CHECKLIST

invullen bij je Portfolio.


CHECK IT OUT

Kun jij ook toveren? Je maakte tijdens de CHECK IN een mengsel van kiezelsteentjes, zout en water. Je hebt toen weliswaar niet echt getoverd, maar wel gebruikgemaakt van chemische mengsels en scheidingstechnieken.

1 Benoem de mengsels. Schrap wat niet past. • Het mengsel kiezelsteentjes-zout is een homogeen / heterogeen mengsel.

• Het mengsel kiezelsteentjes-water is een homogeen/ heterogeen mengsel. We noemen dat ook een oplossing.

IN

• Het mengsel zout-water is een homogeen/ heterogeen mengsel.

2 Bovendien ben je nu ook in staat om dit mengsel te scheiden in zijn

afzonderlijke (zuivere) stoffen volgens het juiste scheidingsschema.

Vul het scheidingsschema verder aan. Misschien vind je meer dan een oplossing?

KIEZELSTENEN + ZOUT + WATER Op basis van:

N

Scheidingstechniek:

VA

Op basis van:

Scheidingstechniek:

!

©

Er zijn homogene en heterogene mengsels.

We gebruiken verschillende scheidingstechnieken om de stoffen terug van elkaar te scheiden: zeven, filtreren, decanteren, centrifugeren, indampen, extraheren en destilleren.

THEMA 02

CHECK IT OUT

85


AAN DE SLAG

1

In de tabel vind je in elk vak twee stoffen. Geef voor elk duo: • een stofeigenschap die ze gemeenschappelijk hebben;

• een stofeigenschap die verschillend is voor beide stoffen. glas en diamant

goud en koper

- gemeenschappelijk:

- gemeenschappelijk:

- verschillend:

- verschillend:

bloemsuiker en kristalsuiker

water en ether

- gemeenschappelijk:

- verschillend:

2

3

- verschillend:

a Het voorwerp zinkt in water. b Het voorwerp is 12 cm lang.

c De massa van het voorwerp is 150 g. d Het voorwerp geleidt de stroom. Beantwoord nu de vragen.

1 Welke gegevens bieden geen nuttige informatie als je wilt weten uit welke stof het voorwerp is vervaardigd?

2 Welke gegevens zijn stofeigenschappen?

3 Welke belangrijke stofeigenschap zouden we kunnen afleiden als we in plaats van de lengte van het

voorwerp het volume hadden bepaald?

Gaat het hier om mengsels of zuivere stoffen? a brons:

©

c zandstorm:

d zuurstofgas:

e gefilterd zeewater:

f gedestilleerd water:

g Zn + water:

THEMA 02

en stelt de volgende eigenschappen vast:

b goud:

86

- gemeenschappelijk:

Stel: je hebt een voorwerp dat gemaakt is van een voor jou onbekende stof. Je onderzoekt het voorwerp

VA

N

IN

AAN DE SLAG


4

Bekijk de voorstellingen van stoffen of mengsels. Omcirkel het juiste antwoord.

1-2-3-4

b Welke voorstelling stelt een heterogeen mengsel voor?

1-2-3-4

c Welke voorstelling stelt een zuivere stof voor?

1-2-3-4

d Welke overgang stelt het oplossen van zout in water voor? 3 + 4  1

3 + 4  1

3+42

Koppel het juiste mengsel aan de juiste naam. Vul de tabel aan. A

B

VA

5

3+42

e Welke overgang stelt het mengen van zand in water voor?

4

a Welke voorstelling stelt een homogeen mengsel voor?

3

N

2

IN

1

antibioticumoplossing: het antibioticumpoeder wordt gemengd met het water

©

C

een bronzen beeld: een mengsel van tin en koper

nevel

legering schuim

suspensie

zeepbellen: lucht gevangen in zeepoplossing D

de stoom die ontstaat in een sauna als je water over hete stenen giet

THEMA 02

AAN DE SLAG

87


6

Schrap in de tabel wat niet past en vul aan. Mengsel

homogeen

1

vast

heterogeen

graffitispray: vloeibare

verfdeeltjes in gas onder druk 2

heterogeen

gas

vast

vloeistof gas

homogeen

heterogeen

vast

vloeistof gas

VA

3

vloeistof

een glas wijn: de

combinatie van water en drankalcohol

7

Omcirkel de vreemde eend in de bijt en verklaar bondig. • geldmunt – zilver – halsketting – oorring – bankbiljet

©

• kwik – schroef – goud – koolstof – zink

• volume – massa – vorm – kookpunt – grootte

88

THEMA 02

AAN DE SLAG

vast

vloeistof gas

vast

vloeistof gas

N

schuimkraag op een frisse pint bier

homogeen

Aggregatietoestand verdeelde stof

Aggregatietoestand overheersende stof

Homogeen of heterogeen?

Specifieke naam

IN

vast

vloeistof gas


• geleidbaarheid – kookpunt – aggregatietoestand – massadichtheid – massa

• zout – zink – zuurstofgas – brons – heliumgas

• CO2- gas in water – leidingwater – modder – wijn – gedestilleerd water

IN

• suikerwater – soep – sangria – champagne – vinaigrette

• zoutwater – water en alcohol – brons – lucht – mayonaise

8

Op welke stofeigenschap steunen de volgende scheidingstechnieken? a destillatie: b filtratie:

VA

9

N

Noteer een gepaste scheidingstechniek om de bestanddelen van deze mengsels te isoleren. a olie en azijn:

b bezinksel in wijn:

c goudklompje en zand:

©

d bier (alcohol en water):

THEMA 02

AAN DE SLAG

89


In het schema zie je verschillende soorten mengsels. Geef voor elk mengsel één voorbeeld.

Geef daarnaast ook weer met welke algemene scheidingsmethode de afzonderlijke componenten bekomen kunnen worden.

Vermeld in de laatste kolom aan de hand van welk kenmerk die scheiding gebeurt. Type mengsel

heterogeen homogeen homogeen vloeibaar-vloeibaar

Met welke scheidingsmethodes kunnen homogene en heterogene mengsels gescheiden worden?

Plaats telkens een kruisje in de juiste kolom. Scheidingsmethode

Markeer de juiste scheidingstechniek.

Welke techniek gebruik je om de volgende mengsels te scheiden? Kies telkens voor de meest eenvoudige

VA

techniek.

Mengsel

Scheidingstechniek (markeer)

Een mengsel van stof A (smeltpunt –10 °C; kookpunt 80 °C)

zeven – filtreren –

Een oplossing van kopersulfaat (smeltpunt: 200 °C; kookpunt: 650 °C)

zeven – filtreren –

en stof B (smeltpunt 420 °C; kookpunt 1 280 °C).

Stof B is goed oplosbaar in stof A. Je wilt stof B verder onderzoeken. in ethanol (smeltpunt: –117 °C ; kookpunt 78 °C). Beide vloeistoffen heb je nodig voor verder onderzoek.

Een mengsel van looddichloride (smeltpunt: 501 °C; kookpunt: 950 °C)

©

en water. Looddichloride lost niet op in water.

decanteren – centrifugeren – indampen – destilleren

decanteren – centrifugeren – indampen – destilleren zeven – filtreren –

decanteren – centrifugeren – indampen – destilleren

13

Met welke methodes zijn de volgende mengsels te scheiden in hun bestanddelen?

a filtratie:

90

Heterogeen

N

destillatie

Soort mengsel

Homogeen

filtratie

Steunt op verschil in …

vast-vloeibaar

12

Scheidingsmethode

vast-vloeibaar

11

Voorbeeld

IN

10

THEMA 02

azijn en water – jenever – kleideeltjes die zweven in water – zand en water

b destillatie:

AAN DE SLAG


14

Stel een logisch scheidingsschema op voor deze heterogene mengsels, zodat je de samenstellende

a een mengsel van water, zand, benzine en zout

IN

gebruikt het kenmerk (bv. deeltjesgrootte) dat gebruikt wordt om de bestanddelen te scheiden.

b een mengsel van water, een witte vaste stof en een groene vaste stof (geen van beide stoffen lost op in water en enkel de witte stof lost op in olie)

N

©

VA

componenten overhoudt. Water moet je bekomen als een vloeistof! Vermeld bij elke techniek die je

` Verder oefenen? Ga naar

.

THEMA 02

AAN DE SLAG

91


Notities

VA

N

IN

©

92

THEMA 02


VERDERE STUDIE VAN EEN CHEMISCHE STOF

THEMA 03

CHECK IN

94

VERKEN

95

` HOOFDSTUK 1: Hoe kunnen we een chemische stof 96

IN

voorstellen?

1.1 Namen en symbolen van elementen 1.2 Symbolische voorstelling van een chemische stof 1.3 Bolstaaf- en bolschilmodellen van een chemische stof

96 99 102

` HOOFDSTUK 2: Kunnen we zuivere stoffen nog

verder indelen?

105

` HOOFDSTUK 3: Welke naam krijgen de enkelvoudige

N

stoffen?

VA

3.1 Onderverdeling binnen de enkelvoudige stoffen 3.2 Niet-metalen 3.3 Metalen

109 109 110 115

THEMASYNTHESE

116

CHECKLIST

118

PORTFOLIO

CHECK IT OUT

119

AAN DE SLAG

120

©

OEFEN OP DIDDIT

93


CHECK IN

Klein detail, groot verschil. H2O of H2O2? Vraag zeker niet naar H2O2 als je dorst hebt bij de tandarts. H2O2 wordt wel

eens zuurstofwater genoemd, maar die bijnaam is misleidend. Zo zal je

tandarts jou water (H2O) geven om je mond te spoelen, terwijl zuurstofwater

CO of CO2?

IN

(H2O2) wordt gebruikt om je tanden mooi wit te maken (‘bleachen’).

Dat bleekmiddel kun je beter niet inslikken!

Je hebt misschien al gehoord over koolstofmonoxidevergiftiging. De weerman waarschuwt er regelmatig voor in de winter. Als

koolstof (element C in hout, aardgas …) verbrand wordt, ontstaat er koolstofdioxide (CO2), tenminste als er voldoende zuurstof

(O2) beschikbaar is voor de reactie. Als dat niet zo is, ontstaat er

N

koolstofmonoxide (CO). Koolstofmonoxide is een giftig, geurloos gas. Die ene O extra in de formule maakt dus een groot verschil!

Iets verbranden moet dus altijd in een goed geventileerde ruimte

waar voldoende zuurstof aanwezig is. Een slecht afgestelde boiler in een kleine ruimte zoals een badkamer heeft al tot veel noodlottige

VA

gevolgen geleid.

O2 of O3?

Zuurstofgas (O2) ken je vast en zeker. We ademen zuurstof in om vervolgens onder andere koolstofdioxide (CO2) uit te ademen. O3 (ozon) inademen is

dan weer een slecht idee! Dat gas is erg schadelijk voor de gezondheid. Aan de andere kant beschermt ozon ons in de hogere atmosfeer wel tegen de

©

schadelijke uv-straling van de zon.

?

Wetenschappers proberen al eeuwen verschijnselen in de natuur te verklaren. Daarvoor is het belangrijk om de samenstelling van stoffen te kennen. Elke stof krijgt daarom een unieke formule en accuraatheid is daarbij erg belangrijk. ` Hoe noteert een chemicus een stof? ` Welke informatie wordt in de formule van een chemische stof weergegeven? We zoeken het uit!

94

THEMA 03

CHECK IN


VERKEN

Hoe noteren we een zuivere stof? OPDRACHT 1

Bekijk enkele voorstellingen van zuivere stoffen en mengsels in de tabel.

mengsel zuivere stof

mengsel zuivere stof

IN

1 Kruis bij elke voorstelling aan of het gaat om een zuivere stof of om een mengsel.

mengsel zuivere stof

mengsel zuivere stof

2 Leg in je eigen woorden het verschil uit tussen een zuivere stof en een mengsel.

N

OPDRACHT 2

Een chemicus geeft een (zuivere) stof weer met een formule. Beantwoord de vragen.

1 Elke formule bevat verschillende symbolen. Vul in de laatste kolom de volledige naam in die bij het symbool

VA

hoort.

Stof

Formule

water

H2O

koolstofdioxide

CO2

Symbool element

Naam element

H

C

O O

©

2 In de formule van een stof vind je soms een getal in subscript. Bijvoorbeeld "2" in CO2. a Wat geeft dat getal volgens jou weer? Verklaar.

b Soms staat er geen getal, bijvoorbeeld bij C in CO2. Wat valt je op in de formule?

THEMA 03

VERKEN

95


HOOFDSTUK 1

Hoe kunnen we een chemische stof voorstellen? Je kunt al:

IN

LEERDOELEN

L zuivere stoffen en mengsels van elkaar onderscheiden. Je leert nu:

L de namen en symbolen van de elementen;

Misschien ben je onder de indruk van de

L de symbolische voorstelling van een chemische stof schrijven en interpreteren;

L wat een index en een coëfficiënt zijn;

voorstelling van de stof die hier staat?

Het is een voorstelling van azijnzuur, het

zuur dat opgelost in water azijn genoemd

L een bolstaaf- en bolschilmodel herkennen en

wordt. Zoals je merkt komen er in de

voorstelling verschillende bolletjes en

N

interpreteren.

kleuren voor. We zoeken uit waarom!

VA

1.1 Namen en symbolen van elementen

We maken een onderscheid tussen een element en een atoom. Een element is een type of een atoomsoort. Een atoom is een deeltje van dat type. Een element is dus een verzamelnaam voor alle atomen van dezelfde soort.

Stoffen kunnen uit verschillende atoomsoorten of elementen bestaan. Om

©

die te onderscheiden hebben we duidelijke afspraken nodig.

Elk bolletje in de voorstelling van bv. koolstofdioxide (afb. 31) wordt in de formule (CO2) weergegeven door een symbool dat identiek is in de hele

wereld. Zo wordt het gas dat we uitademen over de hele wereld voorgesteld als CO2 (koolstofdioxide).

Afb. 31 Voorstelling koolstofdioxide (CO2)

96

THEMA 03

HOOFDSTUK 1


IIIa

IVa

Va

VIa

13

14

15

16

OPDRACHT 3

Vergelijk de webpagina’s.

VIIa 0/VIIIa 17

18 2

Periodiek systeem van de elementen

He

1 Bekijk deze webpagina’s voor ‘koolstof’ in het Nederlands, Italiaans en Fins. helium

Koolstof/ Carbonium

B

C

IIb 12

1,6

nk

gallium

,38

69,72 1,7

dmium

2

Cn

arseen

seleen

1,8

Sn

Sb

81

1,8

82

1,9

Ar

Cl-

chloor

argon

39,95

35,45 35

2,4

2,8

Br

diamante

121,8 1,8

Pb

83

Bi

52

36

Kr

grafite

Afb. 33 Pagina in het Italiaans

broom

1,2

lood

83,80

53

2,5

54

Xe

I

1,9

84

xenon

jood

telluur

127,6

131,3

126,9

2,0

85

2,2

86

Po

Rn

At

volgens de taal, maar is meestal afgeleid van de oorspronkelijke Latijnse

bismut

8,9

Bk

rkelium

benaming.

polonium

radon

astaat

209,0

(209)

(210)

(222)

113

114

115

116

117

118

ununpentium

ununhexium

C Uuo Uut Uuq Uup Uuh Uus

66

(1,2)

Dy

ununquadium

(289)

67

1,2

Ho

dysprosium

holmium

(288)

68

Er

erbium

162,5

164,9

167,3

98

99

100

Cf

Es

Fm

californium

(251)

einsteinium

(252)

fermium

(257)

Yleinen Nimi: hiili Tunnus: C Järjestysluku: 6 Luokka: epämetalli Lohko: p Jakso: 2 Ryhmä: 14 Kovuus: 0,5 (grafiitti), 10,0 (timantti) Väri: musta (grafiitti), väritön (timantti)

symbolen zijn in alle talen hetzelfde. De naam van het element verschilt

207,2

ununtrium

grafiitti

Elk element (of elke atoomsoort) heeft een naam en een symbool. Die

204,4

(284)

timantti

Afb. 34 Pagina in het Fins

krypton

79,90

2,1

Te

antimoon

tin

118,7

thallium

rbium

47)

Ne

Nome: carbonio Symbolo: C Carbonio Numero: 6 fluor neon Serie: non metalli 20,18 19,00 Durezza: 0,5 (grafite), 10 (diamante) 17 p 3,0 18 Blocco: Serie: non metalli Colore: /

78,96

51

©

Tb

germanium

50

Tl-

pernicium

85)

Se

10

VA

0,6

As 74,92

4,0

2 Wat valt je op als je de drie pagina’s vergelijkt?

1,7

indium

1,9

Ge 72,64

2,5

S

Afb. 32 Pagina in het Nederlands

114,8

2,4

wik

1,6

In

Cd

Hg

49

16,00

P

9 Generale

F

zuurstof

14,01

Si

aluminium

Ga

3,5

2,1 1,8 14 15 16 Algemeen Naam: koolstof / carbonium Symbool: C Atoomnummer: 6 silicium koolstofgroep fosfor zwavel Groep: 28,09 30,972 32,07 Periode: periode Blok: 1,8 2,0 32 p-blok 33 34 Reeks: niet-metaal Kleur: kleurloos of zwart

1,5

26,98

Zn

8

O

stikstof

12,01

Al31

3,0

N

koolstof

boor

10,81 13

2,5 7

IN

6

2,0

Hiili

N

5

4,00 Carbonio

1,2

ununseptium

(292) Nederlands ?

69

Frans 1,2

Engels

70

Tm Yb Duits

Spaans

thulium

168,9 Latijn 101

carbon 1,1 71

ytterbium

173,0

ununoctium

? koolstof

1,2

carbon

Lu

kohlenstoff carbono

lutetium

175,0 carbonium

Lr

Dat uniforme gebruik van dezelfde mendelevium nobelium lawrencium

Nederlands

chloor

Duits

chlor

Frans

Engels

Spaans Latijn

102 103 Afb. 35 De naam voor het element koolstof (C) in verschillende talen

Md No

Cl chlore

chlorine cloro

chlorum

Afb. 36 De naam voor het element chloor (Cl) in verschillende talen

symbolen maakt het uitwisselen van

(258)informatie (259) makkelijker.(262) De verschillende symbolen vind je trouwens terug in

het Periodiek Systeem van de Elementen (PSE).

De tabel op p. 98 bevat de voor ons belangrijkste elementen en hun

symbolen. Voor een goed begrip van de rest van de leerstof chemie is het

belangrijk dat je de namen en symbolische voorstelling van deze elementen onthoudt en kunt toepassen.

THEMA 03

HOOFDSTUK 1

97


Symbool H

Naam waterstof

He

helium

Li

lithium

Be

beryllium

B

boor

C

koolstof

N

stikstof

O

zuurstof

fluor

Si

P

S

Cl

Ar

K

Ca

Fe

Cu

Naam silicium

fosfor

zwavel

chloor

argon

kalium

calcium

ijzer

koper

Symbool Hg

Naam kwik

Pb

lood

Co

cobalt

I

jood

Ni

nikkel

Pt

platina

Cd

cadmium

U

uraan

Sn

tin

IN

F

Symbool

Ne

neon

Na

natrium

Mg

magnesium

Al

aluminium

` Maak oefening 1.

Zn

Br

Ag

Au

zink

broom

zilver

goud

Cr

chroom

Mn

mangaan

As

arseen

Ba

barium

Je ziet dat:

N

• sommige elementen één hoofdletter als symbool hebben;

• sommige elementen twee letters als symbool hebben, bestaande uit een hoofdletter gevolgd door een kleine letter. WEETJE

VA

Sommige elementen zijn genoemd naar een land (polonium, francium), een stad (dubnium: Dubna in Rusland; strontium: Strontian in Schotland), een wetenschapper (einsteinium: Albert Einstein; curium: Marie Curie), Romeinse goden

(neptunium, plutonium) of een eigenschap (broom: Gr. bromos = stank; chloor: Gr. chloros = groen).

©

Meer weten? Bekijk het overzicht via de QR-code.

98

THEMA 03

HOOFDSTUK 1

NAAMGEVING ELEMENTEN

• Een element is synoniem voor een atoomsoort. Het is de verzamelnaam voor alle atomen die dezelfde chemische eigenschappen hebben.

• Een atoom is het kleinste deeltje van een element dat nog steeds alle eigenschappen van het element heeft.

• Elk element heeft een naam en symbool.


1.2 Symbolische voorstelling van een chemische stof

Wanneer we een chemische stof weergeven, gebruiken we een opeenvolging van de symbolen van de elementen. Zo een voorstelling noemen we een formule.

In de fotosynthesereactie zie je vier formules.

IN

Je herkent hier onder andere de formule van water (H2O) en glucose (C6H12O6).

C6H12O6 + 6 O2

©

VA

N

6 CO2 + 6 H2O

De formule van water (H2O) geeft weer dat één waterdeeltje bestaat uit 2

waterstofatomen en 1 zuurstofatoom. Twee atomen waterstof en 1 atoom zuurstof binden tot 1 verbinding: de stof (of molecule) water.

Afb. 37 Voorstelling water (H2O)

THEMA 03

HOOFDSTUK 1

99


Het aantal van elk atoom binnen één deeltje wordt aangegeven door een index:

• 2 bij H;

• 1 bij O, maar die 1 moeten we niet als index in de formule noteren.

Een index wordt altijd rechts onder het symbool van het atoom vermeld.

H2O(1)

IN

Een deeltje water bevat 2 waterstofatomen en 1 zuurstofatoom.

C6H12O6

Een deeltje glucose bevat 6 koolstofatomen, 12 waterstofatomen en 6 zuurstofatomen.

WEETJE

Wanneer de index na een groep van atomen staat, omringd door

N

haakjes, dan wijst de index naar het geheel. Dat zie je hier bv. bij calciumhydroxide:

Ca(OH)2

VA

Dit deeltje bevat 1 x het element calcium, 2 x het element waterstof en 2 x het element zuurstof.

In de fotosynthesereactie zien we ook andere cijfers verschijnen: de coëfficiënt of het voorgetal.

©

6 CO2 + 6 H2O → C6H12O6 + 6 O2

Dat cijfer wordt vermeld voor een formule en geeft het aantal deeltjes van die stof weer.

6 CO2

Zes deeltjes koolstofdioxide bevatten elk 1 koolstofatoom en 2 zuurstofatomen.

Opgelet: CO2 is de formule van koolstofdioxide. Een coëfficiënt, hier het getal 6, is geen onderdeel van de formule. Het geeft enkel aan hoeveel deeltjes

100

THEMA 03

HOOFDSTUK 1

van de stof reageren.


Laten we nu de fotosynthesereactie uit ons voorbeeld eens opnieuw bekijken.

6 CO2 + 6 H2O → C6H12O6 + 6 O2 index

coëfficiënt formule

Let op: het cijfer 1 wordt zowel bij de index als de coëfficiënt niet

IN

weergegeven.

Een formule geeft de samenstelling van een stof weer. Het bevat deze onderdelen:

• het symbool van elke aanwezige atoomsoort of element;

• de index: geeft het aantal atomen van elke soort weer en wordt rechts onder het symbool vermeld.

Een coëfficiënt geeft aan hoeveel deeltjes er aan de reactie deelnemen.

N

Voorbeeld: 3 O2: 3 deeltjes zuurstofgas

met telkens 2 zuurstofatomen

VA

` Maak oefening 2 en 3.

OPDRACHT 4

Bekijk de tabel. In de eerste kolom vind je de coëfficiënten en indexen van een stof. Vul de tabel verder aan.

Coëfficiënten en indexen van de stof

Aantal deeltjes

©

3 C6H12O6

4 NH3

3

Aantal atomen van elk element

THEMA 03

HOOFDSTUK 1

101


OPDRACHT 5

DOORDENKER

Bekijk de tabel. Vul aan. Coëfficiënten en indexen van de stof

Aantal deeltjes

2 Ca3(PO4)2

IN

Al(NO3)3

Aantal deeltjes van elk element

1.3 Bolstaaf- en bolschilmodellen van een chemische stof

N

Je ziet hier twee mogelijke modellen om een deeltje water (H2O) voor te stellen: links het bolstaafmodel en rechts het bolschilmodel.

VA

O

H

H

H

Afb. 38 Bolstaafmodel van water

O H

Afb. 39 Bolschilmodel van water

• In het bolstaafmodel worden de bindingen visueel via een staafje weergegeven.

©

• In het bolschilmodel worden de bindingen niet visueel weergegeven.

102

THEMA 03

HOOFDSTUK 1

Je merkt dat in beide modellen de waterstofatomen (H) wit zijn en het

zuurstofatoom (O) rood is. De witte en rode kleur voor de waterstof- en

zuurstofatomen is geen vrije keuze. Bolvoorstellingen worden overal ter wereld op dezelfde manier weergegeven.


WEETJE Elk element heeft zijn eigen kleurcode. De meest voorkomende vind je hier. Element

koolstof (C)

zuurstof (O)

Element

wit

stikstof (N)

donkerblauw

rood

broom (Br)

roodbruin

fluor (F)

lichtblauw

zwart (grijs)

jood (I)

zwavel (S)

chloor (Cl)

paars

fosfor (P)

geel

OPDRACHT 6

Bekijk de bolstaaf- en bolschilmodellen.

Bolstaafmodel of bolschilmodel

Formule

bolstaafmodel bolschilmodel

VA

1

koolstofdioxide

groen

oranje

N

Vul de tabel verder aan. Model

Kleurcode

IN

waterstof (H)

Kleurcode

Aantal atomen per element

O: 2

CO2

C: 1

2

chloroform

bolstaafmodel bolschilmodel

©

3

ammoniak

bolstaafmodel bolschilmodel

4

zwaveltrioxide

bolstaafmodel bolschilmodel

THEMA 03

HOOFDSTUK 1

103


OPDRACHT 7 ONDERZOEK

Wat kunnen we leren uit de ruimtelijke structuur van enkele chemische stoffen? In dit onderzoek bouw je bolstaafmodellen van enkele chemische stoffen uit het dagelijks leven. Ga met de bouwdozen aan de slag en voer het labo uit. Je vindt het op

.

Atomen kunnen met elkaar binden en moleculen vormen; moleculen worden voorgesteld met bolvoorstellingen die aangeven uit welke atomen de

IN

molecule bestaat.

Een bolstaafmodel en een bolschilmodel zijn driedimensionale

voorstellingen van een deeltje. Beide modellen geven weer hoeveel atomen van alle elementen er voor komen.

©

VA

N

` Maak oefening 4 t/m 6.

104

THEMA 03

HOOFDSTUK 1


HOOFDSTUK 2

Kunnen we zuivere stoffen nog verder indelen? Je kunt al: L zuivere stoffen en mengsels onderscheiden; L de symbolische voorstelling van elementen weergeven;

L een chemische formule interpreteren. Je leert nu:

L het verschil tussen een enkelvoudige en

IN

LEERDOELEN

samengestelde stof kennen;

L wat een analyse en synthese is.

Vorig jaar leerde je het onderscheid tussen een

voorwerp en stof definiëren. Je weet dus dat een voorwerp is opgebouwd uit stoffen. Bovendien

is er een verschil tussen een zuivere stof en een mengsel. Mengsels heb je ondertussen verder

leren onderverdelen in homogene en heterogene mengsels. Vervolgens heb je geleerd hoe

mengsels in zuivere stoffen kunnen gescheiden

worden. Kunnen we ook de zuivere stoffen verder

N

onderverdelen? We zoeken het uit aan de hand van

VA

een experiment.

STOF

?

HOMOGEEN

HETEROGEEN

©

?

MENGSEL

THEMA 03

HOOFDSTUK 2

105


OPDRACHT 8 DEMO

Ontleding van water (H2O) 1

2

Onderzoeksvraag Is water nog verder te ontleden in andere stoffen? Hypothese

4

Benodigdheden toestel van Hofmann + gelijkstroombron kraantjeswater

twee proefbuizen lucifers

houtspaander (of satéstokje) vloeistoftrechter kabeltjes

Werkwijze

N

3

IN

Ik denk dat water wel / niet verder ontleed kan worden in andere stoffen, want ...

5

Waarnemingen

1 Je leerkracht vult het toestel van Hofmann met water

met behulp van de vloeistoftrechter.

VA

2 Er wordt gedurende enkele minuten een gelijkstroom door de vloeistof gestuurd.

positieve pool

Afb. 40 Opstelling proef van Hofmann

3 Aan beide polen wordt gas gevormd, maar hoe zit het met de hoeveelheid gas?

4 Je leerkracht vangt het gevormde gas aan de positieve pool op in een proefbuis.

©

5 Hij/zij brengt een gloeiende houtspaander in die proefbuis. 6 Wat neem je waar?

Het gas ter hoogte van de positieve pool:

7 Je leerkracht vangt nu het gas aan de negatieve pool op in een proefbuis. 9 Hij/zij brengt een brandende lucifer in die proefbuis. 10 Wat neem je waar?

106

THEMA 03

Het gas ter hoogte van de negatieve pool:

HOOFDSTUK 2

negatieve pool


6

Verwerking Het gas dat aan de positieve pool gevormd wordt, is zuurstofgas. Zuurstofgas bevordert de verbranding

en kan op die manier geïdentificeerd worden. Een smeulende houtspaander begint terug te branden als je er zuurstofgas aan toevoegt.

Het gas dat aan de negatieve pool gevormd wordt, is waterstofgas. In combinatie met zuurstofgas en een brandende lucifer geeft dat een luide knal. Vandaar dat waterstofgas ook wel knalgas genoemd wordt. 7

Er wordt water gevormd. Besluit

IN

Formuleer een antwoord op de onderzoeksvraag.

8

Reflectie

Stoffen die nog verder ontleed kunnen worden, noemen we samengestelde

N

stoffen. Samengestelde stoffen bevatten meerdere soorten atomen. Water is dus een voorbeeld van een samengestelde stof, het kan verder ontleed

worden in zuurstofgas en waterstofgas. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat waterstofgas en zuurstofgas niet meer verder ontleed kunnen worden. Stoffen die niet meer verder ontleed kunnen worden,

noemen we enkelvoudige stoffen. Enkelvoudige stoffen bevatten één soort

©

VA

atomen.

Een reactie waarbij een samengestelde stof wordt omgezet in meer

eenvoudige (al dan niet enkelvoudige) stoffen, heet een ontleding of analyse. In opdracht 8 heb je gebruikgemaakt van elektrische energie om water te splitsen in waterstofgas en zuurstofgas. Dat proces wordt elektrolyse genoemd (elektro: elektriciteit; lysis: stukmaken). Ook voor

analysetechnieken met behulp van andere energiebronnen bestaan specifieke termen:

• warmte: thermolyse (stukmaken met warmte), • licht: fotolyse (stukmaken met licht).

Stoffen kunnen dus (naar analogie van homogene en heterogene mengsels) verder opgedeeld worden in enkelvoudige en samengestelde stoffen.

Om het verhaal volledig te maken: waterstofgas en zuurstofgas zijn niet meer te ontleden (omdat het enkelvoudige stoffen zijn), maar het is wel mogelijk om waterstofgas en zuurstofgas te combineren en zo opnieuw water te

bekomen. Daarom heeft zich waterdamp in de proefbuis gevormd na de knal

bij het aansteken van het waterstofgas. Die chemische reactie waarbij stoffen zich met elkaar verbinden tot een (complexere) samengestelde stof, noemen

we een synthese. Analyse en synthese zijn tegengestelde chemische reacties. In thema 4 gaan we verder in op de analyse en synthese van stoffen.

THEMA 03

HOOFDSTUK 2

107


OPDRACHT 9

Bij de elektrolyse van water, heb je ontdekt dat water een samengestelde stof is, terwijl waterstofgas en zuurstofgas enkelvoudige stoffen zijn. Hieronder zie je de symbolische en visuele voorstelling van deze stoffen. Symbolische voorstelling

water

H2O

zuurstofgas

O2

waterstofgas

H2

Visuele voorstelling

O H

H

O

O

H

H

IN

Naam

N

Het valt op dat een samengestelde stof bestaat uit één soort / meerdere soorten deeltjes, terwijl een enkelvoudige stof bestaat uit één soort / meerdere soorten deeltjes (schrap wat niet past).

VA

STOF

ENKELVOUDIG

•

©

•

108

THEMA 03

HOOFDSTUK 2

• •

•

SAMENGESTELD

MENGSEL

HOMOGEEN

HETEROGEEN

Stoffen die nog verder ontleed kunnen worden, noemen we samengestelde stoffen. Ze bevatten meerdere soorten atomen.

Stoffen die niet meer verder ontleed kunnen worden, noemen we enkelvoudige stoffen. Ze bevatten één soort atomen.

Een reactie waarbij een samengestelde stof wordt omgezet in meer eenvoudige (al dan niet enkelvoudige) stoffen, heet een ontleding of analyse.

Een ontleding met behulp van elektrische energie, wordt een elektrolyse genoemd.

Een ontleding met warmte heeft de specifieke naam thermolyse, terwijl fotolyse een ontleding met behulp van licht is.

` Maak oefening 7 t/m 10.


HOOFDSTUK 3

Welke naam krijgen de enkelvoudige stoffen? LEERDOELEN Je kunt al:

IN

L enkelvoudige en samengestelde stoffen onderscheiden;

Slechts enkele elementen komen op

L de symbolische voorstelling van elementen weergeven; L een chemische formule interpreteren. Je leert nu:

aarde voor als enkelvoudige stoffen; dat zijn voornamelijk gassen. Tot die gassen mogen we al zeker de

edelgassen rekenen. Maar er zijn nog

L de naam van enkele enkelvoudige stoffen kennen;

elementen die als enkelvoudige stof

L het verschil kennen tussen een wetenschappelijke naam

voorkomen. We geven in dit hoofdstuk een overzicht van de enkelvoudige stoffen en hun namen.

N

en een triviale naam.

3.1 Onderverdeling binnen de enkelvoudige stoffen

VA

We hebben al kort naar het Periodiek Systeem van de Elementen (PSE)

verwezen. Je vindt er alle symbolen terug van de al gekende elementen.

Je weet nu dat enkelvoudige stoffen slechts één soort atomen bevatten.

In het PSE maken we voor de enkelvoudige stoffen een onderscheid tussen: • niet-metalen (nM): in het geel ingekleurd op het PSE. Daartoe behoren ook de edelgassen (laatste kolom);

• metalen (M): in het rood ingekleurd op het PSE.

H

Be

©

Li

He

B

C

N

O

F

Ne

Al-

Si

P

S

Cl-

Ar

Na

Mg

K

Ca

Sc

Ti

V

Cr

Mn

Fe

Co

Ni

Cu

Zn

Ga

Ge

As

Se

Br

Kr

Rb

Sr

Y

Zr

Nb

Mo

Tc

Ru

Rh

Pd

Ag

Cd

In

Sn

Sb

Te

I

Xe

Cs

Ba

La

Hf

Ta

W

Re

Os

Ir

Pt

Au

Hg

Tl-

Pb

Bi

Po

At

Rn

Fr

Ra

Ac

Rf

Db

Sg

Bh

Hs

Mt

Ds

Rg

Cn

Nh

Fl-

Mc

Lv

Ts

Og

metaal

niet-metaal THEMA 03

HOOFDSTUK 3

109


OPDRACHT 10

Gebruik het PSE achteraan in je boek en vul de tabel aan. 1 Vul de eerste twee kolommen verder aan met het symbool of de naam van het element. 2 Is het element een metaal (M) of niet-metaal (nM)? Omcirkel in de laatste kolom. 3 Markeer het edelgas (E).

Fe

P

S

Sn

Ag

A

M / nM

M / nM

argon

M / nM

magnesium broom

VA

3.2 Niet-metalen

M / nM

stikstof

N

Naam

IN

Symbool

M / nM M / nM

M / nM

M / nM

M / nM

M / nM

Niet-metalen die als enkelvoudige stof voorkomen als ongebonden atomen

Edelgassen komen altijd apart voor in de natuur: ze bestaan uit één atoom. Ze zijn met andere woorden monoatomair.

Bij edelgassen draagt de stof dan ook gewoon de naam van het element.

©

TIP

Wil je al meer ontdekken over de edelgassen? Scan de QR-code

en bekijk het filmpje.

BEKIJK VIDEO

110

THEMA 03

HOOFDSTUK 3

Voorbeeld: wat kan He betekenen? • het element helium

• de stof helium

• een atoom helium


Opmerking: Ook koolstof wordt voorgesteld door het symbool van het element (C) en draagt gewoon de naam van het element.

Nochtans verbindt koolstof als enkelvoudige stof vaak met andere

koolstofatomen. Het koolstofatoom doet dat echter op meerdere manieren: de afbeeldingen tonen het voorkomen van grafiet en diamant. Die twee

IN

stoffen bevatten enkel koolstofatomen.

Afb. 42 Diamant

Afb. 41 Grafiet

B

N

Niet-metalen die als enkelvoudige stof voorkomen als verbindingen van meerdere atomen

Zoals je al weet, wordt het aantal atomen in een verbinding weergegeven door een index.

Voor de niet-metalen die uit meerdere atomen in een verbinding voorkomen, gelden deze regels:

VA

• de formule wordt gevormd door het symbool van het atoom te gebruiken, vergezeld van een index die aangeeft hoeveel atomen er in de verbinding zitten;

• de stof draagt de naam van het element, maar de naam van het element wordt voorafgegaan door een Grieks telwoord dat het aantal atomen in de molecule weergeeft.

We sommen die bewuste Griekse telwoorden even op. De gemarkeerde moet je kennen, de andere komen later aan bod.

samenstelling van de ATMOSFEER

©

zuurstofgas

O2

O2

20.95%

zuurstofgas

N2

Ar

0.000009 % 0.0018 % 0.0005 % 0.0001 % 0.038 %

78.08%

stikstofgas

0.93% Argon

xenon neon waterstofgas krypton koolstofdioxide

CO2

1

2

3

4

5

mono 6

di 7

tri 8

tetra 9

penta

hexa

hepta

octa

nona

deca

10

Voorbeeld:

• O2 of dizuurstof • N2 of distikstof

THEMA 03

HOOFDSTUK 3

111


Let op! Van sommige enkelvoudige niet-metalen bestaan er meerdere

verbindingen. Naast dizuurstof of O2 bevat de hogere atmosfeer bijvoorbeeld ook trizuurstof of O3.

De meeste niet-metalen zullen echter verbindingen van 2 atomen vormen (O2, N2, I2, Cl2 …). We spreken daarom ook over diatomaire moleculen. TIP • Het woord BrINClHOF bevat alle niet-metalen die in een enkelvoudige stof diatomair voorkomen.

• Om de niet-metalen S8, P4 en O3 te onthouden, zul je je geheugen

IN

moeten gebruiken!

Naast de wetenschappelijke naam wordt vaak een triviale naam voor de stof gebruikt, een soort bijnaam voor de stof zeg maar.

De enkelvoudige niet-metalen die bij kamertemperatuur gasvormig

zijn, krijgen vaak een triviale naam waarbij het Griekse telwoord wordt weggelaten en het woordje ‘gas’ aan de naam wordt toegevoegd.

N

In deze tabel vind je enkele voorbeelden: Enkelvoudige stof

Wetenschappelijke naam

Triviale naam

O2

dizuurstof

zuurstofgas

H2

diwaterstof

waterstofgas

Cl2

dichloor

chloorgas

VA

N2

distikstof

Afb. 43 Wetenschappelijke en triviale naam van stoffen

stikstofgas

Let op: het Griekse telwoord wordt weggelaten in de triviale naam.

Zo is distikstofgas een foute benaming voor N2. Je zegt ofwel distikstof

©

(wetenschappelijke naam) of stikstofgas (triviale naam), maar geen combinatie.

Afb. 44 Stikstofgas of distikstof (N2)

112

THEMA 03

HOOFDSTUK 3


WEETJE O3 of trizuurstof ken je misschien beter onder zijn triviale naam: ozon. Hoge ozonconcentraties die

we bij ons in de zomer kennen, zijn niet goed voor onze gezondheid en wijzen meestal op vervuiling van de lucht. Maar de ozonlaag op grote hoogte in onze atmosfeer is wel goed. Die werkt als een filter voor het ultraviolet licht dat in

zonnestralen zit. De ozonlaag beschermt ons tegen onder

IN

andere huidkanker.

Chloorproducten uitgestoten door invloeden van de mens

breken echter die ozonlaag af. Gaten in de ozonlaag zijn een

seizoensgebonden fenomeen.

Ze ontstaan telkens op het einde van de plaatselijke winter.

Op dat moment activeren de zonnestralen in de winter opgehoopte

chloorverbindingen om ozon (O3) af te breken. Die chloorverbindingen

op grote hoogte in de atmosfeer zijn voornamelijk afkomstig van

N

menselijke activiteit: cfk’s (chloorfluorkoolwaterstofverbindingen)

werden onder andere gebruikt als drijfgassen in spuitbussen en in

airco’s, diepvriezers en koelkasten. De industriële productie daarvan is enkele tientallen jaren geleden stopgezet om de ozonlaag te beschermen. Dat heeft ook geholpen.

VA

Bekijk het volgende filmpje als je meer wilt weten

over het effect van ozon op het milieu en over het broeikaseffect.

©

BEKIJK VIDEO

THEMA 03

HOOFDSTUK 3

113


OPDRACHT 11

Bekijk het bolschil- of bolstaafmodel van een aantal niet-metalen. Vul de bijbehorende formule, wetenschappelijke naam én triviale naam in (als die laatste bestaat). TIP De stoffen in deze tabel moet je goed kennen! Die zul je later nog veel gebruiken. Chemische formule

Wetenschappelijke naam

1 H2

Triviale naam

IN

Bolschil- of bolstaafmodel

diwaterstof

2

waterstofgas of knalgas

N2

O2

O3

N

3

VA

4

5

F2

Cl2

chloorgas

P4

witte fosfor

S8

-

6

©

7

8

114

THEMA 03

HOOFDSTUK 3


3.3 Metalen

Van alle bekende metalen wordt ijzer het meest gebruikt. Omdat ijzer

goedkoop, sterk en makkelijk bewerkbaar is, kent het veel toepassingen in vervoermiddelen, schepen en voor het bouwen van grote constructies.

Zuivere metalen bestaan in enkelvoudige vorm uit slechts één atoomsoort. • De stof krijgt de naam van het element, soms gevolgd door het

IN

achtervoegsel ‘-metaal’.

• Als formule wordt het symbool van het betreffende metaal gebruikt. Voorbeeld

26

1,8

Fe ijzer

betekenissen hebben: • het element ijzer

• de stof ijzermetaal • een atoom ijzer

Afb. 45 Een smid bewerkt de stof ijzermetaal om een hoefijzer voor een paard te maken.

N

55,85

Fe kan dus verschillende

©

VA

Enkelvoudige stoffen krijgen een wetenschappelijke naam: Niet-metalen

• De wetenschappelijke naam wordt gevormd door de index te lezen als Grieks voorvoegsel, gevolgd door de naam van het element.

Voorbeeld: O2 = dizuurstof.

• De meeste niet-metalen zijn diatomair, bv. O2.

• Uitzonderingen zijn C, S8 en P4 en de edelgassen.

• Voor edelgassen wordt de naam van het element gebruikt om de stof te benoemen; zij zijn monoatomair.

• Sommige niet-metalen krijgen een triviale naam. Daarbij wordt de naam van het element meestal gevolgd door ‘gas’. De index wordt daarbij niet gelezen. Voorbeeld: O2= zuurstofgas

• Ozon is de triviale naam voor O3.

Metalen

Bij metaal wordt het achtervoegsel ‘metaal’ soms toegevoegd aan de naam van het element. Voorbeeld: Fe = de stof ijzermetaal. ` Maak oefening 11.

THEMA 03

HOOFDSTUK 3

115


THEMASYNTHESE SYNTHESE

1 Hoe kunnen we een chemische stof voorstellen?

Namen en symbolen van elementen

• element of atoomsoort = de verschillende atomen of deeltjes • atoom = deeltje dat tot bepaalde atoomsoort behoort

Elk element heeft universeel hetzelfde symbool. Die universele symbolentaal zorgt ervoor dat wetenschappers over de hele wereld met elkaar kunnen communiceren.

• Het aantal atomen in een molecule wordt weergegeven door een index.

• De index 1 wordt niet vermeld.

• Een coëfficiënt geeft weer wat het aantal moleculen is.

IN

3 SO2

Symbolische voorstelling van een chemische stof

N

• 3 SO2 staat voor 3 moleculen SO2.

• SO2 is de formule.

• 3 moleculen met 1 zwavelatoom en 2 zuurstofatomen

• Met een specifieke kleurcode worden de elementen weergegeven. • Het aantal atomen wordt duidelijk weergegeven.

• In het bolstaafmodel worden de bindingen tussen de atomen visueel

VA

getoond.

Bolstaaf- en bolschilmodellen van een chemische stof

©

116

THEMA 03

THEMASYNTHESE

Afb. 46 Het bolstaafmodel (L) en het bolschilmodel (R) van water


2 Kunnen we zuivere stoffen nog verder indelen? analyse of ontleding

ontleding of analyse = chemische reactie waarbij een complexe stof wordt omgezet in eenvoudigere stoffen

elektrolyse

- met elektrische energie = elektrolyse

thermolyse

- met warmte = thermolyse

fotolyse

- met licht = fotolyse

synthese

synthese = het combineren van verschillende stoffen tot 1 nieuwe stof

enkelvoudige stof

IN

Zuivere stoffen worden verder onderverdeeld in:

- enkelvoudige stoffen  kunnen niet meer verder ontleed worden,

samengestelde stof

ze bestaan uit één soort deeltjes;

- samengestelde stoffen  kunnen meestal verder ontleed worden,

ze bestaan uit meerdere soorten deeltjes.

3 Welke naam krijgen de enkelvoudige stoffen? Niet-metalen

N

Niet-metalen bestaan uit 1 of meerdere atomen.

Metalen

De meeste niet-metalen zijn

Edelgassen zijn monoatomair.

Metalen hebben als formule het

De wetenschappelijke naam wordt

De wetenschappelijke naam wordt

De wetenschappelijke naam wordt

diatomair.

gevormd door de naam van het

VA

gevormd door de index te lezen als Grieks voorvoegsel, gecombineerd met de naam van het element. Bv.: O2 = de stof dizuurstof

element.

Bv.: He = de stof helium

symbool van het betrokken metaal. gevormd door achter de naam van

het element ‘metaal’ toe te voegen. Bv.: Fe = ijzermetaal

Sommige niet-metalen krijgen

een triviale naam. Daarbij wordt

de naam van het element gevolgd door ‘gas’. Griekse voorvoegsels

©

worden dan weggelaten. Bv.: O2 = zuurstofgas

Koolstof komt als enkelvoudige stof in meerdere vormen voor;

het wordt voorgesteld door het symbool C en de naam van het element: koolstof.

