Skip to main content

Blend - voorbeeld economie (Bedrijs- en office management)

Page 1

Academiejaar 2020-2021

De titel van dit boek? Die kiest u zelf! Plaats hier de gegevens van uw hogeschool en opleiding


De titel van dit boek? Die kiest u zelf! Blend ISBN 978-11-1004-090-2 Samengesteld door Hans Mertens De Boeck Hogeschool Bedrijfs-, office- en communicatiemanagement Economie © Dit werk werd samengesteld door bovenvermelde docent(en), met respect voor de auteursrechten van VAN IN en de afzonderlijke auteurs. Wommelgem, 2020 Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. ln België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. De uitgever en de auteurs streven permanent naar een volledige betrouwbaarheid van de gepubliceerde informatie, zij kunnen voor die informatie en de toepassing ervan echter niet aansprakelijk gesteld worden. Dit boek op maat bevat hoofdstukken uit volgende oorspronkelijke werken: •

Karin Bellon, e.a, Bank en beurs binnenstebuiten. ISBN 978-90-3069-639-1. 2020, hoofdstuk 13. Wommelgem: Uitgeverij VAN IN.

•

Jan Van Doorslaer, e.a, Beleggingsleer. ISBN 978-90-3069-014-6. 2019, hoofdstuk 5. Wommelgem: Uitgeverij VAN IN.

•

Bruno De Borger, e.a, Economie in rechte lijn. ISBN 978-90-3069-231-7. 2019, hoofdstuk 13. Wommelgem: Uitgeverij VAN IN.


Inhoudsopgave Uit: Bruno De Borger, e.a. Economie in rechte lijn. 2019

Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

1

Toegevoegd door docent

Hoofdstuk 2: Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen

27

1 Voeg tussentitels toe in de inhoudstafel, als u dat wenst

29

2 Nog een voorbeeld van een tussentitel

30

Uit: Karin Bellon, e.a. Bank en beurs binnenstebuiten. 2020

Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

33

Uit: Jan Van Doorslaer, e.a. Beleggingsleer. 2019

Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

47


1 Geld, banken en de monetaire politiek


IE

N

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

O

VO

E


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

1

Inleidende cases Case 1: Strijd voor prijsstabiliteit prioriteit voor ECB1

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Opdracht: de belangrijkste taak van de Europese Centrale Bank (ECB) bestaat erin de prijsstabiliteit in de eurozone te waarborgen, zodat de koopkracht van de euro niet door inflatie wordt uitgehold. De consumptieprijsindex van de maand februari 2019 noteerde 108,52 punten. De index steeg in februari 2019 met 0,35 punt. De inflatie steeg van 1,99 % naar 2,17 %. De gezondheidsindex steeg in februari 2019 met 0,28 punt en bedroeg 108,78 punten. De inflatie berekend op basis van de gezondheidsindex steeg van 2,00 % naar 2,10 %. Er vonden in februari 2019 vooral prijsstijgingen plaats bij motorbrandstoffen, buitenlandse reizen en citytrips, de aankoop van voertuigen, bloemen en planten, vlees, vakantiedorpen, kranten en tijdschriften, en groenten. Deze prijsstijgingen werden voornamelijk gecompenseerd door prijsdalingen bij suikerwaren, aardgas en brood en granen. De consumptieprijsindex is in februari 2019 gestegen met 0,35 punt of 0,32 % en bedraagt nu 108,52 punten tegenover 108,17 punten in januari 2019 (2013 = 100).

Indexevolutie

Indexevolutie

111

108.78 108.52

109 107 103 101 99 97 95 93 91 89 87

Consumptieprijsindex

01/2019

07/2018

01/2018

07/2017

01/2017

07/2016

01/2016

07/2015

01/2015

07/2014

01/2014

07/2013

01/2013

07/2012

01/2012

07/2011

01/2011

07/2010

01/2010

07/2009

01/2009

07/2008

01/2008

01/2007

N

07/2007

85

IE

VO

O

Index (2013 = 100)

105

Gezondheidsindex

Beleid: de ECB verschaft de banken de mogelijkheid om risicoloze overheidsobligaties bij haar als onderpand te geven in ruil voor krediet. Dit krediet werd onbeperkt en voor veel langere periodes

1

Š VAN IN

De Standaard, 04/12/2009.

