Skip to main content

Focus 4 werkboek voorbeeldhoofdstuk

Page 1

Hoe werk je 1

1

4 delen

9

1

115

Elk deel bestaat uit

179

VAARDIGHEDEN

p. 116

JZER LEERWI

Inhoud

119 119 120

Iedereen Deel 2

lde tijd en verte Verteltijd vingers 1 en van zijn De woord 1.1 o Verteltemp 1.2

leer je? je? Kennis: wat en: wat oefen verwacht? Vaardighed er van je wat wordt Attitude:

124

uniek! KIJKEN • LEZEN

ten uurfragmen ent. literair fragm tijd van literat vertelde t van een aal tijd en de gmenten. Je genie Lichaamst rijft de vertel literatuurfra 2 tempo in Je besch filmfragment. normaal traag en en van een mt een snel, Je benoe context. r. nd met de ve manie sch ng houde een creatie Legendari jezelf op nalen, rekeni 3 legende Je uit houding. lichaamssig Sage en en spreek eteert goede 3.1 op … bijzinn Je interpr voor een FOCUS aandacht 3.2 Je hebt e. Stadssage bijzin. pte legend 3.3 en een een bekno een sage erhaal, urban e bijzin en rken op van een gewon broodjeaapv tekens de kenme il tussen legende, op … woord Je somt mt het versch een stadssage (stads ervan. FOCUS en benoe rken 3.4 roken op van Je ziet ds gesp kenmerken je benoemt de kenme op het internet. de legen somt den Je erhaal) en Over urban atie gevon 4 legend, stadsv h tegenover inform l. spellingsrege kritisc turen) Je staat woorden bij de juiste n (tekststruc de klas. t de gene t die voor ’t Zit in Je plaats d en je breng 5 legen n. aan. en -zinne t een urban khouding lwoorden Je verzin een goede spree van signaa t aan de hand Je neem tekst van een structuur haalt de structuren. Je achter en benoemt vaste t . Je herken je woordenschat. nlijke keuze t een persoo vlot over Je verruim t op. bondig en en toleran Je vertelt je nieuwsgierig Je stelt

133 133 136 137

• LUISTEREN

145 146

• SCHRIJVEN

149

• SPREKEN

154

een beluistert

informatieve

repor tage

volgens

de aange

leerde

6

Bekeken

op Faceb

ook

KIJKEN • LEZEN

Op de eerste twee pagina’s van elk deel vind je niet alleen de inhoudstafel van dat deel, maar ook een overzicht van de vaardigheden en de kennis die erin aan bod komen.

• LUISTEREN

en. t en s het luister t. en tijden Je bekijk woordgroep het fragment correc lijke en strategie. oorden en n over op een duide rt kernw delijke vrage onder werp Je notee woordt inhou mening over een Je beant et ziet. leert je eigen r. poëzie op het intern Unieke Je formu rde manie atie die je 7 gestructuree h tegenover inform ken. kritisc Je staat reteer t grafie en interp Je leest . hten. beeld. t van gedic beeldpoëzie woord en je pen Je genie ordt je mening over combinatie van Kruip in een 8 Je verwo verantwoordt en edicht. Je kiest zelf een vormg rt tekst. le creëe Je non-fictione atie op. bouwde, inform t een onder en zoekt Je schrijf t je onder werp af plan. een bouw tekst. Je baken de informatie in t r toe in je tend lezen oud Genie Je orden probleemstructuu de 9 je tekst. op … meerv FOCUS Je past ert en herwerkt orden t. 9.1 op … telwo Je evalue ldt de bronnen correc FOCUS 9.2 ent. Je verme literair fragm en correct. t van een en die een woord oud van met woord rechten Je genie orden. het meerv combinatie van telwo uest: mijn Je spelt art de schrijfwijze van telwoorden in 10 Webq even. weerg ik Je verkla na over het gebru ht of geldwaarde gewic Je denkt elheid, tijd, et. hoeve men. intern maat, bij proble op via het en helpen jij. informatie die jonger e zitten dan efficiënt organisaties een andere situati aan de klas. Je zoekt kennis met je voorstelt die in advies dat jongeren Je maakt atie in een begrip voor den inform Je toont rkt de gevon Je verwe

• SCHRIJVEN

Deze icoontjes staan boven een nieuw hoofdstuk. Ze geven aan op welke vaardigheden je vooral zal trainen.

158

160

165

• SPREKEN

167

BZL

Doelstelling

Gelezen en (goed)gekeurd

4

en 117

ouwt die met argumenten. Je verwoordt je mening en onderb ken van een lezersbrief. Je herkent en benoemt de kenmer ere synoniemen. moeilijk Je vervangt woorden door signaalwoorden wijzen. Je legt uit waarop verschillende n voldoet. rief die aan de genrekenmerke Je schrijft een vlotte lezersb . corrigeert taalfouten in teksten Je hebt aandacht voor stijl en

Mollige vrouwen

3

4

Jouw teken om je bronnenboek erbij te nemen. Het werkt heel eenvoudig: het eerste cijfer ( 3 ) verwijst naar het deel, het tweede ( 4 ) naar het hoofdstuk en het derde ( 3 ) naar het nummer van de bron in je bronnenboek.

