Skip to main content

_Kleine stappen grote sprongen_2026_voorbeeldhoofdstuk

Page 1


2.1 Leerlijn

2 Telvaardigheden

Leeftijd Onderdelen

K0

LEERLIJN GETALLEN

Subiteren tot en met drie

• Een aantal op zicht herkennen en benoemen zonder te tellen.

Akoestisch tellen van nul tot en met vijf

• De telrij vlot opzeggen.

• Begrijpen dat telwoorden een vaste volgorde hebben.

Leerdoelen

• Kleuters kunnen een aantal tot en met drie op zicht benoemen.

• Kleuters kunnen de telrij van nul tot en met vijf in de juiste volgorde opzeggen.

Wiskundetaal: telrij, nul, één, twee, drie, vier, vijf, de juiste volgorde.

K1

Subiteren tot en met vier

• Een aantal op zicht herkennen en benoemen zonder te tellen.

• Kleine aantallen exact bepalen zonder te tellen.

Akoestisch tellen van nul tot en met tien

• De telrij vlot opzeggen tot en met tien.

• Begrijpen dat telwoorden een vaste volgorde hebben.

Synchroon tellen tot en met tien

• De telrij opzeggen en tegelijk aanwijzen.

Resultatief tellen tot en met vijf

• Tellen als hoeveelheidsbepaling tot en met vijf.

• Kleuters kunnen een aantal tot en met vier op zicht benoemen.

• Kleuters kunnen de telrij van nul tot en met tien in de juiste volgorde opzeggen.

• Kleuters kunnen bij het opzeggen van de telrij tot en met tien bij elk telwoord één object aanwijzen.

• Kleuters kunnen door te tellen een exact aantal tot en met vijf bepalen.

Wiskundetaal: telrij, nul, één, twee, drie, vier, vijf … tien, de juiste volgorde, tellen, aanwijzen, hoeveel.

K2

Subiteren tot en met vijf

• Een aantal op zicht herkennen en benoemen zonder te tellen.

Akoestisch tellen van nul tot en met twintig

• De telrij vlot opzeggen tot en met twintig.

• Begrijpen dat telwoorden een vaste volgorde hebben.

Resultatief tellen tot en met tien

• Tellen als hoeveelheidsbepaling.

• Kleuters kunnen een aantal tot en met vijf op zicht benoemen.

• Kleuters kunnen de telrij van nul tot en met twintig in de juiste volgorde opzeggen.

• Kleuters kunnen door te tellen vaststellen dat een aantal (tot en met tien) gelijk blijft, ongeacht de plaats of schikking van de objecten. Kleine

• Kleuters kunnen door te tellen een exact aantal tot en met tien bepalen.

Wiskundetaal: telrij, nul, één, twee, drie, vier, vijf … twintig, de juiste volgorde, tellen, hoeveel.

K3  Akoestisch terugtellen

• Vlot terugtellen van tien naar nul.

• De telrij vlot opzeggen vanaf willekeurige getallen tot en met twintig.

• De telrij opzeggen in sprongen van twee, vijf of tien.

Resultatief tellen tot en met tien

• Resultatief tellen van heterogene verzamelingen.

• Resultatief tellen ongeacht de ruimtelijke opstelling van objecten.

• Principe van conservatie.

• Kleuters kunnen de telrij van nul tot en met tien in omgekeerde volgorde opzeggen.

• Kleuters kunnen de telrij vanaf een willekeurig getal in de juiste volgorde opzeggen.

• Kleuters kunnen de telrij van nul tot en met twintig opzeggen in sprongen van twee, vijf of tien.

• Kleuters kunnen door te tellen een exact aantal tot en met tien bepalen van objecten die verschillen van eigenschap.

• Kleuters kunnen een exact aantal tot en met tien bepalen in een willekeurige of zelfbepaalde volgorde.

