fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
GENI
pr oe
3.1
Biologie
LEER SCHRIFT
pr oe
fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
pr oe
fh o Biologie
N
VA
©
uk
st
of d IN
GENIE 3.1
pr oe
fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
INHOUD STARTEN MET GENIE
9
GENIE EN DIDDIT
12
1 Welke structuren maken het een organisme mogelijk om in te spelen op waarneembare veranderingen?
IN
HOE WORDT DE WERKING VAN EEN ORGANISME GEREGELD?
VA
THEMA 01: REGELSYSTEMEN BIJ ORGANISMEN CHECK IN VERKEN
uk
1.1 Wat is een prikkel? 1.2 Welke soorten prikkels kunnen organismen waarnemen?
21
22 27
HOOFDSTUK 2: Welke structuren zorgen voor het opvangen en reageren op prikkels? 29
st
`
20
HOOFDSTUK 1: Waardoor worden regelsystemen geactiveerd? 22
©
`
15
N
2 Op welke manier wordt de werking van een organisme geregeld?
13
HOOFDSTUK 3: Hoe ontstaat een evenwicht in een organisme? 39
pr oe
fh o
`
of d
2.1 Hoe gebeurt het opvangen en reageren op prikkels bij dieren? 29 2.2 Hoe gebeurt het opvangen en reageren op prikkels bij planten? 34
3.1 Hoe verwerken dieren prikkels om een evenwicht te bereiken? 3.2 Hoe zorgt een regelsysteem voor evenwicht? 3.3 Hoe coördineren planten de reacties op prikkels om een evenwicht te bereiken?
39 43 45
THEMASYNTHESE
48
CHECKLIST
49
PORTFOLIO
CHECK IT OUT
50
AAN DE SLAG
51
OEFEN OP DIDDIT
3
THEMA 02: HOE NEMEN MENSEN EN ANDERE DIEREN LICHTPRIKKELS WAAR? CHECK IN
58
VERKEN
59
THEMASYNTHESE
101
CHECKLIST
105
©
PORTFOLIO
st
OEFEN OP DIDDIT
uk
CHECK IT OUT AAN DE SLAG
Hoe nemen mensen en andere dieren geluid waar?
of d
Hoe nemen mensen en andere dieren gevoelsprikkels waar? Hoe nemen mensen en andere dieren geurprikkels waar?
fh o
Hoe nemen mensen en andere dieren smaakprikkels waar?
pr oe
Hoe bewaren mensen en andere dieren hun evenwicht?
4
61 64 74 91 94
VA
1.1 Wat is licht? 1.2 Hoe is het oog opgebouwd? 1.3 Hoe werkt het oog? 1.4 Wat als de werking van het oog verstoord is? 1.5 Hoe nemen andere dieren lichtprikkels waar?
IN
Hoe nemen mensen en andere dieren lichtprikkels waar? 61
N
`
106 107
THEMA 03: HOE REAGEREN MENSEN EN ANDERE DIEREN OP PRIKKELS? DEEL 2
CHECK IN
na herf
stvaka
`
HOOFDSTUK 1: Hoe reageren spieren op impulsen van het zenuwstelsel?
HOOFDSTUK 2: Hoe reageren klieren op impulsen van het zenuwstelsel?
©
`
VA
N
1 Hoe worden dwarsgestreepte spieren aangestuurd? 2 Hoe worden gladde spieren aangestuurd? 3 Het hart, een buitenbeentje tussen de spieren? Hoofdstuksynthese Checklist Portfolio
ntie
IN
VERKEN
of d
st
uk
1 Wat zijn exocriene klieren? 2 Wat zijn endocriene klieren? 3 Welke verschillen zijn er tussen exocriene en endocriene klieren? Hoofdstuksynthese Checklist Portfolio
THEMASYNTHESE CHECK IT OUT
fh o
AAN DE SLAG
pr oe
OEFEN OP DIDDIT
5
THEMA 04: HOE GEBEURT DE COÖRDINATIE TUSSEN PRIKKEL EN REACTIE BIJ MENSEN EN ANDERE DIEREN? CHECK IN
DEEL 2
na herf
stvaka
`
ntie
HOOFDSTUK 1: Hoe coördineert het zenuwstelsel de reacties op prikkels?
HOOFDSTUK 2: Hoe coördineert het hormonaal stelsel de reacties op prikkels?
uk
`
©
VA
N
1 Uit welke delen bestaat het zenuwstelsel? 2 Hoe gebeurt de overdracht van informatie in het zenuwstelsel? 3 Wat is het verschil tussen reflexen en gewilde bewegingen? 4 Wat kan de werking van het zenuwstelsel verstoren? Hoofdstuksynthese Checklist Portfolio
IN
VERKEN
of d
st
1 Welke rol speelt het hormonaal stelsel als conductor? 2 Hoe herkennen hormonen hun doelcellen? 3 Hoe regelt een feedbacksysteem de werking van endocriene klieren? 4 Wat kan de werking van het hormonaal stelsel verstoren? Hoofdstuksynthese Checklist Portfolio
fh o
THEMASYNTHESE CHECK IT OUT AAN DE SLAG
pr oe
OEFEN OP DIDDIT
6
THEMA 05: HOE COÖRDINEREN PLANTEN REACTIES OP PRIKKELS? DEEL 2
CHECK IN
na herf
stvaka
VERKEN
HOOFDSTUK 1: Hoe gebeurt het transport van stoffen in planten?
IN
`
ntie
©
VA
N
1.1 Welke delen van de plant zorgen voor het transport van stoffen? 1.2 Welke stoffen worden er via het transportweefsel doorheen de plant vervoerd? 1.3 Welke mechanismen liggen aan de basis van het transport in de plant? 1.4 Hoe wordt de waterhuishouding geregeld? Hoofdstuksynthese Checklist Portfolio
HOOFDSTUK 2: Hoe coördineren plantenhormonen de reacties op prikkels?
uk
`
fh o
of d
st
2.1 Welke rol spelen hormonen in planten? 2.2 Welke invloed heeft het hormoon abscisinezuur op planten? 2.3 Welke invloed heeft auxine op de groei van planten? 2.4 Welke invloed heeft ethyleen op planten? 2.5 Hoe coördineren plantenhormonen de reacties van planten om de homeostase te behouden? Hoofdstuksynthese Checklist Portfolio
THEMASYNTHESE
pr oe
CHECK IT OUT AAN DE SLAG
OEFEN OP DIDDIT LABO'S
112
7
STEM-VAARDIGHEDEN (VADEMECUM)
METROLOGIE •
LABO'S
IN
`
Grootheden en eenheden
`
N
• Labomaterialen • Labotechnieken • Veiligheidsvoorschriften • H- en P-zinnen • Bereidingen
STAPPENPLANNEN
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
• Grafieken tekenen • NW-stappenplan • Werken met een microscoop • Maken van een preparaat • Bekijken en tekenen van een preparaat • Bronnenlijst opstellen
VA
`
8
STARTEN MET GENIE
CHECK IN In de CHECK IN maak je kennis
met het onderwerp van het thema. je een aantal vragen die je op het einde van het thema kunt beantwoorden.
©
VERKEN
VA
In het kadertje onderaan vind
IN
Opbouw van een thema
N
1
In de verkenfase zul je
merken dat je al wat kennis
uk
hebt over het onderwerp
dat in het thema aan bod komt. Jouw voorkennis
of d
st
wordt hier geactiveerd.
DE HOOFDSTUKKEN Een thema bestaat uit meerdere hoofdstukken. Doorheen de hoofdstukken
verwerf je de nodige kennis en vaardigheden om uiteindelijk een antwoord te geven op de centrale vraag of het probleem uit de CHECK IN.
pr oe
fh o
Na het activeren van de voorkennis volgen een aantal hoofdstukken.
SYNTHESE EN CHECKLIST We vatten de kern van het thema voor je samen in de hoofdstuksynthese en themasynthese.
Vervolgens willen we graag dat je vorderingen
maakt en dat je reflecteert op je taken en leert
uit feedback. De checklist is een hulpmiddel om zelf zicht te krijgen of je de leerdoelen al dan niet onder de knie hebt.
starten met genie
9
CHECK IT OUT In CHECK IT OUT pas je de vergaarde kennis en vaardigheden toe om terug te koppelen naar de vragen uit de CHECK IN.
IN
AAN DE SLAG In het onderdeel Aan de slag Je leerkracht beslist of je
de oefeningen op het einde doorheen de lessen.
` Per thema vind je op
adaptieve
VA
van het thema maakt of
N
kun je verder oefenen.
©
oefenreeksen om te leerstof
uk
verder in te oefenen.
LABO’S
st
Ga zelf op onderzoek! Op het einde van het leerschrift staan
pr oe
fh o
of d
een aantal labo’s om verder experimenten uit te voeren.
LEREN LEREN • In de linkermarge naast de theorie is er plaats om zelf
notities te maken. Noteren tijdens de les helpt je om de leerstof actief te verwerken.
• Op
vind je alternatieve versies van de
• Op
vind je per themasynthese een kennisclip
themasynthese.
waarin we alles voor jou nog eens op een rijtje zetten.
10
starten met genie
2
Handig voor onderweg
In elk thema word je ondersteund met een aantal hulpmiddelen.
deze rode kaders. !
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT Met GENIE ga je zelf experimenteren en op onderzoek. Daarbij moet je natuurlijk een aantal veiligheidsvoorschriften respecteren. Die vind je
VA
terug in dit kader.
TIP
Een weetjeskader geeft extra verduidelijking of
In de tipkaders vind je handige tips terug bij het uitvoeren van de onderzoeken of opdrachten.
uk
illustreert de leerstof met een extra voorbeeld.
©
WEETJE
DOORDENKER
st
OPDRACHT 11
N
We zetten doorheen het thema de belangrijkste zaken op een rijtje in
IN
Kenniskader
Nood aan meer uitdaging? Doorheen een thema zijn er verschillende doordenkers.
of d
Niet altijd even makkelijk om op te lossen,
fh o
maar het proberen waard!
Bij het onlinelesmateriaal vind je een vademecum.
Dat vademecum ̒GENIE in STEM-vaardigheden ̓ omvat:
• stappenplannen om een grafiek te maken, opstellingen correct te bouwen, metingen uit te voeren …;
pr oe
• stappenplannen om een goede onderzoeksvraag op te stellen, een hypothese te formuleren …; • een overzicht van gevarensymbolen en P- en H-zinnen; • een overzicht van grootheden en eenheden;
• een overzicht van labomateriaal en labotechnieken; • …
starten met genie
11
GENIE EN DIDDIT
Je kunt erin noteren, aantekeningen maken, zelf
• Je kunt vrij oefenen en de leerkracht kan ook
uk
voor jou oefeningen klaarzetten.
©
• De leerstof kun je inoefenen op jouw niveau.
VA
materiaal toevoegen ...
N
Een e-book is de digitale versie van het leerschrift.
IN
HET ONLINELEERPLATFORM BIJ GENIE
voor jou heeft klaargezet.
st
Hier vind je de opdrachten terug die de leerkracht
of d
Hier kan de leerkracht toetsen en taken voor jou klaarzetten.
Meer info over diddit vind je op https://www.vanin.diddit.be/nl/leerling.
fh o
Benieuwd hoever je al staat met oefenen en
opdrachten? Hier vind je een helder overzicht
pr oe
van je resultaten.
• Hier vind je het lesmateriaal per thema. • Alle instructiefilmpjes, kennisclips en demovideo’s zijn ook hier verzameld.
In de uitgave bieden we bovenop het beeldmateriaal verschillende 3D-beelden aan.
Denk maar aan een 3D-voorstelling van een oog.
Zo ervaar je wetenschappen op een heel nieuwe manier! 12
GENIE EN DIDDIT
DOWNLOAD 3D-APP
INLEIDING
Î HOE WORDT DE WERKING VAN EEN ORGANISME GEREGELD?
IN
1 Welke structuren maken het een organisme mogelijk om in te spelen op waarneembare veranderingen? OPDRACHT 1
Lees de artikels.
N
ARTIKEL 1
VA
Meer oogst met muziek
T
uk
©
egenwoordig zijn er pakketten te koop met een geluidinstallatie en aangepaste muziek om je planten beter te doen groeien. De trillingen van de geluidsgolven zouden een positief effect hebben op de groei van de plant. Producenten spelen daar handig op in door ook nog speciale voeding aan te bieden die in combinatie met de muziek nog betere resultaten oplevert. Voorlopig is er nog niets bewezen, maar wetenschappers zijn volop bezig met het onderzoeken van de invloed van muziek op planten.
ARTIKEL 2
Naar: www.science19.com
st
Van alcohol krijg je honger
fh o
of d
Veel studenten weten het: na een nachtje doorzakken wordt de frietkraam of kebabzaak plots onweerstaanbaar. Er is al veel onderzoek gedaan naar het verband tussen alcoholgebruik en hongergevoel. Men stelde vast dat bij een experiment met muizen het hongergevoel werd opgewekt bij overmatig alcoholgebruik. Na het drinken van veel alcohol zijn we volgens een ander onderzoek ook gevoeliger voor geuren en krijgen we meer zin in vettig voedsel.
pr oe
ARTIKEL 3
Naar: www.eoswetenschap.eu
BLOEMEN IN HET ZONNETJE
O
ntluikende zonnebloemen volgen de stand van de zon. ’s Morgens zijn ze naar het oosten gericht, tegen de avond ‘kijken’ ze naar het westen. ’s Nachts draaien ze rustig weer terug. Die beweging vertonen de bloemen dankzij de combinatie van het zonlicht en een interne klok.
ARTIKEL 4
Naar: De Standaard
Meet een leugendetector leugens?
A
ls mensen liegen reageert hun lichaam onbewust via de hartslag, de bloeddruk en de ademhaling. Klamme handen of een snelle hartslag kunnen aanwijzingen zijn dat iemand liegt. Een leugendetector meet dus geen leugens, maar gaat na bij welke vragen of uitspraken er verhoogde lichamelijke activiteit is. Naar: www.quest.nl
INLEIDING
13
conductor geleidt informatie
effector voert de reactie uit
reactie actie als antwoord op de prikkel
lokken vaak een reactie uit, zoals honger na een overmaat aan alcohol.
De uitlokkende factor waarop je reageert, is een waarneembare verandering. We noemen dat een prikkel.
Het antwoord op de prikkel is een actie die het organisme uitvoert, het is de reactie.
IN
herkent en vangt de prikkel op
of een stresserende situatie. Ook veranderingen binnen in een organisme
Maar om op een prikkel te kunnen reageren is het eerst nodig om de
informatie van de prikkel te herkennen. Een receptor zal namelijk eerst de prikkel opvangen.
N
receptor
veranderingen in de omgeving, zoals een verandering in de lichthoeveelheid
• Bij dieren zijn receptoren vaak in zintuigen gesitueerd. In het oor liggen bijvoorbeeld receptoren om geluid op te vangen.
• Planten hebben ook receptoren om prikkels op te vangen. Ze hebben
VA
waarneembare verandering
Uit de voorbeelden bij opdracht 1 blijkt dat reacties worden uitgelokt door
echter geen zintuigen. Hun receptoren liggen verspreid over het
organisme. Ontluikende zonnebloemen kunnen bijvoorbeeld de stand van de zon volgen omdat ze receptoren voor licht bezitten.
Na het opvangen van de prikkel door de receptor is er een schakel nodig die
©
prikkel
de informatie over deze prikkel naar de plaats van de reactie brengt. Deze
uk
informatieoverdracht door het lichaam noemen we de geleiding. Zowel het zenuwstelsel als het hormonaal stelsel kunnen als geleider of conductor fungeren.
st
• Bij het roepen van je naam geleidt je zenuwstelsel deze informatie van je oren naar je spieren: je draait je hoofd.
• Bij het ondergaan van een leugentest, produceert je lichaam hormonen.
of d
Zij geleiden de informatie naar je klieren, waardoor je zweet, je bloeddruk stijgt en je hartslag versnelt.
pr oe
fh o
De uiteindelijke reactie op een prikkel gebeurt door de effectoren. Spieren
14
INLEIDING
en klieren zijn effectoren. Spieren hebben als effect dat er bewegingen optreden, zoals bij het wegrennen van een gevaarlijke hond. Klieren
produceren hormonen of sappen. Denk maar aan adrenaline of het water dat je in je mond komt als je aan lekker eten denkt.
De reactie op een prikkel treedt niet altijd op in het orgaan of lichaamsdeel waarmee de prikkel wordt waargenomen. Zo registreren je zintuigen
een gevaarlijke hond, maar gebruik je bij het wegrennen je spieren. Op afbeelding 1 wordt dit proces schematisch voorgesteld.
receptor conductor
prikkel conductor
IN
effector
VA
N
Afb. 1 Verband tussen receptoren, conductor en effectoren
• Een prikkel is een waarneembare verandering waarop een organisme kan reageren.
• Om in te spelen op waarneembare veranderingen beschikt een organisme over gespecialiseerde structuren.
opvangt.
©
• Een receptor is een structuur die bepaalde prikkels herkent en • Effectoren zijn spieren of klieren die de reactie uitvoeren.
uk
• Het zenuwstelsel en het hormonaal stelsel zorgen voor de
informatieoverdracht tussen receptor en effector; het zijn de geleiders of conductoren.
st
• De reactie zelf is een actie van het organisme als antwoord op de
of d
prikkel. De reactie wordt altijd door de effector uitgevoerd.
pr oe
fh o
2 Op welke manier wordt de werking van een organisme geregeld?
Het zenuwstelsel en het hormonaal stelsel geven in het lichaam signalen door en stemmen zo de werking van de verschillende organen op elkaar
af. Ze spelen een belangrijke rol bij het regelen van de lichaamswerking. In een stresserende situatie, zoals bij het weglopen voor een hond, reageren bijvoorbeeld meerdere stelsels tegelijkertijd: je spierkracht neemt toe, je hart zal sneller pompen, je bloeddruk stijgt … . De regeling van deze
samenwerking gebeurt door een geordende opeenvolging van stappen. De opeenvolgende stappen vormen samen het regelsysteem.
In het voorbeeld op p. 15 regelt het zenuwstelsel de reacties op prikkels
door de werking van de receptoren in je huid en de effectoren in je handen op elkaar af te stemmen.
INLEIDING
15
Voorbeeld: zenuwstelsel regelt reacties op prikkels. Je warmt je handen bij een kampvuur.
Receptoren in je huid vangen de warmteprikkel op.
Er wordt een signaal
Je hersenen controleren de temperatuur. Het wordt te warm en de hersenen
zenuwstelsel
VA
bepalen een reactie.
N
naar de hersenen gestuurd.
IN
De warmte is de prikkel.
Er wordt een signaal
naar de spieren gestuurd.
©
De spieren in je hand ontvangen het
uk
signaal, zij zijn de effectoren.
Omdat het te warm wordt, trek je je handen
st
weg van het vuur; dat is de reactie.
of d
Ook het hormonaal stelsel regelt de reacties op prikkels volgens dit regelsysteem. In het voorbeeld van de gevaarlijke hond kun je de
verschillende stappen van het regelsysteem terugvinden: dit veroorzaakt
pr oe
fh o
angst of stress.
16
INLEIDING
Er treden hierbij meerdere reacties op, zoals een verhoogde alertheid, je
ademt sneller en je bloeddruk stijgt; je begint te zweten en je hart pompt sneller. De weefsels die de reacties uitvoeren ontvangen signalen via
het bloed. Het bloed voert signaalstoffen aan, in dit geval het hormoon
adrenaline. Dat hormoon wordt geproduceerd door een klier: de bijnier. • Prikkel: angst van de hond
• Receptor: de ogen en de oren
• Geleider of conductor: hormonaal stelsel • Effectoren: hart, longen, zweetklieren ...
• Reactie: meerdere reacties tegelijkertijd
Door de samenwerking tussen de verschillende onderdelen van je lichaam te regelen, kun je optimaal functioneren in een stresserende situatie.
Planten reageren ook op prikkels. Een lichtprikkel wordt door receptoren
opgevangen. Het signaal wordt over de plant verspreid waardoor de plant naar het licht toe groeit.
Door voortdurend te reageren op veranderende omstandigheden zorgt een regelsysteem ervoor dat organismen op de gepaste manier functioneren
en reageren. Zo kan een organisme correct blijven werken. Het hormonaal
stelsel en het zenuwstelsel werken volgens een regelsysteem om de werking
IN
van verschillende onderdelen van je lichaam te coördineren.
N
Het zenuwstelsel en het hormonaal stelsel coördineren de reacties en
regelen de samenwerking tussen de verschillende onderdelen van een
VA
organisme. De coördinatie gebeurt met behulp van een regelsysteem. Een regelsysteem is een geheel van geordende processen dat
ervoor zorgt dat een organisme gepast reageert op waarneembare veranderende omstandigheden (prikkels).
©
In de thema’s bestuderen we achtereenvolgens verschillende
uk
onderdelen van regelsystemen.
loep.
st
• In thema 1 nemen we de soorten prikkels en de reactie op prikkels bij dieren en planten onder de
• In thema 2 bekijken we hoe de prikkels worden opgevangen door receptoren bij de mens en andere
of d
dieren. We bespreken ook enkele zintuigen in detail.