3

3

4

3

Fragmen Michaël t uit Vliegen tot de De Cock hemel. H et verhaa l van de M inotaurus –

‘En wie mag jij w el zijn, vr jonge vr eemdelin ouw hem g?’, vroe . Ze had la g een nge, zwar te haren naar bene die over den golfd haar scho 5 T hese en. Vana uders us schuw f de rots aan te ki en stond naar bove jken toen ze n volgde hij het sm . De sche voeten to al le pad lp en kraakt en hij ha ar richtin en onde muziek. r zijn g uitliep. Het klon ‘Ik bendvd k al s de zoon van koni 10 Ath ene’, zei ng Aegeu hij. ‘Mijn s en ik ko Ze keek naam is m uit Theseus Theseus.’ aan en gl Athene … imlachte W . van Athen at was het lang geleden e gehoor dat ze no d had. Ze Athene ge g iets had ooit kend. Hij zee’, had 15 een jong naar het heette Ic ste ogen ze hem ge en uit eiland ge arus. Hij die ze oo zegd. ‘Je komen. ha it Minotau d ge ku de zie nt Zijn vade mooin had. ‘Je rus opge r was arch erin verdrinken. hebt ogen sloten za van hun ’ Hij was itect. Hij t. Het w al s aanwezig de samen m as allem had het 20 ‘T he heid op et zijn va aal zo la labyrint seus’, ze Kreta zo de ng gelede gebouwd i de jong u zien, da n. Als ze waarin de r Kreta?’ e vrouw n zo u ni ze het m toen. ‘W et elke da isschien at doet de g het be ‘Dat is ee niet mee wijs koningsz n la r ge oon van ‘Ik hou va ng verhaal.’ Athene he loven. n lange ve le m aa rhalen.’ ‘Kun je ee l alleen op n ge he 25 ‘Als geen ande im bewaren?’, vr oeg The r …’, zei ‘Ik ben op seus. zoek naar ze. Even zei het laby rint.’ ze niets. ‘Als je he t labyrin t zoekt,’ oude no zei ze to tenboom en, ‘loop 30 Ida en loop je alvast heet, zal dan de st de goed je eile helli he t e richtin labyrint Theseus ng op na g uit. Vo zien ligge knikte. ar boven. lg dit pa n.’ ‘Maar ve In de vlak d tot bij rtel eens te voor he de , Theseus ben je op t woud da ,’ ze zoek naar i de jong t e vrouw het laby ‘Dat wee di rin t e ik t? nu be W pa st’, zei Th eet je da s echt ge 35 Ze n niet w glimlach eseus. ïnteressee at erin op te. rd raakte ‘Als je w gesloten , ‘waarom eet wie er zit?’ in het l volge

Bij die opdracht zal je een videofragment bekijken.

4

* 4.1 heikel: moeilijk, bedenkelijk Opdracht 1

dvd

1 Bekijk het filmpje Lekker dik?!

orden.

en vul de tabel aan met kernwo

ideaal

wie 17de eeuw (gouden eeuw)

Rubensvrouwen

dik is rijk en mooi

In deze kaders ontdek jeextreem de slanke betekenis taille (korset) van moeilijke woorden. In de tekst wijde kledij zonder achtig, worden ze aangeduid metjongens een sterretje 20ste eeuw begin vrouwenemancipatie taille of asterisk (*).

18de eeuw

eind 1950

Marilyn Monroe

1960

topmodel Twiggy, wetenschappers

vanaf 1990

catwalkmodellen

vrouwelijke rondingen

dik is ongezond, borst- en billoze lichamen graatmager

Want ? Ze staan erbij en kijken ernaar. met de uitspraak ‘En de mannen 2 Wat wordt volgens jou bedoeld Deel je mening met de klas. lijkt er niet meer toe te doen’? wat zij mooi of lekker vinden, ling. Persoonlijk antwoord - monde 4 Gelezen en (goed)gekeurd

cd

Bij deze tekst of oefening zal je leerkracht je een audiofragment laten beluisteren.

55

m


e

met Focus 4?

+

NADENKEN OVER TAAL

FO CUS

TAAL

Je zoomt even in op een rtelde tijd stukje spelling, zinsleer of taalbeschouwing. rie elementen onder de loep. In de hoofdstukken nadenken aal zich afspeelt, bv. (historisch) verleden, over taal staan daarover extra urtenissen verteld worden: oefeningen. realiteit, met eventueel een Je leerkracht zal je zeggen ongen; rwards. wanneer je die moet maken, erteltijd en de vertelde tijd. nu meteen of later.