BEKIJK KENNISCLIP

THEMA 03

THEMASYNTHESE

117


CHECKLIST

JA

NOG OEFENEN

1 Begripskennis

• Ik ken de symbolen van de elementen.

• Ik ken de namen van enkelvoudige stoffen (metalen, niet-metalen). • Ik ken de betekenis van een index en een coëfficiënt.

• Ik ken het verschil tussen een enkelvoudige en een samengestelde stof.

• Ik kan zuivere stoffen verder onderverdelen in enkelvoudige en samengestelde stoffen.

• Ik ken het verschil tussen een analyse en een synthese.

2 Onderzoeksvaardigheden

• Ik kan een chemische formule interpreteren.

IN

• Ik ken het verschil tussen een wetenschappelijke naam en een triviale naam.

• Ik kan een bolstaaf- en bolschilmodel herkennen en interpreteren.

• Ik kan de symbolische voorstelling van een chemische stof schrijven en interpreteren.

invullen bij je Portfolio.

©

VA

N

` Je kunt deze checklist ook op

118

THEMA 03

CHECKLIST


CHECK IT OUT

Klein detail, groot verschil. 1 De twee kinderen van de tandarts hebben dorst. Ze lopen naar binnen en zien in de koelkast twee glazen staan.

IN

Van welk glas drinken ze best niet?

2 Een koppel is aan het barbecuen wanneer het plots begint te regenen. Ze zetten de barbecue binnen. Na een tijdje vallen ze beiden flauw. Door zuurstofgebrek is er een gevaarlijk gas gevormd.

N

a Welk van de onderstaande voorstellingen zou dat gas kunnen zijn? b Ken je de naam van het gevaarlijke gas, dat ook wel de stille moordenaar genoemd wordt?

VA

3 Jouw leerkracht werd getroffen door het coronavirus en komt terecht in het ziekenhuis met

©

ademhalingsproblemen. Welke fles gas moet de verpleegster toedienen?

!

Kleine fouten in formules kunnen grote gevolgen hebben.

Een stof wordt genoteerd in een formule. Ze geeft informatie over het soort atomen dat in de stof voorkomt en het exacte aantal waarin dat gebeurt.

Een stof wordt driedimensionaal voorgesteld in een model waarbij elk element een specifieke kleur heeft.

THEMA 03

CHECK IT OUT

119


AAN DE SLAG

Vul de tabel aan met de juiste naam of het juiste symbool voor elk element. Universeel symbool

Naam element

Au

Na

H

Cu

Fe

P

O

S

helium lood tin

fluor

stikstof

aluminium calcium

VA

zilver

IN

1

N

2

Ne

Coëfficiënten en indexen van de stof Cl2O7 3 HNO3 5 NH3 2 PCl3

120

THEMA 03

chloor

Vul de tabel aan. In de eerste kolom vind je de coëfficiënten en indexen van een stof.

©

K

AAN DE SLAG

Totaal aantal atomen van elk element


3

Vul de tabel aan.

b Noteer in kolom 3 de coëfficiënten en indexen van de stof.

a Noteer in kolom 2 de formule. Omschrijving

1 molecule van een samengestelde stof,

bestaande uit 2 waterstofatomen, 1 zwavelatoom en 4 zuurstofatomen. elk bestaande uit 4 fosforatomen.

2 moleculen van een samengestelde stof, bestaande uit 1 stikstofatoom

4 moleculen van een enkelvoudige stof, elk bestaande uit 3 zuurstofatomen.

Bekijk de bolstaaf- of bolschilmodellen. Duid het juiste antwoord aan. Model

Bolstaafmodel of bolschilmodel

N

4

IN

3 moleculen van een enkelvoudige stof,

en 2 zuurstofatomen.

Coëfficiënten en indexen van de stof

Formule

©

VA

bolstaafmodel bolschilmodel

bolstaafmodel bolschilmodel

bolstaafmodel bolschilmodel

THEMA 03

AAN DE SLAG

121


5

Bekijk de bolstaaf- of bolschilmodellen. Vul de tabel verder aan. Model en chemische formule

Bolstaafmodel of bolschilmodel

bolstaafmodel bolschilmodel

6

IN

bolstaafmodel bolschilmodel

Chemische formule

Leid de chemische formule af op basis van de modellen. Bolstaaf- of bolschilmodel

Voorkomen in dagelijks leven

Chemische formule

Boterzuur ontstaat wanneer boter ‘slecht’

N

wordt. We zeggen dat de boter ranzig wordt.

Citroenzuur komt voor in citrusvruchten en is

VA

boterzuur

©

citroenzuur

azijnzuur

vinylchloride

122

THEMA 03

AAN DE SLAG

een natuurlijk conserveermiddel.

Azijn wordt in de keuken bv. gebruikt voor de bereiding van mayonaise of rodekool.

Een keten van vinylchloridemoleculen aan elkaar vormt polyvinylchloride of pvc. Dat

materiaal wordt gebruikt in de bouwsector voor de aanmaak van ramen, dakgoten, riolering …


7

Duid aan of het een enkelvoudige of samengestelde stof is. Chemische stof

Enkelvoudige of samengestelde stof?

enkelvoudige stof samengestelde stof

CH3COOH

(formule van azijn)

IN enkelvoudige stof samengestelde stof

N

(modelstructuur van cholesterol)

enkelvoudige stof samengestelde stof

(bolstaafmodel van chloorgas)

enkelvoudige stof samengestelde stof

S8

VA

(formule van octazwavel)

8

Duid aan: enkelvoudige stof of samengestelde stof. waterstofgas (H2)

enkelvoudige stof samengestelde stof

Bij de verbranding van suiker wordt koolstof,

enkelvoudige stof samengestelde stof

zuiver water

water en CO2 gevormd. Suiker is een …

Na een kampvuur blijft er van de houtblokken

©

enkel nog roet over. Roet is een …

9

Plaats in de juiste kolom:

enkelvoudige stof samengestelde stof enkelvoudige stof samengestelde stof

gedestilleerd water – kraantjeswater – koolstof – waterstofgas – zuurstofgas – wijn – zand in een glas water – zout in een glas water

Enkelvoudige stof

Samengestelde stof

Homogeen mengsel

Heterogeen mengsel

THEMA 03

AAN DE SLAG

123


10

Duid bij elke tekst het juiste antwoord aan.

CH4 of methaangas is het gas in de scheetjes

van mensen en de darmgassen van koeien.

Omdat dat gas zorgt voor opwarming van de aarde, wordt er al eens inventief mee

omgegaan. Zo vangen Nederlandse boeren het

gas van de koeien op om later de stallen mee te verwarmen.

Jaarlijks sterven honderd Belgen aan CO-vergiftiging

samengestelde stof enkelvoudige stof

IN

Chloorgas of Cl2 is een geel gas dat tijdens de

samengestelde stof enkelvoudige stof

Eerste Wereldoorlog werd ingezet als giftig

wapen: het tastte de slijmvliezen aan, waardoor verstikking optrad. Omdat het zwaarder is dan lucht, bleef het in de loopgraven hangen.

Zwavel (S8) herken je aan zijn specifieke geur. Je treft het vooral aan in

actieve vulkanische gebieden.

N

Als je graag een ballon laat zweven op je

verjaardagsfeestje, vul je hem best met helium

VA

(He).

11

Enkelvoudige stof

©

AAN DE SLAG

Cl2

` Verder oefenen? Ga naar

Wetenschappelijke naam

O3

THEMA 03

samengestelde stof enkelvoudige stof samengestelde stof enkelvoudige stof

Vul de volgende tabel aan met de wetenschappelijke en triviale namen van enkelvoudige stoffen.

124

samengestelde stof enkelvoudige stof

.

kopermetaal

argon

Triviale naam

stikstofgas


KENMERKEN VAN EEN CHEMISCHE REACTIE

THEMA 04

126

VERKEN

127

` HOOFDSTUK 1: Wat is een chemische reactie?

129

IN

CHECK IN

` HOOFDSTUK 2: Hoe wordt een chemische reactie

genoteerd?

2.1 Reagentia en reactieproducten 2.2 Wet van behoud van atomen

133

133 134

` HOOFDSTUK 3: Welke types chemische reacties

N

bestaan er?

140

` HOOFDSTUK 4: Wat gebeurt er met de massa voor en na

een chemische reactie?

144

` HOOFDSTUK 5: Welk nut hebben chemische reacties

VA

als energiebron?

5.1 Chemische energie 5.2 Exo-energetische reacties 5.3 Endo-energetische reacties

148 148 150 154

THEMASYNTHESE

158

CHECKLIST

160

©

PORTFOLIO

CHECK IT OUT

161

AAN DE SLAG

162

OEFEN OP DIDDIT

125


CHECK IN

Waarom rijst brood? Als je een brood bakt, is het rijzen van het deeg belangrijk om een luchtig brood te krijgen. Maar wat gebeurt er dan eigenlijk precies? We testen welke reactie/stof ervoor zorgt dat brood rijst. WAT HEB JE NODIG?

balans – erlenmeyer – proefbuis – ballon – maatcilinder – één koffielepel bakpoeder – 10 ml azijn HOE GA JE TE WERK?

2 Breng de balans op nul door te tarreren.

3 Breng een koffielepel bakpoeder in de erlenmeyer.

IN

1 Plaats de erlenmeyer, de proefbuis en de ballon (die je eerder al eens opblies) naast elkaar op de balans. 4 Breng met behulp van de maatcilinder 10 ml azijn in de proefbuis. 5 Plaats de proefbuis in de erlenmeyer.

6 Plaats de ballon zoals op afbeelding 47 op de erlenmeyer.

7 Weeg het geheel en noteer de totale massa voor de reactie in de tabel, in de kolom ‘Eigen meting’. Schrap wat niet past.

Afb. 47

N

WAT VERWACHT JE?

Nadat de stoffen bij elkaar zijn gebracht, zal de gemeten massa lager / gelijk / hoger zijn. WAT GEBEURT ER?

• Kantel de erlenmeyer, waardoor de azijn in contact komt met het bakpoeder. Je merkt dat er een chemische reactie optreedt. Weeg het geheel en noteer de totale massa na de reactie in de tabel.

VA

• Bereken het verschil in massa voor en na de reactie.

• Verwijder de ballon en leg hem op de balans. Noteer de massa.

• Verzamel gegevens van twee andere klasgenoten in de derde en vierde kolom. Wat stel je vast?

Meting

massa voor de reactie (g)

massa na de reactie (g)

verschil in massa voor en na de reactie (g)

©

massa na verwijderen ballon (g) HOE ZIT DAT?

Eigen meting

Meting klasgenoot 1

Meting klasgenoot 2

Welk gas zorgt voor het rijzen van het brood? Misschien kan dit helpen: bakpoeder bevat een stof met formule NaHCO3.

Welke belangrijke wet geldt tijdens een chemische reactie en heb je nu bewezen tijdens deze proef?

` Wat gebeurt er tijdens een chemische reactie? ` Welke wetten zijn geldig tijdens een chemische reactie?

` Hoe kan een chemische reactie nuttig zijn voor ons? Wanneer vormt ze een probleem?

126

THEMA 04

CHECK IN

?


VERKEN

Energiebronnen in de natuur OPDRACHT 1

Wat weet je nog over energiebronnen uit de lessen natuurwetenschappen? 1 Welke energiebron herken je? Vul aan. 2 Komt de beschikbare energie rechtstreeks uit een chemische reactie? Kruis aan. Energiebron

De beschikbare energie …

2

komt uit een chemische reactie. komt niet uit een chemische reactie.

komt uit een chemische reactie. komt niet uit een chemische reactie.

komt uit een chemische reactie. komt niet uit een chemische reactie.

komt uit een chemische reactie. komt niet uit een chemische reactie.

VA

3

komt uit een chemische reactie. komt niet uit een chemische reactie.

N

IN

21

4

©

5

3 Bekijk de applet waarin de verschillende energiebronnen eenvoudig worden voorgesteld.

BEKIJK DE APPLET

THEMA 04

VERKEN

127


OPDRACHT 2

Bekijk de energieomzettingen op de afbeeldingen. Duid aan welke energieomzetting er plaatsvindt bij de volgende afbeeldingen. Er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

stralingsenergie fotosynthese

C6H12O6 + O2

celademhaling

Afb. 48 De energiecyclus

ATP

chemische energie  stralingsenergie

thermische energie  chemische energie stralingsenergie  thermische energie

thermische energie

VA

chemische energie

stralingsenergie  chemische energie

N

mitochondrium

IN

chloroplast

CO2 + H2O

chemische energie  elektrische energie chemische energie  kinetische energie

thermische energie  chemische energie chemische energie  thermische energie

Afb. 49

©

Energieomzetting

128

THEMA 04

VERKEN

Stoffen bezitten chemische energie. Chemische energie kan omgezet worden in andere energievormen, en omgekeerd.


HOOFDSTUK 1

Wat is een chemische reactie? LEERDOELEN Je kunt al: en een samengestelde stof toelichten;

L de formule van zuurstofgas (O2) toelichten.

Je leert nu:

L het principe van een chemische reactie begrijpen;

L een chemische reactie duiden als

gemaakt? Misschien heb je tijdens een koude winteravond

marshmallows gekaramelliseerd of chocolademelk verwarmd? Wist je toen dat je twee verschillende wetenschappen beoefende: chemie en fysica? Je hebt met

andere woorden een chemisch of fysisch proces uitgevoerd. • Tijdens een chemisch proces worden nieuwe stoffen gevormd.

• Tijdens een fysisch proces worden geen nieuwe stoffen gevormd maar veranderen stoffen eventueel van aggregatietoestand.

N

een herschikking van atomen.

Heb je met vrienden of familie al eens een kampvuur

IN

L het verschil tussen een enkelvoudige

OPDRACHT 3 DEMO

VA

IJzer en magnesium

Je leerkracht houdt achtereenvolgens een ijzeren spijker en een stukje magnesiumlint met behulp van een klem in de vlam van een bunsenbrander. !

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

Kijk niet rechtstreeks in de vlam.

©

1 Wat neem je waar? Noteer in de tabel.

Waarneming

ijzeren spijker

magnesiumlint

2 Is dit een chemisch of een fysisch proces? Kruis aan in de tabel.

Afb. 50 Verbranden van magnesium

Soort proces?

chemisch proces fysisch proces chemisch proces fysisch proces

THEMA 04

HOOFDSTUK 1

129


OPDRACHT 4

Beantwoord de vragen. 1 Voer je bij de volgende acties een fysisch of chemisch proces uit? Duid aan en verklaar je antwoord. Actie

Soort proces

Verklaring

a hout in een kampvuur verbranden

chemisch proces fysisch proces

c marshmallows karamelliseren

chemisch proces fysisch proces

chemisch proces fysisch proces

IN

b chocolademelk verwarmen

2 Waarom is ‘marshmallows smelten’ wetenschappelijk niet correct? Leg uit.

N

OPDRACHT 5 ONDERZOEK Kun je chemische en fysische processen van elkaar onderscheiden? Voer het labo op p. 295 uit.

VA

WEETJE

Je leerde een chemisch proces duidelijk onderscheiden van een fysisch proces. Maar net als andere wetenschappen, hebben

fysica

biofysica

natuurwetenschappen

biologie

chemie en fysica ook verschillende raakvlakken. Zo leerde je in

de vorige thema’s begrippen kennen die ook bij fysica belangrijk

zijn, bv. de relatie elektronen – elektriciteit – geleidbaarheid en de

fysicochemie

coulombkracht.

chemie

©

biochemie

Ook chemie en biologie staan niet naast elkaar, maar ondersteunen elkaar. Zo is water het belangrijkste oplosmiddel in ons lichaam,

waarin bv. hormonen verplaatst worden naar de organen. Dat leidt

tot overkoepelende vakken in het hoger onderwijs, zoals biochemie, fysicochemie of biofysica.

Denk dus niet in vakjes, maar bundel de wetenschappen tot één geheel. Ook in de industrie werken verschillende wetenschappers samen. In het filmpje kun je zo’n samenwerking zien bij ExxonMobil. Je zult merken dat STEM-vakken een centrale rol spelen in het bedrijf.

• Tijdens een chemisch proces ontstaan nieuwe stoffen.

BEKIJK DE VIDEO

• Tijdens een fysisch proces worden geen nieuwe stoffen gevormd. De aanwezige stof verandert bv. van aggregatietoestand.

130

THEMA 04

HOOFDSTUK 1


De verandering die bij een chemisch proces plaatsvindt, noemen we een chemische reactie.

In opdracht 3 heb je bij magnesium een verbrandingsreactie uitgevoerd. Een verbranding is een reactie tussen een stof en zuurstofgas (O2).

• Bij de verbranding van een enkelvoudige stof ontstaat er een binding

tussen het atoom van de enkelvoudige stof en de zuurstofatomen van zuurstofgas. Die gevormde stof wordt een oxide genoemd. C

CO2

IN

O2

Afb. 51 De verbranding van koolstof

• Bij de verbranding van een samengestelde stof zal met elk atoom van de samengestelde stof een oxide gevormd worden. Zo ontstaat bij de

volledige verbranding van methaangas (CH4) koolstofdioxide of CO2 en

water of H2O.

CH4

CO2

2 H2O

N

2 O2

Afb. 52 De verbranding van methaangas

Een verbrandingsreactie is een reactie tussen een stof en zuurstofgas

©

VA

waarbij oxiden gevormd worden. WEETJE

Tijdens een verbrandingsreactie van een brandstof wordt meestal koolstofdioxide (CO2) gevormd. We

spreken dan van een volledige verbranding. Tijdens een onvolledige verbranding wordt er koolstof-

monoxide (CO) gevormd. CO ontstaat door een tekort aan zuurstofgas (O2) in de ruimte: niet alle koolstofatomen kunnen binden met

voldoende zuurstofatomen, waardoor er naast koolstofdioxide (CO2)

ook koolstofmonoxide (CO) ontstaat. Een slecht functionerende

schoorsteen of boiler kan aan de basis liggen van de vorming van

koolstofmonoxide. In het weerbericht wordt vaak gewaarschuwd voor koolstofmonoxide- of CO-vergiftiging. Koolstof-monoxide is een

geurloos gas en wordt vaak ‘de stille doder’ genoemd. Om die reden

wordt het aangeraden om CO-melders aan te brengen in een woning. Tijdens een chemische reactie, zoals een verbrandingsreactie, worden de

aanwezige atomen herschikt. Er worden geen atomen extra gevormd en er verdwijnen geen atomen. Er ontstaan nieuwe stoffen met een specifieke formule.

Een chemische reactie wordt genoteerd in een reactievergelijking, waarbij

een eenrichtingspijl aanduidt welke stoffen worden omgezet en welke stoffen worden gevormd. Formules van stoffen mogen niet aangepast worden in een

reactievergelijking. In opdracht 6 leer je hoe je een chemische reactie noteert in een reactievergelijking.

THEMA 04

HOOFDSTUK 1

131


OPDRACHT 6

Stel reactievergelijkingen op.

TIP

1 Denk nog eens terug aan de verbrandingsreactie reactievergelijking uit te schrijven.

Een reactievergelijking wordt genoteerd als

a Noteer het symbool voor magnesium.

natuurlijk variëren.

van magnesium. Probeer stapsgewijs een

gebruikte stof(fen) → gevormde stof(fen). Het aantal stoffen voor en na de pijl kan

b Welke chemische stof voeg je toe bij een verbranding? Noteer de formule.

IN

c Het witte poeder dat gevormd is, heeft als formule MgO. Schrijf de reactievergelijking op. 2

+      → 2

2 Je leerkracht herhaalt de verbrandingsreactie van magnesium (demo-opdracht 3) en voegt water toe aan het witte poeder dat gevormd werd tijdens de verbrandingsreactie.

a Na de proef voegt je leerkracht fenolftaleïne toe aan het gevormde product. Noteer je waarneming.

N

b De kleur die je observeert, wijst op het ontstaan van een basisch milieu. Door het toevoegen van water is immers een nieuwe stof gevormd, magnesiumhydroxide met als formule Mg(OH)2.

c Schrijf de reactievergelijking op.

→

VA

3 Noteer nog eens de twee reactievergelijkingen.

4 Wat stel je vast met betrekking tot de atomen?

5 Bij de eerste reactievergelijking waren er al cijfers gegeven in de oplossing. Wat is daarvoor de reden, denk je?

©

Tijdens een chemische reactie worden de aanwezige atomen herschikt om zo nieuwe stoffen met nieuwe stofeigenschappen te vormen.

Een chemische reactie wordt genoteerd in een reactievergelijking. gebruikte stof(fen) → gevormde stof(fen)

` Maak oefening 1 en 2.

132

THEMA 04

HOOFDSTUK 1


HOOFDSTUK 2

Hoe wordt een chemische reactie genoteerd? LEERDOELEN Je kunt al: herschikt worden ter vorming van nieuwe stoffen;

IN

L toelichten dat tijdens een chemische reactie atomen

L toelichten dat een index in een formule van een chemische stof het aantal atomen van dat element (of van de atoomgroep) in de verbinding weergeeft.

L een onderscheid maken tussen een index en een coëfficiënt. Je leert nu:

In hoofdstuk 1 heb je geleerd dat de

verandering die plaatsvindt tijdens een

L de opbouw van een reactievergelijking begrijpen en de

chemisch proces een chemische reactie wordt genoemd. In de opdrachten

N

onderdelen aanduiden;

L een aflopende reactie herkennen;

L een reactievergelijking in evenwicht brengen door rekening

VA

te houden met behoud van atomen.

heb je telkens een bijhorende

reactievergelijking genoteerd.

Welke onderdelen kun je herkennen in een reactievergelijking?

2.1 Reagentia en reactieproducten

In een reactievergelijking worden de gebruikte stoffen, uitgangsstoffen of

reagentia (enkelvoud: reagens) omgezet en worden andere stoffen gevormd:

©

de reactieproducten.

WEETJE

In de toekomst zul je leren dat sommige reacties

niet volledig aflopen. Je

In een reactievergelijking wordt gebruikgemaakt van een enkele

eenrichtingspijl (→) die de overgang aanduidt van de reagentia naar de reactieproducten. Zo wordt aangeduid dat zeker één reagens volledig

omgezet wordt in reactieproducten: we spreken van een aflopende reactie. Dat wordt benadrukt door de pijl die enkel van links naar rechts wijst.

gebruikte stof(fen) → gevormde stof(fen) reagentia

reactieproducten

zult dan gebruikmaken

Let op:

evenwichtsreactie.

Je mag als pijl niet ⇒ gebruiken. Gebruik ook niet het gelijkheidsteken (=),

van een dubbele pijl ⇄ en we spreken van een

want de reactieproducten zijn andere stoffen dan de reagentia. THEMA 04

HOOFDSTUK 2

133


Een reactievergelijking wordt als volgt genoteerd:

gebruikte stof(fen) → gevormde stof(fen) reagentia

reactieproducten

OPDRACHT 7

1 Omcirkel de reagentia met rood. 2 Omcirkel de reactieproducten met blauw.

IN

Bekijk opnieuw de reactievergelijkingen uit opdracht 6.

2 Mg + O2 → 2 MgO      MgO + H2O → Mg(OH)2

OPDRACHT 8

Leg uit.

N

2.2 Wet van behoud van atomen

VA

In een reactievergelijking staat soms een getal voor de formule van een reagens of reactieproduct, bv. 2 Al + 3 Cl2 → 2 AlCl3

Waarom? Verklaar.

©

In thema 3 leerde je al dat voor een stof in een reactievergelijking geplaatst wordt, een coëfficiënt of voorgetal wordt genoemd. Door het toevoegen van de juiste coëfficiënten in een reactievergelijking houd je rekening met een belangrijke wet: de wet van behoud van atomen. De wet van behoud van atomen In een reactievergelijking zijn links en rechts van de reactiepijl evenveel

atomen van elke soort aanwezig. Er worden geen nieuwe atomen gecreëerd, er gaan ook geen atomen verloren.

In deze applet leer je op een eenvoudige manier waarom je coëfficiënten plaatst in een reactievergelijking, bv. door het maken van een croque-monsieur. 134

THEMA 04

HOOFDSTUK 2

OPEN DE APPLET


OPDRACHT 9

Noteer de volledige reactievergelijking van de verbranding van magnesium. 1 Pas de wet van behoud van atomen toe op de verbranding van magnesium. Wanneer we de reagentia en de reactieproducten in een reactievergelijking schrijven, krijgen we: Mg + O2 → MgO

a In de formule van zuurstofgas staat een 2. Wat is de wetenschappelijke term voor dat getal? b Hoeveel O-atomen komen er voor: • bij de reagentia?

• bij de reactieproducten?

IN

c Is de wet van behoud van atomen voor O gerespecteerd?  Ja    Nee

2 Opdat een reactievergelijking zou kloppen, worden de getallen voor de formules, de coëfficiënten, aangepast. Het getal 1 wordt niet vermeld.

a Pas de coëfficiënten aan zodat voor en na de pijl evenveel O-atomen voorkomen. Mg + O2 →

MgO

 Ja    Nee

N

b Is de wet van behoud van atomen voor Mg gerespecteerd?

c Pas de coëfficiënten aan zodat voor en na de pijl evenveel Mg-atomen voorkomen.

Mg + O2 →    MgO

VA

3 Zo krijg je de finale reactievergelijking van de verbranding van magnesium. 4 Scan de QR-code. Op deze website kun je een reactie tussen waterstofgas (H2)

©

en zuurstofgas (O2) uitvoeren. Lukt het je om water (H2O) te vormen?

BEKIJK DE WEBSITE

In een reactievergelijking worden altijd de juiste formules van een chemische stof genoteerd. Je hebt in thema 3 geleerd dat een index aangeeft hoeveel atomen van een bepaald element voorkomen in een verbinding.

Een index mag je niet veranderen om het behoud van atomen toe te passen. Een formule is een vaste combinatie van atomen in een molecule.

THEMA 04

HOOFDSTUK 2

135


• Betekenis van de getallen in een reactievergelijking Dit getal noem je de coëfficiënt. Het geeft aan hoeveel deeltjes er gaan reageren.

3 CO2

Dit getal noem je de index. Het

geeft aan hoeveel atomen van de

voorafgaande atoomsoort per molecule of formuleenheid aanwezig zijn.

• Om de wet van behoud van atomen in orde te brengen, moet je in een reactievergelijking de coëfficiënten aanpassen.

IN

• De indices in een formule mag je niet veranderen. OPDRACHT 10

Stel de reactievergelijking van de chemische reactie op.

Waterstofchloride (HCl) reageert met calciumhydroxide (Ca(OH)2), waarbij calciumchloride (CaCl2) en

water (H2O) gevormd worden.

N

1 Welke stoffen zijn de reagentia?

2 Welke stoffen zijn de reactieproducten?

VA

3 Noteer de stoffen in de reactievergelijking.

4 Vul het aantal atomen van elk element in, zowel bij de reagentia als bij de reactieproducten. Bij de reagentia

Bij de reactieproducten

H

H

Ca

Ca

Cl

©

O

Cl O

TIP Bij het plaatsen van coëfficiënten

eindig je met het gelijkstellen van de O- en de H-atomen.

5 Je merkt dat het behoud van Ca in orde is. Plaats coëfficiënten zodat het behoud van Cl in orde is.

6 Vul het nieuwe aantal atomen van elk element in, zowel bij de reagentia als bij de reactieproducten. Bij de reagentia

H

H

Ca

Ca

Cl O

136

THEMA 04

Bij de reactieproducten

HOOFDSTUK 2

Cl O


7 Plaats coëfficiënten zodat het behoud van O in orde is.

8 Vul het aantal atomen van elk element in, zowel bij de reagentia als bij de reactieproducten. Bij de reactieproducten

H

H

Ca

Ca

Cl O

Cl

9 Wat merk je bij de H-atomen?

O

10 Noteer de finale reactievergelijking.

OPDRACHT 11

N

IN

Bij de reagentia

Lees de chemische reacties en beantwoord de vragen. Het stappenplan kan je daarbij helpen.

VA

1 IJzer reageert met zuurstofgas, waarbij di-ijzertrioxide (Fe2O3) gevormd wordt. a Welke stoffen zijn de reagentia?

b Welke stoffen zijn de reactieproducten?

BEKIJK HET STAPPENPLAN

c Noteer de stoffen in de reactievergelijking.

d Pas de wet van behoud van atomen toe.

2 Magnesium reageert met waterstofchloride (HCl of zoutzuur), waarbij magnesiumchloride (MgCl2) en waterstofgas (H2) gevormd worden.

a Welke stoffen zijn de reagentia?

©

b Welke stoffen zijn de reactieproducten?

c Noteer de stoffen in de reactievergelijking. d Pas de wet van behoud van atomen toe.

THEMA 04

HOOFDSTUK 2

137


OPDRACHT 12 DEMO Je leerkracht verbrandt methaangas. Hij of zij leidt methaangas onderaan een omgekeerde trechter binnen via een gasslangetje. Vervolgens wordt de gastoevoer gesloten en laat je leerkracht het gas ontvlammen dat bovenaan de trechter ontsnapt. 1 Wat neem je waar?

IN

Afb. 53

2 Welke chemische stof wordt verbruikt bij een verbrandingsreactie?

3 Er is een volledige verbranding. Geef de formule van de twee stoffen die gevormd worden (de formule van methaangas is CH4).

4 Geef de reactievergelijking van de chemische reactie. Pas het behoud van atomen toe.

N

Je hebt in de vorige opdrachten enkele reactievergelijkingen opgesteld en de wet van behoud van atomen toegepast. Zo vond je bij opdracht 11: 4 Fe + 3 O2 → 2 Fe2O3.

VA

Die coëfficiënten moeten zo laag mogelijk zijn. De reactievergelijking

8 Fe + 6 O2 → 4 Fe2O3 is fout. Alle coëfficiënten kunnen immers gedeeld worden door 2. Het kan dus dat je op het einde alle coëfficiënten nog moet delen door een gelijke factor.

©

Een chemische reactie wordt voorgesteld door een reactievergelijking:

138

THEMA 04

HOOFDSTUK 2

reagentia → reactieproducten

Het aantal atomen van elk element moet zowel links als rechts van de pijl gelijk zijn (wet van behoud van atomen). Daarom worden coëfficiënten geplaatst voor de formules van de reagentia en reactieproducten. Die moeten zo laag mogelijk zijn.

` Maak oefening 3 t/m 9.


OPDRACHT 13

DOORDENKER

Lees de chemische reacties en beantwoord de vragen. 1 Bijtende soda (NaOH) reageert met waterstofsulfaat (H2SO4 of zwavelzuur), waarbij natriumsulfaat (Na2SO4) en water (H2O) gevormd worden.

a Welke stoffen zijn de reagentia?

c Noteer de stoffen in de reactievergelijking. d Pas de wet van behoud van atomen toe.

IN

b Welke stoffen zijn de reactieproducten?

2 Magnesiumhydroxide (Mg(OH)2) reageert met waterstoffosfaat (H3PO4 of fosforzuur), waarbij nog magnesiumfosfaat (Mg3(PO4)2) en water (H2O) gevormd worden.

a Welke stoffen zijn de reagentia?

b Welke stoffen zijn de reactieproducten?

N

c Noteer de stoffen in de reactievergelijking.

©

VA

d Pas de wet van behoud van atomen toe.

THEMA 04

HOOFDSTUK 2

139


HOOFDSTUK 3

Welke types chemische reacties bestaan er? Je kunt al: L toelichten dat samengestelde stoffen bestaan uit meerdere atoomsoorten of elementen;

L toelichten dat je een

samengestelde stof kunt ontleden in enkelvoudige stoffen;

L toelichten wat de termen betekenen.

Je leert nu:

In hoofdstuk 1 van dit thema leerde je dat er tijdens een

chemische reactie nieuwe stoffen ontstaan door atomen te (her) combineren. Daarbij kunnen stoffen onder andere ontleed of gevormd worden.

• Wanneer een stof ontleed wordt in andere stoffen, spreken we van een analyse.

• Wanneer uit verschillende stoffen nieuwe stoffen gevormd worden, spreken we van een synthese.

In thema 3 heb je al kennisgemaakt met deze twee reactietypes.

N

elektrolyse, thermolyse en fotolyse

IN

LEERDOELEN

L het verschil uitleggen tussen

en zuurstofgas (analyse). Wanneer het gevormde waterstofgas bij een lucifer (zuurstofgas) gebracht werd, ontstond water (synthese).

VA

analyse en synthese.

Zo hebben we in opdracht 8 water ontbonden in waterstofgas

OPDRACHT 14 DEMO

Je leerkracht verbrandt een hoeveelheid suiker.

1 Breng een kleine hoeveelheid suiker in een vuurvaste proefbuis. 2 Breng de proefbuis met behulp van een klem of tang in de vlam van een bunsenbrander.

3 Noteer je waarneming.

©

4 De suiker ondergaat eerst een analyse / synthese (schrap wat niet past) tot koolstof en waterstof en er wordt nadien via analyse / synthese (schrap wat niet past) koolstofdioxide en water gevormd.

140

THEMA 04

HOOFDSTUK 3


Water en suiker werden telkens ontleed door gebruik te maken van een andere energiebron, respectievelijk elektriciteit en warmte. OPDRACHT 15

Welke soorten analysereacties bestaan er? Vul de tabel verder in. Energievorm

Soort analyse

elektriciteit

IN

warmte

licht

Zoals bij de analyse gebruiken we afhankelijk van de gebruikte energievorm een specifieke term voor de synthese: licht → fotosynthese

warmte → thermosynthese

N

elektriciteit → elektrosynthese

Analyse en synthese zijn tegengestelde chemische reacties.

We kunnen het echter niet zwart-wit voorstellen. Uit de definitie van analyse

blijkt immers dat er tijdens een analyse ook nieuwe stoffen gevormd worden. De analyse van water kun je dus ook bekijken als de synthese van waterstof-

VA

en zuurstofgas.

De volgende jaren zul je leren dat er naast synthese en analyse nog andere chemische reacties bestaan. Zo wordt tijdens een substitutiereactie een atoom of atoomgroep vervangen door een ander atoom of atoomgroep.

OPDRACHT 16 DEMO

Je leerkracht voert de synthesereactie tussen ijzer en zwavel uit.

©

7 g ijzer en 4 g zwavel worden afgewogen.

!

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

Fe

S8

1 Observeer de eigenschappen van de stoffen en breng een magneet bij elk van de stoffen. Noteer je waarnemingen.

Stof ijzer zwavel

Eigenschappen

Magnetisch  ja    nee  ja    nee

THEMA 04

HOOFDSTUK 3

141


2 De stoffen worden samen in een kroesje gebracht en verwarmd met de bunsenbrander. Er ontstaat een nieuwe stof, ijzersulfide (FeS). Noteer je waarnemingen. Stof

Eigenschappen

reactieproduct (FeS)

 ja    nee

3 Noteer je besluit.

Magnetisch

IN

4 Bepaal eens de massa van het reactieproduct. Wat stel je vast?

WEETJE

Een verbrandingsreactie is een voorbeeld van een synthesereactie.

Afhankelijk van de snelheid van de reactie spreken we over een trage,

gewone of snelle verbranding. Het roesten van ijzer is een voorbeeld van

N

een trage verbrandingsreactie. Het ijzer vormt immers roest (Fe2O3) door

de reactie met zuurstofgas en water.

Een snelle verbrandingsreactie werd bijvoorbeeld toegepast tijdens de Golfoorlog in Irak (1990-1991): brandende olieputten werden geblust

VA

door er springstof in te werpen.

De aanwezige zuurstof werd door de explosie zeer snel verbruikt, waardoor de olieputten doofden.

©

Wanneer een stof ontleed wordt in andere stoffen, spreken we van analyse.

142

THEMA 04

HOOFDSTUK 3

Wanneer uit verschillende stoffen één nieuwe stof gevormd wordt, spreken we van synthese.

• Synthese met behulp van licht is fotosynthese.

• Synthese met behulp van warmte is thermosynthese.

• Synthese met behulp van elektriciteit is elektrosynthese.

` Maak oefening 10, 11 en 12.


WEETJE De klimaatverandering is een van de grote zorgen van de huidige

maatschappij. Ook chemie kan hier

een oplossing bieden, meer bepaald met de synthese van water uit waterstofgas en zuurstofgas.

De laatste decennia heeft de industrie zich, onder meer onder impuls van de ruimtevaart, toegelegd op de ontwikkeling van zogenaamde brandstofcellen.

Brandstofcellen zijn elektrochemische toestellen die chemische

IN

energie van een voortdurende reactie direct omzetten in elektrische

energie. De chemische energie hoeft dus niet eerst omgezet te worden in thermische en mechanische energie (bv. verbruik van fossiele brandstoffen), waardoor er nauwelijks verliezen optreden en de

brandstofcel op een heel efficiënte manier energie kan leveren. Ook in de autosector wordt er druk met brandstofcellen geëxperimenteerd; ze moeten de huidige verbrandingsmotoren vervangen omdat ze milieuvriendelijker en zelfs zuiniger zijn.

In principe is een brandstofcel een toestel waarin waterstofgas en

zuurstofgas reageren met vorming van water, waarbij de vrijkomende

N

energie rechtstreeks (zonder warmte-effect of explosie) wordt geleverd als elektrische energie. Een bijkomend voordeel van een brandstofcel is dat ze enkel water vormt en dus de natuur niet vervuilt.

De brandstofcel is dus een ecologische oplossing voor het grote

verbruik van aardolieproducten, zoals benzine, aardgas … Dat roept

VA

natuurlijk tegenwerking op in de petroleumindustrie, die haar sterke positie niet wil afstaan. Ze probeert

dan ook de politiek te beïnvloeden (het zogenaamde

lobbywerk) om haar economische tak te beschermen. Bekijk het filmpje als je wilt weten hoe een

©

brandstofcel werkt.

BEKIJK DE VIDEO

THEMA 04

HOOFDSTUK 3

143


HOOFDSTUK 4

Wat gebeurt er met de massa voor en na een chemische reactie? LEERDOELEN

L de wet van behoud van atomen toelichten. Je leert nu:

IN

Je kunt al: Tijdens een chemische reactie verandert de soort en het aantal atomen niet tussen de

reagentia en de reactieproducten: de wet van

L de wet van behoud van massa bij chemische reacties formuleren en toepassen (wet van Lavoisier).

behoud van atomen. Welke wet is nog van

toepassing tijdens een chemische reactie?

OPDRACHT 17 ONDERZOEK

N

Voer de reactie uit tussen natriumcarbonaat (Na2CO3) en verdund zoutzuur (HCl). 1

Onderzoeksvraag

Welke wetmatigheid kunnen we bewijzen tijdens de reactie tussen natriumcarbonaat (Na2CO3)

VA

en verdund zoutzuur (HCl)?

2

Hypothese

Schrap wat niet past.

Bij een chemische reactie is de massa van de reagentia kleiner dan / gelijk aan / groter dan de massa Benodigdheden

Materialen

Stoffen

HCl (verdund) Na2CO3

balans

erlenmeyer (50 ml) proefbuizenrek

©

3

van de reactieproducten.

144

THEMA 04

proefbuizen

!

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

maatcilinder (10 ml) trechter

HOOFDSTUK 4

HCl

HCl en Na2CO3


4

Werkwijze Proef 1 1 Plaats een proefbuizenrek met één proefbuis op de balans. 2 Breng de balans op nul door te tarreren.

3 Breng met behulp van de maatcilinder 10 ml HCl in de proefbuis en noteer de massa in de tabel (proef 1). Verwijder het proefbuizenrek.

4 Plaats een erlenmeyer op de balans.

5 Breng de balans op nul door te tarreren.

6 Breng een koffielepel Na2CO3 in de erlenmeyer en noteer de massa in de tabel. 8 Noteer de massa in de tabel (proef 1). Proef 2

IN

7 Giet de 10 ml HCl in de erlenmeyer (die nog op de balans staat).

1 Plaats een proefbuizenrek met één proefbuis op een balans.

2 Breng de balans op nul door te tarreren.

3 Breng met behulp van de maatcilinder 10 ml HCl in de proefbuis en noteer de massa in de tabel (proef 2). Verwijder het proefbuizenrek.

4 Plaats een erlenmeyer en een ballon op de balans. 5 Breng de balans op nul door te tarreren. tabel (proef 2).

N

6 Breng met behulp van een trechter een koffielepel Na2CO3 in de ballon en noteer de massa in de

7 Breng de 10 ml HCl in de erlenmeyer (die nog op de balans staat).

8 Span de ballon over de erlenmeyer en giet de inhoud van de ballon in de erlenmeyer. Waarnemingen

6

Verwerking

VA

5

9 Noteer de massa na de reactie in de tabel (proef 2).

Proef 1: zonder ballon

massa HCl (g)

massa Na2CO3 (g)

massa na reactie (g)

7

Besluit

Proef 1

©

Proef 2: met ballon

Proef 2

THEMA 04

HOOFDSTUK 4

145


8

Reflectie a De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:

b Vergelijk je hypothese met je besluit.

c Waarom werd er een ballon gebruikt bij proef 2?

IN

Tijdens een chemische reactie is de massa van de reagentia altijd gelijk aan

de massa van de reactieproducten. We spreken over de wet van behoud van massa of de wet van Lavoisier:

N

De totale massa voor en na een chemische reactie is gelijk. mreagentia = mreactieproducten

Was het je al opgevallen in demo-opdracht 16 dat de massa

voor en na de reactie gelijk was gebleven?

VA

Wil je weten wat de link is tussen Lavoisier, Einstein en het ontstaan van de aarde? Bekijk de video!

BEKIJK DE VIDEO

WEETJE

Dat de wet van behoud van massa bijzonder belangrijk is, kun je

illustreren met tal van voorbeelden

©

uit het dagelijks leven. Zo kunnen

er in de natuur noch atomen noch atoomsoorten ‘verdwijnen’ door

chemische processen. Het ontstaan van industrieel afval is dus een

onontkoombaar gevolg van de wet van massabehoud. De chemische industrie houdt zich dan ook steeds bezig met het recycleren van allerlei restmateriaal. Daarnaast wordt er gezocht naar nieuwe processen om zo weinig mogelijk afval te produceren.

Bekijk de video’s over de rol van BEKIJK VIDEO 1

146

THEMA 04

HOOFDSTUK 4

BEKIJK VIDEO 2

chemie in de recyclage van stoffen.


De wet van Lavoisier De totale massa voor en na een chemische reactie is gelijk. mreagentia = mreactieproducten

` Maak oefening 13, 14 en 15.

WEETJE

IN

Lavoisier is niet de enige wetenschapper die een wet definieerde voor een chemische reactie. Zo

toonde Proust aan dat stoffen altijd in een vaste massaverhouding met elkaar reageren: de wet van de massaverhoudingen of de wet van Proust.

Die wet heb je toegepast bij opdracht 16: ijzer en zwavel zullen steeds in een massaverhouding van 7 g : 4 g met elkaar reageren ter vorming van ijzersulfide. Wanneer bijvoorbeeld 10 g ijzer bij 4 g zwavel wordt

gebracht, zal er 3 g ijzer niet wegreageren. IJzer is in overmaat aanwezig, terwijl zwavel te weinig aanwezig is. In chemie wordt zwavel dan het ‘limiterend reagens’ genoemd.

Dan is er nog de wet van de veelvuldige massaverhoudingen: de wet van Dalton en Richter stelt dat wanneer twee elementen met elkaar reageren ter vorming van een verschillende zuivere stof, de breuk van de massaverhoudingen van die reacties een vast getal is.

N

Zo kan koolstof met zuurstofgas koolstofmonoxide (CO) of koolstofdioxide (CO2) vormen. CO-vorming heeft een massaverhouding van 0,75, terwijl dat bij CO2 0,375 is (wet van Proust). Volgens de wet van Dalton en

VA

Richter zal dus de onderlinge verhouding van de massaverhoudingen steeds gelijk zijn: 0,75 : 0,375 = 2.

John Dalton

Jeremias Richter

©

Louis Joseph Proust

THEMA 04

HOOFDSTUK 4

147


HOOFDSTUK 5

Welk nut hebben chemische reacties als energiebron? LEERDOELEN Je kunt al: reactie omgezet kan worden naar een andere energievorm;

IN

L toelichten dat chemische energie tijdens een chemische

L toelichten wat de termen synthese, analyse, thermolyse, fotolyse en elektrolyse betekenen.

Je leert nu:

L dat chemische reacties gebruikt kunnen worden als

energiebron voor toepassingen in het dagelijks leven; reacties;

L begrijpen dat de interactie tussen materie en energie kan leiden tot gewenste of ongewenste chemische

VA

reacties.

verwezen naar de verbranding van

magnesium. Het is je zeker opgevallen dat er een fel wit licht verschijnt tijdens de reactie.

Tijdens een chemische reactie kan dus een energievorm (in dit geval licht- of

stralingsenergie) vrijkomen, maar waar komt die energie vandaan? Welke

N

L het verschil duiden tussen exo- en endo-energetische

In dit thema werd al verschillende keren

energievormen zijn er nog?

Kan ook het omgekeerde gebeuren,

met andere woorden kan er tijdens een chemische reactie energie opgenomen worden?

5.1 Chemische energie

Energie kan niet ontstaan, noch gevormd worden. Dat is de wet van behoud

©

van energie, waar je meer over zult leren in de lessen fysica. Die wet is ook

148

THEMA 04

HOOFDSTUK 5

van toepassing op een chemische reactie. Wanneer we ons huis verwarmen door een open haard aan te steken, hebben we geen warmte ‘gemaakt’. De energie is vrijgekomen vanuit de verbranding van het hout: hout is

een energiebron. De energie die een chemische stof bevat, noemen we de chemische energie (of inwendige energie) (E). Grootheid chemische energie

Symbool

Eenheid

E

J (joule)


OPDRACHT 18

Vul de tabel aan. 1 Noteer enkele voorbeelden van energievormen. 2 Noteer een proces uit het dagelijks leven waarbij die energie beschikbaar wordt.

Voorbeeld uit het dagelijks leven

IN

Energievorm

Bij glowsticks of handwarmers worden stoffen gebruikt om een energievorm

N

te verkrijgen, respectievelijk licht en warmte.

Tijdens een chemische reactie is er meestal sprake van een verschil in chemische energie in de stoffen voor en na de reactie.

• De reactieproducten bezitten minder chemische energie dan de reagentia.

