HOE WERK JE 5 delen
1 SAMEN
2 TOPVORM
3 GEESTIG
4
5
NATUURLIJK
PERSPECTIEF
Opdracht 6 Noteer deze kenmerken en onderdelen in de passende kolom.
Elk deel bestaat uit
VA A R D I G H E D E N veel foto’s – gevoelens – zakelijk – cijfergegevens – afwisselende lay-out – inhoudstafel – ontspannend – leerrijk – doorlopende tekst – fantasie – informatief – veel onderzoekswerk vooraf – duidelijk gestructureerd – subjectief* – objectief* – feiten* – register* – hoofdstukken – trefwoorden – bibliografie*
p. Inhoud
10
Wat kun je na dit
DEEL 1 • SAMEN
K I J K E N
en van Je herkent de onderdel
n
tegen
onderwer
p
p.
en. van de fragment Je leert genieten ervaring. een persoonlijke Je spreekt over in woorden. en medeklinkers spellen van klinkers Je oefent op het boek. op in het woorden Je zoekt gericht verhalende boeken. van fragmenten uit Je leert genieten visitekaartje. eenvoudig logo of Je ontwerpt een
uitvoeren
drachten
uitvoeren
tegen
BZL// Contractwerk
❍
de zinnen.
❍ ❍ ❍ ❍ ❍ ❍ ❍ ❍
in de ‘grote’ school 6 Vriendschap opgebouwd? informatieve tekst 6.1 Hoe is een school 6.2 Naar de grote … de 6.3 FOCUS op 7
Broederband
8
Wij 2
rd
vormen van het werkwoo
onderwer
p
p.
39 40 42 45 46 47 48 51 51 53 53 54 55 56 56 62
68
KIJKEN
70
uitvoeren
chten
tegen
onderwer
Deze icoontjes staan boven een nieuw Fictie en non-fictie hoofdstuk. Ze geven aan op welke vaarOp de eerste twee bladzijden van elk Teksten of boeken die enkel informatie geven, noemen we informatieve teksten/boeken. digheden je gaat trainen. deel vind je niet alleen de inhoudsZulke bronnen zijn niet verzonnen; ze beschrijven feiten. Daarom noemen we ze ook non-fictie. opgave van dat deel, maar ook een voorbeelden daarvan zijn: kookboeken, reisbrochures, boeken het milieu, renarcheologie, sco teover om boren woordenboek ... overzicht van de vaardigheden enje leerboek de geschiedenis,3een Ge kennis die erin aan bod komen. Een informatief boek lees je niet altijd van a tot z. Je kunt erin bladeren en de informatie lezen die je FOCUS
p.
KENNIS
LEERWIJZE R Hoe pak je het aan ?
Voor het leren • Oefen je leerstof geregeld • Ga na in. Durf vrag of je wee t wat en te stel • Leg je len aan je leerwerkbo je precies moet leerkracht ken ek en noti over wat ties klaar. nen en kunnen. je niet beg Tijdens het rijpt. lere n • Je kun t de inhoud • Je geb van de ken ruik niskoffers • Je heb t de rode mica als wee rgeven*. t bij de oefe hulpmiddel ningen zins bij het inst opnieuw. leer, woo rdleer en uderen van woordve • Maak de spelling ant rklaringen. aanvullen woorden de oefeni ingevuld. ngen, mét Dek die af Na het lere uitleg, op en maak de websit n de oefening • Heb je e focus.de iets boeck.com. • Hoe wee niet onder de knie ? Pak dat t je of je alle stukje s echt ken t? Maak de leerstof opnieuw aan. test op focu s.deboeck.c * weergev om. en: mondelin
Hier kun je een overzicht bijhouden van alle overhoringen, huistaken, schrijf- en spreekopdrachten die je in dit deel zult maken. g of schrifteli
jk zeggen,
DEEL 1 •
KIJKENLEZEN KIJKENLEZEN KIJKEN LUISTEREN LEZEN KIJKEN LUISTEREN SCHRIJVEN LEZEN LUISTEREN SCHRIJVEN LEZEN LUISTEREN SPREKEN SCHRIJVEN LUISTEREN SPREKEN SCHRIJVEN SPREKEN SCHRIJVEN SPREKEN SPREKEN
75
BZL// Contractwerk
spreekopdra nr.