2

ZINSLEER

Verteltijd en vertelde tijd

5

Jongens en meisjes met een informatieve identitei tsstijl, die bijvoorbeeld graag veel informatie krijgen voor ze een beslissing nemen, hebben een hogere doeltref fendheid sbeleving en intrinsieke studiemotivatie.

2

Als je de tijd in een verhaal bespreekt, neem je drie elementen onder de loep. Ja, ik wil heel Wanneer leerkrachten 2 lesopnam 2 1 zich met 1 De setting: de tijd en plaats waarin het verhaal afspeelt, bv. (historisch) verleden, es geconfro 1.5 FOCU nteerd worden, vergroot het bewustzijn graag met je S op ... neve wel. ngeschikte heden of toekomst. ondergesch en trouwen! ikte zinnen 2 De chronologie: de volgorde waarin de gebeurtenissen verteld worden: 2 Hoe herken C je een bijzin als zinsdeel Opdracht 18 stuk? • chronologisch, in dezelfde volgorde als de realiteit, met eventueel een Lees het onde rstaande stukj e uit de tekst Het hele jaar komkommers, 3 Maak terugverwijzing/vooruitwijzing en tijdssprongen; zelf enkele bijzinnen als zinsdeel graag. De directeur stuk door deze zinnen aan van een Vlaa te vullen. mse reclamere a De zomer verkoopt – gie – een bedr • achronologisch, met flashbacks of flashforwards. geeft grif toe ijf dat adve dat kranten , is prachtig geweest. rtentieruimte en tijdschrifte en augustus in de b Hij wist niets meer te n in de zom zijn er de helft ia ermaanden 3 Het med zeggen,de verteltempo: de verhouding tussen verteltijd en de vertelde tijd. minder adve de jongen moeilijk ligge Eigenlijk is dat rtenties, onda n.

A

FO

‘In juli paradoxaal, nks de spec iale promoties want dat is net . Dat is over een heel dank al zo. en dus ook bare periode meer lezen.’ voor lezers. Ze hebben mee r

tijd en ze kunn 1 Vul de onde

US

Licha A

SPELLING

.

c Het museum,

, moest gesloten De verteltijd kun je uitdrukken in hethet aantal woorden, regels of pagina’s dieworden. de auteur d Nog voor donker was, slopen ze het huis , binnen. heeft om Vul de zinnen nu aan gebruikt om een verhaal te4 vertellen, ofmetineendebijzinhoeveelheid tijd die de lezer nodig als zinsdeel. a het te lezen. , wilde

rstaande zinne

B

n aan met neven schikking of In het omcirkeld onderschikking. e stukje tekst zien we een Het onderstre epte stuk tekst bevat een 2 Markeer in die zinnen nu overal het onde rwerp en de pv in een versc hillend kleur . Wat stel je

hij zo vlug mogelijk naar

b Hij kon niet meer spreken,

beneden.

. De vertelde tijd is de tijd in in het c het verhaal zelf. Het is de tijd die de gebeurtenissen . . , was hij in alle staten. verhaalvast?in beslag nemen. d

t is de tijd die de gebeurtenissen in het

d van de gebeurtenissen, maar hij kan er versnellen.

, zijn pet stond altijd op.

Opdracht 5baseren op de tijd van de gebeurtenissen, maar hij kan er Een auteur kan het verteltempo Iets moeilijker nu. ook voor kiezen om het tempo te vertragen of te versnellen. 1 Onderstreep in dit artikel rschikking Wat jammer voor jouondedat je de nevengeschikte zin en 1 markeer de bijzin. 1.6 Waaro Is de verteltijd kleiner dan de vertelde tijd, dan is het tempo snel. m we allem gezakt bent voor die toets! aal van Mar  vooral op de Opdracht 19 auteur beschrijft niet alles in detail en focust s De komen Bekijk de afbee ldingen in je handelingen. Hij kan in een zin een tijdssprong maken van jaren,  bronnenboek. 1 Wat is volge ns jou een stere otype? bv. Tien jaar 6later kwam hij op dezelfde plek. Een snel tempo komt in veel verhalen voor. 2 Welke afbee ldingen Over nevenen onderschi kking lees je in je werkboek meer in ..

je bronnenboek

en bij 8.1 Neve

nschikking en

5

het tempo snel. vooral op de aken van jaren, snel tempo

et tempo een, bv. bij de

1

2

als zinsdeel

Leerlingen die zichzelf als gender-atypisch beschou wen scoren slechter als het gaat om doeltref fendheidsbeleving op school.

