Deel 1 Helden Hoofdstuk
4
Deel 2 Goed fout p.
Deel 3 Verkeerd gezelschap
Hoofdstuk
p.
Hoofdstuk
p.
1 ‘Helden’
14
1 Hoofs en minder hoofs
106
1 U dikke ma
226
2 Alledaagse helden
19
2 AGMJ?
124
2 Argumenteren
237
3 Taal van alle tijden
25
3 Een samenvatting maken
131
3 De romantiek
247
4 De presentatie
33
4 Inpakken met woorden
138
4 De redevoering
256
5 Tekstverbanden
41
5 Als het kind maar een naam heeft
145
5 Tijdlijn van onze taal
265
6 Een kleine stap voor de mens
52
6 De perfecte partner?
153
6 Kortfilm
270
7 Wat een familie!
58
7 Goed of fout?
167
7 Realisme
280
8 Droog
64
8 Als het goed fout loopt …
175
8 Allez gij, waar zijme mee bezig?
290
9 Schema’s maken
72
9 Wablief?!
186
9 Go for zero!
297
10 Grenzen stellen: beleefd blijven!
80
10 Waarvoor ik bel …
195
10 Lange vingers
307
11 Struikelblokjes
83
11 Struikelblokjes: taalevolutie en de norm
203
11 Struikelblokjes
314
12 In de mix
86
12 In de mix
210
12 In de mix
317
Focus 5T
Deel 4 De naakte waarheid Hoofdstuk
Deel 5 Bling bling p.
Hoofdstuk
p.
1 Het nieuws van 25 maart
338
1 Het is niet al goud wat blinkt
448
2 Street art is hip
347
2 Is rijke taal moeilijke taal?
457
3 Wikipedia
354
3 Vandaag geen interviews!
465
4 Wat als?
365
4 Wegzappen die handel?
475
5 De naakte cijfers van de boekenverkoop
372
5 Mijn geld, mijn rekening
480
6 Reageren
385
6 Vergaderen
488
7 De naakte waarheid of toch niet?
394
7 Wonderland
497
8 Heb jij een zuiver geweten?
405
8 Kabouters en techniek
501
9 ‘Koken is de porno van deze tijd’
412
9 Handleidingen
515
10 Half Life in Neverwhere
419
10 Knal!
527
11 Struikelblokjes
428
11 Struikelblokjes
534
12 In de mix
432
12 In de mix
539
Inhoud
5
Strategisch Leren Inleiding
7
STUDIETIPS oriënteren op en voorbereiden van het studeren
Bekijk samen met je leerkracht de leerwijzer bij het begin van elk deel. Verken en duid aan • wat je moet leren, • wat je moet oefenen, • wat van je verwacht wordt.
uitvoeren: het studeren zelf
Na het verkennen van de leerstof, prent je die goed in. Herhaal zeker voldoende. Wat kan je daarbij helpen? • de kenniskoffers in je leerwerkboek met de rode mica als hulpmiddel • oefeningen opnieuw maken • aanvullende oefeningen maken op de website
reflecteren op het studeren
Maak voor jezelf een kleine toets en ga na of je de vragen kunt beantwoorden. Vink de ingeoefende onderdelen aan op de leerwijzer als je ze onder de knie hebt.
evalueren van het studeren
Je maakt overhoringen in de klas. Besteed extra aandacht aan die vragen die je niet (volledig) correct kon beantwoorden.
Strategisch leren Zowel bij lezen, kijken en luisteren als bij spreken en schrijven is het belangrijk om een passende strategie te gebruiken. In je leerwerkboek tref je daarom uitgewerkte OVUR-kadertjes aan; zoals je weet staan die letters voor oriënteren, voorbereiden, uitvoeren en reflecteren (of nadenken over). Daarover leerde je de vorige jaren al en je oefende dat voortdurend in. Het toepassen van die strategie moet uiteindelijk een automatisme worden en almaar vlotter verlopen. De algemene OVUR-kaders op p. 9-10 kun je raadplegen bij elke opdracht lezen, luisteren, spreken of schrijven waar geen afzonderlijk uitgewerkt OVUR-kader voorzien is.
8
Focus 5T
SCHRIJVEN VOOR het schrijven
TIJDENS het schrijven
NA het schrijven
oriënteren
uitvoeren
reflecteren
Wat is het onderwerp? Welk teksttype moet je schrijven? Wat is het schrijfdoel? Voor welk publiek zul je schrijven?
Houd rekening met je schrijfdoel. Werk je woordspin of mindmap bij. Maak een beknopt schema en een kladversie van je tekst. Houd rekening met de evaluatiecriteria: overloop het evaluatieformulier in je leerwerkboek.