3

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

toegestaan dan vóór de crisis. Hiermee kon ook het relancebeleid van de Europese regeringen relatief goedkoop worden gefinancierd. ‘De winst van de ECB is in 2018 met € 0,3 miljard gestegen tot € 1,6 miljard (2017: € 1,3 miljard) en wordt geheel aan de nationale centrale banken uitgekeerd. Nettorentebaten uit voor monetairbeleidsdoeleinden aangehouden effecten: € 1,2 miljard (2017: € 1,1 miljard). Balanstotaal van de ECB groeide naar € 447 miljard (2017: € 414 miljard)’

E

Bron: Financial statements of the ECB (persbericht)

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

Gevolgen crisis: de economische crisis had een negatieve invloed op het werkloosheidscijfer in 2009. In oktober had maar liefst 9,3 % van de Europese bevolking op beroepsactieve leeftijd geen werk. Ook het spaargedrag van de gezinnen werd door de crisis beïnvloed. De spaarquote van de inwoners van de eurozone is opgelopen van 14 % vóór de crisis tot 17 % in 2009. De ECB heeft in 2016 haar beleidsrente opnieuw verlaagd. De banken kunnen er gratis een lening aangaan. Aan de andere kant zullen banken meer moeten betalen om geld te deponeren bij de ECB. Die maatregelen kwamen er om de banken in staat te stellen sneller kredieten te verlenen en het geld niet bij de ECB te deponeren. De ECB zal voortaan meer schuldpapier inkopen, voornamelijk uitstaande schulden van de Europese overheden. De ECB heeft een norm van 2 % inflatie voor de hele eurozone vooropgesteld. De renteverlaging sijpelt normaal door naar de intrestvoeten die banken op spaardeposito’s geven. Daardoor wordt er minder gespaard en meer geconsumeerd en zullen mensen, met prijsstijgingen in het vooruitzicht, hun aankopen niet snel uitstellen. Analyse

1 Hoeveel bedraagt het huidige inflatiepercentage in België?

O

2 Waarom heeft de ECB als doelstelling de inflatie te bestrijden?

VO

3 Zijn er andere doelstellingen die de ECB kan of moet nastreven?

IE

Case 2: De kredietcrisis: het ontstaan en de gevolgen

N

In de periode 2004-2005 was de rente laag in de Verenigde Staten. Die rente was jaarlijks aanpasbaar. Vervolgens trok de Amerikaanse centrale bank haar beleidsrente op om het opkomend inflatiegevaar in te dijken. Daardoor steeg ook de hypotheekrente in 2007 naar een hoogtepunt. De Amerikaanse gezinnen konden door de hoge rentelast hun leningen niet meer terugbetalen en moesten massaal hun huizen verkopen. Door het grote aanbod van vastgoed daalden de prijzen en daardoor incasseerden de hypotheekmaatschappijen grote verliezen. De gevolgen waren aanzienlijk. Er worden maatregelen getroffen om deze kredietcrisis op te lossen. De centrale banken zetten de geldkraan open. Er komen kapitaalinjecties door de overheid en interbancaire transacties worden

© VAN IN

4

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

gewaarborgd door de overheid. De regeling van depositobescherming wordt opgetrokken tot 100 000 euro. Het doel van al die operaties is het vertrouwen te herstellen. De impact van de financiële crisis op de ECB

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

De financiële crisis verandert de relatie tussen Noord en Zuid

E

De ECB ondervindt een ander gevolg van de financiële crisis. De centrale bank creëert zelf geld en heeft dus geen tekort aan liquiditeiten. Het geld dat de banken niet meer kunnen bekomen op de interbankenmarkt zullen zij halen bij de centrale bank, zij is de ‘lender of the last resort’. De financiële crisis heeft ertoe geleid dat de ECB noodliquiditeiten, zowel in euro als in vreemde valuta, verstrekt heeft om bij te dragen tot de stabiliteit van het financiële systeem. Het risico van het verstrekken van noodliquiditeiten is beperkt, want de kredietinstellingen die er gebruik van willen maken moeten een onderpand geven.