Lichaamstaal

orden, regels of pagina’s die de auteur veelheid tijd die de lezer nodig heeft om

het tempo traag. n toe aan de een passage

Opdracht 4 Je leerde vroeger al dat een bijzin kan voorkomen als zinsdeel of als zinsdeel 1 Duid in deze zinnen uit stuk. het artikel de bijzin aan en schrijf ernaast of het gaat of als zinsdeelstuk. over een bijzin

1

C

tonen een rolpa troon?

3 Welke afbee ldingen door breke

n het stereotyp

In je bronnenb

oek vind je een

Lees de tekst

Waarom we

e beeld of een klassiek

kenniskof fer

allemaal van

over stereotyp

Mars komen

n.

C

Is de verteltijd groter dan de vertelde tijd, dan is het tempo traag. De auteur voegt detailbeschrijvingen of gedachten toe aan de 74 Deel 1 Venus en Mars jou? handeling. De auteur kan spanning oproepen of een passage extra onder de aandacht brengen door vertraging (= retardering) te gebruiken. 7 EB (auteur), De Morgen,

3 augustus 2011.

1

1

oek.

1

rolpatroon volge ns

en en rolpatrone

in je bronnenb

4

8 Is de verteltijd gelijk aan de vertelde tijd, dan is het tempo 9 normaal; gebeurtenissen en verslag komen overeen, bv. bij de kennis die onmisbaar is om de vaardigheden en 1 Over jong ens letterlijke weergave van dialogen. en meisjes 29 1

1

Kenniskoffers bevatten de opdrachten bij nadenken over taal in dit D boek onder de knie te krijgen. De koffers staan in je bronnenboek. 1

1

Ik ben rustig!

Ik ben rustig!

Om de leerstof in te oefenen of te studeren kun je de belangrijkste woorden onleesbaar maken met de rode mica die bij je boek zit. Het is fijn dat ik naar je feestje mag komen.

De site die bij dit boek hoort. De oefening, tekst of link die je nodig hebt, vind je terug onder hetzelfde deel en paginanummer als in je boek. Op de site is bovendien een schat aan extra informatie en oefeningen verzameld. Die kun je ook op eigen houtje verkennen.

focus.deboeck.com 74

Deel 2 Iedereen uniek!

2 Lichaamstaal

75

Onderaan op de linkerpagina zie je altijd in welk deel je aan het werken bent, onderaan op de rechterpagina in welk hoofdstuk.

5


NADENKEN OVER TAAL

KIJKEN • LEZEN • LUISTEREN • SCHRIJVEN • SPREKEN

1 Venus en Mars

6

2 Iedereen uniek!

Over jongens en meisjes Handboek voor de moderne man Non-fictionele teksten FOCUS op … leestekens en hoofdletters Het hele jaar komkommers graag FOCUS op … nevengeschikte en ondergeschikte zinnen Waarom we allemaal van Mars komen FOCUS op … hoofdtijden van werkwoorden

13 13 19 25

1 1.1 1.2

Verteltijd en vertelde tijd De woorden van zijn vingers Verteltempo

119 119 120

2

Lichaamstaal

124

3 3.1 3.2 3.3 3.4

Legendarisch Sage en legende FOCUS op … bijzinnen Stadssage FOCUS op … woordtekens

133 133 136 137 145

2

Goed gepland is half gewonnen

32

4

Over urban legends gesproken

146

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7

En ze leefden nog lang en gelukkig Typische personages Het rode kasteel FOCUS op … verwijswoorden De drie veren De dubbele bodem van Assepoester Het cultuursprookje Roodkapje: paraderen of parodiëren?

38 38 40 43 43 45 46 50

5

’t Zit in de genen

149

6

Bekeken op Facebook

159

7

Unieke poëzie

164

8

Kruip in je pen

166

4 4.1 4.2 4.3 4.4

Gelezen en (goed)gekeurd Mollige vrouwen FOCUS op … signaalwoorden De lezersbrief FOCUS op … de werkwoordelijke eindgroep

55 55 58 58 61

9 9.1 9.2

Genietend lezen FOCUS op … meervoud FOCUS op … telwoorden

171 172 173

10

Webquest: mijn rechten BZL

174

5

Liefdespoëzie

62

6

Jongens en meisjes op maat

65

7

Mathilde en co

68

8 8.1 8.2

Over zinnen en woorden Nevenschikking en onderschikking Woordsoorten

72 72 75

11 Over zinnen en woorden 11.1 Mannelijk, vrouwelijk of onzijdig 11.2 Beknopte bijzin

183 183 187

9 9.1 9.2 9.3 9.4

Correct gespeld Werkwoorden Leestekens en hoofdletters Hoofdtijden van werkwoorden Engelse werkwoorden

83 83 87 92 95

12 12.1 12.2 12.3 12.4

Correct gespeld Woordtekens Meervoud Telwoorden Werkwoordspelling

191 191 194 197 199

10 10.1 10.2 10.3 10.4

Taal en stijl Verwijswoorden Signaalwoorden De werkwoordelijke eindgroep Gebruik van werkwoordstijden

