Dag 1 Klankgroepsoep met
rijmballetjes
www.talentvoortaal.be
Domeinen: lezen, schrijven Onderwerp: gedichtwoorden vervangen door zelfbedachte woorden Lesduur: 50 minuten
Lesdoelen
Materialen
Hoofddoel van de les > Woorden in klankgroepen verdelen. > Gedichtwoorden vervangen door zelfbedachte woorden. > Zich expressief uiten met taal en woorden.
Folio > kopieerblad 1 > kopieerbladen 2-4 > bronnenbladen 1-3
Andere doelen > Per twee samenwerken. > In groep samenwerken.
Diversen > pittenzakje of knuffelbeer, kussentje
Voorbereiding > Voorzie, als je niet kunt projecteren, voor elke leerling een exemplaar van het gedicht op kopieerblad 1 (één kopie per vier leerlingen) en maak één print van elk bronnenblad. > Kopieer kopieerblad 2 tot en met 4 op leerlingenaantal. Van kopieerblad 3 voorzie je het best enkele extra’s voor vlugge werkers. > Zorg voor een pittenzakje, of als alternatief een knuffelbeer, kussentje …
Coöperatieve werkvormen in deze les Tweegesprek 1 2 3 4
Elke leerling zoekt of krijgt een partner. De leerkracht stelt een vraag: ‘Overleg/bespreek met je partner …’ De leerlingen overleggen met elkaar en noteren al dan niet hun bevindingen. De leerkracht duidt een leerling aan die de bevindingen meedeelt.
Domeinoverschrijdend werken Wil je nog verder gaan? Dan kunnen de gedichten onder handen genomen worden met verf, stof, kleurpotloden … Als je de foto’s van die werken bundelt, heb je meteen een dichtbundel waar je als klas of school mee kunt uitpakken. Misschien wil je er wel een digitaal audioboek van maken, zodat de ouders op de schoolwebsite kunnen meegenieten van het talent van hun spruit?
OB - didactische suggesties dag 1
1
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Klankgroepenspel spelen Laat de leerlingen rechtstaan achter hun bank en leid het spel in door enkele woorden in klankgroepen te verdelen. Je kunt dat ondersteunen met een klap in de handen. Werk met woorden met twee klankgroepen. Bv. handschoen = hand – schoen, potlood = pot – lood … Meer voorbeelden: stoelpoot, schilder, koelkast, bakje, zaken … Als alle leerlingen het principe van de klankgroepen begrijpen, kun je het spel uitleggen. > Ik heb nu de pittenzak. Daarom bedenk ik een woord dat uit meerdere klankgroepen bestaat, bv. jaszak. Van dat woord zeg ik het eerste stuk ‘jas’ en ik verklap de rest niet. Terwijl ik dat stuk zeg, gooi ik de pittenzak naar een klasgenoot. Die vult mijn woord aan, bv. ‘jas – sen’. Die klasgenoot heeft nu de pittenzak en mag dus een volgend woord bedenken. Bv. zak … → -doek/-je … ta … → -fel/-lent/-len … 2 Klankgroepengedicht lezen Lees het gedicht ‘Sleutelkind’ van Geert De Kockere voor. Zorg dat de leerlingen kunnen meelezen op het bord of met kopieerblad 1. 3 De inhoud bespreken Ga dieper in op de betekenis van het gedicht. Stel deze vragen: > Met welk woord ‘speelt’ de dichter hier, net zoals wij deden in het klankgroepenspel? (sleutel) Duid waarom die woorden zo goed gevonden zijn: sleutelbloem en sleutelbos bestaan echt; sleutelstad en sleuteltas bestaan niet. Als je wilt, kun je de afbeelding van de sleutelbloem op het bord projecteren of een print laten zien. > Kun je nog andere woorden met ‘sleutel’ bedenken? (sleutelkastje, solsleutel, moersleutel …) Geef de leerlingen nu zelf een woord waarin ze één of meerdere klankgroepen kunnen veranderen. Samengestelde woorden zijn daarbij het gemakkelijkste: klaslokaal: klas … -groep/-deur/-je … tuinhuis: tuin … -plant/ -kabouter … > De dichter speelt ook met rijm. Waar zie je dat in het gedicht? (wind, kind, welgezind; krik, ik) > Wat is een sleutelkind volgens jou? Lees het gedicht nog eens voor of laat het door een leerling lezen. 4 Op het lesdoel focussen Coöperatieve werkvorm: tweegesprek Vertel dat de leerlingen nu gedichtwoorden gaan vervangen door zelfbedachte woorden. Verdeel de klas in duo’s of trio’s, deel kopieerbladen 2 tot en met 4 uit en leg de opdracht stapsgewijs uit.
2
OB - didactische suggesties dag 1
TIP! Je kunt het spel ook opbouwen: begin met woorden van twee klankgroepen en bouw zo verder op naar ‘grotere’ woorden, waarbij de pittenzak dus meerdere keren moet worden doorgegeven.
Kopieerblad 1
Bronnenblad 1
Kopieerbladen 2-4
> Stap 1: Kies een lang woord waarvan je een stuk kunt vervangen. Denk daarbij aan de woorden waar we daarnet mee speelden in het pittenzakkenspel. Noteer dat woord midden in de woordspin. > Stap 2: Bedenk nu nieuwe woorden, maar behoud telkens hetzelfde stukje. Als je ‘pennenzak’ kiest, behoud je bijvoorbeeld elke keer het woord ‘zak’ en maak je woorden als ‘snoepzak’, ‘vuilniszak’ … > Stap 3: Ga op zoek naar hoe die verschillende woorden bij elkaar kunnen passen. Rijm kan je daar zeker bij helpen! Snoepzak, vuilniszak en pennenzak zouden bijvoorbeeld de woonplaats kunnen zijn van de ‘lastpak’. > Stap 4: Vervang nu in het gedicht van Geert De Kockere de doorgestreepte woorden door woorden die jullie bedacht hebben. Denk aan de rijmwoorden! > Stap 5: Klaar? Schrijf je gedicht dan maar in het net!
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 5 Een nieuw gedicht maken: werktijd Treed op als coach tijdens de werktijd: beloon, daag uit, maar doe zo weinig mogelijk suggesties. Leerlingen die moeilijk op woorden komen kun je aan het werk zetten met enkele makkelijke samenstellingen. Schooltaal is daarbij heel dankbaar: speelplaats, klaslokaal, turnles … Geef ook aan dat woorden niet hoeven te bestaan. Net in die verzinsels en hersenspinsels kan heel mooie poëzie schuilen.
TIP! (Te) vlugge werkers kun je aansporen om het gedicht nog mooier te maken of je kunt hen een tweede of derde versie laten maken met dezelfde klankgroepenkaartjes.
Controleren en reflecteren 6 Het gedicht presenteren aan de klas Breng de klas opnieuw samen en laat enkele gedichten voorlezen. Duid telkens een leerling aan die het gedicht voorleest. Een andere leerling legt uit waarom hij die woorden gekozen heeft. Dan is het de beurt aan een ander duo/trio. Geef positieve feedback of laat de andere leerlingen feedback geven.
TIP! Je kunt ook een poëziewand (of poëzieboom, -draad, -blok, -doos …) maken waarop de jonge dichters hun werk tentoonstellen. TIP! Of toon een voorbeeld (bronnenblad 3).
7 Gedicht ‘Beestenwagen’ voorlezen Rond de les af met het gedicht ‘Beestenwagen’ van Geert De Kockere, dat letterlijk bewijst dat omgekeerd denken en woorden door elkaar gooien een ‘beestig’ mooi resultaat kan opleveren!
Bronnenblad 2
8 Over de activiteit reflecteren Laat de leerlingen vertellen wat ze van de activiteit vonden. > Vond je het leuk/minder leuk? > Wat vond je er leuk aan? Wat vond je minder leuk? > Hoe lukte het om per twee samen te werken? > Welke stappen doorliep je om een eigen gedicht te schrijven? > Wat vond je moeilijk? Waarom? > Zou je het volgende keer anders aanpakken?
OB - didactische suggesties dag 1
3
Bronnenblad 1
4
OB - didactische suggesties dag 1
Bronnenblad 2 Beestenwagen Pier woonde in een wagen, een wagen met een roze snuit. Toen reed hij ermee weg en ’t verhaaltje was uit.
Hij reed achteruit en ’t verhaaltje was weg. Toen woonde er een pier op de rozen in de wagen.
(Hm, dat klinkt bekend, maar redelijk stom. Probeer het andersom...)
(Origineel, maar je hebt pech… Het rijm is weg!)
Het verhaaltje was uit en hij reed ermee weg. Toen waagde zich een snuit in de wagen van Pier.
De wagen reed weg, want de pieren gingen uit. Toen kwam er een verhaal en Roos trok een snuit.
(Tja, minder bekend, maar een beetje raar. Gooi alles eens door elkaar…)
(Bravo! Erewoord, dat is het mooiste wat ik ooit heb gehoord…)
Geert De Kockere
Uit: Huisdieren ISBN 90-5838-029-7
OB - didactische suggesties dag 1
5
Bronnenblad 3: creatie van een leerling
Yul – 2e leerjaar
6
OB - didactische suggesties dag 1
Kopieerblad 1 Sleutelkind
Sleutelkind
Op de weg naar Wigwagwind sprong blij en welgezind een heel mooi sleutelkind. Sleutelbloempje, sleutelblaadje, sleuteltasje in het laatje. Sleutelbosje, sleutelstadje, sleutel zoeken onder ’t matje.
Op de weg naar Wigwagwind sprong blij en welgezind een heel mooi sleutelkind. Sleutelbloempje, sleutelblaadje, sleuteltasje in het laatje. Sleutelbosje, sleutelstadje, sleutel zoeken onder ’t matje.
Krikkrakkrik, hier woon ik.
Krikkrakkrik, hier woon ik.
Geert De Kockere
Geert De Kockere
Sleutelkind
Sleutelkind
Op de weg naar Wigwagwind sprong blij en welgezind een heel mooi sleutelkind. Sleutelbloempje, sleutelblaadje, sleuteltasje in het laatje. Sleutelbosje, sleutelstadje, sleutel zoeken onder ’t matje.
Op de weg naar Wigwagwind sprong blij en welgezind een heel mooi sleutelkind. Sleutelbloempje, sleutelblaadje, sleuteltasje in het laatje. Sleutelbosje, sleutelstadje, sleutel zoeken onder ’t matje.
Krikkrakkrik, hier woon ik.
Krikkrakkrik, hier woon ik.
Geert De Kockere
OB - didactische suggesties dag 1
Geert De Kockere
7
Kopieerblad 2
8
OB - didactische suggesties dag 1
OB - didactische suggesties dag 1 , , zoeken
Sleutelbosje,
sleutelstadje,
sleutel zoeken onder ’t matje.
hier woon ik.
.
, in
sleuteltasje in het laatje.
hier
,
sleutelblaadje,
Krikkrakkrik,
,
een heel
een heel mooi sleutelkind
Sleutelbloempje,
sprong
Op de weg naar
sprong blij en welgezind
Wigwagwind
Op de weg naar
Sleutelkind
en
Geert De Kockere
Kopieerblad 3
9
Kopieerblad 4
Klankgroepsoep met rijmballetjes
10
OB - didactische suggesties dag 1
Dag 2 Pientere poëten en
enge suikerspinnen
www.talentvoortaal.be
Domeinen: lezen, schrijven Onderwerp: gekke betekenissen tekenen, kleuren of schilderen Lesduur: 50 minuten
Lesdoelen
Materialen
Hoofddoel van de les > Nadenken over de verschillende betekenissen van woorden. > Gekke betekenissen bij woorden verzinnen.
Folio > kopieerblad 1 > bronnenbladen 1-3
Andere doelen > Gekke betekenissen tekenen, kleuren of schilderen.
Diversen > voor elke leerling één vel tekenpapier
Voorbereiding > Kopieer het kopieerblad op leerlingenaantal. > Voorzie tekenpapier (1 vel per leerling en enkele extra).
Domeinoverschrijdend werken Wil je nog verder gaan? De link naar beeldend vormgeven is heel snel gelegd. Misschien kunnen je leerlingen wel een spinnenkopje boetseren? Of een theekopje zo onder handen nemen dat het acht poten en een harige kop rijker wordt? Laat de leerlingen met de computer een kop van kranten maken door online foto’s te zoeken, te printen, te knippen en plakken … Misschien zien sommigen een kleine presentatie van hun poëtische zinnen in PowerPoint wel zitten?
OB - didactische suggesties dag 2
1
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Over woorden nadenken Vertel dat jullie vandaag diep gaan nadenken over de betekenis van woorden. Leg uit dat er vaak grappige en verrassende beelden ontstaan door woorden anders te bekijken. Geef enkele voorbeelden: > Vloerkleed: meestal een tapijt maar misschien ook een kleed van vloertegels? Of een kleed dat je alleen maar aantrekt als je de hele dag op de vloer gaat liggen? > Muzieknoot: meestal een teken dat je moet aflezen om muziek te maken, maar misschien ook een nootje waaruit muziek komt als je erin bijt? > Lippenstift: meestal waar mama of oma haar lippen mooi mee maakt, maar misschien ook een stift met aan de punt twee lipjes die het blad voortdurend zoenen? > Badkamer: de slaapkamer van moeder en vader bad? > Slakkenhuis: het huis waar de familie slak woont? > Schildersezel, brillenkoker, deurkruk … Noteer enkele verrassende woorden op het bord. Misschien zijn er wel taalsterke leerlingen die zelf een schitterende vondst uit hun mouw schudden! 2 Over de betekenis van spinnenkop en suikerspin nadenken Vraag naar de betekenis van deze woorden: spinnenkop, suikerspin. Stimuleer de leerlingen om verder te zoeken dan de gekende betekenis van het woord. Voorbeelden: > Een spinnenkop is niet alleen een spin maar ook de benaming van een bepaald soort molen. > Kwaadaardige vrouwen worden ook wel eens spinnenkop genoemd en ook een stukje vlees uit de achterkant van een rund krijgt die benaming. > Er bestaan spinnenkopbloemen en poetsartikelen waarmee je webben verjaagt. Zelfs in de motor van een auto zit soms een spinnenkop. Geef het woord ‘spinnenkop’ in in een afbeeldingszoekmachine en de leerlingen weten meteen wat je bedoelt. Laat hen ook nadenken over spinnen-kopje. Wellicht weten ze bij suikerspin ook heel wat leuke betekenissen te bedenken. 3 Gedicht voorlezen Lees het gedicht ‘Spinnenkopje’ voor. Vraag welk spinnenkopje ze zagen in hun hoofd. En welke suikerspin? Doe nu dezelfde oefening met het woord hartendief en lees nadien het gedicht ‘Hartendief’ voor. 4 Op het lesdoel focussen Geef elke leerling een vel tekenpapier en het kopieerblad. Laat hen per twee of drie de woorden lezen en vrij fantaseren. Welke gekke betekenissen kennen zij toe aan elk woord?
2
OB - didactische suggesties dag 2
Bronnenblad 1
Tekenpapier Kopieerblad 1
Laat de leerlingen één woord kiezen waarbij ze elk één betekenis bedenken. Die betekenis tekenen, kleuren of schilderen ze op hun tekenblad. Onderaan noteren ze in sierlijke letters het woord waarbij de tekening hoort. Bijvoorbeeld krantenkop: > Leerling A tekent een dier met een kop die vol kranten staat. > Leerling B tekent een kopje dat beschilderd is met letters uit de krant. > Leerling C tekent een loopwedstrijd waarin kranten de deelnemers zijn, één krant loopt vooraan - met de tekstballon: ‘Ik ben de krantenkop’ - … Bijvoorbeeld tekstballon: - Leerling A tekent een luchtballon met in het mandje allemaal letters. - Leerling B tekent allemaal woorden aan elkaar die de vorm hebben van een ballon. - … Extra opdracht 1 – uitbreiding Als leerlingen klaar zijn met hun tekening kunnen ze zelf op zoek gaan naar woorden met nieuwe betekenissen en die al dan niet tekenen. Extra opdracht 2 – uitbreiding Zeer taalvaardige leerlingen kunnen bij hun tekening(en) enkele zinnen bedenken: Voorbeelden: Vleugelpiano: De piano ging vliegen. Hij had genoeg van het koude weer. Tandpasta: Ik vind die tanden niet zo lekker in de pasta. Krantenkop: De krant is weer erg koppig vandaag. …
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 5 Een tekening maken: werktijd Treed op als coach tijdens de werktijd: beloon, daag uit, maar doe zo weinig mogelijk suggesties. Vlugge werkers kun je aan het werk zetten met een extra opdracht.
Controleren en reflecteren 6 Elkaars tekeningen bekijken Leerlingen die dat willen, mogen hun werk presenteren aan hun klasgenoten. Toon de illustratie die bij het gedicht hoort uit het boek Huisdieren van Geert De Kockere.
Bronnenblad 2 TIP! Of toon een voorbeeld (bronnenblad 3).
7 Over de activiteit reflecteren Laat de leerlingen vertellen wat ze van de activiteit vonden. > Vond je het leuk/minder leuk? > Wat vond je er leuk aan? Wat vond je minder leuk? > Wat vond je moeilijk? Waarom? > Zou je het volgende keer anders aanpakken?
OB - didactische suggesties dag 2
3
Bronnenblad 1 Spinnenkopje Spinnenkopje thee? Ja of nee? Ja, heel graag, met twee suikertjes vandaag. Of heb je liever dat ik de suiker aan de suikerspinnen vraag?
Geert De Kockere
Uit: Huisdieren ISBN 90-5838-029-7
Geert De Kockere
Uit: Een reus met lange armen ISBN 90-5838-120-0
Hartendief Marieke Marieke, Marieke kleine meid. Marieke is haar hartje kwijt. Verloren of vergeten? Kapot of weggesmeten? Te oud of opgegeten? Nee, de grote hartendief heeft het gisteren gestolen! Gestolen en veroverd, Marieke is betoverd!
4
OB - didactische suggesties dag 2
Bronnenblad 2
Geert Vervaeke
OB - didactische suggesties dag 2
5
Bronnenblad 3: creatie van een leerling
Andreas – 1e leerjaar
6
OB - didactische suggesties dag 2
Kopieerblad 1 krantenkop
luchtballon
vleugelpiano
tandpasta
handschoen
goudvis
paddenstoel
brievenbus
hondenbrok
kattenbak
toetsenbord
tafelblad
stoelpoot
deurstop
hoofdstuk
schatkaart
zwemband
handdoek
armband
stinkdier
Extra 1:
Extra 2:
OB - didactische suggesties dag 2
7
Dag 3 ʼt Ruikt hier naar poëzie www.talentvoortaal.be Domeinen: lezen, schrijven Onderwerp: een gedicht over een geur schrijven Lesduur: 50 minuten
Lesdoelen
Materialen
Hoofddoel van de les > Passende woorden bij geuren opschrijven. > Een gedicht over een geur schrijven.
Folio > kopieerbladen 1-2 > bronnenblad 1 Diversen > plastic doosjes of flessen met gaatjes in het deksel of de dop > geurende producten: kaneel, azijn, citroen, zeep, shampoo, babyzeep of -olie …
Voorbereiding > Kopieer kopieerbladen 1 en 2 op leerlingenaantal + enkele extra’s. Kopieer blad 2 bij voorkeur recto-verso. > Voorzie zes tot acht hoeken met geurdoosjes: ondoorzichtige plastic doosjes of flessen met gaatjes in het deksel of de dop. Vul ze met geurende producten: kaneel, azijn, citroen, zeep, shampoo, babyzeep of -olie, een stoffen doek met parfum besprenkeld, natte aarde, kattenvoer, chocolade … Tip: Voor grote klasgroepen voorzie je van elke geur het best twee of drie geurdoosjes zodat de wachttijden niet te lang oplopen.
OB - didactische suggesties dag 3
1
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Geurhoeken introduceren en verkennen Leg uit dat er in de klas verschillende geurhoeken zijn en dat de leerlingen straks vrij mogen rondlopen om alle geuren te verkennen. Tijdens het verkennen proberen ze zo veel mogelijk beelden op te roepen. > Waar doet een geur je aan denken? > Wat voel je? … 2 Opdrachten bij geurhoeken uitvoeren Als de leerlingen alle hoeken hebben verkend nemen ze kopieerblad 1 en kiezen ze twee geurhoeken. In beide hoeken vullen ze het raster in: daarvoor noteren ze de geur centraal en schrijven ze in alle andere velden zo veel mogelijk woorden. Vertel dat ze straks het beste resultaat krijgen als ze twee heel verschillende geuren kiezen, geuren die weinig met elkaar te maken hebben. De geur moet ook niet juist geraden worden. De woorden die erbij verzameld worden zijn veel belangrijker dan de naam van het product in de doos of fles. Voor leerlingen die dat moeilijk vinden, kun je een voorbeeld geven: > Als ik tomatensoep ruik, dan denk ik aan mijn oma en opa. Toen ik klein was mocht ik daar altijd spelen en ’s avonds maakte oma dan soep. Ik denk aan bloemetjes want de soep werd in borden met bloemetjes geserveerd. Ik denk ook aan zout, want oma was altijd boos als opa te veel zout in zijn soep strooide … Verduidelijk dat wat ze opschrijven vaak over herinneringen zal gaan. 3 Op het lesdoel focussen Leg uit dat de leerlingen twee gedichten gaan maken, een voor elke geur. Deel voor deze opdracht kopieerblad 2 uit. Lees het voorbeeldgedicht voor en wijs op het feit dat er woorden omkaderd zijn. Dat zijn de woorden die weggelaten zijn in het sjabloon. Duid de opdracht: > Bekijk het voorbeeldgedicht. > Houd het kopieerblad met woorden uit de geurhoeken bij. > Schrijf in het sjabloon (kopieerblad 2) op de schrijflijnen telkens een woord uit het vak met hetzelfde pictogram (kopieerblad 1). Doe dat met potlood zodat je je gedicht kunt blijven veranderen tot het goed klinkt! > Als je dat wilt, kun je meerdere gedichten bij dezelfde geur schrijven, daarvoor neem je een extra kopieerblad. Als het eerste gedicht af is, maken de leerlingen een gedicht bij de tweede geur. Leerlingen met een vlotte pen kunnen ook los van het sjabloon werken. Geef hun daartoe de keuze.
2
OB - didactische suggesties dag 3
Plastic doosjes of flessen met gaatjes in het deksel of de dop geurende producten: kaneel, azijn, citroen, zeep, shampoo, babyzeep of -olie …
Kopieerblad 1
Kopieerblad 2
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 4 Een gedicht maken: werktijd Treed op als coach tijdens de werktijd: beloon, daag uit, maar doe zo weinig mogelijk suggesties. Leerlingen die snel klaar zijn kunnen ingezet worden als coach bij leerlingen die minder vlot tot een resultaat komen. Zij kunnen helpen zoeken naar woorden door samen nog eens te gaan ruiken, vragen te stellen, herinneringen op te halen …
Controleren en reflecteren 5 Elkaars gedichten lezen Laat elke leerling één eigen gedicht kiezen. Hij/zij legt het in de passende geurhoek. Laat de leerlingen de gedichten verkennen als in een museum: ze lopen in stilte rond in het museum, verkennen de geur en lezen de bijpassende gedichten. Durf ook eens een gedicht van een poëet die het schrijven wat lastig vond in de verf te zetten. Die pluim doet hem of haar bij een volgende opdracht wellicht vliegen.
TIP! Of toon een voorbeeld (bronnenblad 1).
6 Over de activiteit reflecteren Laat de leerlingen vertellen wat ze van de activiteit vonden. > Vond je het leuk/minder leuk? > Wat vond je er leuk aan? Wat vond je minder leuk? > Welke stappen doorliep je om een eigen gedicht te schrijven? > Wat vond je moeilijk? Waarom? > Zou je het volgende keer anders aanpakken?
OB - didactische suggesties dag 3
3
Bronnenblad 1: creatie van leerlingen Twee kinderen schreven een geurgedicht. Lou werkte zonder het sjabloon, Marta met het sjabloon.
Marta – 3e leerjaar
4
OB - didactische suggesties dag 3
Lou – 2e leerjaar
Kopieerblad 1 waar?
wat?
ik voel ...
wie? het ruikt of smaakt ... zoet – zuur – bitter – fris – koud – warm – vies – lekker – scherp – heerlijk – vreselijk – zacht – oud – rot – vers – …
waar?
wat?
wie?
ik voel ...
het ruikt of smaakt ... zoet – zuur – bitter – fris – koud – warm – vies – lekker – scherp – heerlijk – vreselijk – zacht – oud – rot – vers – …
OB - didactische suggesties dag 3
5
Kopieerblad 2 Kaneel oma haalt diep adem kaneel fladdert in wolkjes door haar neus trots kijkt de open haard toe slaakt een diepe zucht en denkt was ik maar elke dag één en al knuffel ik kom een beetje dichter om sinterklaas echt goed te zien goed gezien!
Gedichtsjabloon 1 (kies een titel) haalt diep adem fladdert in wolkjes door neus kijkt toe slaakt een diepe zucht en denkt was ik maar elke dag één en al ik kom een beetje dichter om
echt goed te zien
goed gezien!
6
OB - didactische suggesties dag 3
Gedichtsjabloon 2 (kies een titel) haalt diep adem fladdert in wolkjes door neus kijkt toe slaakt een diepe zucht en denkt was ik maar elke dag één en al ik kom een beetje dichter om
echt goed te zien
goed gezien!
Lukt het je ook zonder sjabloon?
OB - didactische suggesties dag 3
7
Dag 4 Ritselraadsels
www.talentvoortaal.be
Domeinen: lezen, schrijven Onderwerp: een woord in een gedicht aanvullen Lesduur: 50 minuten
Lesdoelen
Materialen
Hoofddoel van de les > Een raadsel spelen. > Tips verzinnen bij een woord. > Een woord aanvullen in een gedicht.
Folio > kopieerbladen 1-4 > bronnenbladen 1-11
Voorbereiding > Verdeel je klasgroep in duo’s en/of trio’s. > Voorzie per groepje kladpapier en een bundel van de kopieerbladen 1 tot en met 4. > Print kopieerblad 4, knip de kaartjes uit en lamineer ze. > Print de bronnenbladen en lamineer ze eventueel voor later gebruik. > Geef elk bronnenblad een plek in de klas, op een goed zichtbare plaats. (Niet uitvoeren als je de extra uitdaging niet gebruikt.)
Coöperatieve werkvormen in deze les Denken-delen-uitwisselen 1 2 3 4
De leerkracht stelt één of meerdere vragen aan de groep. De leerlingen krijgen een paar minuten om in stilte over het juiste antwoord na te denken. De leerlingen bespreken de antwoorden met elkaar en formuleren een gezamenlijk antwoord. De leerkracht vraagt aan een van de leerlingen uit het groepje om hun antwoorden met de klas te delen.
OB - didactische suggesties dag 4
1
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Sfeer scheppen Begin de les met het voorlezen van het gedicht ‘Woutertje’. Houd na het gedicht de stilte enkele ogenblikken aan. Vraag dan wat dit gedicht zo mooi maakt. Bv. raadselachtig, je wilt het graag weten, je fantaseert direct zelf al …
Bronnenblad 1
2 Raadspel spelen Coöperatieve werkvorm: denken-delen-uitwisselen Vertel dat er een raadspel volgt. Je leest een reeks van woorden. Elk woord is een tip. De eerste tip is de moeilijkste. De laatste is de makkelijkste. Wie weet welk woord je zoekt, steekt z’n hand op. SLAK: huis – klein – traag – slijm – dier – voelspriet – rijmt op vlak BOOM: groot – stevig – ademt – hoog – groen – wortel – tak SLEUTEL: open – start – dagboek – bos – auto – deur – slot – gesloten DIRECTEUR: baas – bureau – school – beslist – schoolhoofd LAMP: zien – knop – brandt – elektriciteit – aansteken – donker – …kap CHOCOLADE: zoet – wit – december – Pasen – zwart – heerlijk – bruin – eitjes – Sinterklaas HUIS: groot – tuin – steen – sleutel – huren – deur – wonen Leg na elke reeks eventueel nog de link tussen de tips en het gezochte woord. Laat de leerlingen per twee of drie werken. Geef hun per groep kladpapier en één kaartje van kopieerblad 4. De groep verzint vijf tips bij het woord op zijn kaartje en rangschikt de tips van de moeilijkste naar de gemakkelijkste. Als iedereen klaar is, legt elke groep zijn woordenreeks als raadsel voor aan de klas. Bespreek nadien bij elk woord of duidelijk werd wat het raadsel was en of de reeks inderdaad van moeilijk naar makkelijk gerangschikt was. 3 Op het lesdoel focussen Coöperatieve werkvorm: denken-delen-uitwisselen De leerlingen werken verder in dezelfde groep. Deel de kopieerbladen uit. Vertel dat het allemaal gedichten van Geert De Kockere zijn, een top-poëet en een krak in het bedenken van raadsels. Vertel dat er veel kracht in zijn gedichten steekt omdat hij geregeld ‘reeksjes’ bedenkt om tot gedichten te komen. Voor deze opdracht daagt de dichter jullie uit door telkens één of meerdere woorden in het gedicht te verstoppen. Leg stapsgewijs uit wat ze moeten doen: > Stap 1: Lees de gedichten en overleg. Welk woord zou er kunnen ontbreken? > Stap 2: Stap rond in de klas. Alle woorden die je zoekt hangen uit. Vind jij het juiste woord bij het juiste gedicht? Schrijf het er telkens in potlood bij.
2
OB - didactische suggesties dag 4
Kladpapier Kopieerblad 4
Kopieerbladen 1-3
Bronnenbladen 2-11 TIP! Wil je je leerlingen een extra uitdaging bieden? Onthul de bronnenbladen dan niet onmiddellijk (of zelfs helemaal niet) en laat hen zelf zoeken. De ontknoping zal dubbel zo spannend zijn!
> Stap 3: Ga terug naar je plaats en lees de gedichten opnieuw. Klopt het? Wat vind je van de dichtkunst? Is het goed gevonden? Waarom? > Stap 4: Voor sterke groepen: bedenk een ander woord dat past in het gedicht.
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 4 Het gedicht schrijven: werktijd Ga bij elk groepje luisteren tijdens de werktijd. Goede, spitsvondige opmerkingen kun je eventueel noteren om nadien aan de hele groep mee te delen. Wijs leerlingen erop als ze een dwaalspoor volgen, maar doe dat niet te snel. Misschien kunnen ze nadien uitleggen waarom ze een bepaald woord beter vinden passen. Onthoud en noteer die vondsten zeker om ze nadien aan de klasgroep mee te delen.
Controleren en reflecteren 5 Over de activiteit reflecteren Reflecteer met de leerlingen op hun resultaat en werkwijze. Zet leerlingen die eerder teruggetrokken van aard zijn, maar nu fantastische poëtische linken legden zeker in de bloemetjes. Een applaus duurt slechts enkele seconden, maar kan een wereld van verschil maken voor een leerling! Lees tot slot de gedichten voor, of laat een leerling dat doen, en onthul daarbij de gezochte woorden. Laat de leerlingen vertellen wat ze van de activiteit vonden. > Vond je het leuk/minder leuk? > Wat vond je er leuk aan? Wat vond je minder leuk? > Hoe lukte het samenwerken in groep? > Welke stappen doorliep je om een eigen gedicht te schrijven? > Wat vond je moeilijk? Waarom? > Zou je het volgende keer anders aanpakken?
OB - didactische suggesties dag 4
3
Oplossingen Weet je wat ik nooit wil zijn? Een sprot! Want hij moet steeds naar school! Dat zei de juf. Hij lééft zelfs in een school. En weet je wat nog het ergste is? Slimmer wordt hij niet, die vis. Uit: Samen over een muurtje, p. 10
In een schuurtje zonder naam zat een muurtje met een raam. En als je op je tenen stond en door dat raam naar binnen keek, zag je in dat schuurtje, geloof het of niet, een paard dat op een dromedaris leek. Uit: Samen over een muurtje, p. 15
Een tamme kastanje is erg gesloten. Je moet hem voorzichtig aanpakken, stukje bij beetje openen, lospeuteren,
Ik lig in de knoop, zei de ene veter met een zucht. Dat is wat ik hoop! zei de andere toen opgelucht.
Maar eenmaal zover is hij om op te eten.. Uit: Samen over een muurtje, p. 14
Ik was ik en jij was een plas. Ik liep en ik liep en jij lag in het gras. Toen sprong ik in jou en spetterde jij: Wat doe je nou?!
Uit: Samen over een muurtje, p. 22
Er viel een eikel en iemand riep: Het is een elfje! Hij ontkiemde en iemand zei: Kijk, vleugeltjes. Uit: Samen over een muurtje, p. 30
4
OB - didactische suggesties dag 4
Uit: Samen over een muurtje, p. 102
Dag dag, zei de nacht, tot morgen! Maar ik bén de morgen, zei de dag, voor even toch.
Als je goed kijkt, kun je de zee zien ademen. In en uit en weer in en nog eens uit.
En helemaal in de war verdween de nacht maar half en iedereen dacht: Wat een sombere dag.
Heel langzaam, terwijl jij erin en eruit en er weer in en er nog eens uit.
Uit: Samen over een muurtje, p. 54
Uit: Samen over een muurtje, p. 31
Een hert heeft op zijn kop een tak. Die groeit daar uit het niets en doet af en toe eens een krak. Een hert burlt. Brult? Nee, BURLT! Doet dat pijn? Nee, maar het klinkt wel wreed. Door die tak op zijn kop? Ja, wie weet …
Wist je dat een huis kan praten? Uit zijn kieren, spleten en gaten? Als je goed luistert, hoor je dat een huis wel eens fluistert.
Uit: Samen over een muurtje, p. 40
Of het zucht en klaagt of kreunt en kraakt of piept en vraagt: Zie je mij nog graag? Wil je dan eens thuisblijven vandaag? Uit: Samen over een muurtje, p. 43
OB - didactische suggesties dag 4
5
Bronnenblad 1 Woutertje Dag Woutertje kaboutertje, waar ga je naartoe? Naar de zevende koe! Zeg Woutertje kaboutertje, wat ga je daar doen? eerst rood en dan groen! Maar Woutertje kaboutertje, wat mag dat dan zijn? Daarvoor, wijsneusje vraagstaartje, ben jij nog te klein! Geert De Kockere
6
OB - didactische suggesties dag 4
Uit: Een fruitje van zilver ISBN 90-73913-15-2
Bronnenblad 2
paard
OB - didactische suggesties dag 4
7
Bronnenblad 3
sprot/vis
8
OB - didactische suggesties dag 4
Bronnenblad 4
kastanje
OB - didactische suggesties dag 4
9
Bronnenblad 5
veter
10
OB - didactische suggesties dag 4
Bronnenblad 6
plas
OB - didactische suggesties dag 4
11
Bronnenblad 7
zee
12
OB - didactische suggesties dag 4
Bronnenblad 8
hert
OB - didactische suggesties dag 4
13
Bronnenblad 9
huis
14
OB - didactische suggesties dag 4
Bronnenblad 10
dag
OB - didactische suggesties dag 4
15
Bronnenblad 11
eikel
16
OB - didactische suggesties dag 4
Kopieerblad 1 Een tamme
In een schuurtje
is erg gesloten.
zonder naam
Je moet hem
zat een muurtje
voorzichtig aanpakken,
met een raam.
stukje bij beetje openen, lospeuteren,
En als je op je tenen stond en door dat raam
Maar eenmaal zover
naar binnen keek,
is hij om op te eten.
zag je in dat schuurtje, Geert De Kockere
geloof het of niet, een dat op een dromedaris leek. Geert De Kockere
Weet je wat ik nooit wil zijn? Een
!
Want hij moet steeds naar school! Dat zei de juf. Hij lééft zelfs in een school.
En weet je wat nog het ergste is? Slimmer wordt hij niet, die
. Geert De Kockere
OB - didactische suggesties dag 4
17
Kopieerblad 2 Ik lig in de knoop,
Ik was ik
zei de ene
en jij was een
met een zucht.
Ik liep en ik liep
Dat is wat ik hoop!
en jij lag in het gras.
zei de andere
Toen sprong ik in jou
toen opgelucht.
en spetterde jij: Geert De Kockere
.
Wat doe je nou?! Geert De Kockere
Als je goed kijkt, kun je de
Een
zien ademen.
Die groeit daar uit het niets
In en uit
en doet af en toe eens een krak.
en weer in
Een
en nog eens uit.
Brult?
heeft op zijn kop een tak.
burlt.
Nee, BURLT! Heel langzaam,
Doet dat pijn?
terwijl jij erin
Nee, maar het klinkt wel wreed.
en eruit
Door die tak op zijn kop?
en er weer in
Ja, wie weet …
en er nog eens uit.
Geert De Kockere Geert De Kockere
18
OB - didactische suggesties dag 4
Kopieerblad 3 Wist je dat
Dag
een
zei de nacht,
kan praten?
,
Uit zijn kieren,
tot morgen!
spleten en gaten?
Maar ik bén de morgen,
Als je goed luistert,
zei de
hoor je dat een
voor even toch.
,
wel eens fluistert. En helemaal in de war Of het zucht en klaagt
verdween de nacht maar half
of kreunt en kraakt
en iedereen dacht:
of piept en vraagt:
Wat een sombere
. Geert De Kockere
Zie je mij nog graag? Wil je dan eens thuisblijven vandaag?
Er viel een Geert De Kockere
en iemand riep: Het is een elfje!
Hij ontkiemde en iemand zei: Kijk, vleugeltjes. Geert De Kockere
OB - didactische suggesties dag 4
19
Kopieerblad 4
20
dag
huis
hert
zee
paard
kastanje
veter
plas
eikel
sprot (vis)
fietshelm
springtouw
brandweer
speeltijd
computer
tandpasta
zwemmen
bus
choco
rekenen
OB - didactische suggesties dag 4
Dag 5 Als de kast aan
www.talentvoortaal.be
ʼt praten gaat
Domeinen: lezen, schrijven Onderwerp: een gedicht maken over een voorwerp dat tot leven komt Lesduur: 50 minuten
Lesdoelen
Materialen
Hoofddoel van de les > Passende, spannende, ondeugende … vragen in een interview stellen. > Een gedicht maken over een voorwerp dat tot leven komt.
Folio > kopieerbladen 1-2 > bronnenbladen 1-3 Diversen > stoel > kladpapier
Voorbereiding > Kopieer de vraagkaartjes van kopieerblad 1. Zorg voor één kaartje per leerling. > Kopieer kopieerblad 2 op leerlingenaantal. > Zet een stoel vooraan in de klas, op een voor elke leerling zichtbare plek. > Voorzie voldoende kladpapier. > Bedenk of je jouw klasgroep (op basis van leerlingenaantal) beter verdeelt in groepen van drie of vier leerlingen.
Coöperatieve werkvormen in deze les De lege stoel Vooraan in de klas staat een stoel. Die stoel stelt een persoon, voorwerp, dier … voor. De leerling die een vraag wil stellen aan die persoon, dat voorwerp, dier … gaat op de stoel zitten en stelt zijn vraag. De leerling die wil antwoorden als die persoon, dat voorwerp, dier … neemt plaats op de stoel en antwoordt alsof hij die persoon, dat voorwerp, dier … is.
Domeinoverschrijdend werken Wil je nog verder gaan? Dan kunnen de gedichten onder handen genomen worden met verf, stof, kleurpotloden … Als je de foto’s van die werken bundelt, heb je meteen een dichtbundel waar je als klas of school mee kunt uitpakken. Misschien wil je er wel een digitaal audioboek van maken, zodat de ouders op de schoolwebsite kunnen meegenieten van het talent van hun spruit?
OB - didactische suggesties dag 5
1
Lesgang Oriënteren en plannen 1 Meneer of mevrouw Appelsientje spelen Vertel de leerlingen dat je iemand hebt uitgenodigd voor een interview. Vraag een leerling om voor journalist te spelen. Geef hem of haar een vraagkaartje. Kruip nu in de rol van meneer of mevrouw Appelsientje. Ga achter de lege stoel staan. Vraag om stilte. Doe het ‘in je rol rollen’ voor door hardop te zeggen welke stappen je doorloopt: > Ik sluit mijn ogen. Ik denk aan wie ik worden wil. Ik word … meneer/ mevrouw Appelsientje. > Ik zoek een foto van de appelsien die ik wil worden in mijn hoofd en bekijk die heel goed, van kop tot teen. > Ik rol me in mijn rol (een draai om je eigen as). Hop, nu ben ik meneer/ mevrouw Appelsientje. Zodra ik de rugleuning van de stoel vastneem, kan ik ook praten, denken, lachen en huilen, net als mensen. Neem met beide handen de rugleuning van de stoel vast. Ga nu verder met de uitleg, maar leef je daarbij in in de rol van ‘meneer of mevrouw Appelsientje’. Vervorm je stem een beetje om het helemaal geloofwaardig te maken. Richt je tot de interviewer van dienst en vraag die om het interview te starten aan de hand van het vraagkaartje. Vraag de journalist om zich naar de stoel te richten en zich in te beelden dat jij als meneer of mevrouw Appelsientje daar daadwerkelijk op zit. 2 Interview afnemen Coöperatieve werkvorm: de lege stoel De leerling die de interviewer speelt, stelt zijn of haar vragen, jij antwoordt als meneer of mevrouw Appelsientje. Reageer zoals hier beschreven wordt. Wat is jouw naam? Ik ben Appelsientje, een klein sinaasappeltje. Ik smaak lekker zoet … Maar denk maar niet dat ik je van mij laat proeven! Wat is het gekste dat jij ooit hebt meegemaakt? Er was een gulzig kind dat me zomaar in mijn billen beet! Hoe onbeschoft is dat niet! Waar word jij verdrietig van? Laatst nog … at iemand mijn neefje op! Met huid en haar! Nee, dat is niet helemaal waar … Zijn velletje gooiden ze bij het afval. En zijn pitten, waar hij zo lang aan gewerkt had … die vlogen in de vuilnisbak! Wat wens jij? Waar droom je van? Dat ik ooit een sinaasappelboom mag worden in Spanje. Onder de stralende Spaanse zon! Wat maakt jou boos? Dat je dat nog durft te vragen! Dat iedereen denkt dat mijn familie en ik zomaar op te eten zijn! Tss … Die mensen, daar kun je geen touw aan vastknopen.