K3  Verkort tellen tot en met tien

Bepalen hoeveel er van iets is door te tellen zonder elk object individueel te tellen:

• tellen in sprongen van twee of vijf door groepjes te maken;

• doortellen vanaf een bepaald getal door te subiteren.

• Kleuters kunnen een exact aantal tot en met tien bepalen door te tellen in sprongen van twee of vijf.

• Kleuters kunnen een exact aantal bepalen door eerst een bepaald aantal op zicht te benoemen en vervolgens door te tellen.

Wiskundetaal: telrij, tien, negen, acht … nul, tien … twintig, tellen, hoeveel, terugtellen, doortellen.

2.2 Subiteren

K0 • Kleuters kunnen een aantal tot en met drie op zicht benoemen.

K1 • Kleuters kunnen een aantal tot en met vier op zicht benoemen.

K2 • Kleuters kunnen een aantal tot en met vijf op zicht benoemen.

• K0: drie houten kubussen (3 cm × 3 cm × 3 cm).

• K1: vier houten kubussen (3 cm × 3 cm × 3 cm).

• K2: vijf houten kubussen (3 cm × 3 cm × 3 cm).

• K0: één, twee, drie.

• K1: één, twee, drie, vier.

• K2: één, twee, drie, vier, vijf.

Subiteren Direct herkennen en benoemen van een klein aantal zonder de objecten te tellen.

Subiteren is een snel en automatisch proces in ons brein waardoor we aantallen direct kunnen herkennen en benoemen. Dit is een belangrijke vaardigheid in de vroege wiskundige ontwikkeling.

Kleine stappen, grote sprongen

Bij subiteren wordt het aantal dus herkend zonder dat er wordt geteld. Dit vermogen ontwikkelt zich al vroeg bij kinderen. Als kinderen telwoorden beginnen te leren, kunnen ze de aantallen die ze door te subiteren hebben herkend, ook benoemen. Naarmate kinderen ouder worden, kunnen ze steeds meer objecten subiteren. Zo kunnen kinderen op vierjarige leeftijd tot vijf objecten subiteren.

Subiteren vraagt minder cognitieve inspanning van kleuters en is nauwkeuriger dan het op zicht vergelijken (zonder te tellen) van hoeveelheden.

Er liggen nog twee blokken op de mat na het opruimen. In plaats van te tellen, kunnen kleuters meteen zeggen dat het om twee blokken gaat die op de mat liggen.

De leraar kan deze vaardigheid stimuleren door situaties aan te bieden waarin kleuters het aantal meteen herkennen. De leraar kan in de loop van de dag ook aantallen meteen benoemen, zodat kleuters horen hoe de leraar subiteert.

2.3 Tellen

2.3.1 Ontwikkelingsfasen van tellen

Leren tellen is een geleidelijk proces, met verschillende fasen.

Akoestisch tellen Synchroon tellen Resultatief tellen Verkort tellen

Elke fase bouwt voort op de vorige en helpt kleuters om steeds complexere wiskundige vaardigheden te ontwikkelen. Niet elke kleuter ontwikkelt zich even snel in elke fase.

We beschrijven de vier fasen van tellen:

Fase 1: akoestisch tellen

K0

K1

K2

K3

• Kleuters kunnen de telrij van nul tot en met vijf in de juiste volgorde opzeggen.

• Kleuters kunnen de telrij van nul tot en met tien in de juiste volgorde opzeggen.

• Kleuters kunnen de telrij van nul tot en met twintig in de juiste volgorde opzeggen.

• Kleuters kunnen de telrij van nul tot en met tien in omgekeerde volgorde opzeggen.

• Kleuters kunnen de telrij vanaf een willekeurig getal in de juiste volgorde opzeggen.

• Kleuters kunnen de telrij van nul tot en met twintig opzeggen in sprongen van twee, vijf of tien.

Geen materiaal nodig in deze fase.

• K0: telrij, nul, één, twee, drie, vier, vijf, de juiste volgorde.