97 97 99 101 103

13 13.1 13.2 13.3

Taal en stijl Word actief! Dialect versus standaardtaal Zo gezegd … in de krant

204 204 206 208

11

Uitdrukkingen en gezegden uit de krant

107

1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7

25 29 29 31


3 Open doek

4 En … actie!

1 1.1 1.2

Een giller van een thriller Liever de leugen FOCUS op … tussenletters

217 217 222

1 1.1 1.2

Een fantastische toekomst? Een vlucht naar … FOCUS op … romantiek en realisme

333 333 338

2 2.1 2.2 2.3

De mythe Hercules Godin van de vulkaan Personages uit de Griekse mythologie

223 223 225 226

2 2.1 2.2

Humor Lachen is gezond! Humor: een techniek

339 339 341

3

Gekloond BZL

229

4

Dit is theater

239

3 3.1 3.2

In ’t kort Naar de toekomst (kortverhaal) Land of the Heroes (kortfilm)

346 346 355

5

Prehistorisch?

247

6 6.1 6.2

Getipt leesvoer: de recensie De melkweg en Liever de leugen FOCUS op … modaliteit

252 252 256

4 4.1 4.2 4.3 4.2

Koffers gepakt Reizende Belgen FOCUS op … los of aan elkaar? De reizende vervuiler FOCUS op … hulpwerkwoorden hebben en zijn

363 363 366 368 369

7 7.1 7.2

Muziek & poëzie De kloof gedicht FOCUS op … bijvoeglijk naamwoord versus bijwoord

257 257 262

5

Werchter in ’t groen BZL

370

6

Soaps

377

8 8.1 8.2

Spot op informatieve teksten Rokers gevat Vreemde smaakjes!

265 265 269

7 7.1 7.2 7.3

Redelijk gevoelig: romantiek en realisme Liever romantiek dan realisme? Romantiek vroeger en nu Terug naar de realiteit

380 380 382 384

9

Fabelachtige wijsheid

273

8

Sollicitatiebrief

386

10

Toptalent gespot! BZL

279

9 9.1 9.2

Oren open en blik op scherp Het journaal Brussel door de ogen van niet-Belgen

399 399 400

10

Genietend lezen

403

11 11.1 11.2 11.3

Correct gespeld Ratatouille of ratjetoe? Los of aan elkaar? Werkwoorden en moeilijke woorden

405 405 407 409

12 12.1 12.2 12.3

Taal en stijl Uitdrukkingen: in … actie! Hulpwerkwoorden hebben en zijn De tand des tijds: oude naamvalsvormen

415 415 418 419

11 Over zinnen en woorden 11.1 Bijvoeglijk naamwoord versus bijwoord

287 287

12 Correct gespeld 12.1 Tussenletters 12.2 Werkwoordspelling

291 291 293

13 Taal en stijl 13.1 Modaliteit 13.2 Woorden, uitdrukkingen en gezegden uit de Griekse mythologie 13.3 Puur of barbaars? 13.4 Vlot taalgebruik

297 297 307 317 324

7


8


1

9


KIJKEN • LEZEN • LUISTEREN • SCHRIJVEN • SPREKEN

10

Deel 1 Venus en Mars

Je gaat na of je voldoende studietijd per week kunt inplannen. Je maakt een gedetailleerde en efficiënte planning op. Je evalueert een concrete planning. Je staat open voor suggesties om je studie-efficiëntie te verhogen.

   

        

Je herkent en benoemt figuurlijk taalgebruik en stijlfiguren in teksten. Je past overdrijving toe in een geschreven tekst. Je overtuigt anderen met een kort mondeling betoog. Je bepaalt tekstdoel, onderwerp, leespubliek, bron, zender en hoofdgedachte bij een teksttype. Je gebruikt leestekens en hoofdletters op een correcte manier. Je duidt de delen van een tekst aan. Je formuleert je eigen mening over een onderwerp en je argumenteert. Je bouwt correcte samengestelde zinnen met voegwoorden. Je onderscheidt zinnen met neven- en onderschikking van elkaar. Je staat kritisch tegenover stereotypen en rolpatronen. Je duidt de delen van een tekst aan. Je formuleert je eigen mening over een onderwerp en je argumenteert. Je spelt de hoofdtijden van werkwoorden correct.

   

Kennis: wat leer je? Vaardigheden: wat oefen je? Attitude: wat wordt er van je verwacht?