p
12
CD
DVD
op dat moment interesseert. Of je kunt erin zoeken tot je de informatie vindt die je nodig hebt. LEZEN LEZEN
SAMEN
Je zoekt kernwoorden naar een voorgelezen tekst. Je luistert geconcentreerd en kritisch
* subjectief: volgens je eigen mening/gevoel objectief: uitgaand van de feiten het feit: wat werkelijk gebeurd is het register: lijst met belangrijke namen of trefwoorden achteraan in een boek de bibliografie: lijst met boeken, artikelen enz.
CD
Jouw teken om je bronnenboek erbij te nemen. Het werkt heel eenvoudig: het eerste cijfer ( 1 ) vewijst naar het deel, het tweede ( 1 ) naar het hoofdstuk en het derde ( 4 ) naar de nummer van de bron in je bronnenboek.
DVD Bij deze tekst of oefening zal je leerkracht je een videofragment laten bekijken.
4
FOCUS 1
armd. Jullie zijn toch geen spelers. ‘Zo geraken jullie nooit opgew ‘Hoger die knieën’, beval Jan zijn meisjes, hé!’ bekaf was. Hun trainer was hij dat gevoel het en en Stef had nu al 2HijECHT OF vErZONNEN? e hen af en leek niet De training was nauwelijks begonn jakkerd de opwarming in handen genomen. behoorlijk slechtgezind en had zelf gespeeld vorig weekend? Of niet ook toch ze hadden te houden. Zó slecht 5 van plan daar snel mee op at? was er iets anders dat Jan dwarsz we afwerken op doel. allemaal een bal. vandaag gaan ‘Goed, stop maar!’, snauwde hij. ‘Neem d een keer winnen!’ weeken het in dan we kunnen Misschien norse trainer niet nog norser maken. hun wilden Ze . nemen te bal De spelers haastten zich om een keken verbaasd op. ballen aankwamen, stopten ze en 10 Maar toen ze bij de hoop ‘Wat krijgen we nu’, mompelde Tibo. was niet zijn gewoonte. Dat rijmen. gezegd zonder te Het viel Stef op dat Tibo iets had . toe, in de hoop zijn reputatie te redden had ‘Paraplu’, voegde Tibo er nog aan ze kenden Lize wel en uiteraard want lijk, der verwon zich niet zo lopen waren, gebeurvoor hen stond Lize. Dat was op als de meisjes op de piste aan het Zeker . gestaan hen voor eerder 15 zij al weleens aan en ook dat was niet meer outfit atletiek haar had Lize . anders de dat geregeld. Maar nu was het had ze echter geen spikes aan, aan het trainen waren. Daaronder dan normaal, aangezien de meisjes zes maten dacht Stef. In haar voetbalschoenen bovendien, zeker maar voetbalschoenen. veel te grote kousen zaten scheenbeschermers. had?’ jullie geen bal, zoals ik gevraagd 20 ‘Jongens, waarom nemen n. Toen hij Lize zag, vertraagzijn spelers hem niet gehoorzaamde Jan kwam aangelopen, boos omdat op. auwen wenkbr de hij en trok hij zijn
1
163
In deze kaders ontdek je de betekenis van typische schooltaalwoorden. Dat zijn woorden die jegezegop school nog vaak zult tegenkomen de en die je dus zeker moet kennen. In de tekst worden ze aangeduid met een sterretje of asterisk (*). FOCUS
KENNIS
CD
DVD
FOCUS
KENNIS
SPREKEN SPREKEN SPREKEN SPREKEN SPREKEN
je vindt op focus.deboeck.com. Bekijk voor het lezen de trailer die kampioen voetbal. Hij wil dolgraag een keer Stef speelt voetbal en houdt van staan bijna niet zo goed. De Groene Rovers worden, maar de ploeg doet het naar de at van ramp loopt de trainer over op de laatste plaats en tot overma trainer beterschap zal brengen. concurrentie. Stef hoopt dat de nieuwe willen dat ouders k haat ze atletiek. Haar Lize doet aan atletiek, maar eigenlij n niet naar haar. ze een kampioene wordt en luistere Lize is echter vastberaden.