• K1: telrij, nul, één, twee, drie, vier, vijf … tien, de juiste volgorde.

• K2: telrij, nul, één, twee, drie, vier, vijf … twintig, de juiste volgorde.

• K3: telrij, nul, één, twee, drie, vier, vijf … twintig, doortellen, terugtellen, tellen in sprongen.

Akoestisch tellen

De telrij opzeggen in de juiste volgorde.

In deze fase verwoorden kleuters de telrij zonder deze te verbinden aan concrete objecten. Kleuters leren telwoorden net zoals ze andere nieuwe woorden verwerven en hun woordenschat opbouwen.

In de kleuterklas leren ze de telrij vaak opzeggen via een versje of een liedje. Het ritmisch uitspreken van deze woorden ondersteunt het proces van automatisering. Dit staat nog los van verbanden leggen met een telwoord en een aantal. Kleuters begrijpen nog niet dat elk telwoord een bepaald aantal voorstelt.

Eerst leren kleuters akoestisch tellen van nul tot en met vijf, vervolgens van nul tot en met tien, en ten slotte van nul tot en met twintig en meer. Op dezelfde manier leren ze ook stelselmatig de telrij in omgekeerde volgorde opzeggen. Als kleuters spontaan akoestisch tellen is de volgorde niet altijd correct en vullen ze de telrij soms op hun eigen manier in, bijvoorbeeld: ‘ één, twee, drie, zes, negen, vijf, zes’ Kleuters doen vaak alsof ze tellen, omdat ze volwassenen willen imiteren.

Door akoestisch tellen vaak toe te passen in de kleuterklas, leren kleuters de telrij juist aan en leren ze de telwoorden in de juiste volgorde op te zeggen. Bij akoestisch tellen starten we altijd van nul. Zodra kleuters synchroon tellen (telwoorden koppelen aan een object), start het tellen vanaf één. Vanaf vijf à zes jaar kunnen de meeste kleuters doortellen vanaf een willekeurig getal en terugtellen vanaf tien of minder.

Rond dezelfde leeftijd leren kleuters tellen in sprongen, bijvoorbeeld met sprongen van twee, vijf of tien. Bij tellen in sprongen worden systematisch telwoorden overgeslagen volgens een patroon. Dit helpt kleuters niet alleen bij het opzeggen van de telrij, maar ook bij het tellen van objecten in groepjes. Tellen in sprongen legt de basis voor vermenigvuldigen en andere bewerkingen.

Het getal nul

Het getal nul is het cijfer dat aangeeft dat er geen aantal of hoeveelheid van iets is. Het is belangrijk om het getal nul op te nemen in de telrij ter voorbereiding van het leren rekenen in de lagere school.

In de kleuterklas gebruiken we veel versjes en liedjes die starten bij het telwoord één om de telrij in te oefenen. Deze zijn nog altijd geschikt om te gebruiken bij akoestisch tellen, maar weet dat het als leraar belangrijk is om ook nul op regelmatige basis toe te voegen aan de telrij die je opzegt met kleuters.

Fase 2: synchroon tellen

K1 • Kleuters kunnen bij het opzeggen van de telrij tot en met tien bij elk telwoord één object aanwijzen.

Tien houten kubussen (3 cm × 3 cm × 3 cm).

Tellen, één, twee, drie, vier, vijf … tien, aanwijzen, de juiste volgorde.

Synchroon tellen

Gelijktijdig opzeggen van telwoorden en één voor één aanwijzen van concrete objecten, waarbij er een 1-1-relatie bestaat tussen elk telwoord en elk object.

Kleuters krijgen het inzicht dat telwoorden uit de telrij niet alleen een volgorde aangeven, maar ook een aantal voorstellen. Hierdoor gaan kleuters zelf experimenteren met het één voor één tellen van objecten. In eerste instantie verloopt dit tellen echter asynchroon: het opzeggen van de telwoorden gebeurt nog niet gelijktijdig met het aanwijzen van de objecten. Kleuters zeggen bijvoorbeeld meerdere telwoorden terwijl ze maar één object aanwijzen of nemen, of omgekeerd.

