Skip to main content

Agora Sociologie & Psychologie / Gedrags- en sociale wetenschappen - inkijkexemplaar

Page 1

IN VA N

r©

AGO R A SOCIOLOGIE EN PSYCHOLOGIE

GO!

GEDRAGS EN SOCIALE WETENSCHAPPEN

ke xe

m

pl

aa

KathOndVla

In

kij

DOORSTROOMFINALITEIT

JAAR 3

DEEL 1


IN SOCIOLOGIE EN PSYCHOLOGIE GEDRAGS- EN SOCIALE WETENSCHAPPEN

r©

GO!

VA N

KathOndVla

Jethro De Schinkel Elke Humblet Bart Laureys

aa

Kristina Van Remoortel

In

kij

ke xe

m

pl

met medewerking van Teacher Design Team


Via www.diddit.be heb je toegang tot het onlineleerplatform bij Agora Sociologie en psychologie/Gedrags- en sociale wetenschappen. Activeer je account aan de hand van de onderstaande code en accepteer de gebruiksvoorwaarden.

IN

!

aa

r©

VA N

SOCIOLOGIE EN PSYCHOLOGIE GEDRAGS- EN SOCIALE WETENSCHAPPEN

LET OP: ACTIVEER DEZE LICENTIE PAS VANAF 1 SEPTEMBER; DE LICENTIEPERIODE START VANAF ACTIVATIE EN IS 365 DAGEN GELDIG.

ke xe

m

pl

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden leest u op www.diddit.be. © Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2021

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

In

kij

Fotocredits p. 9 stemmen © ANP /Belga Image p. 15 belijdenis © HOLLANDSEHOOGTE/Belga Image p. 24 Video lichamelijke veranderingen © CJG Rijnmond p. 26 Petra De Sutter © BELGA/Belga Image p. 70 De Kinderboerderij © http://www.maartenisdemax.be/ p. 72 Jean Piaget © BELGA AFP/Belga Image p. 73 resusaapje © SCIENCESOURCE/Belga Image p. 74 video Still Face Experiment © 2007 ZERO TO THREE p. 75 Mary Ainsworth © JHU Sheridan Libraries/ Gado/Getty Images p. 79 Video Groei 6 jaar en Groei 9 jaar © www.klasse.be p. 79 Peter Adriaenssens © BELGA/Belga Image p. 83 Batman © yemliha_a/ Shutterstock p. 86 Cartoon © Marloes De Vries p. 91 Jean Paul Van Bendegem © BELGIAN_FREELANCE/Belga Image p. 101 voetballers © Paolo Bona/ Shutterstock p. 101 fietser © Nongnut Moijanghan/Shutterstock p. 112 Pygmalion © Album/Metropolitan Museum of Art, NY/Image Select p. 116 Hitler © AGEFOTOSTOCK /Belga Image p. 125 Video slaaphouding © Science of People - https://www.scienceofpeople.com/ p. 129 oorlog © timsimages/ Shutterstock p. 129 Primark © fokke baarssen/Shutterstock p. 129 Massimo Dutti © Vytautas Kielaitis/Shutterstock p. 137 Kamal Kharmach © VRT p. 137 Lost Frequencies © Stephen Lovekin/Shutterstock p. 138 Ernst Kretschmer © The Picture Art Collection/Alamy Image Select p. 138 William Sheldon © Walter Sanders/Getty Images p. 144 Eduard Louis © DPA/Belga Image p. 145 Video fysiek effect van emoties https://www.pnas.org/content/111/2/646 p. 148 Video angst © Dr John Kenworthy p. 156 Joseph Ledoux © Photograph by Diemut Strebe p. 158 wagenmenner © BRIDGEMAN /Belga Image p. 158 olifantenmenner © bundit Jonwises/Shutterstock

Eerste druk 2021 ISBN 978-94-641-7009-2 D/2021/0078/220 Art. 597981/01 NUR 130

Ontwerp cover en binnenwerk: Shtick Opmaak: Banananas.net Tekeningen: Vincent Albert, Geert Verlinde Foto's: Kaatigo


NHOUDSOPGAVE

WELKOM OP DE AGORA!

1

7

VA N

THEMA 1   MIJN ONTWIKKELING? SPANNEND!

IN

I

HOOFDSTUK 1   ZE NOEMEN MIJ ADOLESCENT INTRO

8

PARCOURS Stap 1

Stap 2

Stap 4

11

12 18 24 36 41 49

EUREKA!

51

SYNTHESE

52

ke xe

m

pl

Stap 5 Stap 6

Waarom hebben alle culturen overgangsrituelen om naar de volwassenheid over te stappen? Wat verwachten volwassenen van jou zodat je zelf volwassen kunt worden? Hoe ga je om met de verwachtingen over je lichamelijke ontwikkeling en je fysieke rijping? Hoe ga je om met de verwachtingen over je denkmogelijkheden, je cognitieve evolutie? Hoe ga je om met de verwachtingen over je socio-emotionele ontwikkeling? Op het einde van de adolescentie is er de volwassenheid. Maar wanneer ben je dan volwassen?

aa

Stap 3

r©

Breinbreker Welke argumenten heb je om de adolescentie wel of niet tot 24 jaar te laten duren?

58

HOOFDSTUK 2   MIJN PLAATS NU IN MIJN LEVENSLOOP 55 Breinbreker Op welke manier zijn de noden van een baby hetzelfde als of net anders dan die van een volwassene?

PARCOURS Stap 1 Stap 2 Stap 3 Stap 4 Stap 5

Wat is ontwikkeling? Op welke domeinen ontwikkel je? Hoe kun je deze ontwikkelingsdomeinen observeren? Welke namen krijg je tijdens je ontwikkeling? Wat neem je mee naar je volwassenheid?

59 65 79 83 86

EUREKA!

93

SYNTHESE

94

INHOUDSOPGAVE

In

kij

INTRO

III


THEMA 2   VOORDELEN EN VALKUILEN IN MIJN ONTWIKKELING HOOFDSTUK 3   IK? SAMEN MET ANDEREN? KAN KLIKKEN!

100

IN

INTRO

99

Breinbreker Zijn jouw individuele beslissingen en meningen wel individueel of worden ze door anderen, door de groep bepaald?

Stap 1 Stap 2 Stap 3 Stap 4

Wat is dat eigenlijk, gedrag? En sociaal gedrag? Hoe ‘lees’ je het gedrag van anderen? Sociale cognitie! Kun je altijd vertrouwen op je sociale kennis? Wat doet een groep met jou?

VA N

PARCOURS

EUREKA!

r©

SYNTHESE

102

103 107 110 115 120 122

HOOFDSTUK 4   IK LEER MEZELF KENNEN 124 INTRO

Stap 1 Stap 2 Stap 3

INHOUDSOPGAVE

In

kij

ke xe

m

Stap 4 Stap 5 Stap 6

Je persoonlijkheid, wat is dat precies? Welke lagen herken je in je persoonlijkheid? Welke trekken zouden persoonlijkheidspsychologen Allport en Cattell in jou herkennen? Is identiteit hetzelfde als persoonlijkheid? Wat zijn emoties en wat doen ze met jou? Wat heb je al van bij je geboorte en wat komt er achteraf nog bij?

pl

PARCOURS

aa

Breinbreker Waarop kun je je baseren om jezelf en anderen te leren kennen?

IV

126

127 130 140 142 145 164

EUREKA!

167

SYNTHESE

168


W

ELKOM OP DE AGORA!

IN

Agora, zo werd in het oude Griekenland de markt genoemd. Je ontmoette er mensen van alle rang en stand. Het was de ontmoetingsplaats bij uitstek om ideeën uit te wisselen en informatie en kennis

te delen. Daarom hebben we voor dit boek de titel Agora bedacht. Een ideale plek om het denken te

1→ OP STAP MET AGORA

Dit boek is opgebouwd uit vier thema's. Elk thema krijgt zijn eigen introductiepagina.

→

Een thema is opgebouwd uit verschillende

THEMA

1

r©

hoofdstukken.

VA N

voeden. We garanderen je een boeiende kennismaking.

pl

Elk hoofdstuk start met een

aa

MIJN ONTWIKKELING? SPANNEND!

duidelijke titelpagina. In totaal

HOOFDSTUK 1

5

E NOEMEN MIJ ADOLESCENT

ke xe

Z

m

↓

THEMA 1

telt dit boek acht hoofdstukken.

WAAROVER GAAT DIT HOOFDSTUK?

Je ontwikkelt een leven lang, op meerdere gebieden. In dit hoofdstuk ga je op zoek naar wie je, als

gevolg van je ontwikkeling, momenteel bent: een adolescent. Allicht heb je je al afgevraagd hoelang die periode duurt en of ze overal hetzelfde is. Of misschien wil je wel weten waarom er zoveel verschil is in

← Op een inleidende, groene pagina kom je te weten waarover het hoofdstuk gaat.

de ontwikkeling van pubers, zoals ze je ook wel eens noemen.

Om daarover met elkaar te kunnen praten, komt het erop aan dat je een aantal begrippen,

situaties en ontwikkelingsmechanismen kunt analyseren. Zo snap je beter waarom adolescenten, elk op hun manier, als adolescent denken, spreken, voelen, willen en fysiek ontwikkelen. Je toont dat je je eigen levensfase goed kunt analyseren als je onder meer uit de begrippen kunt afleiden wat die voor jou betekenen. Aan de hand van de juiste begrippen kun je argumenten geven voor wat en hoe jij denkt en kun je bedenkingen formuleren op uitspraken in de media over jouw leeftijdgenoten. Met de kennis die je in dit hoofdstuk verwerft, zul je ten slotte in hoofdstuk 2 de ontwikkeling van andere leeftijdsgroepen kunnen koppelen aan hun ontwikkelingsfase, die anders is dan die van jou nu.

kij

WAT LEER IK IN DIT HOOFDSTUK?

In

Vink aan wat je in de loop van dit hoofdstuk hebt geleerd. Ik orden de ontwikkelingsdomeinen die tijdens de adolescentie in groei en ontwikkeling zijn, in een schema en bouw de verbanden op tussen die domeinen. Ik trek conclusies over hoe ik me gedraag en wat ik voel als gevolg van mijn fysieke ontwikkeling, mijn toenemende denkmogelijkheden (= mijn cognitieve ontwikkeling) en hoe ik omga met anderen (mijn socio-emotionele ontwikkeling). Ik trek conclusies over het verschil in het ontwikkelingstempo van de fysieke ontwikkeling bij mijn leeftijdgenoten en over hoe ze daarmee omgaan. Ik duid sterke punten en eventuele fouten aan in de manier waarop mijn leeftijdsgroep

Het kader biedt je een duidelijk overzicht van de inhouden en lesdoelen. Aan de hand van de aanvinkvakjes kun je in de loop van het hoofdstuk

← makkelijk bijhouden welke doelen je al hebt

bereikt. Bovendien kunnen de inhouden in het kader een leidraad vormen bij de voorbereiding op een evaluatiemoment.

Ik herformuleer in eigen woorden de ontwikkelingstaken die de wetenschap formuleert, zoals ik die taken in mijn leven ervaar.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

BEGRIPPEN

6

overgangsrituelen – adolescentie – cultuurpuberteit – ontwikkelingstaken – vroeg-, midden-, laat-adolescentie – ontwikkelingsdomeinen: fysieke ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, socio-emotionele ontwikkeling – geslachtskenmerken – puberteit – puberbrein – body image

Een goede kennis van sleutelbegrippen is heel

← belangrijk. Bij de start van het hoofdstuk geven we alvast een begrippenkader mee. Zo zul je tijdens de lessen zeker extra aandacht besteden aan die belangrijke termen.

WELKOM OP DE AGORA!

nadenkt over de dingen, in vergelijking met kinderen, volwassenen en ouderen.

1


EUREKA! Wat denk je nu over de breinbreker die we aan het begin van dit hoofdstuk formuleerden?

← Daarna volgt de intro, die opbouwt naar een

“Welke argumenten heb je om de adolescentie wel of niet tot 24 jaar te laten duren?”

INTRO

Forum

breinbreker. Dankzij deze interessante en

uitdagende vraag wordt je nieuwsgierigheid

Wat denk je hierover na noemen onze bespreking van dit hoofdstuk? Duid aanhangt waarmee je het bent. Ontwikkelingspsychologen jou een adolescent. Wie je nu bent, af van wie(on)eens je gisteren wasGeef en twee argumenten voor zult de gekozen stelling. bepaalt ook wie je morgen zijn. Ooit was je een baby en ooit – als alles goed loopt – zul je echt oud zijn.

geprikkeld. In het forum peilen we naar je

je ontwikkel standpunt jij gewijzigd? Elke Is dag op basis van een complex samenspel van prikkels binnen en buiten je lichaam. Dat onophoudelijke proces start al in de baarmoeder.

eerste mening, een spontaan antwoord op de

Stellingen Lees het onderstaande krantenartikel. Maak vervolgens de oefening op de volgende pagina. 1 BREINBREKER De ontwikkelingsperiode ‘adolescentie’ ligt goed zo, van 10 tot 20 jaar.

De ontwikkelingsperiode ‘adolescentie’ moet langer duren dan tot 20 jaar. In dit hoofdstuk zul je in vijf stappen een antwoord formuleren op deze breinbreker:

breinbreker. Misschien kom je tot de vaststelling

3

De ontwikkelingsperiode ‘adolescentie’ moet vroeger eindigen dan op 20 jaar.

dat deze vraag niet zomaar op te lossen valt.

WIE KOMT OP VOOR HET GEVOELSLEVEN VAN DE ALLERKLEINSTEN?  ‘EEN BABY IS GEEN ONBESCHREVEN BLAD.’

IN

2

“Op welke manier zijn de noden van een baby hetzelfde als

Daarvoor heb je specifieke informatie nodig.

We houden geenanders concrete dan herinneringen aan onze eerste levensjaren en of net die vanover een volwassene?” Argumenten onderschatten misschien daarom de emotionele impact ervan. ‘Maar die eerste 1 001 1 Forum

dagen in een kinderleven, van conceptie tot de leeftijd van 2 jaar, zijn cruciaal voor de

rest van het leven’, zegt Binu Singh, kinderpsychiater in de babypsychiatrie in het UZ Wat denk je nu al? Ga hierover in gesprek met je klasgenoten en noteer hieronder de argumenten die jullie Leuven. ‘Wat in die periode gebeurt, legt in grote mate vast hoe we later functioneren.’ verzamelen. ‘Het is gangbaar gedachtegoed dat een kind als een onbeschreven blad wordt

VA N

geboren. Dat klopt niet. Baby’s hebben al een eigen temperament en een geschiedenis zijn hetzelfde.in de baarmoeder. Mensen denken De noden verschillend. 2De noden aan ervaringen datzijn jonge baby’s niet zoveel van hun omgeving oppikken, dat ze het allemaal niet merken. Tot in de jaren 80 hebben we baby’s geopereerd zonder anesthesie, omdat we dachten dat ze pijn anders ervaarden. Nu vinden we dat horror. Maar op psychologisch vlak maken we nog steeds dezelfde fout. We denken dat we over hun hoofden heen van alles met ze kunnen doen, dat het allemaal geen kwaad kan. We moeten eindelijk erkennen dat baby’s mensen zijn, met

Vraag hetevenveel aan de wetenschap! rechten als volwassenen.’

Klaar om de onderzoeker ingeen je losding te laten? Lees noggezond eens goed deworden instructies in de introductie van ‘Een baby is dat gewoon moet geboren. Het is een mens dit boek (p. 5).een heel eigen beleving. En daar steken we als struisvogels onze kop voor in het met 1

← Laat de onderzoeker in je los! In Agora verwerf je

niet alleen kennis en vaardigheden in het domein

zand. Er is veel onwetendheid over hoe het innerlijke leven van een baby eruitziet en Noteer hier noden de klasvraag voorheeft. een ’wetenschapper: welke een baby

2

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

Bron: De Standaard

Noteer hier je persoonlijke onderzoeksvraag:

onderzoeksvraag!

↑

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

Onderzoekscompetentie

51

de rubriek Vraag het aan de wetenschap je uit om

moeten voldoen aan een aantal criteria, die

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

je terugvindt achter de QR-code. Volg bij het

aa

formuleren van je vragen het stappenplan op p. 5.

pl

m

zomaar. Daarvoor moet je een parcours

→

afleggen, opgesplitst in een aantal stappen. Met

STAP 1

behulp van verschillende bronnen, opdrachten

ke xe

Letterlijk betekent het ‘van een wikkel ontdoen’. Synoniemen zijn ‘ontvouwen’ en ‘ontplooien’. Ontwikkelen heeft dus te maken met het loskomen uit de ene fase om een volgende fase in te gaan, zoals een rups zich tot een vlinder ontplooit. Elke

het inzicht, de kennis en de (onderzoeks)-

nieuwe fase in het ontwikkelingsproces is een uitbreiding van een vorige fase. De ontwikkeling kan verschillende vormen aannemen en ze kan betrekking hebben op verschillende domeinen.

vaardigheden die nodig zijn om een gefundeerd

1

kij

Zindelijkheid is een belangrijke stap in de ontwikkeling. Lees hieronder welke stappen een kind daarin moet zetten. Beantwoord vervolgens de vragen op de volgende pagina.

antwoord op de breinbreker te geven.

afgelegd, dan ben je voldoende gewapend om

ZINDELIJKHEID POSITIEF ONDERSTEUNEN Op het potje gaan is een belangrijke stap voor een kind. Elk kind wordt zindelijk op zijn eigen tempo. Het is belangrijk om een peuter daarbij te ondersteunen. Dat doe je samen: ouders, opvang, grootouders … Starten op het gepaste moment op een ontspannen manier is de boodschap. Een kind is zindelijk als het voelt dat het pipi of kaka moet doen en het kan ophouden tot

→

op het potje of op het toilet.

EUREKA!

Een natuurlijke ontwikkeling

Kinderen krijgen stap voor stap meer controle over hun lichaam. Dat is nodig om te kunnen starten met het potje. Baby’s plassen onbewust en reflexmatig zodra de blaas voor een deel gevuld is. Dat gebeurt tot wel twintig keer per dag. Ook stoelgang maken gebeurt

opnieuw over de breinbreker na te denken. In

vanzelf. Peuters worden zich bewust van hun lichaam en krijgen een willetje. Ze beginnen Wat denk je over de breinbreker we aan het begin van dit hoofdstuk bewust denu blaasvulling te voelen. die Ze merken op dat ze geplast hebben of formuleerden? een volle luier hebben.

het forum zul je merken dat de hele klas nu met veel meer kennis van zaken spreekt dan aan het begin van dit hoofdstuk.

Wat is ontwikkeling?

Kijk eens naar de samenstelling van het woord ‘ontwikkelen’. Je merkt dat het uit twee delen bestaat: ont-wikkelen.

en kenniskaders verwerf je stap voor stap

Eureka! Als je het parcours helemaal hebt

PARCOURS

In een volgende fase, die meestal start tussen en 3 jaar, krijgen kinderen als stilaan “Op welke manier zijn de noden van2een baby hetzelfde ‘controle’. Ze of kunnen en kaka evendie ophouden en daarna loslaten in het potje of toilet. net pipi anders dan van een volwassene?” Droge nachten zijn de laatste stap in de ontwikkeling.

Forum

Kansen om te oefenen en een leerproces Wat denk je nu, na onze bespreking van dit hoofdstuk? Ga hierover in gesprek met je klasgenoten en Zindelijk worden is niet alleen een natuurlijk rijpingsproces, maar ook een leerproces. Een noteer hieronder de argumenten die jullie verzamelen. peuter leert begrijpen wat van hem wordt verwacht. Hij heeft kansen nodig om te oefenen. Daarbij kun jij je kind stimuleren en positief aanmoedigen. De noden zijnZindelijkheid hetzelfde. positief ondersteunen, Kind en GezinDe noden zijn verschillend. Bron:

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

Het antwoord op de breinbreker vind je niet

In

een goede en interessante onderzoeksvraag, daagt

thema van het hoofdstuk. Je onderzoeksvragen

56

WELKOM OP DE AGORA!

als onderzoeker. Omdat elk onderzoek begint met

twee interessante vragen te formuleren rond het

54

2

wetenschappen, maar zet je ook je eerste stappen

r©

Vergeet niet om steeds rekening te houden met de criteria voor een goede

van de psychologie en sociologie/gedrags-en sociale

57


←

Alle kennis en inzichten die je tijdens het parcours hebt opgedaan, worden voor jou

SYNTHESE Overgangsrituelen

↑

KENNISCLIP 2

1.1

overgangsrituelen.

gebundeld in een synthese. Die tekst geeft weer

Rituelen zijn bepaalde handelingen die van generatie op generatie worden doorgegeven in de cultuur waarin jij ontwikkelt. Ze kunnen helpen om het leven te ordenen en er betekenis en zin aan te geven.

wat je exact moet onthouden. De nummers naast

Uitstellen van de volwassenheid

1.1

Het uitstellen van de volwassenheid in onze samenleving heeft te maken met het feit dat onze

de verschillende paragrafen verwijzen naar de

samenleving heel ingewikkeld is geworden, dat je meer moet kennen en kunnen om zelfstandig, op eigen

kenniskaders waarin de leerinhouden werden

Adolescentie

IN

verantwoordelijkheid het volwassen leven aan te kunnen. 1.2

ontwikkelingspsychologie gebruikt men het begrip om alle ontwikkelingsdomeinen te beschrijven (de fysieke ontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling, de socio-emotionele ontwikkeling).

Ontwikkelingstaken

makkelijk extra informatie opzoeken in de kaders

1.2

1.3

van de opeenvolgende leeftijdsperioden ze uitvoeren. Pas wanneer de taken van een ontwikkelingsfase bereikt zijn, stap je over naar een volgende fase.

Puberteit

VA N

benoemen. Het woord is afgeleid van het Latijnse woord pubes. Dat betekent schaamhaar (van het Latijnse

Zelfvervullende voorspellingen

werkwoord pubescere = bedekt zijn met haar).

Het begrip zelfvervullende voorspelling (self-fulfilling prophecy) wordt in de sociale psychologie gebruikt om aan

lesinhouden? Scan dan de QR-code voor een

Je zit in een groeispurt. Na die spurt wordt het even rustig, maar jongens groeien gemiddeld nog door tot ze

heldere kennisclip bij de synthesetekst.

Ontwikkelingsdomeinen

18,5 jaar zijn en meisjes tot ze 17 jaar zijn.

te geven dat als iemand die iets voorspelt of verwacht, die voorspelling of verwachting ook uitkomt, simpelweg omdat de persoon gelooft dat dat zal gebeuren.

Eigenlijk gebruiken mensen de kennis die ze al hebben over iets of iemand om er gevolgen uit af te leiden. Die voorkennis gaat dan over: —

perceptie (hoe iets of iemand overkomt);

—

geloof in een of andere richting.

1.5

Het begrip puberteit wordt gebruikt om de lichamelijke veranderingen als begin van de adolescentie te

Krijg je graag nog wat extra toelichting bij de

uiterlijk (hoe iets of iemand eruitziet);

1.4

Ontwikkelingstaken zijn taken waarvan men in een bepaalde maatschappij en cultuur verwacht dat personen

die je tegenkwam in de loop van het hoofdstuk.

—

1.3

Adolescentie komt van het Latijnse woord adolescere, dat je kunt vertalen als opgroeien, volwassen worden. In de

aangebracht. Zo kun je tijdens het studeren

—

↑

KENNISCLIP 1

Om van de adolescentie te kunnen overgaan naar de volwassenheid kennen alle samenlevingen

Fysieke ontwikkeling —

Het puberbrein

1.6

Rond het tiende levensjaar kent je brein een sterke maar ongelijkmatige ontwikkeling. De plotse rijping

en ontwikkeling van de hersenen brengt de meeste pubers wat uit hun evenwicht. Hersendelen gaan zich

specialiseren. Dat gebeurt in een verschillend tempo. De delen van de hersenen die verschillende functies

—

van je ontwikkeling regelen, ontwikkelen op een ongelijke manier. Het gebied dat de emoties regelt (het

Sociale beïnvloeding

limbisch systeem met daarin de amygdalae) ontwikkelt het eerst en erg hevig.

Men spreekt in de sociale psychologie over sociale beïnvloeding als gekende of niet-gekende druk op mensen

De gebieden die verantwoordelijk zijn voor de beheersing van je gedrag en voor de activiteiten die door

Groepsprocessen

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

wordt uitgeoefend om hun handelen en denken aan te passen. 3.4

—

Groepsdruk

Groepsdruk is de druk die groepsleden ondervinden waardoor ze hun gedrag afstemmen op het gedrag van de groep. Het is het gevolg van sociale beïnvloeding die van anderen uitgaat.

lijkt je brein evenwichtig ontwikkeld.

r©

Er bestaan verschillende soorten groepsprocessen, onder meer groepsdruk en groepsvorming.

verstand en ratio bepaald worden, ontwikkelen pas later (de frontaalkwab). Pas rond de leeftijd van 23 jaar

52

—

Groepsvorming

De groepsvorming maakt altijd een aantal fasen door. Tijdens die fasen bepalen de leden van de groep bewust en onbewust hoe de groep zich zal gaan gedragen, wie de leiders worden … Elke fase kent een bepaald verloop. Een leider kan ingrijpen en de situatie ombuigen om bijvoorbeeld een aangenaam groepsklimaat te creëren in het geval van spanningen.

← Studeer je graag op een schematische manier?

interactie

aa

Bordschema

Het bordschema geeft een overzicht van de

prosociaal gedrag

gedrag (P-O-R)

sociaal gedrag

belangrijkste termen en verbanden die in het hoofdstuk aan bod kwamen.

antisociaal gedrag

pl

vooroordelen

sociale cognitie

stereotypen

groepsdruk

m

sociale beïnvloeding

121

WELKOM OP DE AGORA!

In

kij

ke xe

groepsprocessen (5 fasen)

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

rol van verwachtingen

3


Je kunt beter communiceren met de anderen, want je leest hun lichaamstaal goed.

b

2→ HANDIG VOOR ONDERWEG Als iemand iets gemeen bedoelt, zul je waarschijnlijk anders reageren dan wanneer iemand duidelijk

c

goede bedoelingen heeft.

In de loop van het parcours word je ondersteund door een aantal hulpmiddelen. KADERS

1.2 3.2

1 deOntwikkelingstaken In sociale psychologie gebruikt men het begrip sociale cognitie voor de mentale processen Ontwikkelingstaken zijn taken waarvan een maatschappij en cultuur verwachten die een rol spelen wanneer je informatie overbepaalde een ander (of over groepen mensen) in je

← Doorheen het hoofdstuk zetten we de

IN

Ontwikkelingstaken op weg naar volwassenheid Sociale cognitie

belangrijkste zaken op een rijtje in deze

dat personen van de opeenvolgende leeftijdsperioden ze kunnen opneemt, organiseert en interpreteert. Het is een vaardigheid dieuitvoeren. je kunt ontwikkelen.

rode kenniskaders. De sleutelbegrippen

Bij sociale cognitie nemen je hersenen informatie uit sociale situaties op en verwerken ze die. Volgens Havighurst vragen aanerbij jongeren in de overgang naar volwassenheid Zo begrijp je die situaties enalle de culturen mensen die betrokken zijn. om op een aanvaardbare manier met elkaar om te gaan – zowel met mensen van hetzelfde

die je in de inleiding leerde kennen,

als van voordelen het anderevan geslacht –, cognitie: om keuzes te maken over een opleiding of hobby, om Enkele sociale verantwoordelijkheid op te nemen voor samenleving enzovoort. en om er een — Deze kennis (= cognitie) helpt je omhet hetmilieu, gedragde van anderen te voorspellen

VA N

hebben we met een stippellijn onderlijnd.

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

juist oordeel over te vormen. noemen mij goede een adolescent —2 Ze Je kunt op een manier ervaringen uitwisselen. Als een adolescent dan iste dat omdat men zo kijkt. De adolescentie — men Dezejou kennis helpt je om noemt, beter sociaal functioneren. Zonaar kunjou je bijvoorbeeld uit het

slaatgedrag op alle van domeinen van je ontwikkeling kenniskader je lichamelijke de toehoorder aflezen of je (zie de juiste woorden1.4.): gebruikt, of je niet te snel praat, ontwikkeling, loskomen dingen van je ouders, verkeerde het of kwetsende zegt … je zoeken en kiezen uit keuzemogelijkheden, je morele ontwikkeling, je denkontwikkeling, de ontwikkeling van je emoties …

Het woord adolescentie komt van het Latijnse werkwoord adolescere, dat je kunt vertalen als opgroeien, volwassen worden. Kenmerk 1

106

Situatie

De verwachtingen worden op de een of andere manier aan jou duidelijk gemaakt.

← In de blauwe Good to know’s vind je

Opvoeding speelt daarbij een rol, maar ook wat je leeftijdgenoten (= de peergroep)

Good to know denken en wat je in de media ziet.

handige en leuke weetjes terug die

r©

2 Als je slaagtmij in jeeen ontwikkelingstaken krijg je van degenen die je beoordelen (de Sommigen noemen tiener belangrijke derden) nieuwe rechten en verantwoordelijkheden. Als men jou een tiener noemt, dan is dat omdat je in de 3 Met de nieuwe rechten en verantwoordelijkheden die je kreeg, kun je nieuwe leeftijdscategorie van 10 tot en met 19 jaar zit. Eigenlijk komt het situaties verkennen om daarin sterker te worden. woord van het Engels, waarin men spreekt over teenager. Daarmee 4 Je ervaart het verkrijgen van de nieuwe rechten als een stap vooruit en bent bedoelt men dan jongeren tussen thirteen en nineteen. geneigd je gedrag aan te passen aan de nieuwe status. 5

Lees de onderstaande voorbeeldsituaties. Bedenk voor elke situatie een eigen ervaring die bij die situatie aansluit. Vertel.

SITUATIE A

VIP

← Wat we weten en hoe we denken is

pl

Kamiel vindt het vervelend dat de leraar hem tijdens De Amerikaan Robert James Havighurst (1900-1991) studeerde eerst het zelfstandig werk komt uitleggen hoe je een natuurkunde en later psychologie. Hij had veel interesse voor de ontwikkeling samenvatting maakt. Enerzijds is hij opgelucht dat hij van de mens en het proces van ouder worden (hij stierf trouwens aan de hulp krijgt, anderzijds ‘wist hij wel hoe hij het moest ziekte van Alzheimer). In 1967 werkte hij de ontwikkelingstaken uit. Volgens doen, hoor, op zijn manier’. Havighurst wordt de levensloop van mensen, waar ze ook leven, gekenmerkt voor de opeenvolgende leeftijdsfasen.

2

a

Lees de onderstaande beschrijvingen van dergelijke proeven. Herlees de vijf kenmerken uit oefening 1.

c

Kruis aan welke kenmerken van een ontwikkelingstaak herkenbaar zijn in deze situaties.

d

Verantwoord telkens mondeling je beslissing.

kennis komt voort uit het denkwerk gedragswetenschappers, .... We brengen ze in VIP-kaders onder de aandacht.

Om te bewijzen dat je een bepaalde ontwikkelingstaak aankunt, moet je soms een proef afleggen.

b

niet zomaar tot ons gekomen. Onze van briljante geesten, psychologen,

door het kunnen uitoefenen van opdrachten die in zekere zin specifiek zijn

m

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

studeren.

verwachtingen wat je moet kunnen in elke fase van je leven. Je ontwikkeling Wat verwacht men van jouover in de adolescentieperiode? Allereerst moet je weten in welke fase van je stopt nooit. adolescentie-ontwikkeling jij je bevindt. a b

ICOONTJES Je kunt meerdere vakjes aankruisen.

ke xe

18

extra informatie hoef je niet in te

Jijzelf en de sociale omgeving kijken niet zomaar naar je ontwikkeling. Er zijn altijd

aa

3

verband houden met de leerstof. Deze

Proef

1

Kenmerk

Als je slaagt in een overlevingstocht, mag je deelnemen aan het ‘grootwordenfeest’ van je gemeenschap. Dan krijg je

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

2Dit is een mondelinge opdracht. In de middeleeuwen moesten zonen van adellijken verschillende fasen doorlopen om zich van schildknaap tot ridder te ontwikkelen.

3

Om te kunnen overgaan naar het vierde jaar, moet je examens

4

Je mag enkel met de auto rijden op voorwaarde dat je je

1 2 3 4 5 Bijafleggen. deze opdracht hoort een videofragment. rijbewijs haalt.

5

1

2

3

Wanneer je in de jeugdbeweging van de ene naar de andere

4

5

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

cadeautjes.

kij

1 2 3 4 5 Voor deze opdracht leeftijdsgroep overgaat, moet je proevenmag afleggen. of moet je online opzoekingswerk verrichten.

17

WELKOM OP DE AGORA!

In

In deze opdracht werk je aan je onderzoeksvaardigheden.

4

Bij deze opdracht hoort een ontdekplaat. Voor deze opdracht ga je naar het onlinelesmateriaal.


STAPPENPLAN VOOR DE ONDERZOEKSVRAAG 1 Onze vraag voor een wetenschapper a Kies klassikaal een onderwerp uit dit hoofdstuk waarover jullie meer willen weten, of waarover

jullie meer wetenschappelijke gegevens nodig hebben om een gegronde mening te vormen.

IN

b Formuleer een onderzoeksvraag met betrekking tot dat onderwerp. Maak daarbij gebruik van de

criteria voor een goede onderzoeksvraag.

c Zoek samen met de leerkracht een onderzoeksinstituut en/of onderzoeker die de vraag kan d Bezorg jullie vraag aan die instantie of onderzoeker. 2 Mijn persoonlijke onderzoeksvraag

VA N

beantwoorden.

a Kies een ander onderwerp uit dit hoofdstuk dat je boeit of dat actueel is en waarover je meer

informatie wilt opzoeken. Houd er rekening mee dat je zélf over dat onderwerp een klein

onderzoek moet kunnen voeren. Scan de QR-code bij elk hoofdstuk voor meer toelichting in het document over onderzoekscompetentie.

r©

b Formuleer een onderzoeksvraag met betrekking tot jouw onderwerp. Maak daarbij gebruik van

de criteria voor een goede onderzoeksvraag.

c Op het einde van het schooljaar heb je een aantal onderzoeksvragen verzameld. Kies daaruit je

WELKOM OP DE AGORA!

In

kij

ke xe

m

pl

aa

favoriete onderzoeksvraag. Dat kan de vraag zijn die je volgend jaar gaat onderzoeken.

5


HET ONLINELEERPLATFORM BIJ AGORA

Leerstof kun je inoefenen op jouw niveau.

r©

Hier kan de leerkracht toetsen en taken voor jou klaarzetten.

VA N

Hier vind je de opdrachten terug die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.

IN

Je kunt vrij oefenen en de leerkracht kan ook voor jou oefeningen klaarzetten.

aa

Benieuwd hoe ver je al staat met oefenen en opdrachten? Hier vind je een helder overzicht van je resultaten.

pl

Hier vind je het lesmateriaal per hoofdstuk (onder andere videobestanden en kennisclips).

ke xe

m

Ga hier ook aan de slag met de ontdekplaten en de bijhorende werkblaadjes.

WELKOM OP DE AGORA!

In

kij

Het e-book is de digitale versie van het leerschrift. Je kunt hierin noteren, aantekeningen maken, zelf materiaal toevoegen ...

6


IN

1

VA N

THEMA

THEMA 1

In

kij

ke xe

m

pl

aa

r©

MIJN ONTWIKKELING? SPANNEND!

7


HOOFDSTUK 1

Z

E NOEMEN MIJ ADOLESCENT

IN

WAAROVER GAAT DIT HOOFDSTUK?

Je ontwikkelt een leven lang, op meerdere gebieden. In dit hoofdstuk ga je op zoek naar wie je, als

gevolg van je ontwikkeling, momenteel bent: een adolescent. Allicht heb je je al afgevraagd hoelang die de ontwikkeling van pubers, zoals ze je ook wel eens noemen.

VA N

periode duurt en of ze overal hetzelfde is. Of misschien wil je wel weten waarom er zoveel verschil is in Om daarover met elkaar te kunnen praten, komt het erop aan dat je een aantal begrippen,

situaties en ontwikkelingsmechanismen kunt analyseren. Zo snap je beter waarom adolescenten,

elk op hun manier, als adolescent denken, spreken, voelen, willen en fysiek ontwikkelen. Je toont dat je je eigen levensfase goed kunt analyseren als je onder meer uit de begrippen kunt afleiden wat die

voor jou betekenen. Aan de hand van de juiste begrippen kun je argumenten geven voor wat en hoe

r©

jij denkt en kun je bedenkingen formuleren op uitspraken in de media over jouw leeftijdgenoten. Met de kennis die je in dit hoofdstuk verwerft, zul je ten slotte in hoofdstuk 2 de ontwikkeling van andere leeftijdsgroepen kunnen koppelen aan hun ontwikkelingsfase, die anders is dan die van jou nu.

aa

WAT LEER IK IN DIT HOOFDSTUK?

Vink aan wat je in de loop van dit hoofdstuk hebt geleerd.

pl

Ik orden de ontwikkelingsdomeinen die tijdens de adolescentie in groei en ontwikkeling zijn, in een schema en bouw de verbanden op tussen die domeinen.

m

Ik trek conclusies over hoe ik me gedraag en wat ik voel als gevolg van mijn fysieke ontwikkeling, mijn toenemende denkmogelijkheden (= mijn cognitieve ontwikkeling) en hoe ik omga met anderen (mijn socio-emotionele ontwikkeling).

ke xe

Ik trek conclusies over het verschil in het ontwikkelingstempo van de fysieke ontwikkeling bij mijn leeftijdgenoten en over hoe ze daarmee omgaan. Ik duid sterke punten en eventuele fouten aan in de manier waarop mijn leeftijdsgroep nadenkt over de dingen, in vergelijking met kinderen, volwassenen en ouderen. Ik herformuleer in eigen woorden de ontwikkelingstaken die de wetenschap formuleert,

kij

zoals ik die taken in mijn leven ervaar.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

BEGRIPPEN

8

overgangsrituelen – adolescentie – cultuurpuberteit – ontwikkelingstaken – vroeg-, midden-, laat-adolescentie – ontwikkelingsdomeinen: fysieke ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, socio-emotionele ontwikkeling – geslachtskenmerken – puberteit – puberbrein – body image


INTRO Kinderen worden groot en op een bepaald moment wordt er iets meer van hen verwacht. In alle culturen wordt aan adolescenten zoals jij gevraagd om te bewijzen dat ze een volgende fase in de ontwikkeling zullen aankunnen.

IN

In dit hoofdstuk hebben we het over de fase waarin jij je op je veertiende of vijftiende bevindt: de

adolescentie als overgang naar de volwassenheid. Via overgangsrituelen wordt de stap naar volwassenheid

gezet. In onze westerse samenleving kennen we een lange overgangsperiode. In sommige culturen bestaat die overgangsperiode niet en moeten jongeren van jouw leeftijd soms pijnlijke proeven doorstaan om te bewijzen

VA N

dat ze het leven als volwassene zullen aankunnen. Slagen ze niet in de proeven, dan moeten ze nog even wachten op de volwassenheid en moeten ze nog wat rijper worden om meer verantwoordelijkheid te kunnen opnemen. Slagen ze wel in de proeven ... dan zijn ze volwassen.