©

VA

= er is energie vrijgekomen tijdens de chemische reactie. = exo-energetische reactie

• De reactieproducten bezitten meer chemische energie dan de reagentia. = er is energie opgenomen tijdens de chemische reactie. = endo-energetische reactie WEETJE

Sommige reacties zijn energieneutraal, omdat er geen energieverschil

is tussen de energie-inhoud van de reagentia en de reactieproducten. Een energieneutraal proces noemen we ook een adiabatisch proces.

Chemische stoffen bezitten een specifieke chemische energie-inhoud of inwendige energie (E).

Tijdens een chemische reactie geldt de wet van behoud van energie: energie

gaat niet verloren of wordt niet bijgemaakt. Energie kan wel worden omgezet

van de ene energievorm in de andere of overgedragen van het ene systeem naar het andere.

Tijdens een chemische reactie wordt dus meestal energie afgegeven

(exo-energetische reactie) of opgenomen (endo-energetische reactie). THEMA 04

HOOFDSTUK 5

149


5.2 Exo-energetische reacties

Soms is iets zo vanzelfsprekend dat je er niet bij stilstaat: chemische reacties kunnen ons energie leveren. Enkele voorbeelden:

• Tijdens een labo gebruik je een bunsenbrander om een proef uit te voeren (aardgas verbranden).

• Voor vuurwerk wordt gebruikgemaakt van verschillende metalen, zoals knaleffect.

IN

Afb. 54 De bunsenbrander bij een labo

aluminium, natrium, magnesium en koper. Die zorgen voor het licht- en

Tijdens die chemische reacties komt er energie vrij: we spreken van een

exo-energetische reactie. Uit de wet van behoud van energie kun je dan concluderen dat de reagentia meer chemische energie hebben dan de reactieproducten (ER > EP, de reactie levert energie).

De reactie-energie (∆E) wordt gedefinieerd als het verschil tussen de

chemische energie-inhoud van de reactieproducten (EP) en de chemische

N

energie-inhoud van de reagentia (ER):

Afb. 55 Vuurwerk

∆E = EP – ER

Een exo-energetische reactie wordt bijgevolg gekenmerkt door een negatieve

VA

reactie-energie: er komt energie vrij tijdens de reactie.

exo-energetische reactie: ∆E < 0

Een exo-energetische chemische reactie kan worden weergegeven in een energiediagram.

©

E (J)

ER reactieenergie

ΔE < 0

EP

Grafiek 3 Energiediagram van een exo-energetische reactie

t (s)

Wanneer warmte vrijkomt, spreekt een chemicus van een exotherme reactie. Een bekende toepassing daarvan is de hotpack. Door het activeren van de 150

THEMA 04

HOOFDSTUK 5

hotpack start een exotherme reactie: de omgevingstemperatuur stijgt.


TIP Valt het je op dat er altijd geredeneerd wordt vanuit de stoffen? De term ‘exo’ is afgeleid van het Latijn en betekent ‘uit’. Tijdens een exo-energetische reactie zal dus energie uit de stoffen komen. Kijk je naar de omgeving, dan zal de energie toenemen: bv. de omgevingstemperatuur stijgt. OPDRACHT 19 DEMO

Je leerkracht voert enkele exo-energetische reacties uit. 2 Noteer je waarneming in de tabel. !

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

42 °C

IN

1 Hij/zij voert de proeven uit.

exotherme reactie

25 °C

zoutzuur

magnesium

Afb. 56

N

HCl + NaOH Proef 1

• Voeg bijtende soda-oplossing (NaOH) toe aan de zoutzuuroplossing (HCl).

• Voel tijdens de hele proef aan de proefbuis.

• Rol het lintje Mg op en breng het in de oplossing. • Voel tijdens de hele proef aan de proefbuis. Waarneming:

VA

Waarneming:

Proef 2

• Vul een proefbuis voor 1/3 met zoutzuur (HCl).

WEETJE

Magnesium wordt ook gebruikt

in een vuurstarter. Door met een mes of de bijgeleverde schraper

©

over het magnesium staafje te

schrapen, komen vonken vrij die het vuur kunnen doen starten.

Een tip: gebruik berkenbast, die is zeer geschikt als brandstof.

THEMA 04

HOOFDSTUK 5

151


WEETJE Een voorbeeld van een exo-energetische reactie is de reactie van

cement met water. Het samenvoegen van water en cement is immers een chemische reactie. Strikt genomen mag je dus niet zeggen dat je

cement enkel met water mengt. Tijdens de reactie ontstaat beton, dat water in zijn kristalstructuur opneemt. Daarbij komt warmte vrij.

De vrijgekomen warmte zorgt ervoor dat grote constructies zoals

stuwdammen voor elektriciteitscentrales niet in één keer gegoten

kunnen worden. De vrijgekomen warmte door de reactie tussen cement

IN

en water kan er namelijk voor zorgen dat er scheurtjes ontstaan.

Soms is een exo-energetische reactie net iets wat je níet wilt meemaken,

N

ze worden namelijk ook weleens gebruikt in een foute context. Denk maar

aan de grote hoeveelheid energie die vrijkomt bij de explosie van buskruit. Tijdens die reactie komt er niet alleen warmte vrij, maar ook kinetische energie die grote schade kan aanbrengen.

©

VA

WEETJE

In een bedrijf ontstaan soms explosies omdat

bepaalde stoffen niet (meer) goed gestockeerd worden. Twee bekende voorbeelden zijn de

vuurwerkramp in Enschede in 2000 en de ontploffing van ammoniumnitraat in Beiroet in 2020. Wil je de

indrukwekkende beelden van de explosie in Beiroet zien? Scan dan de QR-code.

152

THEMA 04

HOOFDSTUK 5

BEKIJK DE VIDEO


Een exo-energetische reactie is een chemische reactie waarbij een vorm van energie vrijkomt.

E (J)

ER ΔE < 0

IN

reactieenergie EP

Grafiek 4

t (s)

• Een reactie waarbij warmte vrijkomt, is een exotherme reactie.

• Een exo-energetische reactie kan voor grote schade zorgen bij verkeerd gebruik.

N

OPDRACHT 20 DOORDENKER

Wat gebeurt er als je Mentos-muntjes aan cola light toevoegt?

Voer deze proef uit op de speelplaats! Je kunt de proef ook thuis uitvoeren en er een filmpje van maken. 1 Verzamel de benodigdheden. Mentos-muntjes

VA

blad papier kaartje

fles cola light

2 Ga aan de slag.

1 Maak met een blad papier een koker waarin de Mentos-muntjes gestapeld worden. 2 Gebruik een kaartje als basis voor de snoepjestoren, of plaats je hand eronder.

3 Schroef de fles cola light open en plaats de koker boven de fles. Trek nu het kaartje (of je hand) weg, zodat de snoepjes in de fles vallen.

©

3 Noteer je waarneming.

4 Hoe verklaar je dat?

THEMA 04

HOOFDSTUK 5

153


5.3 Endo-energetische reacties

Analyse en synthese zijn tegengestelde reacties. Kunnen we dat doortrekken

naar energie-reacties? We weten nu dat sommige chemische reacties energie leveren: ze zijn exo-energetisch. Wanneer we die reacties omdraaien, zal er

energie nodig zijn om de reactie uit te voeren. Tijdens zo’n reacties wordt er dus energie opgenomen: het zijn endo-energetische reacties.

Uit de wet van behoud van energie kun je concluderen dat de reagentia

minder chemische energie hebben dan de reactieproducten (ER< EP). In de OPDRACHT 21

IN

eerste graad heb je al kennisgemaakt met zo’n reactie: de fotosynthese.

Bekijk de chemische reactie en los de vragen op. 6 CO2 + 6 H2O → C6H12O6 + 6 O2

1 Welk biologisch proces wordt hier weergegeven?

N

2 Welke energievorm wordt er gebruikt tijdens de reactie?

3 Kruis de juiste uitspraak aan.

VA

Fotosynthese is een exo-energetische reactie. Fotosynthese is een endo-energetische reactie.

Een endo-energetische reactie wordt bijgevolg gekenmerkt door een

positieve reactie-energie: er wordt energie toegevoegd tijdens de reactie. Endo-energetische reactie: ∆E = En - Evoor > 0

Een endo-energetische chemische reactie kan worden weergegeven in een

©

energiediagram.

E (J)

EP reactieenergie ER t (s)

154

THEMA 04

HOOFDSTUK 5

Grafiek 5 Energiediagram van een endo-energetische reactie

ΔE > 0


OPDRACHT 22 DEMO

Je leerkracht voert een endo-energetische reactie uit. 1 Je leerkracht voert de proef uit. 2 Noteer je waarneming in de tabel. Gebruik een thermometer. Proef • Meng enkele citroenzuurkristallen met een beetje bakpoeder in een proefbuis.

• Voeg eventueel een beetje water toe.

Waarneming:

IN

• Monitor de temperatuursverandering tijdens de hele proef.

In opdracht 22 daalt de omgevingstemperatuur. De reactie heeft energie nodig om te kunnen plaatsvinden: ze neemt warmte op uit de omgeving.

We spreken dan van een endotherme reactie. Een bekende toepassing is het

N

coldpack.

WEETJE

Bij sporters wordt vaak een zakje ijs gebruikt om bij

een kwetsuur de zwelling tegen te gaan. Zulke zakjes sluiten echter niet goed af rond de kwetsuur en

werken minder efficiënt. Daarom werden coldpacks

©

VA

ontwikkeld. De meeste bevatten een gel die niet bevriest in een diepvries. Zogenaamde instant

coldpacks bestaan intern uit twee zakjes; in het ene zit water, in het andere ammoniumnitraat (NH4NO3). Wanneer de stoffen bij elkaar

komen, treedt er een endotherme reactie op waardoor de omgeving, in dit geval dus het gebied rond de kwetsuur, kouder wordt.

Net als bij een exo-energetische reactie kunnen bij een endo-energetische reactie niet alleen warmte-energie maar ook andere energievormen

opgenomen worden. Bij bijvoorbeeld een fotolyse start lichtenergie een reactie op.

WEETJE Sommige reacties hebben geen zichtbaar licht nodig, maar

maken gebruik van uv-straling.

Een bekende toepassing heb je misschien al ervaren bij de

tandarts. De uv-lamp die op

een pas behandelde tand wordt geplaatst, zorgt ervoor dat de

vulling uithardt. Dit is een endo-energetische reactie. THEMA 04

HOOFDSTUK 5

155


Naast licht- en warmte-energie kunnen ook andere energievormen een

chemische reactie doen ontstaan. Zo werd er in thema 3 elektrische energie gebruikt om water te splitsen in waterstofgas en zuurstofgas.

Het spontaan initiëren van een reactie door de opname van energie is niet altijd gewenst.

Lichtenergie kan reacties opstarten die nadelig zijn. Voorbeelden:

• Stoffen worden vaak bewaard in een bruine fles om te voorkomen dat

licht de chemische stof aantast. Wijn wordt bijvoorbeeld bewaard in een geeft.

IN

gekleurde fles omdat blootstelling aan zonlicht de wijn een azijnsmaak

• Krantenpapier wordt geel als het te lang in de zon ligt.

• Lange blootstelling aan licht kan ervoor zorgen dat de lange moleculen in kunststoffen worden gebroken in steeds kleinere moleculen. In de

volksmond zegt men dat de kunststoffen ‘verduren’, een fenomeen dat vaak voorkomt bij oude pvc-dakgoten.

Een endo-energetische reactie is een chemische reactie waarbij een vorm

N

van energie wordt opgenomen.

VA

E (J)

EP

reactieenergie

ΔE > 0

ER

Grafiek 6

t (s)

©

• Een reactie waarbij warmte wordt opgenomen, is een endotherme

156

THEMA 04

HOOFDSTUK 5

reactie.

• Een endo-energetische reactie kan voor grote schade zorgen bij verkeerd gebruik.

` Maak oefening 16 t/m 21.


OPDRACHT 23 1 Lees de artikels. Is dit een exotherme of een endotherme reactie? Kruis aan. Artikel 1

De heat packs bereiken ongeveer 55 °C en zijn geschikt om bv. spierpijn te verhelpen. De inhoud van de plakken is niet giftig of gevaarlijk. Hij bestaat uit water en natriumacetaat, een stof die ook in voedsel gebruikt wordt.

IN

Warmtepakken of hot packs stralen gedurende een halfuur tot maximaal een uur warmte uit. Nadien kunnen ze weer gebruiksklaar gemaakt worden door ze ongeveer zes minuten in kokend water te plaatsen. In elke heat pack zit een muntje en een vloeistof die iets dikker is dan water. Buig je het muntje, dan stolt de vloeistof en wordt er warmte gecreëerd. Na vijftien seconden is de vloeistof veranderd in een halfharde vulling die ongeveer dertig minuten nodig heeft om helemaal hard te worden. Tijdens dit proces blijft de plak warmte uitstralen.

Artikel 2

N

 exotherm    endotherm

drijven. Bovendien gaat er door wrijving veel energie verloren.

©

VA

De meeste auto’s rijden nog altijd met zogenaamde verbrandingsmotoren. Daarin wordt een mengsel van brandstof en lucht tot ontploffing gebracht (een heel snelle verbranding is een ontploffing). Bij de ontploffing zet het mengsel uit, waardoor arbeid geleverd wordt en de wielen van de auto worden aangedreven. Het rendement van een verbrandingsmotor is beperkt: slechts 25 % van de energie die vrijkomt bij de verbranding wordt nuttig gebruikt. Bij de ontploffing komt immers ook warmte vrij en die kunnen we niet gebruiken om de wielen aan te

 exotherm    endotherm

2 Bekijk de ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal en ontdek verschillende exotherme en endotherme reacties in het dagelijkse leven.

OPDRACHT 24 ONDERZOEK

Voer het labo rond exotherme en endotherme reacties uit. Je vindt het op p. 299.

THEMA 04

HOOFDSTUK 5

157


THEMASYNTHESE

WAT IS EEN CHEMISCHE REACTIE? Tijdens een chemische reactie worden de aanwezige atomen herschikt ter vorming van nieuwe stoffen. Bij samenvoegen

HOE WORDT EEN CHEMISCHE REACTIE GENOTEERD?

De reactievergelijking

reagentia → reactieproducten

Behoud van atomen

• Per atoomsoort is het aantal atomen voor en na de reactie gelijk.

• Voor stoffen worden coëfficiënten geplaatst om het aantal atomen per soort gelijk te stellen.

N

WELKE TYPES CHEMISCHE REACTIES BESTAAN ER?

1 Analyse

Een chemische reactie waarin een samengestelde stof

2 Synthese

Een chemische reactie waarbij een samengestelde stof gevormd wordt.

VA

wordt ontleed.

Na de reactie

IN

Voor de reactie

Dat kan met behulp van:

• warmte (thermolyse), • licht (fotolyse),

• elektriciteit (elektrolyse).

Dat kan met behulp van:

• warmte (thermosynthese), • licht (fotosynthese),

• elektriciteit (elektrosynthese).

WAT GEBEURT ER MET DE MASSA’S VOOR EN NA EEN CHEMISCHE REACTIE?

De wet van Lavoisier (behoud van massa)

De totale massa voor en na een chemische reactie blijft gelijk.

©

mreagentia = mreactieproducten

WELK NUT HEBBEN CHEMISCHE REACTIES ALS ENERGIEBRON?

• Stoffen bevatten een specifieke hoeveelheid energie: de chemische of inwendige energie (E).

• Chemische reacties kunnen nuttig zijn als energiebron in het dagelijks leven (bv. warmte, elektriciteit), maar kunnen ook nadelig zijn (bv. verduren van materialen).

• Er bestaan exo- en endo-energetische reacties.

158

THEMA 04

THEMASYNTHESE


THEMASYNTHESE

Exo-energetische reactie

Endo-energetische reactie

Een chemische reactie waarbij energie vrijkomt tijdens

Een chemische reactie waarbij energie opgenomen

De reagentia hebben meer chemische energie dan de

De reagentia hebben minder chemische energie dan de

de reactie.

E (J)

ER > Ep

reactieproducten.

E (J)

ER > Ep

IN

reactieproducten.

wordt tijdens de reactie.

EP

ER reactieenergie EP

ΔE < 0

reactieenergie

ER

t (s)

t (s)

N

Voorbeeld: verbranden van magnesium

Voorbeeld: elektrolyse van water

Mijn samenvatting

VA

ΔE > 0

BEKIJK KENNISCLIP

©

THEMA 04

THEMASYNTHESE

159


CHECKLIST

JA

NOG OEFENEN

1 Begripskennis • Ik ken het verschil tussen een chemisch en een fysisch proces. • Ik ken het verschil tussen een coëfficiënt en een index.

• Ik ken het verschil tussen een analyse en een synthese.

• Ik ken de begrippen elektrolyse, thermolyse en fotolyse. • Ik ken het begrip chemische energie.

• Ik ken het verschil tussen exo- en endo-energetische reacties.

2 Onderzoeksvaardigheden

• Ik kan een reactievergelijking opstellen.

• Ik kan reagentia en reactieproducten toelichten.

IN

• Ik ken de termen endotherm en exotherm.

• Ik kan de wet van behoud van atomen uitleggen en toepassen.

• Ik kan een synthese/analyse herkennen en er voorbeelden van geven. • Ik kan de wet van behoud van massa uitleggen en toepassen.

• Ik kan een exo- en endo-energetische reactie grafisch weergeven.

• Ik kan een exo- endo-energetische reactie herkennen en er voorbeelden van

N

geven.

invullen bij je Portfolio.

©

VA

` Je kunt deze checklist ook op

160

THEMA 04

CHECKLIST


CHECK IT OUT

Waarom rijst brood? CO2-vorming zorgt voor het rijzen van brood, maar er gebeurt zoveel meer. Bekijk de video en beantwoord de vragen.

BEKIJK DE VIDEO

1 Vul de tabel aan. Temperatuur

Wat gebeurt er?

33 °C

100 °C

154 °C

fysisch proces chemisch proces fysisch proces chemisch proces

IN

62 °C

Proces

fysisch proces chemisch proces

fysisch proces chemisch proces

2 Wat is de formule en de naam van het rijsmiddel in bakpoeder?

a Kruis aan.

N

3 Tijdens de Maillard-reacties ontstaan nieuwe biomoleculen.

Dit is een analysereactie. Dit is een synthesereactie.

b Waarvoor zorgen die nieuwe chemische stoffen?

VA

c Kruis aan.

Dit is een exo-energetische reactie. Dit is een endo-energetische reactie.

d Wat is de naam van de laatste reactie?

• Dit is een analyse / synthese (schrap wat niet past).

• Dit is een endo-energetische / exo-energetische reactie (schrap wat niet past).

e Op welke temperatuur moet je de oven instellen om dit proces te laten plaatsvinden?

!

Bij het bakken van koekjes ontstaan tijdens de chemische reacties nieuwe stoffen zoals CO2 (door

©

herschikking van de atomen). CO2 zorgt voor het rijzen van het deeg. Er zijn tijdens het bakken geen nieuwe atomen gecreëerd: dat is de wet van behoud van atomen.

Tijdens een chemische reactie geldt ook de wet van behoud van massa. Omdat er gassen gevormd worden tijdens het bakken van koekjes, zal er massa verloren gaan. De koekjes wegen minder.

Tijdens het bakken zullen eiwitten veranderen van structuur of omgezet worden. Die nieuwe stoffen

zorgen voor de specifieke smaken. Wanneer de koekjes te lang gebakken worden, zullen de eiwitten stukgaan en de koekjes verbranden. En nu maar echt koekjes bakken!

THEMA 04

CHECK IT OUT

161


AAN DE SLAG

1

Zijn de verschijnselen fysisch of chemisch? Zet een kruisje in de juiste kolom. Verschijnsel

Fysisch

Chemisch

ijzer laten roesten fruit laten rotten

inkt verwijderen met een inktwisser potlood verwijderen met een gom ontkleuren met bleekwater linnen drogen

groenten gaarkoken voedsel verteren

IN

boter smelten boter bruinen

ijs smelten en water vormen een blok hout verbranden

een trui laten verkleuren door langdurige blootstelling aan zonlicht ijzer smelten

2

Zijn de modelvoorstellingen voorbeelden van fysische of chemische processen? Leg uit. Modelvoorstelling

Fysisch of chemisch proces

N

T

VA

elektrische energie

©

162

THEMA 04

AAN DE SLAG

T


3

Schrijf de chemische reactie.

De synthese van waterstofchloride (HCl) uit diwaterstof en dichloor.

4

Schrijf de chemische reactie.

De chemische reactie tussen salpeterzuur (HNO3) en soda (NaOH), waarbij natriumnitraat (NaNO3) en water gevormd worden.

5

Schrijf de chemische reactie.

De analyse van glucose (C6H12O6) in water en koolstof.

6

IN

Vul de reactievergelijkingen aan.

Al +    O2 →    Al2O3

Al2O3 +    Na →    Na2O +    Al

N

H2S +    O2 →    H2O +    SO2    NH3 →    N2 +    H2

CO2 +    H2O →    C6H12O6 +    O2    Fe +    O2 →    Fe2O3

VA

PCl5 →    P +    Cl2    Hg +    l2 →    Hgl

SnS2 →    Sn +    S

Pb +    O2 →    PbO

HCl +    O2 →    Cl2 +    H2O

C2H4 +    O2 →    CO2 +    H2O    Na2O +    H2O →    NaOH    N2 +    H2 →    NH3

©

Al +    PbO2 →    Al2O3 +    Pb    KClO3 →    KCl +    O2    NH3 +    HCl → NH4Cl

NH3 +    O2 + →    NO +    H2O    Fe +    S →    FeS

Cr2O3 +    Zn →    ZnO +    Cr

C12H22O11 →    C +    H2 +    O2

C12H22O11 +    O2 →    CO2 +    H2O

THEMA 04

AAN DE SLAG

163


7

Vul de reactievergelijkingen aan en beantwoord de vragen.

a Bij een onvolledige verbranding van aardgas (bv. bij een gaskachel in een badkamer) wordt het giftige koolstofmonoxide gevormd.

CH4 +    O2 →    CO +    H2O

b Bakpoeder reageert met azijn.

NaHCO3 +    CH3COOH →    CH3COONa +    CO2 +    H2O Hoe kun je visueel waarnemen dat het om een chemische reactie gaat?

IN

c Met glucose kan drankalcohol (ethanol) gevormd worden. De zogenaamde ‘moonshiners’, mensen die illegaal alcohol stoken, maken gebruik van deze reactievergelijking.

C6H12O6 →    C2H5OH +    CO2

d In grotten worden langzaam druipstenen gevormd.

Regenwater dat de grotten binnensijpelt, bevat het

oplosbare Ca(HCO3)2. Door de lage concentratie aan CO2

in de grot treedt een reactie op. Naast CO2 en water wordt daarbij ook het onoplosbare CaCO3 gevormd, waaruit de druipstenen zijn opgebouwd.

8

N

Ca(HCO3)2 →    CaCO3 +    CO2 +    H2O

Leid uit de volgende reactievergelijkingen de waarden van x, y en z af. a CxHy + 5 O2 → 3 CO2 + 4 H2O

x =

c 4 FeS + 7 O2 → 2 FexOy + z SO2

x =

x =

VA

b 3 Ag + 4 HNO3 → 3 AgxNyOz+ NO + 2 H2O

d 2 Fe + 3 Cl2 → 2 FexCly

10

y =

z =

Bekijk de reactievergelijkingen. Is het een synthese of een analyse? Kruis aan.

Fe + S → FeS

Li2CO3 → CO2 + Li2O

6 CO2 + 6 H2O → C6H12O6 + 6 O2 NH4Cl → NH3 + HCl

THEMA 04

x =

y =

2 H2 + O2 → 2 H2O

164

y =       z =

Waarom mag je de indexen bij de formules niet wijzigen?

©

9

y =

AAN DE SLAG

Analyse

Synthese


11

Vul de reactievergelijkingen aan en beantwoord de vragen. a Het ijzer in boten, auto’s en fietsen roest.

Fe +    O2 →    Fe2O3

Is dit een analyse of een synthese? Verklaar.

Is dit een analyse of een synthese? 12

Stel dat ammoniak (NH3) aan elektrolyse wordt onderworpen, welke gassen zouden er dan ontstaan?

Schrijf de bijbehorende reactievergelijking. Is dit een synthese en/of een analyse?

N

13

IN

b Aluminium en zuurstof reageren tot vorming van di-aluminiumtrioxide (Al2O3).

Een reepje magnesiumlint wordt verbrand. Bij die reactie ontstaat een wit poeder: magnesiumioxide.

De massa daarvan is groter dan die van het oorspronkelijke magnesium. Wil dat zeggen dat de wet van Lavoisier niet geldig is? Motiveer je antwoord.

VA

14

Pas de chemische reacties aan indien nodig. Noteer telkens of het om een synthese of analyse gaat. P2O5 +

H2O 

H3PO4

HClO2  H2 + Cl2 + 2 O2

©

Welke wet pas je toe?

Hoe heten de getallen die je aanbrengt?

15

Waarom is een proef waarbij een gas ontstaat minder geschikt om de wet van Lavoisier aan te tonen? Waar moet je op letten? Verklaar.

THEMA 04

AAN DE SLAG

165


16

Vul bij elk verschijnsel het bijbehorende begrip in. Opgelet: een van de gegeven begrippen is niet van toepassing. Je mag elk begrip slechts één keer gebruiken.

analyse – endo-energetisch – endotherm – exo-energetisch – exotherm – fysische reactie – synthese a een vijver die bevriest

c samengestelde stoffen  enkelvoudige stoffen

b Mg + 2 HCl  MgCl2 + H2 + warmte

d het opnemen van warmte tijdens een reactie

e een Mg-lint verbranden (het vrijkomen van licht)

17

IN

f eenvoudige moleculen  complexere moleculen

Vul de reactievergelijkingen aan en beantwoord de vragen. Waterstofgas wordt gebruikt in brandstofcellen.

H2 +    O2 →    H2O

a Is dit een endo-energetische of een exo-energetische reactie? Verklaar.

N

b Is dit een analyse of een synthese? Verklaar.

VA

18

Vervolledig de reactievergelijkingen en beantwoord de vragen. a Planten voeren een fotosynthesereactie uit.

+      → C6H12O6 +    O2

Is dit een endo-energetisch of een exo-energetisch proces? Verklaar.

Welke energie-omzettingen vinden hierbij plaats?

©

b Methaangas (CH4) wordt gebruikt om woningen te verwarmen.

CH4 +    O2 →    CO2 +    H2O

Is dit een endo-energetisch of een exo-energetisch proces? Verklaar.

Welke energie-omzettingen vinden hierbij plaats?

166

THEMA 04

AAN DE SLAG


19

Beoordeel de stellingen. Duid aan met juist (J) of fout (F). Juist of fout?

Stelling

Tijdens een chemische reactie worden nieuwe stoffen gevormd. Verbetering:

Tijdens een exo-energetische reactie hebben de stoffen na de reactie de grootste energie-inhoud. Verbetering:

Als je een endotherme reactie uitvoert in een waterbad dan zal de temperatuur van het Verbetering:

IN

water rond de reactiebeker stijgen.

De stoffen verliezen energie tijdens een exotherme reactie. Verbetering:

Wat hoort er bij elkaar? Noteer het juiste getal in de tweede tabel. 1

fotosynthese

3

De reactieproducten bevatten meer

2 4 5

energie dan de reagentia.

De stoffen verliezen energie. glimwormen

chemische energie naar lichtenergie

endo-energetische reactie

exo-energetische reactie

lichtenergie naar chemische energie fysische reactie

Teken een energietijddiagram van een exo-energetische reactie. Vermeld de volgende gegevens: energieniveau van de reactieproducten (EP); energieniveau van de reagentia (ER); ΔE < 0 of ΔE > 0

VA

21

smelten

N

20

©

(teken een pijl). Benoem de assen.

` Verder oefenen? Ga naar

.

THEMA 04

AAN DE SLAG

167


Notities

VA

N

IN

©

168

THEMA 04


BOUW, EIGENSCHAPPEN EN RANGSCHIKKING VAN ATOMEN

THEMA 05

171

VERKEN

172

IN

CHECK IN

` HOOFDSTUK 1: Hoe evolueerde het atoommodel?

174

1.1 Van voorwerp tot atoom 174 1.2 Nog kleiner dan het atoom 175

` HOOFDSTUK 2: Wat weten we al over het atoom?

183

N

2.1 De elementaire deeltjes en hun lading 183 2.2 De massa van het atoom 184

` HOOFDSTUK 3: Hoe zitten elektronen verdeeld in

een atoom?

189

3.1 De Bohr-Rutherford elektronenverdeling 189

VA

A Schillen rond de nucleus B Elektronen op een schil

189 190

3.2 Elektronenconfiguratie 196 3.3 Lewisstructuren 197

` HOOFDSTUK 4: Wat leren we uit de plaats van

©

een element op het PSE?

201

4.1 Perioden en groepen 202 4.2 De a-groepen en hun naam 205 4.3 Waarom lijken atomen graag op een edelgas? 207 4.4 Elektronegativiteit 210 4.5 Zijn er naast de massa en elektronenconfiguratie nog andere indelingen op het PSE? 213

169


THEMASYNTHESE

216

CHECKLIST

219

PORTFOLIO

AAN DE SLAG

©

VA

N

OEFEN OP DIDDIT

170

220

IN

CHECK IT OUT

221


CHECK IN

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet! De wetenschap is continu op zoek naar een ruimer beeld van het heelal. Sinds 2018 wordt ‘de planetenjager’ TESS (Transiting Exoplanet Survey Satellite) gebruikt om op zoek te gaan naar leven en bewoonbare planeten buiten ons zonnestelsel. Het is de

krachtigste telescoop tot nog toe. In januari 2020 werd voor het

eerst een bewoonbare planeet ontdekt buiten ons zonnestelsel. De planeet kreeg voorlopig de naam ‘TOI700d’ en is meer dan

IN

100 lichtjaar van onze aarde verwijderd.

Met preciezere apparatuur slagen wetenschappers er ook in om steeds kleinere deeltjes te bekijken. In de lessen natuurwetenschappen heb je vast al gehoord of gebruikgemaakt van een microscoop.

Afb. 57

Afb. 58

N

Raad wat je hier uitvergroot ziet!

Afb. 59

VA

Atomen zijn voor de mens niet zichtbaar met het blote oog, maar ondertussen zijn we in staat steeds kleinere deeltjes te bekijken. Organismen, onderdelen van planten … die je normaal niet kunt zien met het blote oog, worden plots zichtbaar.

In 1931 werd de eerste elektronenmicroscoop gebouwd. We zijn daardoor nu in staat om kleine cellulaire onderdelen tot een paar miljoen keer of meer

©

groter te zien.

Afb. 60 De elektronenmicroscoop van de Vrije Universiteit Brussel

? ` Hoever hebben we stoffen al kunnen ontleden? ` Zijn we al beland bij het kleinste deeltje? We zoeken het uit!

THEMA 05

CHECK IN

171


VERKEN

Atoom of element? OPDRACHT 1

Wat weet je al over de elementen? 1 Elementen worden voorgesteld door een symbool. Vul de volgende tabel verder aan. Element

Symbool

natrium

waterstof

IN

Mn

koper

S

barium

Symbool

tin

K

Element

P

argon

Fe

Ag

2 Welke twee grote groepen van elementen kunnen we onderscheiden in het PSE?

N

3 Tot welke groep behoren de edelgassen?

4 Markeer op het volgende PSE de metalen in het rood, de niet-metalen in het groen. Omcirkel vervolgens

VA

specifiek de edelgassen.

He

H

Li

Be

B

C

N

O

F

Ne

Na

Mg

Al-

Si

P

S

Cl-

Ar

K

Ca

Ti

©

Sc

172

V

Cr

Mn

Fe

Co

Ni

Cu

Zn

Ga

Ge

As

Se

Br

Kr

Rb

Sr

Y

Zr

Nb

Mo

Tc

Ru

Rh

Pd

Ag

Cd

In

Sn

Sb

Te

I

Xe

Cs

Ba

La

Hf

Ta

W

Re

Os

Ir

Pt

Au

Hg

Tl-

Pb

Bi

Po

At

Rn

Fr

Ra

Ac

Rf

Db

Sg

Bh

Hs

Mt

Ds

Rg

Cn

Nh

Fl-

Mc

Lv

Ts

Og

THEMA 05

VERKEN


VERKEN

5 We gebruiken tijdens de lessen chemie de begrippen ‘atoom’ en ‘element’. Verklaar kort het verschil tussen die twee begrippen.

6 Staan er in de onderstaande figuur deeltjes waarvan jij misschien al gehoord hebt en waarvan je denkt dat ze in een atoom aanwezig zijn? Schrap de deeltjes waarvan je denkt dat ze niet in een atoom voorkomen.

IN

chips

molecule            virus

quarks        ozon        neutrino

N

proton          elektron          zout

aerosol       hemoglobine       neten

VA

hadronen        neutron

stuifmeel

Je hebt nu eigenlijk al kleinere deeltjes benoemd dan dat je met de microscoop kunt waarnemen.

©

In dit thema gaan de betekenis en het voorkomen van al die deeltjes duidelijk worden.

THEMA 05

VERKEN

173


HOOFDSTUK 1

Hoe evolueerde het atoommodel? LEERDOELEN Je kunt al: L begrijpen dat wetenschappelijke kennis het resultaat is van voortdurend onderzoek.

IN

Je leert nu:

L de historische evolutie van de atoommodellen van Dalton tot en met Bohr begrijpen en de evolutie chronologisch weergeven;

L de bouw van een atoom (volgens het

gecombineerde atoommodel van BohrRutherford) toelichten;

deeltjes ontleden. De kennis die we vandaag

hebben, is te danken aan eeuwen van voortbouwend onderzoek en wetenschappelijke proeven. Een

ontdekking is vaak het werk van één wetenschapper of één team, maar een wetenschappelijke theorie is het resultaat van vele bijdragen.

N

L het atoommodel met een tekening weergeven.

Net als wij willen wetenschappers steeds kleinere

1.1 Van voorwerp tot atoom

Elk mengsel bestaat uit een of meerdere soorten stoffen. In het voorbeeld van spuitwater (afbeelding 61) zien we dat stoffen – of materie – bestaan

VA

uit nog kleinere verbindingen. En ook die verbindingen kunnen nog verder opgedeeld worden tot we uiteindelijk bij atomen uitkomen.

C

CO2

CO2

O

©

spuitwater

mengsel

zuivere stof

H H2O O verbindingen

Afb. 61 Spuitwater

Een voorwerp is opgebouwd uit een bepaalde materie. • Materie is opgebouwd uit stoffen.

• Stoffen zijn verbindingen van deeltjes of atomen. • Een element is een type of atoomsoort. • Een atoom is een deeltje van dat type.

174

THEMA 05

HOOFDSTUK 1

atomen


1.2 Nog kleiner dan het atoom

OPDRACHT 2

Begrip

IN

Bekijk de afbeeldingen en vul de tabel aan.

Afb. 62

Afbeelding 62

voorwerp

materie stoffen

verbindingen van onder meer …

Afb. 63

C12H22O11

N

Afbeelding 63

atoomsoorten of elementen

In thema 3 heb je geleerd dat er dus verschillende soorten elementen

VA

bestaan. Van een handvol daarvan ken je intussen het symbool en de naam.

OPDRACHT 3

Elke stof is opgebouwd uit bouwstenen: de atomen. Maar hoe is zo’n atoom zelf opgebouwd?

©

Teken hoe jij denkt dat een atoom eruitziet en beschrijf aan je buur.

Onze wetenschappelijke kennis is er in de loop der tijd sterk op

vooruitgegaan. Nieuwe technologieën zorgden ervoor dat onze inzichten in de bouw van het atoom veranderden doorheen de eeuwen. Bijgevolg moesten de modellen die we gebruiken om een atoom voor te stellen,

aangepast worden. Er is ondertussen al een hele weg afgelegd, waarbij

wetenschappers steeds verder bouwden op de kennis van hun voorgangers.

Bekijk de chemische tijdlijn waarbij de belangrijkste mijlpalen in de evolutie van het atoommodel worden aangestipt. Maar denk eraan: met nieuwe

technieken komen nieuwe inzichten. Deze tijdlijn kan dus in de toekomst (of in komende schooljaren) nog verder aangevuld worden. Scan de QR-code voor een meer uitgebreide versie van de tijdlijn.

THEMA 05

HOOFDSTUK 1

175


1869 410 V.C.

Ia 1

De Griekse filosofen

1

IIa 2

2,1

H

1

atoomnummer (Z)

1,0

4

Li

2

1,5

12

natrium

24,31

0,8

20

21

1,3

22

Vb 5

1,5

23

VIb 6

1,6

24

1,6

1,5

26

1,8

27

1,9

28

1,9

Ib 11 29

1,9

IIb 12 30

1,6

14

1,8

3,0

N

stikstof

1,6

16

1,8

4,0

2,0

2,4

chloor

Fe

Co

Ni

Cu

Zn

Ga gallium

germanium

Ge

As

Se seleen

broom

Br

Kr

54,94

55,85

58,93

58,69

63,55

65,38

69,72

72,64

74,92

78,96

79,90

83,80

0,8

38

39

56

cesium

57

lanthaan

137,3

0,7

88

138,9

0,9

89

Ra

223

1,1

La

barium

132,9

francium

40

1,1

Ac

1,4

41

Zr

niobium

91,22 72

1,6

Nb

zirkonium

88,91

0,9

Ba

7 Fr

1,2

Y

yttrium

87,62

0,7

87

1,0

Sr

strontium

85,47

Cr

42

1,8

Mo

molybdeen

92,91

1,3

73

Hf

hafnium

74

1,7

2,2

45

Ru

2,2

2,2

1,9

Ag zilver

106,4 78

2,2

iridium

2,2

1,9

1,7

1,8

Sn tin

114,8 1,8

1,8

1,9

Bi

bismut

2,1

2,0

2,5

polonium

seaborgium

bohrium

hassium

meitnerium

darmstadtium

röntgenium

copernicium

nihonium

flerovium

moscovium

livermorium

tennessine

ganesson

262

266

264

277

268

281

272

285

287

289

288

289

289

289

lanthaniden

6

actiniden

7

1,1

Ce

cerium

59

1,1

Pr

praseodymium

140,1 91

1,5

Pa

1,2

61

Nd

62

1,2

63

Pm Sm

neodymium

promethium

144,2 92

93

1,3

europium

150,4 94

Np

64

Eu

samarium

(145)

1,4

U

95

1,3

65

Gd

1,2

Tb

gadolinium

151,9

1,3

Pu

terbium

157,3 96

66

(1,2)

Dy

dysprosium

158,9 97

1,2

Ho

holmium

164,9 99

1,2

Er

erbium

167,3 100

1,2

Tm thulium

168,9 101

1,1

Yb ytterbium

173,0 102

einsteinium

fermium

mendelevium

nobelium

lawrencium

251

252

257

258

259

262

243

No

Ia 1

11

1

3

4

Li

2

Be

lithium

12

magnesium

22,99

21

1,3

Sc

scandium

44,96 39

1,2

Y

1,5

Ti

titaan

23

V

vanadium

47,87

40

1,4

1,6

50,94

41

Zr

1,6

Nb

zirkonium

niobium

91,22

92,91

IVb 4

Vb 5

88,91

57

1,1

La

lanthaan

138,9

89

1,1

Ac

1,3

73

Hf

1,5

Ta

hafnium

tantaal

178,5

104

Rf

rutherfordium

noemt 1,6

Cr

227

261

Db

24,31

0,8

20

1,0

21

1,3

22

1,5

23

1,6

24

Ce

6

cerium

7

1,3

Th

26

1,8

titaan

vanadium

chroom

mangaan

ijzer

44,96

47,87

50,94

52,00

54,94

55,85

Mo

38

0,8

1,0

strontium

85,47

87,62

54,94

56

0,7

39

1,2

0,9

88,91

57

barium

lanthaan

132,9

137,3 ijzer

138,9

0,7

88

0,9

55,85

89

1,4

Zr

zirkonium

91,22

72

1,1

41

1,6

42

Nb

1,9 niobium28

Hf Co

1,1

La

cesium

87

40

Y

1,8 yttrium27

1,3

92,91

73

tantaal

180,9

104

58,93

Tc

technetium

98

1,7

75

W

francium

radium

actinium

rutherfordium

223

226,0

227

261

Ru {

Rh6

lanthaniden

ruthenium groepen

rhodium

101,1 actiniden

102,9

Sg

Bh

bohrium

Pr

praseodymium

60

Nd

neodymium

140,9 1,5

Pa

1,2

144,2 92

1,4

U

Va 15

44

98

75

101,1

76

renium

186,2

107

58,69

1,9

28

2,2

46

2,2

102,9

77

iridium

192,2

108

63,55

106,4

78

47

dubnium

seaborgium

262

58

266

Pr Pd

1,1

59

Ce

cerium

Ir

2,2

65,38

Mt

meitnerium

277

268

61 62 1,2 John Dalton

Pm Sm

samarium

(145)

93

1,3

Np

darmstadtium

268

1,9

1,6

48

1,7

26,98

107,9

79

Cd

cadmium

Nd

62

promethium

samarium

(145) zilver

144,2

1,4

93

1,3

107,9

1,2

europium

151,9 cadmium

150,4

94

63

1,3

95

1,3

112,4

31

thorium

protactinium

uraan

232,0

Pt

231,0

238,0

1,3

Pu

plutonium

237

244

Au

platina

112,4

80

goud

111

1,9

1,7

Ds

darmstadtium

285

1,2

terbium

158,9 indium

157,3

1,8

Sn tin

Rg

281

97

114,8

64

Eu

europium

1,3

curium

243

247

Gd

Cn

copernicium

118,7

82

1,8

114

72,64

Fl-

flerovium

287

66

289

67

Dy

dysprosium

1,2

Tb

terbium

californium

247

251

einsteinium

Nh

(1,2)

Dy

dysprosium

Bk

35

127,6

84

53

2,0

116

74,92

Mc

32,07

126,9

Tm Sb

69

Er

erbium

167,3

1,2

radon

78,96

289

70

121,8

Og

ganesson

289

71

Yb

ytterbium

lutetium

127,6

mendelevium

nobelium

258

259

257

Bi

lood

bismut

207,2

Fl-

flerovium

lawrencium

Mc

moscovium

Ho

holmium

164,9

Er

erbium

167,3 100

uraan

neptunium

plutonium

americium

Am

Cm curium

berkelium

californium

einsteinium

Es

232,0

231,0

238,0

237

244

243

247

247

251

252

69

Tm thulium

168,9 101

1,9

Ni 58,69

0,9 1,0 12 39

38

0,7

0,9

0,7

barium

137,3

Mg

Ra

K

radium

223

lanthaan

37

0,8

178,5

1,1

1,0

104

Ca 227

261

calcium

38

1,5

43

1,7

tantaal

183,9

1,3

106

Sc 1,1

76

renium

2,2

190,2

1,5

108

Hs

Ti

hassium

60

1,2

2,2

Vb 2,2

1,9

2,2

iridium

222

Ts

tennessine

Og

ganesson

70

289 1,1

71

1,2

Yb

Lu

ytterbium

lutetium

173,0

175,0 103

No

Lr

fermium

mendelevium

nobelium

lawrencium

257

258

259

262

1,8

argon

30,97 33

1,7

2,2

49

Cd

1,9

200,6

1,6

112

Cn

Cr

281

copernicium

272

63

64

vanadium

tin

1,9

118,7

1,8

82

1,8

thallium

lood

204,4

1,5

114

Nh

Fl-

Mn

nihonium

flerovium

66

67

68

1,2

167,3

1,8

97

Bk

43 98

1,9

99

Cf

xenon

131,3

2,2

86

uraan

neptunium

plutonium

americium

Am

Cm curium

berkelium

californium

einsteinium

fermium

231,0

238,0

237

244

243

247

247

251

252

Fm 257

astaat

radon

222

1,9

118

Ts

Og

Co

tennessine

ganesson

289 1,2

70

1,1

ytterbium

lutetium

168,9

173,0

175,0

2,2

Md

Ru

45 102

2,2

103

No

Rh

nobelium

lawrencium

258

259

262

yttrium

zirkonium

niobium

molybdeen

technetium

ruthenium

rhodium

85,47

87,62

88,91

91,22

92,91

95,94

98

101,1

102,9

0,7

56

cesium

0,7

7 Fr 223

57

lanthaan

137,3 88

0,9

1,1

La

barium

132,9 87

0,9

Ba

138,9 89

Ra

1,1

Ac

72

1,3

73

Hf

hafnium

Rf

1,7

75

W

Db

76

2,2

Sg

Bh

Hs

actinium

rutherfordium

dubnium

seaborgium

bohrium

hassium

226,0

227

261

262

266

264

277

{

lanthaniden

59

Ce

6

Pr

cerium

praseodymium

140,1

actiniden

90

7

1,1

91

Th

1,5

Pa

1,2

Nd

neodymium

140,9

1,3

1,4

U

268

61

62

1,2

Pm Sm

promethium

144,2 92

Mt

meitnerium

samarium

(145) 93

1,3

Np

150,4 94

1,3

Pu

thorium

protactinium

uraan

neptunium

plutonium

232,0

231,0

238,0

237

244

PSE.indd 274

1886 In navolging van de Engelsman

Crookes gebruikt de Duitser Eugen

Goldstein fluorescerende lampen om negatief geladen en positief geladen deeltjes te onderscheiden. Met de Crookes-buis bewijst hij dat de

positief geladen deeltjes vastzitten in een kern, terwijl de negatief geladen deeltjes vrij kunnen bewegen.