De financiële crisis is in de Verenigde Staten begonnen. Naarmate de crisis verder uitdeint, komen we ook tot bij de ontwikkelingslanden. De arme landen zijn meer afhankelijk van kapitaalinvoer uit het buitenland. De regeringen van de ontwikkelingslanden hebben wel uit het verleden geleerd. Zij proberen hun afhankelijkheid van de internationale kapitaalmarkten af te bouwen door zelf geldreserves aan te leggen. Mogelijk heeft de crisis ook positieve gevolgen voor het Zuiden. De afgenomen export naar de rijke landen zal de lokale regeringen doen inzien dat zij moeten kiezen om de sociale bescherming te verbeteren en dat zij de lokale consumptie beter kunnen laten toenemen. In plaats van massaal het kapitaal in de rijke landen te beleggen, zullen zij hun gelden meer in eigen regio’s laten. De crisis levert dan eigenlijk argumenten om de rijkdom beter te verdelen. Analyse

1 Welke rol vervult de Europese Centrale Bank?

2 Hoe wordt een probleem in de Amerikaanse vastgoedsector een wereldwijde crisis?

VO

O

3 De ontwikkelingslanden hebben zelf geldreserves aangelegd. Wat is daarbij het voordeel?

Inleiding

IE

2

N

Dit hoofdstuk handelt over de centrale bank en de banken. Die hebben een grote betekenis in de economie. De centrale bank geeft de bankbiljetten uit, het zogenoemde chartaal geld. Ze is ook verantwoordelijk voor de monetaire politiek. Dit is, samen met de budgettaire politiek uit het vorige hoofdstuk, een belangrijk mechanisme om de economie bij te sturen. Voor België, als lidstaat van de eurozone, is de monetaire politiek in handen van de Europese Centrale Bank (ECB), die gevestigd is in Frankfurt (Duitsland). De Nationale Bank van België speelt ook nog een belangrijke rol. Zij vormt samen met de ECB en de centrale banken van de overige eurolanden het zogenoemde eurosysteem. De banken, die we dikwijls als ‘commerciële banken’ aanduiden, hebben ook een cruciale betekenis voor de economie. Ze kanaliseren het sparen van de gezinnen naar de investeringen van de bedrijven. Daarbij speelt de kredietverlening van de banken een grote rol. Banken geven deposito’s uit, bijvoorbeeld als we bankbiljetten bij hen deponeren of als zij krediet verlenen. Er zijn verschillende soorten

© VAN IN

5

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

deposito’s. De zichtdeposito’s kunnen onmiddellijk in bankbiljetten worden omgezet. Dit is het zogenoemde giraal geld. Maar wat verstaan we eigenlijk onder geld? Geld wordt traditioneel gedefinieerd door te verwijzen naar de drie functies die het vervult: 1 Geld is een algemeen aanvaard ruilmiddel. Het wordt algemeen aanvaard om goederen en diensten mee te kopen.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

2 Geld is een bewaarmiddel van koopkracht. Je kunt geld bijhouden om er later aankopen mee te doen. Geld is een deel van ons vermogen (onze bezittingen). Er zijn veel andere vormen van vermogen, zoals obligaties, aandelen, onroerende goederen … Maar geld is bijzonder omdat het onmiddellijke koopkracht vertegenwoordigt. Obligaties, aandelen enz. moeten eerst in geld worden omgezet voordat men ermee kan betalen. Geld is dus het bewaarmiddel van koopkracht met de hoogste liquiditeit. 3 Geld is een rekeneenheid of waardemeter. We drukken de waarde (prijs) van een goed (dienst) in geld uit. Het kost zoveel euro. Geld als rekeneenheid maakt het ook mogelijk om de waarde van verschillende goederen, bijvoorbeeld cd’s en computers op te tellen. Het stelt ons in staat alle economische goederen in eenzelfde eenheid uit te drukken. Geld levert op die manier de rekeneenheid (zoals bijvoorbeeld de liter, meter, kilowatt/uur) in de economie. De hoeveelheid geld (onmiddellijke liquiditeiten) die in de economie aanwezig is, kunnen we vanuit twee oogpunten bekijken. Zichtdeposito’s en bankbiljetten worden aangehouden door economische agenten (gezinnen, bedrijven …) We noemen dit de vraag naar geld. Maar diezelfde geldhoeveelheid is ook het resultaat van de activiteiten van de centrale bank en de commerciële banken. Dit verwijst naar het aanbod van geld. Zichtdeposito’s worden immers door de commerciële banken ter beschikking gesteld (aangeboden) als gevolg van kredietverlening of het openen van een rekening, terwijl bankbiljetten door de centrale bank (ook emissiebank genoemd) worden uitgegeven.

O

Economen spreken in dit verband van de geldmarkt. In de geldmarkt komt het geldmarktevenwicht tot stand. Daarbij brengt de rentevoet vraag en aanbod met elkaar in overeenstemming. De centrale bank kan via de monetaire politiek het geldaanbod en de rentevoet in een bepaalde richting sturen.