Heb je het schrijfdoel bereikt? Waarom wel/niet? Welk effect heeft je boodschap op de lezer? Hoe verliep het uitvoeren van je schrijftaak? Indien je problemen ondervond, hoe loste je die op? Welke positieve punten zal je behouden?
voorbereiden Wat weet je al over het onderwerp waarover je zal schrijven? Wat wil je precies schrijven? Hoe moet je tekst er uitzien? Heeft je tekst speciale kenmerken? Stel een schrijfplan op. Verzamel de nodige informatie: maak een woordspin of een mindmap. LEZEN VOOR het lezen
TIJDENS het lezen
NA het lezen
oriënteren
uitvoeren
reflecteren
Observeer de tekst. Ga op zoek naar titels, tussentitels, foto’s en onderschriften, grafieken, tabellen … Welke tekstsoort en welk teksttype is deze tekst? Voor wie is de tekst bedoeld? Wat is het vermoedelijke tekstdoel? voorbereiden Wat is het onderwerp? Wat weet je er al over? Wat wil je erover bijleren, te weten komen? Wat is de bron? Wie is de zender?
globaal lezen Ga na wat het hoofdonderwerp is van de tekst. Lees de inleiding en het slot. Lees de begin- en eindzin van een korte(re) tekst. zoekend lezen Ga op zoek naar de verschillende delen. Zoek sleutelzinnen en signaalwoorden. Ga na welk taalregister er wordt gebruikt. Onderscheid hoofdzaken van details. Onderscheid feiten van meningen. Zoek antwoorden op vragen die in opdrachten worden gesteld.
Begrijp je de inhoud van de tekst? Weet je nu wat je wilde weten over het onderwerp? Klopt het wat er in de tekst wordt gezegd? Ben je het eens met wat de auteur schrijft? Hoe verliep het lezen?
intensief lezen Gedetailleerd lezen op zoek naar • verklaringen van moeilijke woorden (bv. via de context); • verwijswoorden en signaalwoorden; • kernwoorden. Maak aan de hand van die woorden een schema en/of samenvatting (= studerend lezen).
Strategisch leren
9
SPREKEN VOOR het spreken
TIJDENS het spreken
NA het spreken
oriënteren
uitvoeren
reflecteren
Houd rekening met je spreekdoel. Gebruik je woordspin of mindmap als leidraad bij je spreekopdracht. Houd tijdens het spreken rekening met de evaluatiecriteria.
Heb je het spreekdoel bereikt? Waarom wel/niet? Welk effect heeft je boodschap op het spreekpubliek? Hoe verliep het uitvoeren van je spreektaak? Indien je problemen ondervond, hoe loste je die op? Welke positieve punten zul je behouden?
Wat is het onderwerp? Wat is het spreekdoel? Wie is het publiek voor wie gesproken wordt? voorbereiden Wat weet je al over het onderwerp waarover je zult spreken? Waarover wil je precies spreken? Stel een spreekplan op. Verzamel de nodige informatie: maak een woordspin of een mindmap.
LUISTEREN (EN KIJKEN) VOOR het luisteren (en kijken)
TIJDENS het luisteren (en kijken)
NA het luisteren (en kijken)
oriënteren
uitvoeren
reflecteren
Welk soort en welk type fragment beluister (en bekijk) je? Voor wie is het fragment bedoeld? Wat is het vermoedelijke luisterdoel? Hoe vaak krijg je het fragment te horen en te zien?
(eerste luisterbeurt) globaal luisteren (en kijken) Ga na wat het hoofdonderwerp is van het fragment. Noteer moeilijke woorden die je te horen kreeg. Noteer beknopt kernwoorden en woordgroepen die in grote lijnen de inhoud weergeven.
voorbereiden Wat is het onderwerp? Wat weet je er al over? Wat wil je erover bijleren, te weten komen? Wat is de bron? Wie is de zender?
(tweede luisterbeurt) zoekend luisteren (en kijken) Ga op zoek naar de verschillende delen in het fragment. Zoek sleutelzinnen en signaalwoorden. Ga na welk taalregister er wordt gebruikt. Onderscheid hoofdzaken van details. Zoek antwoorden op vragen die in opdrachten worden gesteld. intensief luisteren (en kijken) Gedetailleerd luisteren (en kijken) op zoek naar • verklaringen van moeilijke woorden (bv. via de context); • verwijswoorden en signaalwoorden; • kernwoorden. Maak aan de hand van die woorden een schema en/of samenvatting.