bro
4
NNNNN SCHRIJVE SCHRIJVE SCHRIJVE SCHRIJVE SCHRIJVE
Natuurlijk kan het wel dat de schrijver zich documenteert, dat hij gebruikmaakt van feiten om een verhaal te om te scoren – Jonas Boets schrijven. Dat is wat jullie ookFragm dedenent in uit de Gebor eersteenopdracht.
n
1
LUISTEREN LUISTEREN LUISTEREN LUISTEREN LUISTEREN
LEZEN LEZEN LEZEN KIJKEN KIJKEN KIJKEN KIJKEN Teksten of boeken waarvan deKIJKEN inhoud wel verzonnen is, noemen we fictie. nten.loop laten. n van fragme geniete In zulke teksten kan de schrijver fantasie de vrije Je leertzijn en. en leert daarbij argumenten gebruik rollenspel eengrapje Je speelteen Een griezelverhaal, een sprookje, zijn daar voorbeelden van. in een tekst op.
vertellen
1
non-fictie
31
R E K E N
schrijfop nr.
22 22 23
5 Samen 5.1 Na het lezen rtje 5.2 Logo of visitekaa vorm en zinsdelen ... onderwerp, persoons 5.3 FOCUS op … werkwoorden 5.4 FOCUS op … soorten zinnen 5.5 FOCUS op 5.6 Survivaltips bij de teksten 5.7 Taaloefeningen
❍ ❍
lende en bevelen
ouwde medede
Je schrijft goedgeb
S n een tekst. C je past die toe op leesstrategie en tekst aan. H Je kiest een passende het slot van een , het midden en duidtp de inleiding R onde Jerwer tieve tekst aan. van een informa p. I Je vult een schema tekst correct. vragen over een J Je beantwoordt V e boeken. verhalend uit en E van fragment Je leert genieten N e manier. n op een creatiev Je verwerkt gedichte n genieten. S Je leert van de gedichte op. en van een gedicht P Je noemt kenmerk
tegen
❍ ❍
fictie
13
4 Wachten 4.1 Na het lezen een vakantie-ervaring 4.2 Spreken over 4.3 Beleefd vloeken? ... klinkers 4.4 FOCUS op , hoe doe je dat? 4.5 Woorden verklaren
❍ ❍
huistake nr.
❍
❍ ❍
ites. beoordeelt boekens eformulier. Je raadpleegt en eerlijk met een evaluati Je beoordeelt jezelf
L U I S T E R E N
overhoringe uitvoeren
en? Boodschap ontvang of zweetlezer? 2 Boeksnoeper 2.1 Boekentest lezer ben jij? 2.2 Welk soort dat bij je past 3 Kies het boek
1
❍ situaties.
leesprofiel voor. Je stelt je eigen
L E Z E N
nr.
deel?
del in verschillende
het communicatiemo
164
DEEL 2 • TOPVORM
KENNIS
CD
Bij deze tekst of oefening zal je leerkracht je een audiofragment laten beluisteren.
DVD
FOCUS
MET FOCUS 1? +
N A D E N K E N O V E R TA A L
FOCUS
b
c
7
tussentaal
AN
Wat wordt volge
ns jou in de tekst
VD
FOCUS
KENNIS
We zoomen even in op een stukje spelling, zinsleer of taalbeschouwing. In de hoofdstukken nadenken over taal staan hierover extra oefeningen. Je leerkracht zal je zeggen wanneer je die moet maken, nu meteen of later.
CD
’ taal?