Geleidelijk aan ontwikkelen kleuters de vaardigheid om synchroon te tellen en dus één voor één te tellen en gelijktijdig een object aan te wijzen of te nemen. Ze passen hier het principe van de 1-1-relatie toe.

Synchroon tellen is een belangrijke stap in de ontwikkeling van telvaardigheden. Het legt de nadruk op de activiteit van het tellen zelf, waarbij kleuters zich bewust worden van de relatie tussen telwoorden en de te tellen objecten. Kleuters leren dat als ze iets tellen, bij elk object dat ze aanwijzen een telwoord hoort. Aanvankelijk kunnen ze dit met kleine aantallen, maar deze aantallen worden steeds groter.

Om kleuters te ondersteunen bij synchroon leren tellen, is een doordachte organisatie nodig.

Organisatie van de leraar bij synchroon leren tellen:

• De leraar legt de objecten ver uit elkaar in een rij.

• De leraar neemt de objecten één voor één vast en zegt telkens het volgende telwoord.

• De leraar legt getelde objecten op een andere plaats.

Fase 3: resultatief tellen

K1 • Kleuters kunnen door te tellen een exact aantal tot en met vijf bepalen.

K2 • Kleuters kunnen door te tellen een exact aantal tot en met tien bepalen.

K3  • Kleuters kunnen door te tellen een exact aantal tot en met tien bepalen van objecten die verschillen van eigenschap.

• Kleuters kunnen een exact aantal tot en met tien bepalen in een willekeurige of zelfbepaalde volgorde.

• Kleuters kunnen door te tellen vaststellen dat een aantal (tot en met tien) gelijk blijft, ongeacht de plaats of schikking van de objecten.

• K1: vijf houten kubussen (3 cm × 3 cm × 3 cm).

• K2: tien houten kubussen (3 cm × 3 cm × 3 cm).

• K3: tien houten kubussen (3 cm × 3 cm × 3 cm).

• K1: tellen, één, twee, drie, vier, vijf, hoeveel.

• K2: tellen, één, twee, drie, vier, vijf … tien, hoeveel.

• K3: tellen, één, twee, drie, vier, vijf … tien, hoeveel.

Resultatief tellen Tellen van objecten om het exacte aantal te bepalen. Het laatste telwoord is het resultaat.

Resultatief tellen komt na synchroon tellen en heeft betrekking op het resultaat van het tellen. Bij resultatief tellen gaat het niet alleen om de handeling van het tellen (synchroon tellen), maar ook om het vaststellen van het totale aantal objecten. Kleuters leren dat het laatst uitgesproken telwoord de totale hoeveelheid van de

getelde objecten aangeeft. Hier stelt men de vraag: ‘Hoeveel zijn er? ’, of ‘Hoeveel heb je er geteld? ’

Om correct resultatief te kunnen tellen, moeten een aantal voorwaarden zijn vervuld:

–

–

De kleuter kan de telrij in de juiste volgorde opzeggen zonder telwoorden over te slaan.

De kleuter kan synchroon tellen door een 1-1-relatie te leggen tussen telwoorden en objecten.

– De kleuter telt elk object precies één keer en vermijdt dubbeltellingen.

– De kleuter slaat geen objecten over tijdens het tellen.

De kleuter gebruikt het laatst uitgesproken telwoord om het aantal vast te stellen.

Fase 4: verkort tellen

K3

• Kleuters kunnen een exact aantal tot en met tien bepalen door te tellen in sprongen van twee of vijf.

• Kleuters kunnen een exact aantal bepalen door eerst een bepaald aantal op zicht te benoemen en vervolgens door te tellen.

Twintig houten kubussen (3 cm × 3 cm × 3 cm).