VO

3

De geldhoeveelheid

N

IE

In onze moderne economie is geld minder en minder materieel. Er gebeuren heel wat transacties met munten en bankbiljetten, maar het overgrote deel van de betalingen verrichten we tegenwoordig op basis van een zichtrekening bij een bank. Als we geld overschrijven, een cheque uitschrijven (gebeurt steeds minder), onze bankkaart gebruiken of mobiel betalen, maken we gebruik van onze zichtrekening bij een bank. Het saldo op onze zichtrekening wordt dan verminderd ten gunste van de zichtrekening van een andere persoon of bedrijf bij dezelfde of bij een andere bank. Munten en biljetten in handen van het publiek (hoofdzakelijk gezinnen en bedrijven) vormen het chartaal geld. De zichtdeposito’s bij de banken vormen het zogenaamde giraal geld. De benaming verwijst naar het gebruik van overschrijvingen. Omdat een zichtdeposito op elk moment door de houder kan worden omgezet in chartaal geld spreekt men ook van onmiddellijk opvraagbare tegoeden. De totale geldhoeveelheid bestaat dan uit het totale bedrag van die betaalmiddelen.

© VAN IN

6

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

Tabel 1 toont de omvang en de samenstelling van de geldhoeveelheid in de eurozone. De geldhoeveelheid, zoals hierboven afgebakend, wordt met het symbool M1 aangeduid. Het valt op dat het overgrote deel van de geldhoeveelheid M1 uit giraal geld bestaat. Tabel 1 De geldhoeveelheid in de eurozone (2015, in mld. euro) 1 037,7 5 575,8 6 613,5

Spaar- en termijndeposito’s met korte looptijd van het publiek bij de banken Geldhoeveelheid M2

3 603,8 10 217,2

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Chartaal geld Giraal geld (zichtdeposito’s in handen van het publiek bij de banken) Geldhoeveelheid M1

Termijndeposito’s met langere looptijd Geldhoeveelheid M3

635,2 10 852,4

Bron: ECB (2018).

Naast chartaal en giraal geld gebruiken economen ook de term quasi-geld. Het gaat hier vooral om de spaarrekeningen en de termijndeposito’s die gezinnen en bedrijven bij de financiële instellingen aanhouden. Spaardeposito’s en termijndeposito’s, die voor één of drie maand zijn vastgezet, garanderen meestal een hogere vergoeding voor de depositohouder dan zichtdeposito’s, maar men kan er niet onmiddellijk mee betalen. Zoals tabel 1 aangeeft, is de hoeveelheid quasi-geld aanzienlijk. Rekening houden met deze categorie van financiële activa leidt dan ook tot een grotere omvang van de geldhoeveelheid. Het is niet steeds duidelijk welke berekening de voorkeur verdient, exclusief of inclusief het quasi-geld, en welke activa in het laatste geval tot de geldhoeveelheid moeten worden gerekend. In de praktijk wordt daarom gebruikgemaakt van de symbolen M1, M2 en M3, naargelang men naar een eng of naar een ruimer geldconcept verwijst.

De geldcreatie

VO

O

4

IE

Om de redenering eenvoudig te houden gaan we ervan uit dat de geldhoeveelheid enkel bestaat uit chartaal geld en giraal geld. We beperken ons dus tot de enge geldhoeveelheid M1.

N

In deze paragraaf bekijken we hoe chartaal en giraal geld gecreëerd worden. Economen spreken in dit verband van het aanbod van chartaal en giraal geld. Het eerste gebeurt door de centrale bank; het tweede door de gewone (commerciële) banken. In plaats van op het aanbod van chartaal geld richten economen hun aandacht liever op het aanbod van basisgeld door de centrale bank. Wat is het verschil en waarom doen ze dat? Het verschil tussen chartaal geld en basisgeld ligt in de bankbiljetten die in handen zijn van de commerciële banken en die dus niet in omloop zijn bij het publiek. Het basisgeld (ook het centralebankgeld genoemd) omvat alle bankbiljetten die de centrale bank heeft uitgegeven. De meeste van deze bankbiljetten zijn in handen van het publiek (dit is het chartaal geld). Maar ook banken houden bankbiljetten aan. Dit zijn de bankreserves die ze nodig hebben om aan de opvragingen van de depositohouders te voldoen. De bankreserves maken geen deel uit van de geldhoeveelheid; wel van het

© VAN IN

7

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

basisgeld. De centrale bank is verantwoordelijk voor de totale uitgifte van bankbiljetten maar heeft geen invloed op de verdeling ervan over de bezitters (de banken en het publiek). Daarom gaat onze aandacht naar het basisgeld en niet naar het chartaal geld. Veranderingen in de hoeveelheid basisgeld zijn in de regel terug te voeren tot wijzigingen in de activa van de centrale bank. De balans van de centrale bank geeft ons dus informatie over de creatie van basisgeld.