Standaardtaa
l, dialect en
DVD
TAAL
bedoeld met ‘frisse
tus
Dialect of stree sentaal ktaal is die taal die in een bepa spreekt ze voora ald l met mensen die je goed kent. gebied of een bepaalde stree Een tussentaal k wordt gesproken is geen Algem . Je een Het is een taaltj e waarin wel AN Nederlands, maar ook geen dialect. voorkomt, maar Het wordt ook wel Verkaveli ngsvlaams geno ook streektaal wordt gebru ikt. emd. De standaard taal of Algemeen Nederlands is die je hoort in telev de taal die je gebruikt op schoo om te gebruiken. isieprogramma’s zoals Het journaal of docu l, die je leest in boeken en mentaires. Die taalvariant geldt als norm FOCUS
KENNIS
CD
DVD
5.6 FOCUS op …
ZINSLEER
voornaamwo
orden
Opdracht 15 In de tekst over AN, Het zijn voornaam dialect of tussentaal zijn van regel 1 tot 22 woorden: ze enke kunnen bijvoo rbeeld een perso le woorden gemarkeerd. 1 ‘Thuis doen we dat niet echt. on of een bezit aanduiden. ’ Wie kan allem aal aangeduid worden met ‘we’?
SPELLING
2 ‘Sommige woorden klinke n leuker Wat wordt bedo eld met ‘jouw’? in jouw dialect.’ Er bestaan veel
soorten voorn
1
aamwoorden.
In 9.2 Voornaamw
Wie is de zender?
oorden op p. 498
leer je er meer
over.
overhoringen
2 En wie de ontvanger? nr.
3 Wat is de boodschap? 4
uitvoeren tegen
huistaken
onderwerp
p.
nr.
uitvoeren tegen
onderwerp
p.
5 KLARE TAAL! Op welke manier maakt de zender die boodschap duidelijk? 455 Kies uit: taal (met woorden = verbaal of zonder woorden = non-verbaal) // gezichtsuitdrukking // gebaar // beeld // tekens.
FOCUS
Betekenisverschil bij syno KENNIS Die manier noemen we de code. CD DVD niemen Een boodschap omzetten in tekens of gebaren die begrijpelijk zijn, is coderen. Synoniemen zijn woorden die dezelfde betekenis hebben. Het ontcijferen van die gebaren of tekens heet decoderen. Soms kan er een licht betek enisverschil zijn tussen synon iemen. • Lopen betekent: snel voortb 5 Welk middel gebruikt de zender om zijn boodschap te sturen? ewegen te voet. Spurten of rennen is een synon iem, maarspreekopdrachten betekent dat je zo snel moge schrijfopdrachten • Zeggen is iets meedelen lijk loopt. Dat middel noemen we het kanaal. aan iemand anders. Fluisteren betekent dat je iets zegt op nr. gebruikt uitvoerenom tegen onderwerp nr. uitvoeren tegen onderwerp p. een stille manie 6 Welk kanaal wordt in het stripfragment hieronder de boodschap te brengen? p. r. • over Praten en babbelen betekenen allebe i dat mensen iets vertellen aan elkaar. Welk synoniem je gebruikt, hangt af van de situatie. Je moet rekening houden met woorden en zinnen rondom de context (= de het woord). Het betekenisverschil noem en we een nuance.
KENNIS
Kenniskoffers bevattenFOCUS kennis die onmisbaar is om de vaardigheden in dit boek onder de knie te krijgen. De Opdracht 11 koffers staan in je bronnenboek, soms ook in je werkboek. 1 Plaats opnieuw de passe CD In het werkboek DVD moet je de belangrijkste woorden nog aanvullen. nde woorden bij de foto’s. Let op: Innuhet staanbronnenboek er meer mogelijkheden dan staan die foto’s. Je hoeft niet alle woord Meer dan één woord bij dezelf en te gebruiken. de foto plaatsen kan wel. woorden er al, maar om ze in te oefenen of te studeren, kun je zesluipeonleesbaar maken met de rode n – wandelen – gaan – stappe n – lopen – marcheren – slente LEERWIJZER ren – sloffen – strompelen – kuieren mica die bij je boek zit. Hoe pak je het aan? Bekijk nu dit stripfragment: Via focus.deboeck.com7vind je deze kenniskoffersVoor nog eens terug als invulkoffers. Als oefening het leren • Oefen je leerstof geregeld in. Durf vragen te stellen aan je leerkracht over wat je niet begrijpt. kun je dan zelf de belangrijkste woorden aanvullen. • Ga na of je weet wat je precies moet kennen en kunnen. MERHO, Kiekeboe – De straf van Sint Tetis, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 1992.
a
• Leg je leerwerkboek en notities klaar.
De website die bij dit boek hoort. De oefening, tekst of link die je nodig hebt, vind je terug 8 onder hetzelfde deel en paginanummer als in je boek. Op de site is er bovendien een schat aan extra informatie (bv. over lezen) en oefeningen (bv. schooltaalwoorden) verzameld. Die kun je ook op eigen houtje verkennen.
Tijdens het leren • Je kunt de inhoud van de kenniskoffers weergeven*. • Je gebruikt de rode mica als hulpmiddel bij het instuderen van woordverklaringen. • Je hebt bij de oefeningen b zinsleer, woordleer en spelling antwoorden ingevuld. Dek die af en maak de oefening opnieuw. • Maak de aanvullende oefeningen, mét uitleg, op de website focus.deboeck.com. MERHO, Kiekeboe – De straf van Sint Tetis, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 1992.
Na het leren
Is hier sprake van eenzijdige of tweezijdige communicatie? Waarom? • Heb je iets niet onder de knie? Pak dat stukje leerstof opnieuw aan. • Hoe weet je of je alles echt kent? Maak de test op focus.deboeck.com. focus.deboeck.com * weergeven: mondeling of schriftelijk zeggen, vertellen c
12
DEEL 1 • SAMEN
1 BOODSCHAP ONTVANGEN?
15
9 TaaL
Onderaan op de linkerbladzijde zie je altijd in welk deel je aan het werken bent, onderaan op de rechterbladzijde in welk hoofdstuk.
247
HOE WERK JE MET FOCUS 1?
5
1 Samen KIJKEN// LEZEN// LUISTEREN// SCHRIJVEN// SPREKEN//
1
2 Topvorm
BOODSCHAP ONTVANGEN?
10
2 BOEKSNOEPER OF ZWEETLEZER? 2.1 Boekentest 2.2 Welk soort lezer ben jij?
14
3 KIES HET BOEK DAT BIJ JE PAST 14 BZL // 4 WACHTEN 4.1 Na het lezen 4.2 Spreken over een vakantie-ervaring 4.3 Beleefd vloeken? 4.4 FOCUS op … klinkers 4.5 Woorden verklaren, hoe doe je dat?
15
5 SAMEN 5.1 Na het lezen 5.2 Logo of visitekaartje 5.3 FOCUS op … onderwerp, persoonsvorm en andere zinsdelen 5.4 FOCUS op … werkwoorden 5.5 FOCUS op … soorten zinnen 5.6 Survivaltips 5.7 Taaloefeningen bij de teksten
16
6 6.1 6.2 6.3
19 19 20
VRIENDSCHAP IN DE ‘GROTE’ SCHOOL Hoe is een informatieve tekst opgebouwd? Naar de grote school FOCUS op … de vormen van het werkwoord