FOCUS op … leestekens en hoofdletters Het hele jaar komkommers graag FOCUS op … nevengeschikte en ondergeschikte zinnen Waarom we allemaal van Mars komen

FOCUS op … hoofdtijden van werkwoorden Goed gepland is half gewonnen

 1.5  1.6

 1.7  2

Non-fictionele teksten

 1.2  1.3  1.4

Over jongens en meisjes Handboek voor de moderne man

Inhoud

 1  1.1

LEERWIJZER

32

31

29

29

25 25

19

13 13

p.


KIJKEN • LEZEN • LUISTEREN • SCHRIJVEN • SPREKEN

Doelstellingen

11

Je verwoordt je mening en onderbouwt die met argumenten. Je herkent en benoemt de kenmerken van een lezersbrief. Je vervangt woorden door moeilijkere synoniemen. Je legt uit waarop verschillende signaalwoorden wijzen. Je schrijft een vlotte lezersbrief die aan de genrekenmerken voldoet. Je hebt aandacht voor stijl en corrigeert taalfouten in teksten.

Je geniet van poëzie. Je bepaalt de sfeer van een gedicht. Je bespreekt de inhoud van een gedicht. Je benoemt enkele stijlfiguren binnen de poëzie.

     

   

   

Je herkent en benoemt de verschillende types personages. Je onderscheidt uiterlijke en innerlijke kenmerken van personages. Je leidt af of de karakterkenmerken rechtstreeks of onrechtstreeks aangeboden worden. Je onderzoekt of de naamgeving van een personage een diepere betekenis heeft.

 Je kiest een passende kijk- en luisterstrategie.  Je kijkt en luistert geconcentreerd.  Je neemt actief deel aan een klasgesprek.

Je herkent en benoemt de kenmerken van sprookjes. Je voorspelt het vervolg van een verhaal tijdens het luisteren. Je herkent en analyseert verwijswoorden. Je beschrijft de vaste opbouw van een sprookje. Je vergelijkt verschillende versies van een verhaal. Je evalueert interpretaties van sprookjes. Je schrijft zelf een sprookje dat aan de kenmerken voldoet. Je ordent informatie die je beluisterd hebt. Je vertelt een sprookje na met aandacht voor je taal en houding.

        

Liefdespoëzie

Jongens en meisjes op maat

 5

 6

Mathilde en co

FOCUS op … signaalwoorden De lezersbrief FOCUS op … de werkwoordelijke eindgroep

 4.2  4.3  4.4

 7

Gelezen en (goed)gekeurd Mollige vrouwen

 4  4.1

En ze leefden nog lang en gelukkig Typische personages Het rode kasteel FOCUS op … verwijswoorden De drie veren De dubbele bodem van Assepoester Het cultuursprookje Roodkapje: paraderen of parodiëren?

3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

 3.6  3.7

     

68

65

62

58 58 61

55 55

46 50

38 38 40 43 43 45


NADENKEN OVER TAAL

12

Deel 1 Venus en Mars

Je schrijft duidelijke teksten met correcte verwijswoorden. Je schrijft duidelijke teksten met correcte signaalwoorden en overgangszinnen. Je verzorgt je tekstsamenhang en stijl in het belang van de lezer. Je verbetert fouten in de volgorde van de werkwoordelijke eindgroep. Je vormt de werkwoordelijke eindgroep van een zin correct. Je kiest passende werkwoordstijden in teksten.

     

 Je herkent en gebruikt spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegden in een context.

Je rangschikt werkwoorden naargelang hun vorm. Je spelt werkwoorden correct. Je gebruikt leestekens en hoofdletters op een correcte manier. Je verklaart leestekens en hoofdletters in zinnen. Je spelt de hoofdtijden van werkwoorden correct. Je spelt (werk)woorden van Engelse herkomst correct in een context.

Je benoemt zinnen als samengestelde en enkelvoudige zinnen. Je duidt nevenschikking en onderschikking binnen samengestelde zinnen aan. Je maakt zelf samengestelde zinnen Je herkent en benoemt verschillende woordsoorten.

     

   

107

 11

Uitdrukkingen en gezegden uit de krant

103

92 95

 10.4 Gebruik van werkwoordstijden

Hoofdtijden van werkwoorden Engelse (werk)woorden

 9.3  9.4

87

101

Leestekens en hoofdletters

 9.2

83 83

 10.3 De werkwoordelijke eindgroep

Correct gespeld Werkwoorden

 9  9.1

75

97 97 99

Woordsoorten

 8.2

72 72

 10 Taal en stijl  10.1 Verwijswoorden  10.2 Signaalwoorden

Over zinnen en woorden Nevenschikking en onderschikking

 8  8.1


1

Over jongens en meisjes

Je herkent en benoemt figuurlijk taalgebruik en stijlfiguren in teksten. Je past overdrijving toe in een geschreven tekst. Je overtuigt anderen met een kort mondeling betoog. Je bepaalt tekstdoel, onderwerp, leespubliek, bron, zender en hoofdgedachte bij een teksttype. Je gebruikt leestekens en hoofdletters op een correcte manier. Je duidt de delen van een tekst aan. Je formuleert je eigen mening over een onderwerp en je argumenteert. Je bouwt correcte samengestelde zinnen met voegwoorden. Je onderscheidt zinnen met neven- en onderschikking van elkaar. Je staat kritisch tegenover stereotypen en rolpatronen. Je spelt de hoofdtijden van werkwoorden correct.