Tellen in sprongen, doortellen, verkort tellen, hoeveel.

Verkort tellen

Een aantal vaststellen door niet elk object individueel te tellen, maar door gebruik te maken van gestructureerde groepen of door te tellen vanaf een bepaald aantal.

Na verloop van tijd zijn kleuters zo vertrouwd met het één voor één tellen dat het een routine wordt. Als ze vervolgens rijen, groepjes of patronen beginnen te herkennen, ontstaat het besef dat tellen ook sneller of efficiënter kan. Dit gebeurt vaak in contexten waar rijen, groepjes of patronen voorkomen. Dit noemt men gestructureerd of handig tellen. Hierbij wordt op een efficiëntere manier resultatief geteld. Er is sprake van een leersprong als kleuters beseffen dat ze niet elk object apart moeten tellen om het aantal te bepalen.

Kleine stappen, grote sprongen

Er zijn verschillende vormen van verkort tellen van aantallen:

– Groeperen

Kleuters kunnen een groter aantal objecten sneller tellen door de objecten in kleine groepjes te verdelen en vervolgens te tellen in sprongen van bijvoorbeeld twee, vijf of tien. Dit vormt de basis voor vermenigvuldigen.

Lenn (zes jaar) telt de objecten in kleine groepjes: ‘twee, vier, zes, acht, tien’ (later: ‘vijf groepjes van twee’).

– Doortellen vanaf een bepaald aantal

Kleuters maken hiervoor gebruik van hun subiteervaardigheden. Ze zien bijvoorbeeld in één oogopslag vier blokken en tellen vanaf dat aantal door: ‘vijf, zes’. Dit vormt de basis voor optellen.

Kleuters zeggen meteen ‘vier ’ … … en tellen dan verder: ‘vijf, zes’

Zodra kleuters vertrouwd zijn met groeperen en structureren, nemen ze dit spontaan over. Ze structureren zelf materiaal of verdelen grotere hoeveelheden in kleinere deelgroepen, zowel concreet als in gedachten.

Niet alle kinderen maken de leersprong naar verkort tellen. Dit kan verschillende oorzaken hebben:

– De telrij is onvoldoende gekend: kleuters moeten niet alleen de telrij goed kennen, maar ook vanaf willekeurige getallen in de telrij kunnen doortellen en terugtellen.

Het resultatief tellen is onvoldoende ontwikkeld: kleuters moeten eerst resultatief tellen goed beheersen voordat ze kunnen overschakelen naar verkort tellen.

– Het subiteren is onvoldoende ontwikkeld: om verkort te tellen, moeten kleuters in staat zijn kleine aantallen in één oogopslag te overzien.

Structuur aanbrengen is moeilijk: als er geen duidelijke structuur aanwezig is, moeten kleuters leren om zelf een structuur aan te brengen. Ze moeten weten welke structuur handig is om te gebruiken en deze ook kunnen inzetten.

– Er is weinig vertrouwen in verkort tellen: sommige kleuters zien niet in dat verkort tellen tot hetzelfde resultaat leidt als één voor één tellen. Hierdoor hebben ze geen vertrouwen in de vaardigheid verkort tellen.

2.3.2 Vijf telprincipes

Terwijl kleuters de verschillende fasen van tellen doorlopen, verwerven ze stapsgewijs de vijf fundamentele telprincipes. Het beheersen van deze vijf telprincipes is een essentiële voorwaarde om schoolrijp te zijn voor het eerste leerjaar. De principes bouwen op elkaar voort: een kind moet het eerste principe beheersen voordat het het volgende kan begrijpen en toepassen.

1 Het principe van de stabiele orde

Kleuters leren de telrij in een vaste volgorde opzeggen (‘één, twee, drie …’). Dit betekent dat ze begrijpen dat de volgorde van de getallen altijd hetzelfde blijft.