7 BROEDERBAND
22
8 WIJ 2 28 BZL //
NADENKEN OVER TAAL//
6
FOCUS 1
9 OREN OPEN EN BLIK OP SCHERP 9.1 Communicatiestoornis 9.2 Doe de luistertest 9.3 Hoe onthoud je wat je hoort?
28
10 AAN HET WOORD 10.1 Mag ik je voorstellen? 10.2 Eén woord, drie verklaringen 10.3 Starten maar!
28
11 WIE BEN IK? 11.1 Zakelijk schrijven 11.2 Creatief schrijven
28 28 29
12 TAAL 12.1 Wachten/Samen 12.2 Broederband 12.3 Het woordenboek 12.4 Anders gezegd: synoniemen!
29 29 29 29 30
13 OVER WOORDEN EN ZINNEN 13.1 Onderwerp en persoonsvorm 13.2 Soorten zinnen
31 31 32
14 FOUTLOOS SCHRIJVEN 14.1 Twintig moeilijke woorden 14.2 Gedekte en ongedekte klinkers 14.3 Tweeklanken 14.4 Handige trucjes voor werkwoorden
33 33 33 35 35
1
COVERS, FLAPTEKSTEN, TITELS EN THEMA’S 40 BZL //
2 ECHT OF VERZONNEN?
40
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
41 44 44 44 45 46 46
GEBOREN OM TE SCOREN FOCUS op ... het werkwoordelijk gezegde FOCUS op ... het zelfstandig naamwoord Na het lezen Welke sport beoefen jij? FOCUS op ... werkwoorden in de verleden tijd Bijzondere sporten Expressief lezen Taaloefeningen bij de tekst
4 DE ENE TEKST IS DE ANDERE NIET! 48 4.1 Teksttypes 48 4.2 Hoe is een tekst opgebouwd? 51 4.3 FOCUS op ... het meervoud van zelfstandige naamwoorden 52 4.4 Overheid leert kinderen omgaan met gsm 53 4.5 FOCUS op ... leestekens 5 POËZIE VAN DE BOVENSTE PLANK 5.1 Na het lezen 5.2 Dichter dan je denkt ...
55
6 EEN KLONTJE SUIKER EN EEN GLAS KRAANTJESWATER 58 6.1 Kinderen eten te veel suiker 6.2 Leidingwater (kraantjeswater) of flessenwater? 6.3 Gsm-gebruik bij kinderen en jongeren 7 GOED GEPLAND! 7.1 De weekplanning (zakelijk schrijven) 7.2 Het abc van … (creatief schrijven)
58 58
8 AAN HET WOORD 8.1 Expressief lezen – boekpromotie 8.2 Een onwaarschijnlijk verhaal
60 60
9 TAAL 62 9.1 Geboren om te scoren 62 9.2 Onze taal – uitdrukkingen 62 BZL // 9.3 Betekenisverschil bij synoniemen 64 10 OVER WOORDEN EN ZINNEN 10.1 Het werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde 10.2 Het zelfstandig naamwoord
65 65 68
11 FOUTLOOS SCHRIJVEN 11.1 Handige trucjes voor werkwoorden (bis) 11.2 Moeilijke woorden 11.3 Het meervoud 11.4 Leestekens
69 69 70 71 73
3 Geestig 1
SCHRIJVER GESPOT! 76 BZL //
2 IN DE PRIJZEN GEVALLEN 3 VREEMDE SLOTENMAKERS EN KLEMMENDE DEUREN 3.1 Na het lezen 3.2 FOCUS op ... de voorwerpen 3.3 Wat voorafging aan het fragment … 3.4 Welke taal spreek jij? 3.5 Lekker overdrijven 3.6 Taaloefeningen bij de tekst 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
4 Natuurlijk
TEKSTEN VOOR IEDEREEN! Voor wie wordt een tekst geschreven? Een ‘klink’ in de kabel Kleur in de klas FOCUS op … het trema FOCUS op … het bijvoeglijk naamwoord FOCUS op … het koppelteken FOCUS op … hoofdletters
76 77
1
MOET JE GELEZEN/GEZIEN HEBBEN
104
2 2.1 2.2 2.3
DE MOLEN AAN HET KOSELMOERAS Na het lezen De trailer En ze leefden nog lang en gelukkig?