• In thema 3 bekijken we de werking van effectoren: de spieren en klieren.
• In thema 4 bestuderen we de conductoren; hoe coördineren het zenuwstelsel en het hormonaal stelsel reacties op prikkels om het inwendig milieu in balans te houden?
fh o
• In thema 5 bekijken we homeostase bij planten. We bestuderen hoe planten reacties op prikkels
pr oe
coördineren.
INLEIDING
17
pr oe
fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
Notities
18
REGELSYSTEMEN BIJ ORGANISMEN
THEMA 01
CHECK IN
IN
20
VERKEN
HOOFDSTUK 1: Waardoor worden regelsystemen geactiveerd? 22
N
`
21
1.1 Wat is een prikkel?
22
`
VA
1.2 Welke soorten prikkels kunnen organismen waarnemen?
27
HOOFDSTUK 2: Welke structuren zorgen voor het opvangen en reageren op prikkels? 29
©
2.1 Hoe gebeurt het opvangen en reageren op prikkels bij dieren?
29 34
HOOFDSTUK 3: Hoe ontstaat een evenwicht in een organisme? 39
st
`
uk
2.2 Hoe gebeurt het opvangen en reageren op prikkels bij planten?
3.1 Hoe verwerken dieren prikkels om een evenwicht te bereiken? 39 43
3.3 Hoe coördineren planten de reacties op prikkels om een evenwicht te bereiken?
45
of d
3.2 Hoe zorgt een regelsysteem voor evenwicht?
48
CHECKLIST
49
fh o
THEMASYNTHESE PORTFOLIO
pr oe
CHECK IT OUT AAN DE SLAG
50 51
19
CHECK IN
Î Waarom heb ik dorst? Bekijk de infografiek en beantwoord de vragen. 1 Uit hoeveel procent water bestaat het lichaam van een 14-jarige?
IN
2 Waarvan is het percentage water in je lichaam afhankelijk?
VA
N
3 Op welke manieren verliest je lichaam water?
4 Hoe weet je wanneer je watergehalte in je
©
lichaam te laag is?
JAAR
JAAR
JAAR
JAAR
uk
JAAR
Schoon drinkwater mag dan door velen als een fundamenteel recht worden beschouwd, maar 844 Onliefst 800 miljoen mensen op deze 71 % 18 % miljoen zuiver van de moet wereld hebben er geen toegang toe. mensen drinkwereldgemiddeld In bepaalde delen van de wereld is hebben geen water bevolking 30 minuten enkele toeveroorzaakt beschikt lopen om drinkbaar leidingwater niets meer dan gang tot veilig 502 200 doden thuis over drinkwater te een droom en voor veel mensen komt drinkwater. per jaar. drinkwater. bereiken. hun drinkwater uit vervuilde rivieren en beken. Als we water blijven verbruiken zoals we dat vandaag doen, bestaat het risico dat we tegen 2030 een watertekort hebben van 40 %. Dat zou voornamelijk het gevolg zijn van de steeds toenemende wereldbevolking. Als de bevolking groeit, groeit ook de consumptie. Om aan die groeiende vraag te kunnen voldoen, zal ook de voedingsindustrie steeds meer water nodig hebben. Daarom wil de zesde Duurzame Ontwikkelingsdoelstelling (SDG 6) universele toegang tot water en sanitaire voorzieningen voor iedereen verzekeren.
pr oe
fh o
of d
st
R OM OVE NA TE DENKEN
INFO SDG 6
Meer weten over SDG6? Scan de QR-code.
`
Welke veranderingen kan je lichaam waarnemen?
`
Hoe neemt je lichaam veranderingen waar?
`
Kunnen planten veranderingen waarnemen?
`
Hoe reageren organismen op veranderingen in de omgeving?
We zoeken het uit!
20
THEMA 01
check in
?
VERKEN
Î Welk dynamisch evenwicht ken je? OPDRACHT 1
Bekijk de grafiek en beantwoord de vragen.
IN
5
3
N
2 1
VA
populatie vossen en konijnen
4
0 0
5
10
15
20 25 tijd (in jaren)
30
35
40
©
Grafiek 1 Populatie vossen en konijnen doorheen de tijd
2 Wie zijn de prooien?
uk
1 Wie zijn de jagers?
st
3 Wat gebeurt er als het aantal ‘jagers of predators’ toeneemt?
of d
4 Wat gebeurt er als het aantal ‘prooien’ toeneemt?
5 Wat gebeurt er als het aantal prooien daalt?
fh o
6 Hoe noem je de relatie tussen vossen en konijnen?
pr oe
7 Welk begrip uit de eerste graad ken je die de slingerbeweging in de grafiek tussen konijnen en vossen weergeeft?
De slingerbeweging waarbij het aantal organismen zichzelf in evenwicht houdt, noemen we het ecologisch evenwicht of biologisch evenwicht. De relatie tussen prooi en jager is een dynamisch evenwicht. Aan de basis van dit dynamisch evenwicht kun je een duidelijk systeem ontdekken.
Nu zoeken we uit hoe een organisme zijn werking bijstuurt om in evenwicht te blijven. Hebben organismen ook een systeem dat zorgt voor een evenwicht?
In hoofdstuk 1 onderzoeken we waardoor regelsystemen worden geactiveerd.
In hoofdstuk 2 onderzoeken we welke structuren zorgen voor het opvangen en reageren op veranderingen in de omgeving.
In hoofdstuk 3 gaan we ten slotte dieper in op hoe er juist een evenwicht tot stand kan komen.
THEMA 01
verken
21
HOOFDSTUK 1
N
IN
Î Waardoor worden regelsystemen geactiveerd?
VA
LEERDOELEN Je kunt al: M een dynamisch evenwicht binnen een systeem omschrijven.
Je wordt voortdurend blootgesteld aan allerlei activiteiten
©
Je leert nu:
M de reactie op een prikkel beschrijven;
rondom je. Het begint ’s morgens al. Je wordt wakker
door je wekker. Er is lawaai aan de ontbijttafel. Onderweg naar school is het druk: fietsers, voetgangers, auto’s en
uk
M een prikkel omschrijven;
M de kenmerken van een prikkel herkennen;
te zijn. Je lichaam neemt al die activiteiten waar. Onder welke voorwaarden reageert je lichaam op dergelijke
st
M verschillende soorten prikkels herkennen.
bussen. Je baant je er een weg door om op tijd op school
of d
activiteiten?
fh o
1.1 Wat is een prikkel?
OPDRACHT 2
Bekijk de onderstaande reacties van organismen. 1 Noteer op het eerste lijntje de reactie van het organisme op de afgebeelde situatie.
pr oe
2 Waardoor wordt de reactie uitgelokt? Noteer op het tweede lijntje. 1
1
1
2 22
THEMA 01
2
2 hoofdstuk 1
3
1 2
1
6
1
2
1
2
2
IN
5
N
4
VA
Uit de voorgaande voorbeelden blijkt dat organismen kunnen reageren op
veranderingen in de omgeving zoals droogte, chemische stoffen, gewijzigde temperatuur … Ook veranderingen binnenin een organisme zoals een volle blaas lokken soms reacties uit. Al die veranderingen noem je prikkels.
©
Je wordt voortdurend blootgesteld aan een waaier van veranderingen in je
lichaam en in je omgeving. Je onderzoekt nu onder welke voorwaarden al die ONDERZOEK
Wat is een prikkel? 1
of d
Wanneer is een verandering in de omgeving van een organisme een prikkel? Hypothese
fh o
2
Onderzoeksvraag
st
OPDRACHT 3
uk
veranderingen prikkels zijn en wat juist de kenmerken van een prikkel zijn.
Als
dan
pr oe
Brainstorm met je klas over een goede hypothese.
TIP
Hulp nodig om een goede hypothese te formuleren? Bekijk de checklist in het vademecum.
CHECKLIST HYPOTHESE
THEMA 01
hoofdstuk 1
23
3
p er duo een blinddoek zaklamp (of licht op je smartphone) een blad papier Werkwijze
IN
4
Benodigdheden
1 Werk per twee.
2 Eén leerling wordt geblinddoekt. Dat is de proefpersoon.
3 De proefpersoon wordt nu onderworpen aan een aantal veranderingen in de omgeving.
4 Schijn plots met de zaklamp in de richting van de proefpersoon. 5 Neem een blad papier.
N
De proefpersoon steekt zijn hand op als hij of zij de verandering waarneemt.
VA
6 Scheur een stukje van dat blad en laat het in de handpalm van de proefpersoon vallen. 7 Herhaal de vorige stap, maar maak de stukjes steeds kleiner en kleiner. 8 De proefpersoon mag de blinddoek afnemen.
Let op! Schijn niet met de zaklamp in de ogen.
5
Waarneming
©
9 Schijn opnieuw met de zaklamp in de richting van de proefpersoon.
uk
a Wat stel je vast wanneer je met de zaklamp naar de geblinddoekte persoon schijnt?
st
b Wat stel je vast wanneer je met de zaklamp schijnt wanneer de blinddoek weg is?
of d
c Wat stel je vast wanneer de stukjes papier steeds kleiner worden? 6
Verwerking
pr oe
fh o
a Is het schijnen met een zaklamp altijd een prikkel? Verklaar.
b Is het vallen van een stukje papier op de hand altijd een prikkel? Verklaar.
7
Besluit
Noteer een besluit.
24
THEMA 01
hoofdstuk 1
8
Reflectie a De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:
N
IN
b Vergelijk je hypothese met je besluit.
Blijft een prikkel altijd een prikkel? Je komt een parfumeriewinkel binnen om een nieuw parfum te kopen en je ruikt een heleboel verschillende geuren. Na een
©
tiental minuten is het jouw beurt. De verkoopster laat je andere
VA
OPDRACHT 4
geuren ruiken. De lekkerste koop je! Hoe kan het dat je tussen al
uk
die verschillende geuren nog in staat bent een nieuw parfum te
OPDRACHT 5
of d
st
kiezen?
DOORDENKER
fh o
Kun je ook té veel prikkels krijgen?
Bekijk de video en beschrijf een hoogsensitief persoon.
pr oe
BEKIJK DE VIDEO
THEMA 01
hoofdstuk 1
25
Een prikkel is een waarneembare verandering die bij een organisme een reactie kan uitlokken. Die verandering moet voldoende sterk zijn om te
kunnen waarnemen. De minimumsterkte waarbij een prikkel waarneembaar is, noemen we de prikkeldrempel. Je stelde in opdracht 3 vast dat je de
kleinste stukjes papier niet meer kon voelen. Daar was de verandering in
drempelwaarde
VA
geen prikkel
prikkel
N
drempelwaarde
sterkte van de uitwendige of inwendige verandering
sterkte van de uitwendige of inwendige verandering
konden we daar niet van een prikkel spreken.
IN
omgeving niet sterk genoeg om de prikkeldrempel te overschrijden. Daarom
tijd (s)
©
tijd (s)
Grafiek 3
uk
Grafiek 2
Eenzelfde geur neem je na een tijdje niet meer waar. Een ring die je altijd
draagt, voel je na een tijdje niet meer. Als dezelfde prikkel lang blijft duren, dan nemen we na een tijdje de verandering in de omgeving niet meer waar.
st
Er ontstaat gewenning.
In de hersenen zit een soort prikkelfilterstation dat bepaalt of en hoe sterk
of d
prikkels naar de hersenen worden doorgegeven. Zo worden bijvoorbeeld
achtergrondgeluiden tijdens de les weggefilterd. Wanneer je aan het gamen
pr oe
fh o
bent, hoor je misschien je papa niet roepen dat het eten klaar is. Wanneer de prikkelfilter echter niet goed werkt, kun je overprikkeld raken. Overprikkeld raak je, wanneer de prikkelfilter te veel en te sterke prikkels doorlaat.
Regelsystemen worden geactiveerd door prikkels. Een prikkel is een
waarneembare verandering in een organisme of in de omgeving van een organisme die een reactie kan uitlokken.
De prikkeldrempel is de minimumsterkte waarbij een prikkel waarneembaar is.
Wanneer dezelfde prikkel langere tijd blijft duren, dan kan het gebeuren dat die prikkel niet meer opgemerkt wordt: dat is prikkelgewenning.
De prikkelfilter is een filterstation in de hersenen dat bepaalt of en hoe sterk prikkels aan de hersenen worden doorgegeven. ` Maak oefening 1 t/m 5.
26
THEMA 01
hoofdstuk 1
1.2 Welke soorten prikkels kunnen organismen waarnemen?
Ontdek welke soorten prikkels er zijn. Komen de prikkels voor in het organisme of uit de omgeving van het organisme? Kruis aan. Voorbeeld van een prikkel
In het organisme
Uit de omgeving
N
a Je ruikt koffie.
IN
OPDRACHT 6
VA
b Je hebt honger.
d Een kalf zoogt bij de moeder.
uk
e De bladeren van de eik vallen af tijdens de herfst.
©
c Zonnebloemen groeien naar het licht.
De meeste prikkels waarover je al leerde, zijn afkomstig van buiten het
organisme, zoals droogte, koude of warmte, geuren. Omdat de prikkels vanuit
st
de omgeving komen, noemen we ze uitwendige prikkels.
Er bestaan ook prikkels die in het lichaam zelf ontstaan, zoals het gevoel
of d
van honger, naar het toilet moeten, dorst hebben ... We noemen ze daarom In sommige gevallen reageert het organisme op een combinatie van een
inwendige en een uitwendige prikkel. Denk maar aan het hongergevoel dat optreedt wanneer je frietjes ziet én ruikt.
pr oe
fh o
inwendige prikkels.
THEMA 01
hoofdstuk 1
27
Je kunt prikkels ook op een andere manier indelen:
• chemische prikkels hebben rechtstreeks te maken met stoffen die
prikkelend werken, zoals reukstoffen en smaakstoffen. Bij inwendige
weefselbeschadiging, bijvoorbeeld bij een kneuzing, komen er stoffen vrij die werken als een inwendige chemische prikkel;
• fysische prikkels zijn veranderingen die meestal te maken hebben met
N
zwaartekracht, licht, geluid en warmte.
IN
kracht en energie. Voorbeelden van fysische prikkels zijn druk, aanraking,
• Uitwendige prikkels zijn prikkels die afkomstig zijn uit de omgeving van het organisme.
VA
• Inwendige prikkels zijn prikkels die in het organisme ontstaan.
• Chemische prikkels hebben te maken met stoffen die prikkelend werken.
energie.
©
• Fysische prikkels zijn veranderingen als gevolg van kracht en
pr oe
fh o
of d
st
uk
` Maak oefening 6 en 7.
28
THEMA 01
hoofdstuk 1
HOOFDSTUK 2
Î Welke structuren zorgen voor het opvangen en reageren op prikkels?
IN
LEERDOELEN Je kunt al: M een prikkel omschrijven;
N
M de kenmerken van een prikkel omschrijven; M de reactie op een prikkel beschrijven;
VA
M het onderscheid maken tussen een inwendige en een uitwendige prikkel.
Je leert nu:
reageren;
op prikkels bij planten;
in de omgeving en in hun inwendig milieu
kunnen waarnemen en op een gepaste manier kunnen reageren.
Aan de hand van voorbeelden onderzoeken we hoe dieren en planten prikkels kunnen opvangen en op prikkels reageren.
st
M het onderscheid maken tussen verschillende reacties op prikkels bij dieren.
beschermen moeten organismen veranderingen
uk
M het onderscheid maken tussen verschillende reacties
Om zichzelf in stand te houden en te
©
M hoe dieren en planten prikkels opvangen en erop
of d
2.1 Hoe gebeurt het opvangen en reageren op prikkels bij dieren?
OPDRACHT 7 ONDERZOEK
fh o
Hoe nemen we een verandering in temperatuur waar? Onderzoeksvraag
Wat is de rol van de huid in de regeling van de lichaamstemperatuur?
pr oe
1
2
3
Hypothese
Noteer jouw hypothese. Tip: denk aan de twee situaties ‘te warm’ en ‘te koud’.
• Als
• Als
Benodigdheden
plastic zak plakband twee kommetjes
dan
.
dan
.
handdoek warm en koud water ijsblokjes of een coldpack THEMA 01
hoofdstuk 2
29
4
Werkwijze
Opdracht 2: uitgevoerd door leerling 2
1 Pak de rechterhand in met een plastic zak
1 Vul een kom met koud water en een met
Opdracht 1: uitgevoerd door leerling 1
met de plakband.
2 Wrijf met een ijsblokje over de linkerarm of leg het coldpack op de arm.
3 Bestudeer de huid.
2 Plaats één hand in het warme water en één hand in het koude water.
3 Haal de handen na enkele minuten uit het water.
4 Bestudeer de huid.
VA
5
warm water.
N
gedurende een vijftal minuten. Sluit goed af
IN
Je werkt per twee. Je voert elk één opdracht uit.
Waarneming Opdracht 1
©
1 Wat stel je vast bij de hand die in de plastic zak is ingepakt?
uk
2 Wat stel je vast wanneer je met een ijsblokje over de arm wrijft of het coldpack op de arm legt? Opdracht 2
st
1 Wat stel je vast bij de hand die in het warme water zat?
of d
2 Wat stel je vast bij de hand die in het koude water zat? Verwerking
7
Besluit
fh o
6
pr oe
Noteer een besluit.
8
Reflectie
a De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:
b Vergelijk je hypothese met je besluit.
30
THEMA 01
hoofdstuk 2
OPDRACHT 8
Ontdek welke structuren in de huid zorgen voor de regeling van de lichaamstemperatuur. Bestudeer de afbeeldingen van de huid aandachtig en beantwoord de vragen.
talgklier
3
haar
4
IN
huidporie 6
©
VA
N
1
haarspiertje haarzakje
5
1 2 3 4 5 6
adertje
zweetklier
of d
haarwortel
st
uk
2
slagadertje
pijnreceptor haarzakzenuwvezel warmtereceptor koudereceptor druklichaampje tastlichaampje
bloedvaatje
fh o
Afb. 2 Schematische voorstelling van een verticale doorsnede doorheen de huid
pr oe
zweetklieren worden gestimuleerd
de haartjes liggen plat
Afb. 3 Reactie van de huid bij warmte
zweten is verminderd
de haartjes staan recht
haarspiertje is ontspannen
haarspiertje trekt samen
spiertjes doen bloedvaten verwijden
spiertjes in de bloedvaten trekken samen Afb. 4 Reactie van de huid bij koude
THEMA 01
hoofdstuk 2
31
a Op basis van de reacties van je huid op temperatuurveranderingen stel je vast dat de huid structuren
bezit om die veranderingen waar te nemen. Zoek op afbeelding 2 welke structuren in de huid voor die waarneming verantwoordelijk kunnen zijn.
IN
b Welke structuur zorgt voor het zweten van de huid?
c Bekijk aandachtig het haartje op afbeeldingen 3 en 4. Welke structuur kun je ontdekken die zorgt voor
VA
N
kippenvel?
uk
e Welke structuren zijn daarvoor verantwoordelijk?
©
d Hoe komt onze huid aan zijn rode/witte kleur?
f Markeer:
• groen: het deel dat de prikkel herkent en opvangt
koudereceptoren – zweetklier – haarspiertje – warmtereceptoren
• blauw: de delen die de reactie uitvoeren
st
pr oe
fh o
of d
g Kun je nog andere receptoren in de huid ontdekken?
De huid speelt een rol in de regeling van de lichaamstemperatuur.
Verschillende structuren in de huid zorgen voor de temperatuurregeling. Het deel dat een prikkel herkent en opvangt is de receptor. Receptoren zorgen dus voor het waarnemen van de prikkel. In de huid zorgen koudereceptoren en warmtereceptoren voor het waarnemen van temperatuurverschillen. We noemen ze thermoreceptoren.
De volgende structuren in de huid kunnen voor een reactie zorgen: • de zweetklier produceert zweet;
• de haarspier trekt samen. Door die samentrekking krijg je kippenvel;
• de spiertjes in de bloedvaten zorgen voor het vernauwen en verwijden van de bloedvaten.
De effectoren zijn de delen die voor de reactie op de prikkel zorgen. Spieren en klieren vormen bij mens en dier de effectoren. 32
THEMA 01
hoofdstuk 2
OPDRACHT 9
Hoe reageren we in een angstige situatie? Beantwoord de vragen bij de volgende situatie. Honden en zeker blaffende honden lokken vaak een schrikreactie uit: je wilt vluchten.
IN
a Welke soort prikkel veroorzaakt de reactie?
b Met welke receptoren neem je de prikkel waar?
uk
©
d Welke effectoren in het lichaam zorgen voor die reactie?
VA
N
c Hoe reageert je lichaam op die prikkel?
In een angstaanjagende situatie of bij stress treden meerdere reacties op:
je alertheid verhoogt, je hart klopt sneller, je ademhaling versnelt, je zweet en je krijgt extra energie om te kunnen vluchten. Je ogen en oren zijn de
st
receptoren; ze nemen de prikkel waar (bijvoorbeeld een blaffende hond).
De effectoren zorgen voor de reactie; in dit geval zijn het je hart, longen en
pr oe
fh o
of d
spieren.
Om te reageren op waarneembare veranderingen beschikt een organisme over gespecialiseerde structuren.