1.1 Handboek voor de moderne man Opdracht 1

1

1

1

Bekijk de afbeeldingen in je bronnenboek. 1 Waarom zegt men dat vrouwen van Venus komen en mannen van Mars?

2 Ken jij een paar typische clichĂŠs over mannen en vrouwen? Som ze mondeling op.

www.tra

ilershu

t.com

1 Over jongens en meisjes

13


1

1

2

Opdracht 2 In je bronnenboek vind je de tekst Een handboek voor de moderne man. Vul voor het lezen de linkerkolom van het OVUR-kader aan, nadien de rechterkolom. VOOR het lezen

TIJDENS het lezen

NA het lezen

oriĂŤnteren en voorbereiden

uitvoeren

reflecteren

Waarover verwacht je dat de tekst zal gaan, als je de titel hoort?

Lees de tekst (globaal). Je gaat dieper in op de humor en stijl van de tekst in opdracht 3.

Wat is de bedoeling van de auteur?

Bekijk het artikel van naderbij. Wat is de bron van deze tekst?

Is de toon objectief of subjectief?

Wat is het teksttype?

Bouw verder op deze tekst in opdracht 5.

Opdracht 3 1 De recensie bevat behoorlijk wat humor, dankzij de beeldrijke taal. Kopieer alle voorbeelden van figuurlijk taalgebruik in de linkerkolom. Verklaar de uitdrukkingen en gezegden in de rechterkolom. Gebruik daarvoor eventueel een woordenboek of de link op focus.deboeck.com. uitdrukking of gezegde

betekenisverklaring

een flierefluiter zijn

per ongeluk niet zien, vergeten

geen (flauw) benul hebben

een economische activiteit of sector ontdekken, waarmee je onverwacht veel geld weet te verdienen een knieval (maken)

14

Deel 1 Venus en Mars


2 Ook de stijl zorgt hier voor humor. Benoem de stijlfiguren en rijmvormen. a Zonder ons geen brood op de plank, zonder ons geen nageslacht in de buggy.

b … voor een habbekrats hun meest gegeerde goed afstaan.

c gegeerde goed

3 Je vindt de kenniskoffer met stijlfiguren in je bronnenboek.

5

3

1

Zoek twee voorbeelden van overdrijvingen (hyperbolen). a

b

4 De auteur gebruikt ook oubollige taal om de tekst meer cachet* te geven. Zoek twee voorbeelden.

5 Zijn er nog woorden die je niet begrijpt? Noteer ze hier, samen met de verklaring. Je kunt een woordenboek of de links op focus.deboeck.com gebruiken om woorden op te zoeken.

Opdracht 4 Probeer je stijl zelf eens aan te dikken: herschrijf deze dialoog en gebruik overdrijvingen. Werk in duo’s. ZIJ

‘Ziezo, ik heb een paar jurken moeten passen, maar deze lijkt me wel leuk voor het feest. We kunnen vertrekken.’

HIJ

‘Amai, jij bleef lang in de badkamer. Je hebt veel tijd nodig om je op te maken.’

ZIJ

‘Laat jij de badkamer dan eens wat netter achter. Ik vond de haardroger niet. Ik heb je al vaak gezegd dat je die in de lade moet opbergen. En wil je het dopje op de tandpasta schroeven?’

HIJ

‘’t Is al goed. En laat die sjaal nu maar, je ziet er mooi uit zo. Ben je nu klaar? Ik heb grote honger en ik laat onze vrienden ook niet graag wachten.’

* het cachet: hetgeen iets een bijzonder karakter geeft

1 Over jongens en meisjes

15


ZIJ

‘Ja ja, ik ben er al. Moeten we ons echt weer zo haasten? Je zal zien dat wij nog als eersten zullen aankomen.’

HIJ

‘Oké, we wedden erom! Wie ongelijk heeft, is vanavond bob. Dat wordt weer lachen!’

ZIJ

‘Oké! Bereid je al maar voor op je verlies, liefje!’

Lees nu per twee je nieuwe dialoog voor aan de klas.