106 111
3 LITENATUURTJE 111 4 AAN HET WOORD 111 BZL //
82 82 85 86
5 VANDAAG BEN IK EEN DICHTER 5.1 Gedichtendag 5.2 Valentijnsdag
88 88 88
6 OREN OPEN EN BLIK OP SCHERP
90
7 GEZOCHT! 7.1 Wie wil Urbanus helpen? 7.2 Nodig uit of roep op!
90 90
8 AAN HET WOORD 8.1 Ik hoor een belletje rinkelen! 8.2 Poëzie voordragen
91 91
9 TAAL 93 9.1 Vreemde slotenmakers en klemmende deuren 93 9.2 Uitdrukkingen uit de krant 93 BZL // 9.3 Hoe vormen we onze woorden? 94 10 OVER WOORDEN EN ZINNEN 10.1 De voorwerpen 10.2 Het bijvoeglijk naamwoord
5 Perspectief
96 96 97
11 FOUTLOOS SCHRIJVEN 98 11.1 Het koppelteken 98 11.2 Het trema 98 11.3 Hoofdletters 99 11.4 De hoofdtijden van enkele ‘gevaarlijke’ werkwoorden 100
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
KLARE TAAL! 112 Over de hoofdgedachte van een tekst 112 Meer doen met minder water 113 FOCUS op … bepalingen 114 FOCUS op … de apostrof 114 Over standaardtaal, dialect en tussentaal 114 5.6 FOCUS op … voornaamwoorden 5.7 FOCUS op … afleidingen 5.8 FOCUS op … antoniemen 6 OREN OPEN EN BLIK OP SCHERP 116 6.1 Terug in de tijd 6.2 De voorwerpen van morgen gebruiken we vandaag al! 7 7.1 7.2 7.3
PEN EN PAPIER De vertrouwelijke brief of e-mail Leef je in een stripverhaal in! Van een stripverhaal naar een verhaal
117 117
1 AFSPRAAK/HEILIG 1.1 Na het lezen 1.2 Geef je mening 1.3 Taaloefeningen bij de tekst
126
2 2.1 2.2 2.3 2.4
EEN VERDRIETIGE MEDEDELING Na het lezen Geef je mening FOCUS op ... hononiemen Taaloefeningen bij de tekst
130
3 3.1 3.2 3.3 3.4
VOOR MIJN VERRE PRINS Na het lezen Geef je mening FOCUS op ... telwoorden Taaloefeningen bij de tekst
134
4
DICHTER BIJ JE PEN
139
5 AAN HET WOORD 5.1 Een klassengesprek 5.2 Een minispreekbeurt
141
6 KOFFERS PAKKEN EN WEGWEZEN! 141 6.1 Verbindingswoorden of signaalwoorden 141 6.2 FOCUS op … voorzetsels 143 6.3 Koffers gepakt? Op vakantie! 143 6.4 Ook grafieken moet je kunnen ‘lezen’! 144 7 OREN OPEN EN BLIK OP SCHERP 7.1 Op z’n Chinees! 7.2 Een schooldag in andere culturen
145
8 PEN EN PAPIER
146
8 TAAL 118 8.1 De molen aan het Koselmoeras 118 8.2 Uit de krant 118 8.3 Waar komen deze uitdrukkingen vandaan? 118 8.4 Afleidingen 118 8.5 Antoniemen 119
9 TAAL 9.1 Afspraak/Heilig 9.2 Een verdrietige mededeling 9.3 Voor mijn verre prins 9.4 In en uit de kast 9.5 Bedoel je het letterlijk of figuurlijk? 9.6 Homoniemen
151 151 151 151 151 151 152
9 OVER WOORDEN EN ZINNEN 9.1 De bepaling 9.2 De voornaamwoorden
122 122 122
10 FOUTLOOS SCHRIJVEN 10.1 De apostrof 10.2 Herhaling: hoofdletters, leestekens en werkwoorden
123 123
10 OVER WOORDEN EN ZINNEN 153 10.1 Telwoorden 153 10.2 Voorzetsels 153 10.3 Zinsleer en woordleer BZL // 11 FOUTLOOS SCHRIJVEN
153
INHOUD
7
8
1 SAMEN
1 Boodschap ontvangen? FOCUS
KENNIS
1
CD
Communicatie = uitwisselen van informatie
bro
1
n
1
Communicatie
DVD
Model = een schema, een voorbeeld Communicatiemodel = een schema dat de uitwisseling van informatie voorstelt
1
bro
2
n
1
Nieuw bericht Aan: Katrijn
Sofie: Hallo Katrijn, zie je het zitten om dit weekend samen naar de film te gaan?