In onze westerse samenleving mag je als jongere, in vergelijking met tien jaar geleden, heel wat.

Andere ‘privileges’, die er vroeger waren, zijn dan weer niet toegelaten, denk bijvoorbeeld aan roken.

r©

Bekijk de foto’s.

a Geef bij elke foto aan op welke leeftijd dit toegelaten is in België. b Kruis aan, op basis van de kennis die je nu hebt, of dat beter vroeger of later zou zijn. Noteer op

welke leeftijd je dit zou toelaten.

c Denk bij je antwoord op vraag b na welk van de drie domeinen van je ontwikkeling een rol

aa

spelen:

je lichamelijke ontwikkeling (= fysieke ontwikkeling),

•

je denkontwikkeling (= cognitieve ontwikkeling),

•

je socio-emotionele ontwikkeling: de ontwikkeling van je eigen persoonlijkheid, meer

pl

•

bepaald wat je omgeving verwacht van de ontwikkeling van je emoties, je temperament, hoe je denkt over jezelf.

m

Noteer een goed argument voor je keuze en link dat aan een van de drie ontwikkelingsdomeinen.

In

kij

Stemmen

a Officiële leeftijd:

b

Vroeger:

Later:

Oké zo c Ontwikkelingsdomein:

Argument:

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

ke xe

1

9


a Officiële leeftijd:

b

Vroeger:

Later:

Oké zo

2

IN

c Ontwikkelingsdomein:

Argument:

Autorijden

b

Vroeger:

Later:

Oké zo

r©

a Officiële leeftijd:

3

c Ontwikkelingsdomein: Werken als jobstudent

Argument:

aa

a Officiële leeftijd:

pl

4

b

m

Vroeger:

Later:

Oké zo

ke xe

c Ontwikkelingsdomein:

Seks hebben

Argument:

kij

In THEMA 1 HOOFDSTUK 1 10

a Officiële leeftijd:

b

Vroeger:

Later:

Oké zo

5

c Ontwikkelingsdomein: Alchohol drinken

Argument:

VA N


Good to know Wanneer ben je adolescent? De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization – WHO) definieert adolescentie als de periode tussen 10 en 20 jaar.

IN

In de Verenigde Staten gaan stemmen op om de adolescentie te laten duren van 13 tot ongeveer 24 jaar.

VA N

BREINBREKER

In dit hoofdstuk zul je in zes stappen een antwoord formuleren op deze breinbreker:

“Welke argumenten heb je om de adolescentie wel of niet tot 24 jaar te laten duren?”

r©

Forum

Wat denk je nu al ? Duid aan waarmee je het (on)eens bent. Geef twee argumenten voor de gekozen stelling. Stellingen

De ontwikkelingsperiode ‘adolescentie’ ligt goed zo, van 10 tot 20 jaar.

2

De ontwikkelingsperiode ‘adolescentie’ moet langer duren dan tot 20 jaar.

3

De ontwikkelingsperiode ‘adolescentie’ moet vroeger eindigen dan op 20 jaar.

Argumenten

ke xe

1

m

pl

aa

1

2

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

11


PARCOURS Waarom hebben alle culturen overgangsrituelen om naar de volwassenheid over te stappen?

IN

STAP 1

Misschien vind je het vreemd om te horen hoe in andere delen van de wereld de overgang van kind naar volwassene gebeurt. Voor die andere culturen kan het dan weer moeilijk te begrijpen zijn dat de volwassenheid in de westerse landen zo lang op

VA N

zich laat wachten. 1 Lees het verhaal van de maraké.

Beantwoord vervolgens de vragen in de tabellen onder de tekst. Markeer in de tekst de informatie die je kunt gebruiken in je antwoord.

r©

GROOT WORDEN BIJ DE INDIANEN, IETS VOOR ONS?

De maraké is het inwijdingsfeest van de Wajanaindianen die leven in Suriname, Frans-Guyana en

Brazilië. Een van de hoogtepunten van dat feest is het moment waarop de jongens en meisjes tussen 10 en

aa

12 jaar de wespenproef ondergaan.

Tijdens die proef worden gevlochten matjes, waarin mieren of wespen zitten geklemd, tegen

pl

het lichaam gedrukt van de jongeren die moeten worden ingewijd. Die pijnlijke gebeurtenis

symboliseert de overgang van het kind-zijn naar de

m

volwassenenstatus. De jongere kan door zijn moedig gedrag tonen dat hij rijp is voor de overgang, voor het dragen van de last van het volwassen-zijn. Iedereen ondergaat de proef, meisjes en jongens.

ke xe

De jongens zelfs tweemaal. Op elf- of twaalfjarige leeftijd, wanneer de jongen ophoudt kind te zijn, wordt hij behandeld met mieren. Op veertien- of vijftienjarige leeftijd, wanneer hij huwbaar is, legt men hem de wespenproef op. Het meisje ondergaat de wespenproef wanneer ze haar eerste menstruatie heeft gehad. Ook volwassenen kunnen vrijwillig deelnemen aan de wespenproef. Dat doen ze als ze bijvoorbeeld niet tevreden zijn met hun resultaten als jager.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

Naar: formicidae-polyergus.blogspot.com

12


Je las hoe de overgang van de fase van kind-zijn naar de fase van volwassenheid verloopt bij de indianen. Ook jij zette allicht al een soort stap naar de volwassenheid, maar op een andere manier. Zoek de gelijkenissen en verschillen.

Bij de Wajana-indianen

de overgang

VA N

Leeftijd bij

Bij ons

r©

Rituelen bij de overgang

IN

a Welke gelijkenissen en verschillen zijn er wat betreft de leeftijd en het soort rituelen?

aa

ke xe

m

Bij de Wajana-indianen

kij

In

Bij ons

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

pl

b Wat zijn de criteria waarmee jongeren kunnen aantonen dat ze klaar zijn voor de volwassenheid?

13


2 Analyseer de overgangsrituelen in drie culturen.

Ga na of je in de verschillende overgangsrituelen dezelfde kenmerken herkent als bij de Wajana-indianen. Beantwoord daarbij deze vragen: 1→ Heeft het overgangsritueel een eigen naam? Zo ja, welke?

4→ Welke handelingen horen bij het ritueel?

VA N

5→ Welke personen of voorwerpen spelen een belangrijke rol in het ritueel?

IN

2→ In welke gemeenschap, cultuur vindt het ritueel plaats? 3→ Op welke leeftijd vindt het ritueel plaats?

VERHAAL 1 ‘In onze samenleving is een meisje vanaf haar twaalfde verjaardag bat mitswa. Dat betekent letterlijk ‘dochter van de wet’. Een jongen is dat pas vanaf zijn dertiende verjaardag. Dan is hij een bar mitswa, ‘zoon van de wet’. Op dat moment

r©

zijn we helemaal een volwassen lid van onze

gemeenschap. Vanaf dan moeten we ons aan de

geboden van de Thora houden, aan ‘mits wot’. Veel van die geboden regelen ons dagelijks leven. Dan

moeten we bijvoorbeeld de sjabbat houden, dat is de

aa

zaterdagviering.

Het is voor jongens en meisjes een grote

feestdag. De jongens lezen op deze dag in de synagoge de Thora, in het Hebreeuws. Dat leerden ze in de joodse les. In sommige synagogen mogen ook de meisjes een stukje uit de

pl

Thora lezen of ze houden een toespraak. Daarna gaan we feesten, krijgen we cadeaus, gaan we heerlijk eten en dansen we de Hora, een typische dans bij ons.’

m

Naar: www.missiokids.nl

1→ Naam

ke xe

2→ Gemeenschap

4→ Handelingen

5→ Personen of voorwerpen

kij

In THEMA 1 HOOFDSTUK 1 14

3→ Leeftijd


VERHAAL 2 ‘In onze gemeenschap kennen we een belijdenis in aanwezigheid van de volwassen gelovigen. Tijdens een dienst in de tempel moeten we enkele vragen juist beantwoorden. Als dat lukt,

IN

worden wij als ‘belijdende leden’ volwaardig lid van de kerk. Dan mogen we deelnemen aan het Heilig Avondmaal en mogen we op onze beurt kinderen taken opnemen binnen de kerk. De gemiddelde leeftijd waarop mensen hun belijdenis doen, is ondertussen gestegen van 18 à 19 jaar naar ruim boven 25 jaar.’ Naar: oudesite.samsam.net

2→ Gemeenschap

4→ Handelingen

pl

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

ke xe

m

5→ Personen of voorwerpen

aa

3→ Leeftijd

r©

1→ Naam

VA N

laten dopen. We krijgen ook stemrecht en mogen

15


VERHAAL 3 ‘Voor mij, als Spaanstalig meisje, is mijn vijftiende verjaardag erg belangrijk. Er wordt dan een groot feest georganiseerd om mij officieel als vrouw aan de

IN

wereld voor te stellen. Dat feest heet la

quinceañera. De rituelen die bij dat feest horen zijn overal dezelfde. In de meeste landen zijn vooral de receptie en het

VA N

dansfeest heel belangrijk, maar vaak is er ook een religieus onderdeel: de mis in een kerk.

Het meisje krijgt een nieuwe jurk die heel erg lijkt op een trouwjurk. Van haar vader krijgt ze ook een symbolisch cadeau zoals de typische pop, la última muñeca (de laatste pop) of

de eerste schoenen met hakken. Als het cadeau een pop is, geeft het meisje ze meestal aan

haar jongere zusjes of nichtjes of gooit ze ze achter zich naar de meisjes die nog geen 15 jaar geworden zijn (zoals bij een huwelijk soms gedaan wordt met het bruidsboeket). Een van de

meest emotionele onderdelen van een quinceañera is de dans met de vader. Dat is de eerste

r©

dans als volwassen vrouw.’ Bron: www.cubanismo.be

2→ Gemeenschap

aa

1→ Naam

ke xe

m

pl

4→ Handelingen

3→ Leeftijd

5→ Personen of voorwerpen

kij

Overgangsrituelen, waarom?

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

1 De functie van rituelen

16

Om van de adolescentie te kunnen overgaan naar de volwassenheid, kennen alle samenlevingen overgangsrituelen. Rituelen zijn bepaalde handelingen die van generatie op generatie worden doorgegeven in de cultuur waarin jij ontwikkelt. Ze kunnen helpen om het leven te ordenen en er betekenis en zin aan te geven.

1.1


2 Het uitstellen van de volwassenheid

De overgangsrituelen bepalen de leeftijd waarop je als volwassene beschouwd wordt, regelen wat van jou verwacht wordt en leggen vast welke privileges je krijgt als volwassene (stemmen, huwen en kinderen krijgen …). In onze westerse samenleving zijn die rituelen

In onze maatschappij wordt de leeftijd waarop je als volwassene wordt beschouwd uitgesteld omdat onze samenleving heel ingewikkeld is geworden. Een adolescent moet steeds meer kennen en kunnen om zelfstandig, op eigen

VA N

verantwoordelijkheid het volwassen leven aan te kunnen.

IN

veeleer symbolisch. Je mag nog niet stemmen, huwen of seks hebben op je vijftiende.

3 Adolescentie: een westerse uitvinding

Men zegt wel eens dat de adolescentie een westerse uitvinding is. De invoering van een overgangsperiode is kenmerkend voor een maatschappij die almaar complexer wordt.

Daardoor heeft de jongere een langere periode nodig om de volle verantwoordelijkheid te leren dragen. We gebruiken daarom ook de term cultuurpuberteit.

Onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals het verbod op kinderarbeid en de

r©

uitbreiding van de leerplicht, is deze periode geëvolueerd naar een autonome fase tussen de kinderjaren en de volwassenheid.

4→ Handelingen

ke xe

5→ Personen of voorwerpen

kij

In

3→ Leeftijd

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

m

2→ Gemeenschap

pl

1→ Naam

aa

3 En jij? Beschrijf in het kader je eigen overgangsritueel. Analyseer je ritueel in de tabel.

17


STAP 2

Wat verwachten volwassenen van jou zodat je zelf volwassen kunt worden?

IN

Tijdens je ontwikkeling heb je steeds meer en andere mogelijkheden, je kunt almaar meer. Op basis van die mogelijkheden zal je omgeving – dat zijn de volwassenen zoals je ouders, leraren, opvoeders – andere dingen van jou verwachten. Aan elke levensfase zijn verwachtingen gekoppeld.

VA N

1 Lees de uitspraken.

a Zet in de tabel op de volgende pagina elke uitspraak of situatie bij het juiste verwachtingskenmerk.

a

Wanneer ben ik eigenlijk volwassen? Nog niet zo lang geleden organiseerde

b

Ik heb al veel geleerd over hoe

jongens zijn. Ik ken beslist het verschil tussen toffe, knappe

waren coming-outparty’s. Ouders

kerels en vervelende drerries.

‘toonden’ hun dochter of zoon aan

Gamessa, 15 jaar

r©

men voor jongeren die er klaar voor

de gemeenschap als volwassen,

huwbaar. Nu wordt dat enkel in de

aa

hoogste sociaaleconomische klassen gedaan. Voor ons, jongeren, kan dat

zorgen voor onduidelijkheid. Maar ook onze leeftijdgenoten en volwassenen

pl

in onze sociale omgeving weten niet altijd wat al mag of nog niet mag.

ke xe

m

Jason, 16 jaar

Ik vertrouw Sep. Als hij

In THEMA 1 HOOFDSTUK 1 18

d

Ik maak me zorgen om

e

Nu ik al zelfstandig

uitgaat, is hij op een

mijn zoon, Yaro. Met zijn

mijn taken in het

redelijk en afgesproken

voetbaltalent mag hij op

huishouden mag

uur thuis. Met alcohol

zijn vijftiende meespelen

plannen, heb ik een

gaat hij verstandig om

met de U19. Maar zal hij het

rooster opgemaakt

en roken blijft hij haten.

fysiek al aankunnen? Hijzelf

waarop ik kan afvinken

vader van Sep

voelt zich trouwens nog erg

wat ik wanneer doe,

jong naast al die volwassen

bijvoorbeeld het gras

spelers.

maaien.

moeder van Yaro

Mees, 14 jaar

kij

c


Kenmerk 1

Situatie

De verwachtingen worden op de een of andere manier aan jou duidelijk gemaakt. Opvoeding speelt daarbij een rol, maar ook wat je leeftijdgenoten (= de peergroep)

denken en wat je in de media ziet. 2

Als je slaagt in je ontwikkelingstaken krijg je van degenen die je beoordelen (de

belangrijke derden) nieuwe rechten en verantwoordelijkheden. Met de nieuwe rechten en verantwoordelijkheden die je kreeg, kun je nieuwe situaties verkennen om daarin sterker te worden. 4

Je ervaart het verkrijgen van de nieuwe rechten als een stap vooruit en bent

geneigd je gedrag aan te passen aan de nieuwe status.

Jijzelf en de sociale omgeving kijken niet zomaar naar je ontwikkeling. Er zijn altijd

VA N

5

IN

3

ver­wachtingen over wat je moet kunnen in elke fase van je leven. Je ontwikkeling stopt nooit.

b Bedenk voor elke situatie een eigen ervaring die bij die situatie aansluit. Vertel.

r©

VIP

De Amerikaan Robert James Havighurst (1900-1991) studeerde eerst natuurkunde en later psychologie. Hij had veel interesse voor de ontwikkeling van de mens en het proces van ouder worden (hij stierf trouwens aan de

aa

ziekte van Alzheimer). In 1967 werkte hij de ontwikkelingstaken uit. Volgens Havighurst wordt de levensloop van mensen, waar ze ook leven, gekenmerkt door het kunnen uitoefenen van opdrachten die in zekere zin specifiek zijn

pl

voor de opeenvolgende leeftijdsfasen.

m

2 Om te bewijzen dat je een bepaalde ontwikkelingstaak aankunt, moet je soms een proef afleggen. a Lees de onderstaande beschrijvingen van dergelijke proeven.

ke xe

b Herlees de vijf kenmerken uit oefening 1. c Kruis aan welke kenmerken van een ontwikkelingstaak herkenbaar zijn in deze situaties.

Je kunt meerdere vakjes aankruisen.

d Verantwoord telkens mondeling je beslissing.

2

Kenmerk

Als je slaagt in een overlevingstocht, mag je deelnemen aan het ‘grootwordenfeest’ van je gemeenschap. Dan krijg je

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

1

2

3

4

5

cadeautjes. In de middeleeuwen moesten zonen van adellijken verschillende fasen doorlopen om zich van schildknaap tot ridder te ontwikkelen.

3

Om te kunnen overgaan naar het vierde jaar, moet je examens afleggen.

4

Je mag enkel met de auto rijden op voorwaarde dat je je rijbewijs haalt.

5

Wanneer je in de jeugdbeweging van de ene naar de andere leeftijdsgroep overgaat, moet je proeven afleggen.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

1

Proef

19


Ontwikkelingstaken op weg naar volwassenheid

1.2

1 Ontwikkelingstaken

Ontwikkelingstaken zijn taken waarvan een bepaalde maatschappij en cultuur verwachten dat personen van de opeenvolgende leeftijdsperioden ze kunnen uitvoeren. Volgens Havighurst vragen alle culturen aan jongeren in de overgang naar volwassenheid als van het andere geslacht –, om keuzes te maken over een opleiding of hobby, om verantwoordelijkheid op te nemen voor het milieu, de samenleving enzovoort.

VA N

2 Ze noemen mij een adolescent

IN

om op een aanvaardbare manier met elkaar om te gaan – zowel met mensen van hetzelfde

Als men jou een adolescent noemt, dan is dat omdat men zo naar jou kijkt. De adolescentie slaat op alle domeinen van je ontwikkeling (zie kenniskader 1.4.): je lichamelijke

ontwikkeling, het loskomen van je ouders, je zoeken en kiezen uit keuzemogelijkheden, je morele ontwikkeling, je denkontwikkeling, de ontwikkeling van je emoties …

Het woord adolescentie komt van het Latijnse werkwoord adolescere, dat je kunt vertalen als

aa

Good to know

r©

opgroeien, volwassen worden.

Sommigen noemen mij een tiener

Als men jou een tiener noemt, dan is dat omdat je in de

pl

leeftijdscategorie van 10 tot en met 19 jaar zit. Eigenlijk komt het woord van het Engels, waarin men spreekt over teenager. Daarmee

m

bedoelt men dan jongeren tussen thirteen en nineteen.

ke xe

3 Wat verwacht men van jou in de adolescentieperiode? Allereerst moet je weten in welke fase van je

adolescentie-ontwikkeling jij je bevindt. a Lees de onderstaande voorbeeldsituaties.

SITUATIE A

kij

Kamiel vindt het vervelend dat de leraar hem tijdens het zelfstandig werk komt uitleggen hoe je een

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

samenvatting maakt. Enerzijds is hij opgelucht dat hij

20

hulp krijgt, anderzijds ‘wist hij wel hoe hij het moest doen, hoor, op zijn manier’.


SITUATIE B Sophie engageert zich in de jeugdbeweging en maakt het maandblad van de groep. Maar er staan vaak typfouten in de definitieve versies. Ze laat zich niet van haar stuk brengen en probeert het de volgende keer

SITUATIE C

VA N

IN

beter te doen.

Lowie hangt op vrijdag na school met zijn vrienden rond in het park. Hij voelt zich daar stoer en volwassen. Als ze

onder vrienden zijn, klagen ze over hun zeurende ouders

r©

die veel te veel van hen vragen.

aa

b Ontdek in het theoriekader de kenmerken van elke fase in de adolescentie.

De fasen van de adolescentie

1.3

pl

De adolescentie kan worden opgedeeld in drie fasen. 1 De vroeg-adolescentie (12 tot 14 jaar)

m

Je weet niet altijd of je nu moet handelen als kind of als volwassene. Je wilt de privileges van de volwassenheid, maar je ziet de verantwoordelijkheden erbij niet zitten. Die worden je

ke xe

opgelegd door de volwassenen en dat is toch moeilijk om te aanvaarden. 2 De midden-adolescentie (14 tot 17 jaar)

Als midden-adolescent zie je het verband tussen de privileges en de bijbehorende verantwoordelijkheden. Je wilt die verantwoordelijkheden wel opnemen, maar je bent bang om te falen. Volwassen worden betekent ook: kans lopen om te falen, niet te slagen. 3 De laat-adolescentie (17 tot 20 jaar)

bang om niet te slagen. Maar je beseft dat je zo een stapje dichter komt bij de volwassenheid.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

Als laat-adolescent neem je steeds meer verantwoordelijkheden op, ook al ben je nog wat

21


c Plaats de voorbeeldsituaties bij de juiste ontwikkelingsfase van de adolescentie.

Markeer in de teksten (p. 20-21) de informatie die je kunt gebruiken in je antwoord. Fase van de adolescentie

Situatie

Vroeg-adolescentie (12 tot 14 jaar)

2

Midden-adolescentie (14 tot 17 jaar)

3

Laat-adolescentie (17 tot 20 jaar)

VA N

Drie dominante taken en vier domeinen in de ontwikkeling van de adolescent

IN

1

1 Dominante ontwikkelingstaken in de ontwikkeling van adolescent tot volwassene

In het algemeen herkende Havighurst drie dominante ontwikkelingstaken, dat zijn taken in de ontwikkeling van adolescent tot volwassene. Ze zijn duidelijk herkenbaar in de fase

r©

van de adolescentie, maar blijven niet tot die fase beperkt. Je ontwikkeling is een voortdurend proces.

1→ Vroeg-adolescentie (10 – 14 jaar)

Lichamelijke ontwikkeling, psychoseksuele ontwikkeling en begin van losmaking

aa

van de ouders. Jongeren willen vooral bij de groep horen. 2→ Midden-adolescentie (14 – 17 jaar)

Experimenteren met verschillende keuzemogelijkheden. De periode staat in het

pl

teken van exploratie en zelfontplooiing. 3→ Laat-adolescentie (17 – 20 jaar)

Verplichtingen aangaan in functie van de maatschappelijke positie en je

m

persoonlijke relaties. De identiteit is behoorlijk ontwikkeld. Sommigen zijn soms

ke xe

onverwacht volwassen, maar sommigen ook soms onverwacht onvolwassen. 2 Vier ontwikkelingsdomeinen

De ontwikkelingstaken situeren zich in wat men in de ontwikkelingspsychologie ontwikkelingsdomeinen noemt. Het zijn deelgebieden van iemands ontwikkeling die gestimuleerd of afgeremd kunnen worden.

kij

We kennen vier ontwikkelingsdomeinen.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

1→ De fysieke ontwikkeling:

22

—

de ontwikkeling van de fysieke opbouw en de rijping van het lichaam, waaronder de hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, de zintuigen;

—

de ontwikkeling van de behoefte aan eten, drinken en slaap;

—

de psychomotorische ontwikkeling: de coördinatie van de bewegingen, het evenwicht, de fijne en grove motoriek.

2→ De socio-emotionele ontwikkeling: —

de ontwikkeling van bv. de manier waarop mensen met elkaar omgaan;

—

de ontwikkeling van de manier waarop je mensen en situaties emotioneel ervaart, bv. blij, bedreigend …

1.4


3→ De cognitieve ontwikkeling: —

de ontwikkeling van de manier waarop het gedrag van de mens verandert omdat zijn verstandelijke mogelijkheden veranderen (je herkent hierin het Franse woord connaître = weten, kennen).

4→ De morele ontwikkeling: de ontwikkeling van een besef van goed en kwaad en van daarnaar te handelen.

IN

—

De morele ontwikkeling doorloopt een aantal fasen doorheen de persoonlijke ontwikkeling.

VA N

We verkennen die ontwikkeling in het leerwerkboek Agora voor het vierde jaar.

4 De adolescentie is een periode van veel veranderingen. Je ontwikkelt in verschillende domeinen. Bij elk

van die ontwikkelingsdomeinen horen typische veranderingen of gedragingen. a Lees de onderstaande voorbeelden van veranderingen of

r©

gedragingen. Plaats bij elk voorbeeld het overeenkomstige nummer uit de tabel. Je maakt drie groepjes van telkens vier voorbeelden. b Noteer in de tabel naast elke gedraging of groep over welk soort

ontwikkeling het gaat. Voorbeelden

aa

rebelleren

peergroep

pl

baard in de keel

m

een studiekeuze maken

de eerste zoen

de eerste sigaret

zweetgeur

spijbelen

In

kij

menstruatie

flirten

iets verzwijgen voor je ouders

Veranderingen/gedragingen

1

primaire en secundaire geslachtskenmerken

2

experimenteren met verschillende

3

keuzemogelijkheden

Ontwikkeling

ontwikkeling

ontwikkeling

ontwikkeling

maatschappelijke positie beginnen innemen en aangaan van persoonlijke relaties, psychoseksuele ontwikkeling

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

ke xe

gezin

23


STAP 3

Hoe ga je om met de verwachtingen over je lichamelijke ontwikkeling en je fysieke rijping?

IN

Tijdens je adolescentie onderga je heel wat veranderingen op lichamelijk vlak. Hoe ga je daar als adolescent mee om?

VA N

Begin van de adolescentie: de groeispurt

‘Wat ben je groot geworden!’ Misschien hoor je dat wel vaker. Fijn om te horen, maar je moet het wel doen, ‘groot worden’. Wat gebeurt er met en in je lichaam?

1 Bekijk het filmpje over de lichamelijke veranderingen die je doormaakt in het begin van de adolescentie.

r©

a Markeer naast de tekening de veranderingen waarvan sprake is in het filmpje.

baardgroei

pl

ke xe

m

lichaamsbeharing

aa

stemverlaging door verandering strottenhoofd

schaamhaar

kij

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

24

borsten

schaamhaar brede heupen

meer vetafzetting


b Ontdek in het theoriekader hieronder alles over primaire en secundaire geslachtskenmerken.

1→ Vul de tekening aan met de kenmerken die in het theoriekader aan bod komen en die niet in het filmpje besproken werden. Noteer ook bij elk kenmerk of het een primair (1) of een secundair (2) geslachtskenmerk is. geslachtskenmerk.

1 Geslachtskenmerken

We maken een onderscheid tussen primaire en secundaire geslachtskenmerken. 1→ Primaire geslachtskenmerken Dit zijn lichaamskenmerken die al van bij de geboorte aanwezig zijn. Ze zijn typisch voor

1.5

VA N

Primaire en secundaire geslachtskenmerken bij pubers

IN

2→ Verwoord kort mondeling wat het verschil is tussen een primair en een secundair

baarmoeder en de eierstokken.

r©

je geslacht. Bij meisjes zijn dat de vagina, de

Bij jongens zijn het de teelballen, de penis en de balzak.

aa

2→ Secundaire geslachtskenmerken

Dit zijn lichaamskenmerken die verwijzen naar je geslachtsrijpheid. Het lichaam is dan klaar om zich voort te planten. Dat komt omdat er hormonen actief zijn.

pl

Bij meisjes zijn dat de oestrogenen (vrouwelijke geslachtshormonen); bij jongens gaat het om testosteron (mannelijke geslachtshormonen).

m

2 Puberteit: ze noemen mij puber

Door zichtbare veranderingen aan je lichaam als gevolg van de veranderende hormoonwerking kunnen jij en je omgeving zien dat je het kind-zijn verlaat. Je komt in

ke xe

de puberteit, dat is de naam voor de periode waarin je lichaam sterke veranderingen vertoont. Je wordt een puber. Het woord is afgeleid van het Latijnse woord pubes. Dat betekent schaamhaar (van het Latijnse werkwoord pubescere = bedekt zijn met haar). Je zit in een groeispurt. Na die spurt wordt het even rustig, maar de jongens groeien

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

gemiddeld nog door tot ze 18,5 jaar zijn en de meisjes tot ze 17 jaar zijn.

25


2 Analyseer de grafiek en beantwoord de vragen.

Lengtetoename 24

IN

meisjes jongens

22 20

16

VA N

groei in lengte (in cm per jaar)

18

14 12 10 8 6

2 6

10

leeftijd (in jaren)

14

18

aa

2

r©

4

a Lees de titel, de x-as en de y-as.

pl

x-as = y-as =

m

b Leid uit de grafiek af wat de gemiddelde leeftijd is waarop de groeispurt plaatsvindt bij jongens en bij

meisjes.

ke xe

Jongens:      jaar  Meisjes:      jaar

VIP

Of je een jongen of een meisje bent, is bij de geboorte meestal meteen te

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

onderscheiden. Een aantal mensen voelen zich niet goed in de rol die hoort bij

26

hun biologisch geslacht. Dat illustreert het levensverhaal van Petra De Sutter (°1963), die als jongen geboren werd. Ze kwam op haar vijftigste in de politiek en werd verkozen als volksvertegenwoordiger voor Groen. In 2014 was Petra de eerste transpersoon op een Europese lijst, in 2019 was ze het eerste verkozen trans Europees Parlementslid. In 2020 werd zij federaal minister. Tot aan haar aanstelling als minister werkte ze als professor gynaecologie (specialisatie fertiliteit) aan het UZ Gent.


Die groeispurt, het doet iets met een mens En jij? Heb jij last van de groeispurt?

a Kruis aan welke gedragingen veranderd zijn tijdens en na je groeispurt. b Omcirkel op een schaal van 10 hoeveel last jij ervaart (in blauw).

IN

3 Hoe zit het met jou?

c Omcirkel op een schaal van 10 hoeveel last je omgeving (ouders, broers, zussen) er volgens jou van

VA N

heeft (in een andere kleur). Je ervaart wisselende emoties.

Van het ene moment op het andere slaat je gevoel om van blij naar droef, of omgekeerd.

WEINIG LAST

GEMIDDELD LAST

VEEL LAST

aa

GEEN LAST

r©

Het emotionele gebied van de hersenen is bij pubers overactief.

Je neemt ondoordachte beslissingen.

Het emotionele gebied van het puberbrein is vlugger en meer ontwikkeld, het is ook gevoeliger voor

ke xe

m

pl

hormonale veranderingen. Pas later rijpt het rationele gebied van de hersenen.

GEEN LAST

WEINIG LAST

GEMIDDELD LAST

VEEL LAST

Je schat risico's verkeerd in. Je geeft bijvoorbeeld je privégegevens via het internet aan onbekenden die je iets heerlijks De hersenen zijn nog niet uitgerust om lang vooruit te denken en de consequenties van het handelen in te

GEEN LAST

WEINIG LAST

GEMIDDELD LAST

VEEL LAST

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

schatten.

In

kij

beloven.

27


Je blijft lang in bed liggen. Vooral jongens hebben meer slaap nodig. Adolescenten hebben de neiging later te gaan slapen en langer te blijven liggen.

IN

Dit gedrag zou te maken hebben met de onrijpheid van de hersenen en normaliseert op ongeveer 20 jaar.

WEINIG LAST

GEMIDDELD LAST

VEEL LAST

VA N

GEEN LAST

Als je voor een keuze staat, kies je voor wat op korte termijn winst oplevert en wacht je niet tot later.

Het puberbrein kan nog niet helemaal de gevolgen op lange termijn onder ogen zien.

WEINIG LAST

GEMIDDELD LAST

VEEL LAST

pl

GEEN LAST

aa

r©

Het is extra gevoelig voor de mogelijkheid dat er een beloning aankomt.

m

De puberteit, het doet iets met een mens

ke xe

Na de groeispurt is ze daar eindelijk: de puberteit. Ook het puberbrein maakt een groeispurt door. Je hersenen worden groter, maar er verandert ook nogal wat in de structuur van je hersenen. En dat heeft gevolgen voor je gedrag, voor de ene puber al meer dan voor de andere! Weet wel dat je hersenen pas volgroeid zijn als je ongeveer 22 of 23 jaar bent. Nog een heel eind te gaan dus.

4 Lees de onderstaande lijst van opmerkelijke gedragingen van adolescenten die wetenschappers typerend

kij

vinden voor de puberteit. Geef aan waarin jij je ook herkende, of herkent. Hoe wil jij ermee omgaan? a Geef een persoonlijk cijfer van 1 tot 5.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

b Bereken het gemiddelde van de klas.

28

c Geef een voorbeeld en geef aan hoe jij ermee om wilt gaan.

1→ Je hebt last met plannen maken. Cijfer van 1 t.e.m. 5:

Klasgemiddelde:

Voorbeeld + hoe wil jij hiermee omgaan?


2→ Je kunt niet multitasken. Cijfer van 1 t.e.m. 5:

Klasgemiddelde:

Voorbeeld + hoe wil jij hiermee omgaan?

3→ Je vindt het lastig om plannen aan te passen als er nieuwe informatie is. Klasgemiddelde:

Voorbeeld + hoe wil jij hiermee omgaan?

VA N

Cijfer van 1 t.e.m. 5:

IN

argument. Cijfer van 1 t.e.m. 5:

r©

4→ Als je een keuze moet maken, is het verlangen naar de kick belangrijker dan een rationeel Klasgemiddelde:

aa

Voorbeeld + hoe wil jij hiermee omgaan?

pl

5→ Je bent bang om een keuze te maken en stelt ze dan maar uit.

m

Cijfer van 1 t.e.m. 5:

Klasgemiddelde:

Voorbeeld + hoe wil jij hiermee omgaan?

ke xe

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

29


Gedragsverandering in de adolescentie als gevolg van puberale ontwikkeling Matrix van de ontwikkelingsdomeinen

1.6

1 Het puberbrein

Het puberbrein begint te veranderen rond het tiende levensjaar. Als gevolg van de plotse

IN

rijping en ontwikkeling van de hersenen geraken de meeste pubers wat uit hun evenwicht. De hersenen gaan zich specialiseren. Dat gebeurt in een verschillend tempo. De delen van de hersenen die verschillende functies van je ontwikkeling regelen, ontwikkelen op een

VA N

ongelijke manier.

Het gebied dat de emoties regelt (het limbisch systeem met daarin de amygdalae) ontwikkelt

het eerst en erg hevig. De gebieden die verantwoordelijk zijn voor de beheersing van je gedrag en voor de activiteiten die door verstand en ratio bepaald worden, ontwikkelen pas later (de frontaalkwab). Pas rond de leeftijd van 23 jaar lijkt je brein evenwichtig ontwikkeld. 2 Gedragskenmerken als uiting van het ongelijkmatig ontwikkelde puberbrein:

—

risico’s nemen

—

ondoordacht gedrag stellen

—

uitstellen van taken

—

niet plannen

—

ongemotiveerd lijken

achterhoofdskwab

—

moeite met inschatten

hersenbalk

schedel

3 vliezen + hersenvocht fornix, onderdeel van de hippocampus gebied van Broca frontaalkwab

ke xe

m

derde ventrikel

onvoorspelbaar gedrag

pl

gyrus cinguli

taakgerichtheid

—

aa

pariëtaalkwab

moeite met concentratie en

r©

—

hypothalamus

pijnappelklier

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

kleine hersenen

30

ruggenmerg

hypofyse thalamus

is verantwoordelijk voor: • mentale functies • impulscontrole • beoordelingsvermogen • probleemoplossing • planning • sociaal gedrag • taal • geheugen

pons middenhersenen verlengde merg

hersenstam

3 De ontwikkelingsmatrix

Ontwikkelingsdomeinen zijn geen losstaande gebieden in de mens. De ontwikkeling in het ene domein heeft invloed op de andere gebieden. Dat is in elke levensfase het geval. Zo is de lichamelijke ontwikkeling van invloed op de cognitieve ontwikkeling en op de emoties. Op p. 36 leggen we de verbanden tussen die domeinen.

Bron: docplayer.nl en centrumvoorjeugdengezin.nl


Good to know Adolescentie begint bij de biologie en eindigt in de cultuur Er is een merkwaardige evolutie zichtbaar. Uit cijfers blijkt dat

De gemiddelde leeftijd waarop de menarche begint

de biologische volwassenheid

door de jaren heen

hun eerste menstruatie (de menarche) vroeger dan pakweg

18

IN

aanvangt. Zo krijgen meisjes

17 16

honderd jaar geleden. Dat heeft onder meer te maken met de

Denemarken Portugal Noorwegen VS Duitsland Finland Spanje Griekenland Nederland België Polen

15

verbeterde leefomstandigheden

14

en betere voeding. Jongeren zijn daarentegen steeds

13

langer economisch afhankelijk van hun ouders. Ze gaan langer

12 1830

studeren, wachten met trouwen

1870

1890

1910

1930

1950

1970

jaar

r©

of kinderen krijgen. Niet alle

1850

VA N

leeftijd

op een steeds jongere leeftijd

studierichtingen leiden even makkelijk tot een job, waardoor sommigen langer in de jeugdwerkloosheid blijven en pas later het ouderlijke huis verlaten.

aa

Naar: nl.diphealth.com

5 Lees de tekst en bekijk de tabel. Kruis in de tabel op basis van de informatie aan of de stellingen juist

pl

of fout zijn.

m

LAST VAN HORMONEN

Ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken

9

10

11

12

13

14

15

16

leeftijd in jaren (meisjes) 17

18

groei van balzak en zaadballen

In

kij

sterke groeispurt penis wordt langer groei van schaamhaar groei van okselhaar baard in de keel haargroei op het gezicht

19

9

10

11

12

13

14

15

16

17

18

19

beginnende borstgroei groei van schaamhaar sterke groeispurt verandering van lichaamsvorm groei van okselhaar eerste menstruatie (menarche) volwassen borstgrootte

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

ke xe

leeftijd in jaren (jongens)

31


Je hebt vast al gemerkt dat het moment waarop jij en je vrienden lichamelijk veranderen (de ene vriend(in) al vroeger dan de andere) verschilt. Ook de intensiteit en zichtbaarheid van de lichamelijke veranderingen zijn verschillend. Dat komt door de hormonen in je lichaam. Ze maken het een puber niet altijd gemakkelijk! Sommigen hebben last van schaamte, anderen van agressie of stoerdoenerij. De ene trekt zich terug, terwijl de andere de verandering aan iedereen demonstreert door bijvoorbeeld opvallende of uitdagende kleding te dragen.

IN

Veel heeft te maken met de individuele verschillen tussen zowel jongens als meisjes in de

Stelling

Juist

Fout

VA N

leeftijd waarop de kenmerken optreden.

1

Bij meisjes groeit eerst het schaamhaar en nadien het okselhaar.

2

Bij jongens groeien eerst de baard en de snor en nadien het okselhaar.

3

De leeftijd waarop jongens schaamhaar krijgen komt overeen met de

r©

leeftijd waarop meisjes hun eerste menstruatie krijgen.