Mensen en dieren kunnen prikkels waarnemen door receptoren. Een receptor is een structuur in het organisme dat prikkels herkent en opvangt.
Door middel van effectoren kunnen organismen gepast op die
veranderingen reageren. De delen van mensen en dieren die de reactie uitvoeren zijn spieren en klieren.
De reactie is het antwoord van het organisme op de prikkel. • Spieren bewegen als reactie op een prikkel.
• Klieren scheiden stoffen af als reactie op een prikkel. ` Maak oefening 8 en 9.
THEMA 01
hoofdstuk 2
33
2.2 Hoe gebeurt het opvangen en reageren op prikkels bij planten?
OPDRACHT 10
ONDERZOEK
1
IN
Hoe reageren planten op prikkels? Onderzoeksvraag
Hypothese
4
3
VIDEO VENUSVLIEGENVAL
Benodigdheden
VA
2
N
Hoe reageren planten op de prikkel ‘aanraking’?
Werkwijze
1 Scan de QR-codes en bekijk de filmpjes van de drie planten.
5
VIDEO KRUIDJEROER-ME-NIET
©
2 Beantwoord de vragen. Waarneming
uk
a Wat stel je vast wanneer het kruidje-roer-me-niet wordt aangeraakt?
st
b Wat stel je vast als de venusvliegenval wordt aangeraakt?
of d
c Ook bij de bonenplant is er sprake van aanraking. Wat gebeurde er? 6
Verwerking
fh o
a Hoe reageert de plant op de prikkel?
b Gaat het hier om een reactie op een uitwendige of een inwendige prikkel?
pr oe
c Waarom klapt de venusvliegenval pas dicht bij een sterkere aanraking? d Waarom reageert het kruidje-roer-mij-niet niet meer bij herhaalde aanraking?
7
Besluit
Formuleer een besluit. 8
34
THEMA 01
Reflectie
hoofdstuk 2
VIDEO BONENPLANT
OPDRACHT 11 ONDERZOEK
Op welke andere prikkels reageren planten nog?
2
Onderzoeksvraag Hoe reageren planten op lichtprikkels?
IN
1
Hypothese
Vul de hypothese aan.
Benodigdheden
4
Werkwijze
VA
3
N
Als planten worden blootgesteld aan een lichtprikkel dan
Waarneming
6
Verwerking
VIDEO RADIJSJES
VIDEO PAARDENBLOEMEN
uk
5
2 Beantwoord de vragen.
©
1 Scan de QR-codes en bekijk de filmpjes van de twee planten.
st
a Wat stel je vast bij de radijsjes wanneer de lichtbron van één kant komt?
of d
b Wat is de reactie van de paardenbloemen op het zonlicht?
fh o
c Gaat het hier telkens om een reactie op een uitwendige of een inwendige prikkel?
pr oe
d Welke reactie heeft de lichtprikkel bij beide planten tot gevolg?
7
Besluit
Formuleer een besluit.
8
Reflectie
THEMA 01
hoofdstuk 2
35
IN
Afb. 5 Kiemplantje groeit naar het licht.
Afb. 6 Paardenbloem opent bij daglicht, sluit bij nacht.
een lichtprikkel, kan verschillend zijn.
VA
We onderscheiden twee soorten reacties.
N
De reacties van verschillende planten op dezelfde prikkel, bijvoorbeeld op 1 Een tropie is een beweging van plantendelen veroorzaakt en gericht door de richting van de uitwendige prikkel.
Bijvoorbeeld: radijsjes groeien naar het licht toe.
©
2 Een nastie is een beweging van plantendelen veroorzaakt door maar niet gericht naar de prikkel.
uk
Bijvoorbeeld: paardenbloem opent bij licht en sluit wanneer het donker is. WEETJE
Om de aard van de prikkel aan te geven, wordt het woord ‘tropie’ of
st
‘nastie’ voorafgegaan door een Grieks voorvoegsel dat de soort prikkel aanduidt.
• ‘Foto’ betekent licht.
of d
> We spreken dan van fototropie en fotonastie.
• ‘Thigmo’ betekent aanraking.
pr oe
fh o
> We spreken dan van thigmotropie en thigmonastie.
36
THEMA 01
hoofdstuk 2
OPDRACHT 12
Lees hieronder de teksten en beantwoord de vragen. TEKST A
IN
Het kruidje-roer-mij-niet is een kruidachtige plant die aantoont dat planten niet alleen leven, maar ook heel snel kunnen reageren. Als de plant wordt aangeraakt of door de wind beweegt, gaan de blaadjes ‘dicht’. ’s Nachts zijn de blaadjes samengevouwen. Daarom wordt dat ook de slaapstand genoemd. Het fenomeen treedt alleen op bij luchttemperaturen boven de 18 °C.
VA
uk
1 Hoe wordt de aanraking waargenomen?
©
Naar: Wikipedia en Wikikids, https://en.wikipedia.org/wiki/Mimosa_pudica
N
Hoewel planten geen zenuwstelsel hebben, kunnen ze snel reageren. Ze hebben speciale structuren waarmee ze prikkels opvangen, de receptoren. Bij aanraking ontstaat er een elektrisch signaal dat zich over het blad verspreidt en via de bladbasis alle andere blaadjes op dat steeltje bereikt. De blaadjes klappen dicht en het steeltje zakt. De bewegingen worden mogelijk gemaakt door de bladscharnieren. Het scharnier bestaat uit zwellingen op de bladsteel. De bladbewegingen ontstaan door veranderingen in de celdruk van de motorische cellen, die in de zwellingen liggen.
2 Welk mechanisme doet de blaadjes samenvouwen?
st
3 Welke effectoren zorgen voor het samenvouwen van de blaadjes?
P
of d
TEKST B
pr oe
fh o
lanten hebben weliswaar geen ogen noch zenuwstelsel, maar ze zitten boordevol structuren waarmee ze licht opvangen: de fotoreceptoren. Die fotoreceptoren zitten verspreid over de oppervlakte van de plant, in stengels en bladeren. Door middel van die receptoren worden planten de duur, intensiteit en richting van het licht gewaar. Planten hebben licht nodig voor fotosynthese. Ze zijn immers autotroof en hebben licht nodig om hun eigen voedingsstoffen op te bouwen. Maar ook heel wat andere processen in de plant zijn afhankelijk van licht, zoals zaadkieming, groei, bloei, vertakking … Bron: https://www.sprinklr.co/blogs/kamerplanten-tips/kamerplanten-zien-licht
4 Welke structuren zijn er in de plant aanwezig om licht waar te nemen? 5 Je kon vaststellen dat planten bewegen door licht en aanraking. Wat waren de effectoren bij die beweging?
THEMA 01
hoofdstuk 2
37
Planten gebruiken gespecialiseerde structuren, de receptoren, om
prikkels waar te nemen. De receptoren die bijvoorbeeld de uitwendige
lichtprikkel waarnemen, noemen we fotoreceptoren. Planten kunnen zich
niet verplaatsen, maar bewegen wel als reactie op prikkels. Dat die reactie relatief snel kan, namen we waar bij het kruidje-roer-me-niet.
De bewegende plantendelen functioneren als effectoren. Een effector kan
IN
zelfs een enkele cel zijn.
Om prikkels waar te nemen beschikken planten over receptoren.
N
Verschillende delen van een plant kunnen reageren op een prikkel. Ze functioneren als effector. Een effector kan een enkele cel zijn.
VA
Als reactie op een prikkel komen bij planten twee soorten bewegingen voor: een tropie en een nastie.
• Tropie: beweging die veroorzaakt en gericht wordt door een prikkel. prikkel.
©
• Nastie: beweging die veroorzaakt maar niet gericht wordt door de
pr oe
fh o
of d
st
uk
` Maak oefening 10.
38
THEMA 01
hoofdstuk 2
HOOFDSTUK 3
Î Hoe ontstaat een evenwicht in een organisme?
IN
LEERDOELEN
Je kunt al:
N
M het dynamisch evenwicht binnen een systeem omschrijven;
VA
M de rol van de receptoren beschrijven; M de rol van de effectoren beschrijven.
Je kon al vaststellen dat receptoren en
M een technisch systeem met een biologisch systeem vergelijken;
M welke structuren in ons lichaam voor coördinatie M de rol van conductoren beschrijven;
een angstaanjagende situatie, kunnen planten reageren op aanraking en lichtprikkels … Meerdere prikkels worden tegelijkertijd
opgevangen. Om tot een optimale reactie te
st
komen, moet de verwerking van al die prikkels op elkaar worden afgestemd. Er is dus binnen
receptor
een organisme nood aan een samenwerking of coördinatie.
?
effector
reactie
fh o
prikkel
of d
M aantonen dat planten en dieren als systeem functioneren.
wordt bijvoorbeeld de lichaamstemperatuur
onder controle gehouden, kun je reageren in
M de begrippen feedbacksysteem en homeostase illustreren;
te reageren op prikkels. Door die samenwerking
uk
zorgen;
effectoren in een organisme samenwerken om
©
Je leert nu:
pr oe
3.1 Hoe verwerken dieren prikkels om een evenwicht te bereiken?
OPDRACHT 13
Hoe wordt de temperatuur in een wagen geregeld? Zonder verwarming tijdens de winter zou het niet aangenaam zijn in de auto: ijskoud en met aangedampte ruiten. In de zomer willen we het ook niet te warm hebben in de auto. Gelukkig heeft een auto een systeem dat de temperatuur regelt en ervoor zorgt dat het in de winter aangenaam warm is en in de zomer lekker fris: de airco. Stel, je wilt graag dat de temperatuur in de wagen 20 °C is.
THEMA 01
hoofdstuk 3
39
Bestudeer het schema en beantwoord de vragen. a Vergelijk de delen van dit technisch systeem met wat je al kent bij organismen.
- receptor: - effector:
b Wat zorgt voor coördinatie tussen de thermostaat en de airco in dit technisch systeem?
4
3 Verwerking
Airco blaast
controlecentrum
koude lucht
VA
N
2 Thermostaat meet
5
1
Temperatuur daalt
Te warm
tot gewenste
in de wagen
©
temperatuur
Te koud
5
Temperatuur stijgt tot gewenste temperatuur
3
4
Verwerking
Airco blaast
controlecentrum
warme lucht
st
in de wagen
uk
1
2
IN
fh o
of d
Thermostaat meet
OPDRACHT 14
pr oe
Voor de mens speelt de huid een belangrijke rol in de regeling van de lichaamstemperatuur. We vergelijken dat biologisch systeem met het technisch systeem in opdracht 13. In hoofdstuk 2 heb je geleerd hoe je lichaam de lichaamstemperatuur in stand houdt. Wanneer je het te koud hebt, nemen koudereceptoren in je huid de prikkel waar. Als reactie op die koude prikkel ga je bibberen, krijg je kippenvel en de bloedvaten in je huid vernauwen. Wanneer je het te warm hebt, zullen de warmtereceptoren in je huid die prikkel waarnemen. Als reactie ga je zweten en de bloedvaten in je huid verwijden. Beantwoord de vragen. a Wat is je normale lichaamstemperatuur?
b Je hebt eerder de reacties van je lichaam op koude- en warmteprikkels geobserveerd. Brainstorm over de functie van elk van deze reacties.
40
THEMA 01
hoofdstuk 3
Reactie
Functie
zweten
bloedvaatjes vernauwen bloedvaatjes verwijden
c Wat is het doel van die reacties bij een te koude of te warme temperatuur?
N
kippenvel krijgen
IN
bibberen
VA
d In de airco zag je dat er een controlecentrum is dat de communicatie tussen de thermostaat en het
koud of warm blazen van de airco regelt. Wat zorgt er in je lichaam voor de communicatie tussen de
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
receptoren en de effectoren?
Afb. 7 Homeostase lichaamstemperatuur
THEMA 01
hoofdstuk 3
41
OPDRACHT 15
Beantwoord de vragen bij de volgende situatie. In angstaanjagende situaties reageert je lichaam. Je hartslag gaat omhoog, je ademhaling versnelt en er gaat extra energie naar je spieren.
b Welke stof in je lichaam zorgt ervoor dat je in actie kunt schieten bij angstaanjagende maar ook bij spannende of stresserende
VA
situaties?
N
IN
a Wat gebeurt er als de angstprikkel weer weg is?
uk
©
c Welke rol vervult die stof dan in je lichaam?
De thermostaat meet de temperatuur in de wagen. De gegevens worden gecontroleerd en als de temperatuur verschilt van de gevraagde
st
temperatuur, krijgt de airco het commando om warme of koude
lucht te blazen. Zodra de gewenste temperatuur bereikt is, stopt
of d
het toestel met werken. In de airco zit een controlecentrum dat alle
bovenstaande opdrachten regelt. Die regeling gebeurt volgens een vast patroon van processen, een regelsysteem. Je kunt het regelen van de
pr oe
fh o
lichaamstemperatuur vergelijken met een technisch regelsysteem.
Wanneer een prikkel wordt opgevangen door de receptoren, dan wordt
die prikkel omgezet in een signaal. We noemen dat signaal een impuls. Dat signaal wordt verwerkt en doorgegeven aan de effectoren zodat er een
reactie kan volgen. In ons lichaam zorgen de hersenen en de zenuwen voor de verwerking en de overdracht van informatie. Denk maar aan het signaal dat de koudereceptoren in je huid doorsturen naar de haarspiertjes. Het samentrekken van die spiertjes heeft als gevolg dat je kippenvel krijgt.
Er zijn ook signaalstoffen in ons lichaam die zorgen voor communicatie. Die signaalstoffen noemen we hormonen. Een voorbeeld van een hormoon is
adrenaline. Dat hormoon, geproduceerd in de bijnieren, zorgt er bijvoorbeeld voor dat je spieren veel energie krijgen bij het zien van een blaffende hond zodat je hard kunt wegrennen.
Het zenuwstelsel en het hormonaal stelsel noemen we de conductoren
omdat ze als geleider werken tussen receptoren en effectoren. Daarmee
hebben we het laatste puzzelstukje in ons systeem gevonden. Nu begrijp
je hoe organismen erin slagen om hun reacties op prikkels te regelen. Dat
gebeurt, net zoals in de airco, volgens een vast patroon van processen, een regelsysteem. 42
THEMA 01
hoofdstuk 3
WEETJE De term conductoren is afgeleid van het Latijnse ‘conducere’. Dat betekent ‘geleiden’.
conductor geleidt informatie
effector voert de reactie uit
reactie
IN
veranderende omstandigheden.
Een prikkel activeert het regelsysteem. Prikkels worden herkend en opgevangen door receptoren.
Conductoren, zoals het zenuwstelsel en het hormonaal stelsel, zorgen dan voor de informatieoverdracht tussen receptor en effector. De signaalstoffen van het hormonaal stelsel noemen we hormonen. De effectoren voeren dan een bepaalde reactie uit. ` Maak oefening 11, 12 en 13.
st
actie als antwoord op de prikkel
ervoor zorgt dat een organisme gepast reageert op waarneembare
N
herkent en vangt de prikkel op
Een regelsysteem is een geheel van geordende processen dat
VA
receptor
We zetten alles nog eens op een rijtje.
©
waarneembare verandering
uk
prikkel
te warm
of d
3.2 Hoe zorgt een regelsysteem voor evenwicht?
fh o
te koud
pr oe
Afb. 8
De airco in een wagen zorgt ervoor dat de temperatuur in de wagen altijd
gelijk blijft. Bij het onderzoek naar de thermoregulatie van de huid stellen we vast dat organismen ook een regelsysteem hebben om een inwendig evenwicht te bereiken.
In een stresserende situatie, zoals bij het weglopen voor een hond, reageren bijvoorbeeld meerdere stelsels tegelijkertijd: je spierkracht neemt toe, je
hart zal sneller pompen, je ademhalingsritme neemt toe … Je kunt vluchten.
Is de hond weg, dan gaat je lichaam weer naar de normale situatie. Je wordt weer rustig.
Je merkt uit die voorbeelden dat de reactie van een organisme erop gericht is om de normale situatie te herstellen en in stand te houden. Dat proces noemen we een terugkoppeling of feedback. Omdat de normale situatie
door veranderingen in de omgeving telkens rond een evenwicht schommelt, noemen we dat een dynamisch evenwicht.
Het regelsysteem streeft hier dus naar het in stand houden van een inwendig evenwicht door terugkoppeling. We noemen dat een feedbacksysteem.
THEMA 01
hoofdstuk 3
43
Het feedbacksysteem zorgt ervoor dat veranderingen van meerdere factoren binnen bepaalde grenzen worden gehouden. Het behouden van een
dynamisch evenwicht noemen we homeostase. Het is de toestand waarin het
IN
lichaam optimaal kan functioneren.
N
Afb. 9 Homeostase in kader van regelen lichaamstemperatuur
VA
Bij organismen spelen het zenuwstelsel en het hormonaal stelsel een
belangrijke rol om informatie te geleiden; het zijn conductoren. Maar ze
doen meer! Deze stelsels spelen ook een rol bij het op elkaar afstemmen
of coördineren van de werking van de verschillende organen, zoals bij het regelen van de lichaamstemperatuur. Heb je het te koud, dan komen je
©
haartjes recht, vernauwen je bloedvaten en ga je bibberen. Op die manier verlies je minder warmte en ga je via de spierwerking van het bibberen
warmte genereren. Heb je het te warm, dan ga je zweten en je bloedvaten
uk
verwijden om extra warmte kwijt te raken. Het gevolg daarvan is dat je
homeostase
st
lichaamstemperatuur weer normaal wordt.
Een feedbacksysteem is een regelsysteem in een organisme dat het
of d
inwendig milieu in evenwicht houdt, zodat een stabiele situatie ontstaat. Homeostase is het in stand houden van een stabiel inwendig milieu.
pr oe
fh o
Afb. 10 Homeostase
44
THEMA 01
hoofdstuk 3
De conductoren zorgen ervoor dat het lichaam homeostase bereikt. Zowel het zenuwstelsel als het hormonaal stelsel coördineren de reacties van verschillende stelsels op een prikkel. ` Maak oefening 14 en 15.
3.3 Hoe coördineren planten de reacties op prikkels om een evenwicht te bereiken?
Je kon in hoofdstuk 2 vaststellen dat planten bewegen als reactie op een prikkel. Wat is het nut van al die bewegingen? Beweging
Nut?
VA
Plant beweegt naar licht toe. Bonenplant slingert
uk
roer-me-niet vouwen samen.
©
naar boven.
De blaadjes bij het kruidje-
N
Vul de tabel aan.
IN
OPDRACHT 16
of d
st
Conclusie: Wat is het algemeen nut van al deze plantenbewegingen?
pr oe
fh o
Bij de dieren leerden we dat receptoren, conductoren en effectoren samen
een regelsysteem vormen om de reacties op prikkels te coördineren. Hoe zit dat bij planten? Reageren zij ook op prikkels volgens een dergelijk systeem
van receptoren, conductoren en effectoren? En zorgt dat dan ook bij planten voor homeostase?
Hoewel planten geen hersenen en zenuwstelsel hebben, vinden we
vergelijkbare systemen als bij dieren terug. Prikkels worden ook bij planten opgevangen door receptoren. Zo leerden we dat fotoreceptoren de prikkel ‘licht’ waarnemen.
Om informatie over de delen van een plant te verspreiden, hebben planten
twee mogelijkheden: via signaalstoffen (hormonen) of elektrische signalen. Signaalstoffen - of hormonen, zoals auxine - stimuleren bepaalde cellen in
de plant om sneller te groeien. Licht remt de productie van auxine. Daardoor is er meer auxine in cellen aan de schaduwkant van een plant. Het gevolg is dat plantencellen aan de schaduwkant langer worden en naar het licht
toe buigen. Op die manier kan de plant meer licht opvangen en beter aan fotosynthese doen.
THEMA 01
hoofdstuk 3
45
licht
auxine auxine
Auxine verzamelt zich aan de schaduwkant.
VA
Auxine verspreidt zich gelijkmatig door de plant.
N
IN
licht
Afb. 11
Je kunt het je een beetje voorstellen als in een buigbaar drinkrietje. Aan de
©
schaduwkant zijn de cellen langer dan aan de zonkant. Kijk maar eens naar
de bocht in het rietje, de segmenten zijn langer in de buitenbocht dan in de
uk
VIDEO FOTOTROPISME
binnenbocht. Of bekijk de video ter verduidelijking.
Naast lichtreceptoren, zijn er ook receptoren die andere prikkels kunnen
waarnemen, bijvoorbeeld de prikkel ‘aanraking’. Via een elektrisch signaal
naar de bladscharnieren van het kruidje-roer-me-niet vouwen de blaadjes
st
dan samen. De bladscharnieren functioneren hier als effector. Naast
hormonen kunnen planten dus ook de informatie over een prikkel met
of d
elektrische signalen verspreiden.
Planten hebben net zoals dieren regelsystemen om de reacties op prikkels te
pr oe
fh o
coördineren. Planten kunnen op meerdere manieren reageren: bijvoorbeeld
46
THEMA 01
hoofdstuk 3
door hun groeiwijze, door beweging en door de productie van bepaalde
stoffen ... Planten beschikken daarvoor over receptoren en effectoren. De
coördinatie tussen beide gebeurt via signaalstoffen en elektrische signalen.
Planten reageren op aanraking
licht
aanraking
receptor
fotoreceptoren
receptoren in het blad
signalen
auxine
VA
©
lentegroei
elektrische signalen
bladscharnieren
samenvouwen
st
reactie
cellen worden langer
uk
effector
IN
prikkel
N
Planten reageren op licht
We kunnen dus besluiten dat ook planten organismen zijn die zich als
systeem in stand houden. Ze beschikken net als dieren over mechanismen
of d
die helpen om een evenwichtstoestand te bewaren. Op die manier is de reactie van planten erop gericht om de overlevingskans te verhogen.
fh o
homeostase
pr oe
Afb. 12 Homeostase
Ook planten beschikken over een regelsysteem om gepast te kunnen reageren op prikkels. Ze beschikken daarvoor over eenvoudige
receptoren. Via hormonen en elektrische signalen kan binnen de plant
informatie worden doorgegeven om een gepaste reactie te veroorzaken. Effectoren bij planten kunnen cellen of plantendelen zijn. Ook planten streven naar het behouden van een evenwicht: homeostase. ` Maak oefening 16.
THEMA 01
hoofdstuk 3
47
THEMASYNTHESE
Dieren
HOMEOSTASE
Planten
• Een regelsysteem is een geheel van geordende processen dat ervoor zorgt dat een organisme gepast op prikkels reageert.
• Het inwendig milieu wordt in evenwicht gehouden door feedbacksystemen, zodat een stabiele situatie ontstaat.
• Homeostase is het handhaven van een stabiel inwendig milieu.
— uitwendige prikkels: prikkels afkomstig uit de omgeving van het organisme,
PRIKKEL
CONDUCTOREN
N
— fysische prikkels: prikkels als gevolg van kracht en energie.
VA
• De prikkeldrempel is de minimumwaarde waarbij een prikkel kan worden waargenomen.
• Bij langdurige blootstelling aan een prikkel kan prikkelgewenning optreden. • De prikkelfilter in de hersenen bepaalt of prikkels doorgegeven worden en aanleiding geven tot een reactie.
Voorbeeld:
EFFECTOREN
fotoreceptoren verspreid over de
Bij mensen en dieren zijn het
Binnen de plant kan informatie
huid om de lichaamstemperatuur waar te nemen
zenuwstelsel en het hormonaal
stelsel de conductoren. Zij zorgen
voor de informatieoverdracht tussen receptor en effector.
De delen van mensen en dieren die
de reactie uitvoeren zijn spieren en klieren.
pr oe
fh o
voeren de reactie uit zodat organismen gepast op prikkels kunnen reageren
REACTIE
Actie als antwoord op de prikkel
48
THEMA 01
themasynthese
Voorbeeld:
koude- en warmtereceptoren in de
of d
brengen de informatie over
werken,
©
structuur die de prikkel herkent en opvangt
— chemische prikkels: prikkels ontstaan door stoffen die prikkelend
uk
RECEPTOREN
— inwendige prikkels: prikkels ontstaan in het organisme,
st
een waarneembare verandering in een organisme of de omgeving van het organisme die een reactie kan uitlokken
IN
• We maken een onderscheid tussen:
• Spieren bewegen als reactie op een prikkel.
• Klieren reageren op een prikkel door secretie.
oppervlakte van de plant, in stengels en bladeren om licht waar te nemen
worden doorgegeven tussen receptor en effector via signaalstoffen of
hormonen en elektrische signalen. Verschillende delen van een plant
kunnen functioneren als effector; dat kan zelfs een enkele cel zijn.
Als reactie op een prikkel komen bij planten twee soorten bewegingen voor.
• Een tropie: beweging veroorzaakt en gericht door een prikkel.
• Een nastie: beweging veroorzaakt
maar niet gericht door een prikkel.
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis • Ik kan omschrijven wat een prikkel is.
• Ik kan de termen prikkeldrempel, prikkelfilter en prikkelgewenning verklaren.
• Ik kan omschrijven wat een receptor is.
IN
• Ik kan de functie van een receptor beschrijven. • Ik kan omschrijven wat een effector is.
• Ik kan de functie van een effector beschrijven. • Ik kan omschrijven wat een conductor is.
N
• Ik kan de functie van conductoren beschrijven.
• Ik kan aantonen dat planten en dieren als systeem functioneren. • Ik kan illustreren wat een feedbacksysteem is.
VA
• Ik kan illustreren wat homeostase is.
• Ik kan de reactie op een prikkel bij planten benoemen en verklaren.
2 Onderzoeksvaardigheden
• Ik kan een hypothese formuleren.
• Ik kan een waarneming formuleren.
invullen bij je portfolio.
pr oe
fh o
of d
` Je kunt deze checklist ook op
st
• Ik kan een besluit formuleren.
uk
• Ik kan een waarneming interpreteren en verklaren.
©
• Ik kan omschrijven wat een regelsysteem is.
THEMA 01
CHECKLIST
49
CHECK IT OUT
Î Waarom heb ik dorst? 1 Tijdens de CHECK IN heb je ontdekt hoe je lichaam reageert op een tekort aan water. Je krijgt dorst en wilt drinken. Het lichaam reageert op verstoring van een evenwicht door bij te sturen. a Bekijk het schema.
Je gaat water drinken.
plassen
ademen sporten
spijsvertering …
waterverlies
uk
lopen
©
zweten
Je krijgt dorst.
VA
Het watergehalte in je lichaam daalt.
N
IN
b Wat is het nut van de bijsturing?
door
JAAR
JAAR
JAAR
lichaam stijgt. JAAR
JAAR
Hoe neemt je lichaam die prikkels waar?
fh o
3
of d
st
2 Welke prikkels kan je lichaam nog waarnemen? Geef enkele voorbeelden.
Het watergehalte in je
pr oe
4 Gebeurt de regeling altijd op dezelfde manier? Leg uit.
5 Wat is het nut van die regelsystemen?
!
Het tekort aan water in je lichaam wordt waargenomen door receptoren van het zenuwstelsel. Het signaal van het zenuwstelsel zet een regelsysteem in gang waardoor je dorst krijgt. Door te drinken wordt de watervoorraad in je lichaam weer op peil gebracht. 50
THEMA 01
check it out
AAN DE SLAG
1
Welke omschrijving beschrijft het best wat een prikkel is? Kruis het juiste antwoord aan.
een elektrisch signaal dat het organisme bereikt
een verandering waarop een organisme reageert
een verandering in het gedrag van het organisme een uitlokker van beweging bij een organisme
IN
Bekijk de foto’s en vul de tabel aan.
a Welke prikkel heeft een invloed op het organisme?
b Welke reactie lokt de prikkel uit bij het organisme?
Reactie op prikkel
N
Prikkel
©
VA
1
Hete kookpot aanraken
fh o
3
of d
Ogen beschermen tegen het zonlicht
st
uk
2
Zonnedauw
pr oe
2
THEMA 01
aan de slag
51
3
Juist of fout? Verbeter als dat nodig is.
a Een zintuig met een lage prikkeldrempel voor een bepaalde prikkel is weinig gevoelig voor die prikkel. JUIST / FOUT
IN
b De prikkeldrempel is de laagste intensiteit (sterkte van de prikkel) van een prikkel die nog net
waarneembaar is.
4
N
JUIST / FOUT
VA
Je komt de kleedkamer binnen na het sporten en je ruikt een muffe zweetgeur. Na het omkleden ruik je dat al
uk
5
©
niet meer. Verklaar.
Je bent een spannend boek aan het lezen op je kamer. Je moeder roept dat het tijd is om naar de zwemclub
fh o
6
of d
Verklaar.
st
te vertrekken. Plots komt ze boos binnen in je kamer. Je schrikt, je had haar helemaal niet horen roepen.
Is er in deze voorbeelden sprake van een reactie op een uitwendige of op een inwendige prikkel? Zet een Voorbeeld
pr oe
kruisje in de juiste kolom.
a Het is tropisch warm en je begint te zweten.
b Een baby die honger heeft, begint te huilen.
c Iemand klopt op de deur en je roept: ‘Binnen!’
d Sprinkhaanwijfjes vliegen tegen de luidspreker die
het gesjirp van mannetjes uitzendt.
e Je hebt dorst en je wilt drinken.
f Een brandweerman loopt naar zijn wagen als
hij de sirene hoort.
g Je hebt koorts en je begint te rillen. 52
h Je eet een zuurtje en je trekt een vies gezicht.
THEMA 01
aan de slag
Reactie op een uitwendige prikkel
Reactie op een inwendige prikkel
7
Duid aan of het om een chemische prikkel of een fysische prikkel gaat. Voorbeeld van een prikkel
Chemisch
Fysisch
a Je ruikt koffie.
b Een stukje papier valt op je hand.
IN
c Je ogen raken geïrriteerd door rook.
d Een stukje heerlijke chocolade smelt op je tong. f Je moet naar het toilet.
VA
N
e Zonnebloemen groeien naar het licht.
g Je hoort een vrolijk liedje en je begint spontaan te dansen. h De bladeren van de eik vallen af tijdens de herfst.
uk
st
Vul de tabel aan. Noteer bij elke situatie:
of d
• de prikkel,
• de receptor die de prikkel waarneemt en zijn ligging, • de reactie op de prikkel, • de effector.
Prikkel
Receptor
Reactie
Effector
Je morst hete soep op je vingers.
pr oe
9
Wat is het verschil tussen een receptor en een effector?
fh o
8
Je bijt in een stukje citroen en je trekt een zuur gezicht.
©
i
Je ruikt
versgebakken wafels.
Je kijkt in de flits van een camera.
THEMA 01
aan de slag
53
10
Welke soorten reacties op prikkels ken je? 1 Verbind.
a Verbind de voorbeelden van bewegingen met de juiste benaming van de reactie op de prikkel. b Verbind vervolgens de beweging met de juiste omschrijving. Voorbeeld bewegingen
Benaming reactie
Omschrijving beweging
• De radijsjes groeien naar het licht.
• Het kruidje-roer-mij-niet vouwt zijn
tropie
blaadjes dicht bij aanraking.
IN
op prikkel beweging veroorzaakt
door en gericht naar de
• De paardenbloem gaat open als het licht is. • De venusvliegenval klapt dicht
nastie
beweging veroorzaakt
door maar niet gericht
VA
bij aanraking van een vlieg.
N
prikkel
naar de prikkel
• De bonenplant windt zich rond een stok.
©
2 Krokussen openen zich in de warmte en sluiten zich in de kou. a Is dit een tropie of een nastie?
b Zoek het juiste voorvoegsel voor het openen en sluiten als reactie op de prikkel ‘temperatuur’. Tip: Denk aan het Griekse woordje voor ‘warm’ of ‘heet’.
pr oe
fh o
of d
st
uk
54
THEMA 01
aan de slag
Afb. 13 Krokussen openen zich in de warmte en sluiten zich in de kou.
11
Benoem de opeenvolgende processen van het regelsysteem in het volgende voorbeeld:
Atleten van de 100 m sprint schieten uit de startblokken zodra ze het startschot horen. Hun spieren komen in actie door signalen die van de hersenen komen. Die hebben informatie ontvangen van de oren.
IN
prikkel
N
receptor
VA
conductor
©
effector
st
12
uk
reactie
Benoem de opeenvolgende processen van het regelsysteem in het volgende voorbeeld:
Regenwormen hebben fotoreceptoren in hun huid. Ze kunnen geen beelden zien, maar wel de lichtintensiteit
of d
waarnemen. Regenwormen verkiezen een donkere omgeving, ze leven onder de grond. Bij belichting kruipen ze van het licht weg.
Voorbeeld
fh o
prikkel
Prikkel
receptor
conductor
pr oe
effector reactie
13
Het is vandaag een spannende dag in de les LO. De looptest wordt afgenomen. Je hebt hard getraind de
voorbije periode. Samen met je klasgenoten sta je aan de startlijn. Bespreek het regelsysteem in je lichaam dat ervoor zal zorgen dat jij jouw beste prestatie kunt neerzetten.
THEMA 01
aan de slag
55
14
Noteer het juiste antwoord.
a Waarom zijn regelsystemen in ons lichaam nodig?
15
IN
b Welke twee stelsels beantwoorden aan de taak van een regelsysteem?
Juist of fout? Verklaar.
Homeostase is het vermogen van de mens om bijvoorbeeld de lichaamstemperatuur in het inwendig milieu
N
constant te houden.
©
Bekijk de afbeelding.
fh o
of d
st
uk
16
VA
JUIST / FOUT
a Duid op beide figuren aan waar de lichtbron zich bevindt.
pr oe
b Duid aan waar in beide situaties auxine wordt aangemaakt. c Welk gevolg heeft auxine voor de cellen van de stengel? d Wat is het gevolg voor de plant?
Verder oefenen? Ga naar
56
THEMA 01
aan de slag
.
IN
HOE NEMEN MENSEN EN ANDERE DIEREN LICHTPRIKKELS WAAR?
THEMA 02
CHECK IN
58
VERKEN
N
Hoe nemen mensen en andere dieren lichtprikkels waar? 61 1.1 Wat is licht? 1.2 Hoe is het oog opgebouwd?
VA
`
59
61
64 A Welke structuren liggen rond het oog? 64 B Welke structuren liggen in het oog? 69
©
st
A B C D E
74 Hoe regelt het oog de hoeveelheid doorgelaten licht? 74 Op welke manier wordt het beeld in het oog gevormd? 77 Hoe zorgt het oog voor een scherp beeld? 81 Waar liggen de fotoreceptoren en hoe zijn ze opgebouwd? 83 Hoe worden lichtprikkels verwerkt? 88
uk
1.3 Hoe werkt het oog?
91
1.5 Hoe nemen andere dieren lichtprikkels waar?
94
of d
1.4 Wat als de werking van het oog verstoord is? THEMASYNTHESE
101
CHECKLIST
105
fh o
PORTFOLIO
CHECK IT OUT
106
AAN DE SLAG
107
pr oe
OEFEN OP DIDDIT
Hoe nemen mensen en andere dieren geluid waar? Hoe nemen mensen en andere dieren gevoelsprikkels waar? Hoe nemen mensen en andere dieren geurprikkels waar? Hoe nemen mensen en andere dieren smaakprikkels waar? Hoe bewaren mensen en andere dieren hun evenwicht?
57
CHECK IN
Î Er zit iets in mijn oog Uitdaging! Ontdek hoe je lichaam reageert als het in aanraking komt
IN
met prikkelende stoffen. WAT HEB JE NODIG?
VA
N
ui snijmesje snijplank
HOE GA JE TE WERK?
1 Je legt de ui op een plankje.
2 Je snijdt de ui in kleine stukjes.
uk
©
WAT GEBEURT ER?
a Wat is de prikkel?
of d
b Waar bevindt zich de receptor?
st
HOE ZIT DAT?
fh o
c Wat is de effector?
WEETJE Wil je meer weten
waarom je lichaam zo reageert?
Scan de QR-code en lees het hier!
d Hoe reageert je lichaam?
pr oe
e Welk nut heeft die reactie?
`
Welke prikkels kan je lichaam waarnemen?
`
Hoe neemt je lichaam prikkels waar?
`
Waar in je lichaam bevinden zich receptoren om prikkels waar te nemen?
`
Hoe verwerkt je lichaam die prikkels?
We zoeken het uit!
58
THEMA 02
check in
WEETJE UIEN
?
VERKEN
Î Welke prikkels kan je lichaam waarnemen? OPDRACHT 1
IN
In thema 1 maakte je kennis met de thermoreceptoren in de huid. Die receptoren nemen temperatuurverschillen waar. Er zijn nog veel andere prikkels, maar kan de mens ook elk van die prikkels waarnemen?
N
1 Noteer bij elke foto de gepaste prikkel. Kies uit:
beweging/positie – druk – elektrisch veld – geluid – geurstoffen – licht – magnetisch veld – pijn – 2 Is het een prikkel die mensen kunnen waarnemen? Kruis aan. 2
3
N
W
zw
O zo
Z
st
uk
©
no
nw
1
VA
smaakstoffen – temperatuurverschil – zwaartekracht
Nemen mensen de prikkel waar?
neen
ja
5
6
neen
neen
pr oe
fh o
4
ja
of d
ja
ja
neen
Nemen mensen de prikkel waar? ja
neen
ja
neen
THEMA 02
verken
59
8
9
Nemen mensen de prikkel waar? ja
ja
ja
neen
neen
N
neen
IN
7
VA
OPDRACHT 2
Door welke zintuigen worden de onderstaande prikkels waargenomen? 1 Noteer in de tabel.
Zintuig
geluid en beweging/positie geurstoffen
smaakstoffen
of d
druk, temperatuurverschil, pijn
st
licht
uk
©
Waargenomen prikkel
2 Wat moeten de zintuigen bevatten om de prikkels te kunnen waarnemen?
fh o
OPDRACHT 3
Je kon vaststellen dat je lichaam gevoelig is voor heel wat prikkels en je legde de link tussen waargenomen prikkels, receptoren en zintuigen.
pr oe
1 Beeld je in dat je buikkrampen en diarree hebt. Waar liggen de receptoren voor die pijnprikkel?
2 Vergelijk de ligging van die receptoren met de ligging van de receptoren in opdracht 2. Vink de juiste stelling aan.
De receptoren liggen altijd in een zintuig.
De receptoren liggen meestal in een zintuig.
De receptoren liggen nooit in een zintuig.
3 Voor welke prikkels uit opdracht 1 hebben mensen geen receptoren?
4 Vul de zin aan. Organismen zijn gevoelig voor prikkels als ze beschikken over specifieke 60
Die geleiden de informatie naar het zenuwstelsel zodat het lichaam gepast kan reageren.
THEMA 02
verken
.
IN
Î Hoe nemen mensen en andere dieren lichtprikkels waar?
N
LEERDOELEN
M dat organismen beschikken over receptoren om prikkels waar te nemen;
het lichaam.
Je leert nu:
M wat het belang is van lichtbreking voor het oog;
©
M dat conductoren zorgen voor het geleiden van informatie in
VA
Je weet al:
opvangen en de informatie daarover
uk
M de structuren rond en in het oog aanduiden en benoemen;
Je leerde dat receptoren prikkels
M de functies van de structuren rond en in het oog beschrijven;
M in eigen woorden uitleggen hoe lichtstralen zich door het oog
st
verplaatsen en een scherp beeld vormen;
M de delen van het netvlies benoemen en de rol van de
of d
fotoreceptoren beschrijven;
M uitleggen hoe de hersenen een rol spelen in de vorming van het beeld;
M hoe de werking van het oog verstoord kan worden;
fh o
M aan de hand van enkele voorbeelden uitleggen hoe de ogen
pr oe
van andere dieren aan hun leefwijze zijn aangepast.
naar het zenuwstelsel geleiden. We bekijken nu hoe onze ogen
lichtprikkels opvangen en informatie naar het zenuwstelsel geleiden. Je ziet hier twee keer dezelfde
boterbloem. De linkse afbeelding
toont hoe mensen de bloem zien, de rechtse bloem is door insectenogen
waargenomen. De natuur ziet er dus niet voor alle dieren hetzelfde uit.
Hoe kunnen we dat verklaren? Hoe
bepalen de bouw en de werking van
het oog wat we waarnemen en hoe we dat zien?
1.1 Wat is licht?
golflengte
Afb. 14 Voorstelling van een golflengte
Om te achterhalen hoe het beeld in je oog gevormd wordt, is het belangrijk om te weten wat licht is en hoe het licht in je oog binnenvalt.
De lichtprikkels die organismen waarnemen noemen we zichtbaar licht. • Zichtbaar licht is een straling die je met je ogen kunt waarnemen. • Straling is het uitzenden van energie als golven. • De golfbeweging heeft een golflengte.
• De golflengte is de afstand tussen de opeenvolgende toppen van de golf. THEMA 02
hoofdstuk 1
61
OPDRACHT 4
ONDERZOEK
Onderzoek de eigenschappen van licht aan de hand van Labo 1 op p. 113.
Licht plant zich langs een rechte weg voort. We stellen licht dan ook voor als lijn voortplant. Zo’n lijn noemen we een lichtstraal.
IN
een rechte lijn. Met een pijl geven we aan in welke zin het licht zich op die Lichtstralen kunnen door verschillende stoffen gaan. Een potlood kun
je bijvoorbeeld zien door de lucht maar ook door het water. We noemen
N
water en lucht een middenstof. Bij de overgang van de ene naar de andere
VA
middenstof kan de straal ‘gebroken’ worden. We noemen dat de lichtbreking.
Afb. 16 absorberen doorlaten Breking van lichtstraal door een
of d
st
uk
©
middenstof
pr oe
fh o
Afb. 15 Door het water in het glas lijkt het potlood ‘gebroken’.
62
THEMA 02
hoofdstuk 1
TIP Voor een goed begrip van de lichtbreking, kun je er in de lessen fysica dieper op ingaan. Je kunt ook altijd meer ontdekken via de applet.
APPLET LICHTBREKING
Als het regent terwijl de zon schijnt, kun je soms een regenboog zien. De waterdruppels breken het zonlicht, waarbij dat ontbonden wordt in alle kleuren waaruit het zonlicht is samengesteld.
700 nm
IN
400 nm
Het licht van de zon of van een lamp noemen we wit licht. Wit licht
bestaat uit alle zichtbare kleuren. We noemen die waaier van kleuren het
N
kleurenspectrum, met als hoofdkleuren rood, oranje, geel, groen, blauw, indigo en violet. Elke kleur komt overeen met een bepaalde golflengte.
Zichtbaar licht bestaat uit verschillende golven met golflengtes van ongeveer
st
uk
©
VA
400 tot 700 nm (1 nanometer = 1 nm = 0,000 000 001 m = 10-9 m).
of d
Afb. 17 Zichtbaar licht bestaat uit verschillende golven.
pr oe
fh o
Hoe krijgt een voorwerp dan zijn kleur?
wit licht
Afb. 18 Je ziet het voorwerp als 'geel'.
wit licht
Je kon al ontdekken dat wit licht uit meerdere golflengtes bestaat, waarbij elke golflengte zijn eigen kleur heeft. Voorwerpen zijn opgebouwd uit
verschillende stoffen, en niet alle stoffen absorberen dezelfde golflengtes of
kleuren van het licht. Kleuren die geabsorbeerd worden zie je niet, de andere worden teruggekaatst en kun je dus wel waarnemen. Een voorwerp heeft dus
de kleur van de golflengte die weerkaatst wordt. Een wit voorwerp weerkaatst alle kleuren, een zwart voorwerp weerkaatst geen enkele kleur. Je ziet daarvan een illustratie op de afbeeldingen 18 t/m 21.
Afb. 19 Je ziet het voorwerp als 'rood'.
wit licht
Afb. 20 Je ziet het voorwerp als 'wit'.
wit licht
Afb. 21 Je ziet het voorwerp als 'zwart'.
THEMA 02
hoofdstuk 1
63
OPDRACHT 5
Bekijk de afbeelding. 1 Welke lichtkleur wordt door de rode stoel weerkaatst?
N
IN
2 Welke lichtkleur wordt door de gele stoel geabsorbeerd?
VA
Licht bestaat uit golven die zich langs een rechte weg voortplanten. Wanneer licht door een andere middenstof gaat, worden de stralen gebroken. Dat noemen we de lichtbreking.
Wit licht is opgebouwd uit meerdere golflengtes. Elke golflengte heeft
©
een bepaalde kleur.
Voorwerpen krijgen de kleur van de golflengte die ze niet absorberen.
uk
Enkel golflengtes die weerkaatst worden, kunnen namelijk door
onze ogen worden opgevangen. Daardoor zie je een voorwerp in een
st
bepaalde kleur.
Welke structuren liggen rond het oog?
fh o
A
of d
1.2 Hoe is het oog opgebouwd?
OPDRACHT 6
pr oe
Bekijk bij je buur de ligging van het oog en de structuren die je er rondom ziet liggen. 1 Duid op de afbeelding de volgende delen aan. Kies uit:
64
THEMA 02
hoofdstuk 1
oogleden – wimpers – wenkbrauw
2 Kijk gedurende een minuut in de ogen van je buur en tel hoeveel keer hij met de ogen knippert.
3 Welke functie hebben de delen van het oog in de tabel? Delen
Functie
oogleden wimpers
N
IN
wenkbrauwen
4 Je kon al eerder ontdekken dat een prikkelende stof, die bijvoorbeeld vrijkomt bij het snijden van een
©
VA
ui, je laat huilen. Wat is in dat geval de functie van het traanvocht?
WEETJE
uk
Bij verschillende dieren, zoals
derde ooglid of knipvlies voor.
Dat knipvlies beweegt horizontaal over de oogbol. Het biedt extra
st
reptielen en vogels, komt er een
bescherming en kan werken als een
of d
zonnebril of een duikbril. Bij mensen is een overblijfsel van dat vlies
pr oe
fh o
zichtbaar als een doorschijnend vliesje in de ooghoeken. Je ogen zijn belangrijke maar kwetsbare organen. Ze worden ter bescherming
door meerdere bijbehorende structuren omgeven. Op afbeelding 22 zie je die omgevende structuren.
traanklier bindvlies
oogspieren
wimpers vetweefsel hoornvlies
ooglid
oogspieren Afb. 22 Structuren rond het oog
oogkas
THEMA 02
hoofdstuk 1
65
A Wenkbrauwen Op de huid boven de ogen staan de wenkbrauwen. De haren van de
wenkbrauwen zijn dik en staan zo ingeplant dat ze naar opzij wijzen. Zo
verhinderen ze dat water en zweet van het voorhoofd rechtstreeks in de ogen lopen.
B Oogleden en wimpers
IN
De oogleden zijn huidplooien boven en onder de ogen. Aan de binnenste en
aan de buitenste ooghoek komen de oogleden samen. Door met je oogleden te knipperen, blijven de ogen vochtig en worden ze beschermd tegen licht, onbewust; we spreken van de lidslagreflex.
N
stof en verontreiniging. Het knipperen met je ogen gebeurt ongewild en vaak Op de randen van de oogleden staan wimpers ingeplant. Wimpers
VA
voorkomen dat deeltjes zoals stof of insecten tegen het oogoppervlak
belanden. Je kunt ze ook als een filtertje gebruiken om te sterk licht af te weren.
©
C Traanklieren
uk
wimpers
st
traanklieren
traankanaaltje
traanpunten
afvoerbuisje
of d
ooglid
traanzakje
wimpers ooglid
traanbuisje
neusholte
pr oe
fh o
Afb. 23 Ligging van de traanklieren
Boven de buitenhoek van het oog liggen de traanklieren. Traanklieren
produceren traanvocht. Dat is een zoute vloeistof die het oog vochtig houdt
en de wrijving van de oogleden vermindert. Traanvocht bevat bovendien een stof die bacteriën doodt. Op die manier is het oog bijkomend beschermd tegen infecties.
Traanvocht voert eventuele onzuiverheden af via de traanpunten. Dat zijn twee kleine gaatjes in de zachte massa in de binnenhoek van het oog. De traanpunten zijn de openingen van de traanzakjes, die de tranen verder
geleiden naar traanbuisjes die in de neusholte uitmonden. Samen vormen ze het traanapparaat.
Buiten het traanapparaat zitten er ook klieren in de zachte massa van de binnenooghoek. Ze scheiden dikke, olieachtige slijmen af, met een
beschermende functie. Omdat er ’s nachts wat minder traanvocht is en
wat meer van die olieachtige stof heb je ’s morgens soms een opgedroogd 66
THEMA 02
hoofdstuk 1
korreltje in je ooghoeken. In de volksmond spreken we over ‘slapertjes’.
D Oogkas en vetweefsel De ogen liggen stevig beschermd in je oogkassen en rond de oogbol ligt
vetweefsel. Dat vetweefsel houdt het oog op zijn plaats en beschermt samen met de oogkas tegen schokken en stoten.
E Bindvlies
Zowel de binnenkant van de oogleden als het witte gedeelte van het oog
IN
is bedekt met doorzichtig bindvlies. Dat bindvlies vormt een stevige schil
rond het oog en produceert slijmerig vocht om het oog te beschermen. Het bindvlies ontstoken is, kleurt het oogwit rood.
F Talgklieren
Afb. 24 Ontstoken bindvlies
N
traanvocht voorziet het bindvlies van voedingsstoffen en zuurstofgas. Als het
Aan de rand van de oogleden, tussen de inplantingen van de wimpers, zitten
VA
grote talgklieren. Ze geven een vetrijke stof af als bescherming van de huid.
Dat voorkomt dat de oogleden aan elkaar kleven. Door de vettige talg zal het traanvocht de randen van de oogleden niet week maken. Soms verstopt zo’n
G Spieren
©
klier en kan de talg er niet meer uit. Er ontstaat dan een bultje. Het oog is omgeven door spieren met meerdere functies:
uk
• een ooglidopheffer voor het openen van het bovenste ooglid.
Het onderste ooglid valt open onder invloed van de zwaartekracht. Er is
Afb. 25 Ontstoken talgklier
dus geen spier nodig om het onderste ooglid naar beneden te halen;
• zes oogspieren zijn verbonden met het oog om het in de oogkas naar alle
st
kanten te kunnen bewegen:
— vier rechte spieren om het oog omhoog, omlaag, naar links en naar rechts te draaien;
of d
— twee schuine spieren om schuin naar boven en naar beneden te
pr oe
fh o
kijken.
ooglidopheffer
bovenste schuine oogspier bovenste rechte oogspier
onderste schuine oogspier
onderste rechte oogspier
oogkas
buitenste rechte oogspier binnenste rechte oogspier Afb. 26 Oogspieren
THEMA 02
hoofdstuk 1
67
OPDRACHT 7 DOORDENKER
Verklaar de onderstaande stelling.
IN
Als je moet huilen, snottert je neus.
N
OPDRACHT 8
VA
Verken de ontdekplaat.
BEKIJK DE ONTDEKPLAAT
uk
©
Bestudeer de onderdelen rond het oog en hun functies verder in detail.
Je oog is aan de buitenkant omgeven door verschillende delen die het oog op zijn plaats houden en voor bescherming zorgen.
st
• Wenkbrauwen vermijden dat water en zweet in het oog lopen.
• Oogleden beschermen tegen stof en fel licht en verspreiden het
of d
traanvocht.
• Wimpers zorgen ervoor dat er geen stofdeeltjes in je oog komen.
• Traanvocht beschermt het oog tegen uitdrogen en infecties en voert
pr oe
fh o
eventuele verontreinigingen af naar de neusholte via traanpunten,
68
THEMA 02
hoofdstuk 1
traanzakjes en traanbuisjes aan de binnenzijde van het oog.
• Tegen de neus bevindt zich een zachte massa met klieren die een olieachtige vloeistof afscheiden om de ogen te beschermen.
• De oogbol ligt in een stevige oogkas en is omringd door vetweefsel, dat eventuele schokken en stoten opvangt.
• Het bindvlies beschermt het oog en produceert een slijmerige vloeistof die het oog vochtig houdt.
• Talgklieren rond het oog scheiden stoffen af die de huid rond het oog beschermen.
• Spieren helpen om de ogen te bewegen en de oogleden te openen en te sluiten.
` Maak oefening 1 en 2.
B
Welke structuren liggen in het oog?
Je hebt nu bestudeerd hoe het oog zich binnen de oogkas situeert en welke
structuren er aan de buitenkant zichtbaar zijn. Om te begrijpen hoe het oog licht opvangt, kun je het ontleden om het aan de binnenkant te bekijken.
Daarvoor kan een dissectie van het oog uitgevoerd worden: het oog wordt uit ONDERZOEK
IN
OPDRACHT 9
elkaar gehaald of ontleed.
Je kunt de dissectie van het oog uitvoeren. Zie Labo 2 op p. 115. Wil je de dissectie nog eens herbekijken, ga dan naar de ontdekplaat of bekijk de video.
N
Voer de dissectie van het oog uit.
BEKIJK DE VIDEO
VA
BEKIJK DE ONTDEKPLAAT
©
Een oog is bijna bolvormig. Het oogwit of het harde oogvlies (1) vormt de
buitenste, stevige begrenzing van het oog. Dat loopt helemaal rond het oog.
uk
Aan de voorzijde van het oog gaat het harde oogvlies over in het
hoornvlies (2). Dat is helder en doorschijnend. Het is erg dik en taai omdat het uit meerdere lagen bestaat. Daardoor is het hoornvlies extra stevig en
wordt het binnenste van het oog goed beschermd. Als je goed kijkt naar het
st
profiel van het oog hieronder zie je dat het hoornvlies wat uitpuilt; het is net
pr oe
fh o
of d
iets sterker gekromd dan het harde oogvlies.
1 hard oogvlies 2 hoornvlies Afb. 27 Zijaanzicht van het oog
In de ruimte achter het hoornvlies, de oogkamer (3), bevindt zich een
waterige vloeistof. Die vloeistof levert voedingsstoffen aan het hoornvlies. De iris of het regenboogvlies (4) is het gekleurde deel van het oog en ligt achter het hoornvlies. Afhankelijk van de hoeveelheid pigment is de iris
donkerder of lichter gekleurd. Bij weinig pigment is de iris blauw of grijs.
In het midden van de iris bevindt zich een opening waarlangs het licht het oog binnendringt. Dat is de pupil (5), je ziet die als een zwarte ronde vlek. De iris verdeelt de oogkamer in twee delen: de voorste oogkamer en de
achterste oogkamer. Aan de zijkanten loopt de iris door in het vaatvlies (6), dat tegen de binnenkant van het harde oogvlies ligt. Het is sterk doorbloed en zorgt voor aan- en afvoer van allerlei stoffen.
THEMA 02
hoofdstuk 1
69
Achter de iris zit een bolle ooglens (7). De lens zorgt voor de vorming van een beeld in het oog.
12 glasachtig lichaam
3D 9 straallichaam
IN
13 netvlies
4 iris 3 oogkamer 7 ooglens 5 pupil 2 hoornvlies 8 lensbandjes 11 oogholte
6 vaatvlies 1 hard oogvlies
N
14 gele vlek
16 blinde vlek
VA
15 oogzenuw 17 bloedvaten
©
10 accommodatiespier
uk
Afb. 28 Dwarsdoorsnede van het oog
De lens is met lensbandjes (8) opgehangen aan het straallichaam (9). In
het straallichaam zit de accommodatiespier (10), die een rol speelt in de
st
scherpstelling van het oog.
Het deel achter de lens is de oogholte (11). Daarin zit een heldere,
gelatineuze vloeistof. Dat is het glasvocht of glasachtig lichaam (12). Het
of d
reguleert de druk in de oogbol zodat het netvlies strak blijft en het oog zijn
pr oe
fh o
vorm behoudt. Daardoor kan het gemakkelijk in de oogkas bewegen.
70
THEMA 02
hoofdstuk 1
Op het vaatvlies, tegen het glasachtig lichaam, ligt het netvlies of de
retina (13). Licht dat door de lens valt, komt op het netvlies terecht. Het centrale gedeelte noemen we de gele vlek (14). Hier wordt het beeld
gevormd. De lichtgevoelige cellen van het netvlies reageren op het invallend licht. Het zijn de fotoreceptoren: zij vangen de lichtprikkels op en geven een signaal of impuls door naar naburige zenuwcellen.
Uitlopers van die zenuwcellen vormen samen de oogzenuw (15). Langs die zenuw worden de opgewekte signalen naar de hersenen vervoerd. Op de plaats waar de oogzenuw naar buiten treedt, kunnen geen
lichtreceptoren zitten. Het oog vangt daar dus geen licht op. Dat is de blinde vlek (16). Het netvlies bevat naast receptoren ook bloedvaten (17) die de
verschillende cellen van voedingsstoffen voorzien. De bloedvaten komen het netvlies binnen ter hoogte van de blinde vlek.
OPDRACHT 10
ONDERZOEK
Hoe kun je de aanwezigheid van de blinde vlek gewaarworden? 1 Werkwijze • Knijp je rechteroog dicht.
• Fixeer het kruisje met je rechteroog.
• Je ziet het bolletje ook, maar minder scherp.
N
• Breng je blad langzaam dichter bij je linkeroog terwijl je het kruisje blijft fixeren.
IN
• Houd je leerschrift verticaal met de armen gestrekt zo ver mogelijk voor je uit.
fh o
of d
3 Verklaar je waarneming.
st
2 Wat stel je vast?
uk
©
VA
+
pr oe
+
netvlies oogzenuw
+
blinde vlek
THEMA 02
hoofdstuk 1
71
WEETJE In de iris kunnen korrels van het donkerbruin pigment melanine
voorkomen. Die pigmenten absorberen het licht dat op de iris valt.
Hoe meer pigmenten, hoe meer licht er geabsorbeerd wordt en hoe donkerder de kleur van de iris. De iris van mensen met zeer veel pigmenten krijgt een bruine tot bijna zwarte kleur.
In groene irissen zitten minder pigmenten. Slechts een deel van het
IN
licht dat op de iris valt, wordt door de pigmenten geabsorbeerd, vooral het blauwe licht wordt teruggekaatst. Door de combinatie van bruin
(door de pigmenten) en blauw (door de terugkaatsing van licht) zien wij de iris groen. Mensen met blauwe ogen hebben geen pigmentkorrels.
N
Al het licht dat in het oog invalt wordt verspreid, waardoor een blauwe
st
uk
©
VA
kleur ontstaat.
Bij het ontleden van het oog kun je meerdere structuren onderscheiden: • Een hard oogvlies omringt het oog aan de buitenkant.
of d
• Het hoornvlies is het doorzichtige deel vooraan.
• De iris is het gekleurde deel dat achter het hoornvlies is gesitueerd.
De iris loopt door in het vaatvlies. Het vaatvlies is een laag die sterk
pr oe
fh o
doorbloed is.
72
THEMA 02
hoofdstuk 1
• De pupil is een opening in de iris waar het licht door naar binnen
valt. De iris verdeelt de oogkamer in twee delen, de voorste en de achterste oogkamer. De achterste oogkamer bevat een lens.
• Het netvlies ligt meer naar de achterkant van het oog. Dat is het deel dat de fotoreceptoren bevat. Fotoreceptoren vangen lichtprikkels op en sturen signalen naar de hersenen.
• Het glasachtig lichaam in de oogholte regelt de druk in het oog en duwt het netvlies tegen het vaatvlies.
• De blinde vlek is de plaats waar de oogzenuw door het netvlies naar buiten loopt. Het netvlies bevat op die plaats geen fotoreceptoren.
` Maak oefening 3 en 4.
OPDRACHT 11
Lees de onderstaande beschrijvingen van de structuren van het oog. 1 Vul de benaming in bij de juiste beschrijving. Beschrijving
Structuur van het oog
IN
a Zorgt voor de juiste druk in het oog.
b Voorziet het hoornvlies van voedingsstoffen.
N
c Opening waarlangs het licht in het oog binnendringt.
VA
d Produceert vocht dat het oog beschermt tegen infecties.
en afvoer van stoffen.
f Vervoert informatie vanuit het oog naar g Zorgt voor de beeldvorming.
h Bevat lichtgevoelige receptoren.
Hard omhulsel dat het oog goed beschermt.
st
i
uk
de hersenen.
©
e Bevat veel bloedvaten en zorgt voor aan-
pr oe
fh o
of d
2 Noteer de nummers uit de tabel bij de overeenkomstige structuur op de afbeelding.
Afb. 29 Doorsnede oog
THEMA 02
hoofdstuk 1
73
1.3 Hoe werkt het oog?
IN
Hoe regelt het oog de hoeveelheid doorgelaten licht?
A
OPDRACHT 12 ONDERZOEK
Hoe regelt het oog de hoeveelheid doorgelaten licht?
• Als er weinig licht is,
3
Benodigdheden
4
Werkwijze
of d
1 Werk per twee.
uk
• Als er te veel licht is,
©
Hypothese
st
2
Onderzoeksvraag
VA
1
N
Je kent het wel: niets is vervelender dan ’s morgens door fel licht wakker worden. Maar hoe reageren je ogen daarop?
2 Sta bij het raam of een andere lichtbron. 3 Bekijk de grootte van elkaars pupil.
4 Bedek met je handen je ogen gedurende een minuut.
fh o
5 Haal je handen weg en bekijk onmiddellijk elkaars pupillen.
5
Waarneming
pr oe
a Hoe noemen we het gekleurde deel van het oog? b Hoe ziet de pupil eruit wanneer je bij het raam staat? c Hoe ziet de pupil eruit wanneer je je ogen afgedekt hebt?
74
THEMA 02
hoofdstuk 1
.
.
6
Verwerking a Schrap wat niet past.
• Bij fel licht verkleint / vergroot de pupil.
• Bij minder licht verkleint / vergroot de pupil.
IN
b Waarom verkleint de pupil bij fel licht?
Besluit
VA
7
N
c Heb jij het verkleinen en vergroten van de pupil zelf onder controle?
De grootte van de pupil Reflectie
uk
a Vergelijk je hypothese met je besluit.
©
8
.
b Kon je het vergroten en verkleinen van de pupil goed waarnemen?
st
ja neen
pr oe
fh o
of d
c Als dat niet lukte, hoe kun je dat vergroten en verkleinen beter waarnemen?
De diameter van de pupil wordt geregeld door spieren in de iris. Die spieren liggen rond de pupil in twee groepen.
• Kringspieren liggen in kringen rond de pupil.
Kringspieren trekken samen om de binnenkant van je oog te beschermen tegen te veel licht. Zo zorgen ze ervoor dat de diameter van de pupil kleiner wordt.
• Straalspieren lopen in de iris straalsgewijs weg van de pupil.
Straalspieren trekken samen om bij lagere lichtintensiteiten toch
voldoende licht in je oog te laten vallen, zodat je voorwerpen goed
kunt waarnemen. Door het samentrekken van de straalspieren wordt de diameter van de pupil groter.
De aanpassing van de pupildiameter gebeurt onbewust, als een reactie op de lichtintensiteit. Je hebt die reactie niet onder controle. We noemen die reactie de pupilreflex.
THEMA 02
hoofdstuk 1
75
invallend licht
pupil
iris
kringspieren
IN
straalspieren
Afb. Als 31 de hoeveelheid invallend licht Als de hoeveelheid invallend licht toeneemt, trekken de kringspieren toeneemt, trekken de kringspieren samen samen en wordt de pupilopening en wordt de pupilopening kleiner. kleiner.
uk
WEETJE
©
VA
N
Afb. Als de30hoeveelheid binnenvallend licht Als de hoeveelheid binnenvallend licht afneemt, worden de straalspieren korter en afneemt, worden de straalspieren korter trekken open. en trekkenze zede depupilopening pupilopening open.
Uit onderzoek blijkt dat mensen
met grote pupillen aantrekkelijker worden gevonden. Daar werd
st
al in de oudheid op ingespeeld:
atropine, een zeer giftige stof uit het sap van de plant belladonna
of d
(wat ‘mooie vrouw’ betekent),
werd door jonge meisjes in de
pr oe
fh o
ogen gedruppeld om de pupillen
te vergroten en er aantrekkelijker uit te zien. Nog steeds gebruiken
oogartsen atropine om het netvlies in je oog grondig te bestuderen.
Het is belangrijk dat het netvlies wordt beschermd tegen een te hoge lichtintensiteit. Tegelijkertijd moet er voldoende licht zijn om een duidelijk beeld van voorwerpen te verkrijgen.
Via de pupilreflex regelt de iris de hoeveelheid licht die er in het oog
wordt toegelaten. Dat gebeurt door het ontspannen of samentrekken van de irisspieren:
• bij weinig licht trekken de straalspieren samen en wordt de pupil groter;
• bij veel licht trekken de kringspieren samen en wordt de pupil kleiner.
` Maak oefening 5 en 6.
76
THEMA 02
hoofdstuk 1
B
Op welke manier wordt het beeld in het oog gevormd?
Het licht dat je oog binnenvalt, moet door het kleine gaatje van de pupil. Hoe zit het dan met de lichtstralen van een grote boom die door die kleine pupil moeten? We illustreren dat aan de hand van een camera obscura. In een
camera obscura lopen namelijk de lichtstralen van een voorwerp doorheen op het scherm gevormd.
scherm
VA
gaatje in de doos
N
doos
IN
een gaatje in de donkere doos. Er wordt een omgekeerd en verkleind beeld
©
lichtstralen
Afb. 33 Camera obscura
uk
Afb. 32 Hoe vallen lichtstralen in het oog?
omgekeerd en verkleind beeld
st
OPDRACHT 13
Ook de grootte van het gaatje van de camera obscura heeft een invloed op het beeld.
pr oe
fh o
of d
Bekijk de figuur en schrap wat niet past.
Hoe groter het gaatje, hoe minder scherp / scherper het beeld.
Als het gaatje te klein / te groot is, zijn er heel weinig lichtstralen die tot op het scherm geraken en mee
het beeld vormen. We kunnen dat verbeteren door het gaatje kleiner / groter te maken, maar dan zal het beeld minder scherp of waziger worden.
THEMA 02
hoofdstuk 1
77
OPDRACHT 14
Komt de beeldvorming in je oog overeen met de beeldvorming van de camera obscura?
1
2 1 23
4
5
VA
5
4
N
3
IN
1 Noteer door welke delen van het oog een lichtstraal gaat. Doe dat aan de hand van de figuur.
Afb. 34
©
2 Wat is het grootste verschil in de manier van beeldvorming tussen de camera obscura en het oog?
uk
3 Welke functie heeft de lens in je oog?
4 Bij de dissectie van het oog heb je duidelijk de ooglens kunnen bestuderen. Is de ooglens een holle of
of d
st
een bolle lens?
OPDRACHT 15 ONDERZOEK
fh o
Welke invloed heeft een bolle lens op de richting van de lichtstralen? 1
Hoe wordt het beeld door een bolle lens gevormd? Hypothese
pr oe
2
Onderzoeksvraag
Formuleer een hypothese.
3
Benodigdheden
klein stukje papier (7 x 4 cm) reageerbuis met stop 50 ml water
78
THEMA 02
hoofdstuk 1
4
Werkwijze 1 Schrijf de woorden ‘koolstof’ en ‘dioxide’ (in hoofdletters) onder elkaar op een blad papier. 2 Vul de reageerbuis met water. 3 Sluit ze af met een stop.
4 Houd de reageerbuis horizontaal enkele centimeters boven de woorden ‘koolstof’ en ‘dioxide’.
IN
5
5 Kijk door de reageerbuis naar de woorden. Waarnemingen
VA
6
N
Wat neem je waar?
Verwerking
De wanden van de reageerbuis zijn gebogen, ze staan bol. Daardoor verandert de richting van de
8
©
Formuleer een besluit.
Reflectie
uk
Besluit
st
7
invallende lichtstralen op een zodanige manier dat er een omgekeerd beeld ontstaat.
of d
a De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:
pr oe
fh o
b Vergelijk je hypothese met je besluit.
THEMA 02
hoofdstuk 1
79
Lichtstralen die in je oog binnendringen, passeren een bolle ooglens
vooraleer ze op het netvlies terechtkomen. Om te onderzoeken hoe een
bolle lens werkt, kun je het gebogen glas van een reageerbuisje gebruiken.
De gebogen wanden van de reageerbuis kun je namelijk vergelijken met de
bolle lens in je oog. Wanneer lichtstralen op een bolle lens invallen, worden de lichtstralen gebroken en buigen ze af in de richting van de lijn door het
midden van de lens. De afbuiging zal het grootst zijn aan de uitersten van de
lens en nul in het midden. Evenwijdige stralen die invallen op een bolle lens,
IN
gaan na de lens door één punt. We noemen dat convergeren.
VA
N
bolle lens
©
hoofdas
uk
Afb. 35
Bij het oog gaan invallende stralen eerst door de lucht, maar vervolgen
hun weg door het doorzichtig hoornvlies, het waterig vocht in de voorste
oogkamer, de lens en het glasachtig lichaam. Omdat al die middenstoffen
st
een andere dichtheid hebben, worden de lichtstralen keer op keer
afgebogen. Achter de lens snijden die lichtstralen. Daardoor wordt het beeld
pr oe
fh o
of d
omgekeerd en verkleind geprojecteerd op het netvlies. lens
beeldpunten
Op het netvlies wordt een omgekeerd en verkleind beeld gevormd van het object waar je naar kijkt. Afb. 36
Het beeld in het oog wordt gevormd door het licht dat het oog
binnenvalt. Het licht passeert meerdere structuren, die elk uit andere
stoffen bestaan, en een bolle lens. Samen veroorzaken ze een afbuiging van de lichtstralen. Door die afbuiging van de lichtstralen verschijnt er op het netvlies een omgekeerd en verkleind beeld.
80
THEMA 02
hoofdstuk 1
C
Hoe zorgt het oog voor een scherp beeld?
OPDRACHT 16
Ontdek hoe je scherp ziet.
IN
1 Voer de opdracht uit en beantwoord de vragen.
c Kijk nu naar de leerkracht vooraan. Wat zie je? d Blijf naar de leerkracht kijken. Zie je het potlood?
VA
b Blijf naar je potlood kijken. Zie je de leerkracht vooraan scherp?
N
a Hou een potlood voor je en kijk ernaar. Wat zie je?
©
e Welke structuur in het oog zorgt ervoor dat je beeld kunt scherpstellen?
uk
2 Omcirkel de juiste antwoorden. Gebruik daarvoor afbeelding 37.
• Bij een dichtbijgelegen voorwerp maak je de ooglens boller / meer afgeplat.
of d
st
• Bij een verafgelegen voorwerp maak je de ooglens boller / meer afgeplat.
pr oe
fh o
bolle lens
dichtbij
afgeplatte lens
veraf
Afb. 37 Beeldvorming in het oog
THEMA 02
hoofdstuk 1
81
We kijken voortdurend naar voorwerpen, veraf en dichtbij. Om telkens
scherpe beelden op het netvlies te vormen van voorwerpen van verschillende afstanden, moet de ooglens zich kunnen aanpassen. Die aanpassing van de ooglens noemen we scherpstelling of accommodatie. Accommodatie komt erop neer dat de ooglens haar kromming moet kunnen wijzigen.
Hoe wordt de lens nu platter of boller? Daarvoor kijken we terug naar de bouw van het oog.
IN
De lens is met lensbandjes opgehangen aan het straallichaam. In het straallichaam zit de accommodatiespier.
• Als de accommodatiespier ontspant wordt de diameter van de
N
accommodatiespier groter. Er wordt aan de lensbandjes getrokken, die op hun beurt de lens plat trekken. Op die manier wordt op het netvlies een scherp beeld gevormd van voorwerpen die zich veraf bevinden.
VA
• Als de accommodatiespier samentrekt, wordt er niet aan de lensbandjes getrokken. Ze hangen dan slap, waardoor de lens haar natuurlijke, bolle
vorm aanneemt. Op het netvlies wordt dan een scherp beeld gevormd van
©
voorwerpen dichtbij.
voorwerp dichtbij
uk
voorwerp veraf accommodatiespier in rust
st
opgespannen lensbandjes
pr oe
fh o
of d
afgeplatte ooglens
accommodatiespier in rust opgespannen lensbandjes afgeplatte ooglens
accommodatiespier in actie ontspannen lensbandjes
bolle ooglens
accommodatiespier in actie ontspannen lensbandjes bolle ooglens
Afb. 38 Schematische voorstelling van de accommodatie
De lens kan niet onbeperkt boller worden. Als we een voorwerp steeds
dichter bij onze ogen brengen, bereiken we een punt waarop het beeld niet meer scherp blijft. Dat is het punt waarop de lens haar maximale
natuurlijke kromming bereikt heeft. Dat punt noemen we het nabijheidspunt. Het nabijheidspunt is het punt waarop het beeld nog niet scherp is. De
ligging van het nabijheidspunt is sterk afhankelijk van de kracht van de accommodatiespier en van de elasticiteit van de lens.
82
THEMA 02
hoofdstuk 1
De accommodatiespier kan de kromming van de ooglens aanpassen. • Als de accommodatiespier ontspannen is, zijn de lensbandjes aangespannen en is de lens plat.
• Als de accommodatiespier opgespannen is, hangen de lensbandjes slap en is de lens bol.
Op die manier zorgt de accommodatiespier ervoor dat er op het netvlies
IN
een scherp beeld terechtkomt. Daardoor kun je zowel dichtbij als veraf staande voorwerpen scherp waarnemen.
D
VA
N
` Maak oefening 7 en 8.
Waar liggen de fotoreceptoren en hoe zijn ze opgebouwd?
©
A Algemene situering fotoreceptoren
Het netvlies is opgebouwd uit meerdere lagen, elk met een andere functie. 4
3
2
1
pr oe
fh o
of d
st
uk
Van buiten naar binnen onderscheidt men vier lagen.
Afb. 39 Lagen in het netvlies
1 De buitenste laag is een pigmentlaag, die donkere korrels bevat. Bij de dissectie van het oog kun je duidelijk waarnemen dat de binnenzijde
van het oog zwartgekleurd is. Dat is te wijten aan de pigmentlaag. Die
pigmenten absorberen al het licht dat in het oog valt, zodat het niet in de oogbal weerkaatst en verstrooid wordt.
2 Meer naar binnen toe ligt een laag die de lichtgevoelige cellen of de
fotoreceptoren bevat. Die cellen vangen licht op en zetten het om naar
een signaal of impuls. Er zijn staafjes en kegeltjes.
3 Op de laag met fotoreceptoren meer naar het binnenste van het oog toe, ligt een laag met bipolaire cellen. Dat zijn zenuwcellen die de
lichtgevoelige cellen verbinden met de zenuwcellen van de vierde laag. Ze vormen de schakels tussen fotoreceptoren en het zenuwstelsel. THEMA 02
hoofdstuk 1
83
4 In de vierde laag, nog meer naar binnen toe in het oog, liggen
zenuwcellen of ganglioncellen, met lange uitlopers die samenkomen
en zich verenigen tot de oogzenuw. Die zenuw doorboort het netvlies
en loopt naar buiten, achter in het oog. Aan het andere uiteinde is de oogzenuw verbonden met de hersenen.
Op afbeelding 40 kun je zien dat de laag met ganglioncellen aan de
binnenkant van het netvlies ligt. De pigmentlaag ligt tegen het vaatvlies. De
IN
verschillende lagen van het netvlies werken samen om het lichtsignaal op te
N
vangen.
ganglioncellen
VA
zenuwcellen
uk
kegeltjes
©
bipolaire cellen
st
pigmentlaag
of d
Afb. 40 Bouw van het netvlies
OPDRACHT 17
Bestudeer de vier lagen in het netvlies en beantwoord de vragen.
fh o
1 Welke laag ligt het dichtst bij de lens?
2 Welke laag ligt het verst verwijderd van de lens?
pr oe
3 In welke laag komt het licht eerst terecht?
4 In welke laag wordt het licht geabsorbeerd?
5 In welke laag wordt het licht opgevangen?
6 Vanuit welke laag wordt de oogzenuw gevormd?
84
THEMA 02
hoofdstuk 1
staafjes
7 Wat valt je op als je de volgorde van de ligging van de verschillende lagen van het netvlies bestudeert?
VA
N
IN
8 Welke eigenschap moet de laag met zenuwcellen in het netvlies zeker hebben? Verklaar.
B Bouw en ligging van de soorten fotoreceptoren
De staafjes en de kegeltjes verschillen in vorm en in werking. De naam
van deze cellen hangt samen met de vorm: de staafjes zijn langwerpig, de
st
uk
staafje
©
kegeltjes hebben een spitse vorm.
pr oe
fh o
of d
kegeltje
kern
richting van het licht
Afb. 41
Afb. 42 SEM-beeld van staafjes en kegeltjes
De verspreiding van de twee soorten cellen is niet gelijk verdeeld over het netvlies.
• In de gele vlek komen enkel kegeltjes voor. Het is de plaats op het
netvlies waarmee je het scherpst kunt zien. Dat is omdat de dichtheid van fotoreceptoren er het grootst is: daar zitten het grootste aantal kegeltjes per oppervlakte-eenheid. De gele vlek ligt centraal in het netvlies, net in het verlengde van de optische as van de ooglens.
• In de blinde vlek liggen er geen staafjes en geen kegeltjes, omdat de
oogzenuw daar naar buiten treedt. Licht dat op die plaats van het netvlies invalt, wordt dus niet door de lichtgevoelige cellen geabsorbeerd.
• In de overige delen van het netvlies is de verspreiding van de kegeltjes
vooral beperkt tot het centrum van het netvlies. Verder van dat centrum komen vooral staafjes voor.
THEMA 02
hoofdstuk 1
85
gele vlek
IN
blinde vlek
N
Afb. 43 Netvlies van het linkeroog
Afb. 44 In het centrum zie je kleuren, daar rondom zie je grijstinten.
VA
kegeltje staafje
Het netvlies bevat twee soorten fotoreceptoren, de staafjes en de kegeltjes.
©
• Staafjes zijn langwerpig van vorm. De staafjes liggen vooral aan de rand van het netvlies.
uk
• De kegeltjes hebben een spitse vorm. In de gele vlek, centraal op
het netvlies, komen uitsluitend kegeltjes voor. Met dat deel van het netvlies kun je het beste zien.
st
De blinde vlek is een plaats op het netvlies waar er geen staafjes en
of d
geen kegeltjes liggen. Het beeld dat daarop valt, zien we niet.
pr oe
fh o
C Werking van de fotoreceptoren Fotoreceptoren zijn gespecialiseerde cellen die instaan voor de verwerking
van de lichtprikkels. Ze bevatten lichtgevoelige kleurstoffen, fotopigmenten
genoemd. Die fotopigmenten zorgen voor de omvorming van een lichtprikkel tot een zenuwsignaal.
In de staafjes bevinden zich moleculen van het fotopigment rodopsine.
Wanneer licht op een staafje invalt, wordt rodopsine afgebroken. Daarbij
komt chemische energie vrij waarmee een zenuwsignaal in het staafje wordt opgewekt. Om opnieuw prikkelbaar te zijn, moeten de staafjes opnieuw rodopsine aanmaken. Daarvoor is vitamine A nodig.
Het rodopsine in de staafjes reageert op alle golflengtes van het zichtbare licht; met staafjes kun je dus geen kleuren waarnemen.
Staafjes zijn heel lichtgevoelig; dat wil zeggen dat ze een lage prikkeldrempel hebben. Er is maar weinig licht nodig om ze te prikkelen. Daardoor maken de staafjes het mogelijk om in de schemering of in het donker te zien.
Er zijn drie soorten kegeltjes die elk gevoelig zijn voor een van de drie
hoofdkleuren (rood, groen of blauw). De kegeltjes bevatten fotopigmenten 86
THEMA 02
hoofdstuk 1
die verwant zijn aan rodopsine, ook wat hun werking betreft.
535 nm
lichtgevoeligheid
blauw
400
violet
450
575 nm
groen
500
blauw- blauw blauw- groen violet groen
rood
550
geelgroen
600
geel oranje oranjerood
IN
445 nm
650
rood
700
VA
N
golflengte (in nanometer) Afb. 45 Lichtgevoeligheid van de drie soorten kegeltjes
Elk type kegeltje reageert op licht van bepaalde golflengtes. Daardoor zijn kegeltjes kleurgevoelige fotoreceptoren. Afhankelijk van de verhouding
waarin de drie types kegeltjes geprikkeld worden, zien we de verschillende
kleuren. Als bijvoorbeeld kegeltjes voor rood en groen gelijktijdig geprikkeld
©
worden, zie je geel of oranje. Of je eerder geel of oranje ziet, hangt af van hoeveel kegeltjes voor rood en hoeveel kegeltjes voor groen geprikkeld hogere prikkeldrempel. Er moet dus meer licht zijn om ze te prikkelen.
Ben je benieuwd welke kleuren je kunt krijgen met de drie hoofdkleuren? Test dan even uit!
of d
st
APPLET HOOFDKLEUREN
uk
worden. Kegeltjes zijn minder lichtgevoelig dan staafjes en hebben een
Staafjes vereisen weinig licht, omdat ze al bij lage lichtintensiteiten geprikkeld worden. Ze zijn dus erg gevoelig. Staafjes maken geen
pr oe
fh o
onderscheid tussen verschillende kleuren en worden vooral gebruikt om bij weinig licht nog te kunnen zien. Omdat de staafjes vooral aan de rand van het netvlies liggen, kun je daar dus enkel grijstinten waarnemen.
Kegeltjes dienen voor kleurenzicht. Verschillende kleuren kunnen we zien doordat een of meerdere soorten kegeltjes geprikkeld worden
en die kleuren gecombineerd worden. Kegeltjes vereisen een hogere lichtintensiteit om geprikkeld te kunnen worden. Ze zijn dus minder gevoelig dan staafjes.
Beide soorten fotoreceptoren, de staafjes en de kegeltjes, vangen licht
op. Dat kan door het fotopigment dat ze bevatten. Als dat pigment wordt belicht, wordt het afgebroken. Daardoor wordt de lichtprikkel omgezet
in een signaal of impuls. Die signalen worden via de oogzenuw door het zenuwstelsel naar de hersenen geleid. ` Maak oefening 9, 10 en 11.
THEMA 02
hoofdstuk 1
87
E
Hoe worden lichtprikkels verwerkt?
OPDRACHT 18
Wat is het verschil in zien tussen kijken met één oog of kijken met twee ogen? punt omhoog en sluit één oog. Probeer nu met de top van je rechterwijsvinger de punt van de balpen te raken.
N
Wat neem je waar?
2 Doe net hetzelfde maar nu met beide ogen open.
VA
Wat neem je waar?
uk
©
3 Wat is het voordeel van kijken met beide ogen?
OPDRACHT 19
st
Wat zie je in je beeld op de plaats van de blinde vlek? 1 Volg de instructies.
of d
a Houd je leerschrift verticaal met de armen gestrekt zo ver mogelijk voor je uit.
b Knijp je linkeroog dicht.
c Kijk met je rechteroog naar het witte bolletje.
fh o
d Breng je boek langzaam dichter bij je rechteroog totdat het beeld van het sterretje op de blinde vlek valt.
2 Waarneming
pr oe
a Zie je een ‘gat’ in het beeld op de plaats van het sterretje?
b Wat neem je dan waar?
3 Verklaring
a Waarom zie je geen ‘gat’ op de plaats van de blinde vlek? b Welke structuur in ons lichaam is daarvoor verantwoordelijk?
88
THEMA 02
hoofdstuk 1
IN
1 Hou met gestrekte linkerarm een balpen voor je met de
OPDRACHT 20
Ontdek een aantal optische illusies.
N
IN
1 Bekijk de afbeeldingen en noteer je waarnemingen.
Welke blauwe streep is de langste?
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
VA
Wat zie je?
Beweeg met je ogen over het beeld of beweeg het beeld langzaam heen en weer. Wat stel je vast?
2 Kun je uit de bovenstaande voorbeelden afleiden dat je ogen soms niet goed werken? Verklaar.
THEMA 02
hoofdstuk 1
89
Het eigenlijke zien gebeurt niet met onze ogen, maar wel met onze hersenen. Op het netvlies van beide ogen wordt in de gele vlek een omgekeerd, verkleind en scherp beeld van een voorwerp gevormd. De hersenen
verwerken de twee netvliesbeelden tot één geheel. Daardoor heb je dieptezicht.
IN
lens
VA
Op het netvlies wordt een omgekeerd en verkleind beeld gevormd van het object waar je naar kijkt.
N
beeldpunten
Afb. 46
Bovendien zie je de wereld niet omgekeerd en verkleind. Door ervaring
interpreteren de hersenen de beelden als rechtopstaande beelden. Ook
©
van de blinde vlek op het netvlies van beide ogen hebben we geen last. Er ontstaat geen ‘gat’ in het gezichtsveld, omdat de hersenen het beeld
uk
aanvullen. Het omringende beeld breidt zich uit naar het gebied van het
‘gat’. Gezichtsbedrog of optische illusie is iets wat je ogen zien, maar waar je
pr oe
fh o
of d
st
hersenen een andere interpretatie aan geven.
90
THEMA 02
hoofdstuk 1
Afb. 47 Interpretatie van het netvliesbeeld door de hersenen
Lichtprikkels worden verwerkt door de hersenen. Ze verwerken de twee netvliesbeelden tot één geheel waardoor je dieptezicht hebt. Door
ervaring interpreteren de hersenen de beelden als rechtopstaande
beelden. Op de plaats van de blinde vlek vullen de hersenen het beeld aan met het beeld van het omringende gebied.
1.4 Wat als de werking van het oog verstoord is?
OPDRACHT 21
IN
Hoeveel klasgenoten dragen een bril of lenzen?
VA
N
Vraag aan jouw medeleerlingen waarom ze een bril dragen.
Mensen die bijziend zijn, kunnen enkel beelden die dichtbij zijn scherp zien.
©
Beelden veraf kunnen ze niet scherp waarnemen. De lens projecteert het
scherp beeld namelijk niet op het netvlies. Het scherpe beeld wordt gevormd vóór het netvlies. Dat komt omdat de lens te bol is of het oog zelf niet rond,
uk
maar eerder langwerpig gevormd is. Door een bril met holle lenzen te dragen, kan dat verholpen worden. De breking van de lichtstralen wordt zo aangepast
beeldpunten onscherp beeld BIJZIENDHEID
pr oe
fh o
of d
st
waardoor het scherpe beeld wel op het netvlies terechtkomt.
beeldpunten
correctie van bijziendheid door bril met holle lenzen Afb. 48
onscherp beeld beeldpunten
VERZIENDHEID
THEMA 02
hoofdstuk 1 beeldpunten
91
BIJZIENDHEID
Voor mensen die verziend zijn, is het net omgekeerd. Zij kunnen enkel
beelden die veraf zijn scherp zien. Beelden dichtbij kunnen ze niet scherp
waarnemen. Hier valt het scherpe beeld achter het netvlies. De oorzaak kan beeldpunten zijn dat de lens onvoldoende bol is of het oog niet ‘diep’ genoeg is. Een bril
met bolle lens kan hier de breking van de lichtstralen versterken en zo een scherp beeld op het netvlies vormen.
IN
correctie van bijziendheid door bril met holle lenzen
onscherp beeld
beeldpunten
©
VA
VERZIENDHEID
N
beeldpunten
uk
Afb. 49
correctie van verziendheid door bril met bolle glazen
st
Ouderdomsverziendheid is net hetzelfde, maar het heeft een andere
oorzaak. Bij oudere mensen neemt de elasticiteit van de ooglens af. Daarbij verzwakt de accommodatiespier waardoor ze minder goed samentrekt; de
of d
lens wordt niet goed bol meer. De lichtstralen worden niet genoeg gebroken en het scherpe beeld valt achter het netvlies. Een bril met bolle lenzen kan
pr oe
fh o
ouderdomsverziendheid verhelpen.
92
THEMA 02
hoofdstuk 1
Soms gebeurt het dat mensen zowel dichtbij als veraf niet meer scherp zien.
Dan is een bifocale bril nodig waarbij de bovenste helft van het glas dient om ver te zien en de onderste helft om dichtbij te zien. Er zijn ook multifocale
brillenglazen: die zijn zo gekromd dat alle overgangen van ver naar dichtbij scherp gezien kunnen worden.
Minder scherp zien kan niet alleen veroorzaakt worden door de ooglens maar ook door de kromming van het hoornvlies. Het hoornvlies, met het vocht van de oogkamer, is immers de eerste stap in de lichtbreking in het oog. Met een laserbehandeling kan die kromming worden aangepast om zo een scherper beeld op te leveren. Soms wordt een bril dan overbodig.
OPDRACHT 22 ONDERZOEK
Onderzoek de invloed van de leeftijd op de leesafstand. Ga naar Labo 3 op p. 119.
IN
OPDRACHT 23
Test jezelf!
N
1 Wat kun je lezen in de eerste schijf?
st
uk
©
VA
2 Wat zie je in de tweede schijf?
of d
Bij sommige mensen werken niet alle kegeltjes even goed, waardoor ze
kleuren afwijkend waarnemen: ze hebben kleurenslechtziendheid. Het treedt op als een of meer van de drie types kegeltjes niet of minder goed werken.
pr oe
fh o
Bij de meest voorkomende vorm wordt het verschil tussen rood en groen
niet of niet goed waargenomen. Dat is een erfelijke aandoening die meer bij
mannen dan bij vrouwen voorkomt. Kleurenslechtziendheid heeft invloed op het dagelijks leven van mensen, bekijk afbeelding 50 maar eens. 1
2
Afb. 50 Foto 1: normaal zicht Foto 2: groene kegeltjes werken niet
4
3
Foto 3: rode kegeltjes werken niet Foto 4: blauwe kegeltjes werken niet
Als de werking van de staafjes verstoord is, zie je slecht of helemaal niet als
er weinig licht is. Dat kan ’s avonds of ’s nachts zijn maar ook bij een zwakke verlichting. De oorzaak kan een gebrek aan vitamine A zijn. Hebben ze jou
ook ooit verteld dat je van worteltjes beter gaat zien? Natuurlijk klopt dat
niet helemaal, maar worteltjes zijn wel een bron van vitamine A en dat kan nachtblindheid voorkomen.
THEMA 02
hoofdstuk 1
93
Wanneer het oog niet goed accommodeert, kunnen afwijkingen ontstaan.
• Bijziendheid ontstaat wanneer de oogbol te lang is of de lens te bol. Oplossing: een bril met holle lenzen.
• Verziendheid ontstaat wanneer de oogbol te kort of de lens te plat
IN
is.
Oplossing: een bril met bolle lenzen zorgt voor een scherp beeld.
• Ouderdomsverziendheid ontstaat door een vermindering van
elasticiteit van de ooglens en een slappere accommodatiespier.
Oplossing: een bril met bolle lenzen zorgt voor een scherp beeld.
N
• Kleurenslechtziendheid is een stoornis van de kegeltjes.
VA
• Nachtblindheid is een stoornis van de staafjes.
©
1.5 Hoe nemen andere dieren lichtprikkels waar?
of d
st
uk
A Nemen alle dieren dezelfde lichtprikkels waar?
Afb. 52 Wat bijen zien
fh o
Afb. 51 Wat mensen zien
pr oe
Bijen zien hun omgeving op een heel andere manier dan mensen. Denk terug aan de foto van de boterbloem bij de start van dit hoofdstuk. Bijen kunnen uv-licht zien maar geen rood licht. In het bijzonder onderscheiden ze speciale patronen op bloemen die hun de weg naar de nectar tonen. Die patronen worden nectargidsen genoemd. Ze ontstaan door speciale groefjes en ribbeltjes op de bloemblaadjes die het zonlicht reflecteren in kleuren van blauw tot ultraviolet licht. Zo trekken bloemen dus bijen aan voor de bestuiving.
Sommige slangen zoals de groefkopadders kunnen infrarode straling waarnemen. Dat doen ze met speciale receptoren die niet in het oog zitten maar in groefjes op de kop. Ze nemen daarmee de warmte waar die door een prooidier wordt uitgestraald. Hun hersenen vormen met die informatie een beeld. Handig als warmbloedige dieren op het menu staan, en het hoeft zelfs niet licht te zijn. Slangen die zich voeden met koudbloedige dieren hebben die receptoren niet.
Ook heel wat vogels kunnen uv-licht zien. Ze beschikken daarvoor over een vierde soort kegeltjes. Kolibries gaan op die manier op zoek naar nectar in bloemen, andere vogels vinden zo rijpe bessen. Zelfs urine van muizen reflecteert uv-licht, wat dan weer handig voor roofvogels is. En wat dacht je van het vinden van een geschikte partner? Veren van vogels en vleugels van vlinders lichten extra op zodat het sterkste mannetje kan worden gekozen.
94
THEMA 02
hoofdstuk 1
Afb. 53 Groefkopadder
Afb. 54 Blinde grotvis
Afb. 55 Schaalhoorn
©
VA
Eenvoudige fotoreceptoren die enkel het verschil tussen licht en donker kunnen zien, treffen we aan bij heel wat weekdieren. De schaalhoorn, een diertje op de golfbrekers aan zee, dat ’s nachts algen graast, heeft een groefoog. Enkel het verschil tussen dag en nacht herkennen is voor dat dier van belang.
uk
Het is niet voor alle dieren noodzakelijk om lichtprikkels te kunnen waarnemen. Denk maar aan grotvissen die hun hele leven in een donkere grot verblijven. Licht waarnemen is voor die dieren van geen belang. We stellen vast dat die vissen geen ogen meer hebben; hun voorouders die in de grot gingen leven hadden die echter wel nog.
N
IN
B Zien alle dieren hun omgeving op dezelfde manier?
fh o
of d
st
Bij de nautilus, een inktvis met een schelp, ontdekken we een camera obscura als oog. We noemen het een bekeroog of cameraoog, een klein gaatje met daarachter een ruimte met op de achterwand lichtgevoelige cellen. Er is geen lens en het zeewater kan vrij in- en uitstromen. Net als andere weekdieren kan de nautilus enkel lichtverschuivingen waarnemen. Octopussen daarentegen hebben goed ontwikkelde ogen met een ooglens die kan scherpstellen door de lens te verplaatsen in de oogholte. Dat komt van pas om te jagen op een prooi. Afb. 56 Nautilus
pr oe
Het systeem van lensverplaatsing om scherp te stellen op een voorwerp is ook bij vissen en amfibieën de manier om hun omgeving goed waar te nemen. Ze hebben een starre bolle lens die met spiertjes naar voor of naar achter getrokken wordt. Op die manier kunnen makrelen hun omgeving goed in de gaten houden om eventuele vijanden op te sporen en zullen kikkers een lekkere vlieg te pakken krijgen. Reptielen, vogels en zoogdieren hebben gelijkaardig gebouwde ogen. Ze beschikken over een ooglens met daarrond een accommodatiespier die ervoor zorgt dat de lens platter of boller kan worden om scherp te stellen. Handig als je bijvoorbeeld een roofvogel bent en dat urinespoor van die muis vanop een hoogte van dertig meter wilt zien. Slangen, ook reptielen, zijn hier een uitzondering, zij hebben net als vissen en amfibieën een starre ooglens die door spiertjes verplaatst wordt om scherp te stellen.
Afb. 57 Kikker
THEMA 02
hoofdstuk 1
95
IN
Afb. 58 Facetoog libelle
VA
N
Afb. 59 Mozaïekbeeld gezien door facetogen
of d
st
uk
©
Bijzondere ogen treffen we aan in de wereld van de insecten. De facetogen zijn je vast en zeker al opgevallen. Een facetoog bestaat uit een heleboel deeloogjes of facetten, elk met een lensje; samen vormen ze een deel van een bol. Elk deeloogje vangt lichtprikkels op en zo wordt een mozaïekbeeld van de omgeving gevormd. Door de bolle vorm van het facetoog krijgt het insect een groot gezichtsveld. Libellen, echte jagers, hebben veel facetten per oog om in volle vlucht een ander insect te verschalken. Werkmieren die op de bodem leven hebben er een pak minder. Naast de facetogen zijn er vaak ook nog drie enkelvoudige oogjes of ocellen aanwezig.
Afb. 61 Bekeroog of cameraoog nautilus
Afb. 62 Lensoog octopus
Afb. 63 Accommodatie door lensverplaatsing
Afb. 64 Accommodatie platter of boller worden lens
fh o
Afb. 60 Groefoog schaalhoorn
WEETJE
pr oe
Niet alle dieren hebben oogleden en kunnen hun ogen dus niet altijd sluiten. Vissen zoals
kabeljauw en haring hebben
geen oogleden. Bij slangen zijn beide oogleden vergroeid en
doorzichtig. Het oog is niet altijd beweeglijk. Wij, mensen, kunnen
Afb. 65 Kabeljauw
Afb. 66 Slang
Afb. 67 Uil
onze ogen naar een voorwerp richten door de aanwezigheid van oogspieren maar veel dieren hebben die niet. Vogels hebben in de plaats daarvan een heel beweeglijke kop. Een uil kan zijn kop zelfs helemaal naar achter draaien.
96
THEMA 02
hoofdstuk 1
C Is er een verband tussen de stand van de ogen en de leefwijze van het dier? OPDRACHT 24
IN
Vergelijk de afbeeldingen. 1 Noteer de begrippen bij het juiste beeld. Kies uit:
uk
dieptezicht geen dieptezicht buiten het gezichtsveld
of d
st
dieptezicht geen dieptezicht buiten het gezichtsveld
©
VA
prooidier – ogen naar voren gericht – ogen zijwaarts
N
klein gezichtsveld – groot gezichtsveld – sterk dieptezicht – weinig dieptezicht – roofdier –
2 Verklaar je keuze.
pr oe
fh o
a Bij roofdieren:
b Bij prooidieren:
THEMA 02
hoofdstuk 1
97
WEETJE De kameleon is een bijzonder geval: hij
heeft twee uitpuilende ogen die zorgen voor een gezichtsveld van maar liefst 360 °. De
IN
ogen staan zijwaarts
maar het dier kan ze
het ene oog heeft de
kameleon een lekkere prooi in de gaten
terwijl het andere oog
Afb. 68 Kameleon
N
apart gebruiken. Met
VA
de omgeving observeert. Door zijn uitpuilende beweeglijke ogen kan de kameleon toch met zijn beide ogen naar voor kijken. Zo ontstaat dieptezicht om bijvoorbeeld een vlieg te kunnen vangen.
©
Roofdieren moeten om te jagen goed afstanden kunnen inschatten. Omdat
hun ogen vooraan staan, overlappen beide gezichtsvelden een groot deel en
uk
ontstaat een sterk dieptezicht. Hun gezichtsveld is daardoor kleiner maar
daar ondervinden ze weinig nadeel van. Zij hebben vaak geen vijanden. Bij de meeste prooidieren zijn de ogen aan de zijkant van de kop ingeplant.
Daardoor ontstaat een heel groot gezichtsveld zodat ze roofdieren goed
st
opmerken. Zo kunnen ze tijdig vluchten. Ze hebben weinig dieptezicht maar omdat ze vaak planteneters zijn, is dat niet erg.
of d
Vogels beschikken over grote ogen in verhouding tot hun kop; ze behoren
tot de dieren met het beste zicht. De ogen van roofvogels staan meer naar
ter hoogte van de gele vlek het netvlies iets uitgediept waardoor roofvogels een extra vergroot beeld kunnen opvangen. Vogels die niet jagen maar zelf
een prooi kunnen zijn, hebben de ogen zijwaarts op de kop voor een groter gezichtsveld.
pr oe
fh o
voor want voor het jagen op prooien is dieptezicht belangrijk. Bovendien is
Afb. 69 Buizerd
98
THEMA 02
hoofdstuk 1
D Hoe komt het dat sommige dieren beter zien in het donker? OPDRACHT 25
IN
Bekijk de onderstaande ogen van dieren. 1 Wat valt je op bij de ogen van een kat en een wolf?
invallende lichtstraal
hun ogen op te lichten. Dat komt omdat hun ogen achterin een extra laag
bevatten, het tapetum lucidum, dat het binnenvallend licht reflecteert. Op
die manier passeert het licht twee keer langs de lichtgevoelige delen in het
of d
ganglioncellen
oog. Het tapetum is bij heel wat nachtactieve dieren aanwezig. Daardoor
bipolaire cellen
kunnen ze beter dan mensen in het donker zien.
fotoreceptoren pigmentlaag
kat
fh o
tapetum
Wanneer een kat of een wolf in het donker naar een lichtbron kijken, lijken
st
teruggekaatste lichtstraal
uk
©
VA
N
2 Op de ene foto zie je het spookdiertje bij daglicht, op de andere foto ’s nachts. Welk verschil stel je vast?
invallende lichtstraal
ganglioncellen
bipolaire cellen
pr oe
fotoreceptoren pigmentlaag
mens
Afb. 70 Schematische doorsnede van het netvlies bij de kat en bij de mens
Bij het spookdiertje kon je vaststellen dat het heel grote ogen heeft én dat de pupil in het donker wijd openstaat. Door die grote ogen passen er veel
staafjes in het netvlies om ’s nachts beter te kunnen zien. Als er veel staafjes zijn, betekent dat vaak dat er minder kegeltjes zijn en dat er dus ook minder kleuren worden waargenomen. Op die manier probeert het spookdiertje, en
ook heel wat andere nachtdieren, zo veel mogelijk lichtstralen op te vangen.
Je ziet dat bij daglicht de pupil heel klein wordt; nachtdieren verdragen vaak niet goed daglicht.
In het netvlies zien we ook verschillen tussen nachtdieren en dieren die
overdag leven. Als in het donker kunnen zien belangrijk is, dan treffen we veel meer staafjes aan. Als een scherp zicht en kleuren zien noodzakelijk is om een prooi te vangen, dan zijn er veel meer kegeltjes in het netvlies aanwezig.
Dieren vangen lichtprikkels niet altijd op dezelfde manier op. Wat ze kunnen waarnemen en hoe ze dat doen, staat in verband met hun leefwijze. Dat verhoogt hun overlevingskansen.
THEMA 02
hoofdstuk 1
99
WEETJE Pupillen zijn er in allerlei vormen en formaten. Heel wat dieren hebben ronde pupillen maar zeker niet allemaal.
Bij herten zien we een horizontale,
IN
langgerekte pupil die een groot
VA
N
gezichtsveld oplevert.
Afb. 71 Pupil hert
De gekko kan zijn pupil tot een spleetje samentrekken om de
©
lichtinval te beperken; het dier is
of d
st
uk
eerder ’s nachts actief.
Afb. 72 Pupil gekko
fh o
De geelbuikvuurpad is dan weer
vertederend met zijn hartvormige
pr oe
pupil.
Afb. 73 Pupil geelbuikvuurpad
100
THEMA 02
hoofdstuk 1
THEMASYNTHESE
Î Hoe nemen mensen en andere dieren lichtprikkels waar? Zichtbaar licht is de straling die door de mens kan worden waargenomen. Wit licht bestaat uit vele kleuren. Wanneer licht door een andere
worden de stralen gebroken. Dat noemen we
gaat,
N
.
IN
1.1 Wat is licht?
VA
1.2 Hoe is het oog opgebouwd? Begrip
Functie
zorgen ervoor dat water en zweet niet in het oog lopen.
©
werken als een stof- en zonnefilter.
uk
beschermt het oog tegen uitdrogen en infecties.
beschermt de rand van de oogleden tegen vocht.
st
verdelen traanvocht en beschermen tegen stof en licht.
pr oe
fh o
of d
beschermt het oog door een slijmerige vloeistof te produceren.
wimpers
oogspieren bindvlies vetweefsel bovenste ooglid wimpers
onderste ooglid
oogspieren
oogkas
BEKIJK DE KENNISCLIP
THEMA 02
THEMASYNTHESE
101
zorgt voor af- en aanvoer
regelt druk in het oog
van stoffen
bevat fotoreceptoren
IN
geeft kleur aan de ogen
hier zie je het best
N
bevat waterige vloeistof
VA
die hoornvlies beschermt
bevat geen fotoreceptoren
©
laat het licht binnen
uk
of d
helpen om de ogen te bewegen
st
zorgt voor beeldvorming
1.3 Hoe werkt het oog?
vervoert signalen
naar de hersenen
omhulsel dat het oog beschermt
zorgt voor aan- en afvoer van allerlei stoffen
fh o
A Hoe regelt het oog de hoeveelheid doorgelaten licht? • De lichtstralen vallen het oog binnen doorheen het doorheen de
(2).
(1) en lopen dan
• In de pupil wordt de hoeveelheid invallend licht geregeld door de irisspieren (3):
pr oe
— bij het samentrekken van de straalspieren wordt de diameter van de pupil waardoor meer licht het oog binnenvalt;
— bij het samentrekken van de kringspieren wordt de pupil oog wordt beschermd tegen te veel invallend licht.
, , waardoor het
B Op welke manier wordt het beeld in het oog gevormd? Vooraleer de lichtstralen op het netvlies terechtkomen, passeren ze meerdere structuren, telkens met hun eigen
Zo ontstaat er een 102
netvlies.
THEMA 02
THEMASYNTHESE
. Dat veroorzaakt een afbuiging van de lichtstraling. en
beeld op het
C Hoe zorgt het oog voor een scherp beeld? De kromming van de lens wordt met behulp van de accommodatiespier aangepast. Zo ontstaat een scherp beeld op het netvlies.