60

192,2 109

radium

1,1

iridium

190,2 108

2,2

Ir

osmium

186,2 107

77

Os

renium

183,9 106

1,9

Re

wolfraam

180,9 105

58

groepen

74

tantaal

178,5 104

1,5

Ta

Lr

mendelevium

strontium

55

1

thulium

rubidium

6 Cs

289

71

kobalt

Yb58,93 Lu

1870 101

protactinium

232,0

Tc

Es

44 100

thorium

Mo

Xe

126,9

85

289

69

ijzer

erbium

164,9

1,6 1,3 42 96

54

210

Er55,85Tm

holmium

162,5

95

83,80

2,5

27 117

Lv

livermorium

288 1,2

dysprosium

158,9

1,3

209

1,8

Fe

289

(1,2)

mangaan

Dy54,94Ho

terbium

Nb

2,0

116

Mc

moscovium

157,3

Pu

krypton

I

polonium

209,0

26 115

gadolinium

Np

84

bismut

207,2

25 113

151,9

1,4 1,3 41 94

Kr

jood

127,6

1,9

europium

93

53

telluur

121,8

83

150,4

1,4

2,1

Te

antimoon

samarium

Zr

52

Sb

36

-

287

1,2

51

39,95

2,8

Br

VIIb VIlIb VIlIb Tl 7 Pb Bi 8 Po At9 Rn

285

65

chroom

Gd52,00 Tb

1860

1,8

Sn

114,8

81

kwik

197,0

Rg

50

indium

112,4

80

1,7

In

cadmium

(145)

U

35,45 35

79,90

promethium

Pa

2,4

broom

144,2

1,2 1,5 40 92

34

78,96

röntgenium

Nd 47,87Pm Sm 50,94 Eu

91

32,07

2,0

seleen

48

18

Ar

74,92

24 111

Ds

3,0

Cl-

arseen

goud

195,1

1,6

neon

17

chloor

neodymium

1,3

2,5

S zwavel

140,9

Y

16

72,64

xenon

radon

28,09 32

2,1

P fosfor

praseodymium

86

Rn

15

germanium

Au6 Hg

darmstadtium

1,2

1,8

69,72

VIb

79

110

V

19,00

gallium

107,9

2,2

268 62

fluor

16,00

zink

1,9

platina

192,2

Mt

meitnerium

zuurstof

65,38

zilver

106,4

20,18

stikstof

14

10

Ne

14,01

Si 24,31 silicium

1,6

4,0

F

12,01

magnesium

26,98

31

9

koper

Ag

Ir 5 Pt

23 109

1,6

3,5

O

63,55

47

Pd

78

30

1,5

Al-

aluminium

8

koolstof

140,1

Th

He

3,0

N

cerium

39 90

2

Ge As Se Cu relatieve Zn Ga atoommassa (Ar)

palladium

102,9 77

277

61

titaan

46

Rh

rhodium

osmium

186,2

Bh

bohrium

264 1,1

45

101,1

1,9

266

59

Ce44,96 Pr

7

IVb

22 107

Sg

scandium

2,2

Ru

ruthenium

Re4 Os

seaborgium

262 58

44

98

75

wolfraam

180,9

Db

dubnium

1,9

Tc

technetium

95,94

74

21 105

6

1,0

Sr

actiniden

IIIb

1850

40,08

lanthaniden

1,8

Mo

molybdeen

Ta3 W

Rf

rutherfordium

42

92,91 73

hafnium

138,9

Ac

actinium

226,0

5 Rb

1,3

La Hf 24,31

kalium

39,10

72

1,6

Nb

niobium

91,22

1,1

magnesium

0,8 0,9 20 89

francium

41

Zr

zirkonium

88,91

57

88

7 Fr

1,2 1,4

40

yttrium

87,62

56

natrium

1,2

Y

Sr

strontium

29

nikkel

Xe

118

102

Crookesbuis Fm Md

28

58,93

kobalt

83,80

289 1,2

1,9

Co

ijzer

krypton

210

289 1,2

27

55,85

54

astaat

117

Lv

1,8

Fe

54,94

131,3

2,2

209

livermorium

26

Mn

argon

At

polonium

288 68

85

262

116

289 1,2

2,0

1,5

mangaan

0,8

Cr

25

52,00

39,95

126,9

Po

209,0 115

jood

103

1,6

chroom

50,94

van waterstof. 2,5

175,0 telluur

173,0

102

24

vanadium

IIb 12

Bratoommassa Kr I

1,2

1,6

V

Ib 11

36

79,90

53

Lu Te

1,1

Fm Md 1,9No84 Lr 1,8 83 fermium

2,1

23

titaan

47,87

13

naam

VIlIb 10

dan de 2,8

broom

118

Ts

1,5

VIlIb VIlIb 8 9

Cl-groter Ar is

35,45

35

222 seleen

117

thulium

101

131,3

2,4

86

210

168,9 antimoon

100

xenon

Rn Se

2,2

astaat

289

1,2

Xe

18

chloor

54

At

Lv

288

68

252

67

krypton

3,0

22

neon

20,18

twaalfmaal

17

Kr

2,5

85

polonium

fluor

83,80 zwavel

I

10

19,00

S

36

2,0 jood 34

209 arseen

115

2,8

79,90

4,00

F vanNe koolstof

20,18 zuurstof 18

helium

1,3

Sc9,01 Ti

VIIb 7

44,96

francium

ontdekt

atoommassa

4,0

neon

3,0

Br

2,1

Te

telluur

9

Ne O

fluor

broom

Po As

1,9

Bi

99

Cf

2,4

30,97

209,0

Pb

162,5 98

PSe

52

bismut

114

nihonium

Stas,

4

Be

beryllium

VIb 6

scandium

85,47

1840

21

Vb 5

40,08

55

datHe de

10

19,00

17

seleen

121,8

83

protactinium

HOOFDSTUK 1

helium

F

2,5

78,96 fosfor

1,9

tin

118,7

berkelium

34

Sb

164,9

99

204,4

158,9 97

51

holmium

162,5

98

thallium

66

2,0

74,92

thorium

THEMA 05

He 3,5

4,0

zuurstof

16

2

1,8moscovium51 livermorium 1,9tennessine52

Ho Sn

(1,2)

287 1,2

33

lood

Nh

Tl-

285

157,3 96

9

16,00 stikstof

2,1

207,2 germanium

113

113

65

gadolinium

151,9 95

americium

200,6

272

63

stikstof

14,01

15

1,8antimoon33

Pb Ge

1,8

Tl-

1,7nihonium50

Tb In

Gd

gadolinium

96

112

röntgenium

1,0

IVb 4

calcium

3 Na

VIIaProut, 2 17

4,00

3,5

arseen

28,09

114,8

81

204,4

65

50

In

thallium

69,72

kwik

197,0 111

24,31

20

lithium

K6,94 Ca

1,5

IIIb 3

10,81

kalium

rubidium

0 Jean-Servais 18

VIa 0 16 18

VIIa 17 3,0 8

NO

8

As

72,64 silicium

kwik

272

1,8

germanium

69,72

49

copernicium

64

32

gallium

200,6 gallium 112

röntgenium

Hg

goud

195,1

150,4

94

neptunium

3,0

N

1,8

Ge Si

1,6

Ga

1,6 indium 32

Hg Ga

2,2

Au

281

Pm Sm Cd Eu Ag 61

14

VIa 16

7

7

koolstof

12,01 koolstof

1,5

zink

197,0

110

meitnerium

277

1,2

neodymium

92

110

hassium

promethium

1,5

106,4

192,2

109

Hs

91

hassium

264

60

140,9 palladium

1,3

iridium

190,2

1,1

praseodymium

140,1

90

bohrium

boor

65,38 aluminium

Ag

platina

195,1 zink

109

30

koper

63,55

1,6 zilver 31

Pt Zn

2,2

Ir

osmium

2,2

Pd

palladium

2,5

B

10,81

Zn Al

1,9

Cu

58,69

Rh

190,2 koper

29

nikkel

58,93

45

1,9

Ni IIb 12

kobalt

1,9rhodium30

Os Cu

1,9

Re

106

2,2

Ru

ruthenium

VIlIb 10

Co

CC

6

2,0

13

Va 15

2,5

72,2 Th78 Pa 2,2 U 79 Np 2,2 Pu80 Am 1,9Cm81 Bk 1,8 Cf 82 Es

77

osmium

108

264

1,1

2,2

Os

186,2

107

seaborgium

91

76

renium

183,9

59

1,9

Re

wolfraam

1,7

wolfraam

183,9 nikkel

105

1,9

Tc

27

0,8

4

VIa VIIa elektronegatieve 16 17 4,00

2,5

Mg

boor

gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)

1,27

6

C

B

symbool

39,10

11 37

steunend op het werk van

12,01 10,81 14,01 16,00 Ib 13 IIb 1,5 Al- 14 Si 1,8 P 15 S 2,1 Cl- 16 Ar 2,5 aluminium silicium fosfor zwavel chloor argon 11 12 26,98 28,09 30,97 32,07 35,45 39,95

71,9 Fr 44 Ra 2,2 Ac45 Rf 2,2 Db46 Sg 2,2 Bh47 Hs 1,9 Mt48 Ds 1,7 Rg 49 Cn

43

95,94

74

95,94

74

43

1,9technetium29

W Ni

1,5

Ta

hafnium

178,5 kobalt

1,8

Mo

molybdeen

UITGEBREIDE TIJDLIJN 176

1,5

scandium

55

molybdeen

140,1 90

25

VIlIb VIlIb 8 9

40,08

Ba Mn6 Cs Fe

atomen. 1,8

266

1,1

1,6

VIIb 7

calcium

rubidium

mangaan

52,00

42

262

58

VIb 6

6

5

boor

kalium

51,5 Rb26 Sr

25

ook hij chroom

106

dubnium

24,31

39,10

37

24

180,9

105

actinium

niden

den

72

B

magnesium

Ca Sc VIlIb Ti V VIlIb Cr Mn Ib Fe 4 K VIlIb VIb VIIb van bezitten, 6 de stof 7 8 9 10 11

©

yttrium

22

IIIb 3

nog alle eigenschappen 19

Vb 5

1,2

Mgr

Li

1,2

Va 15

helium

12 2,0

5

magnesium

24,31

Mg

IVa 14

1,2

Mg

naam

magnesium

22,99

19

4

N De Belg

IVa 14

2,0

relatieve atoommassa (Ar)

9,01

0,9

natrium

IVb 4

5

1,2

beryllium

6,94

3 Na

IIIb 3

naam

‘bollen’. Deze bollen, die relatieve atoommassa (A ) 11

IIIa 13

Mg

symbool

1,5

1,0 12

5 Rb

1830

IVa 14

elektronegatieve waarde

12

0,9

natrium

132,9

PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN

1,0

24,31

3

11

9,01

cesium

1820

12

1,5

beryllium

3 Na

19 87

IIIa 13

atoomnummer (Z)

lithium

6,94

elektronegatieve waarde (EN)

symbool

4

Li1,01 Be

IIIa 13

atoomnummer (Z)

atoomnummer (Z)

1,01

1,0

18

PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN

waterstof

Ba 6 Cs 22,99

Dalton stelt in navolging elektronegatieve van de filosofen uit waarde

H

waterstof

3

2

2

IIa 2

2,1 IIa 2

2,1

H

1

PERIODIEK SYSTEEM VAN DE EL 0

2/06/2021 11:20

Ia 1

het de naam ‘protyle’ mee.

PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN

1,01 magnesium

Lr

De Engelsman William Prout stelt dat waterstof

VA

De Engelsman John

elementen.

175,0

californium

americium

244

1840

1808

naam bestaat uit kleine stof

1,2

Lu lutetium

103

247

plutonium

237

Md

71

berkelium

neptunium

238,0

Fm

70

247

uraan

231,0

Es

69

curium

protactinium

232,0

Cf

68

Cm

thorium

Bk

67

162,5 98

Am

IN

1815

60

140,9

1,3

Th

het periodiek systeem der

Og

dubnium

261

90

1810

waterstof

222 118

Ts

rutherfordium

227

het lichtste element is en dat de

1800

IIa 2

radon

210 117

actinium

226,0

58

Democritus, afgebeeld door Hendrik ter Brugghen

2,1

Rn

astaat

209

Lv

de elementen onder elkaar:

xenon

131,3 86

radium

het elementaire deeltje is en geeft

1

Xe 2,2

At

waterstof is. Hij stelt dat waterstof

Mg 1 H

54

I

126,9 85

die gegevens plaatste hij

krypton

jood

127,6

Po

116

Mc

53

Te

telluur

84

209,0 115

Fl-

52

121,8

207,2 114

1,9

Sb

antimoon

83

lood

204,4

Nh

51

Pb

thallium

113

arseen

118,7 82

Tl-

kwik

Cn

50

In

indium

81

200,6 112

Rg

49

112,4

Hg

197,0 111

Ds

1,7

Cd

cadmium

80

goud

195,1 110

48

Au

platina

192,2

Mt

zink

107,9 79

Pt

109

Hs

47

Pd

2,2

Ir

190,2 108

2,2

koper

palladium

102,9

osmium

186,2

46

Rh

77

Os

Bh

nikkel

rhodium

101,1 76

107

Sg

kobalt

ruthenium

1,9

renium

183,9 106

Db

44

98

Re

wolfraam

180,9 105

Rf

1,9

Tc

technetium

75

W

tantaal

178,5 104

43

95,94

1,5

Ta

ijzer

een veelvoud van de massa van

12

36

Mn

V

massa van alle andere elementen

de Oudheid dat een symbool

39,95

2,8

mangaan

52,00

PSE.indd 274

Ia 1 1,2

argon

35,45 35

chroom

50,94

Ti

opgebouwd uit ontelbare

atoomnummer (Z)

Ar

vanadium

Sc

eigenschappen. Op basis van

neon

20,18 18

titaan

stelt dat alle stoffen zijn

400 v.C.

Ne 3,0

Cl-

32,07 34

10

F

fluor

17

zwavel

30,97 33

9

19,00 2,5

S

fosfor

28,09 32

3,5

O

zuurstof

16,00 2,1

P

silicium

26,98

8

14,01 15

Si

aluminium

31

7

12,01 1,5

Al-

47,87

rubidium

atomos = ondeelbaar).

25

VIlIb 10

44,96

55

blokjes: atomen (Grieks:

2,5

C koolstof

10,81 13

VIlIb VIlIb 8 9

scandium

37

minuscule en ondeelbare

VIIb 7

40,08

Ca

groepen met soortgelijke

He

calcium

K

rangschikt de elementen in

2

kalium

6 Cs

atomisme, de leer die

1,0

IVb 4

VIIa 17

39,10

5 Rb

grondbeginselen van het

6

boor

IIIb 3

magnesium

22,99 19

4

2,0

B

24,31

1,2

Mg

VIa 16

4,00 5

magnesium

gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)

9,01 0,9

Va 15

helium

beryllium

6,94

Leucippus formuleren de

naam

Be

lithium

11

3 Na

IVa 14

1,2

Mg

symbool

1,01 3

Democritus en

IIIa 13

elektronegatieve waarde (EN) 12

waterstof

De Rus Dimitri Mendelejev

0 18

PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN


1898

1902 Joseph John Thomson is de eerste om

Pierre en Marie Curie

het elektron te ‘meten’. De Brit beschrijft

zetten het werk van

een atoom als een licht positief geladen

Becquerel verder. Ze

bol met binnenin zeer kleine elektronen.

bestuderen uranium

Voortbouwend op de experimenten van

en ontdekken

Crookes en Goldstein heeft hij het over vrij

polonium en radium.

bewegende elektronen.

Bovendien stellen ze vast dat dergelijke

Het krentenbolmodel

1913

zware atomen

in staat zijn om

De Deen Niels Bohr stelt dat

zenden als straling.

maar dat ze zich op zogenaamde

positieve deeltjes

elektronen niet willekeurig rond

uit de kern weg te

IN

de positieve kern bewegen,

elektronenschillen bevinden,

die groter worden naarmate ze verder van de kern verwijderd

zijn. En hoe verder van de kern, hoe meer elektronen de schil

Een schematische voorstelling van het atoommodel van Bohr

kan bevatten. Het aantal elektronen op de

1890

van het atoom.

N

1880

Pierre en Marie Curie

buitenste schil bepaalt de eigenschappen 1900

1910

1920

1930

1911

De Nieuw-Zeelander

VA

1896

De Fransman Antoine Henri Becquerel

ontdekt dat sommige elementen een

zeer sterke straling

afgeven en spontaan vervallen in andere elementen. Hij is

een pionier in het

onderzoeksdomein

©

radioactiviteit. Tot op vandaag is de SI-eenheid voor

radioactiviteit nog

steeds de ‘becquerel’.

Ernest Rutherford

verenigt alle voorgaande theorieën in het idee

dat een atoom bestaat uit een centrale

positief geladen kern, omgeven door een elektronenmantel

met negatief geladen elektronen. Hij komt

tot dat besluit aan de

hand van het beroemde

1932

1940

Sir James Chadwick ontdekt

het neutron, een elementair

deeltje zonder elektrische lading dat zich in de kernen van alle

atomen bevindt (uitgezonderd waterstof). De massa van een neutron is ongeveer gelijk aan de massa van een proton. In tegenstelling tot

een proton, is een neutron echter ongeladen.

bladergoudexperiment.

Rutherfords experiment Antoine Henri Becquerel

Zing je deze tijdlijn graag uit volle borst mee? Scan dan de QR-code.

THEMA 05

James Chadwick

ATOMOS ATOMOS HOOFDSTUK 1

177


IN

Zoals je ziet in de tijdlijn, komen wetenschappers steeds tot een besluit op basis van waarnemingen. Met behulp van proeven en opzoekwerk krijgen ze inzicht in hun onderzoeksvragen en hypotheses, om zo een denkbeeld of model te vormen. Een model is een voorstelling van de werkelijkheid, gebaseerd op wetenschappelijke waarnemingen. Het is geen letterlijke

weergave van de werkelijkheid. Zolang experimenten verklaard kunnen

N

worden met het bestaande model, blijft dat model gelden. Maar omdat er

steeds nieuwe inzichten ontstaan (en meer nauwkeurige meetapparatuur),

worden de bestaande modellen voortdurend aangepast en verfijnd. Modellen

VA

zijn dan ook dynamisch.

In de wetenschappen gebruiken we modellen die een voorstelling van de werkelijkheid bieden op basis van wetenschappelijke waarnemingen.

Een atoommodel is op die manier een voorstelling van een atoom, op basis van de wetenschappelijke waarnemingen van dat moment.

Omdat de wetenschappelijke kennis toeneemt, wordt het model aangepast

©

aan de nieuwe inzichten. Het atoommodel is dus dynamisch.

178

THEMA 05

HOOFDSTUK 1

Laten we nu enkele belangrijke waarnemingen en experimenten nader

bekijken. Die waarnemingen zorgden er immers voor dat eerst Thomson, dan Rutherford en ten slotte Bohr met een nieuwe voorstelling van het atoommodel kwamen.


OPDRACHT4 DEMO

Bekijk de proeven die tot de huidige voorstelling van het atoommodel hebben geleid. Proef 1 – Elektrostatica 1 Je leerkracht neemt een pvc-buis en brengt ze in de buurt van enkele materialen. Noteer wat je waarneemt in de tabel.

pvc-buis

Kersenpit aan een touw

Waterstraal

IN

Papier

2 Je leerkracht wrijft vervolgens snel met de pvc-buis over een wollen lap en brengt de buis opnieuw in de buurt van de materialen. Noteer opnieuw wat je waarneemt. Papier

wrijven Besluit

Waterstraal

N

pvc-buis na

Kersenpit aan een touw

Afb. 64 Elektrostatica

Op deze manier toon je zoals Thomson aan dat het atoommodel van Dalton moest aangepast worden. Je

kunt neutrale atomen immers opeens toch positief of negatief geladen maken: er komen deeltjes vrij uit de atomen. Met andere woorden: atomen zijn deelbaar. Die deeltjes die makkelijk vrijkomen, kregen de naam elektronen. Thomson herdefinieert zo het atoommodel:

VA

1 Atomen zijn massief en elektrisch neutraal.

2 Aan de buitenzijde van het atoom bevinden zich negatief geladen elektronen.

3 Het atoom bevat een positieve, geleiachtige massa die het hele atoom omvat.

Proef 2 – Goudfolie-experiment van Rutherford 1 Bekijk het filmpje met de uitleg in verband met het goudfolie-experiment van Rutherford.

©

2 Beantwoord de vragen.

a Wat verwachtte Rutherford op basis van het

atoommodel van Thomson dat er met de stralen

ging gebeuren?

BEKIJK VIDEO

THEMA 05

HOOFDSTUK 1

179


b Waarom ketsen sommige stralen af en keren ze zelfs terug?

c Bekijk nu de applet. De atoommodellen van Thomson en Rutherford worden daar vergeleken.

d Pas eventueel je antwoorden bij vraag a en b aan. Je kunt de aanpassingen hier noteren.

IN

a

b Besluit

OPEN APPLET

Rutherford toonde aan dat de geleiachtige positieve massa waarover Thomson het had, eigenlijk een rondzweefden).

N

centrale positieve, massieve kern was met daarrond een grote ijle ruimte (waarin de elektronen vrij

Proef 3 – Vlamproeven van Bohr

1 Je leerkracht brengt enkele zouten (in poedervorm) aan op een ijzeren nagel en houdt ze in de vlam van

VA

de bunsenbrander.

2 Noteer je waarnemingen in de tabel. NaCl

zout

vlamkleur

Besluit

LiCl

CuCl2

BaCl2

De vlam voegt aan de atomen extra energie toe waardoor de elektronen naar een hoger energieniveau springen. Wanneer ze terugvallen naar

©

hun oorspronkelijk energieniveau, sturen de elektronen lichtstralen (energie) uit met een welbepaalde kleur. Door het waarnemen van

verschillende kleuren, en dus verschillende energieniveaus, kon Bohr

besluiten dat elektronen zich op welbepaalde energieniveaus bevinden.

Je ontdekt hier, net zoals Bohr, dat die kleur specifiek is voor een welbepaalde stof. Daaruit besloot Bohr

dat elektronen niet zomaar willekeurig rondzweefden in de ijle ruimte rond de kern, maar op welbepaalde afstanden (energieniveaus) van de kern: de schillen.

180

THEMA 05

HOOFDSTUK 1


OPDRACHT 5

Vul de tabel aan op basis van de chemische tijdlijn en de drie anker-experimenten. 1 Vul in de tweede kolom aan welke kennis de wetenschapper toevoegde aan het model van zijn voorganger. Haal de gegevens eventueel uit de uitgebreide tijdlijn, die je terugvindt achter de QR-code op p. 176. Wetenschapper Dalton

Kennis

Voorstelling atoom

• Stoffen bestaan uit onzichtbaar kleine, ondeelbare deeltjes: atomen.

IN

• Een atoom is bolvormig.

• Een atoom is massief en ondeelbaar.

• Een atoom is een element met een massa en grootte die specifiek is voor elk deeltje.

Model aanpassen omdat uit experimenten bleek dat

Thomson

N

elektron positieve massa

VA

Model aanpassen omdat uit experimenten bleek dat

©

Rutherford

elektron kern

elektronenmantel

Model aanpassen omdat uit experimenten bleek dat

THEMA 05

HOOFDSTUK 1

181


Wetenschapper Bohr

Kennis

Voorstelling atoom

3D

elektronenschillen

elektronen

IN

Het model van Bohr werd verder verfijnd door Chadwick, die

aantoonde dat de kern van een atoom niet alleen positieve deeltjes (protonen) bevat, maar ook ongeladen deeltjes (neutronen). Chadwick

TIP

3D

protonen en neutronen

Je kunt het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford in 3D

N

bekijken via de app.

VA

2 Ga naar het onlinelesmateriaal en ontdek nog meer over de geschiedenis van het atoom.

Een atoom bevat positief geladen protonen en ongeladen neutronen in de kern, elektronen zijn verdeeld op schillen rond die kern.

©

` Maak oefening 1.

182

THEMA 05

HOOFDSTUK 1


HOOFDSTUK 2

Wat weten we al over het atoom?

LEERDOELEN

L toelichten dat wetenschappers van oudsher geïnteresseerd zijn in de samenstelling en opbouw van materie;

L uitleggen dat atomen bestaan uit protonen, neutronen en elektronen.

Je leert nu:

L de samenstelling van atomen afleiden uit het

IN

Je kunt al:

en proberen het atoom zelf te ontleden. Dat kan al lang niet meer met voor ons

beschikbaar materiaal, maar gelukkig zoeken wetenschappers voor ons uit hoe het zit!

N

atoomnummer en het massagetal.

We gaan op zoek naar nog kleinere deeltjes

©

VA

2.1 De elementaire deeltjes en hun lading

Het atoom is de bouwsteen van materie. Het is niet meer deelbaar via

chemische processen. Toch is een atoom opgebouwd uit nog kleinere deeltjes. In de negentiende eeuw maakt de kennis over het atoom en zijn structuur

grote sprongen. We bouwen hierbij verder op het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford.

De kern of nucleus van een atoom is opgebouwd uit protonen en neutronen. De protonen en neutronen worden samen de nucleonen genoemd:

• de protonen zijn positief geladen deeltjes, ze hebben een eenheidslading +1;

• de neutronen hebben geen lading: ze hebben een eenheidslading -1.

Rond de nucleus bevinden zich negatief geladen elektronen. De elektronen bewegen zich op

vaste afstanden rond de atoomkern of nucleus. Op afbeelding 65 zie je dat ze zich voortbewegen op zogenaamde schillen.

Een atoom bevat trouwens evenveel elektronen rond de kern als

protonen in de kern. Een atoom is bijgevolg ongeladen.

proton

neutron schil nucleus elektron Afb. 65

THEMA 05

HOOFDSTUK 2

183


Protonen, elektronen en neutronen

neutron

vormen samen een atoom. Een

atoom in zijn geheel heeft geen lading.

0 Vermits een atoom ongeladen is, 18 moet het evenveel negatieve als

6

2,5

Va 15 7

3,0

C

N

8

He

3,5

9

O

F

4,00 Je vindt het atoomnummer Z links bovenaan bij elk element in atoomnummer Z.

4,0 10 het periodiek systeem van de elementen (PSE).

Ne

• Een element met bijvoorbeeld atoomnummer Z = 8 heeft enerzijds dus altijd

stikstof

zuurstof

fluor

16,00

19,00

15

2,1

16

2,5

P

S

fosfor

zwavel

28,09

30,97

32,07

33

34

As

17

20,18

18

• Aangezien het aantal elektronen rond de kern gelijk moet zijn aan het

Ar

aantal protonen in de kern, is het aantal elektronen bijgevolg ook gelijk aan het atoomnummer Z. In ons voorbeeld heeft zuurstof dus ook 8 elektronen.

chloor

argon

35,45

2,4Ia

Se

zuurstofatomen.

3,0

35

1

39,95

2,8

36

Br

Kr

VA

Ge

2,0

neon

• Anderzijds zijn atomen met 8 protonen in de atoomkern altijd

Cl-

silicium

1,8

8 protonen.

N

1,8

germanium

72,64

1,8

Sn

51

1,9

78,96

118,7

121,8

1,9

Pb

Bi

Te

telluur

164,9

53

K

rubidium

0,7

21

Ca

I

39

1,2

Y

Sr

strontium

yttrium

0,9

57

Ti

titaan

23

1,4

V

barium

132,9

84

72,0Fr

Po

0,7

francium

223

lanthaan

137,3

88

niobium

91,22

89

1,1

85 Ac Ra radium

25

1,5

VIlIb VIlIb 8 9

26

1,8

Xe

Cr

Mn

chroom

43

Mo

technetium

95,94

xenon

2,2

Ru

75

1,9

Rh

ruthenium

98

1,7

rhodium

101,1

76

2,2

renium

183,9

2,2

rutherfordium

227

261

lanthaniden

dubnium

astaat 7

210

266 1,1

Ce

6

actiniden

seaborgium

262 58

cerium

59

1,3

Th

Rn

Pr

thorium

protactinium

232,0

231,0

1,4

U

radon

samarium

(145) 1,3

Np

1,3

Pu

Eu

europium

VIa 16

VIIa 17

2

He

Cn

Gd

gadolinium

1,3

tin

114,8 1,8

1,8

Tl-

Nh

nihonium

Tb

terbium

66

(1,2)

Dy

dysprosium

158,9 97

Fl-

Ho

holmium

164,9 99

Er

erbium

167,3 100

jood

Rn

astaat

radon

210

222

117

Lv

livermorium

69

86

At

209

118

Ts

tennessine

Og

ganesson

289 1,2

Tm thulium

168,9 101

70

289 1,1

1,2

Yb

Lu

ytterbium

lutetium

173,0 102

175,0 103

berkelium

californium

einsteinium

fermium

mendelevium

nobelium

lawrencium

247

251

252

257

258

259

262

americium

244

243

Md

71

247

plutonium

237

Fm

xenon

131,3

2,2

curium

neptunium

Es

Xe

126,9 85

289 1,2

54

Cm

uraan

Cf

Mc

moscovium

68

krypton

83,80

2,5

I

Po

116

288 1,2

Kr

79,90

polonium

209,0

289 67

162,5 98

Bk

bismut

115

flerovium

287 1,2

Bi

lood

207,2 114

Br

127,6 2,0

36

broom

53

telluur

84

argon

39,95

2,8

Te

121,8 1,9

2,1

Ar

chloor

78,96

antimoon

83

18

35,45 35

seleen

52

Sb

Pb

204,4

1,9

2,4

Se

74,92 51

118,7 82

thallium

285

157,3 96

Sn

indium

113

copernicium

1,8

neon

20,18 3,0

Cl-

zwavel

arseen

72,64

fluor

17

32,07 34

As

germanium

In

kwik

65

Ge

2,0

Ne

19,00 2,5

S

fosfor

10

F

zuurstof

16

30,97 33

4,0

O

P 1,8

9

16,00 2,1

Si 28,09

50

3,5

Am

238,0

222

Rg

1,7

81

stikstof

8

14,01 15

silicium

32

69,72

200,6 112

röntgenium

gallium

Hg

goud

151,9 95

1,9

197,0

64

Ga 49

112,4

Au 111

1,6

cadmium

80

1,8

Al-

Cd

272

63

150,4 94

2,2

281 1,2

Pm Sm

93

zilver

1,7

N

12,01

26,98

zink

3,0

koolstof

14

aluminium

65,38 48

107,9 79

195,1

darmstadtium

268 62

promethium

144,2

92

meitnerium

277

61

Nd

1,5

Pa

1,2

neodymium

140,9 91

hassium

264

60

praseodymium

140,1 90

bohrium

1,1

Ag

Pt

2,2 Db 86 Rf Sg Bh Hs Mt Ds

actinium

1,9

7

C 1,5

31

Zn

koper

platina

110

1,6

63,55 47

106,4 2,2

IIb 12 30

Cu

nikkel

58,69

palladium

192,2

109

1,9

Ni

78

iridium

190,2

108

Ib 11 29

Pd

Ir

osmium

186,2

107

2,2

1,9

46

102,9

77

W 131,3 Re Os

wolfraam

106

2,2

2,5

boor

VIlIb 10

58,93

45

6

10,81 13

28

kobalt

55,85

44

Tc

molybdeen

74

1,9

1,9

Co

ijzer

54,94

1,8

27

Fe

mangaan

52,00

180,9

105

At

226,0

Ta

tantaal

178,5

104

1,5

VIIb 7

1,6

42

92,91

73

hafnium

138,9

0,9

1,6

Nb

zirkonium

1,3

24

50,94

41

Zr

72

1,6

vanadium

47,87

jood 1,1

83,80

40

88,91

87,62

2,0

B

gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)

1,5

44,96

1,0

5

magnesium

VIb 2,5 Vb5 54 6

Va 15

4,00

krypton

IVb 4

IVa 14

helium

Mg 24,31

22

scandium

40,08

56

1,3

Sc

calcium

38

85,47

55

IIIb 3

24,31

1,0

naam

IIIa 13

elektronegatieve waarde (EN)

1,2

No

Lr

• In een periodiek systeem zijn alle gekende atoomsoorten weergegeven door hun symbool.

115

holmium 184

Mg

kalium

0,8

1,2

magnesium

20

39,10

37

symbool

79,90

beryllium

12

cesium

209

Ho

0,8

87

209,0

1,2

19

12

broom Be 9,01

0,9

atoomnummer (Z)

La Hf 127,66 Cs Ba 126,9

207,2

289

1,5

6,94

5 Rb

polonium

flerovium

lithium

11

4

bismut

Fl-

Li

4

22,99

lood

114

1,0

natrium

©

83

1,01

32,1Na

52

Sb

antimoon

waterstof

2

74,92

tin

1,8

seleen

IIa 2

2,1

H

3

0 18

PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN

1

1

arseen

Afb. 66

helium Om te weten hoeveel protonen er in de atoomkern zitten, kijken we naar het

14,01

32

67

de kern gelijk moet zijn aan VIIarond 2 het aantal protonen in de kern. 17

12,01

Si

82

VIa 16 Z

elektron

betekent dat het aantal elektronen

koolstof

14

50

positieve ladingen hebben. Dat

IN

IVa 14

proton

116

117

118

• De eenheidslading van protonen is +1, de eenheidslading van elektronen is -1, neutronen zijn ongeladen.

Mc

Lv

Ts

Og

• Atomen met hetzelfde aantal protonen zijn atomen van hetzelfde chemische element.

• Het aantal elektronen rond de kern van een atoom moet gelijk zijn aan het aantal protonen in de kern.

moscovium livermorium tennessine ganesson • Elk element heeft een uniek atoomnummer (Z). Dat getal geeft het aantal protonen weer in de kern.

68

289 289 ook gelijk 289aan het atoomnummer Z, het getal linksboven in elk vakje van • 288 Het aantal elektronen is bijgevolg het PSE. 69 1,2

Er

erbium THEMA 05

167,3

1,2

Tm

thulium 2 HOOFDSTUK

168,9

70

1,1

71

1,2

Yb

Lu

ytterbium

lutetium

173,0

175,0


2.2 De massa van het atoom

De weegschaal op de foto geeft 130 kg aan. We noemen dat de absolute

massa van die persoon (uitgedrukt in de eenheid kilogram). Maar stel nu dat een andere persoon 65 kg weegt. De persoon op de weegschaal weegt dan twee keer zoveel als de tweede persoon: '2' is dan de relatieve massa van persoon 1 ten opzichte van persoon 2. Omdat je de verhouding tussen de

twee massa's genomen hebt, is deze relatieve massa een onbenoemd getal:

IN

je vergelijkt de massa van persoon 1 met die van persoon 2.

Ook in de chemie spreken we over de absolute atoommassa (Aa) en relatieve atoommassa (Ar) van een atoom. Hoe klein een atoom ook is, het heeft

immers wel degelijk een massa. Zo is de absolute atoommassa van één C-atoom 1,992 . 10-23 g of

Aa(C) = 0,000 000 000 000 000 000 000 019 92 g.

Met zo’n kleine getallen werken is bijzonder onhandig. Daarom wordt

de massa van elk atoom vergeleken met een gelijk referentiepunt: de eenheidsmassa of atomaire massaeenheid.

N

Die eenheidsmassa is bepaald als 1/12de van de absolute atoommassa van 1,992 . 10-23 g een koolstofatoom (= of 1,66 . 10-24 g). 12 Dat getal wordt gedefinieerd als 1 unit (1 u).

©

VA

eenheidsmassa = 1/12 van Aa(C) = 1 u

Zowel protonen als neutronen hebben een massa van 1 unit. De massa van 1 een elektron is verwaarloosbaar klein (slechts van de massa van een 2 000 proton). proton

neutron

elektron

proton

Atoomdeeltjes nucleonen �

elektron

neutron

Lading

Massa

protonen

+1

1u

elektronen

–1

verwaarloosbaar

neutronen

0

1u

THEMA 05

HOOFDSTUK 2

185


De (absolute) massa van een atoom wordt dus bepaald door de massa van de protonen en de neutronen. De verhouding tussen die massa van een atoom en de eenheidsmassa noemen we de relatieve atoommassa Ar.

Dat is een onbenoemd getal. Bv.:

Ar (C) = 12,0 ⇒ één koolstofatoom heeft een Ar van 12,0 (12,0 x 1/12 van Aa(C)).

Symbool

Grootheid absolute atoommassa

Ar

gram -

Symbool g -

IN

relatieve atoommassa

Aa

Eenheid

De absolute atoommassa Aa van een atoom is de massa van het atoom en

wordt uitgedrukt in gram.

De eenheidsmassa is 1/12de van de massa van een C-atoom = 1,66.10-4 g. De verhouding tussen de absolute atoommassa van een atoom en de

eenheidsmassa, is de relatieve atoommassa Ar van een atoom. Dat is een

N

onbenoemd getal.

Wanneer we het aantal elementaire deeltjes in een atoom bepalen,

maken we gebruik van het massagetal A. Het massagetal en de relatieve

atoommassa zijn dus synoniemen, afgerond tot 1 cijfer voor de komma. Dat getal wordt samen met het atoomnummer Z vermeld bij een atoom. Het

massagetal geeft het aantal deeltjes in de kern weer (de nucleonen = aantal

VA

protonen (Z) + aantal neutronen (N)). A Z

X

A = # nucleonen = # protonen + # neutronen Z = # protonen = # elektronen

We kunnen dus stellen dat:

A (massagetal) = Z (aantal protonen) + N (aantal neutronen)

©

Als we de formule omvormen, kunnen we ook steeds het aantal neutronen in

OPDRACHT 6

de kern berekenen als A gekend is. N = A – ZOPDRAC

Ga met het periodiek systeem aan de slag. Je vindt het achteraan in je boek. 1 Zoek het juiste atoomnummer op voor de volgende elementen. • broom:

• natrium:     • helium:

• magnesium:     186

THEMA 05

HOOFDSTUK 2


2 Bereken het aantal neutronen in de kern van de atomen met het gegeven massagetal. • een broomatoom met massagetal 79

• een natriumatoom met massagetal 23

• een magnesiumatoom met massagetal 24

3 Vul de zinnen aan.

IN

• een heliumatoom met massagetal 4

a Een atoom met Z = 6 is altijd een               .

b Een chlooratoom heeft altijd

protonen in de kern.

c Een atoom met 7 protonen is een

met als symbool     .

OPDRACHT 7

N

d Een atoom met 11 elektronen is een atoom van het element               .

VA

Oefen met behulp van het periodiek systeem op de samenstelling van een element. Vul de tabel aan.

Symbool van het element Mg Al

Type van dat element 25

Aantal elektronen

Cl

Al

27

37

Cl

35

©

Aantal neutronen

Mg

Cl F

Aantal protonen

Naam van het element

F

19

Cl

Is het je in opdracht 7 opgevallen dat van het element chloor twee

types voorkomen, elk met zijn eigen massagetal (en dus ook relatieve

atoommassa)? In de natuur komen er zo voor elk element meerdere types voor. Die verschillen altijd in het aantal neutronen. Het aantal protonen en elektronen blijft gelijk omdat ze gelinkt zijn aan het element. Als het atoomnummer stijgt of daalt, hebben we immers een ander element.

THEMA 05

HOOFDSTUK 2

187


In het PSE vind je daarom niet de Ar van één type, maar de gemiddelde

relatieve atoommassa <Ar>: die massa wordt berekend op basis van het

procentueel voorkomen van elk type en zijn relatieve atoommassa.

0 18

TIP

E ELEMENTEN

Dat getal zul je in de toekomst vaak gebruiken tijdens berekeningen. Daarbij zullen we <Ar> altijd afronden op één cijfer na de komma.

IIIa 13

egatieve waarde

OPDRACHT 8

IVa 14

Va 15

VIa 16

VIIa 17

2

He

IN

Magnesium komt onder de volgende vormen voor: 24Mg ,25Mg en 26Mg. Welk type zul je het vaakst aantreffen

als je weet dat de gemiddelde relatieve atoommassa van magnesium 24,305 bedraagt? Verklaar je antwoord.

5

2,0

boor

1,9

37

28

35

1,9

Ib 11

IIb 12

Cl zijn dus isotopen van elkaar.

29

1,9

1,5

14

19,00

2,5

P

17

S

Cu

30

1,6

Zn

nikkel

koper

58,69

46

2,2

zink

63,55

47

1,9

65,38

48

1,7

fosfor

zwavel

chloor

argon

32,07

35,45

39,95

31

1,6

Cl-

32

1,8

gallium

49

1,7

indium

114,8

1,9

iridium

Pt

platina

Au

Hg

192,2

195,1

197,0

200,6

©

Ir

80

110

goud

111

Ds

Rg

kwik

112

Cn

darmstadtium

röntgenium

copernicium

268

281

272

285

64

Eu

65

Gd

In

81

1,8

Tl-

1,8

Tb

82

1,8

1,9 2,1

3

1,0

Pb Bi 2 Li

Grootheid

52

35

2,8

thallium

lood

204,4

<Ar>

bismut

broom

78,96

79,90

2,1

53

PERI 83,80 krypton

2,5

Xe

jood

xenon

gemiddelde126,9 relatieve 127,6 atoommassa <Ar>

2,0 1,5

Po Be

85

Eenheid

-

polonium

Fl

Mc 3 Na

Lv Mg

Daarbij geldt: A = Z (aantal protonen) + N (aantal neutronen)

- elektronen Z = aantal protonen = aantal nihonium

flerovium

moscovium

livermorium

2,2

At

Symbool

-

astaat

Dy

Ho4 Er K

terbium

dysprosium

holmium

158,9

162,5

164,9

98

99

erbium kalium

167,3 39,10 100 37 0,8

Tm Ca

thulium calcium

168,9 40,08 101 38 1,0

Rn 118

1,3

Yb Sc

ytterbium scandium 173,0

102 39

86

222

Ts

0,8 van 20 alle atoomtypes. 1,0 21 = gewogen gemiddelde relatieve 19 atoommassa

131,3

radon

tennessine

Ar = relatieve atoom 287 atoommassa 289 van een specifiek 288 289 natrium magnesium r

54

I

telluur

84 4

36

Kr

lithium beryllium 209,0 209 210 A A =113 massagetal (links notitie van 6,94 9,01element: 114 bovenaan bij 115een 116 een 117bv. Z X) 11 0,9 12 1,2

Nh

207,2

seleen

IIa Te2

Symbool

gemiddelde relatieve atoommassa

157,3

97

51 1

121,8 waterstof 83 1,011,9

gadolinium HOOFDSTUK 2

74,92

antimoon

151,9

96

arseen

tin

europium

1,3

2,4

r

118,7

150,4

THEMA 05

34

Sn Sb 1 H

amarium

95

2,0

IIIb 289 3 1,1 22,99 24,31 > = gemiddelde (in het 1,2 <A66 (1,2) 67relatieve 1,2atoommassa 68 1,2 69PSE, onder 1,2 het 70element)

eitnerium

63

50

atoomnummer (Z)

112,4

2,2

germanium

betreffende 69,72 element.72,64

cadmium

79

33

Ar

Ia Ga Ge As Se Br 1 De gemiddelde relatieve atoommassa <A > vind je in het PSE onder het

zilver

2,2

20,18

18

30,97

107,9

78

Cd

3,0

28,09

106,4

188

16

neon

silicium

palladium

1,3

fluor

26,98

102,9

Sm

zuurstof

Ne

aluminium

rhodium

1,2

F

16,00

2,1

10

Si

Ag

Mt

4,0

4,00

Al-

Pd

9

15

9

O

14,01

1,8

VA

Ni

58,93

2,2

stikstof

12,01

3,5

van ‘isos’ (gelijk) en ‘topos’ (plaats). Ze staan op dezelfde plaats, in hetzelfde vakje, in het PSE.

VIlIb Cl en 10

kobalt

Rh

N

8

De verschillende types van één element worden ook wel isotopen genoemd. Die term is afgeleid

Co

2,2

3,0

N

VIlIb 9

7

koolstof

10,81 13

2,5

C

B

WEETJE

6

helium

44,96

1,2

Og

IVb 289 4 1,2 71 ganesson

22

1,5

Lu Ti

lutetium titaan 175,0

103 40

47,87 1,4


HOOFDSTUK 3

Hoe zitten elektronen verdeeld in een atoom? LEERDOELEN Je kunt al: L toelichten dat een atoom ongeladen is, het heeft evenveel

IN

elektronen als protonen;

L toelichten dat het aantal elektronen dus ook wordt gegeven door het atoomnummer Z;

L toelichten dat elektronen niet in de kern zitten, maar errond; L toelichten dat de massa van de elektronen verwaarloosbaar klein is;

L toelichten dat elektronen een negatieve lading hebben. Je leert nu:

In hoofdstuk 2 leerde je al hoeveel elektronen een specifiek atoom

L het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford tekenen; L de elektronenconfiguratie van de eerste twintig elementen

VA

schrijven.

heeft. Maar waar zitten die

elektronen nu precies? Zit er een

N

L de regels voor elektronenverdeling toepassen;

patroon achter, of mogen ze gaan en staan waar ze willen? Ook dat

namen wetenschappers al onder de loep.

©

3.1 De Bohr-Rutherford elektronenverdeling

A

Schillen rond de nucleus

We zagen dat Niels Bohr, een Deense fysicus, de theorie van Rutherford

uitdiepte door te stellen dat elektronen op cirkelvormige schillen rond de atoomkern of nucleus bewegen. Elektronen bewegen dus niet willekeurig rond de kern.

Afhankelijk van het aantal elektronen, kan een atoom tot 7 schillen bevatten. Die schillen worden aangeduid met een letter.

nucleus

K L M N O P Q

Afb. 67 De benaming van de schillen

THEMA 05

HOOFDSTUK 3

189


De eerste schil, die zich dus het dichtst bij de kern bevindt, wordt aangeduid met de letter K. De tweede schil met de letter L, de derde met de letter M enzovoort.

WEETJE

Bohr duidde zijn eerste schil niet aan met de letter A, omdat een logische volgorde verloren zou gaan als later nog extra schillen dichter bij de

kern zouden worden ontdekt. Door te beginnen met de letter K, kon hij

eventuele nieuwe schillen dichter bij de kern aanduiden met J, L enzovoort, waarbij een logische volgorde van opeenvolgende letters behouden blijft.

IN

Uiteindelijk bleek dat er geen schillen dichter bij de kern bestaan.

Elektronen bevinden zich op schillen, maar het maximale aantal elektronen per schil is beperkt. Dat maximumaantal vind je in deze tabel: Schilnummer n

Letter

Maximumaantal elektronen op de schil

1

K

2

2 3 4

N

O

N

5

L

M

6 7

P

Q

8

18 32

� 2n2

32 18 8

TIP

VA

Je kunt het aantal elektronen voor de eerste 4 schillen onthouden aan de hand van de formule 2n² (waarbij n het schilnummer is).

B

Elektronen op een schil

Elektronen verspreiden zich niet willekeurig over bepaalde schillen.

©

De opvulling van de schillen volgt een bepaald patroon.

Met de onderstaande ‘regels’ kun je de opvulling van de schillen voor heel wat elementen opstellen. Later zul je zien dat er afwijkingen of uitzonderingen op bestaan.

1 Elektronen plaatsen zich zo veel mogelijk op de schillen het dichtst bij de nucleus. Dus eerst de K-schil, pas daarna de L-schil enzovoort.

2 Op de buitenste schil bevinden zich maximaal 8 elektronen.

3 Op de voorlaatste schil bevinden zich maximaal 18 elektronen.

4 Bij de andere schillen gaan de eerste 4 elektronen zich zo ver mogelijk van elkaar plaatsen. De volgende 4 elektronen vormen steeds met een ander elektron een elektronenpaar.

190

THEMA 05

HOOFDSTUK 3


schil 7, n = 7 schil 6, n = 6

schil 5, n = 5

schil 4, n = 4

sc

1

schil 3, n = 3 il 2, n = 2 sch hil 1, n =

L

M

N

O

P

Q

IN

K

Als de buitenste schil volledig is opgevuld, bevat ze twee (voor de eerste

schil) of acht elektronen. Wanneer een atoom een volledig gevulde buitenste

N

OPDRACHT 9

schil heeft, spreken we van de edelgasconfiguratie.

Oefen de plaatsing van elektronen.

Teken het schillenmodel voor de eerste twintig elementen uit het PSE, oefen nog eens de juiste symbolen en vul de tekst aan.

Symbool:     Z =

VA

• Element: waterstof

Aantal elektronen =     , het elektron bevindt zich op de        .

©

• Element: helium

• Element: lithium

Symbool:     Z =

Aantal elektronen =     , de elektronen bevinden zich op de        .

Merk op dat er een elektronenpaar gevormd wordt. Helium heeft een volledig gevulde buitenste schil: het bezit de                 . Symbool:     Z =

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat           , het derde elektron bevindt zich op de        .

THEMA 05

HOOFDSTUK 3

191


• Element: beryllium

Symbool:     Z =

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat           , de andere elektronen bevinden zich op de         .

Symbool:     Z =

IN

• Element: boor

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat           , de andere elektronen bevinden zich op de        .

• Element: koolstof

Symbool:     Z =

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat           , de

N

andere elektronen bevinden zich op de        . Ze vormen geen paren en

plaatsen zich zo ver mogelijk van elkaar (als het ware elk kwartier van een klok).

Symbool:     Z =

VA

• Element: stikstof

Stikstof heeft 5 elektronen op de L-schil. De eerste 4 elektronen plaatsen zich

zo ver mogelijk van elkaar, vanaf het vijfde elektron zal er een elektronenpaar gevormd worden. Stikstof heeft nog     ongepaarde elektronen.

©

• Element: zuurstof

192

THEMA 05

HOOFDSTUK 3

Symbool:     Z =

Zuurstof heeft

elektronen op de L-schil. De eerste 4 elektronen

plaatsen zich zo ver mogelijk van elkaar, vanaf het vijfde elektron zullen er elektronenparen gevormd worden. Zuurstof heeft op de L-schil     elektronenparen en nog

ongepaarde elektronen.


• Element: fluor

Symbool:     Z =

Fluor heeft

elektronen op de L-schil. De eerste 4 elektronen

plaatsen zich zo ver mogelijk van elkaar, vanaf het vijfde elektron zullen er

elektronenparen gevormd worden. Fluor heeft nog     ongepaard elektron. • Element: neon

Z =

Neon heeft

IN

Symbool:     elektronen op de L-schil. De eerste 4 elektronen

plaatsen zich zo ver mogelijk van elkaar, vanaf het vijfde elektron zullen er elektronenparen gevormd worden. Neon heeft

ongepaarde elektronen,

enkel     elektronenparen of doubletten op de L-schil. Elementen met een

volledig gevulde buitenste schil bezitten                  .

• Element: natrium

Symbool:

N

Z =

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de

tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. Het laatste elektron bevindt zich op de         .

VA

• Element: magnesium Symbool:     Z =

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de

tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 2 elektronen bevinden zich op de        , zij vormen geen elektronpaar.

©

• Element: aluminium

Symbool:     Z =

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de

tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 3 elektronen bevinden zich op de         . Het zijn 3 ongepaarde elektronen.

THEMA 05

HOOFDSTUK 3

193


• Element: silicium

Symbool:     Z =

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de

tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 4 elektronen bevinden

zich op de        , er zijn geen elektronenparen gevormd op de buitenste

Symbool:     Z =

IN

• Element: fosfor

schil.

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de

tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 5 elektronen bevinden

zich op de        , er wordt nu opnieuw een elektronenpaar gevormd op

• Element: zwavel

de buitenste schil. Fosfor heeft nog     ongepaarde elektronen.

Symbool:     Z =

N

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de

tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 6 elektronen bevinden zich op de        , er worden     elektronenparen gevormd op de

Symbool:

VA

• Element: chloor

buitenste schil. Zwavel heeft nog     ongepaarde elektronen. Z =

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de

tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De laatste 7 elektronen bevinden zich op de        , er worden     elektronenparen gevormd op de

©

• Element: argon

194

THEMA 05

HOOFDSTUK 3

buitenste schil. Chloor heeft nog     ongepaard elektron.

Symbool:     Z =

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. Ook de derde schil (M) is nu volledig en bevat 8 elektronen. Argon heeft opnieuw

.


• Element: kalium

Symbool:     Z =

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De derde schil (M) is

eveneens volledig en bevat 8 elektronen. Het laatste elektron komt terecht op Symbool:      Z =

ongepaard elektron.

IN

• Element: calcium

de        . Kalium heeft

Aantal elektronen =     . De eerste schil (K) bevat 2 elektronen, ook de

tweede schil is volledig en bevat 8 elektronen. De derde schil (M) is eveneens

OPDRACHT 10

N

volledig en bevat 8 elektronen. Calcium bevat     ongepaarde elektronen.

Bekijk de elementen van opdracht 9 opnieuw aandachtig en beantwoord de vragen. 1 In het periodiek systeem staan de elementen H, Li, Na en K onder elkaar. Ook C en Si staan onder elkaar.

VA

a Wat stel je vast als je de verdeling van de elektronen van H-Li-Na-K met elkaar vergelijkt?

b En C en Si?

c Geldt dat ook voor N en P?

2 De elementen Li-Be-B-C-N-O-F-Ne staan naast elkaar op de tweede rij van het periodiek systeem.

©

a Wat stel je vast als je de verdeling van de elektronen van die elementen met elkaar vergelijkt?

b Geldt dat ook voor Na-Mg-Al-Si-P-S-Cl-Ar?

Uit opdracht 10 blijkt dat er een duidelijk verband bestaat tussen: • de verdeling van de elektronen op de schillen,

• de plaats van de elementen in het periodiek systeem.

THEMA 05

HOOFDSTUK 3

195


Elementen naast elkaar in het PSE vormen een periode en hebben hetzelfde aantal schillen.

Elementen onder elkaar in het PSE vormen een groep en hebben evenveel elektronen op de buitenste schil. Dat noemen we valentie-elektronen.

groep Ia 1

0 18

PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN IIIa 13

IIa 2

1

2,1

3

1,0

4

1,5

11

0,9

12

1,2

1

IVa 14

Va 15

VIa 16

VIIa 17

2

5

2,0

6

2,5

7

3,0

8

3,5

9

4,0

10

13

1,5

14

1,8

15

2,1

16

2,5

17

3,0

18

3

IIIb 3

IVb 4

Vb 5

VIb 6

VIIlb 7

19

0,8

20

1,0

21

1,3

22

1,5

23

1,6

24

1,6

25

1,5

37

0,8

38

1,0

39

1,2

40

1,4

41

1,6

42

1,8

43

1,9

55

0,7

56

0,9

57

1,1

72

1,3

73

1,5

74

1,7

75

1,9

87

0,7

88

0,9

89

1,1

104

4 5

periode

6 105

106

107

IN

2 VIlIb VIlIb 8 9

VIlIb 10

Ib 11

IIb 12

26

1,8

27

1,9

28

1,9

29

1,9

30

1,6

31

1,6

32

1,8

33

2,0

34

2,4

35

2,8

36

44

2,2

45

2,2

46

2,2

47

1,9

48

1,7

49

1,7

50

1,8

51

1,9

52

2,1

53

2,5

54

76

2,2

77

2,2

78

2,2

79

2,2

80

1,9

81

1,8

82

1,8

83

1,9

84

2,0

85

2,2

86

108

109

61

62

110

111

112

63

64

65

113

114

115

116

117

118

7 1,1

1,1

6

lanthaniden

90

1,3

91

1,5

7

actiniden

0 18

60

1,2

1,2

1,2

Va VIa VIIa 3.2 Elektronenconfiguratie 15 16 17

92

1,4

66

(1,2)

67

1,2

68

1,2

69

1,2

70

1,1

71

(

93

1,3

94

1,3

95

1,3

96

97

98

99

100

101

102

103

2

VA

IVa 14

59

N

58

He helium

6

2,5

7

3,0

C

8

N

3,5

9

O

4,00 een schillenmodel tekenen om de elektronenverdeling Moeten we altijd 4,0 de 10 over schillen weer te geven? Gelukkig niet. Vaak noteren we het

F

Ne 20,18

eenvoudiger door het aantal elektronen per schil in volgorde achter

het elementensymbool te zetten. We spreken dan simpelweg van de elektronenconfiguratie.

stikstof

zuurstof

fluor

12,01

14,01

16,00

19,00

©

koolstof

14

1,8

15

Si

2,1

16

P

2,5

17

S

neon

Bekijk het voorbeeld van zwavel met:

3,0

Cl-

Ar

• gemiddelde relatieve atoommassa <Ar> (afgerond op één cijfer na de

silicium

fosfor

zwavel

chloor

28,09

30,97

32,07

35,45

32

1,8

33

2,0

34

2,4

35

As

Se seleen

broom

72,64

74,92

78,96

79,90

50

1,8

Sn 196

tin

118,7

arseen

51

1,9

52

2,1

Sb

HOOFDSTUK 3

121,8

THEMA 05

antimoon

Te

komma) <Ar> = 32,1. argon

39,95

2,8 TIP36

Ge

germanium

18

• atoomnummer Z = 16,

Br

53

Kr

Niet vergeten: het aantal elektronen is gelijk aan het atoomnummer Z.

2,5

krypton

83,80 54

telluur

I

jood

Xe

127,6

126,9

131,3

xenon

1,2


Een zwavelatoom heeft dus ook 16 elektronen.

Als we de regels respecteren, weten we dat de elektronen als volgt verdeeld zijn over de schillen:

K-schil: 2 elektronen L-schil: 8 elektronen

M-schil: 6 elektronen

In plaats van het schillenmodel te tekenen, noteert men de

elektronenconfiguratie als volgt: 16S 2 8 6. Die notatie geeft uiteindelijk

evenveel informatie als een schillenmodel.

IN

TIP

Wil je de regels nog even opfrissen? Scan dan de QR-code.

OPVULLING SCHILLEN

OPDRACHT 11

Naam element

N

Noteer de elektronenconfiguratie.

Magnesium

Calcium

Argon

VA

Elektronenconfiguratie

Aluminium

©

3.3 Lewisstructuren

Is het altijd nodig om het uitgebreide schillenmodel of een volledige

elektronenconfiguratie weer te geven, of kunnen we onszelf heel wat werk besparen?

Chemici hebben al vroeg ontdekt dat wanneer atomen zich binden met andere atomen, vooral de valentie-elektronen (de elektronen op de

buitenste schil) een rol spelen. Gilbert Newton Lewis kwam zo met een

verkorte schrijfwijze door enkel die elektronen in een aparte notatie op te nemen: de lewisstructuur.

THEMA 05

HOOFDSTUK 3

197


OPDRACHT 12

Herhaal het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford. 1 Teken de elektronen op de schillen van helium, neon en argon. Neon

Argon

He

Ne

Ar

IN

Helium

2 Markeer de elektronen die je zowel bij helium, neon als argon kunt terugvinden met groen.

3 Markeer vervolgens de elektronen die je zowel bij neon als argon, maar niet bij helium kunt terugvinden met rood.

N

4 Als laatste markeer je de elektronen die je enkel bij argon kunt terugvinden met geel.

Beantwoord de vragen.

5 Hoeveel elektronen per schil hebben deze elementen? Vul de tabel aan. Element

L-schil

neon

argon

M-schil

VA

helium

K-schil

6 Vergelijk helium en neon. Wat stel je vast?

• De    -schil is gelijkend.

• De    -schil wijkt af.

• De elektronen die aanwezig zijn bij

©

is omgekeerd niet zo.

zijn ook aanwezig bij         , maar dat

7 Vergelijk neon en argon. Wat stel je vast? • De    -schil en de    -schil zijn gelijkend • De    -schil wijkt af.

• De elektronen die aanwezig zijn bij         is omgekeerd niet zo.

198

THEMA 05

HOOFDSTUK 3

zijn ook aanwezig bij         , maar dat


We kunnen dus besluiten dat de elektronenverdeling van elementen die

in een periode op een lagere positie in het PSE staan, identiek blijft voor

onderliggende schillen. Als het atoomnummer (en dus het aantal protonen

in de kern en het aantal elektronen op de schillen) stijgt, komt er telkens een elektron bij op de buitenste schil. Deze valentie-elektronen zullen belangrijk zijn bij het vormen van bindingen tussen atomen. We kunnen daarom de

afspraak maken dat we de onderliggende elektronen niet meer tekenen; we nemen enkel de elektronen van de buitenste schil in beschouwing.

Noteer het juiste antwoord.

IN

OPDRACHT 13

1 Vul in de tabel het aantal elektronen per schil aan. Element

K-schil

beryllium stikstof

2 Vul de zinnen aan.

M-schil

N

fluor

L-schil

• Voor alle drie de atomen is de buitenste schil de    -schil.

• De valentie-elektronen verschillen wel. Beryllium heeft er    , stikstof

en fluor    .

3 Teken de valentie-elektronen op de buitenste schil van de atomen. Laat dus de onderliggende K-schil

VA

weg.

Be

N

F

©

4 Vergelijk de tekeningen nu. Wat kun je nog als overbodig beschouwen?

THEMA 05

HOOFDSTUK 3

199


5 Teken de valentie-elektronen rond de elementen zonder de schillen te tekenen.

Be     N     F Bij stikstof en fluor zien we dat de puntjes die de elektronen voorstellen bij

IN

een elektronenpaar al snel in elkaar kunnen overlopen als we de schil zelf niet tekenen. Ook daar had Lewis een oplossing voor. Een elektronenpaar,

2 elektronen dus, wordt dan voorgesteld met een streepje of twee bolletjes naast elkaar. Dat wordt voor het voorbeeld uit opdracht 13, vraag 5 dan:

Be     N     F

N

In de lewisstructuur tekenen we enkel de elektronen van de buitenste schil: de valentie-elektronen. Ongepaarde elektronen stellen we voor met een bolletje, gepaarde elektronen (elektronenparen) met een streepje.

©

VA

` Maak oefening 2 t/m 9.

200

THEMA 05

HOOFDSTUK 3


HOOFDSTUK 4

Wat leren we uit de plaats van een element op het PSE? LEERDOELEN Je kunt al: een uniek symbool;

IN

L toelichten dat elementen worden voorgesteld met L toelichten dat elektronen zich op schillen rond de kern bevinden;

L toelichten dat we in de lewisstructuur enkel de elektronen van de buitenste schil voorstellen;

L toelichten dat elektronen negatief geladen zijn en protonen positief geladen;

L toelichten dat een atoom evenveel elektronen als Je leert nu:

L de opbouw van het PSE gebruiken om eigenschappen van atomen en ionen af te leiden.

VA

L een verband leggen tussen de plaats van een element in het PSE en de eigenschappen ervan;

L elementen ordenen en plaatsen op de tabel volgens metalen en niet-metalen (classificatie);

L toelichten dat elk element een specifieke plaats heeft in het PSE;

L toelichten dat de periode waarin het element voorkomt het aantal schillen weergeeft;

L toelichten dat de groep waarin het element staat de elektronenconfiguratie van de buitenste schil

©

verraadt.

Je hoort vaak spreken over ‘de tabel van

N

protonen bevat en dus elektrisch neutraal is.

Mendelejev’ in plaats van ‘het periodiek systeem van de elementen’.

Nochtans klopt de naam ‘tabel van

Mendelejev’ niet helemaal, want ook andere wetenschappers zoals Henry Mosely, Lothar

Meyer, William Ramsey en Niels Bohr hebben hun steentje bijgedragen. Maar goed, ere

wie ere toekomt, Mendelejev is en blijft de grondlegger van het PSE.

Het PSE en de plaats van de elementen

bevatten heel wat nuttige informatie voor de chemicus. Heb je die kennis onder de knie,

dan start je met een flinke basis om later de verbindingen tussen atomen te verklaren.

Atomen binden immers tot verbindingen. Er

bestaan zeer eenvoudige verbindingen, maar ook heel complexe.

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

201


4.1 Perioden en groepen

OPDRACHT 14

Bekijk het PSE achteraan in je leerschrift en los de vragen op. • Hoeveel rijen tel je?

• Hoeveel kolommen met elementen tel je?

IN

• Zijn er verschillende kleuren gebruikt in het periodiek systeem?       • Hoeveel vakjes telt het periodiek systeem?

• Hoe wijzigt het atoomnummer Z als je van links naar rechts vordert in het periodiek systeem?

• Hoe wijzigt de gemiddelde relatieve atoommassa <Ar> als het atoomnummer Z toeneemt?

N

De elementen zijn gerangschikt volgens oplopende atoommassa.

VA

Omdat het atoomnummer steeds toeneemt, kon Mendelejev destijds alle elementen op één lange rij plaatsen, waarbij de gemiddelde relatieve atoommassa telkens toeneemt. Toch plaatste hij de elementen op

verschillende rijen. De zeven rijen die zo gevormd werden, worden perioden genoemd.

Hij had toen immers al ontdekt dat bijvoorbeeld lithium en natrium

gelijkaardige chemische eigenschappen vertonen in reacties, net als bv. fluor en chloor.

©

Die gelijkaardige chemische eigenschappen zijn een rechtstreeks gevolg

202

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

van hun elektronenconfiguratie, die je leerde kennen in hoofdstuk 3. Door elementen met gelijkaardige chemische eigenschappen onder elkaar te plaatsen, werden er ook groepen gevormd: de verticale kolommen. Die

elementen worden gekenmerkt door een gelijk aantal elektronen op de buitenste schil, de valentie-elektronen.


OPDRACHT 15

Vul de tabellen aan door gebruik te maken van je kennis van het atoommodel.

TIP Fris je kennis van de regels voor

elektronenverdeling op.

1 Vul de tabel aan met de elektronenverdeling per schil voor waterstof, lithium, natrium en kalium; stuk voor

ELEKTRONEN­ VERDELING

stuk elementen uit de eerste kolom van het PSE. Atoom­ nummer

H

Na

Li K

2 Wat hebben deze elementen gemeen?

Totaal aantal elektronen

Aantal elektronen op schil 4

N

Aantal elektronen op schil 3

Aantal elektronen op schil 2

Aantal elektronen op schil 1

IN

Symbool element

Merk op dat lithium onder waterstof werd geplaatst. Natrium werd ook weer op een volgende rij geplaatst,

in dezelfde kolom en onder lithium. Kalium werd om dezelfde reden onder natrium geplaatst. Per periode in het PSE komt er telkens een extra schil bij.

VA

3 Maak dezelfde oefening voor de elementen fluor en chloor, uit kolom VIIa. Symbool element F

Cl

Atoom­ nummer

4 Wat hebben deze elementen gemeen?

Aantal elektronen op schil 3

Aantal elektronen op schil 2

Aantal elektronen op schil 1

Totaal aantal elektronen

Aantal elektronen op schil 4

©

Chloor kwam zo onder fluor terecht.

5 Herhaal nogmaals de oefening, maar nu met elementen die in kolom IVa staan. Symbool element C

Si

Atoom­ nummer

Aantal elektronen op schil 3

Aantal elektronen op schil 2

Aantal elektronen op schil 1

Totaal aantal elektronen

Aantal elektronen op schil 4

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

203


6 Wat hebben deze elementen gemeen?

7 Welk gevolg heeft dat voor de plaats van silicium in het PSE?

IN

De rijen in het PSE worden perioden genoemd. Bij elke nieuwe periode komt er een extra schil bij de atomen.

De kolommen worden groepen genoemd. Het zijn groepen elementen met

hetzelfde aantal elektronen op de buitenste schil (de valentie-elektronen), en daarom met dezelfde chemische eigenschappen.

` Maak oefening 10. Ia 1 1

2,1

H

IIIa

IIa

(Z) elektronegatieve waarde op 2een probleem na hetatoomnummer element calcium. Tussen het element calcium (met 13

N

1

PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN Bij de rangschikking van de elementen in perioden en groepen stuitte men

waterstof

1,01

3

1,0

Li

2

lithium

6,94

11

12 1,2 twee elektronen in de buitenste schil) en gallium, (met drie elektronen in

Mg 4 1,5 de buitenste schil) moesten nog tien elementen hun plaats vinden, met 5een2,0

0,9

naam

relatieve atoommassa (Ar)

12

1,2

Mg 24,31

IIIb 3

IVb 4

Vb 5

VA

magnesium

22,99

0,8

22

1,5

23

1,6

24

1,6

25

1,5

26

1,8

27

1,9

28

14,01

1,9

29

1,9

IIb 12 30

1,6

1,5

14

1,8

Al-

1,8

titaan

vanadium

chroom

mangaan

Mn

Fe

Co

Ni

Cu

Zn

Ga gallium

germanium

44,96

47,87

50,94

52,00

54,94

55,85

58,93

58,69

63,55

65,38

69,72

72,64

38

0,8

85,47

0,7

6 Cs

cesium

132,9

87

0,7

7 Fr

francium

223

1,0

Sc

39

1,2

Ti

40

Y

Sr

1,4

V

41

Zr

1,6

Cr

42

Nb

1,8

43

Mo

1,9

ijzer

44

2,2

Tc

kobalt

45

Ru

2,2

nikkel

46

Rh

2,2

88,91

91,22

92,91

95,94

98

101,1

47

1,9

Pd

strontium yttriumvolgende zirkonium niobium molybdeen technetium rhodium worden. palladium Ook bij de perioden moest datruthenium opgelost

87,62

koper

102,9

Ag zilver

106,4

zink

48

1,7

49

Cd

0,9

57

1,1

72

1,3

73

1,5

74

1,7

75

1,9

76

2,2

77

2,2

78

2,2

79

2,2

80

1,9

1,8

barium

lanthaan

hafnium

tantaal

wolfraam

renium

osmium

iridium

platina

goud

kwik

thallium

137,3

138,9

178,5

180,9

183,9

186,2

190,2

192,2

195,1

197,0

200,6

204,4

cijfer met lettertje b.105We noemen ze de b-groepen. De110 elementen uit de 113 88 0,9 89 1,1 104 106 107 108 109 111 112

b-groepen kregen de verzamelnaam overgangselementen; ook de termen

Ra

Ac

Rf

Db

Sg

Bh

Hs

Mt

Ds

Rg

Cn

58

{

1,1

59

1,1

60

1,2

61

62

1,2

63

64

65

1,2

cerium

praseodymium

neodymium

promethium

samarium

europium

gadolinium

terbium

Nh

7

Th

Pa

U

Np

Pu

Bk

tin

arseen

74,92 51

1,8

1,9

antimoon

121,8 83

Pb

1,9

bismut

209,0 115

Fl-

1

Mc

flerovium

moscovium

289

288

66

(1,2)

dysprosium

Cf

67

1,2

Ho

68

1,2

erbium

164,9

167,3 100

Es

l

6

Er

holmium

99

8

Bi

lood

207,2 114

5

Sb

118,7 82

3

As

287

140,1 140,9 144,2 (145) 150,4 151,9 157,3 158,9 162,5 en tien b-groepen. Die indeling verwatert stilaan, tegenwoordig worden de 90 1,3 91 1,5 92 1,4 93 1,3 94 1,3 95 1,3 96 97 98

actiniden kolommen vaak gewoon doorlopend genummerd van 1 tot en met 18.

Sn

2,0

nihonium

Pr totNd Pm SmEr zijn Eudus Gd Tb Dy De lanthaniden overige elementen behoren de a-groepen. acht a-groepen 6 Ce

groepen

1,8

114,8

81

Ba teLaplaatsen. Hf DieTagroepen W elementen Re Oskrijgen Ir doorgaans Pt Aueen Romeins Hg Tltussen radium actinium rutherfordium dubnium seaborgium bohrium hassium meitnerium darmstadtium röntgenium copernicium transitie-elementen of nevenelementen worden weleens gebruikt. 226,0 227 261 262 266 264 277 268 281 272 285

50

indium

112,4

De tabel moest dus worden opengetrokken om er telkens tien elementen 56

30,97 33

Ge

In

cadmium

107,9

1,7

1

fosfor

28,09 32

scandium

Ca

2,1

P

silicium

26,98 1,6

15

Si

aluminium

31

8

N

stikstof

12,01

40,08

rubidium

©

1,3

Ib 11

C koolstof

13

VIlIb 10

3,0

boor

calcium

55

HOOFDSTUK 4

21

VIlIb VIlIb 8 9

7

10,81

kalium

5 Rb

THEMA 05

1,0

VIIb 7

2,5

39,10

37

204

20

VIb 6

6

B

beryllium

K

4

magnesium

24,31 atoommassa die tussen die van calcium en gallium ligt: Be

natrium

19

Va 15

symbool

9,01

3 Na

IVa 14

1

thorium

protactinium

uraan

neptunium

plutonium

americium

Am

Cm curium

berkelium

californium

einsteinium

fermium

232,0

231,0

238,0

237

244

243

247

247

251

252

Fm 257

m


6,94 11

3 Na

12

Mg magnesium

22,99

24,31

0,8

20

K

4

1,2

natrium

19

gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)

9,01 0,9

1,0

Ca

IIIb 3 21

1,3

IVb 4 22

1,5

Sc

Ti

Vb 5 23

1,6

VIb 6 24

V

1,6

Cr

calcium

scandium

titaan

vanadium

chroom

40,08

44,96

47,87

50,94

52,00

0,8

5 Rb

38

1,0

39

1,2

1,4

41

1,8

Mn

27

Fe

1,9

28

Co

1,9

29

1,9

Ni

IIb 12 30

1,6

Cu

14,01 15

16,00 2,1

16

19,00 2,5

Al-

Si silicium

fosfor

zwavel

chloor

26,98

28,09

30,97

32,07

35,45

1,6

Ga

Zn

32

1,8

33

Ge

S

20,18 3,0

aluminium

31

P

17

2,0

34

42

mangaan

ijzer

kobalt

nikkel

koper

zink

gallium

As

germanium

2,4

35

Se

arseen

Ar

1,7

86

2,2

45

2,2

47

1,9

48

1,7

49

1,7

1,8

51

1,9

52

53

2,5

ruthenium

rhodium

palladium

Pd

Ag zilver

cadmium

indium

In

Sn tin

antimoon

telluur

jood

101,1

102,9

106,4

107,9

112,4

114,8

118,7

121,8

127,6

126,9

76

2,2

77

2,2

78

2,2

79

2,2

80

1,9

81

1,8

82

1,8

Sb

2,1

98

1,9

Cd

50

technetium

75

Rh

46

95,94 74

Ru

2,2

molybdeen

1,5

Tc

44

92,91 73

Mo

1,9

niobium

1,3

83,80

elementen na lanthaan, in periode zes, en actinium, in periode zeven. 43

91,22 72

83

1,9

Te

84

2,0

I

85

2,2

6 Cs

Ba barium

lanthaan

hafnium

tantaal

wolfraam

W

Re renium

osmium

iridium

platina

Pt

Au

Hg kwik

thallium

Tl-

Pb lood

bismut

polonium

Po

At

132,9

137,3

138,9

178,5

180,9

183,9

186,2

190,2

192,2

195,1

197,0

200,6

204,4

207,2

209,0

209

210

87

0,7

7 Fr

francium

223

88

0,9

Ra

La

89

1,1

Ac

Hf

104

Ta

105

Rf

106

Db

107

Sg

Os

108

Bh

Ir

109

Hs

110

Mt

goud

111

Ds

113

112

Rg

Cn

114

Nh

Bi

115

Fl-

116

Mc

Ts

actinium

rutherfordium

dubnium

seaborgium

bohrium

hassium

meitnerium

darmstadtium

röntgenium

copernicium

nihonium

flerovium

moscovium

livermorium

tennessine

227

261

262

266

264

277

268

281

272

285

287

289

288

289

289

lanthaniden

90

actiniden

7

1,1

60

1,2

61

62

1,2

63

64

65

1,2

66

(1,2)

67

1,2

68

1,2

69

1,2

70

Og

ganesson

289 1,1

71

1,2

neodymium

promethium

samarium

europium

gadolinium

terbium

dysprosium

holmium

erbium

Tm

Lu

praseodymium

Er

Yb

cerium

thulium

ytterbium

lutetium

140,1

140,9

144,2

(145)

150,4

151,9

157,3

158,9

162,5

164,9

167,3

168,9

173,0

Ce

6

59

radon

222

226,0

1,1

Rn 118

radium

58

xenon

131,3

astaat

117

Lv

Xe

1,3

Th

Pr

91

1,5

Pa

Nd

92

1,4

U

Pm Sm

93

1,3

Np

94

1,3

Pu

Eu

95

1,3

Gd

96

Tb

97

Dy

98

Bk

Ho

99

Cf

100

Es

101

Fm

102

Md

175,0 103

thorium

protactinium

uraan

neptunium

plutonium

americium

Am

Cm curium

berkelium

californium

einsteinium

fermium

mendelevium

nobelium

lawrencium

232,0

231,0

238,0

237

244

243

247

247

251

252

257

258

No 259

Lr 262

IN

cesium

krypton

54

1,8

zirkonium

1,1

Kr

broom

88,91 57

36

Br

seleen

yttrium

0,9

argon

39,95

2,8

87,62 56

18

Cl-

strontium

0,7

Nb

26

Ib 11

1,8

85,47

Sr

Zr

1,6

1,5

VIlIb 10

14

rubidium

55

Y

40

25

VIlIb VIlIb 8 9

1,5

Een gelijkaardig probleem in de rangschikking deed zich voor78,96met de 69,72 72,64 74,92 79,90 54,94 55,85 58,93 58,69 63,55 65,38

kalium

39,10 37

VIIb 7

12,01

10,81 13

De 28 (of 2 keer 14) afgezonderde elementen onderaan zijn de elementen die in periode zes volgen op het element lanthaan en in periode zeven op het

element actinium. Zo verkregen ze de naam lanthaniden en actiniden. Samen worden ze ook wel ‘zeldzame aarden’ genoemd. WEETJE

Men kiest er vaak voor om de zeldzame aarden onderaan de tabel te

N

plaatsen met een verwijzing. Dat is handiger omdat het beter past in de verhoudingen van een pagina of poster.

VA

4.2 De a-groepen en hun naam

©

.indd 274

Sommige groepen hebben een specifieke naam, andere groepen worden genoemd naar het bovenste element uit de groep. • Ia: de alkalimetalen (Li, Na, K …)

2/06/2021 1

• IIa: de aardalkalimetalen (Be, Mg, Ca …) • IIIa: de aardmetalen (B, Al, Ga …)

• IVa: de koolstofgroep (C, Si, Ge …) • Va: de stikstofgroep (N, P, As …)

• VIa: de zuurstofgroep (O, S, Se …) • VIIa: de halogenen (F, Cl, Br, I …)

• VIIIa: de edelgassen (He, Ne, Ar …)

De laatste kolom, de edelgassen, wordt ook aangeduid als de nulgroep.

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

205


OPDRACHT 16 1 Vul de tabel aan met behulp van het PSE.

Naam element

Mg

S

Cl

Si

Al

neon fosfor lithium ijzer

Behoort tot welke groep

IN

Symbool

2 Ontdek via de ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal enkele nuttige toepassingen van elk element in het

N

dagelijks leven.

WEETJE

Wil je op het volgende feestje uitpakken met een origineel nummer?

©

VA

Scan de QR-code en ontdek het lied The Elements.

206

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

THE ELEMENTS


4.3 Waarom lijken atomen graag op een edelgas?

OPDRACHT 17

Bekijk de lewisstructuur en vul de tabel aan. 1 Bekijk het PSE. Boven elke kolom van de a-groepen staat de lewisstructuur van de elementen uit die kolom (groep) weergegeven. Ia 1

PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN IIa 2

2,1

H

1

atoomnummer (Z)

3

1,0

Li

2

4

1,5

beryllium

6,94

9,01

11

0,9

3 Na

12

24,31

0,8

20

K

4

1,0

21

IVb 4

1,3

22

1,6

24

1,5

26

1,8

scandium

titaan

vanadium

chroom

mangaan

Mn

Fe

44,96

47,87

50,94

52,00

54,94

55,85

1,2

1,4

41

1,8

1,9

C

44

2,2

28

29

1,9

30

1,6

3,5

9

4,0

O

stikstof

zuurstof

fluor

12,01

14,01

16,00

19,00

1,5

14

1,8

15

2,1

16

2,5

Al-

Si

silicium

fosfor

zwavel

chloor

28,09

30,97

32,07

35,45

32

1,8

33

S

neon

26,98

1,6

2,0

34

2,4

35

Ar

Cu

Zn

Ga gallium

germanium

Ge

As

Se seleen

broom

58,69

63,55

65,38

69,72

72,64

74,92

78,96

79,90

45

2,2

2,2

47

1,9

48

1,7

49

1,7

Cd

50

1,8

arseen

51

1,9

52

53

molybdeen

technetium

ruthenium

rhodium

palladium

Pd

Ag zilver

cadmium

indium

In

Sn tin

antimoon

telluur

jood

92,91

95,94

98

101,1

102,9

106,4

107,9

112,4

114,8

118,7

121,8

127,6

126,9

73

1,5

74

1,7

75

1,9

76

2,2

77

2,2

78

2,2

79

2,2

80

1,9

81

1,8

82

1,8

83

1,9

Te

84

2,0

85

Xe xenon

131,3

2,2

Ba barium

lanthaan

hafnium

tantaal

wolfraam

W

Re renium

osmium

iridium

platina

Pt

Au

Hg kwik

thallium

Tl-

Pb lood

bismut

polonium

Po

At

132,9

137,3

138,9

178,5

180,9

183,9

186,2

190,2

192,2

195,1

197,0

200,6

204,4

207,2

209,0

209

210

87

0,7

7 Fr

francium

223

88

0,9

Ra

La

89

Hf

1,1

Ac

104

Ta

105

Rf

106

Db

107

Sg

Os

108

Bh

Ir

109

Hs

110

Mt

goud

111

Ds

113

112

Rg

Cn

Nh

114

Bi

115

Fl-

116

Mc

Ts

actinium

rutherfordium

dubnium

seaborgium

bohrium

hassium

meitnerium

darmstadtium

röntgenium

copernicium

nihonium

flerovium

moscovium

livermorium

tennessine

227

261

262

266

264

277

268

281

272

285

287

289

288

289

289

1,1

60

1,2

61

62

1,2

63

VA

59

Ce

6

lanthaniden

90

7

actiniden

Pr

Nd

Pm Sm

64

Eu

65

Gd

1,2

Tb

66

(1,2)

Dy

67

1,2

68

Ho

1,2

Er

cerium

praseodymium

neodymium

promethium

samarium

europium

gadolinium

terbium

dysprosium

holmium

erbium

140,1

140,9

144,2

(145)

150,4

151,9

157,3

158,9

162,5

164,9

167,3

1,3

Th

91

1,5

Pa

92

1,4

U

93

1,3

Np

94

1,3

Pu

95

1,3

96

97

98

Bk

99

Cf

100

Es

69

1,2

Tm thulium

Fm

70

Yb ytterbium

173,0 102

Md

Og

ganesson

289 1,1

168,9 101

radon

222

226,0

1,1

Rn 118

radium

58

86

astaat

117

Lv

krypton

54

I

6 Cs

cesium

Kr 83,80

2,5

niobium

1,3

Sb

2,1

36

Br

91,22 72

Rh

46

zink

argon

39,95

2,8

Ni

koper

18

Cl-

58,93

nikkel

10

20,18

3,0

aluminium

31

P

17

zirkonium

1,1

He

Ne

88,91 57

2

F

koolstof

Co kobalt

Ru

1,9

IIb 12

N

8

yttrium

0,9

Tc

ijzer

1,9

Ib 11

3,0

87,62 56

Mo

43

27

VIlIb 10

7

strontium

0,7

Nb

42

2,5

85,47

Sr

Zr

1,6

6

rubidium

55

Y

40

VIIa 17

boor

N

5 Rb

39

Cr

25

VIa 16

10,81

13

VIlIb VIlIb 8 9

40,08 1,0

V

1,6

VIIb 7

calcium

38

Ti

23

VIb 6

kalium

0,8

Sc

1,5

Vb 5

2,0

B

39,10 37

Ca

IIIb 3

Va 15

4,00

gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)

Mg magnesium

22,99

IVa 14

helium

5

magnesium

24,31

1,2

natrium

19

naam

Be

lithium

1,2

Mg

symbool

1,01

IIIa 13

elektronegatieve waarde (EN) 12

waterstof

IN

1

0 18

71

1,2

Lu lutetium

175,0 103

thorium

protactinium

uraan

neptunium

plutonium

americium

Am

Cm curium

berkelium

californium

einsteinium

fermium

mendelevium

nobelium

lawrencium

232,0

231,0

238,0

237

244

243

247

247

251

252

257

258

No 259

Lr 262

2 Leid daaruit het antwoord af om de tabel verder aan te vullen. Nummer en naam a-groep

Aantal valentie-elektronen

Ia alkalimetalen

IIIa aardmetalen

Va stikstofgroep

VIIa halogenen

©

2 4 6 8 (2 voor periode 1)

PSE.indd 274

2/06/2021 11:20

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

207


Je merkt dat Mendelejev het belangrijk vond om elementen met hetzelfde

aantal elektronen in de buitenste schil onder elkaar in groepen te plaatsen. TIP Niet vergeten: elk atoom is elektrisch neutraal

(aantal negatief geladen

elektronen = aantal positief geladen protonen).

Atomen zijn het meest stabiel als hun buitenste schil volledig gevuld is met

acht elektronen (of twee als er maar één schil is). Ze streven er dan ook naar om die buitenste schil volledig te maken, de zogenaamde edelgasconfiguratie.

De edelgasconfiguratie wordt daarom ook wel de octetstructuur genoemd, al zou voor helium ‘duetstructuur’ een beter gekozen term zijn.

De edelgasconfiguratie kan bekomen worden door extra elektronen aan te trekken of elektronen af te staan.

Door elektronen (negatief geladen deeltjes) op te nemen of af te staan,

Afb. 68 Elektrisch neutraal atoom

IN

krijgt het atoom zelf een lading. Het atoom is niet langer elektrisch neutraal, want het aantal protonen is niet langer gelijk aan het aantal elektronen. We spreken nu niet langer over een atoom maar over een ion. Een geladen atoom wordt een ion genoemd.

• Negatief geladen ionen worden anionen genoemd en bevatten meer

N

elektronen dan protonen. De atomen hebben elektronen opgenomen.

Dit anion draagt als lading 2–

Afb. 69 Ladingsverhouding bij anionen

VA

• Positief geladen ionen worden kationen genoemd en bevatten meer

protonen dan elektronen. De atomen hebben elektronen afgegeven.

Dit kanion draagt als lading 2+

©

Afb. 70 Ladingsverhouding bij kationen

Een atoom zal altijd de makkelijkste weg kiezen om de edelgasconfiguratie te bekomen, zoals het voorbeeld van natrium en chloor aantoont:

Natrium heeft één elektron in de buitenste schil en kan een octetstructuur bereiken door:

• één elektron af te staan;

• zeven elektronen op te nemen.

Het natriumatoom kiest de gemakkelijkste weg: met één elektron minder wordt de voorlaatste schil nu de buitenste schil en bereikt het atoom de edelgasconfiguratie. 208

THEMA 05

HOOFDSTUK 4


Z = 11 N = 12

Z = 11 N = 12

Na

Na+

Afb. 71 Natrium: van atoom tot ion

Ion

11

11

neutraal

positief

IN

aantal protonen

Atoom aantal elektronen lading

elektronenconfiguratie

11

10

2, 8, 1

2, 8

Met dat ene elektron (negatief geladen deeltje) minder wordt tegelijkertijd het positieve natriumion gevormd: Na+.

Merk op dat het natriumion, dat we nu noteren als Na+, dezelfde elektronenconfiguratie krijgt als het edelgas neon. Na+ 2 8 1 28

N

Ne

Chloor heeft zeven elektronen in de buitenste schil, om een volledige buitenste schil te bekomen kan het: • één elektron opnemen;

©

VA

• zeven elektronen afstaan.

Ook chloor kiest voor de makkelijkste oplossing en zal één elektron (negatief geladen deeltje) opnemen.

Z = 17 N = 18

Z = 17 N = 18

Afb. 72 Chloor: van Cl atoom tot ion

aantal protonen aantal elektronen lading elektronenconfiguratie

Cl–

Atoom

Ion

17

17

neutraal

negatief

17

2, 8, 7

18

2, 8, 8

Chloor zal daarom het negatieve chloride-ion vormen, of kortweg Cl–. THEMA 05

HOOFDSTUK 4

209


Het chloride-ion, dat we nu noteren als Cl–, krijgt door de opname van een

extra elektron de configuratie van het edelgas argon. Cl–

Ar

2878

288

4.4 Elektronegativiteit

Metalen zijn dus geneigd om elektronen af te staan: ze zijn elektropositief,

IN

terwijl de niet-metalen, met uitzondering van de edelgassen, er heel graag extra elektronen zouden bij willen: ze zijn elektronegatief. De mate waarin

een atoom er naar streeft om extra elektronen op te nemen noemen we de

elektronegativiteit van een element. De elektronegativiteit of EN-waarde is

een getal tussen 0,7 en 4, dat we ook bij elk element op het PSE terugvinden, in de rechterbovenhoek. Merk op dat de EN-waarde ontbreekt bij de

edelgassen. Zij hebben de edelgasconfiguratie al bereikt en zijn niet geneigd extra elektronen aan te trekken.

elektronegatieve waarde (EN)

atoomnummer (Z)

12

1,2

Mg

N symbool naam

magnesium

24,31

VA

gemiddelde relatieve atoommassa <Ar>

Door het streven naar een volledige buitenste schil gaat een atoom

elektronen afstaan of opnemen, het atoom wordt zo een ion. Positieve ionen noemen we kationen, negatieve ionen noemen we anionen. Het atoom

bereikt zo de configuratie van het dichtstbijzijnde edelgas in het periodiek systeem. Daarom spreken we van een edelgasconfiguratie. Elementen die elektronen afstaan om tot de edelgasconfiguratie te komen, noemen we elektropositief; ze vormen kationen. Doorgaans zijn dat metalen.

©

Elementen die elektronen opnemen om tot de edelgasconfiguratie te

210

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

komen, noemen we elektronegatief; ze vormen anionen. Doorgaans zijn dat niet-metalen.

De mate waarin een atoom ernaar streeft om extra elektronen op te nemen, noemen we de elektronegativiteit (EN) van een element.


OPDRACHT 18

Vergelijk de EN-waarde van elk element in het PSE. 1 Hoe verandert de EN-waarde binnen één periode?

2 Hoe verandert de EN-waarde binnen één groep?

3 Waar staan dan de meest elektronegatieve elementen op het PSE?

WEETJE De Amerikaan Linus Carl Pauling (1901-1994) was de

IN

4 Waar staan de minst elektronegatieve (of elektropositieve) elementen?

allereerste scheikundige die de term elektronegativiteit gebruikte. Aan

het element dat het hardst elektronen naar zich toe kan trekken (fluor)

N

kende Pauling een EN-waarde van 4,0 toe. De overige elementen werden vergeleken met fluor en kregen een overeenkomstige

elektronegativiteit, tussen 0,7 en 4,0. De elektronegativiteit is dus

VA

specifiek voor elke atoomsoort.

OPDRACHT 19

Vul de juiste gegevens aan en schrap wat niet past. Welke ionen vormen de atomen om de edelgasconfiguratie te bereiken? • Magnesium zal

• Stikstof zal

• Zuurstof zal

elektronen opnemen / afstaan en een

©

• Aluminium zal     • Zwavel zal     • Neon zal

• Lithium zal

elektronen opnemen / afstaan en een

elektronen opnemen / afstaan en een

elektronen opnemen / afstaan en

ion vormen.

ion vormen.

elektronen opnemen / afstaan en een

elektronen opnemen / afstaan en een

TIP

ion vormen.

ion vormen.

ion vormen.

ion vormen.

elektron opnemen / afstaan en een

ion vormen.

Denk eraan dat je het aantal

elektronen in de buitenste schil van elk atoom kunt afleiden

uit de plaats in het periodiek systeem.

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

211


Elementen uit groep

Verschil in elektronen met atoom

Ionlading

Ia

geven 1 af

1+

Va

nemen 3 op

3-

IIa

geven 2 af

IIIa

2+

geven 3 af

VIa

3+

nemen 2 op

VIIa

2-

nemen 1 op geen

Ze vormen geen

ionen; ze hebben al de edelgasconfiguratie.

IN

VIIIa

1-

Dit overzicht vormt een zeer belangrijke basis om later chemische formules te schrijven.

` Maak oefening 11 t/m 18.

Opgelet, er worden twee belangrijke afspraken gemaakt: Ia 1

N 1

IIa 2

2,1

H

1

atoomnummer (Z)

1,0

Li

2

lithium

4

1,5

Be

3 Na

natrium

12

Mg

0,8

24,31

20

K

1,0

Ca

21

1,3

IVb 4

22

Sc

1,5

Ti

Vb 5

23

1,6

VIb 6

24

V

VA

4

IIIb 3

magnesium

22,99

19

kalium

calcium

39,10

37

0,8

5 Rb

rubidium

0,7

Ba barium

132,9

7 Fr

francium

223

yttrium

0,9

Ra

1,1

La

lanthaan

138,9

89

1,1

Ac

1,4

Zr

niobium

91,22

1,3

Hf

Ta

tantaal

178,5

Rf

actinium

rutherfordium

226,0

227

261

Db

dubnium

molybdeen

1,1

Ce

6

cerium

actiniden

7

1,3

Th

1,7

Tc

technetium

2,2

Ru

Re

2,2

Bh

bohrium

266

Hs

hassium

264 1,1

Pr

praseodymium

60

Nd

neodymium

140,9 1,5

Pa

1,4

U

samarium

(145) 93

1,3

Np

2,2

darmstadtium

1,3

röntgenium

Eu

europium

Pu

Gd

151,9 1,3

VIIa 17

2

He

copernicium

1,8

Sn tin

114,8 1,8

1,8

Tl-

Pb

thallium

nihonium

1,2

Tb

terbium

66

(1,2)

flerovium

Dy

dysprosium

158,9 97

Bk

Ho

holmium

164,9 99

Cf

moscovium

68

Er

erbium

167,3 100

Es

jood

xenon

131,3

2,2

Rn

astaat

radon

210

222

117

Lv

livermorium

69

86

At

209

118

Ts

Og

tennessine

ganesson

289 1,2

Tm thulium

70

289 1,1

1,2

Yb

Lu lutetium

173,0 102

Md

71

ytterbium

168,9 101

Fm

Xe

126,9 85

289 1,2

54

I

Po

288 1,2

162,5 98

Mc

krypton

83,80

2,5

polonium

116

289 67

2,0

Kr

79,90

127,6 84

209,0 115

Fl-

287

285

bismut

207,2 114

Nh

Bi

lood

204,4

1,9

Br

telluur

121,8

36

broom

53

Te

antimoon

83

argon

39,95

2,8

78,96 2,1

Ar

chloor

35,45 35

seleen

52

Sb

118,7 82

1,9

neon

20,18 18

Cl2,4

Se

74,92

Ne 3,0

zwavel

arseen

51

F

fluor

17

32,07 34

As

72,64

indium

81

113

Cn

Ge

2,0

10

19,00 2,5

S

fosfor

germanium

4,0

O

30,97 33

9

zuurstof

16

P 1,8

50

3,5

16,00 2,1

Si 28,09

In

kwik

157,3 96

1,7

8

14,01 15

silicium

32

69,72

200,6

65

gadolinium

gallium

Hg 112

64

95

1,9

272

63

Ga 49

112,4

goud

Rg

1,6

cadmium

80

197,0 111

Al-

Cd

Au

195,1

150,4 94

zilver

1,7

1,8

26,98

zink

N

stikstof

12,01 14

aluminium

65,38 48

107,9 79

281 1,2

Pm Sm

promethium

144,2 92

62

Ag

Pt

268

61

1,9

3,0

koolstof

1,5

31

Zn

koper

platina

Ds

1,6

63,55

106,4 2,2

IIb 12 30

Cu 47

palladium

110

meitnerium

277 1,2

2,2

78

Ir

Mt

1,9

Pd

192,2 109

Ib 11 29

nikkel

iridium

190,2 108

2,2

1,9

7

C

boor

58,69 46

102,9

osmium

186,2

seaborgium

rhodium

77

Os

renium

Sg

Rh

ruthenium

76

2,2

2,5

B

Ni

58,93

6

10,81 13

VIlIb 10

28

kobalt

45

101,1 1,9

1,9

Co

ijzer

55,85 44

98 75

107

175,0 103

thorium

protactinium

uraan

neptunium

plutonium

americium

Am

Cm curium

berkelium

californium

einsteinium

fermium

mendelevium

nobelium

lawrencium

232,0

231,0

238,0

237

244

243

247

247

251

252

257

258

259

262

1

©

1,9

27

Fe

54,94

183,9

91

1,8

Mn

W

59

VIlIb VIlIb 8 9

26

mangaan

43

wolfraam

106

140,1

90

1,5

95,94

74

262

58

1,8

Mo

180,9

105

radium

lanthaniden

1,5

VIIb 7

25

52,00

42

92,91

73

hafnium

104

1,6

Nb

zirkonium

72

chroom

50,94

41

1,6

Cr

vanadium

47,87

40

88,91

57

137,3

88

1,2

Y

87,62

0,9

titaan

44,96

39

strontium

56

cesium

0,7

1,0

Sr

6 Cs 87

scandium

40,08

38

85,47

55

magnesium

gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)

1,2

VIa 16

4,00 2,0

24,31

9,01

0,9

Va 15

helium

5

beryllium

6,94

11

naam

IVa 14

1,2

Mg

symbool

1,01

IIIa 13

elektronegatieve waarde (EN)

12

waterstof

3

0 18

PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN

No

Lr

2

1 De overgangselementen laten we nog even links liggen, voorlopig

onthouden we dat deze elementen uit de b-groepen bijna allemaal een 2+ ion gaan vormen.

2 De elementen uit kolom IVa (C: koolstof, Si: silicium, Ge: germanium,

Sn: tin en Pb: lood) worden ook overgeslagen. Die elementen kunnen immers twee kanten uit om tot een edelgasconfiguratie te komen: 4 elektronen opnemen en dus een 4– ion vormen, of 4 elektronen afstaan en een ion met lading 4+ vormen. Vaak zullen zij 4+ ionen vormen.

PSE.indd 274

212

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

2/06/2021 11:20


4.5 Zijn er naast de massa en elektronenconfiguratie nog andere indelingen in het PSE? In thema 3 leerde je dat het PSE kan worden onderverdeeld in metalen en niet-metalen. De edelgassen horen op hun beurt bij de niet-metalen. Als we over metalen spreken denk je vast aan ijzer, koper …

Of misschien heb je een wat duurdere smaak en denk je aan zilver, goud …

Er bestaan natuurlijk nog veel meer metalen die je regelmatig tegenkomt in

het dagelijks leven, denk maar aan aluminium en chroom in je fiets, en bij de

IN

auto van je ouders.

De indeling metalen en niet-metalen is vooral gebaseerd op hun

stofeigenschappen. We onderzoeken enkele van die stofeigenschappen, die je al leerde in thema 2. OPDRACHT 20

Sorteer de metalen en de niet-metalen.

N

Je leerkracht heeft een aantal stoffen klaargezet.

1 Van welke stoffen denk je dat het metalen zijn? Haal ze ertussenuit. 2 Noteer waarom jij denkt dat het om een metaal gaat.

Met andere woorden: van welke eigenschappen heb je gebruikgemaakt?

VA

OPDRACHT 21 DEMO

Je leerkracht onderzoekt welke stoffen stroom geleiden.

©

1 Werkwijze

• Verbind een testlamp met een stroombron. • Sluit de stroomkring door de connectoren

lampje

met de stof te verbinden.

 Lampje brandt: stof geleidt stroom.  Lampje brandt niet: stof geleidt geen stroom.

stof

stroombron

Afb. 73

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

213


2 Wat neem je waar? Zet een kruisje in de juiste kolom. Stof

Lampje brandt

Lampje brandt niet

ijzer (Fe) lood (Pb) octazwavel (S8) distikstof (N2, de lucht aanwezig) koper (Cu) grafiet (C)

IN

3 Wat kun je hieruit besluiten?

OPDRACHT 22 DEMO

VA

N

Je leerkracht onderzoekt welke stoffen warmte geleiden door een metalen en een glazen staaf in de vlam van een bunsenbrander te houden.

metaal

©

Afb. 74

1 Wat neem je waar?

2 Wat kun je hieruit besluiten?

214

THEMA 05

HOOFDSTUK 4

glas


OPDRACHT 23

Bekijk de tabel en los de vragen op. Metalen Smeltpunt (°C)

Kookpunt (°C)

ijzer

1 538

2 750

dijodium

koper

1 085

2 566

distikstof

chroom

839

1 860

1 485

platina

1 772

3 850

lood

327

1 740

–39

kwik

natrium

884

64

calcium goud

774

2 675

1 064

2 807

Smeltpunt (°C)

Kookpunt (°C)

113

184

octazwavel

357

98

kalium

Stof

113

dizuurstof

diwaterstof

koolstof - diamant

444

–218

–183

–210

–196

–259

–253

3 550

4 827

–101

–35

IN

Stof

Niet-metalen

koolstof - grafiet

3 652

tetrafosfor

4 827

44

dichloor

276

–7

dibroom

59

1 Markeer de stoffen die bij kamertemperatuur vast zijn met rood, vloeibaar met groen en gasvormig met geel.

2 Vergelijk de verschillende stoffen in de tabel aan de hand van hun smelt- en kookpunten.

N

Wat valt er op bij de metalen?

3 Welke aggregatietoestand hebben ze bij kamertemperatuur?

VA

OPDRACHT 24 ONDERZOEK

©

Hoe kun je metalen herkennen? Voer het labo uit op p. 303.

Stofeigenschappen metalen

Stofeigenschappen niet-metalen

geleiden de elektrische stroom

geleiden de elektrische stroom niet

plooibaar, rekbaar, pletbaar,

niet plooibaar, niet rekbaar, niet

zacht

smeedbaar

goede warmtegeleiders glanzend uitzicht

vaste stoffen op kamertemperatuur (met uitzondering van kwik, een vloeibaar metaal)

(met uitzondering van grafiet) broos

pletbaar, niet smeedbaar slechte warmtegeleiders meestal dof uitzicht

meestal vloeibaar of gasvormig, maar kunnen ook vast zijn

` Maak oefening 19 t/m 21. THEMA 05

HOOFDSTUK 4

215


THEMASYNTHESE SYNTHESE

BOUW, EIGENSCHAPPEN EN RANGSCHIKKING VAN ATOMEN Kernbegrippen

Notities

Kernvragen

Hoofdstuk 1: Hoe evolueerde het atoommodel?

materie: stof of mengsel van stoffen

stof: verbinding van deeltjes of

• Historische evolutie van de atoommodellen van Dalton tot en met Bohr: elke keer weer voortbouwen op de ontdekking van de voorganger.

• Het schillenmodel van Bohr-Rutherford elektronenschillen

atomen

protonen en neutronen

CHEMISCHE TIJDLIJN

IN

voorwerp: opgebouwd uit materie

atoomkern = nucleus

• bevat twee soorten

elementaire deeltjes:

N

Hoofdstuk 2: Wat weten we al over een atoom?

protonen (+) en neutronen

• deze elementaire deeltjes

protonen en neutronen voorkomen (behalve H: enkel 1 proton).

• Protonen, elektronen en neutronen vormen samen een atoom. Een atoom in zijn geheel heeft geen lading.

• Protonen zijn positief geladen (+).

Elektronen zijn negatief geladen (–).

VA

hebben een eenheidslading

• Het atoom bestaat uit een atoomkern en een elektronenmantel waarin

• rond atoomkern heb je elektronen (–)

atoomnummer Z

= aantal protonen

= aantal elektronen massagetal A

= Z (aantal protonen)

©

+ N (aantal neutronen)

absolute atoommassa Aa

eenheidsmassa

= 1/12 van Aa(C) = 1 unit

relatieve atoommassa Ar

gemiddelde relatieve atoommassa <Ar>

Neutronen zijn neutraal.

• Rond de kern bewegen elektronen (–) op schillen.

• Het aantal elektronen rond de kern is in een atoom gelijk aan het aantal protonen in de kern.

• Atomen met hetzelfde aantal protonen zijn atomen van

hetzelfde chemische element.

• Uit het atoomnummer Z en

het massagetal A kunnen we de hoeveelheid van elk van de deeltjes in een atoom berekenen.

THEMA 05

neutron schil nucleus elektron

• De absolute atoommassa Aa van

een atoom is de massa van het atoom en wordt uitgedrukt in gram.

• De eenheidsmassa is 1/12de van de massa van een C-atoom = 1,66.10-4 g.

• De verhouding tussen de absolute atoommassa van een atoom en de

eenheidsmassa, is de relatieve atoommassa Ar van een atoom. Dat is een

onbenoemd getal.

• In het PSE wordt onder elk element de gemiddelde relatieve atoommassa <Ar> vermeld. Dat is de gewogen gemiddelde massa van alle atoomtypes

van eenzelfde element.

216

proton

THEMASYNTHESE


Hoofdstuk 3: Hoe zitten elektronen verdeeld in een atoom? elektronenconfiguratie edelgasconfiguratie

lewisstructuur

• De verdeling van de elektronen op schillen gebeurt volgens een aantal regels.

• Wanneer de buitenste schil volledig bezet is, dan spreken we over de edelgasconfiguratie.

• Het schillenmodel kan eenvoudiger genoteerd worden als de elektronenconfiguratie.

• Bij de lewisstructuur vereenvoudigen we die elektronenconfiguratie nog en worden enkel de elektronen van de buitenste schil weergegeven.

valentie-elektronen groepen = kolommen in het PSE perioden

= rijen in het PSE

• Elementen met een gelijk aantal elektronen op de buitenste schil

(de valentie-elektronen) hebben gelijkaardige chemische eigenschappen.

• Elementen met gelijke chemische eigenschappen worden in het PSE onder elkaar geplaatst, in een gelijke groep (# = 18).

• In het PSE komen er 7 perioden voor. Binnen een periode heeft elk

element een gelijk aantal schillen in gebruik (periode 3 ⇒ 3 schillen in gebruik).

• Het PSE wordt opgedeeld in a- en b-groepen. 8 a-groepen

10 b-groepen

 elk een naam:

 één verzamelnaam:

N

a- en b-groepen

IN

Hoofdstuk 4: Wat leren we uit de plaats van een element op het PSE?

Ia:

alkalimetalen

IVa:

koolstofgroep

IIa:

IIIa:

aardmetalen

stikstofgroep

VA

Va:

aardalkalimetalen

overgangselementen

VIa:

VIIa:

zuurstofgroep halogenen

VIIIa/0: edelgassen (of nulgroep)

ion (+: kation; -: anion) = geladen atoom elektropositief

©

elektronegatief

elektronegativiteit (EN)

• Atomen streven naar een stabiele edelgasconfiguratie.

• Metalen geven elektronen af ter vorming van positieve ionen (kation): ⇒ metalen zijn elektropositief.

• Niet-metalen nemen elektronen op ter vorming van negatieve ionen (anion):

⇒ niet-metalen zijn elektronegatief.

• De mate waarin een atoom ernaar streeft om extra elektronen op te nemen, noemen we de elektronegativiteit (EN) van een element.

• De groep waartoe een element behoort bepaalt welke lading het ion draagt:

Ia ⇒ 1+

IIa ⇒ 2+ IIIa ⇒ 3+

Va ⇒ 3-

VIa ⇒ 2-

VIIa ⇒ 1-

THEMA 05

THEMASYNTHESE

217


stofeigenschappen

Stofeigenschappen metalen

metalen en niet-metalen

Stofeigenschappen niet-metalen

geleiden de elektrische stroom

geleiden de elektrische stroom niet

plooibaar, rekbaar, pletbaar,

niet plooibaar, niet rekbaar, niet

zacht

smeedbaar

goede warmtegeleiders glanzend uitzicht

(met uitzondering van grafiet) broos

pletbaar, niet smeedbaar slechte warmtegeleiders meestal dof uitzicht

vaste stoffen op kamertemperatuur meestal vloeibaar of gasvormig, (met uitzondering van kwik, een

IN

vloeibaar metaal)

maar kunnen ook vast zijn

BEKIJK KENNISCLIP

Mijn samenvatting

N

VA

©

218

THEMA 05

THEMASYNTHESE


CHECKLIST

JA

NOG OEFENEN

1 Begripskennis

• Ik ken de kernbegrippen (element, atoom, voorwerp, materie, stof, atoomsoort, nucleonen, atoomkern, atoomnummer, massagetal, gemiddelde relatieve

atoommassa, elektronenconfiguratie, lewisstructuur, eenheidslading, elementair deeltje) en kan ze toelichten.

• Ik ken de historische evolutie van de atoommodellen van Dalton tot en met Chadwick.

• Ik ken de lewisstructuur en kan die toepassen bij de eerste 20 elementen. • Ik kan toelichten hoe een ion aan zijn lading komt.

IN

• Ik kan toelichten hoe en waarom een atoom een ion vormt.

• Ik kan toelichten waarom metalen positieve ionen en niet-metalen negatieve ionen vormen.

• Ik kan een verband leggen tussen de plaats van een element in het PSE en de eigenschappen (massa, elektronenconfiguratie, EN-waarde ...) ervan.

2 Onderzoeksvaardigheden

• Ik kan de bouw van een atoom toelichten (volgens het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford).

• Ik kan de samenstelling van atomen afleiden uit het atoomnummer en het massagetal.

N

• Ik kan de regels voor elektronenverdeling toepassen om het gecombineerd

atoommodel van Bohr-Rutherford te tekenen en de elektronenconfiguratie van de eerste 20 elementen te schrijven.

• Ik kan toelichten hoe het schrijven van elektronenconfiguraties een vereenvoudigde weergave is van het schillenmodel.

VA

• Ik kan het PSE gebruiken om eigenschappen van atomen en ionen af te leiden, ook op basis van atoomnummer, massagetal en lewisformule.

• Ik kan elementen ordenen en plaatsen op de tabel.

• Ik kan metalen herkennen aan de specifieke eigenschappen. invullen bij je Portfolio.

©

` Je kunt deze checklist ook op

THEMA 05

CHECKLIST

219


CHECK IT OUT

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet!

IN

Wat zie jij onder deze elektronenmicroscoop? Vul in.

N

VA

Zou je graag nog verder inzoomen? Je bent niet alleen.

Wetenschappers uit de hele wereld doen continu fundamenteel onderzoek naar elementaire deeltjes in het CERN

©

(Conseil Européen pour la Recherche Nucléaire, of de Europese Raad voor Kernonderzoek).

Afb. 75 CERN

Afb. 76 François Englert

Heeft dit thema jouw interesse opgewekt? Ga naar

Onze landgenoot

François Englert kreeg in 2013 de Nobelprijs

voor Natuurkunde voor zijn onderzoek naar de allerkleinste deeltjes.

en bekijk de filmpjes over het onderzoek bij CERN.

! Stilaan zijn we in staat om na te gaan of het gecombineerd atoommodel van Bohr-Rutherford overeenstemt met de realiteit. Steeds sterkere microscopen stellen ons in staat het met het blote oog te checken. We ontdekken alsmaar meer.

220

THEMA 05

CHECK IT OUT


AAN DE SLAG

1

Uit welke deeltjes is een atoom opgebouwd, wat is hun lading en waar in het atoom bevinden die deeltjes zich?

Deeltje van het atoom

Lading

2

Een element heeft 20 neutronen in de kern en een atoommassa van 40 u. Over welk element gaat het?

3

Hoeveel neutronen vind je in een lithiumkern?

4

Hoeveel elektronen heeft een loodatoom?

N

5

Vervolledig de tabel. Symbool

Naam

VA

Plaats in het atoom

IN

Sn

lood

A

Aantal protonen

Aantal Aantal neutronen elektronen

2

4

65

1

©

zink

Z

207

56

138

119

51 12

23

16

16

a Geef de samenstelling van de kern van een zwavelatoom (met atoomnummer 16 en massagetal 32).

b Geef de samenstelling van het kwikatoom met A = 200.

THEMA 05

AAN DE SLAG

221


7

Teken het schillenmodel voor aluminium.

IN

6

Schrijf de elektronenconfiguratie en teken ernaast de lewisstructuur voor de volgende elementen. koolstof:

magnesium:

chloor:

VA

N

zuurstof:

8

fosfor:

Durf je het aan om het schillenmodel en de elektronenconfiguratie te tekenen van

een atoom met een hoger atoomnummer, zoals lood of kwik?

Vraag tips aan je leerkracht of scan de QR-code voor meer informatie.

©

zwavel:

222

THEMA 05

AAN DE SLAG


9

Vul aan.

a In het periodiek systeem zijn de elementen horizontaal gerangschikt volgens

.

b In het periodiek systeem zijn de elementen verticaal gerangschikt volgens

.

Naam element

chloor

zwavel

calcium

Na C Al P

Naam groep

argon

Ionlading

Waarom vormen edelgassen geen ionen?

VA

11

Symbool

IN

Vul de tabel aan.

N

10

12

Vul aan.

• De overgangselementen vormen ionen met lading      . • Negatieve ionen worden ook

• Positieve ionen worden ook

genoemd.

Vul aan.

©

13

genoemd.

Een element dat een ion vormt met lading 2– zal altijd behoren tot

.

Een element dat een ion vormt met lading 3– zal altijd behoren tot

.

Een element dat een ion vormt met lading 2+ zal altijd behoren tot

.

Een element dat een ion vormt met lading 1+ zal altijd behoren tot

.

Een element dat geen ionen vormt, zal altijd behoren tot

.

THEMA 05

AAN DE SLAG

223


14

Welk ion bezit 117 neutronen en 74 elektronen? •

Pt4+

195

• 191 Pt4+

• 191 W4+ • 195 W4+

15

Een 2+ geladen ion bevat nog 24 elektronen. Om welk element gaat het?

16

Beantwoord de vragen.

IN

a Welk ion van een alkalimetaal heeft 4 schillen en 18 elektronen?

b Welk ion van een aardalkalimetaal heeft 4 schillen en 18 elektronen?

17

Welke van de onderstaande reeks atomen en ionen heeft een ander aantal elektronen dan de rest? • N3–

• Al3+

• Mg2+ • Cl–

• O2– • Ne • F–

Noem minstens vier stofeigenschappen van metalen.

VA

18

N

• Na+

19

Vul aan.

• Metalen vormen altijd positieve ionen, ze zijn            .

©

• Niet-metalen vormen altijd negatieve ionen, ze zijn            .

20

Welke zuivere stof is geen metaal maar geleidt toch de stroom?

21

Wat is het enige metaal dat vloeibaar is bij kamertemperatuur?

` Verder oefenen? Ga naar

224

THEMA 05

AAN DE SLAG

.


CHEMISCHE BINDINGEN EN HUN ROOSTERS

THEMA 06

CHECK IN

226

VERKEN

227

` HOOFDSTUK 1: Zijn deeltjes in een verbinding altijd 229

IN

op eenzelfde manier gebonden?

1.1 Wat is het verschil tussen een binding en een verbinding? 1.2 Welke soorten bindingen bestaan er?

` HOOFDSTUK 2: Hoe wordt een ionbinding gevormd?

N

2.1 De ionbinding 2.2 De formule-eenheid van ionverbindingen 2.3 De neutraliteitsregel

229 230 232

232 234 236

` HOOFDSTUK 3: Hoe wordt een atoombinding gevormd? 238 3.1 De atoombinding 3.2 De molecuulformule van atoomverbindingen

238 241

VA

` HOOFDSTUK 4: Hoe wordt een metaalbinding gevormd? 245 4.1 De metaalbinding 4.2 Verklaring van de eigenschappen van metalen

245 247

` HOOFDSTUK 5: Welk belang en voorkomen hebben

enkelvoudige stoffen? 5.1 Niet-metalen 5.2 Metalen

249 249 254 256

CHECKLIST

257

©

THEMASYNTHESE

PORTFOLIO

CHECK IT OUT

258

AAN DE SLAG

259

OEFEN OP DIDDIT

225


CHECK IN

Alle beetjes helpen! Deze situaties schetsen telkens een probleem. Hoe kun je ervoor zorgen dat de personen alsnog in een comfortabele situatie terechtkomen? Situatie 1

Situatie 1:

Wat kan Kalvin doen zodat zowel hij als Fleur het comfortabel krijgen?

Situatie 2

Kalvin en Fleur Situatie 2:

IN

Wat moeten Jody en Jodi doen om het beiden comfortabel te krijgen?

Jody en Jodi

VA

N

Situatie 3

Situatie 3:

Wat moeten Ali en Allison doen om het beiden comfortabel te krijgen?

©

Ali en Alisson

` Is er een gelijkenis tussen deze situaties en de vorming van bepaalde chemische bindingen? We zoeken het uit!

226

THEMA 06

CHECK IN

?


VERKEN

De samenstelling van een stof OPDRACHT 1

Ken je alle termen nog? 1 Vul in de tweede kolom het nummer van de juiste verklaring in.

edelgasconfiguratie element negatief ion samengestelde stof positief ion stof enkelvoudige stof

Verklaringen 1 atoomsoort 2 de buitenste schil van het atoom is volledig bezet 3 scheikundige vorm voor materie met een bepaalde chemische samenstelling

4 kleinste deeltje van een element dat nog alle eigenschappen van het element heeft

5 ontstaat door het afstaan van elektronen

6 ontstaat door het opnemen van elektronen 7 stof opgebouwd uit één element

8 stof opgebouwd uit meer dan één element

N

atoom

Verklaring

IN

Term

2 Zet in de afbeelding de juiste letters bij de pijlen.

VA

A de stof water – B het deeltje water – C een atoom waterstof – D een atoom zuurstof

©

THEMA 06

VERKEN

227


OPDRACHT 2

Hoe worden ionen gevormd? Vul de zinnen aan en schrap wat niet past. a Metalen

om de edelgasconfiguratie te bereiken.

Ze vormen zo positieve / negatieve ionen.

Ze vormen zo positieve / negatieve ionen.

Dat atoom zal dus

elektronen

Dat atoom zal dus

elektron

Dat atoom zal dus

elektronen

Dat atoom zal dus

b Niet-metalen

om de edelgasconfiguratie te bereiken.

d Chloor is een metaal / niet-metaal met

IN

c Magnesium is een metaal / niet-metaal met 2 elektronen op de buitenste schil.

elektronen op de buitenste schil.

e Aluminium is een metaal / niet-metaal met

en zo het ion

vormen.

vormen.

elektronen op de buitenste schil. en zo het ion

elektronen op de buitenste schil.

N

f Zuurstof is een metaal / niet-metaal met      OPDRACHT 3

en zo het ion

elektronen

en zo het ion

vormen. vormen.

Onderstreep de enkelvoudige stoffen en omcirkel de samengestelde stoffen.

VA

H2O – (C) grafiet – N2O (lachgas) – HCl (waterstofchloride) – O2 (zuurstofgas) – CH4 (methaan) – O3 (ozon) –

©

CO2 (koolstofdioxide) – He – C6H12O6 (glucose) – Fe (ijzer)

228

THEMA 06

VERKEN


HOOFDSTUK 1

Zijn deeltjes in een verbinding altijd op eenzelfde manier gebonden? LEERDOELEN Je kunt al:

IN

L het verschil tussen een element en een atoom toelichten;

L toelichten dat atomen streven naar de edelgasconfiguratie; L begrijpen dat stoffen zijn opgebouwd uit één of meerdere atomen of elementen.

Je leert nu:

L dat de aard van de deeltjes bepaalt welke verbinding gevormd zal worden;

L wanneer een ionbinding tot stand komt;

voorwerpen die uit bepaalde stoffen

zijn gemaakt. Een balpen uit plastic, een kast uit hout, een schrift uit papier. Ook

N

L wanneer een atoombinding tot stand komt;

Als je om je heen kijkt, zie je allerhande

L wanneer een metaalbinding tot stand komt.

de lucht om je heen bevat allerhande

deeltjes. Al die stoffen zijn opgebouwd uit een of meerdere atoomsoorten.

©

VA

1.1 Wat is het verschil tussen een binding en een verbinding?

Je weet al dat een stof bestaat uit kleinere deeltjes (stofdeeltjes) die nog steeds de eigenschap van de stof bezitten. Zo bestaat de stof suiker bijvoorbeeld uit allemaal kleine suikerdeeltjes.

Bij edelgassen bestaan die stofdeeltjes uit vrije, losse atomen: het zijn

mono-atomische, enkelvoudige stoffen (bv. Ne). De atomen van edelgassen

hebben een volledig bezette buitenste schil, waardoor ze niet reageren met andere atomen.

Atomen van andere atoomsoorten zullen de stabiele edelgasconfiguratie

proberen te bereiken door met elkaar te binden. Zo ontstaan nieuwe stoffen die bestaan uit meerdere atomen of ionen: het zijn verbindingen.

Het kunnen polyatomische (meeratomige) enkelvoudige stoffen (bv. Cl2) of samengestelde stoffen (bv. H2O) zijn.

THEMA 06

HOOFDSTUK 1

229


In thema 3 leerde je al dat enkelvoudige stoffen verbindingen zijn van

atomen of ionen van eenzelfde atoomsoort; samengestelde stoffen zijn verbindingen van atomen of ionen van verschillende atoomsoorten.

De atomen of ionen in een verbinding worden samengehouden door aantrekkingskrachten, die we een (chemische) binding noemen.

Een verbinding is een stof die bestaat uit meerdere atomen of ionen. De binding is de aantrekkende kracht die de atomen of ionen in een verbinding samenhoudt.

OPDRACHT 4

IN

` Maak oefening 1.

Wat is het onderscheid tussen binding en verbinding? Bekijk afbeelding 77 en beantwoord de vragen. a Hoeveel bindingen zie je op de afbeelding?

N

Afb. 77

VA

b Hoeveel unieke verbindingen zie je op de afbeelding?

1.2 Welke soorten bindingen bestaan er?

Atomen streven naar de edelgasconfiguratie. Om dat te bereiken moeten atomen (behalve de edelgassen) met elkaar binden ter vorming van een verbinding.

©

Naargelang de aard van de atoomsoort (metaal en/of niet-metaal) kunnen

metaal + niet-

metaal

+

niet-

metaal niet-

metaal

metaal + metaal

230

THEMA 06

= ionbinding = atoombinding

= metaalbinding

HOOFDSTUK 1

verschillende soorten bindingen en verbindingen worden gevormd:

• In een verbinding opgebouwd uit metalen en niet-metalen worden de gevormde ionen samengehouden door een ionbinding. Die stof noemen we een ionverbinding.

• In een verbinding die bestaat uit een of meerdere soorten niet-metalen,

worden de atomen samengehouden door een atoombinding. Een stof met enkel atoombindingen noemen we een atoomverbinding.

• Als de verbinding uitsluitend is opgebouwd uit één of meerdere soorten metalen, houdt een metaalbinding de gevormde metaalionen samen.

Een stof met enkel metaalbindingen noemen we een metaalverbinding.


OPDRACHT 5

Op welke manier zijn de deeltjes gebonden in een verbinding? Welk soort binding zal gevormd worden bij een verbinding die is opgebouwd uit de volgende elementen? Vul in de tabel eerst de symbolen van de elementen aan en duid daarna het soort binding aan. Zijn de samenstellende Symbolen elementen metalen (M) elementen of niet-metalen (nM)?

aluminium en fluor

calcium en jood

jood en jood kalium en broom

koolstof

koolstof en waterstof

koolstof en zuurstof

koper en zink (samen: messing)

magnesium en zuurstof natrium en chloor

VA

stikstof en zuurstof

tin en lood (samen: soldeertin)

©

zink

ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding

N

koper en tin (samen: brons)

Soort binding

IN

Verbinding opgebouwd uit de volgende elementen

ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding

Het soort binding dat ontstaat, hangt af van de aard van de deeltjes: Stof is opgebouwd uit

Soort verbinding

Soort binding

metalen en niet-metalen

ionverbinding

ionbinding

uitsluitend niet-metalen uitsluitend metalen

atoomverbinding

metaalverbinding

atoombinding

metaalbinding

` Maak oefening 2 t/m 6.

THEMA 06

HOOFDSTUK 1

231


HOOFDSTUK 2 H

Hoe wordt een ionbinding gevormd?

He

Li

Be

B

C

N

O

F

Ne

Na

Mg

Al-

Si

P

S

Cl-

Ar

K

Ca

Sc

Ti

V

Cr

Mn

Fe

Co

Ni

Cu

Zn

Ga

Ge

As

Se

Br

Kr

Rb

Sr

Y

Ze

Nb

Mo

Tc

Ru

Rh

Pd

Ag

Cd

In

Sn

Sb

Te

I

Xe

Cs

Ba

La

Hf

Ta

W

Re

Os

Ir

Pt

Au

Hg

Tl

Pb

Bi

Po

At

Rn

Fr

Ra

Ac

Rf

Db

Sg

Bh

Hs

Mt

Ce

Pr

Nd

Pm Sm

Eu

Gd

Tb

Dy

Ho

Er

Tm

Yb

Lu

Th

Pa

U

Np

Am Cm

Bk

Cf

Es

Fm

Md

No

Lr

LEERDOELEN

Pu

METALEN

Je kunt al:

NIET-METALEN

streven naar de edelgasconfiguratie;

IN

L beschrijven dat atomen verbindingen vormen omdat ze

L aanduiden dat tussen een metaal en een niet-metaal een ionbinding wordt gevormd;

L een chemische formule interpreteren m.b.v. de aangegeven indices;

L beschrijven hoe metalen en niet-metalen ionen vormen. Je leert nu:

sommige stoffen al formules zien staan zoals NaCl, CaCl2 of K2S.

Al die stoffen zijn ionverbindingen,

want ze zijn opgebouwd uit metalen

en niet-metalen. Zoals de naam doet

N

L wat een ionbinding is;

Je hebt misschien op het etiket van

L hoe een ionbinding wordt gevormd;

L hoe een ionverbinding wordt voorgesteld;

VA

L de formule-eenheid van een ionverbinding opstellen.

vermoeden, vormen de metalen en

niet-metalen ionen. Maar wat houdt

die ionen samen? Waarom draagt elk element een specifieke index? We zoeken het uit.

2.1 De ionbinding

OPDRACHT 6

Voer de proefjes uit en noteer je waarneming.

1 Blaas een ballon op en houd die boven het haar van een medeleerling.

©

Waarneming:

2 Wrijf met de ballon over het haar van een medeleerling (bij voorkeur iemand met lang haar).

Verwijder de ballon dan langzaam van het haar.

Waarneming:

3 Wrijf de ballon nogmaals over het haar van dezelfde leerling en houd hem boven het haar van een andere leerling. Waarneming:

232

THEMA 06

HOOFDSTUK 2


Door een ballon over haren te wrijven, springen elektronen over van de haren naar de ballon. De ballon wordt zo negatief geladen en de haren

positief geladen. De ballon trekt de haren aan door de aantrekkingskracht

tussen tegengestelde ladingen. De haren stoten elkaar onderling af en klitten niet samen door de afstotingskracht tussen gelijke ladingen.

In het eerste en het derde deel van de proef zijn de haren of de ballon niet geladen, waardoor er geen aantrekking tussen beide is.

Wanneer een metaal met een niet-metaal een binding maakt, zal het metaal één of meerdere elektronen overdragen aan het niet-metaal. Zo ontstaan

positieve en negatieve ionen. Metalen en niet-metalen werken dus samen om de edelgasconfiguratie te bereiken. Metalen kunnen het makkelijkst

IN

één of meerdere elektronen ‘missen’, de niet-metalen willen die er graag bij.

Eens de ionen gevormd zijn, zorgen de elektrostatische aantrekkingskrachten tussen de tegengesteld geladen ionen voor een sterke ionbinding tussen de ionen.

Wanneer een ion gevormd wordt, krijgt een metaal het woord

ion achter zijn naam: natrium wordt zo bijvoorbeeld het natriumion.

Een niet-metaal krijgt de uitgang ‘ide’+ ‘ion’ achter zijn stamnaam: chloor wordt zo het chloride-ion. Bij de elementen stikstof, zuurstof en zwavel

krijgt het ion een aparte naam: we spreken dan respectievellijk over het

©

VA

N

nitride-ion, het oxide-ion en het sulfide-ion.

Afb. 78 Vorming van een ionbinding tussen natrium en chloor. Natrium staat een elektron af aan chloor. Daardoor ontstaat een positief natriumion en negatief chloride-ion, die beide de edelgasconfiguratie hebben.

WEETJE

Bekijk de video over de ionbinding tussen een natriumion en chloride-ion.

BEKIJK DE VIDEO

De ionbinding houdt positieve metaalionen en negatieve niet-metaalionen bij elkaar. Ze is het gevolg van de elektrostatische aantrekking tussen

tegengestelde ladingen. De naam van een ionverbinding wordt gevormd door de naam van het metaal, gevolgd door de stam van de naam van het niet-

metaal +ide. Bij zuurstof spreken we over oxiden en bij zwavel over sulfiden. THEMA 06

HOOFDSTUK 2

233


2.2 De formule-eenheid van ionverbindingen

We weten nu dat metalen en niet-metalen een ionbinding vormen. Maar in

welke verhouding gebeurt dat en wat bepaalt die verhouding? Hoe stellen we de stof dan voor? OPDRACHT 7

IN

Bouw je eigen keukenzoutkristal. Je krijgt van je leerkracht een set lego- of duploblokken in twee kleuren, die de positieve natriumionen en

negatieve chloride-ionen voorstellen. Je weet inmiddels dat positieve ionen de negatieve aantrekken en dat gelijksoortige ladingen elkaar afstoten. Gebruik de stenen om samen met een klasgenoot een ‘zoutkristal’ te bouwen. De basis moet bestaan uit 3 x 4 stenen en elke laag moet volledig zijn. Er mogen geen stenen overblijven.

VA

N

1 Maak hier je tekening.

2 Hoeveel stenen van elke kleur gebruikte jij?

Kleur 1:

Kleur 2:

3 Bereken de verhouding van de aantallen van beide stenen. aantal stenen kleur 1

aantal stenen kleur 2

=

©

4 Hoeveel stenen van elke kleur gebruikte de andere leerling? Kleur 1:

Kleur 2:

5 Bereken de verhouding van de aantallen van beide stenen.

aantal stenen kleur 1 aantal stenen kleur 2

=

6 Wat stel je vast over de verhouding van de stenen van de ene kleur ten opzichte van de andere kleur?

234

THEMA 06

HOOFDSTUK 2


Proficiat, je hebt zopas je eerste ionrooster gebouwd! Als gevolg van de

elektrostatische aantrekkingskracht tussen positieve en negatieve ionen, rangschikken ionen zich op een regelmatige manier. Die regelmatige

rangschikking van positieve en negatieve ionen, samengehouden door

ionbindingen, noemen we een ionrooster. Een zoutkristal is opgebouwd uit

een ionrooster. Hoeveel positieve ionen en negatieve ionen aanwezig zijn in

het ionrooster, hangt af van de grootte van het ionrooster, maar zelfs in een

klein ionrooster zijn het er snel vele miljarden. De kleinste verhouding waarin de metaal- en niet-metaalionen voorkomen in het rooster, ligt echter vast. De regelmatige rangschikking van de ionen in het rooster zorgt ervoor dat

het rooster gezien kan worden als een herhaling van een kleinere eenheid.

Die kleinste verhouding van de ionen die zich telkens herhaalt in het rooster, neutraal Na atoom 11e

Na+ ion

-

11p

+

verlies van een elektron

e-

10e-

11p

+

18e-

N

overdracht van een elektron

IN

noemen we de formule-eenheid of roostereenheid.

17e-

17p+

opname van een elektron

neutraal Cl atoom

17p+

Cl- ion

vast natriumchloride of keukenzout NaCl

Afb. 79 Eén ionverbinding zoals keukenzout bestaat uit miljarden positieve en negatieve ionen in één keukenzoutkristal, gerangschikt in een ionrooster.

VA

©

Als je het ionrooster van keukenzout of natriumchloride goed bekijkt, dan

zie je dat het is opgebouwd uit steeds wederkerende eenheden die bestaan uit 1 natriumion en 1 chloride-ion.

De formule-eenheid schrijven we door de symbolen van de elementen van de ionen, vergezeld van een index, die het aantal van elk van de ionen in

de kleinste herhalende eenheid weergeeft. Zoals je geleerd hebt in thema 3 schrijven we een index van 1 niet. Voor keukenzout wordt dat dus: NaCl. Stoffen die opgebouwd zijn uit positieve en negatieve ionen die in een ionrooster zijn gerangschikt, noemen we ionverbindingen.

Ionverbindingen zijn stoffen opgebouwd uit positieve en negatieve ionen die afwisselend gerangschikt zijn in een ionrooster.

De ionbinding is de kracht die de ionen samenhoudt. De kleinste herhalende eenheid in het rooster noemen we de formule-eenheid of roostereenheid. Ze wordt voorgesteld door de symbolen van de elementen van de ionen, samen met een index. De index geeft het aantal weer van dat element in de formule-eenheid.

THEMA 06

HOOFDSTUK 2

235


2.3 De neutraliteitsregel

In keukenzout is het aantal positieve ionen gelijk aan het aantal negatieve ionen. Dat is echter niet in alle ionverbindingen het geval. OPDRACHT 8

1 Omcirkel een formule-eenheid in het rooster.

IN

Bekijk de figuur van de zouten natriumjodide en kaliumsulfide. 2 Schrijf de formule-eenheid van deze ionverbindingen.

K+ ion

Na+ ion

S2– ion

N

I– ion

VA

Formule-eenheid 1:

Formule-eenheid 2:

Hoeveel ionen van elke soort aanwezig zijn in de formule-eenheid is afhankelijk van de lading van de ionen.

De formule van een ionverbinding moet altijd neutraal zijn. We spreken

daarom ook van de neutraliteitsregel: de som van alle positieve en negatieve ladingen moet gelijk zijn aan nul.

©

K2S

index

236

THEMA 06

HOOFDSTUK 2

Natriumjodide bestaat uit natriumionen en jodide-ionen. De natriumionen dragen een lading 1+ en de jodide-ionen een lading 1–. De lading van 1 natriumion neutraliseert de lading van 1 jodide-ion, daarom is de formule-eenheid NaI.

Kaliumsulfide bestaat uit kaliumionen en sulfide-ionen. De kaliumionen dragen een lading 1+. Er zijn 2 kaliumionen nodig om de lading van het sulfide-ion (2–) te ‘neutraliseren’. Daarom is de formule-eenheid K2S.

Opmerking: We zouden ook kunnen redeneren dat 4 kaliumionen nodig zijn

om de lading van 2 sulfide-ionen te ‘neutraliseren’, maar bij het schrijven van de formule-eenheid werken we steeds met de kleinst mogelijke verhouding.


OPDRACHT 9

Schrijf de formule-eenheid van een aantal ionverbindingen. Vul de tabel aan.

calciumoxide zinksulfide natriumbromide kaliumoxide magnesiumsulfide aluminiumfluoride aluminiumoxide

Elementen Ca

Br

S

K

O

Mg Al Al

Formule-eenheid

O

Zn

Na

Ionen

S F

O

IN

Stof

N

Om te bepalen welke indexen geschreven worden in een formule-eenheid

gebruiken we de neutraliteitsregel: de som van de lading van de positieve ionen en negatieve ionen moet aan elkaar gelijk zijn. Die indexen worden

in de kleinst mogelijke verhouding geplaatst. De index ‘1’ wordt niet geschreven.

©

VA

` Maak oefening 7.

THEMA 06

HOOFDSTUK 2

237


HOOFDSTUK 3

Hoe wordt een atoombinding gevormd? LEERDOELEN

L beschrijven dat atomen verbindingen vormen omdat ze streven naar de edelgasconfiguratie;

L aanduiden dat tussen twee niet-metalen atoombindingen worden gevormd;

L aangeven dat niet-metalen, met uitzondering van de edelgassen, elektronen willen opnemen.

IN

Je kunt al:

Onze atmosfeer bestaat uit 78 % stikstofgas (N2),

21 % zuurstofgas (O2) en 0,03 % koolstofdioxide (CO2).

Je leert nu:

Al die stoffen zijn opgebouwd uit niet-metalen. Stoffen die uitsluitend uit niet-metalen zijn

N

L hoe een atoombinding wordt gevormd;

opgebouwd, noemen we atoomverbindingen. Je hebt

L hoe we moleculen voorstellen door een structuurformule;

al geleerd dat niet-metalen elektronegatief zijn en de edelgasconfiguratie willen bereiken door extra

L hoe een molecule wordt voorgesteld door

elektronen op hun buitenste schil op te nemen. Maar

een molecuulformule.

hoe kunnen twee niet-metalen, die allebei elektronen

VA

willen opnemen, de edelgasconfiguratie bereiken?

3.1 De atoombinding

Om te begrijpen hoe niet-metalen elkaar helpen om de edelgasconfiguratie

©

te bereiken, kijken we even naar waterstofgas, dat opgebouwd is uit twee

waterstofatomen. Beide waterstofatomen hebben 1 elektron op de eerste (en tevens enige) schil en streven naar een volledig bezetting van de buitenste schil: 2 elektronen.

Beide waterstofatomen willen echter een elektron opnemen en geen van beide atomen is bereid om elektronen over te dragen. De twee

waterstofatomen kunnen de edelgasconfiguratie bereiken door een

gemeenschappelijk elektronenpaar te vormen. Deze twee elektronen worden gedeeld en kunnen nu bij beide atomen gerekend worden, waardoor de buitenste schil van de beide waterstofatomen volledig is gevuld.

H

H

H

H

H

H

Afb. 80 Vorming van een molecule H2: een atoombinding ontstaat door het gemeenschappelijk stellen van een elektronenpaar.

238

THEMA 06

HOOFDSTUK 3


Dit gemeenschappelijk elektronenpaar wordt de atoombinding of de

covalente binding genoemd. Ze wordt voorgesteld door een streepje tussen beide atomen: het bindend elektronenpaar.

Deeltjes van een stof opgebouwd uit niet-metalen die door atoombindingen aan elkaar gebonden zijn, vormen samen een apart deeltje: het zijn

individuele moleculen. Bij een ionverbinding spreken we niet over moleculen, omdat de ionen niet uniek aan elkaar gelinkt zijn maar een steeds herhalende eenheid in een rooster vormen. WEETJE De naam ‘covalente binding’ komt van het Latijnse ‘co’ en ‘valere’:

IN

samen van tel zijn, gelijkwaardig zijn. Het slaat dus op het feit dat de twee gemeenschappelijke elektronen de atomen stevig aan

elkaar binden. In sommige boeken of bronnen gebruikt men vooral

de naam ‘covalente binding’, in andere hanteert men het synoniem ‘atoombinding’. Je zorgt er dus best voor dat je ze beide goed kent. Omdat er maar één atoombinding tussen twee waterstofatomen zit,

spreken we van een enkelvoudige atoombinding. De voorstelling van

de manier waarop de atomen aan elkaar gebonden zijn, noemen we de

N

structuurformule.

Andere elementen, zoals zuurstof, streven naar een edelgasconfiguratie met 8 elektronen op de buitenste schil. De molecule zuurstofgas is opgebouwd

uit 2 atomen O. Je zag al dat het element zuurstof 6 elektronen heeft op de buitenste schil, waarvan 2 ongepaarde elektronen. Je leerde al in thema 5

©

VA

hoe de elektronen verdeeld worden over het symbool van het element: eerst individueel, vanaf het vijfde elektron als een paar. Om aan 8 elektronen te geraken op de buitenste schil, zal elk ongepaard elektron van een

zuurstofatoom een bindend elektronenpaar vormen met een ongepaard

elektron van het andere zuurstofatoom. Zo ontstaat in de structuurformule een dubbele atoombinding tussen beide atomen.

Afb. 81 De vorming van een molecule zuurstofgas

Atomen van het element stikstof beschikken over 3 ongepaarde elektronen

en 1 vrij elektronenpaar op hun buitenste schil. In een molecule opgebouwd uit 2 stikstofatomen zal elk ongepaard elektron van een stikstofatoom

een bindend elektronenpaar vormen met een ongepaard elektron van het andere stikstofatoom. Zo ontstaat een drievoudige atoombinding in de structuurformule.

N

N

Afb. 82 De vorming van een molecule stikstofgas

N

N

N

THEMA 06

N

HOOFDSTUK 3

239


Koolstofdioxide (CO2), een belangrijk broeikasgas in de atmosfeer, bestaat uit

twee soorten niet-metalen: 2 zuurstofatomen en 1 koolstofatoom.

De zuurstofatomen hebben elk 6 elektronen op de buitenste schil, waarvan 2 ongepaard. Het koolstofatoom heeft 4 ongepaarde elektronen in de buitenste schil. Door het vormen van gemeenschappelijke bindende

elektronenparen kan elk atoom ook de edelgasconfiguratie bereiken.

In deze molecule heeft elk zuurstofatoom nog 2 vrije elektronenparen.

Afb. 83 De vorming van een molecule CO2

IN

Merk op dat we gaandeweg een elektronenpaar voorstellen door een streepje in plaats van twee bolletjes naast elkaar te tekenen. Een stof enkel opgebouwd uit niet-metalen noemen we een

atoomverbinding. De bindingen die de niet-metalen aan elkaar binden, worden atoombindingen of covalente bindingen genoemd.

Een atoombinding ontstaat door de vorming van een gemeenschappelijk elektronenpaar. Tussen twee atomen kunnen enkelvoudige, dubbele of

drievoudige atoombindingen voorkomen. De structuurformule geeft aan op

OPDRACHT 10

N

welke manier de atomen in een molecule aan elkaar gebonden zijn.

Teken de structuurformule van de moleculen.

TIP

VA

Vul in de tabel aan hoeveel atoombindingen je in elk van de moleculen aantreft.

waterstofsulfide (H2S)

stof

Wil je de notatie met

de lewisstructuur opfrissen? Scan de QR-code.

BEKIJK DE PDF

chloorgas (Cl2)

water (H2O)

©

structuurformule

aantal atoombindingen stof

methaangas (CH4)

ammoniak (NH3)

structuurformule

aantal atoombindingen

240

THEMA 06

HOOFDSTUK 3

waterstofchloride (HCl)


OPDRACHT 11

DOORDENKER

Teken de structuurformule van de moleculen. Vul in de tabel aan hoeveel atoombindingen je in elk van de moleculen aantreft. zwavelmonoxide (SO)

stof

fosfortrichloride (PCl3)

tetra (CCl4)

aantal atoombindingen

IN

structuurformule

N

3.2 De molecuulformule van atoomverbindingen

Moleculen zijn opgebouwd uit meerdere atomen van niet-metalen

die verbonden zijn door een atoombinding. Maar hoe stellen we een

VA

atoomverbinding voor met een formule?

OPDRACHT 12

Bepaal de bouw van een atoomverbinding.

Bekijk hieronder de voorstellingen van de stof mierenzuur (een kleurloze stof die zuur smaakt), glucose (een witte, vaste stof die zoet smaakt) en keukenzout. Beantwoord de vragen. H

O

H

O

C

© C

H

Afb. 84 Mierenzuur

C

C

C

H

O

Cl Na Cl Na Cl Na Cl Na

H

O

Na Cl Na Cl Na Cl Na Cl Cl Na Cl Na Cl Na Cl Na Na Cl Na Cl Na Cl Na Cl

H

H

Na Cl Na Cl Na Cl Na Cl H

H

H O

C

O

C

H

O

Cl Na Cl Na Cl Na Cl Na

H

H

O

H

Afb. 85 Glucose

Cl Na Cl Na Cl Na Cl Na Na Cl Na Cl Na Cl Na Cl Afb. 86 Keukenzout

1 Welke stof of welke stoffen zijn atoomverbindingen?

2 Welke stof is een ionverbinding?

THEMA 06

HOOFDSTUK 3

241


3 Wat stel je vast als je de bouw van een atoomverbinding vergelijkt met een ionverbinding?

4 Vul in de tabel aan hoeveel atomen van elk element zich in een stofeenheid mierenzuur en glucose bevinden. Mierenzuur

aantal atomen van elk element

WEETJE

IN

elementen

Glucose

Als mieren bedreigd worden, proberen ze een

wondje te bijten in hun belager, waar ze dan met

hun achterlijf mierenzuur in spuiten. Dat is pijnlijk,

want mierenzuur is een corrosieve stof. Ook andere

N

organismen zoals bijen, wespen, hommels en

VA

brandnetels gebruiken dat zuur ter verdediging.

De moleculen van mierenzuur en glucose zijn beide opgebouwd uit de

elementen koolstof, waterstof en zuurstof, maar ze bevatten een verschillend aantal atomen. De samenstelling van een molecule wordt weergegeven door de molecuulformule. De molecuulformule geef je weer door de symbolen

©

van de elementen te noteren, samen met een index: zo krijgt de formule een kwalitatief en een kwantitatief aspect.

De molecuulformule van een atoomverbinding ziet er gelijkaardig uit als

de formule-eenheid van een ionverbinding. De formule-eenheid geeft echter de verhouding tussen de elementen weer in het ionrooster (bv. NaCl), terwijl

de moleculeformule de werkelijke samenstelling weergeeft van één molecule van de stof (bv. H2O).

Een stof waarvan een molecule bestaat uit x atomen van element A, y atomen van element B en z atomen van element C, stellen we dus voor als AxByCz.

242

THEMA 06

HOOFDSTUK 3


Atoomverbindingen zijn stoffen opgebouwd uit moleculen. Moleculen bestaan

uit een welbepaalde combinatie van twee of meer atomen die tot verschillende atoomsoorten kunnen behoren. De molecuulformule bestaat uit de symbolen van de atoomsoorten die ze bevat, vergezeld van een index die het aantal atomen van elke atoomsoort weergeeft. OPDRACHT 13

Schrijf de molecuulformule van atoomverbindingen.

IN

1 Noteer de molecuulformules van de stoffen in de tabel.

Aantal atomen van verschillende atoomsoorten in de molecule 8 zwavelatomen

Molecuulformule

2 waterstofatomen, 1 zwavelatoom, 4 zuurstofatomen

1 waterstofatoom, 1 stikstofatoom, 3 zuurstofatomen

6 koolstofatomen, 8 waterstofatomen, 7 zuurstofatomen

N

2 joodatomen

2 Schrijf met behulp van de gegeven structuren de molecuulformule van paracetamol (pijnstiller) en cafeïne (blauw = stikstof; rood = zuurstof; zwart = koolstof; wit = waterstof). Molecuulformule:

VA

H

3D

H

H

C

N

C

C

C

O

C

C

H

C

O

C

H

H N

C H

C

H

©

C

C

C

O

N

H

H

C

H

H

N C

H

H

Afb. 87 Paracetamol

3D

N

H

H

C

H

Molecuulformule:

O

H

H Afb. 88 Cafeïne

De moleculen van een vaste stof, zoals glucose, kunnen zich ook ordenen in een rooster. Een dergelijk rooster noemen we een molecuulrooster.

Bij atoomverbindingen kunnen ook zogenaamde atoomroosters voorkomen, zoals bij koolstof. Doordat koolstof over 4 ongepaarde valentie-elektronen beschikt, kunnen miljarden koolstofatomen zich met elkaar verbinden tot

twee- of driedimensionale netwerken (op elk ‘knooppunt’ van het netwerk bevindt zich dan een koolstofatoom).

THEMA 06

HOOFDSTUK 3

243


Koolstof komt in de natuur als vaste, enkelvoudige stof in twee

verschijningsvormen voor: grafiet en diamant. Grafiet bestaat uit een

opeenstapeling van tweedimensionale netwerken, waarin elk koolstofatoom gebonden is aan 3 andere. Diamant bestaat uit een driedimensionaal

Afb. 89 Koolstof in verschijningsvorm grafiet

N

IN

netwerk waarin elk koolstofatoom gebonden is aan 4 andere.

Afb. 90 Koolstof in verschijningsvorm diamant

VA

WEETJE

Het verschijnsel dat van een enkelvoudige, vaste stof verschillende verschijningsvormen bestaan, noemen we allotropie.

De verschijningsvormen noemen we allotropen. Zo zijn diamant en

©

grafiet allotropen van koolstof.

244

THEMA 06

HOOFDSTUK 3

Bij vaste stoffen die uit moleculen zijn opgebouwd, zijn de moleculen op een regelmatige manier gerangschikt in een molecuulrooster.

Sommige elementen, zoals koolstof, vormen enkelvoudige stoffen en kunnen atoomroosters vormen. In een atoomrooster zijn een groot aantal atomen

met atoombindingen verbonden tot twee- of driedimensionale netwerken.

` Maak oefening 8 en 9.


HOOFDSTUK 4

Hoe wordt een metaalbinding gevormd? Je kunt al:

IN

LEERDOELEN

L beschrijven dat atomen streven naar de edelgasconfiguratie; L beschrijven hoe tussen een metaal en een niet-metaal een ionbinding wordt gevormd;

L beschrijven hoe tussen twee niet-metalen atoombindingen worden gevormd;

L aangeven dat metalen elektropositief zijn. Je leert nu:

In films zie je soms nog hoe een smid met een hamer en aambeeld een

gloeiend hete staaf tot een zwaard

klopt. Maar in tegenstelling tot een stuk glas, splijt het metaal niet.

N

L hoe metaalatomen in een metaal als stof gebonden zijn;

IJzer moet je smeden als het heet is.

L de eigenschappen van enkele metalen te verklaren aan de hand van hun bouw.

Hoe komt dat? En waarom draagt

een smid die metaal bewerkt altijd dikke handschoenen?

VA

4.1 De metaalbinding

Metaalatomen hebben maar een beperkt aantal elektronen op hun

buitenste schil. Metalen proberen de edelgasconfiguratie te bereiken door de elektronen van hun buitenste schil af te staan. Daarom zijn metalen elektropositief. Maar hoe kunnen meerdere metaalatomen met elkaar

©

binden, als alle atomen hun elektronen willen afstaan?

Bij kamertemperatuur hebben bijna alle metalen de vaste aggregatietoestand. In de vaste aggregatietoestand zijn metaalatomen op een

regelmatige manier gerangschikt in een metaalrooster en ze geven daarbij de

vrij bewegende elektronen die tot geen enkel metaalion behoren positieve metaalionen

Afb. 91 Een metaalrooster is opgebouwd uit positieve metaalionen en een zee van vrij bewegende elektronen.

elektronen van hun buitenste schil af. Het metaalrooster is dus opgebouwd uit positieve metaalionen met daartussen een zee van elektronen. Die

elektronen kunnen zich vrij tussen de positieve metaalionen bewegen en

vormen als het ware een lijm die alles in het metaalrooster stevig bij elkaar houdt. Er zijn sterke elektrostatische krachten tussen de negatieve en

positieve ladingen in het metaalrooster, de coulombkrachten, die het geheel bij elkaar houden: de metaalbinding. Die metaalbinding is een zeer sterke binding.

Vaste metalen als zuivere stof zijn opgebouwd uit miljarden ionen van

eenzelfde atoomsoort. De formule van een dergelijke stof stellen we voor door het symbool van de atoomsoort.

THEMA 06

HOOFDSTUK 4

245


WEETJE

IN

Het Atomium is een van de gekendste monumenten in Brussel.

Het werd in 1958 gebouwd in het kader van de Wereldtentoonstelling in Brussel (Expo 58). De metalen constructie bestaat uit 9 bollen en stelt de herhalende eenheid van het metaalrooster van ijzer voor

(weliswaar 165 miljard keer vergroot). De bollen zijn van aluminium

gemaakt omdat aluminium beter bestand is tegen verwering (corrosie) dan staal. Hoewel het de bedoeling was om de constructie na zes

maanden af te breken, besloot men ze te laten staan omwille van haar

N

populariteit.

Metalen in vaste aggregatietoestand bestaan uit een metaalrooster.

In een metaalrooster bevinden zich positieve metaalionen en een zee

van vrij bewegende elektronen, afkomstig van de buitenste schil van de

VA

metaalatomen. De aantrekkingskrachten tussen de positieve ionen en de vrij bewegende elektronen vormen de metaalbinding. De metaalbinding is een sterke binding. De formule van een metaal als zuivere stof bestaat uit het symbool van het metaal. TIP

Ontdek meer over de roosters en hun toepassingen via de

©

ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal.

246

THEMA 06

HOOFDSTUK 4


4.2 Verklaring van de eigenschappen van metalen

Veel specifieke eigenschappen van metalen die je in thema 5 zag, kunnen nu verklaard worden op basis van hun bouw.

• Metalen zijn goede geleiders van elektriciteit. Elektriciteit is namelijk de beweging van geladen deeltjes, en in een metaalrooster kunnen WEETJE

IN

elektronen vrij bewegen.

Alle metalen zijn goede geleiders van elektriciteit, maar in

elektrische leidingen gebruikt men vrijwel uitsluitend het

metaal koper. Dat heeft vooral te maken met een combinatie van gunstige eigenschappen.

Niet alleen geleidt koper de elektriciteit zeer goed, het kent ook een lage warmtevervorming en is vrij goed bestand tegen ongunstige

N

omgevingsinvloeden (vocht, industriële vervuiling …). Bovendien is

koper hard en tegelijkertijd plooibaar. Een gebroken of doorgesneden draad kan ook gemakkelijk hersteld worden door de uiteinden aan elkaar te solderen of smelten.

Nu weet je waarom een smid dikke handschoenen

©

VA

draagt! Bekijk de video over warmtegeleiding bij metalen.

BEKIJK DE VIDEO

• Metalen zijn goede geleiders van warmte. Wanneer een stof opwarmt,

beginnen deeltjes (atomen, ionen of moleculen) harder te trillen. Door

botsingen wordt de warmte-energie doorgegeven aan naburige atomen

of ionen. Doordat in een metaalrooster de metaalionen zeer dicht opeen zitten, verspreidt de warmte zich snel. Maar doordat de elektronen – die ook warmte-energie kunnen opnemen – vrij kunnen bewegen tussen

de metaalionen, gebeurt de warmtegeleiding sneller dan bij de meeste andere stoffen.

• De hoge massadichtheid (massa per volume-eenheid) van metalen is een gevolg van de zeer dichte, compacte stapeling van de metaalionen in het rooster.

• De meeste metalen hebben een hoog smeltpunt en kookpunt, omdat de metaalbinding een sterke binding is. Het kost dus veel energie om de metaalbindingen in een rooster te verbreken.

THEMA 06

HOOFDSTUK 4

247


Bekijk deze boeiende

• Metalen zijn gemakkelijk vervormbaar omdat ze allemaal zijn opgebouwd uit positieve ionen. De positieve ionen kunnen ten opzichte van elkaar

verschuiven en elkaars plaats innemen zonder dat ze elkaar afstoten, wat

video over metalen.

ervoor zou zorgen dat het rooster breekt of splijt.

BEKIJK DE VIDEO

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

+

Afb. 92 Metaalbindingen: metalen zijn gemakkelijk vervormbaar omdat de ionen elkaars plaats kunnen innemen.

IN

WEETJE

Doordat alle metalen opgebouwd zijn uit positieve metaalionen, kunnen

de metaalionen van de ene atoomsoort zich schikken in een metaalrooster van een andere atoomsoort. Zo ontstaan legeringen, zoals je al weet uit

thema 2. Brons is bijvoorbeeld een legering van tin en koper. Als de atomen van de atoomsoorten niet even groot zijn, zijn de ionen minder regelmatig

geordend. Daardoor is het moeilijker om lagen metaalionen te verschuiven, waardoor de legering sterker is dan de zuivere metalen (zie afbeelding 93).

N

Legeringen worden dus gemaakt om bepaalde minder goede eigenschappen te verbeteren.

©

VA

+

Afb. 93 Een legering is een mengsel van twee metalen. Als de ionen van de twee atoomsoorten niet even groot zijn, is de rangschikking van de ionen minder regelmatig. Zo kunnen lagen van ionen minder goed schuiven ten opzichte van elkaar.

Heel wat eigenschappen van metalen, zoals geleidbaarheid van elektriciteit en warmte, massadichtheid, hoog smelt- en kookpunt, vervormbaarheid en

de vorming van legeringen, kunnen verklaard worden op basis van de bouw van metalen.

` Maak oefening 10 t/m 12.

248

THEMA 06

HOOFDSTUK 4


HOOFDSTUK 5

Welk belang en voorkomen hebben enkelvoudige stoffen? LEERDOELEN

L de wetenschappelijke naam van enkelvoudige stoffen geven;

L de verschillende soorten bindingen van elkaar onderscheiden;

L metalen, niet-metalen en edelgassen linken aan hun plaats in het PSE.

Je leert nu:

IN

Je kunt al:

Vele dingen zijn vervaardigd uit ijzermetaal (fiets, bouwmateriaal, spijkers …). Ook zuurstofgas

moeten we je niet leren kennen: vanaf je eerste

levensdag is het een levensnoodzakelijk gas voor je

ademhalingssysteem. Als kleuter of op feestjes kreeg je misschien weleens een ballon die gevuld was met

L het belang en voorkomen van metalen,

het edelgas helium. Heel veel stoffen hebben een

niet-metalen en edelgassen kennen.

belangrijke functie. We doen enkele voorbeelden van

N

niet-metalen en metalen uit de doeken.

©

VA

5.1 Niet-metalen

Heel wat stoffen ken je uit het dagelijkse leven.

A

Koolstof

Het niet-metaal met de meeste toepassingen is koolstof (C). Afhankelijk van hoe de koolstofatomen verbinden, krijgen we totaal verschillende materialen, maar ze bestaan allemaal uit koolstof.

• Grafiet is uiterst zacht en wordt onder andere in potloden en als

smeermiddel gebruikt. Het is het enige niet-metaal dat de elektrische stroom geleidt.

• Diamant, een andere verschijningsvorm van koolstof, is de hardste stof die in de natuur voorkomt. Het is een gegeerde edelsteen, die ook in

boorkoppen en slijpschijven gebruikt wordt, precies omdat diamant zo hard is en niet slijt.

• Koolstofvezel (carbon fiber) bestaat uit heel dunne vezels van koolstof

die tot matten worden geweven en met coatings worden versterkt en zo

een extreem licht en sterk materiaal vormen. Het materiaal kent meer en

meer toepassingen in de auto-industrie en de luchtvaart. Ook topsporters maken gebruik van de combinatie sterkte en lichtheid van het materiaal: van tennisrackets tot fietsframes en formule 1-wagens.

THEMA 06

HOOFDSTUK 5

249


B

Dichloor of chloorgas

Chloorgas is een groengeel, giftig gas. Het wordt gebruikt voor de

ontsmetting van water in zwembaden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd OPDRACHT 14

het als wapen ingezet.

Lees aandachtig het artikel achter de QR-code en beantwoord de vragen.

IN

1 Geef de formule en de wetenschappelijke naam van chloorgas.

LEES HET ARTIKEL

2 In welke omgeving en waarom wordt ‘chloor’ vaak gebruikt?

3 Mosterdgas dankt zijn naam aan zijn gele kleur. Het gas werd door Franse soldaten ook yperiet genoemd. Waardoor is die naam ontstaan?

C

N

De hoofdbestanddelen van lucht: stikstofgas en zuurstofgas

OPDRACHT 15

VA

Bekijk het diagram van de samenstelling van lucht. Het rode staartstuk geeft het gehalte aan CO2, argon, water en andere gassen weer.

78 %

1 Welk gas wordt voorgesteld door de blauwe zone? Geef de formule en de wetenschappelijke naam.

2 Welk gas wordt voorgesteld door de groene zone? Geef de formule en de wetenschappelijke naam.

©

1%

21 %

Afb. 94 Samenstelling lucht

Je merkt dat lucht voornamelijk uit stikstofgas (distikstof of N2) bestaat.

Stikstofgas reageert moeilijk met andere stoffen en wordt daarom een inert gas genoemd. De 21 % zuurstofgas (dizuurstof of O2) in de lucht is voor ons mensen dan weer levensnoodzakelijk.

250

THEMA 06

HOOFDSTUK 5


D

Diwaterstof of waterstofgas

Waterstof is het meest ‘eenvoudige’ element uit je PSE. Het atoom bevat 1 proton en 1 elektron. Omdat die eerste schil al volledig gevuld is met

2 elektronen kan het een elektronpaar delen met een ander waterstofatoom en zo moleculen H2 vormen. We zijn die moleculen al tegengekomen als analyseproduct van water (thema 3). Dat waterstofgas, ook wel knalgas genoemd, is de brandstof voor de toekomst. Het zou het probleem van

broeikasgassen als CO2 meteen oplossen, want bij verbranding van H2 wordt

E

Zwavel

IN

gewoon water gevormd.

De gele vaste stof zwavel komt als enkelvoudige stof voor als ringvormige moleculen die uit 8 atomen zwavel bestaan: octazwavel of S8.

©

VA

N

Afb. 95 Octazwavel (S8)

Zwavel kent heel wat toepassingen als grondstof in de chemische industrie, maar is ook een bestanddeel van belangrijke moleculen in ons lichaam, bv. in eiwitten. In verbindingen met andere elementen vormt het vaak

onaangenaam ruikende stoffen: zo is H2S (waterstofsulfide) de oorzaak van de geur van rotte eieren.

F

Fosfor

Het element fosfor komt als enkelvoudige stof voornamelijk voor als het zogenaamde witte fosfor (tetrafosfor of P4).

De stof kent voornamelijk toepassingen in de productie van kunstmeststoffen voor land- en tuinbouw. Een plant heeft het element fosfor immers nodig

als bouwstof voor de vorming van o.a. bepaalde eiwitten. Daarnaast speelt fosfor een belangrijke rol in de ademhaling van planten. Fosfor toevoegen aan meststoffen is dus van groot belang.

THEMA 06

HOOFDSTUK 5

251


WEETJE Lucifers worden wel eens zwavelstokjes genoemd.

Maar hoewel zwavel goed

brandt, ontbrandt het niet zo gemakkelijk. Daarom wordt

ook tetrafosfor (P4) aan het gele kopje toegevoegd. Het

aanstrijken van de lucifer op het ruwe vlak van het doosje zorgt voor

genoeg wrijvingswarmte om de fosfor en zo ook in tweede instantie de

WEETJE

IN

zwavel te doen ontbranden.

Wil je weten welke functies de andere niet-metalen in ons dagelijks leven hebben? Scan dan de QR-code. Klik op het PSE en al de geheimen van de

OPEN DE WEBSITE

N

niet-metalen worden prijsgegeven!

Je begrijpt het belang en voorkomen van enkele belangrijke niet-metalen in ons dagelijks leven:

VA

• koolstof (C): komt voor in verschillende gedaanten, van grafiet tot diamant en vezels;

• chloorgas (Cl2): ontsmettend gifgas, dat niet altijd te goeder trouw werd gebruikt;

• stikstofgas (N2): inert hoofdbestanddeel van de atmosfeer;

©

• zuurstofgas (O2): onontbeerlijk voor al het leven op aarde.

252

THEMA 06

HOOFDSTUK 5


G

Edelgassen

Naast de hoofdbestanddelen van lucht bevat onze atmosfeer ook gassen die in veel mindere mate aanwezig zijn: sporenelementen zoals de edelgassen

helium, neon, argon. Precies omdat ze zo weinig in de atmosfeer voorkomen,

zijn ze vaak erg duur. Je leerde al dat ze door hun octetstructuur geen bindingen aangaan; precies daardoor kennen ze specifieke toepassingen. Helium

wordt als beschermend gas bij laswerken gebruikt. Andere edelgassen zoals argon, xenon en neon worden vaak in hedendaagse verlichting gebruikt.

IN

WEETJE

Helium heeft een grappig effect op je stem: het heeft een invloed op de

trillingsfrequentie van je stembanden. Als je de stem hoort van iemand die

helium heeft ingeademd, lijkt het alsof

de toonhoogte van de stem verhoogd is. Helium inademen is grappig, maar het

kan ook gevaarlijk zijn. Het wordt net als zuurstofgas door de rode

bloedcellen opgenomen. Als je te veel helium inademt, is er geen plek meer in je bloed voor zuurstofgas. Je kunt dan bewusteloos raken en

N

zelfs stikken. Ook al reageren edelgassen niet met andere stoffen, helemaal ongevaarlijk zijn ze zeker niet.

OPDRACHT 16

VA

In oude huizen met enkel glas in de ramen gaat er veel warmte verloren. Daarom wordt in nieuwe huizen hoogrendementsglas gebruikt. Dat heeft onder andere een dubbele glaslaag en in de tussenruimte zit een edelgas. 1 Zoek op welk gas hier gebruikt wordt.

2 Welk edelgas wordt in zonnebanken gebruikt?     WEETJE

Wil je weten welke functies de andere edelgassen hebben in ons dagelijks leven,

©

scan dan de QR-code. Klik op het beschikbare PSE en al de geheimen van de edelgassen worden prijsgegeven!

OPEN DE WEBSITE

Edelgassen kennen duidelijk minder toepassingen in het dagelijkse leven dan

metalen en vele andere niet-metalen. Toch kennen ze specifieke toepassingen; voornamelijk helium wordt vaker gebruikt.

` Maak oefening 13 en 14.

THEMA 06

HOOFDSTUK 5

253


5.2 Metalen

Van alle metalen is ijzermetaal (Fe) zonder twijfel het meest belangrijke.

Het wordt veel gebruikt, omdat het zich heel goed laat bewerken (freesbaar, draaibaar, gietbaar enz.) en omdat het een relatief goedkope grondstof is.

Vooral in de vorm van de legering staal wordt het voor het bouwen van grote

constructies gebruikt. IJzer wordt vaak behandeld (gelegeerd, gegalvaniseerd) om de minder goede eigenschappen (makkelijk roesten, zacht metaal …) te compenseren. Vaak blijft die behandeling een goedkopere oplossing dan

WEETJE

IN

kiezen voor een alternatief materiaal.

IJzer speelt ook een belangrijke rol in ons lichaam: het maakt als

ijzerion (Fe2+) deel uit van het hemoglobinemolecule en staat in voor

het binden en transporteren van dizuurstof doorheen ons lichaam. Rood vlees zoals biefstuk is een belangrijke bron van ijzerionen.

Vegetariërs moeten daarom andere ijzerbronnen in hun dieet voorzien

N

en bijvoorbeeld meer broccoli, vijgen … eten. Bloeddonoren bij het

Rode Kruis krijgen vaak ijzertabletten om het ijzergehalte opnieuw op peil te brengen.

Het klinkt misschien raar, maar je neemt dagelijks heel wat metalen op via je

VA

voeding, niet alleen ijzer. Gelukkig maar, want ze spelen een essentiële rol in de biologische processen in ons lichaam. Metaalion

Mg2+

spinazie, andijvie …

Ca2+

melkproducten

©

K+

254

THEMA 06

HOOFDSTUK 5

Opname via ...

Na+

Rol in menselijk lichaam spiercontractie, zenuwstelsel botaangroei, spiercontractie, bloedstolling, zenuwstelsel

aardappelen, vis,

zenuwstelsel, bloeddruk,

noten …

waterhuishouding …

keukenzout, kaas …

zenuwstelsel, bloeddruk, waterhuishouding …

Tot slot staan we even stil bij de belangrijkste toepassingen van

veelgebruikte metalen. Gebruik je algemene kennis in de volgende opdracht.


OPDRACHT 17

Vul de zinnen verder aan. Geef van het metaal telkens zijn wetenschappelijke naam en het symbool.

herken je aan zijn oranje tot rode kleur.

Het wordt gebruikt als bovenleiding bij treinen en in elektrische leidingen omdat het heel goed elektriciteit geleidt.

is een heel

licht metaal dat net daarom in de luchtvaart

IN

en de auto-industrie gebruikt wordt. In folievorm wordt het gebruikt om voedingswaren vers te houden.

wordt vaak gebruikt voor de constructie van

dakgoten. Het is een erg duurzaam metaal, flexibel te vervormen en goed bestand tegen beschadiging. Het metaal verzwakt niet bij oxidatie zoals (galvanisatie).

N

ijzer. Daarom wordt ijzer vaak bedekt met een laagje van dat metaal

wordt gebruikt in zonnepanelen.

Onder invloed van het zonlicht wordt tussen de lagen elektrische spanning

VA

opgewekt. Daarom heten zonnecellen ook fotovoltaïsche cellen.

In de derde graad zul je leren hoe een zonnepaneel werkt. Scan de QR-code als je al een voorsmaakje wilt.

BEKIJK DE VIDEO

WEETJE

Wil je weten welke functies andere metalen hebben in ons dagelijks leven, scan dan de QR-code. Klik op het beschikbare PSE en al de geheimen van

©

metalen worden prijsgegeven!

OPEN DE WEBSITE

Je begrijpt het belang en voorkomen van veelgebruikte metalen in ons dagelijks leven, zoals:

• ijzer (Fe): constructiemateriaal,

• koper (Cu): elektrische leidingen,

• aluminium (Al): lichtgewicht materialen, folie, • zink (Zn): beschermend metaal tegen roest, • silicium (Si): zonnepanelen.

THEMA 06

HOOFDSTUK 5

255


THEMASYNTHESE

Met uitzondering van de edelgassen, zijn stoffen verbindingen van meerdere atomen die ontstaan omdat atomen of elementen streven naar de edelgasconfiguratie. In een verbinding zijn atomen of ionen gebonden door een bepaald type binding.

In een stof samengesteld uit metaal en niet-metaal, staat het metaal één of meerdere elektronen af aan het niet-metaal. Zo ontstaan positieve en negatieve ionen. Door de elektrostatische aantrekkingskracht tussen

tegengesteld geladen ionen ontstaat een ionbinding. Door de regelmatige rangschikking van ionen ontstaat een ionrooster dat miljarden ionen bevat.

Een ionverbinding stellen we voor met de formule-eenheid: dat is de kleinste verhouding van de positieve en

negatieve ionen. Het is tevens het kleinste neutrale groepje van ionen in het rooster. Om te bepalen welke indexen geschreven worden in de formule-eenheid, gebruiken we de neutraliteitsregel.

IN

Als een stof opgebouwd is uit niet-metalen zijn de atomen verbonden door gemeenschappelijke elektronenparen.

Die gemeenschappelijke elektronenparen vormen de atoombindingen of covalente bindingen. Tussen twee atomen van niet-metalen kan een enkelvoudige, tweevoudige of drievoudige atoombinding worden gevormd.

Meestal bestaat een atoomverbinding uit moleculen: deeltjes die opgebouwd zijn uit een welbepaald aantal

verbonden atomen. De molecuulformule geeft de aard en het aantal (met een index) van elke atoomsoort in de

molecule weer. De structuurformule geeft weer welke atomen aan elkaar gebonden zijn. Sommige enkelvoudige stoffen, zoals grafiet en diamant, bestaan uit een groot aantal atomen die verbonden zijn in een netwerk: een atoomrooster. De stof dijood vormt een moleculerooster.

Een metaal in vaste aggregatietoestand is opgebouwd uit een metaalrooster van positieve metaalionen met

N

daartussen elektronen – afkomstig van de buitenste schil van de metaalatomen – die zich vrij kunnen bewegen.

De aantrekking tussen de vrij bewegende elektronen en de metaalionen vormt de metaalbinding. Heel wat typische

eigenschappen van metalen, zoals geleidbaarheid van warmte, elektriciteit, massadichtheid, vervormbaarheid, hoog smeltpunt en het vormen van legeringen, zijn te verklaren aan de hand van de bouw van metaalroosters. Enkele niet-metalen en metalen hebben een belangrijk voorkomen of toepassing:

VA

• zo bevat een potlood grafiet (koolstof) en zijn zuurstof- en stikstofgas hoofdbestanddelen van de atmosfeer;

• metalen zoals ijzer, koper en aluminium kennen dan weer verschillende toepassingen in de industrie.

Mijn samenvatting

©

256

THEMA 06

THEMASYNTHESE

BEKIJK KENNISCLIP


CHECKLIST

JA

NOG OEFENEN

1 Begripskennis • Ik kan beschrijven wat het verschil is tussen een binding en een verbinding.

• Ik kan bepalen in welke gevallen een ionbinding, atoombinding of metaalbinding wordt gevormd.

• Ik kan aangeven dat een atoombinding bestaat uit een gemeenschappelijk elektronenpaar.

• Ik kan een onderscheid maken tussen enkelvoudige, dubbele of drievoudige binding.

• Ik kan beschrijven wat een ionbinding, atoombinding en metaalbinding is. beschrijven.

IN

• Ik kan de bouw van een ionverbinding, atoomverbinding en metaalverbinding

• Ik kan de bouw van een ionverbinding, atoomverbinding en metaalverbinding met elkaar vergelijken.

• Ik ken het onderscheid tussen een ionrooster, atoomrooster, molecuulrooster en metaalrooster.

2 Onderzoeksvaardigheden

• Ik kan bepalen of een stof een ionverbinding, atoomverbinding of metaalverbinding is.

N

• Ik kan de formule-eenheid in een ionrooster aanduiden.

• Ik kan de neutraliteitsregel gebruiken om de formule-eenheid van een ionverbinding te schrijven.

• Ik kan de formule-eenheid van een ionverbinding en de molecuulformule van een atoomverbinding schrijven.

• Ik kan metalen, niet-metalen en edelgassen in verband brengen met hun

VA

toepassing in het dagelijks leven.

invullen bij je Portfolio.

©

` Je kunt deze checklist ook op

THEMA 06

CHECKLIST

257


CHECK IT OUT

Alle beetjes helpen! Net zoals mensen elkaar kunnen helpen, doen atomen dat ook. Alle atomen streven een volledige bezette buitenste schil na.

Denk even terug aan de drie situaties in de CHECK IN. Over welk soort bindingen gaat het daar? Vul aan. Situatie 1

schil helpen atomen met een bijna volledige

bezette buitenste schil, door elektronen naar hen over te dragen. Zo gaf in het voorbeeld op p. 226 Kalvin zijn dekentje af aan Fleur, net zoals een kalium een elektron overdraagt aan fluor. Soort binding: Situatie 2

IN

Atomen met weinig elektronen op hun buitenste

N

Twee atomen die elk een bijna volledig bezette

buitenste schil hebben, zullen elkaar helpen door elektronen met elkaar te delen. Net zoals Jody en

Jodi een deken delen om het warm te krijgen, gaan twee jood-atomen elektronen delen.

VA

Soort binding: Situatie 3

Twee atomen met weinig elektronen op hun

buitenste schil, staan beide hun elektronen af.

Die elektronen bewegen vrij van het ene ion naar

het andere, en het ‘spel’ van de elektronen houdt alles samen.

©

Soort binding:

Een metaal en een niet-metaal vormen een ionbinding, waarbij het metaal één of meer elektronen

!

afstaat en een positief ion vormt; terwijl het niet-metaal die extra elektronen opneemt en een negatief ion vormt, zo konden ook Kalvin en Fleur elkaar helpen. Twee niet-metalen delen een elektronenpaar en gaan een atoombinding aan, net als Jodi en Jody. Metaalatomen kunnen ook onderling een

metaalbinding aangaan door alle positieve metaalionen te vormen, net als Ali en Allison deden.

258

THEMA 06

CHECK IT OUT


AAN DE SLAG

1

Vul de tabel aan om een overzicht te maken van de bouw van stoffen. Kies uit:

enkelvoudig – mono-atomisch – verbinding – samengesteld

Opgelet! sommige begrippen kun je meermaals gebruiken. Aantal atomen

1

2

>1

Welk soort binding zal gevormd worden tussen een verbinding die is opgebouwd uit de elementen in de tabel? Omcirkel het juiste antwoord.

Symbolen van de opbouwende elementen in de verbinding

Mg S

H Cl

Soort binding

ionbinding - atoombinding - metaalbinding

PH

ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding

N

Al F

ionbinding - atoombinding - metaalbinding

Cu Zn

ionbinding - atoombinding - metaalbinding

Ca S

ionbinding - atoombinding - metaalbinding

K Cl

VA

NH

Cu Sn

HF

Zn Al Mg Cu

Au Ag

ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding ionbinding - atoombinding - metaalbinding

Welke soort binding is aanwezig in de stoffen? Vul de juiste kolom aan.

©

3

Stof

1

>1

Aantal verschillende atomen

Stof

IN

Ionbinding

KBr – Mg – Al2O3 – MgF2 – Fe – BaI2 – propaan (C3H8) – Na2S – zwaveldioxide (SO2) – Cu – N2O – S8 – H2O – Zn Atoombinding

Metaalbinding

THEMA 06

AAN DE SLAG

259


4

5

C&H

Na & Br C & Fe H&O

S & Cl

Zn & Cu

Welke bindingen treffen we aan in een deeltje SO3?

atoombindingen metaalbindingen ionbindingen

6

IN

Tussen welke atomen ontstaat een atoombinding?

Schrijf de formule-eenheid van de ionverbindingen. Stof

Elementen

aluminiumsulfide magnesiumjodide

VA

lithiumjodide

magnesiumchloride natriumoxide

©

of op de etiketten van flessen of verpakkingen.

H2O2

Stof

dijood

ethanol glucose hexaan ozon THEMA 06

Plaats de juiste formule bij elke stof. Je kunt thuis online zoeken of in de klas kijken in brochures/boeken

C6H14

260

natriumfluoride

7

calciumbromide

lithiumbromide kaliumsulfide

Formule-eenheid

N

bariumoxide

Ionen

AAN DE SLAG

Te gebruiken formules

C12H22O11

C6H12O6

H2SO4

HCl

Formule

O3 I2

CH4 Stof

C2H5OH

sucrose

waterstofperoxide

zwavelzuur

water

zoutzuur

H2O O3

Formule


8

Vul de tabel aan met de structuurformule en geef aan hoeveel atoombindingen er in elke verbinding of molecule zitten. stof

waterstofsulfide (H2S)

chloorgas (Cl2)

waterstofchloride (HCl)

structuurformule

stof

zwaveldichloride (SCl2)

fosfortrichloride (PCl3)

tetra (CCl4)

structuurformule

stof

waterstoffluoride (HF)

zuurstofdifluoride (OF2)

methanal (H2CO)

N

aantal atoombindingen

IN

aantal atoombindingen

VA

structuurformule

aantal atoombindingen stof

azijnzuur (CH3COOH)

ethyn (C2H2)

structuurformule

©

aantal atoombindingen

THEMA 06

AAN DE SLAG

261


9

Los het kruiswoordraadsel op. Let op: gebruik ook begrippen uit de weetjes. Horizontaal

Verticaal

1

In diamant en grafiet zitten atomen in

2

Alle atomen van eenzelfde soort

van elke soort in een atoomverbinding

hangen

4

7

8

3

Een voorstelling van het aantal atomen

Elektrostatische aantrekkingskracht

5

Binding tussen C en H

10 Positief ion

12 Binding tussen Na en F

15 Het hebben van een volledig bezette

buitenste schil

16 Positieve en negatieve ionen zitten

in een ... ionrooster

17 Het verschijnsel dat een enkelvoudige,

vaste stof in meerdere verschijnings- toestanden kan voorkomen

18 Negatief ion

19 Binding tussen Fe en Fe

6 9

Een deeltje dat bestaat uit een welbepaald aantal atomen, die met een atoombindingen aan elkaar Een schematische voorstelling die weergeeft

welke atomen aan elkaar gebonden zijn in een molecule

Mengsel van twee of meer metalen

Vaste metalen bestaan uit positieve metaalionen die gerangschikt zitten in een ...

IN

een ...

11 Kracht die twee atomen/ionen samenhoudt 13 Geladen atoom

14 Geladen deeltjes die vrij bewegen in een

metaalroost

N

1

2

3

VA

4

5

6

7

8

9

10

11

©

12

13

14

15

16

17

18

19

262

THEMA 06

AAN DE SLAG


10

Verklaar waarom een metaal vervormbaar is als je erop slaat met een hamer, terwijl een ionrooster van een ionverbinding breekt/splijt.

IN

12

In welke stof zitten deeltjes in een atoomrooster? ijzermetaal grafiet

diamant CO2

CaI2

Welke formules stellen een structuurformule, molecuulformule of formule-eenheid voor?

Noteer het nummer van de formule bij het juiste begrip. 1

C

H

H C

H

2

Ca3N2

H

VA

H

H

N

11

4

©

7

AIBr3

10

C57 H120 O6

5

8

11

Structuurformule

H

S

NH3

SOCI2

3

H

6

9

12

Molecuulformule

O3 Br

Br K2O C3H4O3

Formule-eenheid

THEMA 06

AAN DE SLAG

263


Geef de formule van de volgende enkelvoudige stoffen en verbind ze met de juiste toepassing door het nummer op de juiste plaats in te vullen. Enkelvoudige stof (ES)

Formule

1

Siliciummetaal

2

Zuurstofgas

3

Heliumgas

Nr. ES

VA THEMA 06

4

Tetrafosfor

5

Argongas

6

Koper

© 264

AAN DE SLAG

Voorbeeld

IN

Nr.

N

13


Online vind je heel wat informatie over de eigenschappen van metalen, niet-metalen en edelgassen. Vul de tabel aan met die info. Wetenschappelijke naam

Metaal (M), niet-metaal (nM) of edelgas (E)

Formule

M

nM

VA

N2

©

` Verder oefenen? Ga naar

Deze stof is zilverwit en roest bijna niet. Ze wordt gebruikt in fietsen, vliegtuigen, ramen, blikjes … en is heel goed pletbaar. Dit metaal vinden we terug in het menselijk lichaam, nl. in de hemoglobine die ons bloed rood kleurt.

Dit is een groengeel, giftig gas. Het wordt gebruikt voor de ontsmetting van water in zwembaden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het ingezet als wapen.

Dit gas is noodzakelijk voor verbranding en voor onze ademhaling. Lucht bestaat voor 20 % uit dit gas.

N

koper

Toepassing in het dagelijks leven en eigenschappen

IN

14

Na diwaterstof is dit het lichtste gas. Het heeft het voordeel onbrandbaar te zijn. Het wordt gebruikt om ballonnen te vullen. Een gasmengsel van dit gas en zuurstofgas wordt door diepzeeduikers gebruikt.

Grafiet, een verschijningsvorm van dit element, is uiterst zacht en wordt onder andere in potloden en als smeermiddel gebruikt. Het is het enige niet-metaal dat de elektrische stroom geleidt.

Diamant, een verschijningsvorm van dit element, is de hardste stof die in de natuur voorkomt. Het is een gegeerde edelsteen, die ook in boorkoppen gebruikt wordt.

.

THEMA 06

AAN DE SLAG

265


Notities

VA

N

IN

©

266

THEMA 06


VA

N

IN

©

THEMA 06

267


LABO'S 269

` ONDERZOEK 2: Massadichtheid (virtueel)

271

` ONDERZOEK 3: Het smeltpunt van paraffine

275

` ONDERZOEK 4: De geleidbaarheid van stoffen

279

` ONDERZOEK 5: De oplosbaarheid van stoffen

283

` ONDERZOEK 6: Scheidingstechnieken

287

` ONDERZOEK 7: Scheidingsschema’s

291

N

IN

` ONDERZOEK 1: Labotechnieken

` ONDERZOEK 8: Bolstaafmodellen

VA

` ONDERZOEK 9: Chemisch of fysisch proces

295

` ONDERZOEK 10: Analyse en synthese ` ONDERZOEK 11: De wet van Lavoisier ` ONDERZOEK 12: Exotherm of endotherm

299

©

` ONDERZOEK 13: De reactie tussen azijn en staalwol ` ONDERZOEK 14: Metalen herkennen

268

303


LABO Naam:

ONDERZOEK

klas:

nummer:

1

Labotechnieken In dit onderzoek leer je een aantal veelgebruikte labotechnieken. Bekijk telkens eerst het filmpje via de QR-code en voer dan de stappen uit om de technieken aan te leren. Tijdens dit schooljaar zul je die technieken verschillende keren toepassen; dit onderzoek kun je altijd gebruiken om je kennis op te frissen. !

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

labocontract op p. 34: • •

1

draag een gesloten labojas en een labobril; bind lange haren samen;

zorg steeds voor een nette werkbank

Vaste stoffen afwegen en overbrengen

2

Vloeistoffen afmeten en overbrengen

A

Maatcilinder

N

•

IN

Houd altijd rekening met de veiligheidsvoorschriften en regels zoals je ze terugvindt in het

VIDEO

LABO

VA

VIDEO

3 Parafilm gebruiken

VIDEO

©

Pipetteren

LABO

4 De bunsenbrander gebruiken

VIDEO

B

LABO

LABO

VIDEO

LABO

5 Proefbuis verwarmen

VIDEO

LABO

LABO

ONDERZOEK 1

269


LABO Naam:

klas:

nummer:

Notities

IN

N

VA

©

270

LABO

ONDERZOEK 1


LABO Naam:

ONDERZOEK

klas:

nummer:

2

Massadichtheid (virtueel) 1

Onderzoeksvraag Op welke manier kunnen we experimenteel de massadichtheid van een stof bepalen?

2

Open de applet met de QR-code.

IN

Hypothese

maatbeker en is

kg/m3.

Ik ken de formule voor massadichtheid, namelijk Benodigdheden

a

b

en

van mijn voorwerp ken, kan ik de massadichtheid berekenen.

Klik op ‘turn fluid into water’. De massadichtheid van water kun je aflezen naast de kg/l =

OPEN DE APPLET

N

3

Als ik

OPMERKING: In de applet heb je vervolgens twee opties:

•

(‘mass’) en volume (‘volume’);

VA

ofwel kies je voor een willekeurig voorwerp, waarvan je twee parameters kunt aanpassen: massa

•

ofwel kies je voor een voorwerp dat is opgebouwd uit een welbepaalde zuivere stof.

Wij gaan in dit labo verder met de tweede optie: een voorwerp dat is opgebouwd uit een zuivere stof.

c

Zoek op het internet op wat de massadichtheid van goud is: massadichtheid goud = t (goud) =

©

We onderzoeken de stof goud ('gold').

4

kg/dm3 =

kg/m3, of met andere woorden

een kubus met een zijde van 1 dm (of 10 cm) heeft een massa van Werkwijze + 5

kg.

Waarnemingen

We kennen de theoretische waarde van de massadichtheid van goud en we weten ook dat we de grootheden massa en volume nodig hebben. 1

2

Op welke manier kunnen we de massa van een voorwerp bepalen?

Gebruik dat toestel in de applet om de massa van het blok goud te bepalen. massa m (goud) =

LABO

ONDERZOEK 2

271


LABO Naam:

klas:

nummer:

Voor het volume ligt het wat moeilijker: het volume van een balk bepaal je immers met de formule

3

V(balk) = goud te bepalen.

4

. Maar we hebben nergens een meetlat om de afmetingen van onze blok

Wat we wel kunnen doen, is onze blok goud in de beker met water leggen. We zien dat het volume in de beker stijgt / daalt / constant blijft (schrap wat niet past).

→ Voor het blok goud gaat het volume in de beker van ml naar

ml.

Dat volumeverschil is gelijk aan het volume van het blok dat we in het water plaatsen.