6 Lees de verhalen van Ismail, Jasmin en Elien. Beantwoord de vragen onder de teksten. Markeer in de

tekst de informatie die je kunt gebruiken in je antwoord.

aa

HET VERHAAL VAN ISMAIL

‘Ik ben 15 jaar. Een jaar geleden ben ik plots heel hard gegroeid. Ik voelde me echt ongemakkelijk in dat lichaam …

pl

een lange slungel was ik. Nu, een jaar later, ben ik het nieuwe lichaam wel gewoon. Maar mijn gedachten kan ik niet altijd volgen en mijn gevoelens al helemaal niet. Soms voel ik me

m

nog een kind als ik leeftijdgenoten zie en hen hoor praten over hun spieren, hun haar op de borst. Als ik me met hen vergelijk, merk ik dat ik die dingen nog niet heb. Ik zoek soms

ke xe

online op of ik niet achterop loop in mijn ontwikkeling. Soms vraag ik me af of mijn klasgenoten niet over mij aan het praten zijn omdat ik nog

niet zover sta in mijn ontwikkeling. Vooral Mo kan nogal opschepperig uit de hoek komen over zijn succes bij flirtende meisjes die al 17 zijn. En hij mag altijd meespelen op het sportterrein,

kij

terwijl ik als laatste word gekozen.’

a Wat valt je op over de gevoelens van Ismail?

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

32

b Hoe reageert Ismail op zijn vrienden?


c Zijn er elementen uit het verhaal van Ismail die je herkent bij jezelf?

IN

HET VERHAAL VAN JASMIN ‘Als ik met mijn vriendinnen voor de spiegel sta – dat die blijkbaar breder aan het worden zijn. Ma zegt dat dat te wijten is aan het hormoon oestrogeen, dat meisjes van 14 jaar zoals ik zowel in de lengte als in de breedte doet groeien. Maar bij mij is het al bezig van mijn tiende.

VA N

gebeurt wel vaker – word ik nogal verlegen van mijn heupen

Bij vriendinnen begon het pas een stuk later. Het valt me wel op dat ik nu veeleer oudere vriendinnen zoek dan vorig jaar.

r©

En dat oudere jongens me wel zien zitten. Ze schatten me al 15.

De klasfoto van vorig jaar vind ik verschrikkelijk! Hoe ik erbovenuit stak! Ik was zelfs groter dan de jongens van mijn klas, maar hun ontwikkeling gebeurt later, zegt ma. Ik wou dat ik dan ook veel slimmer was dan zij, maar dat verschil is er blijkbaar niet als ik onze

aa

rapporten vergelijk.

m

pl

a Wat valt je op over de gevoelens van Jasmin?

ke xe

b Hoe reageert Jasmin op haar vrienden?

c Zijn er elementen uit het verhaal van Jasmin die je herkent bij jezelf?

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

33


HET VERHAAL VAN ELIEN ‘Ik ben 15 jaar, 1,72 m groot en ik weeg 72 kilo. Ik ben niet dik, eerder stevig en ik volg het bloedgroepdieet. M’n moeder helpt me daarbij heel goed. Vroeger volgde ik op eigen die ‘wonderdiëten’ met wekenlange vreetbuien. Ik probeerde op een gewicht van ongeveer 64 kilo te komen, maar als ik straks (over een halfjaar, hoor) een kilo of te blijven. Ik weet wel dat ‘sommige mensen nu eenmaal

VA N

68 weeg en me daar goed bij voel, probeer ik op dat gewicht

IN

houtje zelf samengestelde crashdiëten. Elke keer eindigden

stevig zijn’, maar ik kan er geen vrede mee hebben. Hoe zou dat wel kunnen als je voortdurend slanke dennetjes om je heen ziet? In jeugdbladen lees ik geregeld dat het allemaal niks

uitmaakt hoe zwaar je bent, dat je trots op jezelf moet zijn, dat de meeste jongens er heus

geen probleem mee hebben om een stevige vriendin te hebben, enzovoort. Maar sla ik de bladzijde om, dan zie ik een Levi’s reclame met een prachtig meisje zonder ook maar een

r©

grammetje vet.’

a Wat valt je op over de gevoelens van Elien?

aa

pl

b Hoe reageert Elien op haar vrienden?

ke xe

m

c Zijn er elementen uit het verhaal van Elien die je herkent bij jezelf?

De invloed van de veranderende hormonale werking 1 Hormonale veranderingen

Het woord ‘hormoon’ komt van het Griekse woord hormaino, dat betekent ‘in beweging

kij

brengen’ of ‘prikkelen’. Hormonen worden gewoonlijk geproduceerd door klieren met een inwendige afscheiding, ook wel endocriene klieren genoemd. Ze scheiden hun hormonale

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

producten af in het bloed en niet, zoals klieren met een uitwendige afscheiding (exocriene

34

klieren), naar de buitenwereld (zoals bij zweetklieren, speekselklieren en traanklieren het geval is). 2 Seksuele veranderingen

De hormonale veranderingen leiden tot seksuele volwassenwording en er verschijnen ook secundaire geslachtskenmerken (borstontwikkeling, beharing, groei van de testikels).

1.7


3 Body image

De lichamelijke ontwikkeling beïnvloedt je zelfbeeld, hoe jij je voelt in dat veranderende lichaam. Elke adolescent is tijdens de ontwikkelingsfase van 12 tot 18 jaar sterk bezig met het beeld dat hij van

IN

zijn lichaam heeft, zijn body image. Daarbij laat de adolescent zich leiden door drie factoren:

de lengte, het gewicht, de vorm van de ontwikkelende organen

2→ individuele doelen

wat de adolescent zelf wil bereiken, hoe hij er wil uitzien (sportief, trendy, slordig, modebewust, non-conformistisch …)

3→ cultureel bepaalde (schoonheids)idealen

Adolescenten vergelijken zichzelf vaak met de ontwikkeling van anderen. Ze zijn

r©

VA N

1→ lichaamsmaten

7 Voel jij de druk van reclame?

aa

gevoelig voor zowel vroege rijping als voor late rijping.

In onze huidige maatschappij spelen de mode en de daarbij horende handel in producten en kleding een grote rol. De reclame en modellen op tv en sociale media tonen ons dagelijks hoe we gekleed moeten gaan

pl

om oké bevonden te worden, hoe ons lichaam er zou moeten uitzien. a Zoek in een tijdschrift of op sociale media reclameboodschappen die met lichaamsverzorging en met

m

mode te maken hebben en die specifiek gericht zijn op jouw leeftijdscategorie. Ze zijn bedoeld om je te beïnvloeden. En om je te laten kopen …

ke xe

b Toon aan dat de reclame voor jouw leeftijdscategorie bedoeld is.

Good to know

Wat er met je hersenen gebeurt als je reclame ziet, of iets fijns hoort Wanneer je iets leuks meemaakt, bijvoorbeeld wanneer je nieuwe kleding krijgt of iets lekkers eet, dan komt en geeft je een fijn gevoel van genot en blijdschap. Bovendien wil je die ervaring nog wel enkele keren meemaken, de een al gulziger dan de ander. —

Zo krijg je door te luisteren naar muziek 9 procent meer dopamine in je hersenen.

—

Als in reclameboodschappen een bepaald product wordt aangeprezen door een beroemdheid, dan heb je meer zin om het product te kopen dan wanneer het door een onbekende knappe man of vrouw wordt aanbevolen. In de reclamepsychologie noemen ze dat celebrity endorsement.

—

Een vleugje humor zal veel effect hebben op je hersenwerking. Zowel de linker- als de rechterhersenhelft zullen actief worden om alle informatie uit het verhaal op te nemen.

Naar: Tiemeijer, W.L., Hoe mensen keuzes maken. De psychologie van het beslissen, Amsterdam University Press, 2010.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

er een stofje in je hersenen vrij: dopamine. Het vergemakkelijkt het vervoer van de prikkels in je hersenen

35


STAP 4

Hoe ga je om met de verwachtingen over je denkmogelijkheden, je cognitieve evolutie?

IN

Het is boeiend om adolescenten te horen praten. Over hoe ze zoeken naar wat juist is, wat ze oké vinden of helemaal not done.

In Stap 3 ontdekte je dat door de lichamelijke verandering in het brein en door de hormonale opstoten, het gedrag

niet altijd gestuurd wordt door de verstandelijke mogelijkheden. Die ontwikkelen wat later. Zelfs dan is het zoeken naar

VA N

hoe je het best omgaat met de grote mogelijkheden van het brein, maar ook met de nog onbekende beperkingen ervan. 1 Bekijk de drie kenmerken van lichamelijke ontwikkeling. Ze zijn verbonden met de andere

ontwikkelingsdomeinen van de adolescentie in een oorzaak-gevolgrelatie: de ontwikkeling van het ene kan leiden tot een ontwikkeling in het andere.

Kruis aan met welk ontwikkelingsdomein het gegeven kenmerk een verband vertoont. Kenmerk lichamelijke ontwikkeling hormonale werking

r©

1

cognitieve ontwikkeling

socio-emotionele ontwikkeling

cognitieve ontwikkeling

socio-emotionele ontwikkeling

cognitieve ontwikkeling

socio-emotionele ontwikkeling

pl

lichamelijke veranderingen

aa

2 puberbrein 3

Andere ontwikkelingsdomeinen

m

Experimenteren als leerproces

In je drang om zelfstandig te zijn, ervaar je als adolescent met vallen en opstaan dat je heel wat moet leren. Als je aantoont

ke xe

dat je alles geleerd krijgt, kun je die zelfstandigheid het best krijgen van je omgeving: ouders, leraren, familie en vrienden.

Experimenteren als leerproces Experimenteren is een leerproces waarbij de adolescent tijdelijk aan bepaalde activiteiten deelneemt of zich volgens bepaalde regels gedraagt. Hij doet dat volgens de verwachtingen

kij

van de omgeving, de maatschappij waarvan hij of zij deel uitmaakt. Om dit alles te kunnen leren, moet hij daarvoor wel de ruimte krijgen, de kansen. De sociale

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

omgeving speelt een grote rol in die leerprocessen. De adolescent verwacht van zijn omgeving

36

activeringskansen om te experimenteren, maar ook bevestiging van wat hij al wel en niet kan. Ondanks alle activering en bevestiging verloopt niet alles vlekkeloos in de adolescententijd. Je kunt als adolescent niet in alle nieuwe situaties altijd aan de nieuwe eisen voldoen. In zulke gevallen kun je je mateloos schamen, je hulpeloos voelen en soms om hulp vragen. Vreemd is dat je die hulp dan als een bedreiging kunt ervaren. Als je geen hulp krijgt, kun je dan weer behoorlijk angstig zijn om te falen.

1.8


2 Bekijk de grafiek over online risico-ervaringen. Beantwoord de vragen onder de figuur.

ONLINE RISICO-ERVARINGEN

meisjes 13 tot 15 jaar

iets gebeurd dat je op de een of andere manier heeft gestoord of overstuur

36,2 %

heeft gemaakt (het maakte je

42,1 %

bijvoorbeeld van streek, oncomfortabel of bang, of gaf je het gevoel dat je het

38,8 %

lage SES

42,9 %

gemiddelde SES

42,4 %

hoge SES

‘Is er in het afgelopen jaar ooit online

45,8 %

16 tot 17 jaar 18+ jaar

vraag:

32,1 %

IN

jongens

De grafiek toont het antwoord op deze

38,0 %

VA N

Totaal

beter niet had gezien)?’

39,9 %

r©

0 %  10 %  20 %  30 %  40 %  50 %

Bron: Online risico’s en weerbaarheid, EU Kids Online 2020: Resultaten uit Vlaanderen, Joyce Vissenberg & Leen d’Haenens

aa

a Welk verschil toont de grafiek in het risicogedrag op

het internet tussen jongens en meisjes?

m

pl

b Is er in de adolescentie een positieve evolutie, d.w.z.

nemen adolescenten minder risico bij het begin van

ke xe

de adolescentie dan op het einde?

d Welke conclusies kun je trekken in verband met het antwoord op de breinbreker? Moet de

volwassenheid wachten tot 24 jaar of veeleer verjongen naar 16 jaar?

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

c Beschrijf het verschil in risicogedrag bij een lage en een hoge sociaaleconomische status (SES).

37


3 Activering en bevestiging a Lees de uitleg bij activering en bevestiging. b Lees vervolgens het verhaal van Chang.

In welke fase van de adolescentie zit hij? c Kun je de theorie in verband brengen met eigen

IN

ervaringen? Herken je in de opgegeven situaties wat je zelf al hebt ervaren? Noteer een aantal

Activering

VA N

trefwoorden die je eigen ervaringen typeren.

Bevestiging

Het is voor je persoonlijkheidsontwikkeling

Zelfstandig optreden moet worden ondersteund,

belangrijk dat je omgeving (ouders, leraren, leeftijdgenoten) je activeert tot zelfstandigheid.

positief gewaardeerd, de eigen opvattingen serieus genomen.

Niet dat Changs ouders alles echt goed vinden van wat

begon met een gitaarkamp tijdens de vakantie.

hij uit zijn gitaar weet te halen, maar het deed hem

Toevallig kreeg hij de brochure voor dat kamp toegestuurd. Nog wel aan hem persoonlijk gericht!

r©

Chang is blij met de gitaarlessen die hij volgt. Alles

Of zouden zijn ouders de brochure voor hem hebben aangevraagd?

veel plezier dat ze naar zijn examen kwamen luisteren op de muziekacademie. Ze hadden bovendien oma mee binnengesmokkeld. Ze vond Chang de beste van allemaal.

aa

In welke fase van de adolescentie zit Chang? Waarom? Leid dat af uit kenniskader 1.3 van p. 21.

m

pl

Heb je deze bevestiging ook al ervaren?

ke xe

Heb je deze activering ook al ervaren?

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

38


4 Bedreiging en angst a Lees de uitleg over het ervaren van een bedreiging

bij geboden hulp en de angst die je soms hebt als je er echt alleen voor staat in een probleemsituatie. b Lees vervolgens het verhaal van de grottentocht. In

IN

welke fase van de adolescentie zit Indra? c Kun je de theorie in verband brengen met eigen

ervaringen? Noteer een aantal trefwoorden die je

Bedreiging

VA N

eigen ervaringen typeren. Angst

Als je omgeving de gevraagde hulp biedt, kan

Als de omgeving geen hulp biedt, kan de angst bij de

dat je helpen om in de toekomst je problemen zelfstandig op te lossen. Maar die hulp kun je ook als een bedreiging aanvoelen. Je zelfrespect kan gekwetst zijn: ‘Oei, ik ben blijkbaar iemand die reageren sommigen met protest en soms zelfs

verwijten reageren: ‘Ik moet hier ook alles altijd alleen doen!’ of ‘Mijn ouders hebben helemaal geen interesse voor mij.’

r©

het niet alleen aankan, ik heb hulp nodig.’ Daarop

adolescent toenemen. Sommigen kunnen dan met

met agressie tegen wie hulp biedt: ‘Bemoei je met je eigen zaken.’ of ‘Ik zoek het zelf wel uit.’

De groep was duidelijk de stafkaart verkeerd aan het

aa

Stom eigenlijk dat de sfeer zo ver zoek was na de

interpreteren. De foute keuzes stapelden zich op. Vooral

maar blijkbaar kon Indra het niet verkroppen dat de

toen het tegen valavond liep en de groepsleden totaal geen

begeleider van de groep op een bepaald moment het

zicht meer hadden op de situatie, begonnen de verwijten

commando van haar overnam. Vanaf dat moment kon

naar de begeleider zich op te stapelen: ‘Waarom zegt hij

ze het niet laten stekelige opmerkingen te maken over

dan niet dat we al drie uur in een rondje aan het stappen

de organisatie en probeerde ze de klasgenoten aan

zijn in het bos?’ ‘Goede begeleider hebben wij! Zo kan ik het

haar kant te krijgen. Achteraf was op de video goed

ook: alles aan de groep overlaten.’

m

pl

grottentocht. De tocht verliep aanvankelijk prima,

te zien dat de tussenkomst van de specialist echt wel nodig was voor de veiligheid. Hoewel Indra daarna de

ke xe

troep feilloos door de grot loodste, stond haar gezicht op onweer.

In welke fase van de adolescentie zit Indra? Waarom? Leid dat af uit kenniskader 1.4 op p. 22.

Noteer kenmerken van deze fase die je haalt uit je eigen ervaringen.

Noteer kenmerken van deze fase die je haalt uit je eigen ervaringen.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

39


Anders gaan denken in de adolescentie: de toenemende creativiteit van de adolescent Tijdens de adolescentie is je brein in volle ontwikkeling. Tot sommige denkoefeningen is jouw brein beter in staat dan dat

IN

van een volwassene, maar je hebt nog heel wat te leren en … te experimenteren. 5 Bekijk het filmpje over een onderzoek naar de cognitieve ontwikkeling van adolescenten.

VA N

a Geef aan bij welke taak jongeren beter denken.

b Geef daarvoor de verklaringen volgens recent hersenonderzoek.

r©

aa

pl

Good to know

Hersenactiviteit adolescenten

m

De laatste decennia steunt psychologische kennis over menselijk gedrag steeds meer op resultaten van hersenonderzoek. Zo deed de Nederlandse onderzoekster Sietske Kleibeuker aan de Universiteit van Leiden in 2016 onderzoek naar het denken van adolescenten. Ze deed dat onder meer door bij testafnames

ke xe

van adolescenten de hersenactiviteit te meten en die te vergelijken met de manier waarop volwassenen concrete problemen aanpakten. Een van die probleempjes was de opdracht met de lucifers. Adolescenten scoorden beter dan volwassenen en Kleibeuker merkte het verschil ook in de activiteit in de prefrontale cortex. Lukt het jou? Prima adolescent!

kij

Maar… nog niet volwassen!

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

Naar: www.universiteitleiden.nl

40

Haal 8 lucifers weg Maak 2 vierkanten


Toenemende cognitieve mogelijkheden

1.9

De cognitieve ontwikkeling van adolescenten – de ontwikkeling van de denkmogelijkheden – heeft veel te maken met de biologische kant van het verhaal. Die ontwikkeling in het denken wordt voor een groot deel bepaald door de neurologische de cognitieve ontwikkeling is niet volledig lichamelijk te bepalen. Er spelen ook andere factoren. Volgend jaar ga je daar dieper op in. Bij de adolescent is de prefrontale cortex volop in ontwikkeling.

IN

veranderingen, veranderingen in de hersenverbindingen. Maar

VA N

Hij experimenteert met de nieuwe mogelijkheden, hij probeert

ze uit in discussies, vaak over abstracte kwesties als ‘Wat is rechtvaardig?’. Plannen, sociaal

wenselijk gedrag vertonen en impulsen beheersen, moeten worden geleerd. Daarom begaat de adolescent nog wel wat foutjes, vergissingen. En daarop reageert hij soms met agressie,

of angst om te falen. Om die reden is het belangrijk hoe de omgeving van ouders en leraren

Hoe ga je om met de verwachtingen over je socio-emotionele ontwikkeling?

aa

STAP 5

r©

daarmee omgaat.

Samenleven met adolescenten, thuis, in de klas, op de tram, bij de jeugdbeweging, is niet altijd een makkie voor sommige

m

pl

volwassenen. Om het voorzichtig te zeggen: er zijn soms wel wat spanningen tussen adolescenten en volwassenen.

ke xe

Geen clichés over ons, a.u.b.! Over adolescenten bestaan er heel wat clichés, die vaak niet erg genuanceerd zijn. Hoe juist is dat stereotiepe beeld? 1 Lees de clichés in de tabel. Zo praten sommige volwassenen over adolescenten: in stereotypen. Gebruik jij

andere uitspraken om je gedrag te benoemen? Kies de vraag die het best past bij het cliché en noteer het

PUBER

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

nummer in de tabel.

41


Clichés

Vraag

1 of zijn ze onafhankelijk?

Ze zijn labiel, zo lichtgeraakt …

2 of hebben ze een planningsprobleem?

Ze doen aan waaghalzerij …

3 of zijn ze veel te moe door slaapgebrek?

Ze gehoorzamen niet …

4 of ontwikkelen ze hun kritisch denken?

Ze zijn gefixeerd op hun uiterlijk …

Ze zoeken ruzie, ze zijn agressief …

Ze doen dingen stiekem, in het geheim …

Ze houden zich niet aan de afspraken …

Ze zijn brutaal en respectloos …

5 of hebben ze last van stemmingswisselingen?

IN

Ze zijn moe en lui …

VA N

6 of tasten ze hun (hoge) zelfwaardering af? 7 of kennen ze hun eigen grenzen niet omdat ze niet ver vooruit denken?

8 of willen ze een eigen wereld maken? 9 of willen ze graag net zo zijn als hun

r©

Naar: Technische Universiteit Eindhoven

leeftijdgenoten?

2 Volwassenen vinden pubers soms lastig in de omgang. Havighurst benoemt vijf ontwikkelingstaken (OT)

die adolescenten naar volwassenheid leiden.

Plaats de negen vragen uit oefening 1 bij de passende ontwikkelingstaak. Licht mondeling toe. Let op: niet

aa

elke vraag hoort bij een ontwikkelingstaak.

Ontwikkelingstaken (OT)

Vraag

OT 2 Toewerken naar doelstellingen van economische onafhankelijkheid

OT 3 Bereiken van gendergerelateerde sociale rollen

OT 4 Volwassen relaties aangaan met leeftijdgenoten van beide geslachten

OT 5 Aanpassing aan noties van zowel mannelijkheid als vrouwelijkheid

ke xe

m

pl

OT 1 Emotionele onafhankelijkheid van ouders tot stand brengen

Ontwikkelingstaak 1: Streven naar onafhankelijkheid

kij

De eerste ontwikkelingstaak komt in elke cultuur voor: het innemen van een andere rol tegenover de volwassenen. Het gaat

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

om een overgang van je kindertijd naar de volwassenheid.

42

Afhankelijkheid van de ouders/opvoeders

Zelfstandigheid Dragen van verantwoordelijkheid


1.10

Streven naar onafhankelijkheid en aanvaarden van volwassen rollen: emancipatie Adolescentie is een belangrijke fase in de groei van een individu. In die periode wordt de basis gelegd van je identiteit. Als gevolg van je ontwikkelende mogelijkheden kun je meer dingen zelfstandig aan, in verhouding tot je leeftijd. Dat is een emancipatieproces. Tijdens dat

IN

proces wil je minder betutteld worden, krijg je de mogelijkheid mondiger te zijn en voor jezelf op te komen. Emancipatie kun je omschrijven als: zelfstandigheid en verantwoordelijkheid nastreven bij het inrichten van het eigen leven.

VA N

Tijdens dit ontwikkelingsproces nemen beide partijen, ouders/opvoeders en adolescenten een andere rol aan. Ze gaan stilaan anders met elkaar om. Maar aan elke rol is een positie verbonden. Waar de jongere voordien in de positie zat van het afhankelijke kind, moet dezelfde ontwikkelende jongere die positie nu inruilen voor de positie van een meer

r©

zelfstandig beslissende jongere.

3 Bekijk de cijfergegevens over de leeftijd waarop adolescenten onafhankelijk gaan leven. Beantwoord de

vraag onder de figuur.

aa

Volwassenheid is het loskomen van de ouders; men gaat zelfstandig leven, op eigen verantwoordelijkheid.

pl

WOONSITUATIE NAARGELANG LEEFTIJD EN GESLACHT (IN PERCENTAGE) 100%

m

90% 80% 70%

ke xe

60%

mannen bij ouders vrouwen bij ouders mannen zelfstandig vrouwen zelfstandig

50% 40%

30%

20%

0

18

19

20

21

22

23

24

25

26

27

28

29

30

Bron: JOP-monitor 2 (2010)

Wat zegt de grafiek over de vraag in de breinbreker, over de leeftijd waarop de adolescentie moet eindigen?

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

10%

43


4 De overgang naar volwassenheid duurt een tijd. Het is een proces, geen welbepaald moment. Beschrijf

hoe jij zelf die afhankelijkheid van je ouders ervaart en hoe de rolverhouding tegenover de ouders/ opvoeders kan evolueren. Zelfstandigheid

Afhankelijkheid van ouders/opvoeders Wat kun je nu al zelfstandig doen?

r©

Welke verantwoordelijkheden dragen

Welke verantwoordelijkheden draag je nu al?

aa

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

m

ke xe

pl

44

VA N

Waarin is een volwassene zelfstandig?

IN

Dragen van verantwoordelijkheid

volwassenen?


5 Toch niet altijd simpel, hoor, dat emanciperen …

Herken je de dubbelzinnige houding in je gedrag? Hoewel adolescenten streven naar onafhankelijkheid van de ouders, is de rol van die ouders nog niet uitgespeeld. Dat merken psychologen in de dubbelzinnige houding die de

IN

adolescent aanneemt tegenover deze ontwikkelingstaak. a Lees welke vrijheden de adolescent vraagt en welke

afhankelijkheid hij nog vertoont.

Een adolescent vraagt vrijheden —

Wil het uur bepalen om te gaan slapen.

—

Wil uitgaan met de vrienden die hij verkiest. Wil eigen tv-programma’s bekijken.

—

Wil de kleding dragen die hij verkiest.

Een adolescent toont ook afhankelijkheid —

relaties en prestaties.

persoonlijke relaties.

Wat verlang jij nog dat je ouders/opvoeders voor je regelen?

aa

m

pl

Verwoordt de nood aan hulp in

—

Wat vraag jij zoal als ‘vrijheid’?

Verwoordt de nood aan hulp in schoolse

r©

—

VA N

b Noteer vervolgens je eigen ervaringen.

ke xe

Dubbelzinnigheid tegenover onafhankelijkheid verandert met de leeftijd

1.11

1 Onafhankelijkheid in de vroeg-adolescentie

De jongere weet niet altijd of hij moet handelen als kind of als volwassene. Een vroeg-adolescent wil de privileges van het kind-zijn, maar ook die van de volwassenheid. Anderzijds vindt hij de verantwoordelijkheden die gepaard gaan met die volwassen privileges best moeilijk … Ze

Om de hoek biedt Robbe, fier als een gieter, een sigaret aan zijn vrienden aan. Op je dertiende moet roken kunnen, vinden ze. Ondertussen praten ze over de belachelijke volwassenen voor wie ze allerlei taken moeten verrichten en die hen heel wat verbieden.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

worden opgelegd door de volwassene en dat is toch wel vernederend.

45


2 Onafhankelijkheid in de midden-adolescentie

De adolescent ziet wel het verband tussen privileges en de verantwoordelijkheden die erbij horen. Hij wil ze best opnemen, maar liever langzamerhand, vanwege het risico op falen. Volwassen worden betekent je blootstellen aan falen. Kamiel heeft het moeilijk met het feit dat de leraar hem tijdens het zelfstandig werk komt uitleggen

IN

hoe je precies een samenvatting maakt. Enerzijds is hij opgelucht dat zijn taak in orde zal zijn, maar

6 Tips aan volwassenen: Wat werkt? Wat werkt niet?

VA N

anderzijds ‘wist hij wel hoe het moest hoor, op zijn manier’. (zie ook p. 20, 21)

Gelukkig gaat het er meestal ça va (gezellig) aan toe in gezinnen met adolescenten. Soms lezen ouders stiekem online tips van pedagogen die hen willen helpen om goed met adolescenten om te gaan. De onderstaande tips vind je op het internet. a Geef je top 3 van tips aan ouders. Wat werkt bij jou?

r©

b Geef je flop 3 van tips. Wat werkt niet bij jou?

Tien tips voor ouders

Jouw top 3

Jouw flop 3

Tip 3: Vermijd dubbele boodschappen.

Tip 4: Durf emotioneel te zijn.

Tip 5: Maak gebruik van het oplossend vermogen van de adolescent.

Tip 6: Wijs de adolescent op wat je niet oké vindt.

Tip 7: Stel grenzen.

Tip 8: Geef vertrouwen.

Tip 9: Verwacht niet dat je kind alles vertelt.

Tip 10: Vergeet niet te lachen.

Tip 1: Toon oprechte belangstelling.

ke xe

m

pl

aa

Tip 2: Maak van een gesprek geen verhoor.

Naar: www.jmouders.nl

c Verklaar de keuze van je top 3.

kij

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

46

d Verklaar de keuze van je flop 3.


Ontwikkelingstaak 4: Volwassen relaties aangaan met leeftijdgenoten van beide geslachten De verschillende spanningen die ontstaan met ouders en andere volwassenen zorgen ervoor dat je als adolescent steeds

—

‘Thuis kom ik enkel verveling tegen.’

—

‘Bij mijn vrienden kan ik zijn wie ik ben.’

IN

meer tijd doorbrengt met leeftijdgenoten. Je voelt je bij hen vaak beter op je gemak dan thuis.

VA N

7 Met je leeftijdgenoten veel contacten hebben heeft een aantal voordelen. Wat zijn die voordelen? a Lees de onderstaande situaties.

SITUATIE B

Bij een creatieve opdracht tijdens de

Atiba stelde voor het geld op te halen

schooluitstap is Xander op zijn best.

voor een cadeautje voor Jasmine, die de

De anderen rekenen op hem om iets origineels uit te werken. ‘Hij moet serieus overwegen om zijn creatieve mogelijkheden verder te oefenen’, zeggen zijn goede vrienden.

r©

SITUATIE A

dicteewedstrijd van de krant won. Achteraf vond iedereen dat Atiba het knap had gedaan. Dat mag ze in het vervolg nog doen! Maar eigenlijk zit Atiba niet te wachten op

SITUATIE D

Julia mag best fier zijn. Op een rustige

De ouders van Hamid zijn niet langer

en eerlijke manier verwoordde ze wat ze

ongerust wanneer hij op vrijdagavond

van de spelverdeling van Caro vond. Caro

met de oudere jongens gaat voetballen. Ze

werd helemaal niet boos zoals de anderen

weten dat hij clean blijft, ook als de anderen

hadden voorspeld. Integendeel, ze vond

hem een sigaret of andere stuff aanbieden.

dat Julia gelijk had.

Dat heeft hij toch via de chat beloofd aan de

In

kij

SITUATIE C

andere jongens van zijn klas.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

ke xe

m

pl

aa

een volgende opdracht: te veel werk!

47


b Ontdek in het theoriekader de verschillende voordelen van omgaan met je vrienden.

Positieve aspecten van het rondhangen met je vrienden

1.12

1 Sociale vaardigheden

IN

In contacten met je leeftijdgenoten kun je bepaalde sociale vaardigheden verwerven. Het

gaat om vaardigheden die je helpen om op een positieve manier te discussiëren, om vragen te stellen, of om op een gepaste manier over jezelf te praten: —

assertieve vaardigheden, zoals een compliment kunnen geven en er een ontvangen, afwijzen (leren nee zeggen), voor jezelf opkomen;

VA N

vragen stellen om iets te verkrijgen van iemand, een verzoek van iemand kunnen —

vaardigheden in het omgaan met iemand van de andere sekse;

—

het herkennen van en omgaan met agressie en andere sterke emoties van jezelf of van anderen.

2 Experimenteren

In de omgang met je leeftijdgenoten kun je experimenteren met allerlei nieuwe rollen,

3 Normen- en waardenpatroon

r©

zonder dat daaraan nieuwe verplichtingen verbonden zijn.

Pratend met je leeftijdgenoten kun je informatie opdoen die je helpt jouw normen- en

4 De anderen als spiegel

aa

waardenpatroon op te bouwen (wat is goed en wat niet?) waarop jij je gedrag kunt afstemmen.

De groep van je leeftijdgenoten heeft ook de functie een spiegel te zijn voor je eigen gedrag.

pl

Uit de reacties van anderen kun je opmaken of je gedrag al dan niet oké is. Dat heeft op zijn beurt invloed op het versterken van je gevoel van zelfwaardering. Uiteraard wil je zoveel mogelijk positieve reacties horen van je vrienden. Maar als er geen positieve reactie komt,

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

ke xe

m

heb je nog liever een flink negatieve reactie dan helemaal geen reactie.

48

c Verbind de voorbeeldsituaties (p. 47) met de voordelen uit kenniskader 1.12.

1

2

3

4


Good to know Ben je een vroege of late puber? Je kent ze beslist: de populaire meisjes en jongens van je leeftijd. Uit onderzoek van psychologen blijkt dat populair zijn of niet, heel vaak te maken heeft met het feit of je een vroege of een late puber bent. waar je niets aan kunt doen.

IN

Of je dus vroeg of eerder laat aan je lichamelijke ontwikkeling begint, en dat is een kwestie van hormonen Hieronder zie je wat psychologen als effect zagen bij vroeg of laat puberen bij meisjes en jongens. Maar wees gerust, op latere leeftijd – zodra iedereen uitgepuberd is – is iedereen gelijk voor de wet.

—

Jongens

niet populair, terugtrekken, laag

VA N

Meisjes

—

zelfvertrouwen

populair (bv. goed kunnen

voetballen met goed ontwikkelde

—

meer afwijkend gedrag

Vroege

—

negatief lichaamsbeeld

puberteit

—

meer langetermijnproblemen (vroegere

spieren)

contacten met oudere jongens, een sterkere

—

zelfverzekerd, onafhankelijk

—

positief lichaamsbeeld

tienerzwangerschap) Late

—

populair

—

sociaal, levendig, leidersfiguren op school

—

positief lichaamsbeeld

—

niet populair, angstig, veel praten, aandacht zoeken

—

negatief lichaamsbeeld

Op het einde van de adolescentie is er de volwassenheid. Maar wanneer ben je dan volwassen?

m

STAP 6

pl

aa

puberteit

r©

neiging tot wangedrag, schoolproblemen en

Het begin van de adolescentie kun je duidelijk aangeven. Het gaat om lichamelijke criteria. Bij de meisjes is dat de

ke xe

menarche; bij de jongens is dat de spermarche (of semenarche, de eerste zaadlozing). Het begin komt plots, maar het einde van de adolescentie is onduidelijk. Ook omdat er verschillende soorten volwassenheid zijn. Geef bij de vier benaderingen van het begrip ‘volwassen’ aan of jij hier (al) aan voldoet. 1→ Fysieke volwassenheid functies.

Op zijn vierentwintigste heeft Tobias als renner

Ben ik het al? Wat wel? Wat niet?

nog niet alle mogelijkheden ontwikkeld. Zijn lang

opgeschoten lichaam moet nog aan spierkracht winnen. In die zin is hij nog niet volgroeid.

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

Je bent fysiek volgroeid. Het gaat over de lichaamsbouw en over de ontwikkeling van de lichamelijke

49


2→ Persoonlijke volwassenheid Slaat op het bereiken van een niveau van functioneren dat aangepast is aan de leeftijd. Zo kan men op elke leeftijd spreken van ‘persoonlijke volwassenheid’. Voor haar 11 jaar is Seppa een flinke persoonlijkheid.

Ben ik het al? Wat wel? Wat niet?

Ze voelt zich goed in haar vel. Wat zij op haar leeftijd

een meeloopster is ze niet.

IN

doet ... En ze laat zich niet zomaar beïnvloeden. Nee,

3→ Maatschappelijke volwassenheid

VA N

Heeft te maken met het zelfstandig en onder eigen verantwoordelijkheid een plaats kunnen innemen in de maatschappij.

Ben ik het al? Wat wel? Wat niet?

persoonlijkheid. Nu hij van de jeugdrechter door

r©

Lucas is op zijn zeventiende een volwassen familiale problematiek aan begeleid zelfstandig wonen doet, merk je dat hij zijn boontjes goed kan doppen.

Bovendien lijden zijn studies niet onder het zelfstandig wonen. Het is niet iedereen gegeven.

4→ Juridische volwassenheid

aa

pl

Legt de wettelijke leeftijdsgrenzen vast waarop men verondersteld wordt zowel persoonlijke als maatschappelijke verantwoordelijkheid te kunnen dragen.

m

Vakantiejob: vanaf 15 jaar Meerderjarigheid: 18 jaar

ke xe

Bioscoopfilm KNT: vanaf 16 jaar

Ben ik het al? Wat wel? Wat niet?

kij

Good to know

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

Een aparte leeftijdscategorie?

50

Een aantal auteurs stellen voor om een bijkomende leeftijdscategorie te gebruiken tussen de adolescentie en de volwassenheid: emerging adulthood, wat je zou kunnen vertalen als ‘ontluikende volwassenheid’. Die tussenfase zou dan als een overgangsfase worden beschouwd waarin adolescenten (laattieners en twintigers) al volwassen keuzes hebben gemaakt (bv. werken), maar nog geen keuzes (kunnen) maken die hun leven voor langere tijd bepalen (bv. kinderen krijgen).


EUREKA!

VA N

“Welke argumenten heb je om de adolescentie wel of niet tot 24 jaar te laten duren?”

IN

Wat denk je nu over de breinbreker die we aan het begin van dit hoofdstuk formuleerden?

Forum

Wat denk je hierover na onze bespreking van dit hoofdstuk? Duid aan waarmee je het (on)eens bent. Geef twee argumenten voor de gekozen stelling. Is je standpunt gewijzigd?

r©

Stellingen

De ontwikkelingsperiode ‘adolescentie’ ligt goed zo, van 10 tot 20 jaar.

2

De ontwikkelingsperiode ‘adolescentie’ moet langer duren dan tot 20 jaar.

3

De ontwikkelingsperiode ‘adolescentie’ moet vroeger eindigen dan op 20 jaar.

aa

1

1

pl

Argumenten

2

ke xe

m

Vraag het aan de wetenschap! dit boek (p. 5). 1

Noteer hier de klasvraag voor een wetenschapper:

2

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

Klaar om de onderzoeker in je los te laten? Lees nog eens goed de instructies in de introductie van

Noteer hier je persoonlijke onderzoeksvraag:

Vergeet niet om steeds rekening te houden met de criteria voor een goede onderzoeksvraag!

↑

Onderzoekscompetentie

51


SYNTHESE

↑

KENNISCLIP 1

Overgangsrituelen

↑

KENNISCLIP 2

1.1

Om van de adolescentie te kunnen overgaan naar de volwassenheid kennen alle samenlevingen overgangsrituelen.

IN

Rituelen zijn bepaalde handelingen die van generatie op generatie worden doorgegeven in de cultuur waarin jij ontwikkelt. Ze kunnen helpen om het leven te ordenen en er betekenis en zin aan te geven.

Uitstellen van de volwassenheid

1.1

VA N

Het uitstellen van de volwassenheid in onze samenleving heeft te maken met het feit dat onze

samenleving heel ingewikkeld is geworden, dat je meer moet kennen en kunnen om zelfstandig, op eigen verantwoordelijkheid het volwassen leven aan te kunnen.

Adolescentie

1.2

1.3

Adolescentie komt van het Latijnse woord adolescere, dat je kunt vertalen als opgroeien, volwassen worden. In de ontwikkelingspsychologie gebruikt men het begrip om alle ontwikkelingsdomeinen te beschrijven (de fysieke

r©

ontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling, de socio-emotionele ontwikkeling).

Ontwikkelingstaken

1.2

1.3

1.4

Ontwikkelingstaken zijn taken waarvan men in een bepaalde maatschappij en cultuur verwacht dat personen zijn, stap je over naar een volgende fase.

Puberteit

aa

van de opeenvolgende leeftijdsperioden ze uitvoeren. Pas wanneer de taken van een ontwikkelingsfase bereikt

1.5

pl

Het begrip puberteit wordt gebruikt om de lichamelijke veranderingen als begin van de adolescentie te benoemen. Het woord is afgeleid van het Latijnse woord pubes. Dat betekent schaamhaar (van het Latijnse

m

werkwoord pubescere = bedekt zijn met haar).

Je zit in een groeispurt. Na die spurt wordt het even rustig, maar jongens groeien gemiddeld nog door tot ze

ke xe

18,5 jaar zijn en meisjes tot ze 17 jaar zijn.

Ontwikkelingsdomeinen Fysieke ontwikkeling —

Het puberbrein

1.6

Rond het tiende levensjaar kent je brein een sterke maar ongelijkmatige ontwikkeling. De plotse rijping en ontwikkeling van de hersenen brengt de meeste pubers wat uit hun evenwicht. Hersendelen gaan zich

kij

specialiseren. Dat gebeurt in een verschillend tempo. De delen van de hersenen die verschillende functies van je ontwikkeling regelen, ontwikkelen op een ongelijke manier. Het gebied dat de emoties regelt (het

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

limbisch systeem met daarin de amygdalae) ontwikkelt het eerst en erg hevig.

52

De gebieden die verantwoordelijk zijn voor de beheersing van je gedrag en voor de activiteiten die door verstand en ratio bepaald worden, ontwikkelen pas later (de frontaalkwab). Pas rond de leeftijd van 23 jaar lijkt je brein evenwichtig ontwikkeld.


—

1.7

Veranderende hormonale werking De hypofyse produceert bepaalde hormonen die de endocriene organen stimuleren met inwendige afscheiding in de bloedstroom. De hormonale veranderingen leiden tot seksuele volwassenwording en er verschijnen ook secundaire geslachtskenmerken (borstontwikkeling, beharing, groei van de testikels). De lichamelijke ontwikkeling beïnvloedt je zelfbeeld, hoe jij je voelt in dat veranderende lichaam.

IN

Elke adolescent is tijdens de ontwikkelingsfase van 12 tot 18 jaar sterk bezig met het beeld dat hij van zijn

lichaam heeft, zijn body image. Daarbij laat de adolescent zich leiden door drie factoren: lichaamsmaten, individuele doelen, cultureel bepaalde (schoonheids)idealen.

1.9

1.8

VA N

Cognitieve ontwikkeling

De cognitieve ontwikkeling van adolescenten – de ontwikkeling van de denkmogelijkheden – heeft veel te

maken met de biologische ontwikkelingen. Die ontwikkeling in het denken wordt voor een groot deel bepaald door de neurologische veranderingen, veranderingen in de hersenverbindingen.

Bij de adolescent is de prefrontale cortex volop in ontwikkeling. Hij experimenteert met de nieuwe

mogelijkheden, hij probeert ze uit in discussies, vaak over abstracte dingen als ‘Wat is rechtvaardig?’. Plannen, sociaal wenselijk gedrag vertonen en impulsen beheersen, moeten worden geleerd. Daarbij maakt de adolescent

r©

nog wel wat foutjes of begaat hij vergissingen. En daarop reageert hij soms met agressie of angst om te falen. Het is belangrijk hoe de omgeving van ouders en leraren daarmee omgaat.

Experimenteren is een leerproces waarbij de adolescent tijdelijk aan bepaalde, nieuwe activiteiten deelneemt of zich volgens bepaalde regels gedraagt.

aa

Maar om dit alles te kunnen leren, moet hij daarvoor wel de ruimte krijgen van zijn omgeving. Dat wil zeggen: kansen maar ook bevestiging van wat hij wel of niet kan.

Een adolescent kan niet altijd slagen in wat hij uitprobeert. Bij mislukken kan hij zich mateloos schamen, zich hulpeloos voelen en soms om hulp vragen.

pl

Anderzijds kan hulp ook als een bedreiging worden ervaren.

—

m

Socio-emotionele ontwikkeling Streven naar onafhankelijkheid

1.10

De adolescentie is een belangrijke fase in de ontwikkeling van een individu. In die periode wordt de basis

ke xe

gelegd van je identiteit.

Een emancipatieproces: als gevolg van je ontwikkelende mogelijkheden kun je meer dingen zelfstandig aan, in verhouding tot je leeftijd. Tijdens dat proces wil je minder betutteld worden, krijg je de mogelijkheid mondiger te zijn en voor jezelf op te komen. Emancipatie kun je omschrijven als: zelfstandigheid en verantwoordelijkheid nastreven bij het inrichten van het eigen leven.

Tijdens dat ontwikkelingsproces gaan beide partijen – ouders/opvoeders en adolescenten – een andere rol Aan elke rol is een positie verbonden. Waar de jongere voordien in de positie zat van het afhankelijke kind, moet dezelfde ontwikkelende jongere die positie nu inruilen voor de positie van een meer zelfstandig beslissende jongere. THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

kij

aannemen. Zo ga je stilaan anders met elkaar om.

53


1.12

Volwassen relaties aangaan met leeftijdgenoten van beide geslachten

—

1→ In contacten met leeftijdgenoten kun je bepaalde sociale vaardigheden verwerven: assertieve vaardigheden;

—

vaardigheden in het omgaan met iemand van de andere sekse;

—

het herkennen van en omgaan met agressie en andere sterke emoties van jezelf of van anderen.

IN

—

2→ In de omgang met je leeftijdgenoten kun je experimenteren met allerlei nieuwe rollen, zonder dat daaraan nieuwe verplichtingen verbonden zijn.

VA N

3→ In de gesprekken met je groep leeftijdgenoten kun je informatie opdoen die je helpt het normen- en waardenpatroon op te bouwen (Wat is goed en wat niet?) waarop jij je gedrag kunt afstemmen. 4→ De groep van je leeftijdgenoten heeft ook als functie een spiegel te zijn voor je eigen gedrag.

r©

Bordschema

groeispurt secundaire

aa

geslachtskenmerken

lichamelijke

van … tot …

einde volwassenheid (cultureel bepaald : 20-24?) overgangsrituelen

m

kenmerken

ontwikkeling

pl

primaire geslachts-

ontwikkeling

begin = lichamelijke

≠ jongens/

hormonale

meisjes

puberbrein

prefrontale

cortex

kij

experimenteren

cognitieve

ontwikkeling

risicogedrag  cognitieve

verwachtingen ADOLESCENTIE

ke xe ≠ ontwikkelen

ontwikkelingsdomeinen

invloeden

≠ tempo

ontwikkelingstaken

nieuwe rechten / verantwoordelijkheden nieuwe situaties verkennen nieuwe status

THEMA 1 HOOFDSTUK 1

In

mogelijkheden

54

OT onafhankelijkheid

vroeg-adolescentie emotionele

OT relaties aangaan

(12-14 jaar)

socioontwikkeling

fasen

midden-adolescentie (14-17 jaar) laat-adolescentie (17-20 jaar)


HOOFDSTUK 2

M

IJN PLAATS NU IN MIJN LEVENSLOOP

IN

WAAROVER GAAT DIT HOOFDSTUK?

Zoals je in het vorige hoofdstuk leerde: je ontwikkeling stopt nooit. Vanaf de conceptie tot aan je laatste levensadem ontwikkel je onafgebroken. In die levensloop heb jij nu je plaats als adolescent.

VA N

Een mens verandert door te groeien, te rijpen en te leren. Hoewel die ontwikkeling een continu

proces is, hoor je vaak stereotiepe uitspraken zoals: ‘baby’s zijn nog niet ontwikkeld’, ‘ouderen zijn niet

meer aan het ontwikkelen en gaan achteruit – wat geen ontwikkeling is.’ Wat is de juiste betekenis van ontwikkeling? Wanneer begint en stopt de ontwikkeling bij een mens?

In dit hoofdstuk analyseer je ontwikkeling in al haar vormen, van de eerste levensjaren tot de

volwassenheid. Daarbij kun je begrippen over de verschillende levensfasen ordenen, informatie over ontwikkeling inzetten bij het formuleren van een antwoord op de breinbreker en verbanden tussen

r©

ontwikkelingsdomeinen leggen aan de hand van voorbeelden.

aa

WAT LEER IK IN DIT HOOFDSTUK?

Vink aan wat je in de loop van dit hoofdstuk hebt geleerd.

Ik orden de ontwikkelingsdomeinen die in groei en ontwikkeling zijn in een schema.

pl

Ik breng in een schema de verbanden aan tussen de ontwikkelingsdomeinen. Ik breng de verschillen en gelijkenissen van mijn ontwikkelingsfase ten opzichte van de andere levensloopfasen in kaart: prenataal, baby en peuter, vroege kindertijd, midden

m

kindertijd, vroege volwassenheid, midden volwassenheid, late volwassenheid. Ik kan uit wetenschappelijk onderzoek conclusies trekken over mogelijke knelpunten in

ke xe

de socio-emotionele ontwikkeling van mensen, wat hun gehechtheid aan anderen en hun identiteitsvorming betreft.

BEGRIPPEN

ontwikkeling (sensomotorische ontwikkeling en reflex), cognitieve ontwikkeling, socio-emotionele ontwikkeling (gehechtheid) – ontwikkelingsfasen: prenataal, baby en peuter, vroege kindertijd, midden kindertijd, adolescentie, vroege volwassenheid, midden volwassenheid, late volwassenheid THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

ontwikkeling – ontwikkelingsvormen: groeien, rijpen, leren – ontwikkelingsdomeinen: fysieke

55


INTRO Ontwikkelingspsychologen noemen jou een adolescent. Wie je nu bent, hangt af van wie je gisteren was en bepaalt ook wie je morgen zult zijn. Ooit was je een baby en ooit – als alles goed loopt – zul je echt oud zijn. Elke dag ontwikkel jij op basis van een complex samenspel van prikkels binnen en buiten je lichaam. Dat

IN

onophoudelijke proces start al in de baarmoeder.

VA N

Lees het onderstaande krantenartikel. Maak vervolgens de oefening op de volgende pagina.

WIE KOMT OP VOOR HET GEVOELSLEVEN VAN DE ALLERKLEINSTEN? ‘EEN BABY IS GEEN ONBESCHREVEN BLAD.’ We houden geen concrete herinneringen over aan onze eerste levensjaren en

onderschatten misschien daarom de emotionele impact ervan. ‘Maar die eerste 1 001

dagen in een kinderleven, van conceptie tot de leeftijd van 2 jaar, zijn cruciaal voor de

r©

rest van het leven’, zegt Binu Singh, kinderpsychiater in de babypsychiatrie in het UZ Leuven. ‘Wat in die periode gebeurt, legt in grote mate vast hoe we later functioneren.’ ‘Het is gangbaar gedachtegoed dat een kind als een onbeschreven blad wordt geboren. Dat klopt niet. Baby’s hebben al een eigen temperament en een geschiedenis aan ervaringen in de baarmoeder. Mensen denken dat jonge baby’s niet zoveel van

aa

hun omgeving oppikken, dat ze het allemaal niet merken. Tot in de jaren 80 hebben we baby’s geopereerd zonder anesthesie, omdat we dachten dat ze pijn anders ervaarden. Nu vinden we dat horror. Maar op psychologisch vlak maken we nog steeds dezelfde

pl

fout. We denken dat we over hun hoofden heen van alles met ze kunnen doen, dat het allemaal geen kwaad kan. We moeten eindelijk erkennen dat baby’s mensen zijn, met evenveel rechten als volwassenen.’

m

‘Een baby is geen ding dat gewoon gezond moet worden geboren. Het is een mens met een heel eigen beleving. En daar steken we als struisvogels onze kop voor in het zand. Er is veel onwetendheid over hoe het innerlijke leven van een baby eruitziet en

ke xe

welke noden een baby heeft.’

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

Bron: De Standaard

56


Bekijk de lijst van behoeften. Welke noden of behoeften heeft een baby volgens jou? Markeer ze.

LIJST VAN BEHOEFTEN

CREATIVITEIT plezier humor spontaniteit spelen inspiratie ontdekking

IN

VREDE geruststelling harmonie schoonheid rust heelheid balans samenhang

r©

Bron: www.imboorling.be

LIEFDE nabijheid tederheid aanraking affectie intimiteit seks

VERBINDING empathie inlevingsvermogen begrip begrijpen/begrepen worden mededogen steun/troost zien en gezien worden acceptatie/erbij horen contact uitwisseling communicatie delen verbondenheid ZEKERHEID veiligheid vertrouwen zelfvertrouwen helderheid orde stabiliteit structuur bekwaamheid vaardigheid

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

aa

In

kij

ke xe

m

ONTWIKKELING uitdaging avontuur stimulatie groei leren inzicht verandering doel perspectief hoop

BETEKENIS bewustzijn spiritualiteit zingeving deelname aanwezigheid bijdrage bezieling richting van belang zijn waardering/erkenning vieren/rouwen

pl

FYSIEK WELZIJN lucht/licht water voedsel ontspanning beweging vitaliteit

EERLIJKHEID waarheid authenticiteit echtheid integriteit zuiverheid eenvoud openheid expressie kwetsbaarheid

SAMENWERKING ondersteuning wederkerigheid rekening houden met elkaar gemeenschappelijkheid samenhorigheid gelijkwaardigheid verantwoordelijkheid betrokkenheid zorg respect

VA N

DOELTREFFENDHEID efficiëntie resultaat voldoening gemak energie passie gedrevenheid voortgang afronding flexibiliteit

AUTONOMIE onafhankelijkheid keuzevrijheid ruimte eigen kracht inzetten wilskracht zelfwaardering zelfrespect

57


BREINBREKER In dit hoofdstuk zul je in vijf stappen een antwoord formuleren op deze breinbreker:

IN

“Op welke manier zijn de noden van een baby hetzelfde als of net anders dan die van een volwassene?”

Forum verzamelen.

De noden zijn verschillend.

r©

De noden zijn hetzelfde.

aa

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

ke xe

pl

m

58

VA N

Wat denk je nu al? Ga hierover in gesprek met je klasgenoten en noteer hieronder de argumenten die jullie


PARCOURS Wat is ontwikkeling?

IN

STAP 1

Kijk eens naar de samenstelling van het woord ‘ontwikkelen’. Je merkt dat het uit twee delen bestaat: ont-wikkelen.

Letterlijk betekent het ‘van een wikkel ontdoen’. Synoniemen zijn ‘ontvouwen’ en ‘ontplooien’. Ontwikkelen heeft dus te

VA N

maken met het loskomen uit de ene fase om een volgende fase in te gaan, zoals een rups zich tot een vlinder ontplooit. Elke nieuwe fase in het ontwikkelingsproces is een uitbreiding van een vorige fase. De ontwikkeling kan verschillende vormen aannemen en ze kan betrekking hebben op verschillende domeinen.

1 Zindelijkheid is een belangrijke stap in de ontwikkeling. Lees hieronder welke stappen een kind daarin

r©

moet zetten. Beantwoord vervolgens de vragen op de volgende pagina.

ZINDELIJKHEID POSITIEF ONDERSTEUNEN

Op het potje gaan is een belangrijke stap voor een kind. Elk kind wordt zindelijk op zijn eigen tempo. Het is belangrijk om een peuter daarbij te ondersteunen. Dat doe je samen:

aa

ouders, opvang, grootouders … Starten op het gepaste moment op een ontspannen manier is de boodschap.

Een kind is zindelijk als het voelt dat het pipi of kaka moet doen en het kan ophouden tot

pl

op het potje of op het toilet.

Een natuurlijke ontwikkeling

m

Kinderen krijgen stap voor stap meer controle over hun lichaam. Dat is nodig om te kunnen starten met het potje. Baby’s plassen onbewust en reflexmatig zodra de blaas voor een deel gevuld is. Dat gebeurt tot wel twintig keer per dag. Ook stoelgang maken gebeurt

ke xe

vanzelf. Peuters worden zich bewust van hun lichaam en krijgen een willetje. Ze beginnen bewust de blaasvulling te voelen. Ze merken op dat ze geplast hebben of een volle luier hebben.

In een volgende fase, die meestal start tussen 2 en 3 jaar, krijgen kinderen stilaan

‘controle’. Ze kunnen pipi en kaka even ophouden en daarna loslaten in het potje of toilet. Droge nachten zijn de laatste stap in de ontwikkeling.

Zindelijk worden is niet alleen een natuurlijk rijpingsproces, maar ook een leerproces. Een

peuter leert begrijpen wat van hem wordt verwacht. Hij heeft kansen nodig om te oefenen. Daarbij kun jij je kind stimuleren en positief aanmoedigen. Bron: Zindelijkheid positief ondersteunen, Kind en Gezin

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

Kansen om te oefenen en een leerproces

59


a Kinderen krijgen stap voor stap controle over hun lichaam. Dat zien we als een natuurlijke

ontwikkeling. Welke stappen zet een kind in die ontwikkeling? Nummer de stappen en orden ze chronologisch.

IN

VA N

b Een kind leert elke dag beter begrijpen wat wordt verwacht. Noteer bij de verwachtingen wat het

kind moet kunnen begrijpen. Verwachtingen

‘Pipi hoort in het potje.’

2

‘Kom, we gaan op het potje.’

3

‘Kom je het zeggen als je in je luier geplast hebt of pipi of kaka moet doen?’

Dit moet het kind kunnen begrijpen: a

Het kind kan voldoende

b

Het kind kan komen

of dingen brengen naar waar ze horen (bv. blokjes

opvolgen.

zijn spel onderbreken.

horen in de doos).

m

ke xe 2→

kij

3→

In

Het kind kan voorwerpen

behoefte moet doen of kan

1→

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

c

vertellen dat het zijn

c Hoe zou je een kind kunnen stimuleren? Bedenk drie manieren.

60

eenvoudige aanwijzingen

pl

taal begrijpen en

r©

1

aa

Begrip


2 Lees de onderstaande tekstfragmenten die verschillende benaderingen op zindelijk worden illustreren.

Geef voor elk fragment een antwoord op deze twee vragen: a Op welke leeftijd worden kinderen zindelijk? b Wat heeft invloed op het zindelijk worden?

IN

ZINDELIJKHEID IN VIETNAM

In Vietnam begint men al vlak na de geboorte met het zindelijk maken van kinderen. Men gebruikt een fluitgeluid dat kinderen na een tijd associëren met plassen. Mede daardoor kunnen kinderen na negen maanden vaak al op het potje.

VA N

Naar: www.sciencedaily.com

a

r©

b

ZINDELIJKHEID IN VLAANDEREN DERTIG TOT VEERTIG JAAR GELEDEN Een kind in Vlaanderen is nu gemiddeld zindelijk als het 2,5 tot 3 jaar is. Dertig tot veertig jaar geleden waren ze 2 tot 2,5 jaar. Toch blijft de ontwikkeling van kinderen dezelfde. Vooral omgevingsfactoren hebben invloed: luiers voelen droger aan, waardoor je kind minder

aa

geneigd is om op het potje te gaan. Vaak gaan ouders allebei uit werken en hebben ze minder tijd om ermee bezig te zijn. En er zijn meer opvoeders: thuis, de kinderopvang, verschillende grootouders. Dat maakt het moeilijker voor hen om zich op elkaar af te stemmen. Ten slotte is ook de visie veranderd: we kijken veel meer naar het tempo van het kind.

a

ke xe

b

m

pl

Bron: www.groeimee.be

ZINDELIJKHEID BIJ EEN KIND MET AUTISME Zindelijkheid is iets wat moeilijk te vatten is voor kinderen, zeker voor kinderen met autisme. Ze begrijpen niet altijd waar het over gaat en wat er verwacht wordt. Vaak zijn er al zoveel

er weinig ruimte is voor iets nieuws. Het is best om zeker niet voor de leeftijd van 4 jaar met intensieve zindelijkheidstraining te beginnen. Kinderen met autisme zijn heel gevoelig voor druk. Geef het kind dus voldoende tijd om dit te ontwikkelen op een rustige en positieve manier. Bron: www.politeia.be

a b

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

andere onduidelijkheden gedurende de hele dag die ze nog moeten verwerken, waardoor

61


Wat is ontwikkeling? En ontwikkelingspsychologie?

2.1

1 Ontwikkelingsvormen

Je ontwikkelt elke dag. Maar hoe? Groeien, rijpen en leren zijn drie ontwikkelingsvormen. Een ontwikkelingsvorm is een manier waarop een mens tot ontwikkeling kan komen. 1→ Groeien

IN

Ze kunnen niet los van elkaar gezien worden, want ze spelen op elkaar in.

Groeien is de toename van lichamelijke afmetingen en van fysieke functies. Groeien

VA N

heeft een invloed op de psychische ontwikkeling en de mate waarin een persoon

nieuwe dingen kan doen. De toename van het spierweefsel kan er onder meer voor

zorgen dat een persoon kan lopen. Zo kan hij dan nieuwe dingen ontdekken en zijn wereld vergroten. 2→ Rijpen

Om hem met smaak te kunnen opeten, moet een appel rijp genoeg zijn. De vrucht kan onder invloed van zon en voedingsstoffen al behoorlijk gegroeid zijn, maar daarom

r©

is hij nog niet rijp. Bij de ontwikkeling van de mens is er ook sprake van rijping of maturatie. Het gaat dan om het klaarmaken van organen voor die werkelijk kunnen functioneren. Zodra de rijping is gebeurd, kun je meer doen. Rijpen en groeien hangen samen. Voor je organen kunnen rijpen, moeten ze eerst gegroeid zijn. Anders gezegd, als groeien een kwántitatieve toename is, ligt bij het rijpen de nadruk op het kwálitatieve.

aa

Rijpen is het ontwikkelingsproces van reeds aanwezige functies dat gestuurd wordt door

3→ Leren

pl

genen en omgevingsfactoren.

Mensen ontwikkelen niet alleen door te groeien en te rijpen, maar ook door te leren. Ze doen dan kennis en vaardigheden op. Leren is het verwerven van nieuwe

m

gedragsmogelijkheden. Dat kan op heel wat manieren: door ervaringen op te doen, door te imiteren, door te experimenteren, door zintuigen te gebruiken, door kennis op te doen

ke xe

via school of andere bronnen.

Samengevat is ontwikkeling het gevolg van groei-, rijpings- en leerprocessen. Zie je hoe die drie vormen terugkomen in het proces van zindelijk worden? —

Groeien: kunnen lopen, groot genoeg zijn om op het potje te zitten, broekje kunnen uitdoen en

hurken.

Rijpen: controle krijgen over de sluitspieren.

—

Leren: complimenten en andere beloningen kunnen linken met op het potje gaan.

kij

—

2 Ontwikkelingspsychologie

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

Ontwikkelingspsychologie is een studiegebied binnen de psychologie.

62

Ontwikkelingspsychologen bestuderen de veranderingen in het gedrag en in de mentale processen die zich voordoen tijdens de levensloop van een mens.


Good to know De rijping van de zenuwvezels Hier zie je een afbeelding van een zenuwcel, die omgeven wordt door een myelineschede. Vooraleer je spieren

IN

bewegingen kunnen uitvoeren, moeten de zenuwvezels rijp zijn. Die zenuwvezels vervoeren namelijk impulsen naar de spieren. De rijping van de zenuwvezels gebeurt onder zorgt ervoor dat signalen sneller worden doorgestuurd. Vooral voor het overbruggen van lange afstanden, zoals bij zenuwvezels die lopen van het ruggenmerg naar de handen of voeten, is dat van cruciaal belang.

VA N

meer door de vorming van een laagje myeline. De myeline

3 Kruis aan of de onderstaande voorbeelden betrekking hebben op groeien, rijpen of leren.

1

Rijpen

Leren

Mohamed, 15 jaar, is in één jaar tijd elf centimeter groter geworden.

2

Groeien

r©

Voorbeeld

Eve, 8 maanden oud, is nog niet toe aan nog niet klaar voor.

3

aa

zindelijkheidstraining. De sluitspieren van de blaas zijn er

Matthias is 20. Hij is de laatste twee jaar enorm veranderd.

pl

Zijn schouders zijn breder geworden en zijn spiermassa nam spectaculair toe. 4

Na het taalkamp nam Koen, 13 jaar, vlot het woord in de les

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

ke xe

m

Frans.

63


4 Verbind de voorbeelden met een van deze leerprocessen: a

b

door ervaringen op te doen

door te imiteren

c

door zelf dingen te proberen, te experimenteren

door zintuigen te gebruiken

e

door kennis op te doen via school of andere bronnen

1→ Bas is 21. Hij kan heel mooie meubels maken. Dat is geen atelier van zijn opa, die schrijnwerker was. Als opa een hamer nam, dan moest Bas er ook een hebben.

2→ Als de kleine Elias, 2 jaar, geronk in de lucht hoort, zegt

r©

hij: ‘Kijk, vliegtuig!’ Toen Alina, 3 jaar, een olijf proefde,

zei ze: ‘Bah, vies!’ Bert, 1 jaar en 6 maanden, huilde toen hij met zijn handje tegen de kachel viel. Later zei hij zelf:

aa

‘Pas op, warm!’

3→ Toen Pieter in de tweede kleuterklas zat, pakte hij de bal

pl

af van Kevin. Hij kreeg prompt een klap. Al vlug leerde hij

ke xe

m

dat afpakken onprettige gevolgen kan hebben.

4→ Liv is 17. Op school leerde ze dat hormonale veranderingen tijdens de menopauze kunnen zorgen voor serieuze schommelingen in het humeur. Toen begreep ze

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

beter waarom haar moeder soms zo lichtgeraakt was.

64

VA N

toeval: als driejarige kleuter was hij vaak te vinden in het

5→ Jamila is nu 34. Toen ze nog aan de academie studeerde, wilde ze erg graag foto’s leren bewerken op de computer. Haar leraren waren daarin niet geschoold, dus moest ze zelfstandig aan de slag. Door heel veel technieken uit te proberen, is ze een bekende kunstenares geworden.

IN

d


STAP 2

Op welke domeinen ontwikkel je?

op het ene domein, heeft effect op je ontwikkeling op het andere domein en omgekeerd.

VA N

De fysieke ontwikkeling

IN

Er zijn drie ontwikkelingsdomeinen. Ze zijn verschillend, maar staan toch niet los van elkaar. Hoe je ontwikkeling verloopt

Het eerste ontwikkelingsdomein is dat van je lichaam, ofwel de fysieke ontwikkeling. Dat gaat over hoe je van kop tot teen groeit en bloeit.

1 Verken via de ontdekplaat bij het onlinelesmateriaal de eerste levensmaanden van een baby. Maak daarna

ontwikkeling dat omschreven wordt.

r©

kennis met de vijf baby’s hieronder. Ga na hoe oud ze zijn. Noteer voor elke baby de leeftijd en het soort

1→ Het favoriete speeltje van Noura is een rood doekje. Als ze op haar buik ligt, kan ze met

Leeftijd

Ontwikkelingsdomein

aa

gemak haar hoofd een halve minuut optillen om te volgen naar waar het doekje gaat.

Leeftijd

pl

2→ Malik is met zijn 5,2 kg best een stevig kereltje voor zijn leeftijd.

m

Ontwikkelingsdomein

3→ Vandaag kon de mama van Eva Alba net op tijd haar eerste, echte lachje fotograferen. Leeftijd

ke xe

Ontwikkelingsdomein

4→ Diano is net een klein zakje aardappelen. Hij kan met steun rechtop zitten en heeft dan een grappige, bolle rug.

Leeftijd

Ontwikkelingsdomein

kij

5→ Het zijn zware nachten voor Thomas. Zijn baby kan soms uren aan een stuk huilen.

Leeftijd

Ontwikkelingsdomein

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

65


2 Zinvol speelgoed voor baby’s, peuters en kleuters past enerzijds binnen hun kunnen, maar daagt

anderzijds dat kunnen en dus hun ontwikkeling uit. Bekijk het speelgoed hieronder.

Noteer bij elk stuk speelgoed een antwoord op deze twee vragen: a Hoe daagt dit speelgoed de ontwikkeling uit en wat vind je er sterk aan?

1 activiteitenboog

IN

b Hoe zou je het speelgoed uitdagender kunnen maken?

a

b

r©

2 speelmat

a

aa

pl

b

ke xe

m

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

3 boekje

66

VA N

a

b


Fysieke ontwikkeling

2.2

In kenniskader 1.4 onderscheidden we drie grote ontwikkelingsdomeinen: de lichamelijke of fysieke ontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling en de socio-emotionele ontwikkeling.

IN

Het eerste ontwikkelingsdomein is dat van de lichamelijke of fysieke ontwikkeling. Dat is de ontwikkeling die het menselijk lichaam doormaakt. De fysieke ontwikkeling bestaat op haar beurt uit drie subdomeinen: de lichaamsbouw (zoals lichaamslengte en -gewicht);

—

de sensorische ontwikkeling (zoals zien en horen);

—

de motorische ontwikkeling (zoals het hoofdje optillen en rechtop zitten).

VA N

—

Je kunt een onderscheid maken tussen grove en fijne motoriek.

Onder grove motoriek verstaan we de grote, grove bewegingen die je met je lichaam maakt. Iemand die dat soort motoriek niet beheerst, heeft weinig controle over zijn ledematen en komt daardoor klungelig over.

Fijne motoriek is onder meer het gebruik van handen en vingers om voorwerpen

vast te houden en te manipuleren. Vaak gaat dat soort motoriek samen met een goede

r©

waarneming. Je moet goed kijken naar wat je wilt grijpen en de juiste afstand inschatten. Dit wordt de oog-handcoördinatie genoemd.

De mate waarin een kind fijne spieren leert beheersen, hangt af van zijn lichamelijke rijpheid en aanleg. Een baby kan niet onmiddellijk een potlood hanteren. Alles gebeurt in

aa

kleine stapjes van het grote naar het meer verfijnde werk. Als het gaat over de interactie tussen de sensorische en motorische ontwikkeling, dan heb je het over de

pl

sensomotorische ontwikkeling.

Een voorbeeld van die interactie is schrijven. Je volgt met je ogen en vingers (sensorisch: zien en voelen),

m

wat je aan het doen bent met je hand (motorisch: schrijven). Dat lijkt heel logisch en we doen het zonder veel nadenken. Het is echter een heel

ke xe

ingewikkelde samenwerking, die erg veel oefening vraagt.

Er bestaan daarnaast ook voorbeelden van ongecontroleerde samenwerkingen, ofwel reflexen. Je voelt bijvoorbeeld iets en dat wordt onmiddellijk motorisch verwerkt. Een reflex is een automatische gemaakt of gestuurd door de grote hersenen, maar verloopt op het niveau van het ruggenmerg of de kleine hersenen. De cognitieve en socio-emotionele ontwikkeling worden in de volgende kenniskaders toegelicht (2.3 en 2.4).

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

reactie op een prikkel. De reactie wordt niet bewust

67


3 Musea gericht op kinderen houden als geen ander rekening met de sensomotorische ontwikkeling van hun

jongste bezoekers. a Markeer in de onderstaande uitnodiging van het Museum voor Natuurwetenschappen de

MUSEUM VOOR NATUURWETENSCHAPPEN – PALEOLAB Ben je gebeten door alles wat te maken heeft met fossielen, dino’s en andere

IN

werkwoorden of activiteiten die uitnodigen om sensomotorisch aan de slag te gaan.

prehistorische dieren? Kom dan je hart ophalen in ons paleoLAB! Deze unieke ontdekruimte

VA N

dompelt kinderen onder in de fantastische wereld van de paleontologie.

Experimenteren, uitproberen, spelen, van dichtbij bekijken … alles kan in het paleoLAB.

Hier ben je immers zelf paleontoloog, geoloog, antropoloog. Graaf fossielen op en onderzoek ze nauwkeurig of maak er een afdruk van. Het levensgrote stegosaurusskelet mist nog enkele onderdelen: steek jij het als een volleerd paleontoloog volledig in elkaar? Of volg je liever je eigen

r©

dinosporen? Je kunt ook mineralen rangschikken, een prehistorisch plunje aantrekken, rustig een boeiend

boek lezen of de computer raadplegen. Dan kun je ook nog puzzelen, tekenen, een origamiwerkje maken …

aa

Bron: www.uitmetvlieg.be

pl

b Vertel voor elke aangeduide activiteit welk(e) zintuigen(en) daarbij ingezet worden. 4 In de klassieke oudheid benoemde de Griekse filosoof Aristoteles de vijf zintuigen. Die staan in nauwe

interactie met de motoriek. Geef zelf voor elk zintuig een voorbeeld van hoe het in interactie kan treden

ke xe

m

met de motoriek.

Horen

kij

Proeven

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

Ruiken

68

Voelen

Zien

Motoriek


5 Hoe ziet jouw ideaal kinderspeelgoed eruit? Maak een eerste ontwerp op een apart blad en leg uit op

welke manieren je de ontwikkelingsdomeinen stimuleert. Houd rekening met wat je leerde over de sensomotorische ontwikkeling van jonge kinderen.

IN

Good to know De reflexen van een baby

Heel lang dacht men dat een pasgeboren baby bijna niets kon. Dat is fout: baby’s vertonen reflexen. Die

komen tot uiting door een samenwerking van de sensorische en de motorische ontwikkeling: je voelt iets

VA N

en dat wordt motorisch verwerkt. Een reflex wordt niet gecontroleerd of gestuurd door de grote hersenen, maar verloopt op het niveau van het ruggenmerg of de kleine hersenen. Enkele voorbeelden van reflexen bij een baby zijn: —

Als je de wang en mond van een baby aanraakt, draait hij zijn hoofdje in de richting van de aanraking. Dat noemt men

aa

De moro-reflex wordt ook wel schrikreflex

pl

—

r©

de zoekreflex.

genoemd. Bij een onverwachte beweging of een plots geluid spreidt een baby zijn

m

armen en benen wijd uit, strekt zijn

vingers en opent zijn mondje. Daarna

ke xe

sluit hij zijn mond weer, buigt zijn armen en zwaait ze naar voren.

De handjes van een baby zijn vaak tot

vuistjes gebald. Als je over de rug van het handje wrijft, gaan ze even open. Duw je daarna in de handpalm, dan grijpt de baby weer krachtig met zijn handje. Dat heet de grijpreflex.

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

—

69


De cognitieve ontwikkeling Het tweede ontwikkelingsdomein is de cognitieve ontwikkeling. ‘Cognitief’ betekent ‘verstandelijk’. Cognitie (een synoniem

IN

voor kennis) is afgeleid van het Latijnse ‘cognescere’, dat ‘weten’ of ‘kennen’ betekent. 6 Lees aandachtig het artikel over magisch denken. Beantwoord vervolgens de vragen onder de tekst.

VA N

MAGISCH DENKEN

‘Je mag enkel op de witte strepen van het zebrapad lopen, anders verdrink je.’

‘Als je de wc doorspoelt wanneer je erop zit, kun je mee doorgespoeld worden.’

‘’s Nachts kunnen er spoken in je oren kruipen, tenzij je je deken over je hoofd legt’.

Alle kinderen hebben dergelijke magische gedachten. Dat komt omdat hun theorieën

over hoe de wereld in elkaar zit nog niet helemaal goed zijn uitgedacht. Al vanaf hun geboorte

r©

gaan kinderen hard aan de slag om patronen en verbanden te ontdekken, die het leven voorspelbaar en overzichtelijk kunnen maken. Maar soms voeren ze de ontdekte patronen te ver door. Als je kunt leren lopen en fietsen, waarom zou je dan niet kunnen leren vliegen? Hoe meer kennis we in de loop van de tijd opdoen over de wereld, hoe meer we leren dat knuffels niet tot leven komen en dat we niet kunnen vliegen, hoe hard we ook flapperen. Maar

aa

toch verdwijnt het magisch denken niet, hebben psychologen de laatste decennia ontdekt. Zelfs ons volwassen leven zit vol magische gedachten.

Dat toonde bijvoorbeeld de Russische psycholoog Eugene Subbotsky in 1997 in een onderzoek aan. Hij deed een postzegel in een doos, zei een toverspreuk, opende de doos weer

pl

en ziedaar, de postzegel was in tweeën geknipt. Alleen de jongste proefpersonen dachten dat het om tovenarij ging. Vanaf 9 jaar gingen de proefpersonen ervan uit dat de postzegel

m

op de een of andere manier verwisseld was: je kunt iets niet doormidden toveren. Maar toen Subbotsky de volwassenen voorstelde om hun paspoort of rijbewijs in de doos te leggen, wilden de meesten dat toch liever niet.

ke xe

Bron: www.psychologiemagazine.nl

a Hoe ontstaat magisch denken? Markeer het

antwoord in de tekst.

b Welke magische gedachten had jij vroeger?

kij

En welke magische gedachten heb je nu nog?

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

70

c Wie of wat leerde/leert je dat die gedachten niet

kloppen?


7 Bekijk de filmpjes over ‘objectpermanentie’ en ‘behoud van het aantal’.

Leg deze beide cognitieve ontwikkelingen uit in volzinnen. Maak daarbij gebruik van de onderstaande woorden. Objectpermanentie sociaal leren – geheel ontwikkeld – het besef dat een voorwerp blijft bestaan, ook al zie je het niet

IN

meer – 21 maanden – 9 maanden – geheugenconcentratie – zoekstrategie – 13 maanden Behoud van het aantal

4 j. 7 m. – je hebt er geen weggehaald (identiek) – controleert door het tellen – 6 j. 3 m. – begrippen

‘meer’ en ‘evenveel’ nog niet onderscheiden – langer is meer – 7 j. 1 m. – nog identieke ervaring, maar

VA N

controleert meteen

Cognitieve ontwikkeling

2.3

Als je kijkt naar de ontwikkeling van kinderen, dan zie je dat ze naast een sterke fysieke ontwikkeling ook cognitief heel wat vaardigheden ontwikkelen, zoals: lezen en spreken;

—

verbanden leggen (eerst tussen concrete gegevens en tijdens de adolescentie ook tussen

r©

—

abstracte gegevens); —

nadenken over dingen (bv. een oorzaak-gevolgrelatie ontdekken).

De cognitieve ontwikkeling is met andere woorden het proces van het verwerven,

aa

verwerken, opslaan en vervolgens toepassen van kennis.

De Zwitsere psycholoog Jean Piaget verrichtte belangrijk onderzoek naar de cognitieve principes op: —

pl

ontwikkeling van kinderen. Op basis van enkele studies stelde hij onder andere deze twee objectpermanentie: het vermogen om een beeld zien;

m

in je geheugen vast te houden, zonder het te ‘Baby’s zijn dol op het kiekeboespelletje.’

ke xe

Omdat baby’s nog niet het vermogen hebben om een beeld vast te houden in hun geheugen zonder het te zien, vinden ze het fantastisch grappig om telkens het gezicht van hun verzorger opnieuw te zien verschijnen als het doekje voor het gezicht weggaat. In hun ogen bestond die persoon even niet meer. conservatie (of behoud) van aantal en hoeveelheid: het vermogen om te beseffen dat het aantal of de hoeveelheid van iets onveranderd blijft, ook al verandert de vorm. ‘Wat weegt het meest? Een kilo lood of een kilo pluimen?’ Jonge kinderen hebben nog niet het vermogen om te beseffen dat een kilo altijd een kilo weegt. De redenering gaat voor hen als volgt: iets waarvan je er meer hebt, zal ook meer wegen. Daarom zal drinken uit een hoog, smal glas voor hen ook meer lijken, dan drinken uit een laag, breed glas; ook al is de hoeveelheid water dezelfde.

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

—

71


8 Verbind de voorbeelden met de juiste cognitieve activiteit: a

lezen en spreken

b

verbanden leggen

c

nadenken over dingen

1→ Daniël is 6 jaar oud. Hij mag binnenkort naar het

IN

eerste leerjaar. Hij kijkt er enorm naar uit, want

2→ Yasmin, 5 jaar, rent naar haar mama met deze vraag: ‘Wat als jij nog niet geboren was, en ik natuurlijk ook niet, en eigenlijk was er nog

VA N

dan zal hij ‘eindelijk de krant kunnen lezen’.

r©

niemand geboren … Uit welke buik werden we dan

aa

eigenlijk geboren? Waar komen we vandaan?’

3→ Melissa is 8 jaar. Ze redeneert als volgt: ‘Als ik mijn zakgeld een jaar probeer te sparen, dan kan ik iets

ke xe

m

al iets zou kopen.

pl

veel groters kopen dan wanneer ik volgende week

VIP

Jean Piaget (1896-1980) was een Zwitserse psycholoog. Hij werkte als

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

assistent van Théodore Simon, een man die samen met Alfred Binet de eerste

72

intelligentietest had ontwikkeld (de Binet-Simontest). De methode die Simon toepaste was gericht op de aanwezige kennis. Piaget wilde meer weten over de manier waarop kennis zich ontwikkelt bij kinderen en deed daar dan ook uitvoerig onderzoek naar. Hij was wat je noemt een cognitief psycholoog. Dit is een van zijn bekendste citaten: ‘Het voornaamste doel van opvoeding is mensen te vormen die in staat zijn nieuwe dingen te doen, en niet alleen maar te herhalen wat andere generaties hebben gedaan.’


De socio-emotionele ontwikkeling Als kind moet je niet enkel leren kennis te verwerven. Je moet ook leren omgaan met je gevoelens en gevoelens van

IN

anderen. Dat proces heet de socio-emotionele ontwikkeling: het derde ontwikkelingsdomein. 9 In de jaren zestig voerde de Amerikaanse psycholoog

Harry Harlow experimenten uit met resusaapjes. Hij kreeg flesvoeding van een ijzeren kunstmoeder die bekleed was met een warme stof. De andere groep kreeg flesvoeding van een ijzeren kunstmoeder zonder stof.

Bekijk het filmpje over Harlows experimenten en

r©

beantwoord de vragen.

VA N

verdeelde de aapjes in twee groepen. De ene groep

a Hoeveel tijd brengt het aapje door bij de verschillende kunstmoeders?

aa

m

pl

b Hoe reageert het aapje als het in gevaar gebracht wordt?

ke xe

c Welke besluiten trekt Harlow uit zijn experiment?

Een kind huilt niet zonder reden. Het huilen vertrekt

vanuit een behoefte die niet vervuld wordt. a Waarom huilt het kind op deze afbeelding?

Wat zou er gebeurd zijn? Bedenk drie redenen. Noteer ze in de tabel op de volgende pagina.

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

10

73


b Wat zou het kind nodig hebben? Neem er eventueel de lijst van behoeften (p. 57) bij.

Er zijn telkens meerdere antwoorden mogelijk.

1

2

3

Behoeften (b)

VA N

Redenen (a)

IN

r©

c Wanneer heb jij de laatste keer gehuild? Neem opnieuw de lijst met behoeften erbij en ga na welke

behoefte bij jou niet vervuld was.

aa

11

pl

Bekijk het filmpje over het Still Face Experiment en beantwoord de onderstaande vragen.

ke xe

m

a Welke handelingen zie je de baby verrichten om de aandacht van de mama te winnen?

b Wat doet de baby als hij uiteindelijk geen reactie krijgt?

kij

c Wat toont dit experiment aan?

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

74


Socio-emotionele ontwikkeling

2.4

De socio-emotionele ontwikkeling gaat over het leren kennen, herkennen en begrijpen van je eigen en andermans gevoelens en de manier waarop je daarmee omgaat. Een centraal thema in de socio-emotionele ontwikkeling bij kinderen is gehechtheid. Dit is de emotionele

IN

en wederkerige band tussen ouder (of verzorger) en kind. De band zorgt voor veiligheid en vertrouwen.

De Britse psycholoog en psychiater John Bowlby was de eerste die de term gehechtheid

VA N

(attachment) gebruikte. Hij onderscheidde vijf instinctieve reacties die verband houden met gehechtheid: zuigen, zich vastklampen, volgen, huilen en glimlachen. Die gedragingen zijn

pl

aa

r©

erop gericht het contact met de ouder (of verzorger) te bestendigen of te herstellen.

Een andere onderzoeker die zich richtte op gehechtheid was de Amerikaanse psychologe

m

Mary Ainsworth (1913-1999). Zij onderzocht interactiepatronen en -vormen tussen opvoeder en kind. Daarvoor richtte ze een proefkamer in en ging na hoe peuters reageerden in verschillende omstandigheden. Ze onderzocht ook de manier waarop de opvoeders

ke xe

reageren op signalen van het kind (de responsiviteit). Ainsworth onderscheidde drie groepen peuters op basis van hun gedrag in een vreemde situatie: —

kinderen met een veilige gehechtheid zoeken contact met de opvoeder, maar durven ook de omgeving verkennen;

—

kinderen met een vermijdende gehechtheid zoeken amper contact met de opvoeder en zijn eerder op zichzelf gericht; kinderen met een afwerende gehechtheid zoeken op een bezitterige manier contact met de opvoeder en durven de omgeving niet te verkennen.

Het opbouwen van basisvertrouwen (het gevoel dat je er mag zijn) is een noodzakelijke voorwaarde in het opbouwen van een veilige gehechtheid. Zich beschermd en geliefd voelen door de verzorger is daarbij cruciaal. Het kind krijgt zo vertrouwen in de omgeving en op termijn ook zelfvertrouwen (het vertrouwen in de eigen kracht). Dat zorgt er op zijn beurt voor dat een kind zelfstandig durft te handelen en – nog later – zich creatief kan inleven. Het lijkt ironisch, maar het gevoel van sterke verbondenheid met de opvoeder zorgt er dus uiteindelijk voor dat het kind afstand kan nemen om letterlijk en figuurlijk op eigen benen te staan.

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

—

75


12

Verbind de omschrijvingen met het juiste begrip. a

b

objectpermanentie

c

responsiviteit

zelfvertrouwen

Begrip

de manier waarop opvoeders reageren op signalen van het kind

2

het vermogen om een beeld in je geheugen vast te houden, zonder het te zien

3

het vertrouwen in de eigen kracht

VA N

1

IN

Omschrijving

VIP

Edward John Mostyn Bowlby (1907-1990) was een Britse psycholoog en

psychiater. Hij kwam uit een gezin in de hogere middenklasse. Zijn ouders

r©

geloofden dat te veel ouderlijke affectie en aandacht een kind zouden verwennen. Daarom lieten ze hem tot zijn 4 jaar door een nanny opvoeden. Toen Bowlby 7 jaar werd, stuurden zijn ouders hem naar een internaat. Later zou Bowlby dat omschrijven als een traumatische ervaring. Hij studeerde psychologie aan de universiteit en later ook psychiatrie. Hij werkte veel met

aa

kinderen en wat hem het meest interesseerde was de invloed van afwezigheid van verzorgers op kinderen. Nadat hij heel wat tijd gespendeerd had aan dat onderwerp, begon Bowlby zijn ideeën te ontwikkelen over het belang van

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

ke xe

m

pl

gehechtheid voor de ontwikkeling van het kind.

76


13

Ontwikkeling bestaat uit verschillende domeinen. Vervolledig de mindmap van de (sub)domeinen met de juiste begrippen. Voeg waar mogelijk de namen van belangrijke onderzoekers toe. verbanden leggen – gehechtheid – Bowlby – lichaamsbouw – Piaget – Ainsworth –

IN

nadenken over dingen – sensorische ontwikkeling – lezen en spreken – motorische ontwikkeling

VA N

ONTWIKKELING

fysieke ontwikkeling

begrippen

onderzoekers

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

ke xe

pl

onderzoekers

m

onderzoekers

begrippen

aa

ontwikkeling

r©

begrippen

socio-emotionele

cognitieve ontwikkeling

77


14

Hoewel je net de ontwikkelingsdomeinen als drie onafhankelijke domeinen bestudeerde, zijn ze onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wanneer de ontwikkeling op het ene domein niet goed loopt, heeft dat effect op de andere domeinen. a Lees de onderstaande voorbeelden en noteer op welk domein de ontwikkeling verstoord wordt.

IN

b Ga vervolgens na op welk(e) ander(e) domein(en) die verstoring effect heeft.

HET EXPERIMENT VAN RENÉ SPITZ

VA N

De Oostenrijkse psychoanalist René Spitz (1887-1974) voerde in de jaren 40 een heel luguber experiment uit op

veertig pasgeboren baby’s in de Verenigde Staten. Twintig

baby’s kregen de basisverzorging van voeden, verschonen en wassen, maar niets meer. De verzorgers mochten de baby's niet aankijken, hen niet meer aanraken dan nodig

en niet met hen communiceren. De omgeving werd steriel gehouden, zodat de baby's niet ziek konden worden.

r©

Het experiment werd na vier maanden stopgezet. Tegen die tijd was al minstens de helft van de baby's

gestorven. Twee baby’s stierven nog na hun redding. Alle baby’s waren nochtans allemaal fysiek in goede

gezondheid. De andere twintig baby’s die een normale

aa

verzorging kregen, bleven allemaal in leven.

pl

Bron: www.knack.be

a

m

b

ke xe

DE INVLOED VAN ALCOHOL TIJDENS DE ZWANGERSCHAP Als een zwangere vrouw drinkt, riskeert ze hersenbeschadiging bij haar ongeboren baby.

Eén glas heeft al een negatief effect op de foetus. Foetaal Alcohol Syndroom, of FAS, is een

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

hersenaandoening, veroorzaakt door alcohol tijdens de zwangerschap.

78

Kinderen met FAS of FASD hebben vaak leerproblemen. Voorbeelden zijn slecht verwerken van informatie, moeite met rekenen, slechte beoordeling van situaties en weinig emotionele controle. Ook spraakproblemen komen voor. De sociale en emotionele ontwikkeling blijven achter, wat kan leiden tot gedragsproblemen. Naar: www.hersenstichting.nl

a b


ANALFABETISME EN LAAGGELETTERDHEID Een analfabeet is iemand die niet kan lezen en schrijven. Zoals bij veel vaardigheden zijn er gradaties in het kunnen lezen en schrijven.

Omdat het in elk beroep voorkomt dat er een tekst, of op zijn minst korte aanwijzingen, gelezen moeten worden, hebben in de maatschappij goed te functioneren.

VA N

laaggeletterden vaak, net als analfabeten, grote problemen om

IN

Mensen die het lezen en schrijven in onvoldoende mate beheersen worden ook wel laaggeletterden genoemd.

Laaggeletterdheid kan ook het zelfvertrouwen aantasten met eveneens nadelige gevolgen voor het functioneren. Naar: educatie-en-school.infonu.nl

r©

a b

aa

Hoe kun je deze ontwikkelingsdomeinen observeren?

pl

STAP 3

‘Het is maar om te spelen, het is niet voor echt,’ zeggen kinderen soms over hun eigen spel. Zo lijkt het spel iets futiels, iets onbelangrijks. Maar dat is het niet. Elke spelvorm vertelt namelijk iets over de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich

m

bevinden en over hoe de drie ontwikkelingsdomeinen elkaar op dat moment beïnvloeden. 1 Bekijk ter voorbereiding op deze Stap twee video’s. Daarin legt een expert uit hoe we in het spelgedrag en

ke xe

in andere activiteiten van lagereschoolkinderen het verband zien tussen de ontwikkelingsdomeinen en hoe je daar als opvoeder het best mee omgaat. Vul de fiche in bij het onlinelesmateriaal.

VIP

doet onderzoek naar en heeft ervaring met het opvoeden van kinderen en jongeren. Hij staat gekend voor de rustige stijl waarin hij moeilijke onderwerpen uitlegt en wordt gewaardeerd voor de toegankelijke manier waarop hij wetenschappelijke kennis toepast. Hij publiceerde heel wat werken, onder andere Laat ze niet schieten (2010). In dat boek legt hij uit waarom het vandaag de dag moeilijk is om als adolescent op te groeien en wie de verantwoordelijkheid daarvoor draagt.

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

De Belgische kinder- en jeugdpsychiater Peter Adriaenssens (°1954)

79


2 Spelen: voor een kind leuk, voor ons interessant.

Er zijn heel wat soorten spelen, maar niet op elke leeftijd speel je dezelfde spelen. Een spel waar je vroeger dol op was, vind je nu ineens kinderachtig. Een ander spel wil je graag een keer proberen, maar dat vinden volwassenen nog te gevaarlijk. Hieronder staan acht rollenspelen.

IN

a Noteer het nummer van het rollenspel bij de fase waarin dat spel het meest voorkomt. Lees daartoe

1→ ‘Ik zou papa zijn en jij was het kindje.’

2→ politie en boef spelen

3→ brandweerman spelen

4→ ‘Gaan we voetballen? Na hoeveel hoekschoppen doen we een penalty,

5→ Schipper, mag ik overvaren?

6→ blad-steen-schaar

7→ verstoppertje spelen

8→ doktertje spelen b Verklaar je keuze aan de hand van de

kenmerken van het rollenspel.

r©

drie of vier?’

VA N

eerst de kenmerken van de rollenspelen per leeftijdsfase.

c Noteer op de gepaste plaats een spel dat

Leeftijd

aa

jijzelf in je lagereschooltijd speelde.

pl

Kenmerken van het rollenspel

Veeleer een symbolisch spel: het doen alsof

m

Kenmerken:

de kinderen herhalen en oefenen in;

—

vaste regels en structuur zijn belangrijk;

—

het spel geeft veiligheid en houvast;

—

kinderen leren situaties steeds beter herkennen;

—

kinderen onthouden beter verschillende onderdelen van een bepaalde

ke xe

—

THEMA 1 HOOFDSTUK 2 80

4-6 jaar

In

kij

rol;

—

kinderen kunnen dit gebruiken in het leven buiten het spel;

—

daardoor groeit het zelfvertrouwen;

—

het spel is kortdurend en er wordt veel van rol gewisseld.

Eigen spel:

Welke spelen?


Belang van rollenspelen voor sociale ontwikkeling Kenmerken: —

er worden ingewikkelde rollen gespeeld die wisselen;

—

er zijn wisselende winnaarsmogelijkheden (iedereen is dan eens de winnaar en dan weer de verliezer); het spel duurt langer;

—

kinderen bedenken vaak zelf eigen regels;

—

vaste regels moeten wel strak gevolgd worden;

—

het vermijdt ruzies;

—

kinderen spelen graag samen;

—

kinderen leggen groeiende sociale vaardigheden aan de dag (onder meer

6-9 jaar

Eigen spel: Spelen in groepjes volgens interesses —

r©

Kenmerken:

VA N

de beurt afwachten, tegen je verlies kunnen).

IN

—

kinderen kunnen discussie aan over het toepassen of veranderen van spelregels;

ruzies zijn een deel van het spel;

—

winnen wordt steeds belangrijker, het bepaalt de plaats in de groep;

—

omdat de groep belangrijk is, kunnen kinderen in functie van de groep

aa

—

pl

Eigen spel:

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

ke xe

m

9-12 jaar

toegevingen doen.

81


Ontwikkelingsdomeinen: herkenbaar in rollenspelen

2.5

1 Rollenspelen

—

Cognitief Bij een rollenspel leren kinderen situaties en het gedrag van mensen kennen. Al spelend imiteren ze anderen in bepaalde situaties. observatievermogen en taalcapaciteit (denken en taal gaan samen).

—

Socio-emotioneel

IN

Voorwaarden voor een rollenspel vanuit het cognitieve domein zijn een ontwikkeld

Jonge kinderen leren aanvoelen hoe het is om iemand te zijn en hoe je bepaalde dingen

VA N

wel en niet doet. Zo leren ze zich in een bepaalde situatie te gedragen zoals ze het in hun directe omgeving waarnemen. Rollenspelen zijn telkens lessen in sociale vaardigheden Een voorwaarde voor een rollenspel vanuit het socio-emotionele domein is beschikken over inlevingsvermogen. 2 Regelspelen

Rollenspelen zijn ook regelspelen. Onder regelspel vallen de gecoördineerde groepsspelen, waarbij regels van toepassing zijn. Dankzij dit soort spelen leren kinderen regels en

r©

afspraken toepassen en samenwerken. De manier waarop ze regels gebruiken in hun rollenspelen zegt iets over de ontwikkelingsfase waarin ze op dat moment zitten. —

Vanaf de leeftijd van 6 jaar verschijnen de eerste regelspelen.

—

Tussen 6 en 9 jaar is er nog dikwijls een volwassene nodig die het spel begeleidt en de regels doet naleven. Hier zijn spelen populair met vaste regels en wisselende

—

aa

mogelijkheden om te winnen, zoals ‘paard en ruiter’.

Vanaf ongeveer 9 jaar is het kind cognitief en sociaal al zo ver ontwikkeld dat het zelf regels doet naleven en ze ook zelf kan aanpassen. Ruzies zijn daarbij onvermijdelijk,

pl

want winnen is steeds belangrijker om de plaats in de groep te bepalen. Binnen deze leeftijdsfase kunnen ze de discussie met de ander stilaan aan. Ze praten al heel vlot en kunnen toegevingen doen, want het behoud van de groep is heel belangrijk in hun

m

beleving.

ke xe

3 Lees de volgende situatie, die uit het leven gegrepen is. Beantwoord vervolgens de vraag onder de tekst.

DIEF EN POLITIE

Pa en ma worden altijd zenuwachtig wanneer hun oudste zoon Jeroen (11) vraagt of hij

kij

mag meespelen met zijn broers, Seb (6) en Bas (8), want er komt gegarandeerd ruzie van. Gisteren was het weer zover. Seb en Bas speelden ‘dief en politie’. Seb speelde de

politieman en Bas speelde de dief. Dat spraken ze zo af. Zodra Bas een diefstal zou plegen, zou Seb hem met zijn

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

pistool – een banaan –in bedwang houden. Alles ging

82

goed en ze wisselden regelmatig van rol. Toen kwam Jeroen meespelen … Ma zag de bui al hangen. ‘Mag ik meespelen?’ vroeg Jeroen heel nadrukkelijk. ‘Ik ben de politieman en ik schiet jullie allebei dood.’ Het spel viel meteen stil en de ruzie begon.


Waarom is er in deze situatie ruzie tussen de drie broers? Gebruik in je antwoord de inhoud van het kenniskader.

IN

Batman Naarmate een kind ouder wordt, moet bij rollenspelen het gebruikte materiaal steeds echter lijken. Op jonge leeftijd maakt het kind een geweer met zijn eigen hand, maar vanaf de kleutertijd vraagt de kleuter aan zijn ouders een echt speelgoedgeweer.

VA N

Good to know

r©

Nog later zal het kind door een groeiend realiteitsbesef en de

steeds beter wordende waarneming alleen nog een wapen uit een bepaalde tv-serie gebruiken om die serie na te spelen, ondanks mogelijk verzet van vredelievende opvoeders. Zo is Batman pas Batman als je een kapmantel en dat

aa

typische maskertje hebt. Het Batmansymbool mag zeker niet

m

Welke namen krijg je tijdens je ontwikkeling?

ke xe

STAP 4

pl

ontbreken!

Je leven is een tijdlijn van vele jaren. Op die tijdlijn kun je telkens een aantal jaren groeperen. Die jaren vormen samen een fase. Elke fase heeft zijn eigen uitdagingen. Dat gaat van leren lopen, over intieme partnerrelaties aangaan, tot een eerste gehoorapparaat kopen. Hoewel de fasen van jouw leven uniek aanvoelen – alsof alleen jij ze meemaakt – maken we allemaal dezelfde levensfasen door.

1 Hieronder wordt het leven van Erik Erikson (1902-1994) geschetst, een bekend psycholoog. Lees zijn

ERIK ERIKSON Erik Erikson werd in 1902 in Duitsland geboren. Hij migreerde in 1933 naar de VS, waar hij de Amerikaanse nationaliteit aannam. Zijn theorievorming rond de psychosociale ontwikkeling werd sterk beïnvloed door zijn eigen levensverhaal. Zijn biologische vader was een onbekende Deense man, die Eriks moeder in de steek liet voor hij geboren werd. Toen Erikson 3 jaar was, huwde zijn moeder met kinderarts Theodor Homberger. In zijn

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

biografie. Beantwoord vervolgens de vragen onder de tekst.

83


kindertijd heette Erikson dus Erik Homberger, en hij had geen idee van de waarheid rond zijn geboorte. Na zijn middelbare studies wou Erikson kunstenaar worden. Op lesvrije momenten reisde hij door heel Europa, bezocht musea en sliep onder bruggen. Kortom: hij leefde als een zorgeloze rebel. Toen hij 25 jaar was, overtuigde een kameraad hem om leraar te worden in een experimenteerschool voor Amerikaanse kinderen. Die school werd geleid door Dorothy

IN

Burlingham, een vriendin van Anna Freud, de dochter van Sigmund Freud (grondlegger van de psychoanalyse). Zo werd hij leraar kunstvakken. Bovendien behaalde hij een diploma aan het Weense Psychoanalytisch Instituut. Op de school waar hij lesgaf ontmoette hij de Canadese danslerares Joan Senson, met wie hij huwde en drie kinderen kreeg.

VA N

In 1933 emigreerde hij naar de VS om te vluchten voor het oprukkende naziregime. Toen hij een Amerikaanse burger werd, veranderde hij zijn naam in Erik Erikson. Zijn ervaringen

zetten hem aan tot nadenken over de invloed van maatschappelijke en culturele invloeden op de ontwikkeling van kinderen en jongeren.

Tussen de jaren 1939 en 1951 werkte hij aan de Universiteit van Californië in Berkeley en San Francisco. In 1950 schreef hij zijn eerste grote werk getiteld Kindertijd en samenleving. Hij overleed in 1994.

r©

Naar: nl.thpanorama.com

a Stel een beknopte tijdlijn op van Eriksons levensloop op basis van de informatie die je krijgt.

aa

Tijdlijn Erikson

ke xe

m

pl

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

84

b Interview een volwassene of oudere uit jouw netwerk over zijn of haar levensloop. Stel vervolgens –

op een apart blad – een beknopte tijdlijn op van zijn of haar leven. 2 Je bent nu een adolescent. Over enkele jaren studeer je af als leerling van de middelbare school. Probeer

je je verdere levenspad voor te stellen. Wat wens je jezelf toe? Hoe hoop je om te gaan met tegenslag? Schrijf op een apart blad een brief naar je toekomstige zelf.


Ontwikkelingsfasen

2.6

Als je naar je levensloop kijkt en rekening houdt met alle ontwikkelingsdomeinen (fysieke, cognitieve en socio-emotionele), deel je die levensloopfasen of ontwikkelingsfasen als

bevruchting - geboorte

baby en peuter

geboorte - 2 jaar

vroege kindertijd

2 - 6 jaar

midden kindertijd

6 - 11 jaar

adolescentie

11- 18 jaar

vroege volwassenheid

18 - 40 jaar

midden volwassenheid

40 - 65 jaar

late volwassenheid

65 jaar - overlijden

r©

Naar: Berk, L., Development through the livespan

VA N

prenataal

IN

volgt in:

Die indeling is relatief. Het onderverdelen van de levensloop in verschillende periodes is een

aa

sociale constructie, een uitvinding binnen een bepaalde cultuur of samenleving. Het concept van de kindertijd kan dus per cultuur verschillend zijn. Ook het concept van adolescentie is over de hele wereld anders, zoals je in het vorige hoofdstuk leerde. Binnen de westerse hierboven opgesomd.

ke xe

m

Naar: www.joho.org

pl

samenleving onderscheiden we de acht verschillende ontwikkelingsperiodes zoals in de tabel

Good to know

Ouder worden over culturen heen In de westerse cultuur vieren we ‘ouder worden’ over het algemeen niet: jong zijn en/of lijken is belangrijk, fysieke tekenen van veroudering zijn niet erg welkom. Ouder worden wordt niet omarmd en ouderen zijn vaak aangewezen op zorginstellingen. generatie draagt zorg voor oudere familieleden. In een Koreaanse familie wordt de zestigste verjaardag uitgebreid gevierd omdat dit moment wordt beschouwd als de overgang naar ouderdom. In India worden ouderen gezien als het hoofd van de familie. Families wonen vaak in opgedeelde accommodaties samen met het oudste familielid. De jongere familieleden onderhouden de oudere, die in ruil daarvoor meehelpen in de zorg voor kleinkinderen. Het oudste familielid is altijd diegene aan wie advies wordt gevraagd. In Afro-Amerikaanse culturen heerst weinig angst rond het fenomeen van ouder worden. Sterker nog, de dood ziet men als een belangrijk deel van het leven. Afro-Amerikaanse begrafenissen lijken zelfs een feestelijk aspect te hebben.

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

In Noord- en Zuid-Korea worden ouderen zeer gerespecteerd, in het bijzonder de eigen ouders. De jongere

85


STAP 5

Wat neem je mee naar je volwassenheid?

IN

We zien ‘volwassen zijn’ doorgaans als het hoogtepunt van onze ontwikkeling. Volgens sommigen gaat het daarna alleen maar bergaf. Toch blijken we als volwassenen pas rond 50 jaar op het hoogtepunt van onze carrière te zijn. Directeurs,

rechters en wereldleiders zijn soms ouder dan 60 of 70 jaar, met een bijzonder zware job. De drie ontwikkelingsdomeinen

krijgen in de volwassenheid dan ook verder vorm, weliswaar aan een ander tempo dan in de eerdere levensfasen. Ze blijven

VA N

samenhangen en elkaar beïnvloeden, zowel in positieve als in negatieve richting.

1 Waar associeer jij ‘volwassen zijn’ mee? Geef voor elk ontwikkelingsdomein ten minste één voordeel en

één nadeel. Voordeel

Fysieke

r©

ontwikkeling

Cognitieve ontwikkeling

pl

aa

m

Socio-emotionele

kij

In THEMA 1 HOOFDSTUK 2

86

ke xe

ontwikkeling

Nadeel


2 Lees het onderstaande artikel. Beantwoord vervolgens de vragen onder de tekst.

HOE JE VROEGE JEUGD JE RELATIES BEÏNVLOEDT Niet iedereen bouwt met

IN

evenveel gemak een mooie liefdesrelatie op. Dertig tot veertig procent van alle mensen is minder sterk in het aangaan van

VA N

intieme banden. Hun liefdesleven verloopt moeizaam. Die moeizame manier van omgaan met liefde en intimiteit, wordt voor een belangrijk deel bepaald door

onze vroegste ervaringen. Cruciaal is hoe onze ouders in de eerste jaren na onze geboorte reageerden op onze behoeften. Mensen hechten zich aan hun partner zoals ze dat in hun

r©

jeugd aan hun ouders hebben gedaan. Dat zegt psychologe Pieternel Dijkstra. ‘De omgangspatronen die je in je jeugd hebt aangeleerd, zijn meestal behoorlijk hardnekkig,’ zegt Dijkstra. ‘Je neemt ze mee naar de volwassenheid, en ze gaan dan de relatie met je partner beïnvloeden. De meeste ouders zijn attent, warm en begripvol, maar er zijn er ook die afstandelijk, afwijzend of kil zijn. Weer anderen zijn onvoorspelbaar: ze reageren

aa

alleen op hun kind als ze daar zelf tijd voor of zin in hebben.’

Zo raken sommigen verzeild in een relatiepatroon van aantrekken en afstoten. Anderen zijn zo gesloten als een oester. Nog anderen zijn in relaties vooral bezig met zichzelf: krijg ik wel genoeg steun en aandacht? Ze klampen zich vast aan hun partner en zijn snel jaloers.

pl

Ondanks dat is er hoop. Hechtingsstijlen zijn veranderbaar. Ongeveer dertig procent van de mensen slaagt er in de loop van het leven in om een veiligere hechtingsband aan te gaan.

m

En mensen die als kind al veilig gehecht waren, verliezen die basis meestal niet.

ke xe

Naar: www.psychologiemagazine.nl

a Welke moeilijke patronen in het aangaan van relaties vind je terug in de tekst? Markeer.

b Volgens psycholoog Dijkstra heeft elk moeilijk relatiepatroon in een bepaalde leeftijdsfase

te maken met een vroeger moeilijk omgangspatroon met de ouders. Hoe denk je dat de gehechtheidsrelatie met de ouders eruitzag bij elk van de moeilijke patronen die je bij vraag a

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

aanduidde?

87


De acht levensfasen volgens Erik Erikson

2.7

Volgens de Duits-Amerikaanse psycholoog Erik Erikson (1902-1994) kent onze psychosociale ontwikkeling acht levensfasen. In elk van die levensfasen, zo stelt Erikson, maak je een crisis door rond een bepaald levensthema en zoek je naar een oplossing. Als je in die crisis de

IN

oplossing vindt, levert het jou een nieuwe vaardigheid op.

De overgang tussen de opeenvolgende fasen verloopt geleidelijk en is in realiteit niet altijd duidelijk. Zeker is wel dat je doorheen die acht fasen gaandeweg je identiteit ontwikkelt.

Crisis Vertrouwen versus wantrouwen

Nieuwe

VA N

Levensfase

vaardigheid

De moeder of de vaste verzorg(st)er zorgt voor een basis van vertrouwen = een eerste stap in

(zuigelingenfase)

de persoonlijkheidsontwikkeling.

hoop

Als er geen vertrouwensrelatie ontstaat,

r©

0-1,5 jaar

kan de persoon een gevoel van wantrouwen ontwikkelen.

Onafhankelijkheid versus afhankelijkheid centrale figuren: ouders

aa

De energie van het kind gaat vooral naar

de ontwikkeling van lichamelijke doelen: stappen, dingen vastpakken, beheersing van de sluitspieren. Zo kan het kind zelfstandiger

(peuterleeftijd)

dingen aan.

pl

1,5-3 jaar

wilskracht

Het kind wil wel dicht bij zijn ouders zijn,

m

maar toch ook zelfstandiger worden. De spanningsvelden tussen dat aantrekken en afstoten kunnen aanleiding geven tot

ke xe

gevoelens van schaamte en twijfel aan zichzelf. Initiatief nemen versus schuldgevoel relatie: het gezin De fase van de kleine identiteit. Het kind komt meer op voor zichzelf, neemt meer initiatief

kij

en leert de wereld rondom zich ontdekken.

3-6 jaar

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

(kleuterleeftijd)

88

Het moet dan wel aanvaarden dat bepaalde dingen niet zijn toegelaten. Dat verkennen levert positieve ervaringen op. Het kan ook schuld- en angstgevoelens opwekken, vooral als het kind de kans niet krijgt om dingen op zijn eigen manier uit te proberen. In zo’n situatie krijgt het kind het gevoel dat wat het wil altijd fout is.

doelgerichtheid


Levensfase

Nieuwe

Crisis

vaardigheid

Vaardigheid versus minderwaardigheid relatie: school en buurt Deze fase valt samen met de

IN

lagereschoolleeftijd. Kinderen zijn al redelijk realistisch, objectief en zakelijk. Ze zijn vooral leergierig en leren zo hun eigen vaardigheden

(lagereschool­

kennen. Ze leren ook doorzetten en met

leeftijd)

plezier een taak afwerken.

zelfvertrouwen

VA N

6-12 jaar

Maar dat kan ook aanleiding geven tot

minderwaardigheidsgevoelens. Er kunnen onder meer spanningen ontstaan tussen de thuiswereld en de wereld van de leeftijdgenoten.

Identiteit versus identiteitsverwarring

r©

relatie: leeftijdgenoten en identificatiefiguren Jongeren in de adolescentie gaan meer

nadenken over zichzelf, hun functioneren in

de samenleving. Hun identiteit en zelfbeeld is vaak gekoppeld aan uiterlijke kenmerken.

aa

Het is vaak wel de meest kritieke periode 12-18 jaar

in de persoonlijkheidsontwikkeling. Er kan

(adolescentie)

identiteitsverwarring voorkomen als de

trouw

adolescent twijfelt over zijn keuzes, o.m. zijn

pl

beroepskeuze of zijn seksuele geaardheid. Sommige adolescenten ontwikkelen een negatieve identiteit of ze nemen rollen aan

m

die in de maatschappij niet worden aanvaard (soms marginale groepjes of delinquent

ke xe

gedrag).

Intimiteit versus isolement relatie: partners en vrienden In deze fase worden interpersoonlijke relaties aangegaan op basis van vriendschap, seks, huwelijk. Men neemt deel aan het maatschappelijk leven. Daarbij horen het

volwassenheid)

nemen van verantwoordelijkheid en het geven

liefde

en aanvaarden van kritiek. In deze fase kan isolement de belangrijkste crisis zijn om te komen tot een volwaardige wederzijdse intimiteit met een geliefde partner.

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

18-35 jaar (vroege

89


Levensfase

Nieuwe

Crisis

vaardigheid

Generativiteit versus stagnatie relatie: personen met wie men werkt en samenleeft

IN

In deze fase komt de persoonlijkheid volledig tot ontplooiing. De fase wordt gekenmerkt 35-65 jaar

door activiteit en creativiteit. Men kan de zorg

(middelbare

voor anderen aan.

volwassenheid)

In deze fase kan een midlifecrisis voorkomen.

VA N

zorgzaamheid

De persoon maakt halfweg zijn leven een balans op. Hij kan daarbij een negatief

oordeel vellen over wat hij tot nu presteerde en wat nog komen zal. En hij neemt soms foute beslissingen over zijn toekomst. Ego-integriteit versus wanhoop

r©

Alle conflicten uit de vorige fasen zijn

opgelost. Alle positieve identiteitskenmerken worden nu gebundeld. Men kijkt terug op het 65+ (late

leven en ziet dat het eigenlijk wel goed ging.

volwassenheid)

Men aanvaardt zichzelf zoals men is.

acceptatie

aa

Sommigen worden echter wanhopig omdat ze toch niet bereikt hebben wat ze wilden bereiken en hen nu de tijd ontbreekt om er

pl

nog iets aan te doen.

m

Naar: Erik Erikson, Personality theories, Dr. C. George Boeree (Psychology Department Shippensburg University)

3 Reclameboodschappen maken gretig gebruik van de thema’s die spelen in de levensfasen, zoals omschreven

ke xe

door Erikson. Ga op zoek naar drie voorbeelden en bespreek ze in de klas: situeer voor welke levensfase de

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

reclame bedoeld is en op welke crisis ze inspeelt.

90


4 Lees hieronder drie situaties uit verschillende levensfasen. a Beantwoord vervolgens voor elke tekst de volgende vragen:

1→ In welke levensfase, zoals door Erikson omschreven, situeer je deze situatie?

2→ Welke richting zou de crisis, die hoort bij de levensfasen die Erikson omschreef, uitgaan?

IN

HET VERHAAL VAN MAI LINH

Als ik mijn verjaardag vier, dan vier ik dat ik de kans heb gekregen om hier in

VA N

België op te groeien, dat ik hier mijn vrienden en familie heb. Soms vier ik ook mijn

aankomstdag in België. Daar horen dan zeker ballonnen, taart, slingers en vlaggetjes bij. Toch wordt verjaren elk jaar wat moeilijker, want elk jaar dat ik ouder word, is een

jaar extra dat ik niet weet hoe het zit met mijn biologische ouders en familie. Het is een jaar extra dat ik met mijn vragen zit en een jaar extra dat ook ‘zij’ een jaar ouder zijn of

er niet meer kunnen zijn. Ik weet gewoon niet wie ‘ze’ zijn en waarom ik ben afgestaan. Ik heb bijna geen informatie en dat maakt mijn zoektocht moeilijk.

r©

Niet elke geadopteerde gaat op zoek naar zijn biologische familie. Iedereen gaat er anders mee om. Ergens ben ik wel nieuwsgierig en wil ik weten wat het begin van mijn verhaal is, of ik op mijn biologische ouders lijk, of ik biologische zussen of broers heb en waarom ik ben afgestaan. Ik ben op zoek naar antwoorden, een stukje van mezelf en van mijn verleden, ook al ben ik blij met mijn familie hier en met wat ik allemaal heb.

aa

Bron: a-buddy.be, het verhaal van Mai Linh

pl

1→

m

2→

JEAN PAUL VAN BENDEGEM: ‘IK BEN EEN GELUKKIGE

ke xe

HUISMUS’

Zijn salaris viel plots terug van 4 400 naar 2 600 euro

[toen hij halftijds ging werken]. ‘We leven goed maar niet liederlijk, en daar heb ik ook geen enkele behoefte aan. We zijn gelukkige huismussen, mijn vrouw en ik.’ Zijn hoofd bulkt van de ideeën, een volgend boek zit te rijpen en hij ‘Ik heb nooit een verband gelegd tussen mijn werk

en het bedrag dat op mijn rekening verschijnt. Ik doe het omdat ik het graag doe. Ik ken collega’s die zich geweldig opwinden over docenten die voor een rustig leven kiezen, “en evenveel verdienen als wij”. En dan?’ Bron: De Tijd, 23 juni 2018

1→ 2→

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

blijft verbonden aan de Vrije Universiteit Brussel.

91


LEERLING VAN DE WEEK Als Sabi ‘leerling van de week’ is, krijgt hij enorm veel zenuwen. Hij staat dan immers in de kijker. Hij mag van de leerkracht allerlei taken uitvoeren. Sabi twijfelt of hij dat wel kan … De anderen uit zijn klas moeten maar ‘leerling van de week zijn’, die kunnen dat veel beter, denkt hij. Toch bijt hij op zijn tanden en probeert hij de taken tot een goed einde te brengen,

IN

omdat hij weet dat zijn ouders fier op hem zijn als de leerkracht erover vertelt op het

oudercontact. Voor de rest heeft hij het idee dat hij niet veel kan om fier op te zijn, dus dit

VA N

is wel het minste dat hij kan proberen ...

1→ 2→

b Kies één situatie uit. Hoe zou de volgende levensfase verlopen? Werk zelf verder uit.

r©

aa

pl

Good to know

Lichaamsverandering bij het verouderen

Er zijn twee vormen van verouderen. Primair verouderen

m

verwijst naar de graduele achteruitgang van het lichaam. Die achteruitgang zorgt er uiteindelijk voor dat je minder goed reageert op prikkels uit de omgeving. Zo werken de zintuigen

ke xe

het best tussen 20 en 40 jaar. Daarna vermindert dat. Secundair verouderen verwijst naar de veranderingen als gevolg van ziekte of het niet goed gebruiken of verzorgen van het lichaam. Die veranderingen hebben niet rechtstreeks iets te maken met het ouder worden, maar hangen er wel mee samen omdat ouderen nu eenmaal meer meegemaakt

kij

hebben dan jongeren. Zo komt kortademigheid vaak voor bij het ouder worden omdat bijvoorbeeld de ribbenkast verstijft (primair verouderen).

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

De verhoogde kans op longkanker op oudere leeftijd als

92

gevolg van roken en luchtvervuiling, is een vorm van secundaire veroudering. Naar: Psychologie, een inleiding, Academia Press


EUREKA!

IN

Wat denk je nu over de breinbreker die we aan het begin van dit hoofdstuk formuleerden?

VA N

“Op welke manier zijn de noden van een baby hetzelfde als of net anders dan die van een volwassene?”

Forum

Wat denk je nu, na onze bespreking van dit hoofdstuk? Ga hierover in gesprek met je klasgenoten en noteer hieronder de argumenten die jullie verzamelen.

De noden zijn verschillend.

r©

De noden zijn hetzelfde.

aa

pl

m

ke xe

Vraag het aan de wetenschap! Klaar om de onderzoeker in je los te laten? Lees nog eens goed de instructies in de introductie van

1

Noteer hier de klasvraag voor een wetenschapper:

2

Noteer hier je persoonlijke onderzoeksvraag:

Vergeet niet om steeds rekening te houden met de criteria voor een goede onderzoeksvraag!

↑

Onderzoekscompetentie

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

dit boek (p. 5).

93


SYNTHESE

↑

KENNISCLIP 1

Ontwikkeling

↑

KENNISCLIP 2

2.1

2.2

Ontwikkeling is het samenspel van groei-, rijpings- en leerprocessen. Groeien, rijpen en leren zijn drie ontwikkelingsvormen. Ze kunnen niet los van elkaar gezien worden, want ze spelen op elkaar in. Een

IN

ontwikkelingsvorm is een manier waarop een mens tot ontwikkeling kan komen. We onderscheiden drie

grote ontwikkelingsdomeinen: de fysieke ontwikkeling, de cognitieve ontwikkeling en de socio-emotionele ontwikkeling. Fysieke ontwikkeling

VA N

—

De fysieke of lichamelijke ontwikkeling is de ontwikkeling die het menselijk lichaam doormaakt.

2.2

Ze bestaat uit drie domeinen: de lichaamsbouw, de sensorische ontwikkeling en de motorische

ontwikkeling. In de motorische ontwikkeling onderscheiden we grove motoriek en fijne motoriek.

Wanneer we kijken naar de interactie tussen de sensorische en motorische ontwikkeling, dan hebben we het over de sensomotorische ontwikkeling. Het gaat dan over complexe samenwerkingen die veel oefening prikkel. In dat geval spreken we van een reflex. —

Cognitieve ontwikkeling

r©

vragen. Er bestaan ook ongecontroleerde samenwerkingen die een automatische reactie geven op een

2.3

De cognitieve ontwikkeling is het proces van het verwerven, verwerken, opslaan en vervolgens toepassen van kennis. Dit gaat over vaardigheden als lezen en spreken; verbanden leggen; nadenken over begrippen.

aa

De Zwitserse psycholoog Jean Piaget verrichtte belangrijk onderzoek naar de cognitieve ontwikkeling bij kinderen. Hij deed onder andere experimenten rond de principes objectpermanentie (het vermogen om een beeld in je geheugen vast te houden, zonder het te zien) en conservatie (of behoud) van aantal en al verander je de vorm). —

pl

hoeveelheid (het vermogen om te beseffen dat het aantal of de hoeveelheid van iets onveranderd blijft, ook

Socio-emotionele ontwikkeling

2.4

m

De socio-emotionele ontwikkeling gaat over het leren kennen, herkennen en begrijpen van je eigen en andermans gevoelens en de manier waarop je daarmee omgaat. Een centraal thema in de socio-emotionele ontwikkeling bij kinderen is gehechtheid. Dat is de emotionele en wederkerige band tussen een ouder

ke xe

(of verzorger) en een kind. De band zorgt voor veiligheid en vertrouwen. De Britse psycholoog en psychiater John Bowlby was de eerste die de term gehechtheid (attachment) gebruikte. Hij onderscheidde instinctieve reacties die verband houden met gehechtheid en die erop gericht zijn het contact met de verzorger te bestendigen of te herstellen.

kij

Een andere onderzoeker die zich richtte op gehechtheid was de Amerikaanse psychologe Mary Ainsworth. Zij onderzocht interactiepatronen en -vormen tussen opvoeder en kind, en onderscheidde drie vormen van

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

gehechtheid: veilige, vermijdende en afwerende gehechtheid.

94


Ontwikkelingsdomeinen in rollenspelen

—

2.5

Rollenspelen

Bij rollenspel leren kinderen situaties en het gedrag van mensen kennen. Al spelend imiteren ze anderen in bepaalde situaties. Jonge kinderen leren aanvoelen hoe het is om iemand te zijn en hoe je bepaalde dingen wel en niet doet. Zo leren ze zich in een bepaalde situatie te gedragen zoals ze het in hun directe omgeving Regelspelen

IN

waarnemen. —

Onder regelspel vallen de gecoördineerde groepsspelen, waarbij regels van toepassing zijn. Kinderen leren hierdoor regels en afspraken toepassen en samenwerken. De manier waarop ze regels gebruiken in hun

VA N

rollenspelen zegt iets over de ontwikkelingsfase waarin ze op dat moment zitten.

Ontwikkelingsfasen of levensloopfasen

—

Acht levensloopfasen

2.6

We delen onze levensloop op in verschillende ontwikkelingsfasen of levensloopfasen. Het onderverdelen van de levensloop in verschillende periodes is echter een sociale constructie. Binnen de westerse maatschappij onderscheiden we acht verschillende ontwikkelingsperiodes. prenataal

r©

bevruchting - geboorte

baby en peuter

geboorte - 2 jaar

vroege kindertijd

2 - 6 jaar

midden kindertijd

aa

6 - 11 jaar

adolescentie

11- 18 jaar

vroege volwassenheid

40 - 65 jaar 65 jaar - overlijden

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

In

kij

ke xe

m

late volwassenheid

pl

midden volwassenheid

18 - 40 jaar

95


—

2.7

De levensfasen volgens Erikson Volgens Erik Erikson maakt onze psychosociale ontwikkeling acht levensfasen door. Die levensfasen

bestaan uit crises of dilemma’s. Slagen we erin een crisis goed door te maken, dan levert ons dat een nieuwe vaardigheid op. De overgang tussen de opeenvolgende fasen verloopt geleidelijk en is in realiteit niet altijd duidelijk af te

Levensfase

Crisis vertrouwen versus wantrouwen onafhankelijkheid versus

1,5-3 jaar (peuterleeftijd)

afhankelijkheid

6-12 jaar (lagereschoolleeftijd)

vaardigheid versus minderwaardigheid

zelfvertrouwen

12-18 jaar (adolescentie)

identiteit versus identiteitsverwarring

trouw

18-35 jaar (vroege volwassenheid

intimiteit versus isolement

liefde

r©

doelgerichtheid

generativiteit versus stagnatie

zorgzaamheid

ego-integriteit versus wanhoop

acceptatie

kij

ke xe

m

pl

aa

65+ (late volwassenheid)

In

wilskracht

initiatief nemen versus schuldgevoel

volwassenheid)

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

hoop

3-6 jaar (kleuterleeftijd)

35-65 jaar (middelbare

96

Nieuwe vaardigheid

VA N

0-1,5 jaar (zuigelingenfase)

IN

bakenen.


Bordschema

socio-emotionele

cognitieve ontwikkeling

ontwikkeling

VA N

fysieke ontwikkeling

IN

ONTWIKKELING

begrippen

begrippen

begrippen

lichaamsbouw

verbanden leggen

sensorische ontwikkeling

nadenken over dingen

motorische ontwikkeling

lezen en spreken

r©

gehechtheid

onderzoekers

onderzoekers

onderzoekers

/

Piaget

Bowlby

m

ONTWIKKELINGSFASEN bevruchting - geboorte

0 - 1,5 jaar

(prenataal)

(zuigelingenfase)

geboorte - 2 jaar

1,5 - 3 jaar

(baby en peuter)

(peuterleeftijd)

2 - 6 jaar

3 - 6 jaar

(vroege kindertijd)

(kleuterleeftijd)

6 - 11 jaar

6 - 12 jaar

(midden kindertijd)

(lagereschoolleeftijd)

ke xe kij

In

LEVENSFASEN VOLGENS ERIKSON

11 - 18 jaar

12 - 18 jaar

(adolescentie)

(adolescentie)

18 - 40 jaar

18 - 35 jaar

(vroege volwassenheid)

(vroege volwassenheid

40 - 65 jaar

35 - 65 jaar

(middelbare volwassenheid)

(middelbare volwassenheid)

65 jaar - overlijden

65+

(late volwassenheid)

(late volwassenheid)

THEMA 1 HOOFDSTUK 2

pl

aa

Ainsworth

97


r©

aa

pl

m

ke xe

kij

In

VA N

IN


IN

2

VA N

THEMA

THEMA 2

In

kij

ke xe

m

pl

aa

r©

VOORDELEN EN VALKUILEN IN MIJN ONTWIKKELING

99


HOOFDSTUK 3

I

K, SAMEN MET ANDEREN? KAN KLIKKEN!

IN

WAAROVER GAAT DIT HOOFDSTUK?

Je maakt tijdens je leven deel uit van verschillende vormen van samenleven met anderen: je gezinsvorm, je klas, je vriendenkring, de samenleving … Om te begrijpen hoe een samenleving

VA N

functioneert en hoe mensen en groepen communiceren met elkaar, is kennis nodig over ons menselijk gedrag, meer bepaald over ons sociaal gedrag.

Met die kennis kun je op een juiste manier over iemands sociaal gedrag spreken (ook dat

van jou), kritisch staan tegenover onheuse beïnvloeding die men op jou wil uitoefenen, anderen

ondersteunen wanneer ze het moeilijk hebben in hun sociale contacten en je plaats bepalen in de

r©

groepen waarvan je deel uitmaakt.

WAT LEER IK IN DIT HOOFDSTUK?

Vink aan wat je in de loop van dit hoofdstuk hebt geleerd.

aa

Ik beoordeel sociaal gedrag in concrete situaties.

Ik illustreer hoe het gedrag het gevolg is van interactie en betekenisverlening. Ik toets sociale cognitie in herkenbare situaties.

pl

Ik herken in mijn eigen ervaringen de voordelen van sociale cognitie in sociaal gedrag. Ik oordeel over tekorten in sociale cognitie en hun impact op sociaal gedrag.

m

Ik kan in informatie vormen van sociale beïnvloeding herkennen. Ik beoordeel waargenomen gedrag als prosociaal of antisociaal gedrag.

ke xe

Ik reflecteer over eigen ervaringen bij groepsprocessen.

BEGRIPPEN

sociaal gedrag: prosociaal gedrag, antisociaal gedrag – sociale cognitie – vooroordeel – stereotype –

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

zelfvervullende voorspelling – sociale beïnvloeding – groepsprocessen: groepsdruk, groepsvorming

100


INTRO Hoewel we graag samen zijn met anderen, zijn er ook contacten die niet zo prettig verlopen. Niet iedereen heeft dezelfde invloed op hoe we ons voelen, op hoe we denken of oordelen over anderen. Ons gedrag – gestuurd door onze hersenen – is niet voorspelbaar vastgelegd van bij de geboorte. Het ontwikkelt doorheen onze

IN

ontwikkelingsfasen.

In die ontwikkeling is er altijd een factor die mee aan het stuur zit: de cultuur waarin we leven en waarin

we al die contacten hebben met anderen. Elk gedrag is eigenlijk sociaal gedrag: we beïnvloeden elkaar altijd.

VA N

Meestal gebeurt dat in een aangename sfeer, maar niet altijd.

Herken je dat bij jezelf? Hoe verklaar je onderstaand gedrag? Wie beïnvloedt wie en waarom? 2

aa

r©

1

4

ke xe

m

pl

3

6

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

5

101


BREINBREKER In dit hoofdstuk zul je in vier stappen een antwoord formuleren op deze breinbreker:

IN

“Zijn jouw individuele beslissingen en meningen wel individueel of worden ze door anderen, door de groep bepaald?”

Forum

VA N

Hoe zit het met jouw gedrag ? Duid aan waarmee je het (on)eens bent. Geef daarna op de barometers aan waar elke stelling door bepaald wordt: door de persoon zelf (je zet de pijl naar links) of door de groep (je zet de pijl naar rechts). Stellingen Ik houd me bij pestgedrag van vrienden op de achtergrond.

2

Ik spreek mijn vrienden tegen als ze anderen pesten.

3

Ik doe wel mee als mijn vriendengroep anderen uitlacht, want eigenlijk vind ik mijn vrienden dan soms wel grappig.

4

Ik doe wel mee met het pesten, maar achteraf ga ik het uitpraten met de

aa

gepeste.

Ik zoek steun bij anderen om me te verzetten tegen mijn vrienden die pesten.

Stelling 2

Stelling 3

ke xe

m

Stelling 1

pl

5

r©

1

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

Stelling 4

102

Stelling 5


PARCOURS Wat is dat eigenlijk, gedrag? En sociaal gedrag?

IN

STAP 1

Samenleven met anderen wil altijd zeggen dat je gedrag invloed heeft op anderen. Maar ook de ander beïnvloedt je met zijn

VA N

of haar gedrag. Elk gedrag bevat een boodschap, die je wel of niet correct kunt begrijpen.

1 Gedrag is het gevolg van een prikkel die je ontvangt. In je organisme verwerken je hersenen die prikkel.

Op basis van die verwerking reageer je. In de psychologie noemt men gedrag een P-O-R. a Lees aandachtig het schema.

Je verwerkt

Je reageert

r©

Je ontvangt een prikkel. Prikkel

de informatie.

op die informatie.

Organisme

Reactie

aa

b Bekijk de foto van Amélie en haar moeder. Is

dit zomaar een gesprek? Er is een duidelijke wisselwerking tussen de twee. Dat noem je

interactie. Omdat het om gedrag gaat tussen

pl

mensen en naar mensen toe, spreek je van sociaal gedrag.

Pas het schema van opdracht a toe op de beide

m

Prikkel

In

kij

Amélie

Moeder

Organisme

Reactie

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

ke xe

personen.

103


2 In de sociale psychologie noemt men gedrag dat erop gericht is anderen te helpen prosociaal gedrag. Het

omgekeerde gedrag is antisociaal gedrag, zoals agressie en pesten. a Herken je in de foto’s van de Intro (p. 101) voorbeelden van prosociaal gedrag? En van antisociaal

gedrag?

IN

b Een experiment. Beantwoord de onderstaande vragen en maak voor elke vraag de top 3 van de klas.

1→ Stel dat op hetzelfde ogenblik drie mensen je vragen een boodschap voor hen te doen, maar je

een neef

je zus

een kennis

Top 3 van de klas: 1

2

3

VA N

hebt maar tijd om één persoon uit de nood te helpen. Voor wie ga jij de boodschap doen?

2→ Stel dat drie mensen nog slapen in verschillende kamers van een brandend huis en je hebt maar

een neef

je opa

Top 3 van de klas: 1 2

3

pl

een kennis

aa

r©

de tijd om één van hen te redden. Wie red jij?

c Vergelijk het klasgemiddelde met de resultaten van een onderzoek. In dit onderzoek wilde men

m

nagaan in welke mate de band die mensen hebben met een hulpbehoevende hun hulpgedrag

ke xe

beïnvloedt. Een zoektocht naar prosociaal gedrag. Hoe lees jij de grafieken?

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In 104

geneigdheid om te helpen

kij

3,0

Resultaten Burnstein et al. (1994) Voor alledaagse hulp hebben mensen de neiging familieleden meer te helpen dan niet-familieleden.

2,5

2,0

1,5

1,0

HOOG ouders, broer/zus, kinderen

GEMIDDELD LAAG grootouders eerstegraads neef/nicht mate van gerelateerdheid

GEEN kennissen


3,0

Resultaten Burnstein et al. (1994)

2,5

IN

Het verschil werd zelfs groter in situaties van leven of dood. 2,0

1,5

1,0

VA N

geneigdheid om te helpen

alledaagse hulp situaties van leven of dood

HOOG ouders, broer/zus, kinderen

GEMIDDELD LAAG grootouders eerstegraads neef/nicht mate van gerelateerdheid

r©

Sociaal gedrag

GEEN kennissen

1 Gedrag

3.1

Gedrag (G) van mensen komt tot stand via interactie tussen persoonskenmerken (P) en situatiekenmerken (S). Psychologen geven dat weer in een formule: G = f(P x S).

aa

Die kun je vertalen als: je gedrag is enerzijds het resultaat van de beïnvloeding van de situatie

2 Interactie

pl

waarin je zit, anderzijds van je kenmerken, wie je bent.

Als je het hebt over een aaneenschakeling van acties tussen mensen, duid je dat aan met het gedragen).

m

begrip interactie. Het woord komt van het Latijnse inter (= tussen) en agere (handelen, zich

3 Sociaal gedrag

ke xe

Met sociaal gedrag worden alle vormen van menselijk gedrag bedoeld die onder invloed staan van het gedrag van anderen of die je toont aan anderen als ze aanwezig zijn. Ook als de anderen niet aanwezig zijn, kun je sociaal gedrag vertonen, bv. in de manier waarop je over hen praat.

Er zijn twee vormen van sociaal gedrag: —

Prosociaal gedrag

Antisociaal gedrag

Het tegengestelde van prosociaal gedrag is antisociaal gedrag, zoals agressie tegen anderen en pesten. THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

Gedrag dat erop gericht is anderen te helpen noem je prosociaal gedrag.

—

105


3 Lees de situaties. Beschrijf het gedrag vanuit de persoonskenmerken en de situatiekenmerken

(G = f(P x S). Besef wel dat je daarbij een beroep doet op je mensenkennis en niet – zoals psychologen – op wetenschappelijk onderzoek om gedrag te verklaren.

IN

SITUATIE 1 Akkoord, Louis was nogal fel in zijn uitlatingen over het gedrag van Ivano tijdens de middagpauze (toen er geen leraar in de buurt was). Maar daarom moest Ivano’s vonden de klasgenoten de reactie van Ivano stukken beter: eerst luisteren naar Louis en dan rustig en gepast antwoorden. Zó klein was Bart nog!

Persoonskenmerken Bart:

r©

Persoonskenmerken Ivano:

aa

pl

Situatiekenmerken:

m

ke xe

SITUATIE 2

Tijdens de weekends is het bijzonder gevaarlijk op de weg. Vooral jongeren dreigen het slachtoffer te worden van andere jongeren die zich geen raad weten met de combinatie van verkeer, alcohol en stoerdoenerij.

kij

Persoonskenmerken:

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

106

Situatiekenmerken:

VA N

vriend Bart hem nog geen duw in de rug geven! Dan


STAP 2

Hoe ‘lees’ je het gedrag van anderen? Sociale cognitie!

IN

Kun je leren om mensen beter te begrijpen in hun manier van omgaan met jou en met anderen? Ja, dat kan, maar daarvoor heb je kennis over gedrag nodig. Die kennis noem je sociale cognitie. Bij het opnemen van prikkels (P) en het

verwerken ervan (O) kun je dankzij die kennis makkelijker en vlugger gedrag, emoties, gedachten en bedoelingen begrijpen. Het gevolg is ook dat het gedrag van anderen meer voorspelbaar wordt voor jou.

VA N

1 Hoe lees je het gedrag van deze vrouw? Ze heeft drie keer de hand op het hart, maar als je alle informatie

verwerkt en interpreteert (zoals mimiek, woorden, intonatie), is er een wereld van verschil. a Combineer de uitspraken met de foto’s. 2

‘Met de hand op het hart, je kunt me geloven. Ik ben eerlijk als ik zeg dat

‘Met de hand op het hart, oprechte excuses, ik was fout daarnet, sorry.’

‘Met de hand op het hart

kan ik je zeggen dat ik deze uitspraak van jou helemaal niet neem.’

ke xe

m

pl

aa

ik de taak morgen afgeef!’

3

r©

1

b Bespreek de antwoorden klassikaal. Allicht ervaar je dat niet alle klasgenoten dezelfde antwoorden

gebeurtenis op erg verschillende manieren interpreteren. Maar wie meer sociale ervaring en kennis heeft, slaagt er beter in het sociale gedrag correct te lezen.

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

geven. Sociale kennis is immers erg subjectief. Je kunt met een aantal mensen één sociale

107


2 Welke voordelen heb je zelf al ondervonden als je het gedrag van anderen goed leest?

Geef bij elk voordeel van sociale cognitie een voorbeeld dat je zelf hebt ervaren. a Je kunt het gedrag van anderen voorspellen.

IN

VA N

b Je kunt beter communiceren met de anderen, want je leest hun lichaamstaal goed.

r©

c Als iemand iets gemeen bedoelt, zul je waarschijnlijk anders reageren dan wanneer iemand duidelijk

goede bedoelingen heeft.

aa

pl

m

ke xe

Sociale cognitie

In de sociale psychologie gebruikt men het begrip sociale cognitie voor de mentale processen die een rol spelen wanneer je informatie over een ander (of over groepen mensen) in je opneemt, organiseert en interpreteert. Het is een vaardigheid die je kunt ontwikkelen. Bij sociale cognitie nemen je hersenen informatie uit sociale situaties op en verwerken ze die.

kij

Zo begrijp je die situaties en de mensen die erbij betrokken zijn. Enkele voordelen van sociale cognitie: —

Deze kennis (= cognitie) helpt je om het gedrag van anderen te voorspellen en om er een

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

juist oordeel over te vormen.

108

—

Je kunt op een goede manier ervaringen uitwisselen.

—

Deze kennis helpt je om beter sociaal te functioneren. Zo kun je bijvoorbeeld uit het gedrag van de toehoorder aflezen of je de juiste woorden gebruikt, of je niet te snel praat, verkeerde of kwetsende dingen zegt …

3.2


3 Leg het begrip sociale cognitie uit bij de analyse van de volgende situaties. Interpreteren de jongeren wat

ze aan informatie krijgen en oordelen ze ook op basis daarvan?

SITUATIE 1 ‘Toffe kerel, die nieuwe buurjongen’, zei Merel tegen haar

IN

vrienden. ‘Hij lijkt sportief, zoals hij in zijn tuin staat te

oefenen om driepunters te scoren. Bovendien valt zijn

VA N

muzieksmaak heel goed mee!’

r©

SITUATIE 2

aa

‘Ik vraag me af wat de vervanger van de leraar Nederlands te vertellen heeft’, zei Nordin tegen

ke xe

m

pl

zijn vrienden. ‘Ik wacht nog wat af om me een mening over hem te vormen.’

VIP

De Duits-joodse psycholoog Kurt Lewin (1890-1947) had een grote invloed op altijd herkenbaar in hoe wij nu denken over het menselijk handelen: —

Je gedrag is sterk afhankelijk van hoe je de wereld rondom jou waarneemt en interpreteert.

— —

Gedrag is afhankelijk van de interactie tussen de persoon en de omgeving. Sociaalpsychologische theorieën kunnen worden toegepast voor de oplossing van belangrijke praktische problemen. Dat zul je in het vierde jaar verder ontdekken.

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

de hedendaagse sociale psychologie. Een aantal van zijn bevindingen zijn nog

109


STAP 3

Kun je altijd vertrouwen op je sociale kennis?

IN

Sociale cognitie is de vaardigheid die we inzetten om het gedrag van anderen te begrijpen. Maar als je te veel vertrouwt op die vaardigheid, dan kun je kleine (en soms grote) fouten maken. Iets voorspellen is altijd moeilijk, zeker als het over

Last van vooroordelen en stereotypering

VA N

menselijk sociaal gedrag gaat. Daarin durven we nogal eens menselijke fouten te maken.

Soms hoor je iemand spreken over een ander en merk je dat hij of zij vooroordelen over die ander heeft. En als jij iets zegt over een ander?

1 Beschrijf wat je ziet op de cartoon. Hoe oordeel jij over de vraag van de kelner? Wat denk je over zijn

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

ke xe

m

pl

aa

r©

sociale cognitie?

110


Last van verwachtingen Hoe vaak hoor je leerlingen niet tegen elkaar zeggen dat een leraar andere leerlingen ‘voortrekt’? Misschien is dat enkel jouw interpretatie, maar misschien heb je ook gelijk en doet die leraar dat omdat hij meer verwacht van die ‘anderen’.

IN

Ontdek een experiment in een schoolcontext! 2 Bekijk de video over het experiment Pygmalion in classroom. a Wat hield het experiment precies in?

VA N

r©

aa

b Wat waren de conclusies van het onderzoek?

pl

m

ke xe

c Hoe beïnvloeden de verwachtingen van de leraren de prestaties van de kinderen? Geef uitleg bij de

vier factoren die daarin een rol spelen. 1 Sfeer:

3

Mogelijkheid om te antwoorden:

4 Feedback:

d Hoe beoordeel jij dit experiment?

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

2 Input:

111


e Wat kunnen leraren en opvoeders hieruit onthouden voor jou? f De onderzoeker zegt dat dit ook buiten de school kan toegepast worden. Heb jij ervaringen?

IN

Pygmalion in classroom Het onderzoek (1968) naar de ‘zelfvervullende verwachting’ (self-fulfilling prophecy) kreeg bekendheid in het boek Pygmalion in classroom. Pygmalion was in de Griekse mythologie een prins uit Cyprus die zijn tijd doorbracht met beeldhouwen. Hij verkoos om vrijgezel te blijven omdat hij vreesde voor ontrouw

VA N

Good to know

r©

in een relatie. Dagenlang werkte hij aan een vrouwenbeeld in ivoor. Hij vond het beeld zo perfect gemaakt … dat hij er verliefd op werd.

Op een dag sprak Pygmalion bij een altaar van Aphrodite

(godin van de liefde, schoonheid en seksualiteit) de wens uit

aa

dat de goden hem een vrouw zouden geven ‘die zou lijken op

zijn ivoren vrouw’. De godin Aphrodite aanhoorde zijn wens. Driemaal schoot een vlam hoog op, een teken dat de wens werd vervuld. (Zo gaat dat in de mythologie.)

Toen hij thuiskwam, kuste Pygmalion het beeld en … het kwam tot leven! De sterke wens (verwachting) om

m

pl

het beeld te laten leven, had dus voor een mooi resultaat gezorgd.

ke xe

Sociale beïnvloeding

Hoe sterk je ook gewapend bent met sociale cognitie, je bent nooit helemaal veilig voor de beïnvloeding die de sociale omgeving op jou heeft. Dat gaat soms zover dat je dingen doet die anderen niet van jou verwachten. Of die je misschien niet eens van jezelf verwacht.

3 Bestudeer het omstandereffect.

kij

a In een experiment rond sociale beïnvloeding zie je hoe prosociaal gedrag afhankelijk is van personen

in je omgeving. Bekijk het filmpje. Hoe oordeel je over het ‘sociaal’ gedrag van de omstanders? Wat

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

zou jij doen?

112

b Ook in ons land kan het omstandereffect slachtoffers eisen. Enkele jaren geleden overleed een man

op de Grote Markt in Kortrijk, zonder dat iemand te hulp schoot. Bekijk de verklaring van een sociaal psychologe. Hoe wordt het omstandereffect verklaard?


c Geef een nieuwe, gelijkaardige situatie waarin het ‘omstandereffect’ speelt. Het kan gaan om een

situatie die je hebt meegemaakt, waarover je hebt gehoord of die je zelf bedenkt.

IN

d Beoordeel je eigen gedrag en dat van de omstanders in deze nieuwe situatie.

VA N

Good to know Mensapen vs mensenkinderen Michael Tomasello (°1950) is een Amerikaans

r©

ontwikkelingspsycholoog en directeur van het Max Planck

Instituut voor evolutionaire antropologie in Leipzig. Hij deed

aa

een interessant vergelijkend onderzoek naar het gedrag van mensapen en van mensenkinderen (crosscultureel = over verschillende culturen heen).

pl

Hij vergeleek 105 mensenkinderen van 2 jaar met 105

chimpansees en 35 orang-oetans. Concreet onderzocht hij hun vaardigheden voor het herkennen van de fysieke wereld

m

(rekenen tot vijf, wat is minder en wat meer, wat komt voor en wat achter, wat is oorzaak en gevolg, tijd, plaats, snelheid, enz.) en sociale vaardigheden (het vermogen tot empathie, kunnen inschatten van de gedachten, gevoelens en intenties van de ander, helpgedrag,

ke xe

samenwerken enz.). Resultaat? —

Op vlak van herkenning van de fysieke wereld waren de chimpansees iets beter dan de mensenkinderen.

—

Op vlak van de sociale vaardigheden staken mensenkinderen met kop en schouders boven de

Verklaring?

De prosociale eigenschappen zijn door natuurlijke selectie ontstaan bij de homo sapiens. Onze soort is bij de geboorte het meest onvolwassen, kwetsbare, hulpeloze en afhankelijke dier. De prosociale eigenschappen zijn de oplossing die de natuur voor ons heeft geselecteerd om te kunnen overleven. Dit is een voorbeeld van natuurlijke selectie: wat succes heeft, zal overleven. Zo hebben we een sterke gehechtheid aan een moederfiguur als succesrijk ervaren. Om die reden zijn opvoeding en onderwijs belangrijk zodat de mens kan leren overleven. Het is ook de basis voor sociaal leren, het leren van en met elkaar.

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

mensapen uit.

113


Sociale cognitie schiet soms tekort

3.3

1 Vooroordelen

Een vooroordeel is een oordeel dat je over iemand hebt zonder dat je die persoon goed kent. Bij vooroordelen gaat het om een gevoel dat je gevormd hebt over een bepaalde groep. Sociaalpsychologen noemen het een ‘affectief construct’. —

Het is een foutieve manier van denken die dikwijls uitgaat van één kenmerk dat

—

IN

veralgemeend wordt (bv. alle Duitsers zijn bierdrinkers).

Een vooroordeel leidt ofwel tot eenzijdig positieve of eenzijdig negatieve oordelen over de persoon of de groep personen.

VA N

2 Stereotype

Een stereotype is een overdreven, simpel beeld dat je hebt over een bepaalde groep. Het bevat een reeks van opvattingen over de eigenschappen van deze sociale groep. Sociaalpsychologen noemen het een constructie in ons denken (een ‘cognitief construct’) over wat je verwacht

van een andere sociale groep dan die van jou. Het woord komt uit het Grieks: stereos (vast) en typos (vorm).

—

de stereotype mening over de eigen groep: het auto-stereotype. Die mening is vrijwel altijd positief.

—

r©

In de sociale psychologie maakt men een onderscheid tussen:

de stereotype mening over de andere groep: het hetero-stereotype.

aa

Die mening is meestal negatief.

Stereotypen hebben een reden. Dankzij stereotypen kun je in moeilijke situaties vlug handelen. Evolutiesociologen zeggen dat ze ons soms helpen om te overleven, omdat ons brein orde brengt in de veelheid aan informatie. Het is echter een foutieve manier van

pl

denken, omdat men geen rekening houdt met individuele verschillen. 3 Zelfvervullende voorspellingen

m

Het begrip zelfvervullende voorspelling is vertaald uit het Engels (self-fulfilling prophecy). Het wordt in de sociale psychologie gebruikt om aan te geven dat als iemand die iets voorspelt of

ke xe

verwacht, die voorspelling of verwachting ook uitkomt, simpelweg omdat de persoon gelooft dat dat zal gebeuren.

Eigenlijk gebruiken mensen de kennis die ze al hebben over iets of iemand om er gevolgen uit af te leiden. Die voorkennis gaat dan over: uiterlijk (hoe iets of iemand eruitziet);

—

perceptie (hoe iets of iemand overkomt);

—

geloof in een of andere richting.

kij

—

4 Sociale beïnvloeding

Men spreekt in de sociale psychologie over sociale beïnvloeding als gekende of niet-gekende

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

druk op mensen wordt uitgeoefend om hun handelen en denken aan te passen.

114


4 In het vierde jaar zul je dieper ingaan op de fouten die je kunt maken als je sociale cognitie tekortschiet,

maar hier krijg je al een voorsmaakje. Je weet al dat je je een beeld van de ander vormt op basis van zijn of haar gedrag. Maar de eerste indruk die je opdoet, beïnvloedt soms sterk je interpretatie en je oordeel. a Op 1 september wisselen leraren in de leraarskamer al vlug de eerste indrukken uit. Heb jij ooit

ondervonden dat leraren daarmee rekening houden tijdens de volgende dagen en weken?

IN

b Leerlingen zijn ook maar mensen! Ook jij en je vrienden zullen allicht wel snel een eerste oordeel

uitspreken over een leraar op basis van de eerste indruk die hij maakte. Heb jij al eens iemand

STAP 4

VA N

‘gemaakt of gekraakt’ omwille van de eerste indruk?

Wat doet een groep met jou?

r©

Samenleven wil ook zeggen dat je met elkaar rekening moet houden: jij met anderen en anderen met jou. Een eenvoudige samenlevingsregel. Maar gewild of ongewild wordt er op elk van ons invloed uitgeoefend, zodat je je houding of je mening

Omgaan met groepsdruk

aa

aanpast op basis van de oordelen of de houding van anderen. Hoe ver kan dat dan gaan: rekening houden met anderen?

Je gedrag wordt mee bepaald door de omgeving en door de anderen in de omgeving. Die beïnvloeding kan heel ver gaan: de

pl

groep kan je zo beïnvloeden dat je moeite hebt om jezelf te blijven.

1 Mensen vinden het fijn om met een groep vrienden samen te zijn, of samen beslissingen te nemen. We zijn

m

nu eenmaal groepsdieren. Bekijk de foto’s.

ke xe

a Wat denk je van het gedrag van de mensen op de foto’s? Op welke manier worden ze beïnvloed door

de groep?

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

1→

115


2→

VA N

IN

3→

r©

Toegeven aan beïnvloeding

Weerstand bieden tegen beïnvloeding

aa

b Er zijn een aantal mogelijke manieren om te reageren op de druk van de groep. Duid aan waar de

groepsleden op de foto’s zich situeren. Noteer het nummer van de bijbehorende foto op de juiste

pl

gehoorzaamheid inwilliging/ conformiteitom met de druk onafhankelijkheid assertiviteit plaats op de as. Hoe gaan deze personen die van anderen uitgaat? tolerantie

m

Toegeven aan beïnvloeding

inwilliging/ tolerantie

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

ke xe

gehoorzaamheid

116

conformiteit

trotseren

Weerstand bieden tegen beïnvloeding

onafhankelijkheid

assertiviteit

trotseren


Fasen in de groepsvorming Hoe oud of jong je ook bent, of je nu vrouw, man of X bent, zodra je deel uitmaakt van de groep, onderga je de invloed van processen binnen die groep. En die zijn herkenbaar.

IN

2 In het begin van het schooljaar kwam je als individu terecht in het derde jaar, misschien tussen heel wat

nieuwe individuen. En wees maar zeker: er zijn in die weken groepsprocessen aan het werk geweest die jou en de groep in een zekere mate hebben beïnvloed.

VA N

a Ontdek hieronder de verschillende fasen van het groepsproces en lees de toelichting bij elke fase.

Je zult al vlug ontdekken dat je klasgroep niet die rechte lijn van de fasen volgt.

b Beschrijf met een medeleerling in staakwoorden in welke mate je iets van die processen hebt

gemerkt tijdens de groepsvorming van je klas. Hoe hebben jullie die fase ervaren?

c Hoe evalueer je de weg die je als groep hebt afgelegd? Noteer enkele staakwoorden per fase. d Oordeel zelf: in welke fase zitten jullie nu?

r©

FASEN IN HET GROEPSPROCES

Forming: het vormen/ontstaan van de groep

a De leden nemen een afwachtende houding aan. Er is nog geen groepsgevoel en de individuele posities

aa

en rollen zijn nog niet ingenomen. b

c

ke xe

m

pl

Storming: de conflictfase

a In deze fase proberen de leden hun positie in de groep in te nemen. Dat leidt onvermijdelijk tot een

strijd wanneer de teamleden met bepaalde ideeën met elkaar op gespannen voet staan.

b

c

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

117


Norming: de norm- of standaardenfase a De regels en methodes van samenwerking worden bepaald. De gemeenschappelijke teamdoelen

worden vastgelegd en gedeeld. De belangrijke en minder belangrijke rollen zijn gedefinieerd. Er kan een start worden gemaakt met samenwerking.

IN

b

VA N

c

Performing: de prestatiefase gemeenschappelijke teamdoel toe. b

aa

r©

a De groep wordt een team. Teamleden vullen elkaar aan. Er wordt harmonieus gewerkt naar het

c

pl

m

Reforming: het uit elkaar gaan/de afscheidsfase

ke xe

a Het doel is behaald en het team valt uiteen. b

c

kij

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

118

Deze stadia worden niet altijd lineair doorlopen. Met name fase 3 en 4 worden cyclisch doorlopen. In de beginfasen hebben sociaal-emotionele taken de overhand, in de laatste fasen de taakgerichte taken. Bron: www.groepsdynamiek.nl


VIP De Amerikaanse psychologische onderzoekers Bruce Tuckman (1938-2016) en Mary Ann Jensen (°1977) beschreven de vijf fasen. Het gaat om een van de meest bekende theorieën over groepsontwikkeling. Naast het onderscheid in verschillende fasen maakte Tuckman onderscheid in taakgerichte aspecten en sociaal-emotionele aspecten. Groepen zouden namelijk altijd zoeken naar een balans tussen het Oorspronkelijk werd het model ontwikkeld voor psychotherapeutische groepen. Andere onderzoekers hebben bedenkingen weinig kwantitatief onderzoek voorhanden was en ook weinig onderzoek waarin rekening was gehouden met mogelijk beïnvloedende andere variabelen (zoals de groepssamenstelling en omgevingsfactoren). Verder vinden ze het achterhaald dat een groepsproces een lineair karakter heeft, net alsof elke groep die fasen

VA N

bij het model. Ze oordelen dat er aanvankelijk

IN

tegemoetkomen aan de eisen van de uit te voeren taak en de behoeften van individuele groepsleden.

r©

steevast ná elkaar en niet dóór elkaar doorloopt.

3.4

aa

Groepsprocessen

Er bestaan verschillende soorten groepsprocessen. Je beperkt je dit jaar tot twee processen:

1 Groepsdruk

pl

groepsdruk en groepsvorming.

Groepsdruk is de druk die groepsleden ondervinden waardoor ze hun gedrag afstemmen uitgaat.

m

op het gedrag van de groep. Het is het gevolg van sociale beïnvloeding die van anderen Eigenlijk ervaart iedereen groepsdruk om zich te conformeren. Alleen ervaart niet iedereen

ke xe

die op dezelfde manier. Ook de meest individualistische persoon ervaart de druk, maar sommigen kunnen het voor een stuk negeren om hun eigen ding te doen. 2 Groepsvorming

De groepsvorming maakt altijd een aantal fasen door. Tijdens die fasen bepalen de leden van de groep bewust en onbewust hoe de groep zich zal gaan gedragen, wie de leiders worden … Elke fase kent een bepaald verloop. Een leider kan ingrijpen en de situatie ombuigen om

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

bijvoorbeeld een aangenaam groepsklimaat te creëren in het geval van spanningen.

119


EUREKA!

IN

Wat denk je nu over de Breinbreker die we aan het begin van dit hoofdstuk formuleerden?

VA N

“Zijn jouw individuele beslissingen en meningen wel individueel of worden ze door anderen, door de groep bepaald?”

Forum

Wat denk je hierover na onze bespreking van dit hoofdstuk? Duid aan waarmee je het (on)eens bent. Geef daarna op de barometer aan waar elke stelling door bepaald wordt: door de persoon zelf (je zet de pijl naar links) of door de groep (je zet de pijl naar rechts).

Gebruik argumenten uit dit hoofdstuk om je keuze te verdedigen. Noteer voor elk argument enkele

Stellingen 1

Sommige mensen houden zich op de achtergrond wanneer ze anderen racistische uitspraken horen doen.

Sommige mensen gaan in gesprek met anderen die ze racistische opmerkingen

aa

2

horen maken. 3

r©

sleutelwoorden.

Sommige mensen doen wel eens mee als ze hun vrienden racistische

4

pl

opmerkingen horen maken, omdat ze die vrienden best grappig vinden. Sommige mensen doen wel mee met anderen die racistische opmerkingen over

5

m

iemand maken, maar achteraf gaan ze het uitpraten met de gepeste. Sommige mensen zoeken steun bij anderen om zich samen te verzetten tegen

ke xe

mensen die racistische opmerkingen maken.

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

Stelling 1

120

Stelling 4

Stelling 2

Stelling 3

Stelling 5


Argumenten 1

2

IN

3

VA N

4

r©

5

aa

pl

Vraag het aan de wetenschap!

Klaar om de onderzoeker in je los te laten? Lees nog eens goed de instructies in de introductie van

1

m

dit boek (p. 5).

Noteer hier de klasvraag voor een wetenschapper:

ke xe

2

Noteer hier je persoonlijke onderzoeksvraag:

Vergeet niet om steeds rekening te houden met de criteria voor een goede

↑

Onderzoekscompetentie

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

kij

onderzoeksvraag!

121


SYNTHESE

↑

KENNISCLIP

Sociaal gedrag

3.1

Met sociaal gedrag worden alle vormen van menselijk gedrag bedoeld die onder invloed staan van het gedrag sociaal gedrag vertonen, bv. in de manier waarop je over hen praat. Er zijn twee vormen van sociaal gedrag: —

Prosociaal gedrag Gedrag dat erop gericht is anderen te helpen, noem je prosociaal gedrag. Antisociaal gedrag

VA N

—

IN

van anderen of die je toont aan anderen als ze aanwezig zijn. Ook als de anderen niet aanwezig zijn, kun je

Het tegengestelde van prosociaal gedrag is antisociaal gedrag, zoals agressie tegen anderen en pesten.

Sociale cognitie

3.2

Sociale cognitie gaat over de mentale processen die een rol spelen wanneer je informatie over een ander (of over groepen mensen) in je opneemt, organiseert en interpreert. Het is een vaardigheid die je kunt ontwikkelen. situaties en de mensen die erbij betrokken zijn. Enkele voordelen van sociale cognitie: —

r©

Bij sociale cognitie nemen je hersenen informatie uit sociale situaties op en verwerken ze die. Zo begrijp je die

Deze kennis (= cognitie) helpt je het gedrag van anderen te voorspellen en om er een juist oordeel over te vormen.

Je kunt op een goede manier ervaringen uitwisselen.

—

Deze kennis helpt je om beter sociaal te functioneren. Zo kun je bijvoorbeeld uit het gedrag van de

aa

—

toehoorder aflezen of je de juiste woorden gebruikt, of je niet te snel praat, verkeerde of kwetsende dingen

pl

zegt …

Sociale cognitie schiet soms tekort

3.3

—

Vooroordelen

m

Er zijn verschillende redenen waarom sociale cognitie soms tekort kan schieten:

Een vooroordeel is een oordeel dat je over iemand hebt zonder dat je die persoon goed kent. Bij

ke xe

vooroordelen gaat het om een gevoel dat je gevormd hebt over een bepaalde groep. Sociaalpsychologen noemen het een ‘affectief construct’.

—

Stereotype

Een stereotype is een overdreven, simpel beeld dat je hebt over een bepaalde groep. Het bevat een reeks van opvattingen over de eigenschappen van die sociale groep. Sociaalpsychologen noemen het een constructie in ons denken (een ‘cognitief construct’) over wat je verwacht van een andere sociale groep dan

kij

die van jou. Het woord komt uit het Grieks: stereos (vast) en typos (vorm).

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

In

In de sociale psychologie maakt men een onderscheid tussen:

122

—

de stereotype mening over de eigen groep: het auto-stereotype.

—

de stereotype mening over de andere groep: het hetero-stereotype.

Die mening is vrijwel altijd positief. Die mening is meestal negatief.


—

Zelfvervullende voorspellingen

Het begrip zelfvervullende voorspelling (self-fulfilling prophecy) wordt in de sociale psychologie gebruikt om aan te geven dat als iemand die iets voorspelt of verwacht, die voorspelling of verwachting ook uitkomt, simpelweg omdat de persoon gelooft dat dat zal gebeuren. Eigenlijk gebruiken mensen de kennis die ze al hebben over iets of iemand om er gevolgen uit af te leiden. Die uiterlijk (hoe iets of iemand eruitziet);

—

perceptie (hoe iets of iemand overkomt);

—

geloof in een of andere richting.

Sociale beïnvloeding

VA N

—

—

IN

voorkennis gaat dan over:

Men spreekt in de sociale psychologie over sociale beïnvloeding als gekende of niet-gekende druk op mensen wordt uitgeoefend om hun handelen en denken aan te passen.

Groepsprocessen

3.4

Er bestaan verschillende soorten groepsprocessen, onder meer groepsdruk en groepsvorming. Groepsdruk

r©

—

Groepsdruk is de druk die groepsleden ondervinden waardoor ze hun gedrag afstemmen op het gedrag van de groep. Het is het gevolg van sociale beïnvloeding die van anderen uitgaat. —

Groepsvorming

aa

De groepsvorming maakt altijd een aantal fasen door. Tijdens die fasen bepalen de leden van de groep bewust en onbewust hoe de groep zich zal gaan gedragen, wie de leiders worden … Elke fase kent een bepaald verloop. Een leider kan ingrijpen en de situatie ombuigen om bijvoorbeeld een aangenaam

m

Bordschema

pl

groepsklimaat te creëren in het geval van spanningen.

In

kij

gedrag (P-O-R)

prosociaal gedrag sociaal gedrag antisociaal gedrag vooroordelen sociale cognitie

stereotypen rol van verwachtingen

sociale beïnvloeding groepsprocessen (5 fasen)

groepsdruk

THEMA 2 HOOFDSTUK 3

ke xe

interactie

123


HOOFDSTUK 4

I

K LEER MEZELF KENNEN

IN

WAAROVER GAAT DIT HOOFDSTUK?

In dit hoofdstuk verken je je persoonlijkheid. In dat begrip kun je heel wat elementen van wie je waarom je je in bepaalde situaties gedraagt zoals je bent.

VA N

bent analyseren. Je zoekt antwoorden op de vraag: ‘Wie ben ik?’ Je trekt conclusies over de redenen Tijdens je ontdekkingstocht ervaar je dat emoties een dominante rol spelen in hoe je je voelt, hoe je denkt en hoe je reageert op bepaalde prikkels. Bij de analyse van de verschillende elementen van je persoonlijkheid is het van belang dat je de juiste begrippen op een goede manier gebruikt. En dat zijn er nogal wat. Je zult feedback kunnen geven op anderen die verkeerde begrippen gebruiken of

r©

begrippen verkeerd gebruiken.

WAT LEER IK IN DIT HOOFDSTUK?

Vink aan wat je in de loop van dit hoofdstuk hebt geleerd.

aa

Ik onderscheid in verschillende situaties de elementen van persoonlijkheid: temperament, karakter, constitutie, trekken.

Ik leid uit verschillende situaties af wat het verband is tussen persoonlijkheid en identiteit.

pl

Ik leid uit voorbeelden de functie van emoties af en duid er de sociobiologische en evolutionaire oorsprong van.

m

Ik analyseer bepaalde trekken om mensen van elkaar te onderscheiden.

ke xe

Ik geef de (persoonlijkheids)trekken aan die een rol spelen bij motivatie.

BEGRIPPEN

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

persoonlijkheid: karakter, temperament, constitutie – trekken – emotie – motivatie – emotieregulatie

124


INTRO Hoe zit je in elkaar op psychologisch vlak? Die vraag maakt je vast benieuwd. Je zoekt aanknopingspunten met

Bekijk het filmpje over verschillende slaaphoudingen. Beantwoord vervolgens de vragen.

IN

wat je observeert bij anderen, maar ook bij jezelf.

a Wat denk jij? Kun je iets afleiden over iemands persoonlijkheid op basis van zijn slaaphouding?

VA N

b Zeggen fysieke eigenschappen volgens jou iets over je persoonlijkheid? Denk maar aan de vorm

van je lippen, de lengte van je tenen, van je vingers …?

Niet helemaal overtuigd dat je slaaphouding je iets vertelt over je persoonlijkheid? Begrijpelijk.

r©

Als amateur-psycholoog wil je natuurlijk meer te weten komen. Volg daartoe de verschillende

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

ke xe

m

pl

aa

stappen in dit hoofdstuk over persoonlijkheid of, wie weet, over jezelf.

125


BREINBREKER In dit hoofdstuk zul je in zes stappen een antwoord formuleren op deze breinbreker:

IN

“Waarop kun je je baseren om jezelf en anderen te leren kennen?”

Forum Wat denk je nu al?

Als je jezelf beter wilt leren kennen, kun je een persoonlijkheidstest afleggen. Heel wat mensen zetten die

VA N

stap niet, en gaan voort op hun mensenkennis. Hoe schat jij jezelf in met de mensenkennis die je nu hebt? 1 Lees de onderstaande trekken. Waar bevind jij je op de schaal? Omcirkel bij elke trek een bolletje.

asociaal

sociaal

gevoelig

r©

ongevoelig

gespannen

ontspannen

onafhankelijk

groepsgericht

vrolijk

aa

somber

2 Ga op zoek naar een klasgenoot die je denkt goed te kennen. Doe nu hetzelfde voor die klasgenoot

pl

zonder vragen te stellen.

ongevoelig

m

asociaal

sociaal gevoelig gespannen

groepsgericht

onafhankelijk

somber

vrolijk

ke xe

ontspannen

3 Vergelijk je resultaten met die van je klasgenoot.

Waar zitten de gelijkenissen en verschillen? Kun je daar een verklaring voor geven?

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

126


PARCOURS Je persoonlijkheid, wat is dat precies?

IN

STAP 1

‘Met deze eerste minister hebben we een sterke persoonlijkheid aan het stuur.’ En ‘Zij is een goede atlete, maar geen grote persoonlijkheid.’ Herken je dit soort uitspraken? Heel wat mensen hebben er meteen een mening over, zijn het eens of

aa

r©

Je gaat op zoek naar een goede definitie van persoonlijkheid.

VA N

oneens met de uitspraak. Maar hebben ze het allemaal over hetzelfde als ze het woord ‘persoonlijkheid’ gebruiken?

1 Psychologen zijn het erover eens dat als je over persoonlijkheid spreekt, je het in zijn algemeenheid hebt

pl

over een aantal elementen of kenmerken.

a Ontdek de kenmerken van persoonlijkheid. Lees vervolgens de situaties in de tabel en geef voor elke

ke xe

m

situatie aan bij welk persoonlijkheidskenmerk ze hoort.

Persoonlijkheidskenmerken 1

Persoonlijkheid komt tot uiting in de gedragingen van de persoon. Je leidt de

karakteristieke kenmerken van iemand af uit zijn gedrag.

2

Persoonlijkheid benadrukt het unieke van de mens. Mensen vertonen gelijkenissen

met elkaar, maar niemand is identiek, iedereen onderscheidt zich wel op de een of

3

Persoonlijkheid is onverbrekelijk verbonden met de situatie waarin de persoon zich

bevindt. Afhankelijk van de situatie (de context), zullen andere eigenschappen tot uiting komen. 4

Persoonlijkheid is een samenhangend geheel van persoonlijkheidseigenschappen. Ieder van ons beschikt over een gedragsarsenaal waarin een vast patroon herkenbaar is. Dat maakt ons gedrag voor anderen die ons goed kennen min of meer voorspelbaar.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

andere manier van de anderen.

127


Situaties a Ella bewondert haar broer tijdens de wekelijkse atletiektrainingen. Hij blinkt uit in

de extra rondjes die hij met plezier loopt om zijn conditie te verbeteren. Ze weet

dat hij een echte doorzetter is en een waar competitiebeest. b Aanvankelijk leek Fatima wat teruggetrokken in de omgang, maar bij de tweede

IN

teamvergadering kwam ze grappig en slim uit de hoek. Een aanwinst voor het team!

c Pa zal aan Steve niet vragen om de speech naar aanleiding van oma’s tachtigste

verjaardag voor heel de familie te houden. Een slimme kerel is Steve wel, en talent dat allicht heel vlot en grappig kunnen aanpakken.

VA N

voor schrijven heeft hij ook, maar spreken voor een groot publiek, ho maar! Ella zal

d Ella is een open meid die makkelijk contacten legt met anderen. De vrienden in

de jeugdbeweging zijn er gerust in: als er iemand nieuw is, zal Ella zich wel om

de nieuweling bekommeren. Haar broer Steve, daarentegen, vinden ze veeleer

r©

gesloten.

b Zet de onderstaande zinsdelen op de juiste plaats om tot een goede definitie van persoonlijkheid te

komen.

aa

dat de ene persoon / een patroon van / in de tijd. / karakteristieke gedachten en gevoelens / en dat constant blijft / van de andere onderscheidt.

pl

Persoonlijkheid is

m

2 Je persoonlijkheid komt tot uiting in het gedrag dat je vertoont in heel wat dagelijkse situaties. Anderen

beoordelen je persoonlijkheid op basis van je gedrag. Doordat die gedragingen worden gestuurd door wie

ke xe

je bent, zal men bepaalde verwachtingen hebben van jou. Hoe men denkt over je persoonlijkheid hangt af van vier beïnvloedende factoren. Bekijk de onderstaande foto’s. a Benoem de beïnvloedende factor die je herkent in de foto’s.

b Illustreer elke beïnvloedende factor met een persoonlijk voorbeeld van jou als adolescent.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

1→

128

a b


r©

aa

b

3→

b

a

b

VA N

a

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

a

pl

m

ke xe

kij

In

IN

2→

4→

129


Good to know Romeinse maskers Het woord ‘persoonlijkheid’ vindt zijn oorsprong in het klassieke Romeinse theater. Het woord is afgeleid van het Latijnse persona, dat (theater)masker betekent. De acteurs

IN

droegen een masker dat verwees naar het uitgebeelde

VA N

personage.

Het begrip persoonlijkheid

4.1

Persoonlijkheid kun je omschrijven als het unieke en stabiele patroon van psychologische kenmerken en gedragskenmerken waardoor de ene mens zich van de andere onderscheidt.

r©

Eenvoudiger uitgedrukt: het gaat over het typerende gedragspatroon dat je in verschillende

Welke lagen herken je in je persoonlijkheid?

pl

STAP 2

aa

situaties aan anderen toont.

m

De persoonlijkheidspsychologie bestudeert verschillende aspecten van iemands persoonlijkheid, zoals karakter,

ke xe

temperament en constitutie.

Karakter

In de moderne gedragswetenschappen is het begrip karakter beperkt uitgewerkt. Er wordt weinig studie naar gedaan. In ons dagelijks taalgebruik is het begrip wel aanwezig.

kij

1 Wanneer je spreekt over iemands karakter, bedoel je iets anders dan wanneer je het hebt over zijn of haar

persoonlijkheid. Noteer twee uitspraken waarin je in dagelijkse taal het woord ‘karakter’ gebruikt.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

130


2 Lees de verhalen van Nafi en Rania. Ze illustreren het karakter van de personages, zoals bedoeld door

psychologen. Beantwoord vervolgens de vragen onder de teksten. a Wat wordt er verteld over het gedrag van Nafi? Hoe zien anderen dat gedrag?

IN

HET VERHAAL VAN NAFI Nafi heeft thuis geleerd om bij aankopen altijd goed op de prijs-kwaliteitsverhouding van de artikelen te letten. Ze doet ook aan prijsvergelijking, dat zit er bij haar ingebakken. Aankopen doen vergt op die manier wel wat tijd, maar zo slaagt ze erin met haar budget

VA N

r©

rond te komen en zich af en toe een verzetje te permitteren. Haar ouders noemen haar

prijsbewust en vinden dat ze knap met geld kan

omgaan. Bij uitstappen vinden haar vrienden haar echter bijzonder gierig. Bovendien hebben

aa

ze het moeilijk met al dat tijdverlies wanneer Nafi de boodschappen organiseert.

ke xe

m

pl

b Drie partijen benoemen het gedrag van Rania op een andere manier. Waarop baseren ze zich?

HET VERHAAL VAN RANIA Tijdens een zorgoverleg op school vertellen de ouders van Rania dat hun dochter een gesloten karakter heeft. Ze maken zich wat zorgen, omdat Rania thuis niet vertelt wat ze overdag heeft meegemaakt. De leerlingenbegeleider van de school vindt dan weer dat Rania goed haar mening en gevoelens kan verwoorden, maar wel voldoende tijd nodig heeft om een vertrouwensband op te bouwen. De klastitularis vertelt dat ze in de klas eerder een antwoord is wel altijd goed onderbouwd met de juiste argumenten.

c Welke kenmerken van het begrip ‘karakter’ kun je afleiden uit de voorbeelden? Misschien helpt de

Good to know op de volgende pagina je wel om het begrip beter te omschrijven.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

afwachtende houding inneemt voor ze haar antwoord in de klasgroep kenbaar maakt. Het

131


Good to know Karakter: een Griekse oorsprong Het begrip karakter komt van het Griekse woord χαράσσω (spreek uit als charasso). Het betekent ‘kerven, insnijden, graveren’. Het woord komt uit de wereld van het graveren

IN

en later het drukken. Het karakter is een uit hout of staal gesneden betekenisvolle code. Het kan ook als stempel gebruikt worden. Het is dus niet moeilijk om te bedenken waarom we het woord karakter gebruiken als een soort

VA N

stempel die we op iemand zetten om zijn gedrag te benoemen.

Temperament

r©

Temperament hoort bij een bepaalde persoon. Het is zijn of haar manier om tegen de dingen aan te kijken of op de dingen om zich heen te reageren. Het is de neiging van een persoon om een bepaalde emotie of stemming bij zichzelf op te roepen.

VIP

aa

Al ongeveer 400 jaar voor Christus stelde de Griekse

geneesheer Hippocrates (ca. 460 v.C.-377 v.C.) dat de gezondheid wordt bepaald door de juiste menging

pl

van vier lichaamssappen (humores): slijm, bloed, zwarte gal en gele gal. Als één van die vochten overheerst, dan heeft dat een grote invloed op het

m

temperament, zo dacht hij.

Galenus (129-ca. 199 n.C.) zou zich later op die

ke xe

kennis baseren voor zijn vier persoonlijkheidstypen: flegmaticus, sanguinicus, melancholicus en cholericus. Die persoonlijkheidstypologie zou gedurende vijftien eeuwen onze manier van denken domineren. Nog altijd gebruiken we de vier begrippen om het verschil in temperamenten van

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

mensen aan te duiden: het flegmatische type, het

132

sanguinische type, het melancholische type en het cholerische type.


3 Bestudeer de vier temperamenten. a Bekijk de onderstaande illustratie. Analyseer aan de hand van de tabel onder de tekeningen de

manieren waarop de vier temperamenten zich aan je tonen. Link de juiste eigenschappen aan de overeenkomstige temperamenten door middel van een kruisje in de onderstaande tabel.

Melancholisch

Flegmatisch

IN

Cholerisch

m

pl

aa

r©

VA N

Sanguinisch

Hippocrates

Gele gal

Zwarte gal

Slijm

Sanguinisch

Cholerisch

Melancholisch

Flegmatisch

ke xe

Galenus

Bloed

1

Energieke en opgewekte mensen

2

Rustige en weinig

emotionele mensen: ontspannen,

3

en betrouwbaar

Mensen met een veeleer verdrietige kijk op het verleden of met een onvervuld verlangen

4

Mensen die snel driftig worden; veelal doeners, leiders met veel ambitie en energie

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

nieuwsgierig, oplettend

133


b In verhalen en films hebben de hoofdpersonages vaak een uitgesproken temperament. De

confrontatie van verschillende temperamenten zorgt immers voor de nodige spanning en sensatie. Geef een voorbeeld van een boek of film waarin er duidelijk verschillende temperamenten botsen met elkaar. 4 Wanneer je het over temperament hebt, bedoel je een aangeboren, typerend reactiepatroon dat iemands

IN

gedrag bepaalt. Dat patroon blijft grotendeels onveranderd tijdens het leven. Algemeen neemt men aan

dat we ons temperament – een deel van onze persoonlijkheid – kunnen herkennen in drie eigenschappen van ons gedrag. Werk per twee.

VA N

a Kies iemand die jullie kennen (dat mag een bekende persoon zijn).

b Beschrijf het temperament van die persoon aan de hand van de drie gedragseigenschappen die

hieronder opgesomd worden. Gekozen persoon: 1→ De intensiteit van het gedrag ‘Hugo wordt bij een opmerking heel kwaad.’

r©

aa

2→ De bereidheid tot actie

‘Ayrton gaat bij de minste provocatie op de vuist. Je hebt hem liever als vriend dan als vijand.’

m

pl

3→ Het niveau van de activiteit ‘Sabine toont tijdens de lessen LO een groot doorzettingsvermogen. Ze speelt met heel veel

ke xe

inzet. De lerares LO heeft haar meteen tot kapitein van de volleybalploeg gebombardeerd.’

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

134


5 Wetenschappers vermoeden dat er een verband bestaat tussen de cultuur en je temperament. Hoe

zuidelijker je gaat, hoe meer mensen getypeerd worden als personen met een warmer, maar ook meer opvliegend temperament. Dat betekent dat omgevingsinvloeden, waaronder klimatologische omstandigheden, een rol kunnen spelen. a Bekijk de cartoon. Leg de link uit met wat je zonet hebt gelezen over het temperament.

IN

pl

aa

r©

b Gebruik jij soms ook die clichés? Kloppen ze, volgens jou?

VA N

6 Lees het verhaal De schedel van Gage.

Beantwoord vervolgens de vragen onder de tekst.

m

ke xe

DE SCHEDEL VAN GAGE

Dit verhaal toont aan dat de hersenen niet

alleen verantwoordelijk zijn voor functies zoals ademen, waarnemen of leren, maar dat ze ook mee onze persoonlijkheid bepalen. In 1848 werkte een groep mannen aan de

aanleg van een spoorbaan door een rotsachtig maken, moesten rotsen worden opgeblazen: de mannen boorden een gat in de rotsen, plaatsten er springstof in en gooiden er zand over dat ze met een staaf aanstampten. Maar door een onoplettendheid stampte Phineas Gage in het gat voordat het zand was toegevoegd. Door de explosie die daarop volgde, boorde de staaf zich in de schedel van Gage. De staaf raakte de linkerwang, doorboorde de oogkas, schoot door het dak van de schedel en belandde tientallen meters verder. Gage overleefde het ongeval, en verloor zelfs het bewustzijn niet! Hij leek achteraf geen moeilijkheden te hebben met geheugen of taalfuncties en nam de werkelijkheid waar zoals ze was, ondanks het verlies van zijn linkeroog.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

gebied in Vermont (VS). Om de weg vrij te

135


Toen de Amerikaanse neuroloog Antonio Damasio in 1996 dit vreemde verhaal opnieuw onderzocht, kwam hij tot de vaststelling dat er wél een en ander aan het slachtoffer was veranderd: heel zijn manier van tegen de dingen aan te kijken en van reageren was sterk veranderd door de hersenboring. Gage was voor het ongeval te omschrijven als een verstandige, vriendelijke man die zeer gewaardeerd en geliefd was door zijn collega’s. Na het voorval was hij erg opvliegend geworden, ging hij wild tekeer, vloekte hij en schold hij

IN

iedereen uit die hem voor de voeten liep. Hij was veranderd van een evenwichtig man in een onuitstaanbare klager die nog wel plannen maakte, maar ze niet uitvoerde door gebrek aan geduld en doorzettingsvermogen.

Twaalf jaar na het ongeval stierf hij, vermoedelijk als een laat gevolg van de hoofd- en meer bij.

a Wat was de oorzaak van de gedragswijziging van Gage?

VA N

hersenwonde. Hij verloor het bewustzijn door een zware epileptische aanval en kwam niet

r©

b Welke wijzigingen traden op in het temperament van Gage?

aa

pl

Constitutie

Gespierde kerels en meiden, tengere figuren of eerder mollige types: je kunt je er vast iets bij voorstellen. Al heel lang

m

onderzochten filosofen en nadien exacte wetenschappers het aanvoelen dat het fysieke voorkomen veel zegt over iemands persoonlijkheid. Het gaat dan niet over een oorring, wat lippenstift of piercings, maar wel over de bouw van het lichaam.

ke xe

7 Bekijk de afbeelding van de drie personen (in voor- en zijaanzicht). a Beschrijf de constitutie van elke persoon.

b Door je ervaringen voel je aan dat er een verband lijkt te bestaan tussen hoe iemand eruitziet en zijn

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

of haar persoonlijkheidskenmerken. Wat is je eerste indruk bij de drie personen?

136

1

2

3

1

2

3


Persoon 1 a b

Persoon 2

IN

a b

Persoon 3

VA N

a b

8 De Amerikaanse fysioloog William Sheldon (1898-1977) deed rond 1942 een poging om het verband aan

te tonen tussen de fysieke eigenschappen – de constitutie – en de persoonlijkheidskenmerken.

Bekijk de drie bekende personen hieronder.

r©

a Herken je de personen? Met welke persoonlijkheidskenmerken worden ze vaak gemakshalve

geassocieerd door mensen die hen niet goed kennen?

b Hoe interpreteer jij hun voorkomen? Met welke constitutie lijken ze overeen te komen? c Verschilt je interpretatie van die van de klasgroep?

1→

aa

a

3→

c

a

b

c

a

b

c

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

ke xe

2→

m

pl

b

137


VIP Rond 1921 stelde de Duitse psychiater Ernst Kretschmer (1888-1964) een merkwaardig verband vast: personen met dezelfde psychische aandoening hadden vaak dezelfde lichaamsbouw (constitutie) en persoonlijkheidskenmerken.

—

—

leptosoom (lept = fijn, soma = lichaam): —

lang, mager type

—

temperament schommelt tussen ongevoelig en overgevoelig

pycnicus (puknos = gedrongen):

VA N

—

IN

Als uitgangspunt nam hij drie soorten lichaamsbouw:

—

ontspannen, stevig gebouwde persoon

—

schommelt tussen vrolijk en somber, gezellig en meelevend

atleticus: —

robuust postuur, grote handen, krachtige handen

—

rustig en bedachtzaam

r©

De Amerikaan William Sheldon (1898-1977) deed verder onderzoek naar dat verband. Hij wilde de link ook leggen tussen constitutie en temperament bij niet-psychiatrische patiënten.

Sheldons ideeën waren populair (vooral in kringen waarin wordt nagedacht over eugenetica, een strekking die ernaar streeft om met behulp van

aa

wetenschappelijke kennis de menselijke soort te verbeteren). Later werden zijn ideeën echter betwist. Herhalingen van Sheldons onderzoek leverden geen bevestiging op en zijn typologie bleek niet bruikbaar bij het voorspellen van toekomstig gedrag van een persoon. Toch ervaren we een intuïtief verband

pl

tussen iemands lichaamstype en zijn persoonlijkheidstrekken.

m

Barbara Honeyman Heath (1910-1998), die Sheldons belangrijkste assistente was bij het samenstellen van zijn Atlas of Men , beschuldigde hem ervan de gegevens die hij bij het schrijven van het boek had gebruikt, vervalst te hebben.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

ke xe

Naar: nl.qaz.wiki

138

ectomorf

mesomorf

endomorf


Lagen van het begrip persoonlijkheid: karakter, temperament, constitutie

4.2

1 Karakter

Wanneer je spreekt over iemands karakter, dan heb je het over het gedrag dat je bij een persoon waarneemt en hoe je dat benoemt.

IN

Afhankelijk van de omgeving en van de persoon die waarneemt, zal eenzelfde gedrag anders worden benoemd. Het benoemen van iemands gedrag wordt dus sterk bepaald door de ingesteldheid en het denken van de waarnemer.

VA N

2 Temperament

Wanneer je het over temperament hebt, gaat het over een aangeboren, typerend

reactiepatroon dat iemands gedrag bepaalt. Dat patroon blijft grotendeels onveranderd

tijdens het leven. Het is de neiging van een persoon om een bepaalde emotie of stemming bij zichzelf op te roepen. Het toont zich in: de intensiteit van het gedrag;

—

de bereidheid tot actie;

—

het niveau van activiteit.

r©

—

3 Constitutie

Het begrip constitutie slaat op het fysieke aspect van de persoonlijkheid: de lichaamsbouw en het lichamelijk functioneren. Er lijkt een verband te bestaan tussen uiterlijk en

aa

persoonlijkheid.

Zowel via mensenkennis als via de wetenschappelijke psychologie probeert men de persoonlijkheid van anderen te leren kennen. Blijkbaar is het vatten van de persoonlijkheid

pl

niet alleen een boeiende bezigheid, maar kent ze ook talrijke toepassingen. Ook in het

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

ke xe

m

verleden had men de behoefte om het unieke in de medemens te ontdekken.

139


STAP 3

Welke trekken zouden persoonlijkheidspsychologen Allport en Cattell in jou herkennen?

IN

De in Stap 2 besproken typologieën proberen de verschillen tussen mensen vooral te verklaren op basis van een indeling in types. Rond het midden van de 20e eeuw zijn er psychologen die trachten om het menselijk gedrag te vatten in

karakteristieke trekken (traits). Trekken zijn stabiele, persoonsgebonden karakteristieken die de ene mens onderscheiden

van de andere. Volgens de trekbenadering kunnen persoonlijkheidsverschillen beschreven worden op basis van een beperkt

VA N

aantal trekken.

1 In de meeste theorieën bestaat een trek uit een continuüm tussen twee tegengestelde eigenschappen.

Kun je zelf een voorbeeld geven van een persoonlijkheidstrek die past in zo’n continuüm? Voorbeeld: somber

r©

opgewekt

VIP

aa

pl

Gordon Allport (1897-1967) wordt wel eens de vader van de persoonlijkheidspsychologie genoemd. Zo ontwikkelde hij onder meer een persoonlijkheidstest. Hij vond dat psychologisch onderzoek praktisch moest

m

zijn. Hij baseerde zich op de woorden die mensen gebruiken om elkaar te beschrijven. Uit woordenreeksen puurde hij maar liefst 18 000 woorden. Nadat hij de synoniemen en de zeldzame woorden had weggelaten, hield hij nog zo’n

ke xe

5 000 woorden over. Allport probeerde in die adjectieven een onderliggende structuur te vinden om zo te komen tot een beperkt aantal basistrekken die volstaan om iemands persoonlijkheid weer te geven. De Engelse psycholoog Raymond Cattell (1905-1998) werkte verder op de methode van Allport en ontwikkelde rond 1950 een vragenlijst die de score van

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

zestien factoren meet, de 16PF (The Sixteen Personality Factor Questionnaire).

140

Met die vragenlijst kunnen onderzoekers een persoonlijkheidsprofiel opstellen. Dat gaf aanleiding tot de trekkentheorie.

2 In het Forum van de Intro vulde je een testje in dat gebaseerd is op de 16PF. Hieronder vind je de

volledige versie. a Doe jij de test nog eens bij jezelf? b Nadat je de testvragen hebt ingevuld, kun je de volledige test online invullen. Zo zie je hoe de

antwoorden je persoonlijkheid in de zestien trekken situeren. Spannend?


16PF testprofiel Geef aan waar jij je bevindt op elke trek. Sociaal, warmhartig,

kritisch, afzijdig, stijf

gemakkelijk, meewerkend

Concreetdenkend

Abstractdenkend

Labiel, emotioneel minder

Emotioneel stabiel,

stabiel, gemakkelijk

volwassen, ziet de realiteit

geschokt, veranderlijk

onder ogen, kalm

IN

Asociaal, afstandelijk,

Onderworpen, zachtaardig,

VA N

Dominant, agressief, koppig,

gemakkelijk te beïnvloeden,

competitief

meegaand, gedienstig

Vrolijk, enthousiast,

Somber, zwijgzaam, ernstig

impulsief

Gewetensvol, volhardend,

Onbezorgd, opportunistisch,

moraliserend, onwrikbaar

r©

Timide, verlegen, angstgevoelig Ongevoelig, nuchter,

Goedgelovig, de

aa

onafhankelijk

doortastend Gevoelig, zachtaardig, aanhankelijk, overbeschermend Achterdochtig, moeilijk te bedotten

Praktisch, nauwgezet,

Vindingrijk, avonturier,

pl

voorwaarden aanvaardend formeel

afwezig Sluw, beschaafd, sociaal

maar sociaal onhandig

bewust

Zelfverzekerd, rustig,

Schuldbewust,

onbekommerd,

zelfverwijtend, wankel,

ke xe

m

Naïef, sentimenteel, eerlijk,

zelfingenomen, sereen

zorgelijk, piekerend

Conservatief, traditionele

Radicaal, liberaal,

ideeën respecterend

vrijdenkend

Groepsgericht, een

‘meedoener’ en trouwe

kij

volgeling

In

Brutaal, ongeremd, sociaal

Onafhankelijk, redt zichzelf, verkiest eigen beslissingen

Ongecontroleerd, laks, volgt

Gedisciplineerd,

eigen wetten, houdt geen

zelfcontrole, sociaal correct,

rekening met sociale wetten

dwingend

Ontspannen, rustig, niet

Gespannen, gefrustreerd,

gefrustreerd, beheerst

gedreven, overwerkt

Bron: Psychologie, Marc Brysbaert

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

negeert de regels

141


De trekkentheorie

4.3

In navolging van Gordon Allport zag de Britse psycholoog Raymond Catell (1905-1998) als eerste de persoonlijkheid als een verzameling van eigenschappen of trekken. Trekken zijn blijvende (min of meer stabiele), persoonsgebonden karakteristieken die de

STAP 4

VA N

IN

ene persoon onderscheiden van andere.

Is identiteit hetzelfde als persoonlijkheid?

Zowel persoonlijkheid als identiteit zijn begrippen die over jezelf gaan. Toch zijn er ook verschillen tussen beide termen.

bepalen.

r©

1 Je weet al wat persoonlijkheid is. Van die kennis kun je vertrekken om het verschil met identiteit te

a Vul de definities aan met de woorden ‘persoonlijkheid’ en ‘identiteit’. Kijk daarbij de definitie na die je

zelf samenstelde op p. 128.

Iemands                  is een uniek en stabiel patroon van psychologische

aa

—

kenmerken en gedragskenmerken waardoor de ene mens zich onderscheidt van de andere. —

Iemands                  wordt grotendeels bepaald door de relatie met

pl

anderen en de keuzes die men maakt.

m

b Op basis van de analyse van die definities kun je afleidingen maken. Vul aan.

Wie je van buiten bent, dat is je                  .

—

Wie je van binnen bent, dat is je                  .

ke xe

—

—

Je                  is vrij stabiel in de loop van je ontwikkeling.

—

Je                  evolueert in de loop van je ontwikkeling.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

c Verbind de juiste zinsdelen met elkaar.

142

1

Je persoonlijkheid

2

Je identiteit

a

is een blijvende zoektocht.

b

zit in jou.

c

wordt bepaald door je omgeving.

d

heb je.


2 Op welke podia sta jij?

VIP Wellicht heb je je al afgevraagd: ‘Wie ben ik? Wie wil ik zijn? Bij wie hoor ik?’ Volgens de Amerikaanse psycholoog en hoogleraar aan de Universiteit van Massachusetts, Jonathan

IN

Cheek (°1983), kunnen de kenmerken van je identiteit in vier categorieën worden ingedeeld. Hij stelt

elke categorie voor als een podium waarop je (fictief) in de spotlight staat of wilt staan. Op elk van die

VA N

podia komt je identiteit tot uitdrukking.

a Lees de kenmerken die Cheek verbindt aan elk podium. Illustreer vervolgens elk podium met

een voorbeeld. 1→ Podium: Persoonlijke identiteit

Als je op dit podium het makkelijkst jouw identiteit laat zien, dan vertel je graag over je persoonlijke eigenschappen.

2→ Podium: Sociale identiteit

r©

Als dit podium voor jou belangrijk is, ontleen je je identiteit aan de rol die je in de maatschappij

aa

vervult.

pl

3→ Podium: Collectieve identiteit

Op dit podium toon jij je verbondenheid met een groep die een belangrijke rol speelt voor jou.

m

Het gaat dan bijvoorbeeld over je afkomst of je politieke voorkeur.

4→ Podium: Relationele identiteit Op dit podium zeg jij met welke ander je een verbondenheid voelt.

ke xe

b Zeg welke rol je hebt op elk van de podia en je zegt iets over

Podium 1 Persoonlijke identiteit Podium 2 Sociale identiteit Podium 3 Collectieve identiteit Podium 4 Relationele identiteit

Jij bent ...

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

je identiteit.

143


Identiteit

4.4

1 Identiteit

Identiteit en identificatie hebben dezelfde woordstam. Ze komen van het Latijnse werkwoord identificare. Identificeren betekent ‘zich volkomen verbinden met, zich geheel wijden aan iets of iemand’. Identiteit is het geheel van kenmerken die een persoon uniek en herkenbaar verzameling van ideeën die de buitenwereld je toegekend heeft. 2 Persoonlijke identiteit en sociale identiteit

Er zijn twee aspecten van identiteit te onderscheiden: de persoonlijke identiteit en de

VA N

sociale identiteit.

IN

maken. Volgens klinisch psycholoog Paul Verhaeghe is je identiteit een constructie, een

Soms zie je jezelf als onderdeel van een bepaalde groep en identificeer je je met die groep. Dan gaat het over je sociale identiteit.

r©

Soms heb je het over ‘ik’ tegenover ‘hij’ of ‘zij’. Dan gaat het over je persoonlijke identiteit.

Good to know Antihomogedrag

aa

In het onderstaande fragment beantwoordt de Franse schrijver Éduard Louis (°1993) de vraag waarom adolescenten zich vaak nadrukkelijk als anti-homo gedragen. Het gaat volgens Louis

pl

om een zoektocht naar hun identiteit.

Onderzoek wijst uit dat tienerjongens het negatiefst staan

m

tegenover homoseksualiteit. Hoe komt dat?

‘Iedereen die homo is, weet dat de tienerjaren een gewelddadige tijd kunnen zijn. Gay zijn op school is meestal

ke xe

een vreselijke nachtmerrie. Tienerjongens bouwen hun mannelijke identiteit vaak op de gewelddadige verwerping van homoseksualiteit én vrouwelijkheid. Man-zijn betekent níét gay zijn en níét vrouwelijk zijn, want er is niets erger dan dat anderen je zien als een nicht. Ik zag dat ook bij mijn broer en mijn vader. Zij waren – nog meer dan ikzelf – sociaal gedetermineerd door homoseksualiteit, maar dan op een negatieve manier, als iets wat je moet uitspuwen.’ (…)

kij

‘De internalisering van die strikte normen over mannelijkheid heeft tot gevolg dat ook hetero’s zichzelf vernielen. Mijn vader bouwde zijn hele mannelijke identiteit op de verwerping van school, omdat in zijn

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

beeld alleen vrouwen en mietjes het goed deden in de klas. Maar op het einde van de rit bleef hij achter

144

zonder diploma en zonder vooruitzicht op goede jobs.’ Bron: De Standaard


STAP 5

Wat zijn emoties en wat doen ze met jou?

IN

Mensen benoemen elkaar volgens de manier waarop ze hun emoties aan elkaar tonen. Je bent dan bijvoorbeeld een emotioneel of een koel type. Een angstige of blije persoon. Maar wat zijn emoties precies? Kun je ze onderdrukken en is dat

Emoties aflezen

VA N

oké? En waartoe dienen emoties?

Emoties van mensen kun je aflezen op hun gezicht. Emoties kun je tonen, al dan niet met succes. 1 Bekijk het filmpje waarin emoties worden getoond.

r©

a Wat valt telkens op in de uiting van de emotie? Welke expressie zie je op het gezicht? En in de

lichaamshouding?

b Welke meer algemene conclusie kun je daaruit trekken?

aa

2 Bekijk de foto’s.

pl

a Kies één hieronder uitgebeelde emotie en bepaal over welke emotie het gaat.

m

b Gebruik de afbeelding om die emotie na te spelen voor een klasgenoot. Laat hem raden over welke

emotie het gaat.

c Bespreek de gezichtsuitdrukking (ogen, mond, wenkbrauwen, handen …) die je hebt gebruikt om de

ke xe

emotie na te spelen.

d Kies één foto uit (dat mag dezelfde of een andere foto zijn) en vertel aan een klasgenoot wanneer je

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

een gelijkaardige emotie beleefd hebt.

145


Good to know Emoties in de mondmaskersamenleving Ons vermogen om de bedoelingen en emoties van anderen te lezen, vermindert aanzienlijk zodra een deel van het gezicht bedekt is.

IN

‘De 42 individuele spieren van ons gezicht zorgen samen voor zowat tienduizend expressies’, zegt hoogleraar sociale psychologie Alain Van Hiel (UGent). In 2017 gingen onderzoekers van de Universiteit Bielefeld na te herkennen. In de eerste plaats, zo bleek, focussen mensen zich op de ogen en de mond. Om blijdschap af te lezen, kijken ze vooral naar de mond. Voor angst en verdriet letten ze op de ogen. In landen en tijden waarin een mondmasker gedragen wordt, is het moeilijk blijdschap te herkennen, terwijl de meeste negatieve gevoelens nog even goed Veruit de meeste misverstanden ontstaan als gemondmaskerde mensen glimlachen. Er zijn

De duchenneglimlach

r©

zichtbaar zijn.

VA N

welke delen van het gezicht helpen om een rits van emoties

samengevat en veralgemeend twee glimlachcategorieën. De non-duchenneglimlach is een valse, geforceerde of

beleefdheidsglimlach die alleen van de mond af te lezen

aa

valt. Hij wordt onzichtbaar als je een mondmasker draagt.

De duchenneglimlach is wel oprecht en tekent zich aan de

m

Bron: Knack

pl

mond en rond de ogen af.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

ke xe

3 Schrijf onder elke foto of het de duchenneglimlach of de non-duchenneglimlach is.

146

Bron: Knack

Lijntjes vormen zich rondom en onder de ogen, gecontroleerd door de oogkringspier. De wangen worden opgetrokken. Er verschijnen nasiolabiale plooien (tussen de neus en de mond). De mondhoeken worden naar achteren getrokken, gecontroleerd door de grote jukspier.


Emotie: van impressie tot expressie Emoties komen niet zomaar tot stand, ze hebben altijd een aanleiding. Een emotie kan pas ontstaan wanneer er een uitlokkende prikkel is. Die kan van buiten je komen, maar ook van binnen in jezelf. Zonder die aanleiding, ook wel indruk

IN

of impressie genoemd, kun je niet spreken van een emotie. Weet dat eenzelfde aanleiding een andere reactie of emotie kan teweegbrengen bij verschillende personen.

4 Anje en Sander bevinden zich in dezelfde situatie, maar ze kunnen er een andere interpretatie aan geven.

VA N

Die interpretatie geeft aanleiding tot een verschillend gevoel, dat op zijn beurt dan weer leidt tot een ander gedrag of een andere reactie op dezelfde prikkel. a Lees de situatie.

Anje ligt in bed. In de kamer naast haar ligt Sander op zijn bed. Op de benedenverdieping

r©

horen ze een geluid. Anje kijkt even op en slaapt verder. Sander doet de rest van de nacht geen oog meer dicht.

situatie kunnen beleven? Beschrijf:

aa

b Hoe zouden Anje en Sander op hun manier die

1→ de indruk of impressie.

pl

2→ hun interpretatie.

3→ hun gevoel op basis van die interpretatie.

Anje

1

Sander 1

In

kij

2

3

4

2

3

4

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

ke xe

m

4→ het gedrag dat daarop volgt.

147


Wat emoties doen binnen in jou De indrukken die je opdoet, worden via de zenuwbanen omgezet in lichaamsreacties (bv. zweten, hartkloppingen …) en

5 Bekijk het filmpje over het brein. Wat gebeurt er in je hersenen als je angst ervaart?

—

de thalamus?

—

de cortex?

—

de amygdalae?

—

de hippocampus?

—

de stappen bij de emotie ‘angst’? de eerste stap:

r©

→

→

de tweede stap: de derde stap:

de eerste verwerking? →

de expresweg

m

—

pl

aa

→

VA N

a Wat zegt men in het filmpje over:

IN

psychologische reacties (denkprocessen en gevoelsprocessen).

ke xe

kij

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

—

148

de tweede verwerking? →

de doordachte route

b Gebruik de informatie uit het filmpje om te reconstrueren wat er gebeurt in de hersenen van Sander

wanneer hij het geluid op de benedenverdieping hoort.


6 Je kunt drie stappen herkennen die een rol spelen bij het ontstaan van een emotie. Lees de twee situaties.

Beantwoord vervolgens de vragen onder de tekst. Markeer in de tekst de informatie die je kunt gebruiken in je antwoord.

HET VERHAAL VAN MAARTEN

IN

Maarten heeft onlangs gebroken met zijn vriendinnetje. Wanneer hij haar tegenkomt in het gezelschap van zijn beste vriend, voelt hij aan alles in hem dat hij stikjaloers is: zijn ‘Ik ben haar duidelijk niet vergeten’, denkt Maarten. Wanneer hij thuiskomt, schrijft hij haar een berichtje.

HET VERHAAL VAN TESS EN SAMIRA

VA N

ademhaling en hartslag versnellen.

r©

Tess en Samira zitten in spanning te wachten. Het is maandagochtend 11 juni, halfnegen. Op het programma: schriftelijk examen geschiedenis. De leraar deelt meerdere bladzijden examenvragen uit en legt de pagina’s omgedraaid op de schoolbanken. ‘Zoveel vragen’, denkt Samira, ‘dat krijg ik nooit binnen de tijd klaar’. En ook Tess maakt

zich zorgen: ‘Ik heb vast niet genoeg gestudeerd om op al die vragen een antwoord te kunnen

aa

geven.’

Op het teken van de leraar mogen ze – met klamme handen – het blad omdraaien en de vragen inkijken. Hun emoties zijn zo uit hun gedrag af te lezen. Tess blijft versteend naar de

pl

vragen staren, terwijl Samira zenuwachtig op het uiteinde van haar pen bijt.

ke xe

Emoties in je lichaam (de

fysiologische component)

In

kij

Maarten

Tess en Samira

Emoties in je denken

Emoties in je gedrag

en voelen (mentale

(gedragsmatige

processen)

component)

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

m

a Analyseer in de twee situaties de drie stappen of componenten van een emotie.

149


b Maak een selfie. Beeld daarop een emotie uit die je recent beleefde. Analyseer er de drie

componenten in.

fysiologische component)

Emoties in je gedrag

en voelen (mentale

(gedragsmatige

processen)

component)

VA N

Selfie

Emoties in je denken

IN

Emoties in je lichaam (de

c Kun je al iets verder analyseren? Lees aandachtig het schema, waarin de mentale component wordt

opgesplitst in denkprocessen en gevoelsprocessen. Duid vervolgens voor elk van de drie situaties aan of het gaat om een denkproces of een gevoelsproces.

r©

indruk/impressie Emoties in je lichaam:

Emoties in je denken en voelen:

fysiologische component

aa

en

psychologische reacties

denkprocessen

gevoelsprocessen

ke xe

m

pl

lichaamsreacties

mentale component

kij

Maarten

Tess en Samira

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

Selfie

150

uitdrukking/expressie Emoties in je gedrag: gedragsmatige component Denkproces

Gevoelsproces


7 Even herhalen. Vul de tabel aan met een persoonlijk voorbeeld.

Begrip

Je ziet een grote spin op je

impressie

schoolbank.

reactie 4 Psychologische

Je ademhaling en hartslag versnellen.

Je denkt dat de spin naar je toe

reactie

zal komen en je zal bijten.

Uitdrukking of

Je gilt en schuift je stoel

expressie

achteruit.

aa

Good to know

IN

Indruk of

3 Lichamelijke

5

angst

r©

2

Eigen ervaring

VA N

1 Emotie

Voorbeeld

Het fysieke effect van emoties

Emoties hebben ook een fysiek effect. Finse wetenschappers hebben de fysieke effecten van emoties in

pl

kaart gebracht. Ze brachten in beeld waar we de gevolgen van elke emotie in ons lichaam kunnen voelen. De onderzoekers baseerden hun conclusies op een online onderzoek onder 700 personen afkomstig uit

m

Finland, Zweden en Taiwan. De onderzoekers zorgden ervoor dat de proefpersonen verschillende emoties meemaakten. De proefpersonen moesten vervolgens op een plaatje van een menselijk lichaam aangeven

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

ke xe

waar ze activiteit voelden toenemen of afnemen.

151


Emoties

4.5

1 Emotie

Iedereen, ook jij, kent het begrip ‘emotie’, tot men je vraagt er een omschrijving van te geven. Het begrip emotie komt van het Latijnse werkwoord movere. Naargelang de context kan het betekenen: bewegen, roeren, schudden, doen beven, ontroeren, verandering brengen,

IN

betekenen.

Een emotie is een gemoedstoestand die een expressie of reactie is op een bepaalde prikkel

en die aanleiding geeft tot bepaald gedrag. Een emotie is het hele proces van impressie over reactie tot expressie. heeft voor de belangen van de persoon. verhoogde activering

VA N

Bij emoties treden psychologische reacties op als gevolg van een gebeurtenis die betekenis

r©

indrukken/impressies uitdrukking/expressie 2 Componenten in emotie

In een emotie kun je drie componenten onderscheiden: emoties in je lichaam (fysiologische component);

—

emoties in je denken en voelen (mentale component);

—

emoties in je gedrag (gedragsmatige component).

pl

aa

—

m

De uitdrukking van emoties: zoveel mensen, zoveel verschillen Hoe komt het toch dat mensen soms heel verschillend op een bepaalde emotie reageren? Heeft dat met de persoonlijkheid

ke xe

te maken? Met de opvoeding? Hoe dan ook zetten emoties je tot handelen aan. Trouwens: niet-handelen is ook handelen, want het heeft betekenis! Je merkt dus op dat er een verwantschap bestaat tussen emotie en motivatie (allebei van het Latijnse movere).

8 Stel: je bent op reis, je trekt de wijde natuur in en ... plots staat daar een leeuw met niet bepaald

vriendelijke bedoelingen.

kij

a Wat doe je?

vluchten

stokstijf blijven staan

je klaar houden om te vechten

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

b Hoeveel leerlingen in de klas gaven deze antwoorden?

152

vluchten

stokstijf blijven staan

je klaar houden om te vechten


Good to know FFF In de psychologie heb je drie reactiemogelijkheden op grote angst: vluchten (flight), bevriezen (freeze) en

IN

vechten (fight), of kortweg FFF.

9 Hoe reageer jij meestal in stress-situaties?

Lees grondig onderstaand schema. Analyseer vervolgens je eigen gedrag bij de emoties angst en woede op basis van de informatie in het schema. Wat voel je daarbij?

r©

Overprikkelde reacties: vechten-vluchten, irritatie, boosheid, paniek

VA N

Optimaal spanningsgebied: kalm, ontspannen, in verbinding, in staat tot reflectie

pl

aa

Onderprikkelde reacties: bevriezen, afgestompt, lusteloos, dissociatie, afwezig

m

Emoties in je lichaam: de fysiologische component In veel gevallen leiden de reacties in je lichaam tot een uitdrukking of expressie. Die zie je in je gedrag. Emoties gaan

ke xe

gepaard met lichamelijke of fysiologische veranderingen. Daardoor zijn emoties heviger dan gewone denkprocessen. 10

Hoe reageert je lichaam als: a je je verlegen voelt?

c je heel veel stress hebt voor een examen?

d je je bedreigd voelt?

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

b je je bang voelt?

153


11

Emoties leiden tot een lichamelijke reactie. a Welke emoties liggen aan de basis van de onderstaande lichamelijke reacties? Wat is er gebeurd? b Geef zelf nog een persoonlijk voorbeeld van een lichamelijke reactie bij elk van de zes emoties.

Lichamelijke reacties

Walging

Angst

Woede

Ik moest er bijna van overgeven.

2

Ik voel mij heel ervaar een gevoel van lichtheid in het hoofd. Mijn spieren spannen zich op.

4

Ik voelde mijn

r©

hart in mijn keel kloppen. 5

Ik voelde de tranen in mijn Ik kreeg het er warm van.

7

Ik stond te trillen

8

Ik voelde

pl

op mijn benen.

aa

ogen komen. 6

m

me helemaal

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

ke xe

opgewonden.

154

Verrassing

VA N

ontspannen, ik

3

Verdriet

IN

1

Vreugde


Good to know De hypothalamus, een sterk besturingssysteem Fysiologie is de leer van de werking van het lichaam: hersenen, zenuwen, organen, hormonen, cellen ... Het centraal besturingssysteem van veel van de lichamelijke

IN

mechanismen wordt geregeld vanuit de hersenen door de hypothalamus. De hypothalamus heeft een regulerende invloed op ons gedrag. hij is betrokken bij drie gedragingen, namelijk: voortplantingsgedrag. Bij prikkeling van de hypothalamus kunnen ook woedeaanvallen of net een tevredenheidsgevoel ontstaan. Hij speelt ook een rol in het ervaren van emoties zoals woede en angst. De hypothalamus heeft een nauwe verbinding met Steeds meer kunnen breinwetenschappers de plaatsen in de hersenen aanwijzen die een rol

spelen bij bepaalde emoties. Op de afbeelding zie je de verschillende systemen waar de hypothalamus een regulerende functie heeft.

voortplantingsgedrag

water- en mineralenbalans

autonome zenuwstelsel (vertering)

emoties

hypothalamus

reguleert waaken slaapritme

hartslag en bloeddruk

lichaamstemperatuur

endocriene functies (hormonen)

pl

aa

vecht- of vluchtgedrag

Lees het verhaal van Laura. Beantwoord vervolgens de vragen onder de tekst.

m

12

reguleert hongeren dorstgevoel ofwel voedingsgedrag

r©

het limbisch systeem, de regulator van emoties.

VA N

vlucht- of afweergedrag, voedingsgedrag en

HET VERHAAL VAN LAURA

ke xe

Laura is met de klas op daguitstap in Antwerpen. Ze brengen een bezoek aan de dierentuin. Plezier alom! Wanneer ze binnenstappen in de zaal met de reptielen, moeten Laura’s ogen eerst wat wennen aan het donker. Plots ziet ze een kanjer van een slang liggen, vlak naast haar. Ze gilt en wil weglopen. Tot

ze beseft dat de reuzenslang achter glas zit en kalm blijft liggen zonder aanstalten te maken aan te vallen. Laura komt tot rust en slaakt een zucht van verluchting. Achteraf op het terras

a Verklaar het wisselende gedrag van Laura door gebruik te maken van het schema en de bijbehorende

uitleg op de volgende pagina. THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

kan ze er goed om lachen, maar op het moment zelf voelde ze echt wel angst!

155


WAT GEBEURT ER BIJ LAURA? Een – in dit geval visuele – prikkel loopt van het netvlies (1) via de gezichtszenuw (2) naar de thalamus (3). De thalamus is het verdeelcentrum voor alle binnenkomende prikkels. De thalamus stuurt het grootste deel van de binnengekomen boodschap door naar de visuele cortex (4). Daar wordt de informatie geanalyseerd en krijgt ze een betekenis.

IN

Als de conclusie is dat de passende

reactie met emoties te maken heeft,

wordt de boodschap verstuurd naar de amygdalae (5), waarna een bewuste 3

stimuleren de emotionele centra.

2

Maar de thalamus (3) stuurt ook

6

4

5

VA N

reactie plaatsvindt. De amygdalae

1

een deeltje van de binnengekomen

informatie rechtstreeks door naar de

amygdalae (6). Dat zorgt ervoor dat je

snel emotioneel kunt reageren als dat

r©

nodig is. Aangezien het echter maar om een deel van de informatie gaat en de prikkel geen betekenis gekregen heeft,

aa

is die reactie soms ongepast.

pl

b Heb jij al eens iets dergelijks meegemaakt?

VIP

m

Bij emotionele gebeurtenissen gebruik je de ene keer wel je verstand en handel je rationeel en heb je de andere keer totaal geen greep op je verstand. De verklaring daarvoor is te vinden in de werking van je hersenen.

ke xe

De Amerikaanse neurowetenschapper Joseph LeDoux (°1949) onderzocht welke hersengebieden belangrijk zijn bij emoties. In 1992 ontdekte hij de niet te onderschatten rol van de amygdalae (enkelvoud: amygdala; amygdalé is Grieks voor amandel), twee amandelvormige gebieden in de hersenen. Via hersenscans en neuropsychologische experimenten kon LeDoux aantonen dat zowel voelen als denken hun oorsprong hebben in de hersenen met tal van

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

verbindingen.

156


13

‘Ik heb last van mijn zenuwen. Ik heb mijn zenuwen niet onder controle.’ Iedereen kent het gevoel. Het wordt veroorzaakt door het perifeer zenuwstelsel dat signalen krijgt via het centraal zenuwstelsel (de hersenen en het ruggenmerg).

Het gebruik van een leugendetector in

IN

gerechtelijk onderzoek is gebaseerd op de werking van een onderdeel van het perifeer zenuwstelsel, meer bepaald het autonoom

VA N

zenuwstelsel. Bekijk het filmpje over de leugendetector.

Via welke mechanismen kan het perifeer zenuwstelsel een leugenaar onderscheiden van iemand die de waarheid spreekt?

centrale zenuwstelsel

hersenen

r©

aa

perifere zenuwstelsel somatisch

autonoom

sympatisch parasympatisch

ke xe

m

pl

ruggenmerg

Emoties in je lichaam: de fysiologische component

helemaal geen duidelijke grens die onze emoties onderscheidt van onze rede. Beide werken altijd samen. Emoties wekken immers bepaalde gedachten op en gedachten veroorzaken dan weer bepaalde emoties. Onze emoties hebben meer invloed op ons dan onze rede. Ze vormen de basis voor alles wat we zijn. Onze rede is als

een beitel die je kunt gebruiken om je emoties te polijsten, zodat je er iets gemakkelijker mee om kunt gaan, waardoor ze je kunnen helpen om een beter leven te leiden.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

Ook vandaag zoeken velen naar het verband tussen ons denken (de rede) en onze gevoelens (emoties). Eigenlijk is er

157


Good to know Emotie: paard of olifant? Volgens de sociaal psycholoog Jonathan Haidt (°1963) is een van de meest wijdverspreide psychologische observaties dat ons denken verdeeld is in twee krachten die soms botsen. ‘Aan de ene kant heb je de gecontroleerde, rationele psychologische processen. Aan de andere zijn er de automatische, onderbewuste

IN

processen.’

Plato sprak in die context van de wagenmenner Naus en zijn twee paarden: het nobele paard Thumos en het weerspannige paard Epithuma. De menner stond bij de Griek voor de ratio, de paarden voor de emotionele driften. ‘Dat beeld is volgens mij fout,’ zegt Haidt.

VA N

‘Ik spreek liever van de intuïtieve hond met zijn rationele staart. Of van een jongetje op de rug van een olifant. Het jongetje – onze ratio – kan wel vriendelijk vragen om van richting te veranderen, maar als

de olifant – onze intuïtie – een andere kant op wil, kan het jongetje daar maar weinig aan veranderen.

Ik verwijs graag naar het beroemde citaat van de Schotse filosoof David Hume: “Reason is a slave of the passions”. Plato’s paarden – mijn olifant – gaan er met de menner vandoor.’

14

m

pl

aa

r©

Naar: De Standaard

Lees de onderstaande situaties. Welk beeld uit de Good to know sluit volgens jou meer aan bij deze situaties wat de verhouding betreft tussen ratio en emoties? Markeer in de tekst de informatie die je kunt

ke xe

gebruiken in je antwoord.

SITUATIE 1

Wanneer Anouschka in de bioscoop naar die geweldige nieuwe film zit te kijken, krijgt ze het moeilijk. Bij een bepaalde scène vraagt ze haar zus stilletjes of ze geen zakdoek bij zich

kij

heeft, omdat ze het bij die scène emotioneel heel lastig heeft en voelt dat ze zal wenen. Haar zus zegt dat ze aan iets anders moet denken. Bij de slotscène houdt niets haar nog tegen om

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

voluit te huilen, want niemand hoort haar snikken bij de luide muziek.

158


SITUATIE 2 Sommige dieren worden volledig verlamd bij groot gevaar. Dat blijkt een heel nuttige angstreactie te zijn. Het roofdier dat op hen jaagt, besnuffelt verlamde prooien alleen maar,

IN

zonder ze aan te vallen.

VA N

15

Ken je Joseph LeDoux nog (VIP-kader p. 156)? Naast neurowetenschapper is hij ook zanger-gitarist van The Amygdaloids. De wetenschap bezorgt hem inspiratie voor zijn muziek. ‘Geen heavy metal, maar heavy

r©

mental’, zegt de band.

a Lees hieronder een deel van zijn nummer An emotional brain.

An emotional brain Deep inside my brain, old memories Hiding in my cells, my anxieties

aa

They won’t go away, they sit and grow bigger

Refrein

pl

They sit and wait, for another trigger

An emotional brain is a hard thing to tame It just won’t stay in its place

m

Every time I think I got it It gives me another face

Happy Sad Disgusted or Mad

ke xe

These are the things it shows I keep trying to rein it

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

But it goes and goes and goes

159


b Heb jij soms ook last van je emotionele brein? c Soms lukt het: je emoties beheersen door ‘je verstand te gebruiken’. Bespreek met een klasgenoot

een situatie waarin dat goed ging. Analyseer die situatie als een proces. d Bespreek ook een situatie waarin het minder goed lukte.

Je interpreteerde de situatie.

Analyse van de situatie waar

het je wel lukte de emotie te

het je niet lukte de emotie te

beheersen

beheersen

VA N

1

Analyse van de situatie waar

Je beoordeelde de

situatie.

Je besloot wel of niet te

ke xe

m

reageren.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

4

160

Je evalueerde de emotie.

pl

3

aa

r©

2

IN

Situatie


e In de psychologie onderscheidt men over het algemeen vijf manieren of strategieën om last van

emoties te beheersen of aangename emoties te behouden. Wat doe jij om negatieve emoties te vermijden? En om leuke emoties vast te houden of wat langer te laten duren? Let op: niet elke strategie is van toepassing bij elke emotie.

situaties, of ze juist

opzoeken)

2

de situatie wijzigen (de externe omgeving aanpassen zodat de

anders is)

aa

emotionele ervaring

de aandacht verleggen

ke xe

m

(aan iets anders denken)

4

zorgen voor een

cognitieve verandering

In

kij

(een eerdere situatie

5

anders waarderen)

zorgen voor een reactieve aanpassing of modulatie (bv. door te sporten)

pl

3

r©

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

een situatie selecteren (vermijden van bepaalde

langer laten duren

VA N

1

Positieve emotie

Negatieve emotie vermijden

IN

Strategie

161


Hebben emoties een functie? Of je emoties nu prettig vindt of niet, ze zijn er niet zomaar, je hebt ze zelfs nodig in het dagelijkse leven. De eerste

IN

menselijke wezens waren maar wat blij met hun emoties. Ze dienden om te overleven!

Stel je de onderstaande situaties voor.

SITUATIE A

Je rijdt met je fiets naar huis. Plots hoor je achter jou de loeiende sirene van een brandweerwagen.

VA N

16

a Welke emotie overvalt je? Duid aan. 2

3

aa

r©

1

5

6

ke xe

m

pl

4

b Wat doet de emotie met je gedrag?

1→ Duid aan wat de functie is van je emotie. 2→ Schrijf daarnaast wat je voelt en/of doet.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

1→  Functie

162

2→  Gevoel/gedrag

Waarschuwingsfunctie

Je emotie waarschuwt je.

Aanpassingsfunctie

Je past je gedrag aan.

Communicatiefunctie    Je gedrag zegt iets aan anderen.


SITUATIE B

Je bent op uitstap met vrienden. De sfeer is prima. Er worden grappen verteld en er wordt wat gestoeid. a Welke emotie overvalt je? Noteer het nummer van een emotie uit oefening a.

IN

b Wat doet de emotie met je gedrag?

2→ Schrijf daarnaast wat je voelt en/of doet. 1→  Functie

VA N

1→ Duid aan wat de functie is van je emotie.

2→  Gevoel/gedrag

Waarschuwingsfunctie

Je emotie waarschuwt je.

Je past je gedrag aan.

Communicatiefunctie

r©

Aanpassingsfunctie

aa

Je gedrag zegt iets aan anderen.

Emoties en ratio, de functies van emoties

4.6

pl

1 Het verband tussen emotie en motivatie

Emoties motiveren je, zetten je aan om iets te doen, om te reageren. Het begrip motivatie komt van het Latijnse werkwoord movere (bewegen, tot iets aanzetten). Anderen zien je

m

gedrag en interpreteren dat als een bepaalde emotie. Emoties worden opgemerkt door anderen via lichaamstaal, die vervolgens ook bij hen een reactie oproept.

ke xe

2 Het centraal en perifeer zenuwstelsel

Wat in het lichaam gebeurt, wordt bepaald door het zenuwstelsel. —

Prikkels van buiten en binnen het lichaam worden doorgegeven aan het centraal

zenuwstelsel (de grote en kleine hersenen, de ruggengraat).

—

Van de hersenen wordt de verwerking doorgestuurd naar de rest van het lichaam (bv. de

spieren): dat is het werk van het perifeer zenuwstelsel.

—

Het perifeer zenuwstelsel bestaat uit het autonoom zenuwstelsel en het somatisch

—

Het autonoom zenuwstelsel werkt op twee manieren in op ons: —

het sympathisch zenuwstelsel zet aan tot actie, geeft ‘gas’;

—

het parasympatisch zenuwstelsel geeft rust, remt de actie, duwt op het rempedaal.

3 De spanning tussen rede en emoties

Soms laat je je overweldigen door bepaalde emoties. Maar soms kan je rede, je verstand proberen die emoties te beheersen. In het algemeen kun je dat door drie denkprocessen te gebruiken: —

je interpreteert de situatie;

—

je beoordeelt de situatie en besluit wel of niet te reageren;

—

je evalueert de emotie.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

zenuwstelsel.

163


4 Emotieregulatie

Door middel van emotieregulatiestrategieën kun je proberen emotionele processen te beïnvloeden. Je kunt bepaalde strategieën (manieren van handelen) gebruiken om zowel positieve als negatieve emoties te vergroten, te behouden of te verminderen. Over het algemeen proberen mensen plezier te vergroten en pijn te voorkomen. — —

een situatie selecteren (vermijden van bepaalde situaties, of ze juist opzoeken);

IN

Doorgaans kun je vijf strategieën gebruiken: de situatie wijzigen (de externe omgeving aanpassen zodat de emotionele ervaring anders is); de aandacht verleggen (aan iets anders denken);

—

zorgen voor een cognitieve verandering (een eerdere situatie anders waarderen);

—

zorgen voor een reactieve aanpassing of modulatie (bv. door te sporten).

VA N

—

5 De functies van emoties

Emoties kunnen drie verschillende functies hebben: —

De waarschuwingsfunctie houdt in dat emoties een belletje doen rinkelen als er iets misgaat. Ook kunnen emoties aangeven dat een gevaarlijke situatie geweken is.

—

De aanpassingsfunctie houdt in dat emoties helpen om je aan te passen aan een

—

r©

wijzigende omgeving. Ze bereiden je voor om gepaste acties te ondernemen. Emoties hebben een communicatieve functie: ze ondersteunen je communicatie met anderen. Door je emoties toon je anderen wat er in je omgaat, en zo weet jij ook wat er in

Wat heb je al van bij je geboorte en wat komt er achteraf nog bij?

m

STAP 6

pl

aa

anderen omgaat.

ke xe

Is het je al opgevallen dat alle baby’s op dezelfde manier lachen en wenen? Kijk maar eens naar oude foto’s van jezelf waarop je uitbundig lacht of huilt. Imiteerde je toen je ouders? Of zat de uitdrukking van die emoties al in jou van in de baarmoeder? 1 Vier werelddelen, dezelfde leeftijd, dezelfde lach, hetzelfde verdriet.

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

a Beschrijf de lach en de traan.

164

Afrikaanse baby

Aziatische baby

Latijns-Amerikaanse baby

West-Europese baby


b Zet de onderstaande zinsdelen op de juiste plaats om tot betekenisvolle uitspraken over emoties te

komen.

Emoties blijken / op dezelfde manier / ze zouden universeel zijn. / overal ter wereld / getoond te

IN

worden:

VA N

liggen ze vast in de genen / , of een combinatie van beide? / De vraag is: / of zijn ze aangeleerd

HET VERHAAL VAN EMILY EN VICTOR

r©

2 Lees het verhaal van Emily en Victor. Beantwoord onder de tekst de vragen waar de ouders mee zitten.

Emily en Victor zijn zus en broer, een tweeling. Behalve hun uiterlijke gelijkenis hebben

aa

ze weinig met elkaar gemeen. Victor is een hardwerkende computerfreak. Emily heeft dan weer veel belangstelling voor sport. Je ziet haar niet alleen op sportmeetings, maar ook op heel wat festiviteiten waar plezier te beleven valt. Haar broer blijft meestal thuis om van de rust

pl

te genieten. Hij heeft het niet begrepen op dat

ke xe

m

gekunstelde plezier maken. Hun ouders vragen zich af wat er nu precies

van hen komt, m.a.w. welke eigenschappen hebben hun kinderen overgeërfd? Welke verschillen ontwikkelden zich door hun opvoeding? En wat hebben Emily en Victor helemaal zelf gekozen?

a Erfelijkheid

Worden individuele verschillen veroorzaakt door erfelijke factoren? M.a.w. wat wordt bepaald door

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

wat men aanleg noemt?

165


b Omgeving

Worden individuele verschillen veroorzaakt door het (opvoedings-)milieu? M.a.w. wat wordt bepaald door wat men de omgeving noemt?

IN

c Vrije wil

Is de persoon zelf verantwoordelijk voor zijn ontwikkeling? Is de vrije wil het gevolg van de

VA N

beïnvloeding vanuit het milieu of is ze bepaald door onze aanleg?

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

ke xe

m

pl

aa

r©

166


EUREKA!

IN

Wat denk je nu over de breinbreker die we aan het begin van dit hoofdstuk formuleerden?

Forum

VA N

“Waarop kun je je baseren om jezelf en anderen te leren kennen?”

Wat denk je hierover na onze bespreking van dit hoofdstuk? Wat haal je uit dit hoofdstuk aan kennis over jezelf? Geef een persoonlijk antwoord op de onderstaande vragen (werk op een apart blad). 1 Kun jij jezelf leren kennen door een persoonlijkheidstest af te leggen? 2 Leert de info over wat ‘temperament’ is, je iets over jezelf? 3 Leert de info over wat ‘karakter’ is, je iets over jezelf?

r©

4 Leert de info over wat ‘constitutie’ is, je iets over jezelf?

5 Wat leerde je over jezelf na de bestudering van wat een ‘emotie’ is?

Vraag het aan de wetenschap!

aa

Klaar om de onderzoeker in je los te laten? Lees nog eens goed de instructies in de introductie van dit boek (p. 5).

Noteer hier de klasvraag voor een wetenschapper:

pl

1

Noteer hier je persoonlijke onderzoeksvraag:

m

2

ke xe

Vergeet niet om steeds rekening te houden met de criteria voor een goede onderzoeksvraag!

↑

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

Onderzoekscompetentie

167


SYNTHESE

↑

KENNISCLIP 1

De lagen in de persoonlijkheid

↑

KENNISCLIP 2

4.1

4.2

Persoonlijkheid is het unieke en stabiele patroon van psychologische kenmerken en gedragskenmerken verschillende situaties aan anderen toont. Karakter, temperament en constitutie zijn drie lagen van persoonlijkheid. —

Karakter

IN

waardoor de ene mens zich van de andere onderscheidt. Het gaat over het typerende gedragspatroon dat je in

Wanneer je spreekt over iemands karakter, dan heb je het over het gedrag dat je bij een persoon ingesteldheid en het denken van de waarnemer. —

Temperament

VA N

waarneemt en hoe je dat benoemt. Het benoemen van iemands gedrag wordt dus sterk bepaald door de

Wanneer je het over temperament hebt, bedoel je een aangeboren, typerend reactiepatroon dat iemands gedrag bepaalt. Dat patroon blijft grotendeels onveranderd tijdens het leven. Het is de neiging van een

—

—

de intensiteit van het gedrag;

—

de bereidheid tot actie;

—

het niveau van activiteit.

r©

persoon om een bepaalde emotie of stemming bij zichzelf op te roepen. Het toont zich in:

Constitutie

aa

Het begrip constitutie slaat op het fysieke aspect van de persoonlijkheid: de lichaamsbouw en het lichamelijk functioneren. Er lijkt een verband te bestaan tussen uiterlijk en persoonlijkheid.

De trekkentheorie

4.3

Identiteit

m

onderscheiden van andere.

pl

Trekken zijn blijvende (min of meer stabiele), persoonsgebonden karakteristieken die de ene persoon

4.4

Identiteit komt van het Latijnse werkwoord identificare. Identificeren betekent ‘zich volkomen verbinden

ke xe

met, zich geheel wijden aan iets of iemand’. Identiteit is het geheel van kenmerken die een persoon uniek en herkenbaar maken. Volgens klinisch psycholoog Paul Verhaeghe is je identiteit een constructie, een verzameling van ideeën die de buitenwereld je toegekend heeft. Er zijn twee aspecten van identiteit te onderscheiden: de persoonlijke identiteit en de sociale identiteit.

Emotie

4.5

Het begrip emotie komt van het Latijnse werkwoord movere. Een emotie is een gemoedstoestand die een

kij

expressie of reactie is op een bepaalde prikkel en die aanleiding geeft tot bepaald gedrag. Een emotie is het hele proces van impressie over reactie tot expressie. Bij emoties treden psychologische reacties op als gevolg van een gebeurtenis die betekenis heeft voor de

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

belangen van de persoon.

168

—

Drie componenten In een emotie kun je drie componenten onderscheiden: —

emoties in je lichaam (fysiologische component);

—

emoties in je denken en voelen (mentale component);

—

emoties in je gedrag (gedragsmatige component).

4.6


—

Het verband tussen emotie en motivatie Emoties motiveren je, zetten je aan om iets te doen, om te reageren. Ook het begrip motivatie komt van het Latijnse movere. Anderen zien je gedrag en interpreteren dat als een bepaalde emotie. Emoties worden opgemerkt door anderen via lichaamstaal die vervolgens ook bij hen een reactie oproept.

—

De spanning tussen rede en emoties emoties te beheersen. In het algemeen kun je dat door drie denkprocessen te gebruiken: je interpreteert de situatie;

—

je beoordeelt de situatie en besluit wel of niet te reageren;

—

je evalueert de emotie.

VA N

—

—

IN

Soms laat je je overweldigen door bepaalde emoties. Maar soms kan je rede, je verstand proberen die

Emotieregulatie

Emotieregulatie tracht emotionele processen te beïnvloeden. Je kunt bepaalde strategieën (manieren van handelen) gebruiken om zowel positieve als negatieve emoties te vergroten, te behouden of te verminderen. Doorgaans kun je vijf strategieën gebruiken: een situatie selecteren;

—

de situatie wijzigen;

—

de aandacht verleggen;

—

zorgen voor een cognitieve verandering;

—

zorgen voor een reactieve aanpassing of modulatie.

De functies van emoties

r©

—

—

aa

Emoties kunnen drie verschillende functies hebben: —

De waarschuwingsfunctie houdt in dat emoties een belletje doen rinkelen als er iets misgaat. Ook kunnen emoties aangeven dat een gevaarlijke situatie geweken is. De aanpassingsfunctie houdt in dat emoties helpen om je aan te passen aan een wijzigende omgeving.

pl

—

Ze bereiden je voor om gepaste acties te ondernemen. —

Emoties hebben een communicatieve functie: ze ondersteunen je communicatie met anderen. Door je

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

ke xe

m

emoties tonen we anderen wat er in ons omgaat, en zo weten we ook wat er in anderen omgaat.

169


Bordschema

karakter persoonlijkheid

(bepaald door de omgeving)

(zit in jou)

temperament constitutie

VA N

trekken

indruk (impressie)

fysiologische component

emoties

r©

mentale component

denkprocessen

uitdrukking

aa

(expressie)

interpretatie beoordeling besluit

pl

regulatie

m

evaluatie

waarschuwing

THEMA 2 HOOFDSTUK 4

In

kij

ke xe

functies

170

IN

identiteit

aanpassing communicatie

gevoelsprocessen


r©

aa

pl

m

ke xe

kij

In

VA N

IN


r©

aa

pl

m

ke xe

kij

In

VA N

IN


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Agora Sociologie & Psychologie / Gedrags- en sociale wetenschappen - inkijkexemplaar by VAN IN - Issuu