Lensbanden
/
aangespannen /
bol /
afgeplat
/
VA
ontspannen
hangen door
/
IN
samengetrokken /
Ooglens
N
Accomodatiespier
• Het netvlies bevat twee soorten fotoreceptoren: de (7).
— De
en kunnen geen kleur waarnemen.
vereisen weinig licht, ze worden geprikkeld bij lage lichtintensiteiten dienen voor kleurenzicht. Verschillende kleuren kunnen we zien
st
— De
doordat een of meerdere soorten kegeltjes geprikkeld worden.
of d
• De fotoreceptoren geven signalen door naar zenuwcellen of
en
uk
de
©
D Waar liggen de fotoreceptoren en hoe zijn ze opgebouwd?
(8), die op hun beurt de
(9) prikkelen.
pr oe
fh o
• De uitlopers van de zenuwcellen komen samen en vormen de oogzenuw (10).
9
5
8
7
4
1 11
2 10 3 6
THEMA 02
THEMASYNTHESE
103
E Hoe worden lichtprikkels verwerkt? • Lichtprikkels worden verwerkt door de
. Ze verwerken de twee
netvliesbeelden tot één geheel; daardoor heb je
.
• Op de plaats van de
vullen de hersenen het beeld aan met het beeld van het
omringende gebied.
IN
• Gezichtsbedrog of optische illusie is iets wat je ogen zien, maar waar je hersenen een aan geven.
N
1.4 Wat als de werking van het oog verstoord is?
VA
Kleur de vakjes die bij elkaar horen in dezelfde kleur.
pr oe
•
fh o
of d
st
uk
©
lens te plat
•
problemen
met dichtbij zien
lens te bol
correctie met
oogbol te
holle lens
bijziendheid
oogbol te kort
lang
problemen met veraf zien
verziendheid
= wanneer je kleuren niet of niet goed kunt waarnemen.
= wanneer je problemen hebt om in het schemerdonker goed te zien.
1.5 Hoe nemen andere dieren lichtprikkels waar?
Dieren vangen lichtprikkels niet altijd op dezelfde manier op. Wat ze kunnen waarnemen en hoe ze dat doen, staat in verband met hun
Geef een voorbeeld van de bovenstaande vaststelling.
104
THEMA 02
THEMASYNTHESE
. Dat verhoogt hun
.
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis • Ik kan de rol van lichtbreking voor de werking van het oog uitleggen. • Ik kan de structuren rond en in het oog benoemen en aanduiden. • Ik kan uitleggen wat de functie van die structuren is.
• Ik kan uitleggen hoe de irisspieren een rol spelen in de hoeveelheid
IN
binnengelaten licht.
• Ik kan de weg van een lichtstraal vanaf een voorwerp tot het netvlies • Ik kan verklaren hoe het komt dat er in het oog een omgekeerd en verkleind beeld ontstaat.
• Ik kan uitleggen hoe het oog scherpstelt op een voorwerp veraf en dichtbij. • Ik kan de delen van het netvlies benoemen en aanduiden. lichtprikkels naar een zenuwsignaal.
VA
• Ik kan de rol van fotoreceptoren beschrijven in het omzetten van
N
beschrijven.
• Ik kan verklaren wat de rol is van de kegeltjes en de staafjes bij het kijken in licht en donker en bij het zien van kleuren. beeld.
©
• Ik kan uitleggen hoe de hersenen een rol spelen in de vorming van het het oog verstoord kan zijn.
uk
• Ik kan aan de hand van enkele voorbeelden uitleggen hoe de werking van • Ik kan aan de hand van enkele voorbeelden uitleggen hoe de ogen van
2 Onderzoeksvaardigheden
st
andere dieren aan hun leefwijze zijn aangepast.
• Ik kan een experiment uitvoeren en de waarneming formuleren.
of d
• Ik kan de waarneming verklaren.
• Ik kan een hypothese en een waarneming formuleren. • Ik kan een waarneming interpreteren of verklaren.
invullen bij je portfolio.
pr oe
fh o
` Je kunt deze checklist ook op
THEMA 02
CHECKLIST HOOFDSTUK 1
105
CHECK IT OUT
Î Er zit iets in mijn oog Tijdens de CHECK IN heb je ontdekt hoe je lichaam reageert op prikkelende stoffen. We zagen hoe je begon te wenen bij het snijden van een ui.
N
IN
1 Welke prikkels kan je lichaam nog waarnemen?
VA
2 Hoe neemt je lichaam die prikkels waar?
of d
st
4 Hoe verwerkt je lichaam die prikkels?
uk
©
3 Waar in je lichaam bevinden zich receptoren om de prikkels waar te nemen?
!
Organismen hebben receptoren om op prikkels te reageren. Receptoren zijn vaak gespecialiseerde
structuren die in zintuigen gelokaliseerd zijn. Soms kunnen receptoren ook zenuwuiteinden zijn zoals
fh o
pijnreceptoren. Als receptoren geprikkeld worden, sturen ze een signaal of impuls naar de hersenen zodat de effectoren op een gepaste manier kunnen reageren.
De prikkelende stof van de ui is een uitwendige prikkel die een regelsysteem in gang kan zetten. De
prikkel wordt opgevangen door de receptoren in het hoornvlies. Een signaal via het zenuwstelsel zorgt
pr oe
voor een snelle reactie door de effectoren: de traanklieren worden geactiveerd en het oog begint te tranen.
106
THEMA 02
check it out
AAN DE SLAG
1
Verbind de beschermende delen van het oog met hun (functie)omschrijvingen.
Beschermend deel rond het oog
Functie
1 verhinderen dat water en zweet in de ogen lopen
A oogkas
2 schokken opvangen
C wenkbrauwen
4 talg produceren om de randen van de oogleden waterafstotend te maken
D wimpers
5 oogbol beschermen tegen uitdrogen
E talgklieren tussen de wimpers
6 vormt stevig omhulsel rond het oog
F traanklier met traanvocht
N
7 stofdeeltjes tegenhouden
G oogleden
8 traanvocht verdelen en beschermen tegen stof en fel licht
Bestudeer de afbeelding van de oogspieren.
E
a Vul van de genummerde delen de functie aan in de tabel. 1
2
F
G
©
D
Functie
st
C
uk
2
B
VA
Beschermend deel rond het oog A
IN
B vetweefsel
3 oogbol ontsmetten
fh o
of d
1
2
b Waarom is het onderdeel bij nummer 1 geen oogspier?
pr oe
2
2
THEMA 02
aan de slag
107
3
Bekijk de afbeelding van het oog en de tabel.
1
2
12
4 3 9
8
6
11
N
13
IN
10
5
VA
7
a Omschrijf de eigenschappen of de functie bij elk onderdeel.
©
b Noteer het overeenkomstige nummer op de tekening in de derde kolom.
of d
glasachtig lichaam
st
blinde vlek
Eigenschappen of functie
uk
Onderdeel
vaatvlies
fh o
netvlies
pr oe
pupil lens
harde oogvlies
4
108
Wat is het verband tussen het hoornvlies en het harde oogvlies?
THEMA 02
aan de slag
Functie
5
Vervolledig de afbeeldingen.
a Teken links een pupil van een oog dat zich in een donkere omgeving bevindt.
IN
b Teken rechts een pupil van een oog in een goed verlichte omgeving.
Het gebruik van bepaalde drugs, zoals ecstasy, cocaïne, amfetamine … veroorzaakt onder andere een
N
6
Markeer de juist stelling.
©
7
VA
pupilvergroting in het oog. Welke spieren zijn daarvoor verantwoordelijk? Verklaar.
a Accommodatie is het groter worden van de pupil bij weinig licht.
uk
b Accommodatie is het kleiner worden van de pupil bij veel licht.
c Accommodatie is het aanpassen van de kromming van het hoornvlies.
Bepaal jouw leesafstand en nabijheidspunt.
of d
a Hou je leerschrift op zo’n manier vast dat je de tekst
comfortabel kunt lezen. Je klasgenoot meet de afstand tussen je ogen en je boek.
fh o
Wat is jouw leesafstand?
b Breng je leerschrift dichter bij je ogen, totdat je nog net de tekst scherp ziet. Wat is jouw nabijheidspunt?
c Is jouw nabijheidspunt gelijk aan jouw leesafstand?
pr oe
8
st
d Accommodatie is het aanpassen van de kromming van de ooglens.
d Omcirkel het juiste antwoord.
Bij het nabijheidspunt is de ooglens boller / minder bol dan bij de leesafstand.
De lensbandjes zijn strak gespannen / hangen slap.
Dat komt doordat de accommodatiespier opgespannen / ontspannen is.
THEMA 02
aan de slag
109
9
Zijn de onderstaande eigenschappen van toepassing op de staafjes of op de kegeltjes? Zet een kruisje op de juiste plaats in de tabel. Eigenschappen
Staafjes
Kegeltjes
liggen in de gele vlek
IN
zijn kleurgevoelig
zijn heel lichtgevoelig
hebben een lage prikkeldrempel hebben een hoge prikkeldrempel Hoe kunnen we de nawerking van kleuren aantonen?
of d
st
uk
©
10
VA
N
liggen in de blinde vlek
a Kleur de afbeelding met een roze fluostift in.
b Kijk één minuut naar de ingekleurde afbeelding.
fh o
c Kijk vervolgens naar de witte ruimte naast de afbeelding. d Beantwoord de vragen. • Wat zie je?
• Wat gebeurt er met je kegeltjes wanneer je naar de roze like kijkt?
pr oe
110
• Wat gebeurt er met je kegeltjes wanneer je naar het witte blad kijkt?
THEMA 02
aan de slag
11
Een tekenfilm maken kost veel tijd. Je hebt namelijk 24 beelden per seconde nodig. Voor een film van 75 minuten is dat gauw 100 000 beelden. Hoe komt het dat we zo veel beelden nodig hebben?
.
pr oe
fh o
of d
st
uk
©
VA
N
IN
Verder oefenen? Ga naar
THEMA 02
aan de slag
111
IN
LABO'S
LABO’S THEMA 1 EN 2 Onderzoek 1: Onderzoek hoe lichtstralen zich in het oog verplaatsen.
113
Onderzoek 2: Onderzoek de bouw van een varkensoog. Onderzoek 3: Vergelijk de leesafstand bij verschillende leeftijden.
119
VA
Onderzoek 4: Hoe reageren planten op zwaartekracht?
N
115
Onderzoek 5: Fototropie om de richting van het geluid te bepalen.
uk
Onderzoek 7: Onderzoek wat geluid is.
©
Onderzoek 6: Onderzoek het minimale tijdsverschil dat je oren gebruiken
Onderzoek 8: Onderzoek de voortplanting van geluid doorheen een middenstof.
of d
st
Onderzoek 9: Zoek informatie op over een van de volgende stoornissen.
pr oe
fh o
LABO’S THEMA 3, 4 EN 5
112
DEEL 2
na herf
stvaka
ntie
LABO Naam:
ONDERZOEK
klas:
nummer:
1
Onderzoek hoe lichtstralen zich in het oog verplaatsen. 1
Onderzoeksvraag
Hypothese
3
Benodigdheden Materiaal
Stoffen
50 ml water 10 ml olie 10 ml ethanol
©
VA
bekerglas (100 ml) twee pipetten (10 ml) potlood
!
TIP Scan de QR-code om de
Check steeds goed de
uk
veiligheidsmaatregelen en gevaren
LABOMATERIAAL
van alle stoffen en materialen. Ethanol
H 225, P 210
H- en P-ZINNEN
Werkwijze
of d
4
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
st
labomaterialen te ontdekken.
N
2
IN
Wat gebeurt er met lichtstralen bij de overgang van de ene naar de andere stof?
1 Neem het bekerglas en zet er een potlood in.
2 Vul het bekerglas voor de helft met water (50 ml). 3 Druppel daarop met een pipet 10 ml water.
fh o
5
4 Voeg met de andere pipet 10 ml ethanol toe door het langs de rand van het glas naar beneden te druppelen. Waarneming
pr oe
Wat neem je waar als je door het bekerglas naar het potlood kijkt? 6
Verwerking
Licht verplaatst zich in een rechte lijn, maar bij de overgang van de ene naar de andere stof kan de straal ‘gebroken’ worden. We noemen dat de lichtbreking.
Beoordeel zelf jouw uitvoering van de proef.
Zet een groen vinkje als alles goed verliep. Zet een rood vinkje als het nog een werkpunt is.
Labojas aan? Stappenplan gevolgd? Alles goed opgeruimd?
LABO
ONDERZOEK 1
113
LABO Naam:
7
nummer:
Besluit Licht breekt op het scheidingsvlak tussen twee verschillende stoffen. Het volgt een andere richting. Reflectie
a De uitvoering van de proef verliep vlot / niet vlot (schrap wat niet past), omdat:
VA gereflecteerd licht
lucht water
st
geabsorbeerd
©
licht
uk
invallend
N
b Vergelijk je hypothese met je besluit.
gebroken en
pr oe
fh o
of d
doorgelaten licht
114
LABO
ONDERZOEK 1
IN
8
klas:
LABO Naam:
ONDERZOEK
klas:
nummer:
2
Onderzoek de bouw van een varkensoog. 1 Benodigdheden een varkensoog dissectieschaal
IN
schaar met scherpe punten pincet
scherp mes
wegwerphandschoenen
N
een stukje bedrukt papier keukenpapier
2 Observatie van de buitenkant van het oog Vink de delen aan die je herkent aan de buitenkant van het oog. oogleden oogbol
©
vetweefsel (wit weefsel)
spierweefsel (lichtroze weefsel)
oogzenuw (dikke ronde buisvormige structuur die uit de oogbol steekt) traanklieren (gebobbeld wit weefsel)
3 Dissectie van het oog
uk
VA
st
1 Een oog is bijna bolvormig, aan de buitenkant loopt het witte gedeelte helemaal rond het oog. Soms zit er nog vet- en spierweefsel aan vast.
of d
Knip met een schaar de spieren en het vetweefsel rond de oogbol weg.
2 Duw eens op de oogbol. Hoe voelt dat aan?
De harde, witte buitenlaag van het oog is ongeveer 1 mm dik; het is het harde oogvlies. Aan de voorzijde van het oog is het oogvlies mat en melkachtig wit: dat is het hoornvlies. Bij dieren is het hoornvlies
doorschijnend. Het hoornvlies is erg dik en taai omdat het uit meerdere lagen bestaat. Daardoor is het
fh o
Als je goed kijkt, zie je dat het iets boller dan de rest van het oog staat. Onder het hoornvlies ontdek je de
iris, hier donker gekleurd. De iris of het regenboogvlies is het gekleurde deel van het oog en ligt achter het
hoornvlies. In het midden van de iris bevindt zich een opening waarlangs het licht het oog binnendringt, de
pr oe
hoornvlies extra stevig en wordt het binnenste van het oog goed beschermd.
pupil.
3 Bekijk aandachtig de onderstaande tekening en snijd het oog open langs de evenaarslijn. Dat gaat het
gemakkelijkst als je eerst met de punt van een scherp mes of een schaar een gaatje prikt in de oogbol. Daarna kun je verder knippen via de evenaarslijn.
oogzenuw hoornvlies evenaarslijn
LABO
ONDERZOEK 2
115
LABO Naam:
klas:
nummer:
Hoe verloopt het openknippen van het harde oogvlies?
4 Wat stel je vast op het moment dat je het oog begint open te knippen? Die vloeistof is het glasachtig lichaam. Het reguleert de druk in de oogbol zodat het oog zijn vorm behoudt
en gemakkelijk in de oogkas kan bewegen.
5 Als je het oog volledig hebt opengeknipt, ontstaan er twee delen van de oogholte:
- het voorste deel met het hoornvlies,
Welke kleur heeft de binnenzijde van het oog?
N
- het achterste deel met de oogzenuw.
VA
IN
Dat is een donker pigment dat in het oog aanwezig is. Het verhindert lichtweerkaatsing.
6 In het voorste deel van het oog zie je de iris zitten. Je ziet dat die aan de zijkanten doorloopt in het
©
hoornvlies, dat aan de binnenkant tegen het harde oogvlies ligt. De iris vormt de scheiding tussen de voorste oogkamer en de achterste oogkamer. Afhankelijk van de hoeveelheid aanwezig pigment is de iris donkerder
uk
de ooglens.
Haal die er voorzichtig uit en leg ze opzij in de dissectiebak.
st
Bekijk het deel met de het hoornvlies. Als je goed kijkt, ontdek je daar een rond doorschijnend bolletje: dat is Til het kommetje even op. Je ziet nu duidelijk een opening in de iris: dat is de pupil. Je kunt door de pupil en door het hoornvlies de omgeving zien.
of d
of lichter gekleurd. Bij weinig pigment is de iris blauw of grijs.
7 Til de lens boven je dissectiebak op met een pincet en kijk door de lens naar de omgeving. Wat zie je?
fh o
8 Leg de lens op een stukje papier met tekst. Wat zie je? 9 Duw met je vinger zachtjes op de lens.
Schrap in de onderstaande lijst wat niet past.
pr oe
De ooglens is taai – vervormbaar – elastisch – eerder hard – doorzichtig – troebel.
10 Neem nu het deel waar de oogzenuw aan vastzit.
Welke kleur heeft het centrale gedeelte van dat kommetje?
Dat is het netvlies. Het centrale, licht gekleurde gedeelte is de gele vlek. Je kunt het netvlies met een pincet wegduwen. Op één plaats blijft het hangen: dat is de blinde vlek, de plaats waar de oogzenuw het oog verlaat.
116
LABO
ONDERZOEK 2
LABO Naam:
klas:
nummer:
11 Onder het netvlies zit een dun, vlezig laagje met bloedvaten: het vaatvlies, rijk aan bloedvaten. 12 Ruim nu je materiaal op.
- Verzamel al het dierlijk materiaal in een aparte zak of doosje zodat het gepast kan worden gesorteerd.
- Was de dissectieschalen en je dissectiemateriaal af met koud water.
- Zorg dat je de tafels schoon achterlaat! Laat je leerkracht controleren.
IN
4 Verwerking
Je kon tijdens de dissectie een aantal dingen ontdekken. We gaan hier dieper in op de functie ervan. Geef een verklaring bij elke vaststelling.
a Het harde oogvlies voelt stevig aan.
VA
b De oogbol voelt stevig aan maar valt in als het glasachtig lichaam wegstroomt.
N
d De pupil is een gaatje in het hoornvlies.
st
f Het vaatvlies is rijk aan bloedvaten.
uk
e De ooglens is elastisch, vervormbaar en doorzichtig.
©
c Het oog is zwartgekleurd vanbinnen. Denk aan wat je geleerd hebt over kleuren zien.
5 Reflectie
Beoordeel zelf jouw uitvoering van de proef. Stappenplan gevolgd?
Waarnemingen genoteerd? Zelfstandig gewerkt? Rustig gewerkt?
Alles goed opgeruimd?
pr oe
Labojas aan?
fh o
of d
Zet een groen vinkje als alles goed verliep. Zet een rood vinkje als het nog een werkpunt is.
LABO
ONDERZOEK 2
117
pr oe
fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
Notities
118
LABO Naam:
ONDERZOEK
klas:
nummer:
3
Vergelijk de leesafstand bij verschillende leeftijden. 1 Benodigdheden
IN
meetlat of lintmeter een blad met tekst in normaal lettertype en -grootte vijf proefpersonen van verschillende leeftijden
2 Werkwijze
1 Laat elke proefpersoon het blad op een afstand van zijn ogen houden zodanig dat de tekst goed leesbaar is.
N
Dat is de leesafstand.
2 Meet de afstand tussen de ogen en het blad.
VA
3 Noteer dat in de tabel, samen met de leeftijd van elke proefpersoon.
3 Waarnemingen
Leeftijd
Leesafstand
4 Verwerking
of d
st
uk
©
Naam
fh o
a Wat stel je vast als je de leeftijd vergelijkt met de leesafstand?
pr oe
b Verklaar die vaststelling.
5 Formuleer een besluit.
LABO
onderzoek 3
119
pr oe
fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
Notities
120
pr oe
fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
Notities
121
pr oe
fh o
N
VA
©
uk
st
of d IN
Notities
122
IN
LABO'S
LABO’S THEMA 1 EN 2 Onderzoek 1: Onderzoek hoe lichtstralen zich in het oog verplaatsen.
155
Onderzoek 2: Onderzoek de bouw van een varkensoog. Onderzoek 3: Vergelijk de leesafstand bij verschillende leeftijden.
161
VA
Onderzoek 4: Hoe reageren planten op zwaartekracht?
N
157
Onderzoek 5: Fototropie om de richting van het geluid te bepalen.
uk
Onderzoek 7: Onderzoek wat geluid is.
©
Onderzoek 6: Onderzoek het minimale tijdsverschil dat je oren gebruiken
Onderzoek 8: Onderzoek de voortplanting van geluid doorheen een middenstof.
of d
st
Onderzoek 9: Zoek informatie op over een van de volgende stoornissen.
DEEL 2
na herf
stvaka
ntie
pr oe
fh o
LABO’S THEMA 3, 4 EN 5
123