Opdracht 5 Het artikel dat je daarnet gelezen hebt, staat boordevol clichés. Ga enkele typische clichés over mannen/ jongens en vrouwen/meisjes te lijf. Werk in groepjes van twee of drie. Duid aan wie het betoog* noteert en wie de argumenten voorstelt aan de klas. Neem daarvoor een apart blad. 1 Kies twee clichés uit de lijst: een over mannen en een over vrouwen. Noteer zo veel mogelijk tegenargumenten op een apart blad en kruis de beste en meest degelijke argumenten aan. 2 Schrijf je betoog uit in enkele samenhangende alinea’s. Gebruik signaalwoorden om de argumenten op te sommen. 3 Enkele leerlingen stellen daarna de argumenten voor aan de klas. Zorg dat je overtuigend overkomt! Je vindt de richtlijnen op het evaluatieformulier.

•

Mannen/jongens kunnen niet communiceren over hun gevoelens.

•

Mannen/jongens willen hun problemen zelf oplossen. Ze durven bijvoorbeeld nooit de weg te vragen.

•

Mannen/jongens tonen geen begrip voor anderen.

•

Mannen/jongens kunnen niet zoeken, ze kijken er gewoon naast.

•

Mannen/jongens doen graag stoer tegenover hun vrienden.

•

Mannen/jongens kunnen niet zo goed omgaan met kleine kinderen.

•

Mannen/jongens zijn betere koks.

•

Mannen/jongens zijn stressbestendiger.

•

Mannen/jongens zijn sportiever.

•

Vrouwen/meisjes durven niets nieuws te proberen.

•

Vrouwen/meisjes blijven altijd ‘plakken’ wanneer je op bezoek gaat.

•

Vrouwen/meisjes kunnen niet kaartlezen.

•

Vrouwen/meisjes bespreken al hun problemen met hun vriendinnen.

•

Vrouwen/meisjes zijn het zwakke geslacht.

•

Vrouwen/meisjes roddelen graag.

•

Vrouwen/meisjes hebben meer geduld.

•

Vrouwen/meisjes kunnen niet goed autorijden.

•

Vrouwen/meisjes zijn plichtsbewuster en netter.

* het betoog: redenering waarin je een stelling verdedigt met vooral subjectieve argumenten

16

Deel 1 Venus en Mars


1 Over jongens en meisjes

17

eindbeoordeling top: tip:

aantrekkelijkheid

duidelijkheid

degelijke argumenten

correctheid

overtuigend

zelfzekere houding

verstaanbare articulatie

volume en tempo

voldoende signaalwoorden

duidelijke argumenten

correcte zinsbouw en uitspraak

respectvolle inhoud

gepastheid

Stelling:

Naam:

Spreekevaluatie betoog: clichĂŠs ontkrachten Klas:

beoordeling leerling

beoordeling leerkracht

Nr.:

Datum:

commentaar


18

Deel 1 Venus en Mars

tip:

top:

eindbeoordeling

aantrekkelijkheid

duidelijkheid

correctheid

gepastheid

Naam:

verzorgde lay-out

tekstsamenhang (signaalwoorden en verwijswoorden)

onderscheid tussen mening en argumenten

foutloze spelling

correcte zinsbouw

gepaste woordkeuze

voldoende argumenten

respectvolle inhoud

Klas:

Schrijfevaluatie eigen mening bij drie stellingen

beoordeling leerling

beoordeling leerkracht

Nr.:

Datum:

commentaar


Opdracht 6 Neem een apart blad. Kies drie stellingen uit opdracht 5. Noteer de stelling en formuleer daaronder telkens je eigen mening over die stelling in een goedgebouwde zin. Daarna formuleer je enkele overtuigende argumenten. Maak van het geheel een korte, samenhangende tekst. Inleiding: trek de aandacht van je lezer en kondig aan wat je zult vertellen. bv. • Meisjes worden vaak afgedaan als het zwakke geslacht. Met dit cliché wil ik komaf maken. • We nemen drie clichés over jongens en meisjes kritisch onder de loep. Stellingen en argumenten • Alinea 1 º stelling 1 º mening: eens of oneens º argumenten • Alinea 2 º stelling 2 º enz. Slot: formuleer een besluit en rond mooi af. bv. • Jongens of meisjes, ze bestaan in alle soorten. De typische clichés zijn op de meeste jonge mensen niet van toepassing. • Kortom, mannen zijn duidelijk sportiever, zelfstandiger en stressbestendiger dan vrouwen.

1.2 Non-fictionele teksten Opdracht 7 Je leerde vroeger al over fictionele en non-fictionele teksten. Som van beide categorieën enkele voorbeelden op. • fictionele teksten

• non-fictionele teksten

Als we over tekstsoorten spreken, dan onderscheiden we verschillende categorieën op basis van het doel dat die teksten hebben. Zo zijn er informatieve teksten, overtuigende teksten, teksten die gevoelens oproepen, ontspannende teksten en teksten die aanzetten tot handelen. Binnen elke tekstsoort zijn er verschillende teksttypes. bv. een gedicht, een grapje, een artikel uit een magazine, een recept ...

1 Over jongens en meisjes

19


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook