Skip to main content

BAO_Poezieweek_2025-2026_LJ1_DAG1-5_150DPI

Page 1

Dag 1 Kaartjesgedichten Domeinen: lezen, spreken, luisteren, schrijven Onderwerp: gedichten maken door kaartjes ‘samen’ te leggen Lesduur: 50 minuten

Lesdoelen

Materialen

Hoofddoel van de les > Zinnen bouwen door woorden in volgorde te leggen. > Woorden met elkaar associëren en zo een gedicht aanvullen. > Fantasie gebruiken om zo creatief mogelijk een nieuw gedicht te maken.

Folio > kopieerblad 1 > kopieerblad 2 > bronnenblad 1

Andere doelen > Per twee samenwerken. > Bijkomende woorden verzinnen die met het gedicht te maken hebben. > Een passende illustratie maken bij een gedicht door verschillende materialen te gebruiken.

Diversen > tekenpapier > allerlei materialen voor de illustratieopdracht: zilverpapier, crêpepapier, touw, glitters, stempels, gekleurd papier … > schaar > stiften > lijm

Voorbereiding > Kopieer het gedicht (kopieerblad 1) voor elke leerling als je het gedicht van de dag niet kunt projecteren. > Voorzie voor elke leerling een blanco woordkaart waarop ze een woord groot genoeg kunnen schrijven om het leesbaar aan het bord te hangen. Voorzie enkele extra woordkaarten waarop je zelf korte ‘verbindingswoorden’ schrijft en voorzie enkele extra woordkaarten die je als ‘troefkaart’ kunt inzetten. > Leg de materialen voor de illustratieopdracht klaar.

Coöperatieve werkvormen in deze les Tweegesprek 1 2 3 4

Elke leerling zoekt of krijgt een partner. De leerkracht stelt een vraag: ‘Overleg/bespreek met je partner …’ De leerlingen overleggen met elkaar en noteren al dan niet hun bevindingen. De leerkracht duidt een leerling aan die de bevindingen meedeelt.

LJ1 - didactische suggesties dag 1

1


Lesgang Oriënteren en plannen 1 Het gedicht beluisteren Projecteer het gedicht van bronnenblad 1 en lees het expressief voor.

Bronnenblad 1 Kopieerblad 1

2 De inhoud bespreken Bespreek in een vraaggesprek de inhoud van het gedicht. Sta eventueel zin per zin stil bij de inhoud en verbind de inhoud van de zin met de voorgaande zinnen. In eerste instantie lijkt het gedicht over woorden te gaan. Maar al snel blijkt dat het gaat over iemand die woorden zoekt, en die woorden bij elkaar zet: een dichter. Door woorden bij elkaar te zetten, maakt hij zinnen, en die zinnen worden een gedicht. > Wat bedoelt de schrijver met ‘woorden zoeken woorden’? Doe een associatiespel waarbij jij een woord zegt en de leerlingen telkens een volgend geassocieerd woord zoeken, bv. trein – spoor – bos – boom – eekhoorn – … > Dit is een gedicht, maar het rijmt niet. Kan dat wel? Bespreek dat poëzie niet noodzakelijk moet rijmen. > Waarom schrijft een dichter gedichten? Welke bedoeling heeft hij? Een dichter speelt met taal, hij doet verrassende dingen met woorden en zinnen. Zo krijg je gedichten die soms wat moeilijker zijn om te begrijpen, maar die je wel dwingen om na te denken en betekenis te zoeken. De dichter speelt met woorden en zinnen, en speelt eigenlijk ook met wat er in je hoofd omgaat als je het leest. 3 Het ontbrekende woord uit het gedicht bedenken Coöperatieve werkvorm: tweegesprek > Welk woord zou passen in het gedicht? Laat de leerlingen per twee of in een grotere groep een woord bedenken dat in het gedicht past. Elk groepje licht zijn voorstellen toe. Noteer ze op het bord. Laat de klasgroep beslissen welk woord ze als ‘winnaar’ insturen voor het ‘gatengedicht’. 4 Op het lesdoel focussen > Je maakt een gedicht door woorden op kaartjes in volgorde te leggen. Daarbij maak je een illustratie met vier verschillende materialen.

2

LJ1 - didactische suggesties dag 1

Grote blanco woordkaarten Een donkere stift (voor elke leerling)


Hoofddoel uitvoeren en verwerken 5 Klassikaal een gedicht opstellen aan de hand van verzamelde woorden op kaartjes Je kunt kiezen uit twee mogelijke werkwijzen om de woorden te verzamelen: 1. Laat de leerlingen een cijfer/getal van 0 tot 20 in gedachten houden. Ze openen hun leesboek of leeswerkschrift op de pagina van de laatste les en zoeken het woord in de tekst dat overeenstemt met hun cijfer of getal (getal 15 = 15e woord in de tekst). Dat woord schrijven ze in het groot op hun kaartje. 2. Laat de leerlingen zelf woorden bedenken. Je kunt daarbij uitgaan van een associatieoefening. Voorzie in dat geval kaartjes met enkele korte verbindingswoorden (bv. en, ik, je, tussen, daar, omdat, door …) die je zelf schrijft en aan het bord hangt. Voorzie naast al deze kaarten ook een drietal ‘jokerkaarten’. Op die kaarten kun je gaandeweg nog enkele woorden ad hoc schrijven. Hang vervolgens alle kaarten op het bord. Begin met de leerlingen zinnen te bouwen door de kaartjes op het bord samen te hangen (net zoals de dichter in het daggedicht). Het gedicht moet niet lang zijn, het gaat vooral om het bouwen van zinnen. Bespreek de betekenis van elke zin die gebouwd is. Vervang daarbij een of meer woorden uit de zin door andere woorden die nog niet gekozen werden. Bespreek wat dat doet met de betekenis van de zin. Laat indien mogelijk ook eens een zin rijmen. Daarvoor zijn de troefkaarten erg handig. Bespreek ook het effect van rijmen. Het geeft een zekere klankkleur aan het gedicht (het klinkt mooi!). 6 Zelf een gedicht met woordkaartjes bouwen De leerlingen voeren nu individueel uit wat er daarnet aan het bord gebeurde. Zij knippen de kaartjes van kopieerblad 2 uit. Laat hen met de kaartjes zinnen maken en zo komen tot een gedicht. De troefkaartjes kunnen ze inzetten als ze een goed idee hebben om het gedicht sterker te maken. Je kunt ook de opdracht geven om minstens één rijmende zin te bouwen. Ga rond en begeleid. Lees enkele goede voorbeelden voor. Wanneer de leerlingen een gedicht gemaakt hebben, kleven ze de kaartjes in de door hen bepaalde volgorde op een tekenpapier. 7 Het eigen gedicht voorlezen Laat leerlingen die dat willen hun gedicht voorlezen aan de klasgroep. Geef positieve feedback of laat de andere leerlingen feedback geven. 8 Een passende illustratie bij het gedicht maken Laat de leerlingen een passende illustratie maken bij hun gedicht. Let wel: ze moeten dat doen door minstens vier verschillende materialen passend ‘samen’ te gebruiken. Het resultaat wordt dus een combinatie van materialen (bv. potlood, zilverpapier, stift, touw). De illustratie mogen ze maken onder, naast, over het gedicht dat ze samenstelden. Het gedicht kan dus ‘deel uitmaken’ van de illustratie.

LJ1 - didactische suggesties dag 1

Woordkaarten (jokerkaarten)

Kopieerblad 2 Schaar Tekenpapier Differentiatietip! Je kunt er ook voor opteren om leerlingen per twee te laten werken. Laat een sterke leerling samenwerken met een zwakkere, waarbij je aangeeft dat je verwacht dat beide partners evenveel inbrengen in het bouwen van zinnen. Verschillende materialen om te illustreren: zilverpapier, crêpepapier, touw, glitters, stempels, gekleurd papier …

3


Controleren en reflecteren 9 Over de activiteit reflecteren Laat de leerlingen vertellen wat ze van de activiteit vonden. > Vond je het leuk/minder leuk? > Wat vond je er leuk aan? Wat vond je minder leuk? > Hoe lukte het om per twee samen te werken? > Welke stappen doorliep je om een eigen gedicht te schrijven? > Wat vond je moeilijk? Waarom? > Zou je het volgende keer anders aanpakken?

4

LJ1 - didactische suggesties dag 1


Bronnenblad 1

Een woord. En nog een woord. En nog één! Woorden zoeken woorden en dichters brengen ze bijeen. Zo komen woorden in een gedicht samen tot een zin, ???? soms zelfs een Als jij ze leest. Geert De Kockere

LJ1 - didactische suggesties dag 1

5


Kopieerblad 1

Een woord. En nog een woord. En nog één! Woorden zoeken woorden en dichters brengen ze bijeen.

Een woord. En nog een woord. En nog één! Woorden zoeken woorden en dichters brengen ze bijeen.

Zo komen woorden in een gedicht samen tot een zin, soms zelfs een

Zo komen woorden in een gedicht samen tot een zin, soms zelfs een

????

.

Als jij ze leest.

????

Als jij ze leest. Geert De Kockere

Geert De Kockere

Een woord. En nog een woord. En nog één! Woorden zoeken woorden en dichters brengen ze bijeen.

Een woord. En nog een woord. En nog één! Woorden zoeken woorden en dichters brengen ze bijeen.

Zo komen woorden in een gedicht samen tot een zin, soms zelfs een

Zo komen woorden in een gedicht samen tot een zin, soms zelfs een

????

.

Als jij ze leest.

????

.

Als jij ze leest. Geert De Kockere

6

.

LJ1 - didactische suggesties dag 1

Geert De Kockere


Kopieerblad 2

ik

ben

gil

was

sprong

te

een

hij

pardoes

viel

rijpe

een

en

de

op

tak

te

zijn

een

en

huis

slak

van

broek

en

maar

zei

LJ1 - didactische suggesties dag 1

7


wat

gaf

moet

door

bank

lief

want

hij

kous

toon

me

ik

een

zei

zei

kan

ik

hand

groot

het

je

grap

8

LJ1 - didactische suggesties dag 1


Dag 2 Een gedicht op maat

van onze vriendschap

Domeinen: lezen, schrijven Onderwerp: onderlinge tegenstellingen/verschillen gebruiken om een gedicht te verbouwen Lesduur: 50 minuten

Lesdoelen

Materialen

Hoofddoel van de les > Tegenstellingen van woorden zoeken. > Zichzelf beschrijven en de verschillen met anderen aanhalen. > Een gedicht bouwen door gebruik te maken van tegenstellingen.

Folio > kopieerblad 1 > kopieerblad 2 (per duo) > kopieerblad 3 (per duo) > bronnenblad 1

Andere doelen > Per twee samenwerken. > Woorden zo plaatsen in een gedicht dat inhoudelijke verbanden duidelijk worden.

Voorbereiding > Kopieer het gedicht (kopieerblad 1) voor elke leerling als je het gedicht van de dag niet kunt projecteren. > Maak vooraf duo’s van leerlingen die erg verschillend zijn, zowel uiterlijk als qua karakter … Voorzie voor elk duo kopieerblad 2 en kopieerblad 3. > Bij een oneven aantal leerlingen neem jij ook deel aan de oefening.

Coöperatieve werkvormen in deze les Tweegesprek 1 2 3 4

Elke leerling zoekt of krijgt een partner. De leerkracht stelt een vraag: ‘Overleg/bespreek met je partner …’ De leerlingen overleggen met elkaar en noteren al dan niet hun bevindingen. De leerkracht duidt een leerling aan die de bevindingen meedeelt.

LJ1 - didactische suggesties dag 2

1


Lesgang Oriënteren en plannen 1 Het gedicht beluisteren Projecteer het gedicht van bronnenblad 1 en lees het expressief voor. 2 De inhoud bespreken Bespreek in een vraaggesprek de inhoud van het gedicht. Sta eventueel zin per zin stil bij de inhoud en verbind de inhoud van de zin met de voorgaande zinnen. De eerste zin geeft al weg dat het over twee personen gaat: jij en ik. In de volgende zinnen worden er telkens tegenstellingen gebruikt. Bespreek de tegenstellingen groot en klein, dik en dun. Dat zijn heel transparante, zuivere tegenstellingen. In de daaropvolgende zinnen zijn de ‘tegenstellingen’ wat minder ‘zuiver’: bus of trein, boer of hik. Je zou een van beide woorden perfect kunnen vervangen door een ander woord. Bespreek waarom de auteur tegenstellingen gebruikt: hij wil hiermee aangeven dat mensen erg verschillend zijn, op heel veel gebieden. De clou van het gedicht komt in de laatste twee regels: daar wordt de eigenlijke bedoeling van het gedicht duidelijk: het is net omdat we verschillend zijn, anders denken, ons anders gedragen … dat we meer bereiken. 3 Het ontbrekende woord uit het gedicht bedenken Coöperatieve werkvorm: tweegesprek > Welk woord zou passen in het gedicht? Verwijs weer naar de tegenstellingen. Zou hier een zuivere tegenstelling staan? Wat is de zuivere tegenstelling van wijn? Laat besluiten dat het dus een onzuivere tegenstelling zal zijn, maar waarschijnlijk in de betekenis van drank. Laat de leerlingen per twee of in een grotere groep een woord bedenken dat in het gedicht past. Elk groepje licht zijn voorstellen toe. Noteer ze op het bord. Laat de klasgroep beslissen welk woord ze als ‘winnaar’ insturen voor het ‘gatengedicht’. 4 Op het lesdoel focussen > Je verbouwt met een klasgenoot het gedicht door het toepasselijk te maken op jullie beiden. Zo krijg je een gedicht op maat van jullie vriendschap.

2

LJ1 - didactische suggesties dag 2

Bronnenblad 1 Kopieerblad 1


Hoofddoel uitvoeren en verwerken 5 Het rijm in het gedicht bespreken Laat de leerlingen zoeken naar rijmwoorden in het gedicht. Duid rijmwoorden aan in dezelfde kleur. Bespreek, zonder het te benoemen, het rijmschema van het gedicht. Bespreek waarom de auteur rijmwoorden gebruikt: het geeft klankkleur (het klinkt leuk), het maakt het gedicht wat speelser, zelfs wat voorspelbaarder voor de lezer (de lezer voorspelt het woord al tijdens het lezen), of soms zelf extra verrassend (als er een ander woord komt dan je verwacht). 6 In duo’s het gedicht verbouwen Coöperatieve werkvorm: tweegesprek De leerlingen werken per twee. Ze werken aan de hand van kopieerblad 2 eerst aan het verzamelen van verschillen tussen hen beiden. Bij elk van de tekeningen schrijven ze (bij moeilijke woorden kunnen ze ook tekenen of stempelen of kan de leerkracht opschrijven) het woord dat het best bij hen past. Vervolgens gebruiken ze de tegenstellingen/verschillen die ze op kopieerblad 2 verzamelden om het gedicht opnieuw vorm te geven (kopieerblad 3). Het gedicht moet niet rijmen. (Al mag het natuurlijk wel. Rijmen is een extra uitdaging.) Zo bekomen ze een gedicht over hen beiden. Onderaan het gedicht vullen ze dan ook hun eigen namen in als auteurs. 7 Het eigen gedicht voorlezen Laat leerlingen die dat willen hun gedicht voorlezen aan de klasgroep. Geef positieve feedback of laat de andere leerlingen feedback geven.

Kopieerblad 2 (per duo) Eventueel kleurpotloden, stempels

Kopieerblad 3 (per duo) TIP! Projecteer het gedicht van Geert De Kockere tijdens het uitwerken op het bord (bronnenblad 1).

Controleren en reflecteren 8 Over de activiteit reflecteren Laat de leerlingen vertellen wat ze van de activiteit vonden. > Vond je het leuk/minder leuk? > Wat vond je er leuk aan? Wat vond je minder leuk? > Hoe lukte het om per twee samen te werken? > Welke stappen doorliep je om een eigen gedicht te schrijven? > Wat vond je moeilijk? Waarom? > Zou je het volgende keer anders aanpakken?

LJ1 - didactische suggesties dag 2

3


Bronnenblad 1

Jij en ik, groot of klein, dun of dik, ???? of wijn, das of strik, bus of trein, boer of hik, ja, jij en ik, wit of zwart, zijn samen zoveel meer dan elk apart. Geert De Kockere

4

LJ1- didactische suggesties dag 2


Kopieerblad 1

Jij en ik, groot of klein, dun of dik, of wijn, ???? das of strik, bus of trein, boer of hik, ja, jij en ik, wit of zwart, zijn samen zoveel meer dan elk apart.

Jij en ik, groot of klein, dun of dik, of wijn, ???? das of strik, bus of trein, boer of hik, ja, jij en ik, wit of zwart, zijn samen zoveel meer dan elk apart. Geert De Kockere

Jij en ik, groot of klein, dun of dik, of wijn, ???? das of strik, bus of trein, boer of hik, ja, jij en ik, wit of zwart, zijn samen zoveel meer dan elk apart.

Geert De Kockere

Jij en ik, groot of klein, dun of dik, of wijn, ???? das of strik, bus of trein, boer of hik, ja, jij en ik, wit of zwart, zijn samen zoveel meer dan elk apart. Geert De Kockere

Jij en ik, groot of klein, dun of dik, of wijn, ???? das of strik, bus of trein, boer of hik, ja, jij en ik, wit of zwart, zijn samen zoveel meer dan elk apart.

Geert De Kockere

Jij en ik, groot of klein, dun of dik, of wijn, ???? das of strik, bus of trein, boer of hik, ja, jij en ik, wit of zwart, zijn samen zoveel meer dan elk apart. Geert De Kockere

LJ1 - didactische suggesties dag 2

Geert De Kockere

5


Kopieerblad 2 Jullie zijn anders. Schrijf op wat anders is.

haar

huid

ik voel me

1

1

1

2

2

2

ogen

ik ben

1

1

2

2

ik kijk graag 1 2

ik woon 1

ik lust

2

1 2

6

ik wil

ik heb

1

1

2

2

ik kom naar school met

ik draag graag

ik drink graag

1

1

1

2

2

2

LJ1 - didactische suggesties dag 2


Kopieerblad 3 Schrijf de woorden die jullie vonden in het gedicht.

Jij en ik,

of

,

of

,

of

,

of

,

of

,

of

,

of

,

ja, jij en ik,

zijn samen zoveel meer dan elk apart.

en

LJ1 - didactische suggesties dag 2

7


Dag 3 We springen samen

gedichten in!

Domeinen: lezen, schrijven Onderwerp: een groepsgedicht maken Lesduur: 50 minuten

Lesdoelen

Materialen

Hoofddoel van de les > De betekenis van een gedicht achterhalen. > Zichzelf beschrijven en de verschillen met anderen aanhalen. > Op speelse wijze kennismaken met onderliggende en bovenliggende begrippen. > Een overkoepelend werkwoord bedenken dat hun onderlinge verschillen overbrugt.

Folio > kopieerblad 1 > kopieerblad 2 (per duo) > kopieerblad 3 (meermaals per groep) > bronnenblad 1

Andere doelen > Per twee samenwerken. > In groep samenwerken.

Voorbereiding > Kopieer het gedicht (kopieerblad 1) voor elke leerling als je het gedicht van de dag niet kunt projecteren. > Maak vooraf duo’s van leerlingen die erg verschillend zijn, zowel uiterlijk als qua karakter … Voorzie voor elk duo kopieerblad 2 en kopieerblad 3. > Bij een oneven aantal leerlingen neem jij ook deel aan de oefening. > Bij ondeelbaarheid door 4 kun je een groepje van 2 maken en/of kun jij zelf meedoen. Bij een groep van 2 schrijft elk groepslid twee dingen op.

Coöperatieve werkvormen in deze les Tweegesprek 1 Elke leerling zoekt of krijgt een partner. 2 De leerkracht stelt een vraag: ‘Overleg/bespreek met je partner …’ 3 De leerlingen overleggen met elkaar en noteren al dan niet hun bevindingen. 4 De leerkracht duidt een leerling aan die de bevindingen meedeelt. Denken-delen-uitwisselen 1 Elke leerling denkt voor zichzelf na over het antwoord. 2 Elk groepslid zegt zijn inbreng. 3 De groep komt samen tot een geheel of tot een besluit.

LJ1 - didactische suggesties dag 3

1


Lesgang Oriënteren en plannen 1 Het gedicht beluisteren Projecteer het gedicht van bronnenblad 1 en lees het expressief voor.

Bronnenblad 1 Kopieerblad 1

2 De inhoud bespreken Bespreek in een vraaggesprek de inhoud van het gedicht. Sta eventueel zin per zin stil bij de inhoud, en verbind de inhoud van de zin met de voorgaande zinnen. Bespreek de gelijkenissen met het gedicht van gisteren: ook hier gaat het over twee personen, namelijk jij en ik, al gaat het nadien ook over anderen (hij en zij). Ook in dit gedicht gaat het over verschillen: blauw en rood, groen en geel. Bespreek wat de auteur bedoelt met ‘Elk een plek en elk een kleur’. Dit kan meerdere betekenissen hebben: het kan verwijzen naar ieders huis met andere gewoonten, maar het kan ook verwijzen naar andere landen waarin de mensen een andere huidskleur hebben en andere gewoonten.

3 Op het lesdoel focussen > Je schrijft een groepsgedicht waarin ieder groepslid een inbreng heeft.

Hoofddoel uitvoeren en verwerken 4 Ideeën verzamelen voor het groepsgedicht Maak groepen van vier leerlingen. Deze vier leerlingen verzamelen woorden die ze straks zullen gebruiken om het groepsgedicht te schrijven. Daarvoor gebruiken ze kopieerblad 2. Ze bedenken voor elke categorie op het blad een woord uit hun eigen leefwereld. Tot slot moet elke groep één of twee categorieën zelf bedenken.

2

LJ1 - didactische suggesties dag 3

Kopieerblad 2


5 In groep het gedicht opbouwen en een laatste, passend woord zoeken Coöperatieve werkvorm: denken-delen-uitwisselen De leerlingen werken in dezelfde groep. Aan de hand van kopieerblad 3 maken ze een groepsgedicht. Ze vullen de woorden van de verschillende categorieën aan in het sjabloon. Let wel: ze mogen het gedicht alleen aanvullen als alle groepsleden een verschillend woord invulden. De laatste twee woorden, in de laatste alinea, moeten gericht ingevuld worden. Het eerste woord moet een bovenliggend begrip worden dat de onderliggende begrippen beschrijft. Het tweede woord is een werkwoord dat gerelateerd is aan de categorie. Als het bijvoorbeeld gaat over vervoersmiddelen, zou het woord ‘rijden’ kunnen zijn, als het gaat over gerechten, zou het laatste woord ‘eten’ of ‘proeven’ kunnen zijn. Gebruik de werkvorm denken-delen-uitwisselen: elk groepslid probeert een geschikt woord te vinden. Dan delen ze de ideeën met elkaar en wordt het woord gekozen dat het beste past. Elke groep doet dit voor elk van de categorieën.

Kopieerblad 3 TIP! Projecteer het gedicht van Geert De Kockere tijdens het uitwerken op het bord (bronnenblad 1). TIP! Als je een multiculturele klas hebt, probeer dan ook eens met woorden in verschillende talen, bv. het woord om bedankt te zeggen, of goeiedag.

6 Het eigen gedicht voorlezen Laat leerlingen die dat willen hun gedicht voorlezen aan de klasgroep. Geef positieve feedback of laat de andere leerlingen feedback geven. 7 Het ontbrekende woord uit het gedicht bedenken Verwijs weer naar het gedicht van Geert De Kockere en naar het ontbrekende woord in het gedicht. Bespreek de woorden waarmee de leerlingen rekening moeten houden. > Welk woord zou passen in het gedicht? Laat de leerlingen per twee of in een grotere groep een woord bedenken dat in het gedicht past. Elk groepje licht zijn voorstellen toe. Noteer ze op het bord. Laat de klasgroep beslissen welk woord ze als ‘winnaar’ insturen voor het ‘gatengedicht’.

Controleren en reflecteren 8 Over de activiteit reflecteren Laat de leerlingen vertellen wat ze van de activiteit vonden. > Vond je het leuk/minder leuk? > Wat vond je er leuk aan? Wat vond je minder leuk? > Hoe lukte het om per twee samen te werken? > Welke stappen doorliep je om een eigen gedicht te schrijven? > Wat vond je moeilijk? Waarom? > Zou je het volgende keer anders aanpakken?

L1 - didactische suggesties dag 3

3


Bronnenblad 1

Ik woon hier en jij woont daar. Ik hou van blauw en jij van rood. En zij daar houdt van groen en hij van geel. Elk een plek en elk een kleur. En als we nu eens samen zouden springen? Heel hoog? Van hier naar daar en van daar naar hier? O, een ! ???? Geert De Kockere

42

LJ 1 - didactische suggesties dag 3


Kopieerblad 1

Ik woon hier en jij woont daar.

Ik woon hier en jij woont daar.

Ik hou van blauw en jij van rood. En zij daar houdt van groen en hij van geel.

Ik hou van blauw en jij van rood. En zij daar houdt van groen en hij van geel.

Elk een plek en elk een kleur. En als we nu eens samen zouden springen?

Elk een plek en elk een kleur. En als we nu eens samen zouden springen?

Heel hoog? Van hier naar daar en van daar naar hier? ! O, een ????

Heel hoog? Van hier naar daar en van daar naar hier? ! O, een ???? Geert De Kockere

Geert De Kockere

Ik woon hier en jij woont daar.

Ik woon hier en jij woont daar.

Ik hou van blauw en jij van rood. En zij daar houdt van groen en hij van geel.

Ik hou van blauw en jij van rood. En zij daar houdt van groen en hij van geel.

Elk een plek en elk een kleur. En als we nu eens samen zouden springen?

Elk een plek en elk een kleur. En als we nu eens samen zouden springen?

Heel hoog? Van hier naar daar en van daar naar hier? ! O, een ????

Heel hoog? Van hier naar daar en van daar naar hier? ! O, een ???? Geert De Kockere

LJ1 - didactische suggesties dag 3

Geert De Kockere

5


Kopieerblad 2 Jullie zijn anders. Schrijf op wat anders is. Naam van papa, mama, broer of zus:

Wat ik doe wat niet beleefd is:

Mijn hobby:

Wat ik graag doe op school:

Waar ik het liefst mee speel:

Het dier dat ik het leukst vind:

Het boek dat ik het liefst lees:

Dit doe ik als het regent:

Wat is er nog anders?

6

LJ1 - didactische suggesties dag 3


Kopieerblad 3 Schrijf de woorden die jullie vonden in het gedicht.

Ik woon hier

en jij woont daar.

Ik hou van

en jij van

.

En zij daar

houdt van

en hij van

.

Elk een plek

en elk een

.

En als we nu eens

samen zouden

?

Heel

Van hier

en van

O, een Geert De Kockere

LJ1 - didactische suggesties dag 3

7


Dag 4 We knippen samen

gedichten in!

Domeinen: lezen, schrijven Onderwerp: een gedicht samenstellen over een klasgenoot aan de hand van knipsels Lesduur: 50 minuten

Lesdoelen

Materialen

Hoofddoel van de les > De betekenis van een gedicht achterhalen. > (Kenmerken van) een medeleerling beschrijven aan de hand van woorden. > Een collage maken van woorden die passen bij een klasgenoot. > Een zelfgemaakt gedicht presenteren en verklaren.

Folio > kopieerblad 1 > bronnenblad 1 > foto van elke leerling op een A4 Diversen > voor elke leerling een half tekenpapier > foto's van de leerlingen > kranten, tijdschriften, reclamefolders

Voorbereiding > Kopieer het gedicht (kopieerblad 1) voor elke leerling als je het gedicht van de dag niet kunt projecteren. > Maak vooraf een foto van elke leerling die je telkens print op een A4-pagina. > Geef de voortaak om kranten, tijdschriften en reclamefolders te verzamelen. Je laat ze meebrengen naar school voor deze opdracht. > Deel vooraf de klasgroep in in duo’s. Deze duo’s krijgen straks elkaars foto. Tip: maak duo’s die ver genoeg uit elkaar zitten in de klas.

Coöperatieve werkvormen in deze les Tweegesprek 1 2 3 4

Elke leerling zoekt of krijgt een partner. De leerkracht stelt een vraag: ‘Overleg/bespreek met je partner …’ De leerlingen overleggen met elkaar en noteren al dan niet hun bevindingen. De leerkracht duidt een leerling aan die de bevindingen meedeelt.

LJ1 - didactische suggesties dag 4

1


Lesgang Oriënteren en plannen 1 Tekenopdracht Geef elke leerling een half tekenpapier. Laat hen eerst hun naam in het groot onderaan het blad schrijven. Daarna vraag je hen om een willekeurig huis te tekenen. Hang alle tekeningen naast elkaar op het bord. 2 Het gedicht beluisteren Projecteer het gedicht van bronnenblad 1 en lees het expressief voor. 3 De inhoud bespreken Bespreek in een vraaggesprek de inhoud van het gedicht. Sta eventueel zin per zin stil bij de inhoud, en verbind de inhoud van de zin met de voorgaande zinnen. In het gedicht gaat het over een straat, een wijk. Elk huis ziet er anders uit: andere kleuren, ramen, deuren. Vergelijk het met eerdere gedichten die we deze week besproken hebben: er zijn veel verschillen. Maar de clou zit in de laatste zin: ondanks die verschillen wonen wij er allemaal samen. Bespreek ook waarom het net leuk is dat elk huis er anders uitziet: ieder heeft een beetje zijn eigen zin, het brengt kleur, het maakt je eigen huis herkenbaar. Eigenlijk is dat ook zo met mensen: net omdat we verschillend zijn, is het leuk om met elkaar om te gaan. Bespreek de tekeningen van de leerlingen. Waarom passen onze tekeningen bij het gedicht? Maak de vergelijking tussen de wijk en de klasgroep: ook hier zijn er verschillen, maar die verschillen maken het net leuk. 4 Het ontbrekende woord uit het gedicht bedenken Coöperatieve werkvorm: tweegesprek Verwijs naar het ontbrekende woord in het gedicht. Bespreek de woorden waarmee de leerlingen rekening moeten houden. > Welk woord zou passen in het gedicht? Laat de leerlingen per twee of in een grotere groep een woord bedenken dat in het gedicht past. Elk groepje licht zijn voorstellen toe. Noteer ze op het bord. Laat de klasgroep beslissen welk woord ze als ‘winnaar’ insturen voor het ‘gatengedicht’.

2

LJ1 - didactische suggesties dag 4

Half tekenpapier TIP! Beperk de tijd. Het tekenwerk moet niet te detaillistisch afgewerkt zijn.

Bronnenblad 1 Kopieerblad 1


5 Op het lesdoel focussen > Vandaag schrijf je een gedicht voor en over een klasgenoot. Dat doen we door woorden te selecteren en zinnen bij elkaar te knippen en te plakken. Elk gedicht wordt ook door de maker voorgelezen en toegelicht.

Hoofddoel uitvoeren en verwerken 6 Een gedicht voor een medeleerling maken Deel de bladen met de foto’s van de leerlingen uit aan de duo’s. Laat leerlingen weten dat ze nog niet aan de desbetreffende leerling moeten laten weten dat zij een gedicht voor hem of haar maken. Ze hebben dus geen idee dat ze een gedicht maken voor elkaar. Om het gedicht te maken gebruiken de leerlingen de kranten, tijdschriften en reclamefolders. Zij knippen hieruit passende woorden bij de persoon. Let op: ze mogen geen afbeeldingen gebruiken, enkel woorden. De woorden die ze gebruiken mogen losse woorden zijn, maar ook hele zinnen (of meerdere uitgeknipte woorden verzamelen tot een nieuwe zin). Ze mogen zelf kiezen of ze gebruikmaken van rijm.

Foto van elke leerling op A4

Kranten/tijdschriften/ reclamefolders

7 Het gedicht aan de medeleerling presenteren Op het afgesproken signaal gaan de duo’s samenzitten. Eerst leest de ene leerling zijn gedicht voor. Hij legt uit waarom hij die woorden gekozen heeft. Dan is het de beurt aan de andere leerling. 8 Het eigen gedicht voorlezen Vraag welke leerlingen bijzonder blij zijn met het resultaat dat ze kregen. Laat de maker ervan het gedicht voorlezen en toelichten. Geef positieve feedback of laat de andere leerlingen feedback geven.

Controleren en reflecteren 9 Over de activiteit reflecteren Laat de leerlingen vertellen wat ze van de activiteit vonden. > Vond je het leuk/minder leuk? > Wat vond je er leuk aan? Wat vond je minder leuk? > Hoe lukte het om per twee samen te werken? > Welke stappen doorliep je om een eigen gedicht te schrijven? > Wat vond je moeilijk? Waarom? > Zou je het volgende keer anders aanpakken?

LJ1 - didactische suggesties dag 4

3


Bronnenblad 1

Huis na huis na huis is in onze wijk geen huis gelijk. Andere kleur, andere ramen, andere deur, andere ???? En toch, en toch wonen wij hier gezellig samen. Geert De Kockere

4

LJ1 - didactische suggesties dag 4


Kopieerblad 1

Huis na huis na huis is in onze wijk geen huis gelijk.

Huis na huis na huis is in onze wijk geen huis gelijk.

Andere kleur, andere ramen, andere deur, andere ????

Andere kleur, andere ramen, andere deur, andere ????

.

En toch, en toch wonen wij hier gezellig samen.

.

En toch, en toch wonen wij hier gezellig samen. Geert De Kockere

Geert De Kockere

Huis na huis na huis is in onze wijk geen huis gelijk.

Huis na huis na huis is in onze wijk geen huis gelijk.

Andere kleur, andere ramen, andere deur, andere ????

Andere kleur, andere ramen, andere deur, andere ????

.

En toch, en toch wonen wij hier gezellig samen.

.

En toch, en toch wonen wij hier gezellig samen. Geert De Kockere

LJ1 - didactische suggesties dag 4

Geert De Kockere

5


Dag 5 Raadspelen: nog meer

gatengedichten!

Domeinen: lezen Onderwerp: raadgedichten aanvullen Lesduur: 50 minuten

Lesdoelen

Materialen

Hoofddoel van de les > De betekenis van een gedicht achterhalen. > Rijmwoorden vinden op een gegeven woord. > Bedenken welk gegeven woord kan passen in een gedicht waarin een woord ontbreekt. > Verklaren waarom een woord passend is.

Folio > kopieerblad 1 > kopieerblad 2 > bronnenbladen 1-3 Diversen > kladpapier

Hoofddoel van de les > Per twee samenwerken. > In groep samenwerken.

Voorbereiding > Kopieer het gedicht (kopieerblad 1) voor elke leerling als je het gedicht van de dag niet kunt projecteren. > Print de bronnenbladen 1 en 2 en hang ze willekeurig verspreid op in de klas. > Voorzie voor elke groep een versie van bronnenblad 3. > Maak groepjes van drie leerlingen. Bij ondeelbaarheid is het niet erg dat er een groep van twee leerlingen of een groep van vier leerlingen is.

Coöperatieve werkvormen in deze les Tweegesprek 1 Elke leerling zoekt of krijgt een partner. 2 De leerkracht stelt een vraag: ‘Overleg/bespreek met je partner …’ 3 De leerlingen overleggen met elkaar en noteren al dan niet hun bevindingen. 4 De leerkracht duidt een leerling aan die de bevindingen meedeelt. Binnen- en buitenkring 1 Maak een binnen- en een buitenkring. De leerlingen van elke kring kijken naar elkaar. 2 De twee naar elkaar kijkende leerlingen voeren de opdracht uit. 3 De buitenkring schuift door zodat elke leerling bij een nieuwe medeleerling staat.

LJ1 - didactische suggesties dag 5

1


Lesgang Oriënteren en plannen 1 Op het lesdoel focussen > Deze week zochten we de woorden in enkele gatengedichten. Vandaag sluiten we de poëzieweek af met nog meer gatengedichten. Om de woorden die ontbreken te oefenen, spelen we eerst enkele gedichtenspelen. > Een van de gedichten die we vandaag aanvullen, is het gatengedicht van de dag. Ik verklap echter nog niet welk gedicht het is.

Hoofddoel uitvoeren en verwerken 2 Spel 1: een rijmspel spelen Coöperatieve werkvorm: binnen- en buitenkring De leerlingen staan in twee cirkels: een binnen- en een buitencirkel. Afhankelijk van een even of oneven leerlingenaantal speel je als leerkracht zelf mee. De leerlingen van de binnenkring en die van de buitenkring staan tegenover elkaar en kijken elkaar aan. Stap 1: De leerling van de binnenkring zegt een woord. Stap 2: De leerling van de buitenkring rijmt erop. Stap 3: Op het teken van de leerkracht schuift de buitenkring één plek op naar rechts. Stappen 1, 2 en 3 worden nog vier keer herhaald. Daarna wisselen de rollen: de leerling van de buitenkring zegt het eerste woord …

TIP! Deze spelen zijn leuke tussendoortjes die je meermaals per maand kunt herhalen.

3 Spel 2: een raadspel spelen en ontwerpen Kondig aan dat er een raadspel volgt. Jij somt een reeks van woorden op. Elk woord is een tip. De eerste tip is de moeilijkste. De laatste is de makkelijkste. Wie weet welk woord je zoekt, steekt z’n hand op. Ga na elke reeks (als dat nodig blijkt) eventueel dieper in op de betekenis. Leg de link tussen de tip en het gezochte woord. SLAK: huis – klein – traag – slijm – dier – voelspriet – rijmt op vlak BOOM: groot – stevig – ademt – hoog – groen – wortel – tak SLEUTEL: open – start – dagboek – bos – auto – deur – slot – gesloten DIRECTEUR: baas – bureau – school – beslist – schoolhoofd LAMP: zien – knop – gloei – led – aansteken – donker – ...kap CHOCOLADE: zoet – donker – december – haas – eitjes – Sinterklaas HUIS: groot – tuin – steen – sleutel – huren – deur – wonen Laat de leerlingen per drie werken. Geef elke groep kladpapier. Geef hen een van de volgende woorden (eekhoorn, fiets, zee, boterham, kasteel, trampoline, roos, boer) en laat hen er een reeks van vijf woorden bij verzinnen die ze zullen gebruiken als hun raadspel. Probeer hen te laten nadenken over de moeilijkheidsgraad van elk woord: ze dienen de moeilijk te associëren woorden eerst te zeggen en de weggevers laatst.

2

LJ1 - didactische suggesties dag 5

Kladpapier


Laat vervolgens elke groep zijn raadsel voorlezen. De andere leerlingen raden opnieuw. Bespreek elke reeks na het voorlezen. Laat na elke reeks een tweetal duo’s of trio’s hun reeks voorlezen. Bespreek of de reeks inderdaad van moeilijk naar makkelijk gerangschikt was. 4 Gatengedichten aanvullen De leerlingen blijven in dezelfde groep verder werken. Deel bronnenblad 1 uit. Vertel dat het allemaal gedichten van Geert De Kockere zijn, een top-poëet en een krak in het bedenken van raadsels. Vertel dat er heel veel kracht in zijn gedichten steekt omdat hij eigenlijk ook ‘reeksjes’ bedenkt om tot gedichten te komen. Voor deze opdracht daagt de dichter jullie uit door telkens één of meerdere woorden in het gedicht te verstoppen. Leg stapsgewijs uit wat ze moeten doen: > Stap 1: Lees de gedichten en overleg. Welk woord zou er kunnen ontbreken? > Stap 2: Stap rond in de klas. De woorden die je zoekt hangen uit. Vinden jullie het juiste woord bij het juiste gedicht? Schrijf het er telkens in potlood bij. Let op: Van één van de gedichten hangt het woord er niet bij. Ik zeg niet welk gedicht dat is. Bij dat gedicht moeten jullie zelf een woord bedenken. > Stap 3: Ga terug naar je plaats en lees de gedichten opnieuw. Klopt het? Wat vind je van de dichtkunst? Is het goed gevonden? Waarom? 5 De gegeven antwoorden bespreken Bespreek gedicht per gedicht en de antwoorden die de leerlingen gaven. Bespreek telkens of het antwoord logisch is. Soms waren er meer passende woorden, dus eigenlijk zijn er dan ook meer juiste antwoorden mogelijk.

6 Gatengedicht bespreken: inhoud en ontbrekend woord Sta stil bij gedicht 7. Dat is het gatengedicht van de dag. Bespreek of de leerlingen een antwoord vonden. Welk van de woorden zouden eventueel passen? Projecteer het gedicht van de dag en lees het expressief voor. Bespreek in een vraaggesprek de inhoud van het gedicht. Sta zin per zin stil bij de inhoud en verbind de inhoud van de zin met de voorgaande zinnen. In het gedicht gaat het over de wereld, over hoe groot die is. En in die wereld, die zo groot is, komen wij andere mensen tegen. Dat we elkaar ontmoeten zorgt ervoor dat we de wereld een beetje ruimer zien, zeker als we elkaar graag zien zoals de ander is. Bespreek ook kenmerken als wollen wei (alliteratie): de dichter speelt hier met beginrijm. Zoek ook naar rijm in het gedicht. De auteur speelt het slim: hij maakt zelfs rijm zonder een heel nieuw woord te bedenken (wijd – wereldwijd).

LJ1 - didactische suggesties dag 5

Bronnenblad 1

Kopieerblad 2 Bronnenblad 2

De juiste antwoorden zijn: Gedicht 1: lucht Gedicht 2: appel Gedicht 3: appel Gedicht 4: paard Gedicht 5: vis Gedicht 6: veter Gedicht 7: is het gatengedicht van de dag, het woord moet bedacht worden

Gedicht 7 van bronnenblad 1 Bronnenblad 3

3


Controleren en reflecteren 7 Over de activiteit reflecteren Laat de leerlingen vertellen wat ze van de activiteit vonden. > Vond je het leuk/minder leuk? > Wat vond je er leuk aan? Wat vond je minder leuk? > Hoe lukte het om per twee samen te werken? > Welke stappen doorliep je om een eigen gedicht te schrijven? > Wat vond je moeilijk? Waarom? > Zou je het volgende keer anders aanpakken? Projecteer nog eens de verschillende gedichten die deze week aan bod kwamen. Laat de leerlingen uitleggen naar welk gedicht hun voorkeur gaat en waarom.

4

LJ1 - didactische suggesties dag 5


Bronnenblad 1

Gedicht 1 Als je goed kijkt, kun je de ???? zien ademen. In en uit en weer in en nog eens uit. Heel langzaam, terwijl jij erin en eruit en er weer in en er nog eens uit. Uit: Samen over een muurtje, Geert De Kockere

LJ1 - didactische suggesties dag 5

5


Gedicht 2 Ik spring! gilde een rijpe ???? En zonder te kijken loste hij zijn tak en viel pardoes – krak! – op ’t huisje van een slak Uit: Samen over een muurtje, Geert De Kockere

6

LJ1 - didactische suggesties dag 5


Gedicht 3 Een ???? valt precies op tijd. En weet je ook waarom? Hij heeft een klokhuis! Ja daarom! Uit: Samen over een muurtje, Geert De Kockere

LJ1 - didactische suggesties dag 5

7


Gedicht 4 In een schuurtje zonder naam zat een muurtje met een raam. En als je op je tenen stond en door dat raam naar binnen keek, zag je in dat schuurtje, geloof het of niet, een ???? dat op een dromedaris leek. Uit: Samen over een muurtje, Geert De Kockere

8

LJ1 - didactische suggesties dag 5


Gedicht 5 Ik was ik en jij was een ???? Ik liep en ik liep en jij lag in het gras. Toen sprong ik in jou en spetterde jij: Wat doe je nou?!

.

Uit: Samen over een muurtje, Geert De Kockere

LJ1 - didactische suggesties dag 5

9


Gedicht 6 Ik lig in de knoop, zei de ene ???? met een zucht. Dat is wat ik hoop! zei de andere toen opgelucht. Uit: Samen over een muurtje, Geert De Kockere

10

LJ1 - didactische suggesties dag 5


Gedicht 7 De wereld is groot, de wereld is wijd, de wereld is wereldwijd een reusachtig ???? . Toch zie ik jou. En jij mij. Ook al zijn wij klein, we vonden elkaar in die dikke wollen wei. En als ik op je schouders sta, kijk ik al over de haag. En dan jij op die van mij! Geert De Kockere

LJ1 - didactische suggesties dag 5

11


paard

hert

Bronnenblad 2

12

LJ1 - didactische suggesties dag 5


ezel geit

LJ1 - didactische suggesties dag 5

13


zee huis 14

LJ1 - didactische suggesties dag 5


eikel veld

LJ1 - didactische suggesties dag 5

15


bord vis 16

LJ1 - didactische suggesties dag 5


bolster appel

LJ1 - didactische suggesties dag 5

17


knoop slang 18

LJ1 - didactische suggesties dag 5


lucht veter

LJ1 - didactische suggesties dag 5

19


Bronnenblad 3

De wereld is groot, de wereld is wijd, de wereld is wereldwijd een reusachtig ???? . Toch zie ik jou. En jij mij. Ook al zijn wij klein, we vonden elkaar in die dikke wollen wei. En als ik op je schouders sta, kijk ik al over de haag. En dan jij op die van mij! Geert De Kockere

20

LJ1 - didactische suggesties dag 5


Kopieerblad 1

De wereld is groot, de wereld is wijd, de wereld is wereldwijd een reusachtig ????

.

De wereld is groot, de wereld is wijd, de wereld is wereldwijd een reusachtig ????

Toch zie ik jou. En jij mij. Ook al zijn wij klein, we vonden elkaar in die dikke wollen wei.

Toch zie ik jou. En jij mij. Ook al zijn wij klein, we vonden elkaar in die dikke wollen wei.

En als ik op je schouders sta, kijk ik al over de haag. En dan jij op die van mij!

En als ik op je schouders sta, kijk ik al over de haag. En dan jij op die van mij! Geert De Kockere

De wereld is groot, de wereld is wijd, de wereld is wereldwijd een reusachtig ????

.

.

Geert De Kockere

De wereld is groot, de wereld is wijd, de wereld is wereldwijd een reusachtig ????

Toch zie ik jou. En jij mij. Ook al zijn wij klein, we vonden elkaar in die dikke wollen wei.

Toch zie ik jou. En jij mij. Ook al zijn wij klein, we vonden elkaar in die dikke wollen wei.

En als ik op je schouders sta, kijk ik al over de haag. En dan jij op die van mij!

En als ik op je schouders sta, kijk ik al over de haag. En dan jij op die van mij! Geert De Kockere

LJ1 - didactische suggesties dag 5

.

Geert De Kockere

21


22 Gedicht 1:

Gedicht 2:

Gedicht 3:

Gedicht 4:

Gedicht 5:

Gedicht 6:

Gedicht 7:

Gedicht 1:

Gedicht 2:

Gedicht 3:

Gedicht 4:

Gedicht 5:

Gedicht 6:

LJ1 - didactische suggesties dag 5

Gedicht 7:

Gedicht 7:

Gedicht 6:

Gedicht 5:

Gedicht 4:

Gedicht 3:

Gedicht 2:

Gedicht 1:

Kopieerblad 2

Schrijf het antwoord bij elk gedicht op.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
BAO_Poezieweek_2025-2026_LJ1_DAG1-5_150DPI by VAN IN - Issuu