Katrijn: Natuurlijk, Sofie! Dat zal wel zaterdag in de namiddag moeten zijn, want ’s avonds is er een etentje bij mijn oma.
Sofie: Geen probleem! Tof! Ik kijk er al naar uit. Hoe spreken we verder af?
Katrijn: Ik surf even naar de website van de bioscoop en kijk welke film er speelt. Ik stuur je nog een berichtje binnen een halfuurtje. Doei!
1
bro
3
n
1
1
MERHO, Kiekeboe – De straf van Sint Tetis, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 1992.
10
DEEL 1 • SAMEN
2
MERHO, Kiekeboe – De straf van Sint Tetis, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 1992. FOCUS
KENNIS
1
bro
4
n
1
CD
DVD
Een boodschap versturen
• De code: tekens, signalen, symbolen waarmee je een boodschap duidelijk kunt maken. • Coderen: je boodschap omzetten in tekens of signalen. • Decoderen: de boodschap lezen of bekijken en begrijpen. Voorbeelden van een code zijn: taal, een pictogram, wiskundige symbolen, rooksignalen, een gebaar, een gezichtsuitdrukking … Woorden kun je op een blad papier schrijven. Een gebaar toon je bijvoorbeeld met je handen. Een nieuwsbericht beluister je onder andere op de radio. Een blad papier, handen, de radio zijn voorbeelden van een kanaal waarlangs een boodschap wordt verstuurd. FOCUS
KENNIS
1
5
n
1
bro
CD
DVD
Communicatiemodel
Communicatie betekent dat een zender een boodschap naar een ontvanger stuurt. De boodschap wordt omgezet in een code: taal, een gebaar, een beeld, een gezichtsuitdrukking … zijn daar voorbeelden van. Dat omzetten in een code noemen we coderen. Het begrijpen (ontcijferen) van die boodschap noemen we decoderen. Het kanaal is het middel om de boodschap te versturen. Voorbeelden daarvan zijn: een boek, de radio, een gsm, een verjaardagskaartje, de televisie … Als een zender een boodschap stuurt naar een ontvanger, noemen we dat eenzijdige communicatie. Als de ontvanger een boodschap terugstuurt naar de zender, is er sprake van tweezijdige communicatie. Als de communicatie geslaagd is, zal er ook een effect zijn. De ontvanger kan na het ontvangen van de boodschap iets doen, zeggen of denken. eenzijdig via een kanaal
CODEREN DECODEREN ZENDER BOODSCHAP
ONTVANGER
T
tweezijdig via een kanaal
EFFEC
1 Boodschap ontvangen?
11
1
1
bro
6
n
1
2
3
Luisterfragment: Het dolfijnenkind, Patrick Lagrou.
4
De zoo in Sydney is verheugd met de geboorte van deze prachtige gorilla. Ook mama Mbeli is blij met haar jonge zoontje Mjukuu. Fotografen wisten de unieke band tussen moeder en baby vast te leggen. Moeder en zoontje stellen het prima. Naar het schijnt vertoont de kleine spruit al aardig wat apenstreken … Trotse gorilla knuffelt met pasgeboren jong, Het Laatste Nieuws, (www.hln.be).
12
DEEL 1 • SAMEN
Waarom ik?
5
Een rode plek kleurt mijn wangen ik stotter en voel mij gevangen In mijn huid en taal. Niemand spreekt mij aan ‌ Ze duwen en trekken en zien mij niet eens staan. Hoe word ik daar sterk van? Moet ik hieraan wennen? En doe ik iets fout dan mag ik zeker pennen! Deze middag in het gras droomde ik dat mijn leven anders was Zonder angst en pijn. Wil jij een vriend voor me zijn? Nele Warson
Uit: REYNDERS, B., VANDER STRAETEN, H., Je ogen spreken: gedichten van kinderen, tieners en jonge volwassenen over verdraagzaamheid, Uitgeverij P, Leuven, 1996.
6
www.oxfam.be
1  Boodschap ontvangen?
13