10
Focus 5T
Begrijp je de inhoud van het fragment? Weet je nu wat je wilde weten over het onderwerp? Klopt het wat er in de tekst wordt gezegd? Ben je het daarmee eens? Hoe verliep het luisteren (en kijken)?
Helden
1
12
DEEL 1 • Helden • • • • • • • •
5 Tekstverbanden
6 Een kleine stap voor de mens
Je vindt en verwoordt de verschillen en gelijkenissen tussen twee nieuwsfragmenten over hetzelfde onderwerp. Je geeft je mening over twee nieuwsfragmenten over hetzelfde onderwerp. Je weet wat een column is en je herkent dit teksttype als dusdanig. Je leest een krantenartikel kritisch.
52
41
• • • • • • •
4 De presentatie
25
Je markeert verbanden (signaalwoorden) tussen tekstdelen. Je benoemt de aard van het verband tussen tekstdelen. Je maakt tekstschema’s. Je herkent en benoemt vaste tekststructuren.
Je kijkt en luistert intensief naar een tv-programma. Je kent en verwoordt een aantal feiten over de evolutie van onze taal. Je benoemt de drie periodes in de geschiedenis van het Nederlands. Je herkent, onderzoekt en benoemt elementen van taalverandering en betekenisverandering, o.a. betekenisverschuiving, betekenisverenging, betekenisverruiming, meliorisatie, pejorisatie. • Je herkent en onderzoekt de connotatie van woorden. • Je herkent gevleugelde woorden.
33
• • • •
3 Taal van alle tijden
19
14
p.
Je bepaalt de positieve punten en werkpunten van een PowerPointpresentatie. Je zoekt correcte informatie op en schat de betrouwbaarheid van bronnen in. Je noteert bronnen op een wetenschappelijke manier. Je vergelijkt bronnen met elkaar en gebruikt ze correct. Je maakt een degelijke PowerPointpresentatie. Je houdt een degelijke, heldere en vlotte presentatie. Je evalueert een presentatie aan de hand van een hulpschema.
• Je leest informatieve artikels intensief. • Je vergelijkt de inhoud van een krantenartikel en een tijdschriftartikel. • Je bepaalt het tekstdoel van een krantenartikel en een tijdschriftartikel.
2 Alledaagse helden
Je discussieert over helden. Je beantwoordt vragen over een televisieprogramma. Je beluistert radioprogramma’s en beantwoordt bijbehorende vragen. Je leest krantenberichten en past daarbij de strategie zoekend lezen toe. Je formuleert wat kenmerkend is voor echte helden.
• • • • •
1 ‘Helden’
Wat oefen je in dit deel?
Deel 1 – Helden
Doelstellingen
13
• Je leert veelvoorkomende taalfouten te vermijden. • Je spelt werkwoorden correct. • Je spelt een aantal moeilijke woorden correct.
11 Struikelblokjes
• • • • • • • •
• • • • •
10 Grenzen stellen: beleefd blijven!
12 In de mix
• • • • • •
9 Schema’s maken
Je beantwoordt de w-vragen na het lezen van een krantenartikel. Je legt verbanden tussen het thema van een fictioneel en een non-fictioneel fragment. Je neemt een standpunt in en je haalt argumenten aan. Je kent de verschillen tussen een kwaliteitskrant en een populaire krant. Je past een artikel uit een kwaliteitskrant aan de stijl en lay-out van een populaire krant aan. Je leeft je in in een beschreven situatie en je beschrijft je gevoelens in die situatie. Je vat een kort luisterfragment schematisch samen. Je omschrijft de kenmerken van een antiheld.
Je legt uit wat eufemismen en dysfemismen zijn. Je legt uit waarom en wanneer eufemismen en dysfemismen gebruikt worden. Je gebruikt eufemismen en dysfemismen in verschillende situaties. Je zoekt relevante informatie op een website over taal. Je bepaalt en onthoudt de belangrijkste informatie van een webpagina.
Je leest informatieve teksten oriënterend en intensief. Je analyseert en beoordeelt tekstschema’s. Je markeert verbanden tussen tekstdelen en je benoemt de aard van het verband. Je herkent en benoemt vaste tekststructuren. Je maakt tekstschema’s. Je vult een tekstschema aan met nieuwe informatie uit een andere bron.
Je herkent en benoemt humorsoorten en -technieken. Je kijkt en luistert oriënterend en intensief. Je typeert een stand-upcomedian en zijn humor. Je geeft je oordeel over bepaalde humorsoorten en -technieken. Je herkent en benoemt humor in Van den vos Reynaerde.
• • • • •
8 Droog
Je doorgrondt poëtische teksten. Je herkent een aantal stijlfiguren en je legt het effect ervan uit. Je beantwoordt vragen over een televisiereportage. Je weet wie Louis Paul Boon was en wat hij betekent voor de Vlaamse literatuur.
• • • •
7 Wat een familie!
86
83
80
72
64
58
1
‘Helden’
Wat oefen je in dit hoofdstuk? • Je discussieert over helden. • Je beantwoordt vragen over een televisieprogramma. • Je beluistert radioprogramma’s en beantwoordt bijbehorende vragen. • Je leest krantenberichten en past daarbij de strategie zoekend lezen toe. • Je formuleert wat kenmerkend is voor echte helden.
Opdracht 1 1 Wie van deze mensen zou jij een held noemen?
Marie-Rose Morel
Nelson Mandela
Mahatma Gandhi Kim Clijsters ncellara Fabian Ca
Hillary Clinton
Ik er Ca sil la s Erik Van Looy
Moeder Theresa
Bar ack Oba ma Marleen Temm erman
Peter Piot Marc Herremans
Tom Boonen
Pater Damiaan
Roger Fe derer
Peter Van de Veire
2 Kies er een persoon uit. Waarom noem je hem/haar een held?
3 Welke andere namen wil jij aan het lijstje toevoegen?
14
DEEL 1 • Helden
mpany Vincent Ko
Her man Van Rom puy
Angelina Jolie
Opdracht 2 Tom Waes nam voor het programma Tomtesterom elke week een uitdaging aan. Met behulp van een handleiding en specialisten leerde hij in enkele weken o.a. schansspringen en een Boeing besturen. Kijk naar het fragment Beklimming El Capitan. Je mag tijdens het fragment niets noteren. 1 Noteer in vijf zinnen waarover het fragment gaat.
2 Vind jij Tom Waes een held?
3 Waarom (niet)?
Opdracht 3 Hoe word je een held? Luister naar het fragment Hoe word je een held? uit het programma Leef lang van Radio 1. Pat Donnez praat met zijn gasten Michael Van Peel (Antwerpse stand-upcomedian), Warre Borgmans (acteur-regisseur), Bart Cannaerts (stand-upcomedian) en Ivo Victoria (schrijver) over de eigenschappen van helden. 1 Over welke eigenschappen beschikken helden volgens de sprekers?
2 Wie van jouw helden (zie opdracht 1) beschikt ook over deze eigenschappen?
1 ‘Helden’
15
3 Jouw helden beschikken vast over andere positieve eigenschappen. Welke eigenschappen ontbreken volgens jou in het lijstje van het radioprogramma?
Opdracht 4 In deze opdracht vergelijk je twee helden met elkaar. Lees deze twee artikels.
1
Dilbeekse buren gevierd voor heldendaad 1
5
10
15
20
25
30
DILBEEK – Het gemeentebestuur heeft gisteren enkele inwoners in de bloemetjes gezet. In de nacht van 13 op 14 januari grepen zij in tijdens een appartementsbrand in Groot-Bijgaarden en vermeden zo dat er slachtoffers vielen. De brand deed zich voor bij de start van het weekend in een appartement tegenover het warenhuis Aldi in de Brusselstraat. De vlammen sloegen al heel snel uit de ramen, terwijl ook in andere appartementen heel wat mensen in bed lagen. Dankzij een paar buren die iedereen wakker maakten door onophoudelijk met hun wagen te claxonneren, kon iedereen het pand op tijd verlaten. ‘Iedereen beseft dat de balans zonder die buren veel erger had kunnen zijn’, zegt burgemeester Stefaan Platteau. Twee van de gevierde burgers waren Danny Dewitte en zijn echtgenote Ingrid Wouters. ‘Wij wonen in de Boerkozenstraat, aan de achterzijde van de appartementen waar er toen brand uitbrak. Mijn echtgenote werd plots wakker door het gerinkel van brekend glas. Ze dacht eerst nog dat er iemand aan het inbreken was in onze wagen. Toen we buiten keken, zagen we de vlammen al uit de ramen slaan’, zegt Danny Dewitte. ‘We hebben de brandweer gebeld, zijn naar buiten gelopen en zijn dan beginnen te bonken op de deuren en vensters van het appartement, want helaas deden de deurbellen het al niet meer. We kregen de mensen niet snel genoeg wakker, terwijl de rook-
35
40
45
50
55
ontwikkeling al enorm aan het worden was. Ik weet niet meer hoe ik er op gekomen ben, maar ik ben in een wagen van een buurman gesprongen en onophoudelijk beginnen te claxonneren. Het bleek efficient, want de mensen uit de appartementen werden nu wel wakker en kwamen een voor een naar buiten.’ ‘Als het nog eens zou voorvallen, zouden we net hetzelfde opnieuw doen’, zeggen Danny en Ingrid. ‘Dat de gemeente ons nu uitnodigt in het gemeentehuis om ons te bedanken is fijn, ook al hoefde dit niet.’ Of ze beseffen dat zonder hen misschien niet iedereen uit de brand geraakt zou zijn? ‘We denken daar wel aan af en toe, maar dat besef is pas later gekomen, niet op het moment zelf.’ Ook de 75-jarige Lisa Delaen werd in het gemeentehuis uitgenodigd en ontving een aandenken van de gemeente. ‘Ik woon ook in de Brusselstraat in GrootBijgaarden en ben wakker geworden door het tumult op straat. Toen ik al die mensen uit die appartementen daar buiten zag staan in hun pyjama, had ik echt met hen te doen. Ik heb hen allemaal uitgenodigd bij mij thuis, want de meesten stonden gewoon te rillen van de kou. Ik heb koffie voor hen gemaakt en sommigen die moesten hoesten door de vele rook heb ik water gegeven zodat ze toch even konden bekomen. Sommigen hadden zelfs hun kat mee in een mandje. Neen, die nacht, die vergeet ik nooit meer.’