5

We kunnen nu het volume van het blok goud berekenen:

6

Verwerking

IN

→ volumeverschil goud = volume blok goud =

We proberen nu de massadichtheid van goud te berekenen. We lossen dat op als een vraagstuk, dus met ‘gegeven’, ‘gevraagd’ en ‘oplossing’. TIP

‑

Denk aan de omzettingen naar SI-eenheden.

Houd rekening met de regels voor beduidende cijfers.

N

‑

STEM VADEMECUM

VA

Vraagstuk 1 Gegeven -

-

De massa van het blok goud: m = =

kg

Het volume van het blok goud: V = ml = l = dm3 = m3

Gevraagd

massadichtheid (goud) = t = ?

©

Oplossing

Antwoord

De berekende massadichtheid voor goud komt wel / niet (schrap wat niet past) overeen met de opgezochte

waarde.

De massadichtheid voor de zuivere stof goud is wel / niet constant en is dus wel een / geen stofeigenschap (schrap wat niet past).

272

LABO

ONDERZOEK 2


LABO Naam:

klas:

nummer:

Vraagstuk 2

We proberen opnieuw, maar nu voor het blok lood uit je applet. TIP

Net zoals in de fysica moet je rekening houden met het aantal beduidende cijfers van je meetresultaten als je berekeningen uitvoert!

De gegevens haal je uit de applet. -

-

IN

Gegeven

De massa van het blok lood: m = g =

Het volume van het blok lood: V = ml =

Gevraagd

massadichtheid (lood) = t = ?

7

Besluit

m3

N

Oplossing

kg

VA

De massadichtheid van een stof kan worden bepaald aan de hand van

.

Aangezien de massadichtheid voor een zuivere stof constant is / varieert, kan die eigenschap wel / niet

worden gebruikt om stoffen te identificeren (schrap wat niet past).

8

Reflectie

a

Tijdens dit labo heb ik correct gebruikgemaakt van de eenheden en grootheden.

©

b

De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat

Gedreven

Goed op weg

Bij het noteren

Bij het noteren

ik steeds het correcte

bijna altijd het correcte

van eenheden en

grootheden bewaak gebruik ervan.

Ik help anderen om

de correcte eenheden en grootheden te gebruiken.

In ontwikkeling

Ik maak soms een fout

Ik maak fouten tegen

en grootheden omdat

grootheden.

van eenheden en

tegen het gebruik van

gebruik ervan.

ik onnauwkeurig of

grootheden bewaak ik

Onvoldoende

de juiste eenheden

Ik kan mezelf corrigeren. onoplettend te werk ga.

Ik kan mezelf corrigeren

als ik erop gewezen word.

het gebruik van de

juiste eenheden en Ik kan mezelf niet

corrigeren als ik erop gewezen word.

LABO

ONDERZOEK 2

273


LABO Naam:

Tijdens dit labo heb ik correct gebruikgemaakt van beduidende cijfers. Gedreven

Goed op weg

In ontwikkeling

Bij het invullen van

Ik maak bij het invullen

Ik maak bij het

correcte gebruik van

gebruik van beduidende

gebruik van beduidende

tegen het gebruik van

bewaak ik steeds het beduidende cijfers. Ik help anderen om de correcte

beduidende cijfers te

vraagstukken bewaak ik bijna altijd het correcte cijfers.

van een vraagstuk soms een fout tegen het cijfers.

Ik kan mezelf corrigeren. Ik kan mezelf corrigeren

gebruiken.

Gedreven

Goed op weg

beduidende cijfers. Ik kan mezelf niet

gewezen word.

In ontwikkeling

Onvoldoende

Tijdens het uitvoeren

Tijdens het uitvoeren van

Tijdens het uitvoeren

enkel bezig met de

vooral bezig met de

Als ik erop gewezen

afgeleid.

Ik werk

van een online

practicum hou ik me opdracht.

Ik laat me niet afleiden

gestructureerd en laat door anderen. me niet afleiden door

ik soms afgeleid.

word pas ik mijn gedrag meteen aan.

VA

anderen.

een online practicum ben van een online

N

opdracht.

practicum ben ik vaak Ik bezoek andere

sites en/of stoor de leerlingen rondom mij.

Ik pas mijn gedrag na één opmerking niet aan.

Deze tip geef ik aan mezelf mee om in de volgende labo's toe te passen en ze zo vlotter te laten verlopen:

©

LABO

vraagstuk fouten

Tijdens het uitvoeren practicum hou ik me

274

invullen van een

als ik erop gewezen word. corrigeren als ik erop

Tijdens dit labo heb ik gefocust kunnen werken. van een online

e

Onvoldoende

Bij het invullen

van vraagstukken

d

nummer:

IN

c

klas:

ONDERZOEK 2


LABO Naam:

ONDERZOEK

klas:

nummer:

3

Het smeltpunt van paraffine 1

Onderzoeksvraag Wat is het smeltpunt van paraffine?

2

Hypothese

past).

Benodigdheden !

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen! Materiaal

lucifers

bunsenbrander draadnet

driepikkel

Stoffen

kraantjeswater (100 ml) paraffine (kaarsvet) in een proefbuis

maatbeker (250 ml)

temperatuursensor of thermometer statief met statiefklem

VA

N

3

IN

Ik denk dat het smeltpunt van paraffine hoger / lager ligt dan het smeltpunt van water (schrap wat niet

4

proefbuis

Werkwijze

1

Vul de maatbeker voor de helft met water.

Maak de opstelling zoals op afbeelding 96. 21,0

thermometer

statiefklem

©

2

statief

proefbuis met paraffine water

driepikkel

draadnet

bunsenbrander

Afb. 96

LABO

ONDERZOEK 3

275


LABO Naam:

klas:

3

Lees de temperatuur af van de paraffine bij start van de proef.

6

Noteer bij welke temperatuur de paraffine vloeibaar wordt.

4 5 7 8 5

nummer:

Steek de bunsenbrander aan. Herbekijk eventueel de instructievideo. Lees elke 30 seconden de temperatuur van de paraffine af.

Zet na 6 minuten de bunsenbrander uit en laat het water (en de paraffine) afkoelen. Verwerk het afval correct.

GEBRUIK BUNSENBRANDER

Vul de tabel aan met je meetresultaten. Tijd t(s) 30 60 90 120 150 180

Temperatuur ϑ (°C)

IN

Waarnemingen

240 270 300 330

VA

360

N

210

6

Verwerking

Maak in Excel een grafiek waarbij je de temperatuur uitzet in functie van de tijd. Denk eraan om de assen te benoemen en de grafiek een duidelijke titel te geven.

©

a

276

LABO

ONDERZOEK 3


LABO Naam:

b c

klas:

nummer:

Duid het smeltpunt van paraffine aan op de grafiek.

Kijk nu bij twee klasgenoten en vergelijk de smeltpunten die jullie gevonden hebben.

Smeltpunt van paraffine

Klasgenoot:

7

Besluit Vul aan en schrap wat niet past. Het smeltpunt van paraffine is ongeveer

IN

Klasgenoot:

.

Mijn klasgenoten hadden dezelfde / een verschillende temperatuur als smeltpunt voor paraffine.

We weten bovendien dat het smeltpunt van zuiver water gelijk is aan

.

Het smeltpunt is wel een / geen stofeigenschap, en eigen aan een welbepaalde zuivere stof.

8 a

De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:

Vergelijk je hypothese met je besluit.

VA

b

N

Reflectie

c

Misschien was het smeltpunt van je klasgenoten niet hetzelfde (of toch niet exact). Waaraan zou dat kunnen liggen?

Tijdens dit labo heb ik veilig gewerkt bij het opwarmen van vloeistoffen en bij het gebruik van de bunsenbrander.

Gedreven

©

d

Goed op weg

In ontwikkeling

Ik kan zonder

Ik kan zonder hulp

Ik kan meestal zonder

gebruiken en veilig

een stof opwarmen. Ik

stof opwarmen. Ik ken

probleem

de bunsenbrander

een stof opwarmen. Ik ken het

stappenplan om

de bunsenbrander

correct te gebruiken. Ik kan anderen vaak helpen.

de bunsenbrander

gebruiken en veilig

ken het stappenplan

om de bunsenbrander correct te gebruiken. De leerkracht moet me maar af en toe

aansporen om de juiste stappen te volgen.

Onvoldoende Ik kan de

hulp de bunsenbrander

bunsenbrander

het stappenplan om de

veilig een stof

gebruiken en veilig een bunsenbrander correct te gebruiken nog niet volledig.

De leerkracht moet me vaak aansporen om de

juiste stappen te volgen.

niet zonder hulp

gebruiken en niet opwarmen. Ik ken het

stappenplan om de bunsenbrander te gebruiken niet.

LABO

ONDERZOEK 3

277


LABO Naam:

Tijdens dit labo heb ik correct gebruik gemaakt van ICT. Gedreven

In ontwikkeling

Ik kan correct

Ik kan correct

Ik kan na hulp correct

gegevens weer te

gegevens weer te geven

weer te geven in een

gebruikmaken van

ICT om op die manier geven in een grafiek. Ik benoem alle

onderdelen van

de grafiek correct en geef alles f

Goed op weg

overzichtelijk weer.

gebruikmaken van

ICT om op die manier in een grafiek.

Ik vergeet onderdelen van de grafiek te

benoemen en niet alles is overzichtelijk.

verlopen:

Ik kan niet correct

gebruikmaken van ICT om gebruikmaken van ICT op die manier gegevens

om gegevens weer te

Als ik een vraag stel,

maar ga niet aan

grafiek.

ga ik aan de slag met

het antwoord en durf ik proberen.

©

VA

N

LABO

Onvoldoende

geven in een grafiek. Ik stel hulpvragen de slag met de

antwoorden OF ik stel geen hulpvragen.

Deze tip geef ik mee aan mezelf om in de volgende labo’s toe te passen en ze zo vlotter te laten

278

nummer:

IN

d

klas:

ONDERZOEK 3


LABO Naam:

ONDERZOEK

klas:

nummer:

4

De geleidbaarheid van stoffen 1

Onderzoeksvraag Welke stoffen geleiden elektrische stroom?

2

Hypothese

IN

Kijk voor het stellen van je hypothese naar de stoffen die je gaat gebruiken in dit labo. Je kunt ze vinden bij

benodigdheden.

Ik denk dat de volgende stoffen/oplossingen de stroom geleiden:

•

•

Ik denk dat de volgende stoffen/oplossingen de stroom niet geleiden:

3 !

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen! Materiaal

VA

Benodigdheden

N

twee maatbekers

drie weegschuitjes spatel

stroomkring met ledlamp en elektroden of geleidsbaarheidsmeter

maatcilinder pipetzuiger

4

Stoffen

20 ml gedestilleerd water 20 ml kraantjeswater grafiet

(koolstof van potloodkern)

ijzer (Fe)

koper (Cu)

suiker (sacharose)

H- en P-ZINNEN

keukenzout (NaCl) krijt (CaCO3)

©

Werkwijze

1 2

Neem twee maatbekers. Meet de vloeistoffen

(kraantjeswater en gedestilleerd water) met een

maatcilinder af en voeg ze toe aan de maatbekers. Herbekijk de instructievideo indien nodig.

GEBRUIK MAATCILINDER

20 ml gedestilleerd water

20 ml kraantjeswater LABO

ONDERZOEK 4

279


LABO Naam:

3

klas:

Breng in één weegschuitje een spatel keukenzout.

keukenzout

nummer:

spatel

weegschuitje

4

Breng in één weegschuitje een spatel suiker.

suiker

spatel

5

Breng in één weegschuitje een spatel krijt.

IN

weegschuitje

krijt

spatel

weegschuitje

Test of de stoffen de stroom geleiden (geleidbaarheidsmeter geeft een waarde / het lampje brandt)

door de elektroden een voor een in de maatbekers, de weegschuitjes en tegen het grafiet, het ijzer en het koper te houden.

N

6

stroombron

VA

ledlamp

maatbeker

weegschuit

7 8

Noteer een voor een je waarnemingen in de tabel. Verwerk het afval correct.

©

5

Waarnemingen

gedestilleerd water kraantjeswater grafiet (C) ijzer (Fe) koper (Cu) krijt (CaCO3) keukenzout (v) (NaCl) suiker (sacharose) (v)

280

LABO

grafiet/ijzer/koper

ONDERZOEK 4

Geleidt de stroom

Geleidt de stroom niet


LABO Naam:

6

klas:

nummer:

Verwerking

b

c

Welke van de geteste stoffen zijn zuivere stoffen (bestaan uit één soort componenten)?

Welke van de geteste stoffen is een mengsel (bestaan uit meerdere componenten)?

Doordenker: waarom geleiden bepaalde stoffen wel, en andere stoffen niet? Vul de tabel aan.

Stof/mengsel

kraantjeswater gedestilleerd water

koper

7

Besluit

Geleidt de stroom wel/niet ja

nee

ja

nee

ja ja

nee nee

Reden?

N

ijzer

IN

a

De volgende geteste stoffen geleiden de stroom:

Geleidbaarheid is wel een/ geen stofeigenschap en kan dus wel / niet gebruikt worden om een zuivere stof

VA

te identificeren. Zo zal gedestilleerd water de stroom wel / niet geleiden. Koolstof (grafiet in een potlood) zal de stroom wel / niet geleiden (schrap wat niet past).

8

Reflectie

a

Vergelijk je hypothese met je besluit.

©

b

De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat

LABO

ONDERZOEK 4

281


LABO Naam:

Tijdens dit labo heb ik correct de maatcilinder gebruikt. Gedreven

Ik kan zonder hulp de

Ik kan meestal zonder

gebruiken.

om de maatcilinder

Ik ken het stappenplan

maatcilinder gebruiken.

maatcilinder

Ik ken het stappenplan

Ik ken het

stappenplan om de

maatcilinder correct te gebruiken.

Ik kan anderen vaak helpen.

correct te gebruiken. De leerkracht moet me maar af en toe

aansporen om de juiste stappen te volgen.

Tijdens dit labo heb ik ordelijk gewerkt. Gedreven

Goed op weg

niet zonder hulp

om de maatcilinder

stappenplan om

gebruiken.

correct te gebruiken nog niet volledig.

De leerkracht moet me

gebruiken. Ik ken het

de maatcilinder te gebruiken niet.

vaak aansporen om de

juiste stappen te volgen. In ontwikkeling

Onvoldoende

Ik heb regelmatig hulp

Ik heb veel moeite

kloppen, begin ik

lastig om dat bij elke

uitvoeren … van de

proef, het invullen

Ik wil de opdracht

altijd goed uitvoeren. Ik spoor anderen

dan ook vaak aan

om nauwkeuriger te

nodig bij het ordenen,

uitvoeren, maar vind het juist invullen, goed taak te doen.

opdracht.

Heel af en toe moet de

leerkracht me wijzen op slordigheden.

De leerkracht (of

anderen) moet(en) me

regelmatig bijsturen om het juist te doen.

VA

werken.

meestal alles juist

N

opnieuw.

met het juist

uitvoeren van de

van de opdracht ...

Ik wil me er snel van

afmaken, zonder dat ik nadenk.

De leerkracht moet me meermaals per

proef aansporen om nauwkeurig te zijn.

Deze tip geef ik aan mezelf om in de volgende labo's toe te passen en ze zo vlotter te laten verlopen:

©

LABO

Ik kan de maatcilinder

hulp de maatcilinder

Ik ben ordelijk en wil

Als de resultaten niet

282

Onvoldoende

Ik kan niet slordig werken.

e

In ontwikkeling

Ik kan zonder probleem de

d

Goed op weg

nummer:

IN

c

klas:

ONDERZOEK 4


LABO Naam:

ONDERZOEK

klas:

nummer:

5

De oplosbaarheid van stoffen 1

Onderzoeksvraag Welke stoffen lossen op in water?

2

Hypothese

IN

Kijk voor het stellen van je hypothese naar de stoffen die je gaat gebruiken in dit labo. Je kunt ze vinden bij

benodigdheden.

Ik denk dat de volgende stoffen oplossen in water: 3

Benodigdheden !

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

N

Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen! Materiaal

spatel

vijf proefbuizen dop of parafilm pipet

VA

4

Stoffen

bloemsuiker

keukenzout (NaCl) krijt (CaCO3) maïsolie

ethanol (CH3CH2OH)

H- en P-ZINNEN

demiwater (H2O)

Werkwijze

1

Vul de proefbuizen met ongeveer 1/3de water.

Breng zoals op de afbeeldingen van elke stof een spatel of enkele druppels met een pipet in de proefbuizen.

©

2

bloemsuiker

bloemsuiker en water

keukenzout

zout en water

maisolie

ethanol

maïsolie en water

ethanol en water

krijt

krijt en water

LABO

ONDERZOEK 5

283


LABO Naam:

klas:

3

Sluit de proefbuizen af met een dop of parafilm en schud even.

5

Verwerk het afval correct.

4

nummer:

Herbekijk het instructiefilmpje indien nodig.

Noteer je waarnemingen voor elke proefbuis in de tabel.

5

GEBRUIK PARAFILM

Waarnemingen Stoffen

Lost op in water

Lost niet op in water

zout krijt maïsolie ethanol 6

Verwerking ‑ Deze stoffen lossen op in water:

IN

bloemsuiker

‑ Deze stoffen lossen niet op in water:

N

‑ Wil je de oplosbaarheid van enkele andere stoffen in water uittesten?

OPEN DE APPLET

Scan dan de QR-code.

7

Besluit

We ontdekten dat alle / niet alle (schrap wat niet past) stoffen oplossen in water.

VA

We kunnen het al dan niet oplossen van een stof in water gebruiken als een mogelijke manier om een stof te identificeren.

(Schrap wat niet past.)

Oplosbaarheid is wel / niet een stofeigenschap en kan dus wel / niet gebruikt worden om een zuivere stof

te identificeren. Bloemsuiker, zout en ethanol lossen wel / niet op water, terwijl krijt en maïsolie wel / niet oplossen in water.

8

Reflectie

De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:

©

a

b

Vergelijk je hypothese met je besluit.

284

LABO

ONDERZOEK 5


LABO Naam:

c

klas:

Tijdens dit labo heb ik gelet op orde en netheid. Gedreven

Goed op weg

In ontwikkeling

Ik draag altijd zorg voor

De leerkracht moet me

Ik heb geen respect

ook aan om

De leerkracht moet mij

materiaal om te gaan.

Ik ruim niet op.

Ik spoor de anderen

het materiaal van de school.

regelmatig aansporen voorzichtig met het

respectvol om te gaan zelden zeggen dat ik nog Ik vergeet vaak op te

Ik ruim altijd

spontaan op en zorg

moet opruimen.

ook dat de anderen in mijn groep dat doen.

ruimen.

Tijdens dit labo heb ik goed samengewerkt met anderen. Gedreven

Goed op weg

voor het materiaal van de school.

IN

met het materiaal.

In ontwikkeling

Onvoldoende

Ik zie wat er nodig is

Ik draag bij aan het

Ik draag bij aan het

Ik voel me echt niet

verschillende taken

mij te nemen en uit te

taken uit te voeren die

Ik zal niet snel mijn

en ik draag actief bij op mij te nemen en uit te voeren.

groepswerk door

verschillende taken op

Ik spoor anderen

voeren.

ook aan om mee te

VA

werken.

groepswerk door af en toe kleine, relevante

N

aan de groep door

anderen mij opdragen. Ik werk vooral alleen.

comfortabel met anderen.

ervaringen en kennis delen.

Ik houd me afzijdig tijdens het

groepswerk.

Deze tip geef ik aan mezelf mee om in volgende labo's toe te passen en ze zo vlotter te laten verlopen:

©

e

Onvoldoende

Ik draag altijd zorg

voor het materiaal.

d

nummer:

LABO

ONDERZOEK 5

285


LABO Naam:

klas:

nummer:

Notities

IN

N

VA

©

286

LABO

ONDERZOEK 5


LABO Naam:

ONDERZOEK

klas:

nummer:

6

Scheidingstechnieken 1

Onderzoeksvraag •

Op basis van welke stofeigenschappen kun je een mengsel van zand en water scheiden?

•

Op basis van welke stofeigenschappen kun je een mengsel van water en olie scheiden?

Op basis van welke stofeigenschappen kun je een mengsel van zout en water scheiden?

2

IN

•

Hypothese

Omcirkel een mogelijke hypothese per deelonderzoeksvraag.

Proef 1: Een mengsel van zand en water kan gescheiden worden op basis van:

massadichtheid – kookpunt – smeltpunt – deeltjesgrootte – geleidbaarheid – oplosbaarheid.

Proef 2: Een mengsel van water en olie kan gescheiden worden op basis van:

massadichtheid – kookpunt – smeltpunt – deeltjesgrootte – geleidbaarheid – oplosbaarheid.

Proef 3: Een mengsel van zout en water kan gescheiden worden op basis van: 3

N

massadichtheid – kookpunt – smeltpunt – deeltjesgrootte – geleidbaarheid – oplosbaarheid. Benodigdheden

!

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

VA

Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen! Materiaal

proef 1

©

proef 2

proef 3

trechter

scheitrechter

filtreerpapier

erlenmeyer (100 ml) maatbeker (50 ml) glazen staaf spatel

2 maatbekers (50 ml) statief

statiefklem of - ring lucifers

maatbeker

verbrandingskroes driepikkel

Stoffen

10 g zand 20 ml kraantjeswater

20 ml maïsolie 20 ml kraantjeswater keukenzout 20 ml kraantjeswater

draadnet of pijpaardendriehoek kroestang

bunsenbrander spatel

LABO

ONDERZOEK 6

287


LABO Naam:

4

nummer:

Werkwijze Proef 1 1

Neem een maatbeker.

4

Plaats een filtreerpapier in een trechter.

2 3

5 6

7

Giet daarin 20 ml kraantjeswater.

Voeg er twee spatels zand aan toe.

GEBRUIK FILTREERPAPIER

Herbekijk het instructiefilmpje indien nodig. Plaats de trechter op de erlenmeyer. Giet het mengsel langs een glazen staaf in de trechter.

glazen staaf

Noteer je waarnemingen.

IN

klas:

filtreerpapier

trechter

zand

maatbeker

N

erlenmeyer water + zand

Proef 2 1

Bevestig een scheitrechter aan een statief d.m.v. statiefklem of -ring.

4

Giet daarin 20 ml kraantjeswater.

VA

2 3 5 6 7 8

9

Plaats een maatbeker onder de scheitrechter. Neem een tweede maatbeker. Laat het mengsel even staan.

Breng het mengsel over in de scheitrechter.

Herbekijk het instructiefilmpje indien nodig. Noteer je waarnemingen.

Draai het kraantje van de scheitrechter open,

zodat de onderste component in de maatbeker loopt.

©

component volledig in de beker is gelopen.

11 Noteer je waarnemingen.

LABO

GEBRUIK SCHEITRECHTER

Voeg er 20 ml maïsolie aan toe.

10 Draai het kraantje dicht op het moment dat die

288

water

ONDERZOEK 6

scheitrechter statief

water + maisolie maatbeker

water + maisolie


LABO Naam:

nummer:

Proef 3 1

Neem een maatbeker.

4

Steek de bunsenbrander aan.

2 3 5 6

7 8 9

Giet daarin 20 ml kraantjeswater.

Voeg er twee spatels zout aan toe.

GEBRUIK BUNSENBRANDER

Herbekijk de instructievideo indien nodig.

Plaats de driepikkel met draadnet over de bunsenbrander. Giet wat zoutoplossing in een verbrandingskroes. Plaats de verbrandingskroes op het draadnet m.b.v. een kroestang.

Blijf de oplossing verhitten tot alle water is verdampt.

Noteer je waarnemingen.

5

Waarnemingen Proef 1

Proef 2

zoutoplossing

maatbeker

driepikkel

bunsenbrander

VA

draadnet

N

10 Verwerk het afval correct.

verbrandingskroesje

IN

klas:

Proef 3

7

Besluit

Proef 1: Een mengsel van zand en water werd gescheiden op basis van verschil in

.

Proef 3: Een mengsel van zout en water werd gescheiden op basis van verschil in

.

.

©

Proef 2: Een mengsel van water en olie werd gescheiden op basis van verschil in

8

Reflectie

a

b

De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:

Vergelijk je hypothese met je besluit.

LABO

ONDERZOEK 6

289


LABO Naam:

Tijdens dit labo heb ik correct gefiltreerd. Gedreven

Goed op weg

Ik kan zonder

Ik kan zonder hulp

Ik kan meestal zonder

stappenplan om te

om te filtreren al goed.

om te filtreren nog niet

probleem filtreren. Ik ken het

filtreren heel goed.

Ik kan anderen vaak

helpen. d

filtreren.

Ik ken het stappenplan De leerkracht moet me maar af en toe

aansporen om de juiste stappen te volgen.

Gedreven

Goed op weg

volledig.

filtreren niet.

Ik ken het stappenplan De leerkracht moet me vaak aansporen om de

gebruiken.

om een scheitrechter te

Ik ken het stappenplan

Ik ken het stappenplan

gebruiken heel goed. Ik kan anderen vaak helpen.

gebruiken al goed.

De leerkracht moet me maar af en toe

aansporen om de juiste stappen te volgen.

Tijdens dit labo heb ik zelfstandig gewerkt.

Goed op weg

om een scheitrechter

stappenplan om

gebruiken.

te gebruiken nog niet volledig.

De leerkracht moet me vaak aansporen om de

Ik ken het

de scheitrechter te gebruiken niet.

juiste stappen te volgen. In ontwikkeling

Onvoldoende

Ik denk meestal zelf

Ik denk eerst na, maar als Ik vraag vrijwel altijd

oplossing.

mogelijke oplossing

hulp aan de leerkracht.

naar een mogelijke Ik zal de leerkracht

pas om hulp vragen

als ik alle mogelijke

denkstrategieën heb

©

toegepast.

goed na en zoek

zelfstandig naar een vooraleer ik hulp inschakel.

Ik geef niet snel op.

ik niet onmiddellijk een oplossing zie, vraag ik

heel snel hulp aan de leerkracht.

Ik ga zelf niet aan de slag om oplossingen te bedenken, maar wacht liever af.

Deze tip geef ik mee aan mezelf om in de volgende labo's toe te passen en ze zo vlotter te laten verlopen: ­­­­­­­­­­­­­­­­­­

LABO

gebruiken.

Ik denk zelf goed na en zoek zelfstandig

290

Ik kan zonder hulp

de scheitrechter niet

VA

Gedreven

Onvoldoende

hulp een scheitrechter

N

een scheitrechter te

f

In ontwikkeling

Ik kan meestal zonder

scheitrechter gebruiken.

stappenplan om

Ik ken het

stappenplan om te

juiste stappen te volgen.

Ik kan zonder hulp een

Ik ken het

Ik kan zonder hulp

niet filtreren.

Ik kan zonder scheitrechter

Onvoldoende

hulp filtreren.

Tijdens dit labo heb ik de scheitrechter correct gebruikt. probleem een

e

In ontwikkeling

nummer:

IN

c

klas:

ONDERZOEK 6


LABO Naam:

ONDERZOEK

klas:

nummer:

7

Scheidingsschema's 1

Onderzoeksvraag Met behulp van welke scheidingstechnieken kan een mengsel van zand, olie en water worden gescheiden?

2

Hypothese

IN

We helpen je op weg om tot een hypothese te komen.

a

Welk soort mengsel ontstaat als je zand, olie en water bij elkaar voegt en roert? Schrap wat niet past.

b

Wat gebeurt er met het zand?

c

een heterogeen / homogeen mengsel Wat er gebeurt er met de olie?

→ Hypothese: Welke scheidingstechniek zou je toepassen om de volgende mengsels te scheiden? •

olie en water:

zand en water:

N

•

Stel een scheidingsschema op.

VA

Benodigdheden

!

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen!

Noteer nu zelf welke materialen je nodig hebt om de scheiding te kunnen uitvoeren. Materiaal

©

3

Stoffen

kraantjeswater (ongeveer 100 ml) olie (ongeveer 10 ml) zand (handvol)

LABO

ONDERZOEK 7

291


LABO Naam:

klas:

nummer:

TIP Bekijk de instructievideo over het correct gebruik van filtreerpapier.

4

GEBRUIK FILTREERPAPIER

IN

Werkwijze Noteer hieronder jouw werkwijze voor het scheiden in afzonderlijke componenten (volg daarvoor je scheidingsschema).

5

N

Waarnemingen

VA

Noteer hier jouw waarnemingen na elke scheidingstechniek.

6

Besluit

Formuleer een antwoord op de onderzoeksvragen.

©

We kunnen een mengsel van zand, olie en water scheiden door middel van

7

Reflectie

a

Was je scheidingsschema correct? Schrap wat niet past.

b

Wat moet je aanpassen?

ja / neen

292

LABO

ONDERZOEK 7


LABO Naam:

d

Op basis van welke stofeigenschappen werden de stoffen uiteindelijk gescheiden?

Scheidingstechniek 1 =

→ op basis van verschil in Scheidingstechniek 2 = Gedreven

Goed op weg

Ik kan zonder

Ik kan zonder hulp

stappenplan om te

om te filtreren al goed.

Ik ken het

filtreren heel goed.

Ik kan anderen vaak helpen.

filtreren.

Ik ken het stappenplan De leerkracht moet me maar af en toe

aansporen om de juiste stappen te volgen.

In ontwikkeling

Gedreven

Ik kan meestal zonder

Ik kan zonder hulp

om te filtreren nog niet

stappenplan om te

hulp filtreren.

Ik ken het stappenplan volledig.

De leerkracht moet me vaak aansporen om de

niet filtreren. Ik ken het

filtreren niet.

juiste stappen te volgen.

Goed op weg

In ontwikkeling

Ik kan meestal zonder

Ik ken het stappenplan

Ik ken het stappenplan

N

Ik kan zonder probleem Ik kan zonder hulp een scheitrechter

een scheitrechter

om een scheitrechter

om een scheitrechter

te gebruiken/te

gebruiken/decanteren. Ik ken het stappenplan te gebruiken/te

decanteren al goed.

VA

decanteren heel goed.

Ik kan anderen vaak helpen.

De leerkracht moet me maar af en toe

aansporen om de juiste stappen te volgen.

Tijdens dit labo heb ik ordelijk en netjes gewerkt. Gedreven

Ik kan niet slordig werken. Als de

©

resultaten niet

kloppen, begin ik

opnieuw. Ik wil de

opdracht altijd goed uitvoeren. Ik spoor

anderen dan ook vaak aan om nauwkeuriger

g

Onvoldoende

Tijdens dit labo heb ik correct kunnen decanteren/de scheitrechter kunnen gebruiken.

gebruiken/decanteren.

f

→ op basis van verschil in

Tijdens dit labo heb ik correct kunnen filtreren. probleem filtreren.

e

nummer:

IN

c

klas:

te werken.

Goed op weg

Onvoldoende

Ik kan zonder hulp

hulp een scheitrechter

de scheitrechter

om een scheitrechter te

Ik ken het

gebruiken/decanteren.

niet gebruiken/niet decanteren.

gebruiken/te decanteren stappenplan om nog niet volledig.

De leerkracht moet me vaak aansporen om de

juiste stappen te volgen.

de scheitrechter te gebruiken/te

decanteren niet.

In ontwikkeling

Onvoldoende

Ik ben ordelijk en wil

Ik heb regelmatig hulp

Ik heb veel moeite met

lastig om dat bij elke

uitvoeren … van de

van de opdracht ...

meestal alles juist

nodig bij het ordenen,

uitvoeren, maar vind het juist invullen, goed taak te doen.

Heel af en toe moet de

leerkracht me wijzen op slordigheden.

het juist uitvoeren van de proef, het invullen

opdracht.

Ik wil me er snel van

regelmatig bijsturen

moet me meermaals

De leerkracht (of

anderen) moet(en) me om het juist te doen.

afmaken, zonder dat ik nadenk. De leerkracht per proef aansporen

om nauwkeurig te zijn.

Deze tip geef ik mee aan mezelf om in de volgende labo’s toe te passen en ze zo vlotter te laten verlopen:

LABO

ONDERZOEK 7

293


LABO Naam:

klas:

nummer:

Notities

IN

N

VA

©

294

LABO

ONDERZOEK 7


LABO Naam:

ONDERZOEK

klas:

nummer:

9

Chemisch of fysisch proces 1

Onderzoeksvraag Wat is het verschil tussen een chemisch en een fysisch proces?

2

Hypothese

TIP

IN

Scan de QR-code

en bekijk de

checklist voor het stellen van een

goede hypothese.

Benodigdheden !

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

N

3

CHECKLIST HYPOTHESE

Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen! Materiaal

lucifers

maatbeker 50 ml

kroestang

VA

proef 1

©

proef 2

proef 3

kaars

lucifer

maatbeker roerstaaf

maatbeker

maatcilinder

Stoffen

ijzeren spijker koud kraantjeswater 25 ml volle melk 10 ml azijn

pipet

erlenmeyer

filtreerpapier trechter

bunsenbrander lucifers

kroestang

suikerklontje

verbrandingskroes

LABO

ONDERZOEK 9

295


LABO Naam:

4

Werkwijze

1

Steek de kaars aan.

4

Laat het kaarsvet in het water druppelen.

5 6

Vul de maatbeker met koud water.

Houd de kaars boven de maatbeker met water. Observeer en noteer wat er gebeurt. Verwerk het afval correct.

Proef 2 1

Vul de maatbeker tot de helft met melk.

3

Roer het geheel met de roerstaaf.

2 4

5 6

Vul een maatcilinder met 10 ml azijn. Gebruik daarvoor de pipet.

Giet het mengsel in de trechter.

Observeer en noteer wat er gebeurt. Verwerk het afval correct.

Proef 3

koud water

glazen roerstaaf

filtreerpapier

trechter

2 3 4 5

5

Steek de bunsenbrander aan. Herbekijk de instructievideo

indien nodig.

Breng een suikerklontje in een verbrandingskroes. Verhit.

Observeer en noteer wat er gebeurt. Verwerk het afval correct. Waarnemingen

©

Noteer je waarnemingen in de tabel. Proef 1

Proef 2

Proef 3

296

LABO

GEBRUIK FILTREERPAPIER

erlenmeyer melk + azijn

verbrandingskroesje

VA

1

maatbeker

IN

3

kaars

Proef 1 2

nummer:

N

klas:

ONDERZOEK 9

suikerklontje

kroestang bunsenbrander

GEBRUIK BUNSENBRANDER


LABO Naam:

6

Verwerking a

b

Plaats op basis van je waarnemingen de drie proeven in de juiste kolom van de tabel.

Fysisch proces

Welk criterium heb je gebruikt om deze indeling te maken?

Fysisch proces

Tijdens de proef met melk en azijn werd een eiwit gevormd dat ook zorgt voor het vormen van kaas uit melk. Het wordt daarom ook ‘kaasstof’ genoemd. Zoek op het internet eens de wetenschappelijke naam op van dat eiwit.

7

Besluit

N

c

Chemisch proces

Chemisch proces

nummer:

IN

klas:

Schrap in de zinnen wat niet van toepassing is:

• Tijdens een fysisch / chemisch proces worden nieuwe stoffen gevormd.

VA

• Tijdens een fysisch / chemisch proces blijven de oorspronkelijke stoffen behouden.

8

Reflectie

a

Vergelijk je hypothese met je besluit.

©

b

De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:

LABO

ONDERZOEK 9

297


LABO Naam:

Tijdens dit labo werkte ik correct met de bunsenbrander. Gedreven

Ik kan meestal zonder

Ik ken het stappenplan

Ik ken het stappenplan

de bunsenbrander

de bunsenbrander

om de bunsenbrander

om de bunsenbrander

correct te gebruiken. Ik kan anderen vaak

helpen.

gebruiken.

Ik ken het stappenplan correct te gebruiken. De leerkracht moet me maar af en toe

aansporen om de juiste stappen te volgen.

Gedreven

Goed op weg

bunsenbrander

om de bunsenbrander

Ik ken het

gebruiken.

correct te gebruiken nog niet volledig.

De leerkracht moet me vaak aansporen om de

niet zonder hulp gebruiken.

stappenplan om de bunsenbrander te gebruiken niet.

juiste stappen te volgen. In ontwikkeling

Onvoldoende

Ik kan meestal zonder

Ik kan de

Ik ken het stappenplan

Ik ken het stappenplan

gebruiken.

de maatcilinder

maatcilinder gebruiken.

om de maatcilinder

correct te gebruiken.

om de maatcilinder De leerkracht moet me maar af en toe

aansporen om de juiste stappen te volgen.

VA

helpen.

Ik ken het stappenplan

hulp de maatcilinder gebruiken.

om de maatcilinder

N

Ik kan anderen vaak

correct te gebruiken nog niet volledig.

De leerkracht moet me vaak aansporen om de

juiste stappen te volgen.

maatcilinder

niet zonder hulp Ik ken het

stappenplan om

de maatcilinder te gebruiken niet. OF

Ik lees de

maatcilinder foutief af.

Deze tip geef ik mee aan mezelf om in de volgende labo's toe te passen en ze zo vlotter te laten verlopen:

©

LABO

Ik kan de

hulp de bunsenbrander

Ik kan zonder probleem Ik kan zonder hulp de

correct te gebruiken.

298

Onvoldoende

Tijdens dit labo gebruikte ik de maatcilinder op een correcte manier.

gebruiken.

e

In ontwikkeling

Ik kan zonder probleem Ik kan zonder hulp gebruiken.

d

Goed op weg

nummer:

IN

c

klas:

ONDERZOEK 9


LABO Naam:

ONDERZOEK

klas:

nummer:

12

Exotherm of endotherm 1

Onderzoeksvraag Zure snoephosties, ook wel vliegende schotels genoemd, zijn snoepjes die bestaan uit twee gekleurde

cirkeltjes met daartussen een mengsel. Wanneer dat mengsel in contact komt met speeksel, word je een sprankelend en verfrissend gevoel gewaar op je tong.

IN

Formuleer op basis van de bovenstaande tekst een goede onderzoeksvraag.

2

Hypothese

Benodigdheden !

N

3

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen!

VA

Materiaal

twee maatbekers (100 ml) thermometer (digitaal en tot op 0,1 °C nauwkeurig) pipet

4

Stoffen

10 zure hosties 100 ml gedemineraliseerd water

Werkwijze

1 Doe 100 ml gedemineraliseerd

thermometer

3 Doe de inhoud van tien hosties

maatbeker

water in de maatbeker.

©

2 Meet de temperatuur van het water. in een droge maatbeker van 100 ml.

4 Voeg het poeder aan het water toe en roer. 5 Kijk wat er met de temperatuur gebeurt en noteer.

21,0

gedemineraliseerd water

inhoud van 10 zure hosties

6 Verwerk het afval correct.

5

Waarnemingen Schrap wat niet past.

De temperatuur daalt / stijgt.

LABO

ONDERZOEK 12

299


LABO Naam:

6

klas:

nummer:

Verwerking a

Waarom gebruik je best een digitale thermometer die tot op 0,1 °C nauwkeurig meet?

b

Welk energiediagram past bij je waarnemingen? Omcirkel het juiste antwoord.

E (J)

E (J)

ER

IN

EP

reactieenergie EP

reactieenergie

ΔE < 0

ER

Besluit

VA

N

t (s) 7

8

a

b

Reflectie

De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:

Vergelijk je hypothese met je besluit.

©

300

LABO

ONDERZOEK 12

ΔE > 0

t (s)


LABO Naam:

Tijdens dit labo heb ik alle veiligheidsvoorschriften gerespecteerd (niet proeven!). Gedreven

Ik ga altijd veilig te

Goed op weg

De leerkracht moet

anderen in gevaar

anderen (en mezelf) in

omdat ik anderen

gevaar breng.

breng.

Ik zal anderen ook

aansporen om veilig te

nemen waardoor ik

werken.

Ik kan risico’s goed inschatten.

Goed op weg

Mijn werk is ruim op

Mijn werktempo is goed.

aan om sneller te

Het werk is meestal

tijd klaar.

orde roepen omdat ik gevaar breng.

Ik kan de risico’s soms moeilijk inschatten.

werken.

Ik gebruik de

beschikbare tijd zinvol.

In ontwikkeling

Ik heb regelmatig

aansporing nodig om door te werken.

N

Ik spoor anderen vaak

Ik houd de beschikbare tijd altijd in de gaten.

me regelmatig tot de orde roepen

(en mezelf) in gevaar breng.

Ik kan de risico’s

moeilijk inschatten.

tijdig klaar.

Onvoldoende

Ik verpruts mijn tijd met praten over

andere dingen en wegdromen.

Kortom: mijn

werktempo ligt te laag.

Deze tip geef ik mee aan mezelf om in de volgende labo’s toe te passen en ze zo vlotter te laten

VA

e

me af en toe tot de

Tijdens dit labo heb ik een goed werktempo aangehouden. Gedreven

Onvoldoende

De leerkracht moet

Ik zal nooit risico’s

waardoor ik anderen in

In ontwikkeling

Ik ga veilig te werk.

werk en zal nooit risico’s nemen

d

nummer:

IN

c

klas:

verlopen:

©

LABO

ONDERZOEK 12

301


LABO Naam:

klas:

nummer:

Notities

IN

N

VA

©

302

LABO

ONDERZOEK 12


LABO Naam:

klas:

nummer:

ONDERZOEK 14

Metalen herkennen 1

Onderzoeksvraag Op basis van welke eigenschappen kun je metalen van elkaar onderscheiden?

2

Hypothese

TIP

IN

Ik denk dat …

Scan de QR-code om je te helpen bij

de hypothese.

Benodigdheden !

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT

N

3

EIGENSCHAPPEN METALEN

Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen! Materiaal

magneet

VA

bunsenbrander kroestang

maatbeker

4

Stoffen

ijzer (Fe)

magnesiumlint (Mg) koper (Cu) lood (Pb) zink (Zn)

inox staal (legering van Fe) aluminium (Al)

H- en P-ZINNEN

2 onbekende metalen kraantjeswater

Werkwijze

Onderzoek welke metalen uit de lijst:

c

©

1

2

a

zinken in een maatbeker met water;

b roest vertonen;

aangetrokken worden door een magneet;

d buigzaam zijn; e f

een bepaalde kleur hebben;

metaal

GEBRUIK BUNSENBRANDER

kroestang

snel ontvlammmen in de bunsenbrander.

Noteer je waarnemingen.

bunsenbrander

Houd de stukjes metaal een voor een in de vlam van de bunsenbrander. Noteer je waarnemingen.

LABO

ONDERZOEK 14

303


LABO Naam:

!

klas:

nummer:

VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT Houd altijd water of een zandbak ter beschikking als je metalen in de vlam houdt.

3

Verwerk het afval correct.

5

Waarnemingen Noteer voor elke stof een aantal typische kenmerken. Gebruik de eigenschappen kleur, massa, •

stukje ijzer:

•

stukje magnesiumlint:

• •

stukje koper:

plaatje lood:

stukje zink:

stukje aluminium:

•

6

stukje inox:

Verwerking

Je krijgt van je leerkracht twee onbekende metalen. Welke eigenschappen ga je gebruiken om ze van elkaar te onderscheiden? Stel een determineertabel op.

Metaal 1: Metaal 2:

© 7

Besluit

Je kunt metalen van elkaar onderscheiden op basis van

Er zijn nog andere manieren om metalen van elkaar te onderscheiden, bijvoorbeeld op basis van geleidbaarheid.

304

LABO

ONDERZOEK 14

VA

•

N

•

IN

ontvlambaarheid en magnetische aantrekking om de metalen van elkaar te onderscheiden.


LABO Naam:

8

klas:

nummer:

Reflectie a

Dit labo verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past). Indien niet, waarom niet?

b

Vergelijk je hypothese met je besluit.

c

IN

Tijdens dit labo heb ik over het algemeen veilig gewerkt. Gedreven

Ik ga altijd veilig te werk en zal nooit risico’s nemen gevaar breng.

Ik zal anderen ook

aansporen om veilig te werken.

De leerkracht moet

De leerkracht moet

anderen in gevaar

anderen (en mezelf) in

omdat ik anderen

nemen waardoor ik breng.

VA Tijdens dit labo heb ik zelfstandig gewerkt. Gedreven

me af en toe tot de

orde roepen omdat ik

Goed op weg

gevaar breng.

Ik kan de risico’s soms moeilijk inschatten.

In ontwikkeling

Ik denk zelf goed na

Ik denk meestal zelf

Ik denk eerst na, maar

oplossing.

mogelijke oplossing

vraag ik hulp aan de

en zoek zelfstandig naar een mogelijke Ik zal de leerkracht

pas om hulp vragen

als ik alle mogelijke

©

d

denkstrategieën heb toegepast.

Onvoldoende

Ik ga veilig te werk.

Ik zal nooit risico’s

Ik kan risico’s goed inschatten.

In ontwikkeling

N

waardoor ik anderen in

Goed op weg

goed na en zoek

zelfstandig naar een vooraleer ik hulp inschakel.

Ik geef niet snel op.

me regelmatig tot de orde roepen

(en mezelf) in gevaar breng.

Ik kan de risico’s

moeilijk inschatten.

Onvoldoende Ik vraag vrijwel altijd

als ik niet onmiddellijk

heel snel hulp aan de

leerkracht.

slag om oplossingen

een oplossing zie,

leerkracht.

Ik ga zelf niet aan de te bedenken, maar wacht liever af.

LABO

ONDERZOEK 14

305


LABO Naam:

e

Tijdens dit labo heb ik geconcentreerd gewerkt. Gedreven

Ik kan een uur

geconcentreerd bezig zijn met de opdracht.

Ik verlies de opdracht (bijna) nooit uit het oog.

Goed op weg

In ontwikkeling

Ik ben meestal met de

Regelmatig verlies ik

concentratie en ben ik

dingen (of leerlingen)

opdracht bezig.

Soms verlies ik mijn

met iets anders bezig.

Ik vind het erg lastig

om een heel lesuur

bezig te zijn.

Ik ben vaak afgeleid

durf ik met andere

Ik vind het moeilijk om een heel uur

geconcentreerd te

geconcentreerd te blijven.

en dikwijls met

andere dingen (of leerlingen) bezig.

Deze tip geef ik mee aan mezelf om in de volgende labo's toe te passen en ze zo vlotter te laten verlopen:

©

VA

N

LABO

Onvoldoende

mijn concentratie en

werken.

306

nummer:

IN

f

klas:

ONDERZOEK 14


WOORDENLIJSTEN

THEMA 02

THEMA 04

THEMA 05

THEMA 03

IN

THEMA 01

©

VA

N

THEMA 06

WOORDENLIJSTEN

307


Notities

VA

N

IN

©

308


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
GENIE Chemie 3.2 (KathOndVla) - Proefversie by VAN IN - Issuu