Dit principe wordt duidelijk als kleuters akoestisch kunnen tellen, waarbij ze de telrij correct opzeggen zonder noodzakelijk de koppeling met objecten te maken.

2 Het principe van de 1-1-relatie

Kleuters begrijpen dat elk geteld object overeenkomt met één specifiek telwoord. Dit betekent dat ze objecten systematisch tellen zonder een object over te slaan of dubbel te tellen.

Als kleuters synchroon kunnen tellen, passen ze de principes van de stabiele orde en de 1-1-relatie toe.

3 Het principe van de kardinaliteit

Kleuters weten dat het laatst uitgesproken telwoord het totale aantal van de getelde objecten aangeeft. Dit is een inzicht dat cruciaal is voor de verdere wiskundige ontwikkeling.

Kleine stappen, grote sprongen

Dit principe wordt zichtbaar als kleuters resultatief kunnen tellen, waarbij ze na het tellen van objecten kunnen aangeven hoeveel er in totaal zijn.

4 Het principe van de irrelevante volgorde

Kleuters kunnen in een zelfbepaalde volgorde het aantal aangeven. Ze bepalen zelf welk object ze wanneer tellen, maar weten welke objecten al geteld zijn.

Dit principe wordt zichtbaar bij kinderen die gevorderd resultatief kunnen tellen en flexibel omgaan met de telvolgorde.

5 Het principe van abstractie

Kleuters begrijpen dat alles geteld kan worden, ongeacht het type object of de aard ervan.

Kleuters leren dat tellen niet beperkt is tot objecten van dezelfde soort. Ze kunnen heterogene voorwerpen tellen als onderdeel van een geheel. Ook zijn ze in staat om abstracte gegevens te tellen, bijvoorbeeld geluiden, sprongen, klappen, woorden.

2.3.3 Conservatie van aantal

Als kleuters resultatief kunnen tellen, worden ze nog vaak misleid door de manier waarop objecten zijn geplaatst. Dit komt doordat ze nog geen inzicht hebben in het principe van conservatie van aantal. Ze moeten nog leren dat het aantal niet verandert door de schikking van de objecten.

2.3.4 Tellen

gebruiken om te vergelijken

Als kleuters resultatief kunnen tellen, gebruiken ze tellen als strategie om aantallen te vergelijken. Zo kunnen ze vaststellen welke groep evenveel, meer, minder, de meeste of de minste objecten bevat.

Césaire (zes jaar) krijgt een aantal van acht objecten en een aantal van vijf objecten te zien. Door beide aantallen resultatief of verkort te tellen en te vergelijken, stelt de kleuter vast dat acht meer is dan vijf.

2.4 Activiteit: synchroon tellen tot en met tien (K1)

Leerdoel  K1

Kleuters kunnen bij het opzeggen van de telrij tot en met tien bij elk telwoord één object aanwijzen.

Materiaal • Lamp: leraar en kleuters aan het woord; leraar geeft instructie, kleuters luisteren.

• Tien kubussen (blokken basismateriaal)

• Tien houten kubussen in een bakje (één per duo).

Voorkennis activeren

Voorkennis: de kleuters kunnen de telrij tot en met tien opzeggen in de juiste volgorde.

• Je start met akoestisch tellen tot tien en gebruikt daarvoor een gekend liedje of versje.

• Je zet de lamp op rood, de kleuters weten dat ze moeten luisteren en kijken.

Doel expliciet benoemen

• Je neemt vijf blokken en legt ze in een rij naast elkaar op de mat. (Dit kan op een expressieve, speelse manier gebeuren, maar hou het kort en bondig.)

• Je zegt: ‘Nu leren we synchroon of aanwijzend tellen. Dit wil zeggen dat we de blokken één voor één aanwijzen tijdens het tellen. Bij elk telwoord dat we zeggen, wijzen we precies één blok aan.’