60
DEPRAETERE, I., Dilbeekse buren gevierd voor heldendaad, Het Nieuwsblad, 2012-07-16.
16
DEEL 1 • Helden
2
Het dodelijke ebolavirus ontdekken, mojito drinken bij Fidel Castro, meer dan eens nipt aan de dood ontsnappen: microbioloog Peter Piot (63) heeft stof genoeg voor zijn memoires. Maar het was vooral de strijd tegen aids die zijn leven overnam. Te veel soms. Al was het niet alleen een gevecht tegen virussen.
‘Ik wist niet dat mensen zo slecht konden zijn’ 1
5
Peter Piot, arts en doctor in de microbiologie, was nauwelijks 27 jaar toen hij in 1976 naar Congo trok om het toen nog onbekende, maar extreem dodelijke ebolavirus op te sporen. Tegen alle advies in. ‘Kies maar een andere specialisatie’, raadden kennissen Peter aan. ‘Alle virussen zijn al ontdekt.’
20
25
10
15
Na het ebolavirus in 1976 werd hij in de jaren tachtig geconfronteerd met de eerste aidspatiënten. Hij zette in verschillende Afrikaanse landen aidsbehandelingsprogramma’s op. Met het Projet Sida lanceerde hij mee het eerste aidsproject in Afrika.
30
35
Maar het ging allemaal te langzaam voor Peter Piot en als dokter-wetenschapper voelde hij zich vaak machteloos. Hij kon de patiënten enkel verzorgen en onderzoeken, maar hij kon de ziekte niet voorkomen. Hij wou meer doen: preventie, ervoor zorgen dat aids zich niet verder verspreidde. Daarom ging hij in 1992 aan de slag bij de Wereldgezondheidsorganisatie. In 1995 kwam hij aan het hoofd van UNAIDS, het programma van de Verenigde Naties in de strijd tegen hiv en aids. Maar ook dat verliep niet van een leien dakje: ‘De opdracht
40
45
50
was zo gigantisch, andere mensen begrepen dat niet. Ik was werkelijk de enige werknemer van UNAIDS en ik moest de wereld redden van aids. Komaan!’ Het had ook anders gekund. Nog regelmatig vraagt Piot zich af of hij zelf ook meer of beter had kunnen doen. Hij weet het niet. ‘Het duurde twintig jaar voor de wereld echt geld vrijmaakte om aids aan te pakken.’ Hier voelt Peter Piot zich wel schuldig over. En ook over het feit dat het zo lang duurde voor de prijs van aidsmedicijnen naar beneden ging.
Naar: SMEDTS, S., ‘Ik wist niet dat mensen zo slecht konden zijn’, De Morgen Magazine, 2012-06-09.
1 Beantwoord de kernvragen bij de twee artikels. artikel 1 – Dilbeekse buren gevierd voor heldendaad
artikel 2 – ‘Ik wist niet dat mensen zo slecht konden zijn’
Wie?
Wat?
Waar?
Wanneer? Hoe?
1 ‘Helden’
17
Waarom?
Gevolg?
2 Zijn de Dilbeekse buren en Peter Piot helden volgens jou? Waarom (niet)?
Opdracht 5 Je hebt verschillende fragmenten beluisterd en teksten gelezen over helden. Tijd voor een besluit. Beschrijf in minimaal vijf zinnen wat een held is volgens jou. Vermeld de eigenschappen die een held moet bezitten.
18
DEEL 1 • Helden