2
OB - didactische suggesties dag 5
Kopieerblad 1
Wie wil jij graag het liefste bij je? Een heel warm mensenkind dat me vertroetelt en streelt, dagen, maanden, jaren … Bedank (nog steeds in je rol) de interviewer voor het interview en vraag of er nog andere nieuwsgierigen zijn met vragen voor jou. Laat wie dat wil zijn of haar zelfbedachte vraag stellen en probeer (met het gedicht van Geert De Kockere in het achterhoofd) zo passend mogelijk te reageren. Wanneer alle vragen gesteld zijn, doe je (hardop) voor hoe je uit je rol rolt: > Ik sluit mijn ogen. Ik denk aan wie ik worden wil. Ik word juf/meester (je voornaam). Ik beeld me in hoe ik er zelf uitzie en bekijk mezelf in mijn hoofd van kop tot teen. > Ik rol mezelf terug in wie ik echt ben (een draai om je eigen as). Hop, nu ben ik weer juf/meester (je voornaam). > Ik open mijn ogen en ben weer helemaal terug. 3 Gedicht lezen Vertel dat je een gedicht hebt meegebracht over het interview dat daarnet heeft plaatsgevonden. Lees het voor of laat het voorlezen. Vraag de leerlingen of ze delen uit het interview terugvinden in het gedicht en laat hen daarover vertellen. Lees nog twee gedichten voor en vertel dat ze eigenlijk op dezelfde manier tot stand zijn gekomen: één over een appel, één over de zee. Zeg dat ze op het einde van de les zelf ook een gedicht zullen maken over een voorwerp dat tot leven komt. Om dat te kunnen doen, spelen ze eerst zelf het spel van de lege stoel. 4 Op het lesdoel focussen Coöperatieve werkvorm: de lege stoel Zet de leerlingen in groepjes van drie of vier en zorg voor een lege stoel per groepje. Geef elke leerling een vraagkaartje. Laat iedere leerling een voorwerp in gedachten nemen dat hij of zij straks wil worden. Meld dat op de achterkant van het vraagkaartje nog eens beschreven staat hoe je in je rol moet rollen. Tijdens het interview stellen de overige groepsleden elk om beurten een vraag aan de geïnterviewde. Wie wil mag ook extra vragen verzinnen. Meld dat ze goed moeten onthouden wat ze in hun rol allemaal zeggen, om dat straks te gebruiken voor het gedicht. De leerlingen werken opnieuw individueel. Geef hun de keuze: ofwel werken ze vrij (op kladpapier), ofwel hanteren ze het sjabloon van het kopieerblad. Meld dat ze bij dit werk vaak zullen moeten schrappen, vervangen, opnieuw beginnen … net zolang tot ze vinden dat het echt naar poëzie smaakt. Als ze klaar zijn, kiezen ze hun beste creatie en schrijven ze die over op een tekenblad.
OB - didactische suggesties dag 5
Bronnenblad 1
Bronnenblad 2
Kopieerblad 1
Kladpapier of kopieerblad 2
3
Hoofddoel uitvoeren en verwerken 5 Een gedicht maken: werktijd Treed op als coach tijdens de werktijd: beloon, daag uit, maar doe zo weinig mogelijk suggesties. Leerlingen die snel klaar zijn kunnen muzisch-beeldend aan de slag: ze tekenen het voorwerp bij hun gedicht, voorzien van ogen, oren, neus en mond, natuurlijk! 6 Het gedicht presenteren Leerlingen die dat willen kunnen hun gedicht(en) voordragen. Je kunt ook een poëziewand (of poëzieboom, -draad, -blok, -doos …) maken waarop de jonge dichters hun werk tentoonstellen.
Controleren en reflecteren 7 Over de activiteit reflecteren Laat de leerlingen vertellen wat ze van de activiteit vonden. > Vond je het leuk/minder leuk? > Wat vond je er leuk aan? Wat vond je minder leuk? > Welke stappen doorliep je om een eigen gedicht te schrijven? > Wat vond je moeilijk? Waarom? > Zou je het volgende keer anders aanpakken?
4
OB - didactische suggesties dag 5
TIP! Of toon een voorbeeld (bronnenblad 3).
Bronnenblad 1 Appelsientje was een kind om in te bijten. Mooi van kleur en lekker zoet, de pitten kon je in de vuilbak smijten. Maar als je ’t deed, als je erin beet, dan riep ze heel hard Ai! Ai! en Oei! en Zwimmezwam! nog voor je bij de pitten kwam. En ik kan het weten, want even, heel even, heb ik haar gebeten. Uit: Samen over een muurtje ISBN 97-8905838-943-5 Geert De Kockere
OB - didactische suggesties dag 5
5
Bronnenblad 2 Ik spring! gilde een rijpe appel. En zonder te kijken loste hij zijn tak en viel pardoes – krak! – op ’t huisje van een slak.
De zee kruipt soms in haar schelp. Waarop wij met een oor. Geert De Kockere
6
OB - didactische suggesties dag 5
Geert De Kockere
Bronnenblad 3: creatie van een leerling
Esmé – 2e leerjaar
OB - didactische suggesties dag 5
7
1 OGEN DICHT
2 FOTO: zo ben ik nu
3 FOTO: zo word ik
4 ROL
5 NEEM STOEL VAST
2 FOTO: zo ben ik nu
3 FOTO: zo word ik
4 ROL
5 NEEM STOEL VAST
5 NEEM STOEL VAST 4 ROL 3 FOTO: zo word ik 2 FOTO: zo ben ik nu 1 OGEN DICHT
- Wat is jouw naam?
- Waar word jij verdrietig van?
- Wat is jouw naam?
- Waar word jij verdrietig van?
- Wat wens jij? Waar droom je van?
- Wat is jouw naam?
- Waar word jij verdrietig van?
- Wat wens jij? Waar droom je van?
- Wat maakt jou boos?
- Wat is het gekste dat jij ooit hebt meegemaakt?
- Wat wens jij? Waar droom je van?
- Wat maakt jou boos?
- Wie wil jij graag het liefste bij je?
- Wat is het gekste dat jij ooit hebt meegemaakt?
- Wat maakt jou boos?
- Wie wil jij graag het liefste bij je?
- Wat is het gekste dat jij ooit hebt meegemaakt?
- Wie wil jij graag het liefste bij je?
OB - didactische suggesties dag 5
8
1 OGEN DICHT
Kopieerblad 1 Vraagkaartjes
Kopieerblad 2 Sjabloon
was een
om
van kleur en , de kon je
Maar als je ’t deed, als je
,
dan ! nog voor je
En
kan het weten,
want even, heel even,
OB - didactische suggesties dag 5
9