Instructie (GRRIM) Ik-fase

• Je zegt: ‘Ik ga de blokken tellen. Let goed op wat ik doe: ik wijs elk blok aan met mijn vinger en zeg tegelijk een telwoord. Eén (je wijst het eerste blok aan), twee (je wijst het tweede blok aan) vijf.’

• Je benoemt expliciet: ‘Bij elk blok zeg ik één telwoord. Ik wijs en ik tel, mijn vinger en mijn stem doen het samen.’

• Je herhaalt dit een keer, heel langzaam.

Instructie (GRRIM)

Wij-fase

• Je legt zes blokken naast elkaar, in een rij, op de mat. Je zegt: ‘Nu gaan we samen de blokken één voor één tellen. Ik wijs de blokken aan en jullie wijzen met je vinger mee. Telkens wanneer ik een blok aanwijs, wijzen jullie mee en zeggen we tegelijk het telwoord. Eén (je wijst een blok aan), twee (je wijst een tweede blok aan) … zes.’

• Je legt tien blokken op de mat en zegt: ‘We tellen nog een keer, telkens wanneer ik een blok aanwijs, wijzen jullie mee en zeggen we tegelijk het telwoord.’

Jullie-fase (in duo’s oefenen)

• De kleuters krijgen per twee een bakje met tien blokken.

• Je zegt: ‘Nu mogen jullie aanwijzend tellen. Eén van jullie legt een rij blokken neer. Vervolgens wijst die de blokken één voor één aan, terwijl de ander telt. Daarna wisselen jullie om. Dan mag de ander blokken in een rij leggen. Terwijl die de blokken één voor één aanwijst, telt nu degene die eerst de blokken mocht leggen.’

• Je loopt rond en observeert.

Jij-fase

Afhankelijk van de leeftijd kan je deze fase meteen via ‘zelfstandige verwerking’ laten verlopen.

• Je zet de doos in het midden en zegt: ‘Leg alle blokken in de doos. Zo ruimen we op.’

Als je merkt dat de kleuters al vertrouwd zijn met de EDIonderwijsaanpak, kan de jij-fase nog in de kring plaatsvinden.

• Je duidt willekeurig een kleuter aan die de tien blokken, die nog op de mat liggen, in de doos mag leggen door deze één voor één op te nemen en terwijl te tellen. (controle van begrip)

• Je zegt: ‘De blokken op de mat moeten ook in de doos. … mag de blokken in de doos leggen. … neemt één voor één de blokken en zegt telkens het telwoord als … het blok in de doos legt.’ (De kleuter voert de opdracht uit.) Kleine stappen,

Controle van begrip

Domein 1: getallen

Tijdens de wij-, jullie- en jij-fase observeer je de kleuters. Zo krijg je er als leraar zicht op of het doel bereikt is. Vervolgens kan je gericht aan de slag in de wiskundehoek.

WISKUNDEHOEK

Doorheen de week

Zelfstandige verwerking

• Op de tafel liggen doosjes met een verschillend aantal blokken. De kleuters kunnen de blokken uit de doos nemen en in de doos leggen terwijl ze de blokken synchroon tellen.

• Op de tafel liggen afbeeldingen met een verschillend aantal blokken in een rij. De kleuters kunnen de blokken synchroon tellen tot tien.

• Later hang je deze afbeeldingen aan de muur, in de wiskundehoek, zodat de kleuters in de loop van de week synchroon kunnen tellen.

Verlengde instructie

• Je telt akoestisch met de kleuters, eerst tot vijf en vervolgens tot tien.

• Je biedt de activiteit opnieuw aan voor kleuters bij wie synchroon tellen moeilijk ging. Je legt niet meer dan vijf blokken in een rij.

Verdieping

• Je legt de blokken niet meer in een rij of heel dicht tegen elkaar.

Op www.mijnstudiemateriaal.be vind je de afbeeldingen met de verschillende aantallen blokken.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
_Kleine stappen grote sprongen_2026_voorbeeldhoofdstuk by VAN IN - Issuu