E

Er is nog een punt dat we duidelijk moeten maken. Zoals gezinnen en bedrijven deposito’s aanhouden bij de commerciële banken, houden deze banken op hun beurt deposito’s aan bij de centrale bank. Die deposito’s worden gebruikt als de banken transacties verrichten met de centrale bank of als ze onder elkaar transacties afwikkelen. De deposito’s die de commerciële banken bij de centrale bank aanhouden behoren eveneens tot de bankreserves en dus tot het basisgeld. De banken kunnen immers te allen tijde bij de centrale bank deze deposito’s omzetten in bankbiljetten.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

In wat volgt behandelen we eerst het aanbod van basisgeld door de centrale bank en vervolgens het aanbod van giraal geld door de commerciële banken.

4.1 Het aanbod van basisgeld

De centrale bank creëert basisgeld, onder de vorm van bankbiljetten en deposito’s die de commerciële banken bij haar aanhouden. De hoeveelheid basisgeld die de centrale bank gecreëerd heeft, vinden we terug op de passiefzijde van haar balans. De uitgegeven bankbiljetten kunnen namelijk gezien worden als een verplichting van de centrale bank. Historisch diende ze de terugbetaling van haar bankbiljetten in goud te garanderen. De huidige bankbiljetten zijn niet langer omwisselbaar in goud. Hun aanvaarding berust op vertrouwen (fiduciair geld). Maar de centrale bank is in zekere zin wel nog altijd de verantwoordelijk voor de uitgegeven bankbiljetten. Deze verantwoordelijkheid houdt in de eerste plaats in dat ze hun koopkracht behouden. De deposito’s die de commerciële banken bij de centrale bank aanhouden zijn potentiële bankbiljetten en behoren dus ook tot het basisgeld. Ze kunnen hiervoor immers altijd biljetten opvragen.

VO

O

Tabel 2 geeft een schematische voorstelling van de balans van een centrale bank. Daarop vinden we een aantal typische activa- en passivaposten. De passiefzijde geeft een aanduiding van de totale omvang van het basisgeld (de uitgegeven bankbiljetten en de deposito’s van de commerciële banken bij de centrale bank). De uitgegeven bankbiljetten kunnen verder opgesplitst worden in chartaal geld (bankbiljetten in handen van het publiek) en bankbiljetten bij de banken (onderdeel van de bankreserves).

IE

Samenvattend:

N

– basisgeld: alle uitgegeven bankbiljetten + deposito’s van de commerciële banken bij de centrale bank – basisgeld: bankbiljetten in handen van het publiek + bankbiljetten in handen van de banken + deposito’s van de banken bij de centrale bank; – basisgeld: chartaal geld + bankreserves.

© VAN IN

8

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

Tabel 2 Balans van een centrale bank Actief

Passief

Internationale reserves Overheidsschuld Kredietverlening aan banken

Bankbiljetten - bij het publiek: chartaal geld - bij de banken Deposito’s van banken bij de centrale bank

basisgeld bankreserves

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Keren we nu onze aandacht naar de actiefzijde van de balans van de centrale bank. Op de actiefzijde vinden we de balansposten die de tegenhanger vormen van de uitgegeven hoeveelheid basisgeld: de internationale reserves in het bezit van de centrale bank, de overheidseffecten die ze bezit, en de uitstaande kredieten van de centrale bank aan de banken. Deze laatste vormen een vordering van de centrale bank op de commerciële banken. Kenmerkend voor een balans is dat de totalen van de actief- en de passiefposten aan elkaar gelijk zijn. Veranderingen in de door de centrale bank gecreëerde hoeveelheid basisgeld hebben dan ook een tegenhanger in een of meerdere posten op de actiefzijde. Dit helpt ons het mechanisme van de creatie van basisgeld beter te begrijpen. Onder de activapost ‘internationale reserves’ vinden we de waarde van de goudvoorraad en van de vreemde valuta die de centrale bank bezit: voor de ECB gaat dit over Amerikaanse dollars, Japanse yen enzovoort (geen euro’s!). De balanspost ‘overheidsschuld’ verwijst naar de overheidseffecten (overheidsobligaties) die de centrale bank in portefeuille heeft. In de regel is het aan centrale banken niet toegestaan een tekort van de overheid (de Staat) te dekken door overheidsschuld aan te kopen en hiervoor basisgeld uit te geven. Deze praktijk staat bekend als monetaire financiering van de overheidsschuld. Wel kunnen centrale banken in het kader van de monetaire politiek op de secundaire markt overheidsschuldtitels aankopen of verkopen. Op de secundaire markt worden bestaande overheidsobligaties verhandeld; dit in tegenstelling tot de primaire markt waar nieuwe schuldtitels worden geplaatst om een lopend overheidstekort te financieren.

IE

VO

O

De centrale bank is verder ook de zogenoemde lender of the last resort (ultieme uitlener). Commerciële banken kunnen onder bepaalde voorwaarden bij de centrale bank lenen en zo bankreserves verkrijgen. De centrale bank verwerft in dat geval een vordering op deze commerciële banken. De leningen moeten immers terugbetaald worden. De totale waarde van de kredieten die de centrale bank aan de commerciële banken heeft toegekend, vinden we terug onder de activapost ‘kredietverlening aan de banken’.

N

Elke transactie van de centrale bank die onder de hierboven beschreven balansposten valt, heeft als effect dat de hoeveelheid basisgeld in de economie toe- of afneemt. Nemen we het voorbeeld van een tussenkomst van de centrale bank op de wisselmarkt, waar vreemde deviezen worden verhandeld (dit komt verder aan bod in het hoofdstuk over de internationale economie, vrijhandel en protectie). Als de centrale bank bijvoorbeeld voor een tegenwaarde van 100 miljoen euro vreemde deviezen aankoopt, wordt de tegenpartij (meestal een bank) betaald met basisgeld. Dit gebeurt door het deposito van de betrokken bank bij de centrale bank te verhogen met dit bedrag (te crediteren). Zo verwerft de centrale bank internationale reserves op de actiefzijde van haar balans en creëert ze tezelfdertijd basisgeld op de passiefzijde. Een aankoop door de centrale bank van overheidsobligaties op de secundaire obligatiemarkt heeft eenzelfde effect op de hoeveelheid basisgeld. Het

© VAN IN

9

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

deposito van de tegenpartij, in de regel een bank, wordt verhoogd met het bedrag van de aankoop Wanneer de commerciële banken kredieten opnemen bij de centrale bank brengt dit eveneens een toename van de hoeveelheid basisgeld met zich mee. Het deposito van de betrokken bank wordt gecrediteerd en de centrale bank verwerft een vordering op de betrokken bank.

E

Op analoge wijze daalt de hoeveelheid basisgeld wanneer de centrale bank vreemde deviezen of overheidsobligaties verkoopt, of wanneer de commerciële banken hun kredieten aan de centrale bank terugbetalen. Zoals al aangegeven zijn meestal banken de tegenpartij van deze transacties met de centrale bank. Een betaling van of aan de centrale bank gebeurt dan door het deposito van de betrokken bank bij de centrale bank te crediteren of te debiteren. Hierdoor nemen de bankreserves en de hoeveelheid basisgeld dus toe of af.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

4.2 De creatie van giraal geld

We vinden de omvang van de girale geldhoeveelheid door alle bedragen op te tellen die het publiek op de zichtrekeningen bij de financiële instellingen aanhoudt. Het zijn immers de commerciële banken, en niet de centrale bank, die het aanbod van zichtdeposito’s verzorgen. Zichtdeposito’s worden gecreëerd wanneer mensen bankbiljetten aan de commerciële banken ter beschikking stellen en de waarde ervan op hun rekening laten zetten. Men heeft dan te maken met geldsubstitutie: chartaal geld wordt omgezet in giraal geld. Waarom gebeurt dit? Mensen willen slechts een beperkte hoeveelheid bankbiljetten aanhouden en verkiezen daarom giraal geld. Giraal geld beschermt in de regel immers beter tegen diefstal. Ook kan men op basis van een zichttegoed gemakkelijk betalen. Wanneer iemand een geldsom deponeert bij een bank, nemen de bankreserves (in dit geval bankbiljetten) van deze bank op de actiefzijde toe. Terzelfder tijd stijgen haar verplichtingen op de passiefzijde, onder de vorm van deposito’s (van klanten), met hetzelfde bedrag. De bank heeft namelijk de verplichting om het deposito bij opvraging terug te betalen. Wanneer depositohouders bankbiljetten opvragen, verminderen de bankreserves en zichtdeposito’s met hetzelfde bedrag van de opvraging. Noteer dat in beide gevallen de geldhoeveelheid ongewijzigd blijft: chartaal geld wordt omgezet in giraal geld en vice versa.

O

Tabel 3 Balans van een commerciële bank (depositobank)

VO

Actief

N

IE

Bankreserves

Passief

Bankbiljetten

5

Zichtdeposito’s

30

Deposito’s bij de centrale bank

5

Spaar- en termijndeposito’s

60

Eigen vermogen

10

Overheidsschuld

20

Kredietverlening aan bedrijven en gezinnen

70

Daarnaast ontstaan zichtdeposito’s als gevolg van kredietverlening door een bank aan gezinnen of bedrijven. Dit is het belangrijke principe van loans make deposits. Een bank is immers in staat krediet te verlenen voor het bedrag van de overreserves waarover ze beschikt. De bank heeft overreserves wanneer haar feitelijke reserves hoger zijn dan de reserves die ze noodzakelijk acht of die ze wettelijk verplicht is aan te houden. Bankreserves zijn nodig om aan de mogelijke opvragingen van de deposanten tegemoet te komen, maar de ervaring leert dat een gedeeltelijke (fractionele) dekking van de de© VAN IN

10

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

posito’s volstaat. Stel dat we uitgaan van een reservecoëfficiënt van 10 %. Dit betekent dat in het geval van een deposito van 100 euro de bank 10 euro reserves zal aanhouden en voor het bedrag van de overreserves (90 euro) kredieten aan gezinnen en bedrijven kan verstrekken. Ook kan de bank overheidsobligaties of andere effecten aankopen. Als de bank een krediet toekent, zal ze voor de ontlener een zichtdeposito voor het betreffende bedrag creëren. In het voorbeeld verwerft de bank een vordering van 90 op de kredietnemer (actiefzijde van haar balans). Die moet namelijk de lening op de vervaldag terugbetalen. Terzelfder tijd stijgen de deposito’s (op de passiefzijde) eveneens met 90.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Een bank kan dus krediet verlenen, en voor dit bedrag een deposito creëren voor het bedrag van haar overreserves. Met een reservecoëfficiënt van 10 % vormt 90 % van de oorspronkelijke inlage de maximale kredietverlening en samengaande depositocreatie waartoe de individuele bank in staat is. De kredietnemers zullen hun deposito immers aanwenden om betalingen te verrichten. Dit doen ze door het bedrag over te schrijven op rekening van een begunstigde. Die heeft mogelijk een rekening bij een andere bank, waardoor de bank die het oorspronkelijke krediet verleende reserves verliest. De kredietverstrekking en daarmee gepaard gaande girale geldcreatie van het gehele banksysteem is evenwel groter dan van een individuele bank, omdat de reserves binnen het banksysteem blijven (wat de ene bank verliest aan reserves verkrijgt de andere bank). Het bovenstaande maakt een algemeen principe duidelijk: het commerciële banksysteem speelt een belangrijke rol in de girale geldverstrekking en dit door de kredietverlening aan bedrijven en gezinnen. (Girale) geldcreatie en kredietverlening door de banken zijn twee kanten van dezelfde medaille. Door het bovenstaande zou je de indruk kunnen krijgen dat banken ongelimiteerd geld kunnen creëren, maar niets is minder waar. De activiteit van banken is ook niet gericht op geldcreatie. Banken streven er net als andere bedrijven naar om winst te maken. Ze doen dit door leningen te verstrekken (waarop rente moet worden betaald) en door op andere wijze hun middelen te beleggen (bv. in overheidseffecten).

VO

O

De middelen waarover een bank beschikt, bestaan uit klantendeposito’s, eventueel leningen bij de centrale bank en het eigen vermogen (kapitaal bijeengebracht door de aandeelhouders). Die middelen hebben een kostprijs. De klantendeposito’s moeten worden vergoed. De leningen bij de centrale bank hebben ook een prijs, namelijk de rente waartegen de centrale bank bereid is leningen aan de commerciële banken te verstrekken. En ook de aandeelhouders rekenen op een vergoeding (onder de vorm van een dividend op hun aandelen).

IE

Tabel 3 toont een typische balans van een depositobank. Die laat ons toe de begrippen liquiditeit, rendabiliteit en solvabiliteit van een bank toe te lichten.

N

Liquiditeit komt erop neer dat de bank voldoende liquide middelen bezit om aan de gebruikelijke opvragingen van de deposanten tegemoet te komen. Dit heeft niet alleen betrekking op de kasmiddelen (bankbiljetten inclusief de reserves aangehouden bij de centrale bank), maar op alle beleggingen die op korte termijn en zonder verliezen te gelde gemaakt kunnen worden. De rendabiliteit van een bank wordt in eerste instantie bepaald door het verschil tussen de kostprijs van haar middelen of ‘funding’ (vergoeding op diverse soorten van deposito’s) en de rente die de bank aanrekent op de diverse vormen van krediet samen met de opbrengst van haar beleggingen. De ‘intermediatiemarge’ is het verschil tussen de rente die de bank aan haar cliënten betaalt voor verschillende soorten deposito’s en de rente die ze aanrekent op de toegekende kredieten. De intermediatiemarge is zeer bepalend voor de brutorendabiliteit. De nettorendabiliteit verkrijgen we dan na aftrek van de kosten van personeel, uitrusting enz. Daarnaast halen banken inkomsten uit bijvoorbeeld beleggings-

© VAN IN

11

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

advies, de ontwikkeling en de verkoop van beleggingsproducten enzovoort (de zogenoemde ‘fee business’). Als gevolg van de bankencrisis is de laatste jaren veel aandacht gegaan naar de solvabiliteit van de banken. Solvabiliteit heeft betrekking op de omvang van het eigen vermogen. De vraag namelijk hoe toereikend het eigen vermogen is om (potentiele) verliezen op te vangen. Een bank kan insolvabel worden als de leningen die ze heeft verstrekt, niet terugbetaald worden of als de waarde van effecten waarin ze belegd heeft, drastisch naar beneden gaat.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

In het voorbeeld in tabel 3 is de bank solvabel: het eigen vermogen is positief (de waarde van de activa (100) overtreft de waarde van de verplichtingen (90)). Stel nu dat 5 van de toegekende leningen in gebreke blijven, dan blijft de bank nog solvabel. De verliezen komen immers ten laste van de aandeelhouders (het eigen vermogen wordt nu gelijk aan 10 – 5 = 5), maar de bank kan nog steeds alle depositohouders volledig terugbetalen. Indien de verliezen echter meer dan 10 belopen (en het eigen vermogen dus volledig is weggesmolten) is de bank insolvabel: de waarde van de overblijvende activa volstaat dan niet meer om de verplichtingen tegenover de depositohouders na te komen. Er dreigt dan een bankfaillissement, tenzij oplossingen worden gevonden (bijvoorbeeld een kapitaalverhoging). Een bank kan eveneens het voorwerp zijn van een liquiditeitscrisis als gevolg van massale opvragingen door de depositohouders (een zogenoemde ‘run on the bank’). Dit is weinig waarschijnlijk als de bank goed wordt beheerd. Maar stel dat, bijvoorbeeld ten gevolge van een algemene vertrouwenscrisis, de deposanten hun rekeningen opvragen. In het voorbeeld is de bank, met 10 aan liquide middelen en 90 aan deposito’s, niet in de mogelijkheid aan deze vraag te voldoen. Als de bank fundamenteel gezond is, is het aangewezen dat de centrale bank liquiditeiten verstrekt (tegen betaling) tot het vertrouwen is teruggekeerd. Wanneer een bank insolvabel is geworden en failliet gaat, zullen de resterende activa verkocht worden om de deposanten terug te betalen. Uiteraard volstaat dat niet om alle deposanten volledig te vergoeden. In dat geval treedt normaliter een depositogarantiesysteem in werking. Dit systeem – voor de eerste maal in de Verenigde Staten ingevoerd na de Grote Depressie – werd met de financieeleconomische crisis (2008) nog uitgebreid. De bedoeling is om ‘kleine’ spaarders niet te treffen en een algemene bankenpaniek en systeemcrisis te vermijden.

N

IE

VO

O

Een systeem van depositogarantie stelt meteen de problematiek van ‘moral hazard’ aan de orde. Immers, depositohouders worden geacht zich bij de keuze van hun bank niet alleen te laten leiden door de vergoeding die ze op hun deposito’s ontvangen, maar ook door de risico’s die de betreffende bank opneemt. Een depositogarantiesysteem riskeert de deposanten ongevoelig te maken voor het risico, zodat ze enkel aandacht schenken aan de vergoeding. Het zet de bank op zijn beurt dan aan om in (te) risicovolle activiteiten te beleggen. Dit verklaart waarom depositogarantiesystemen beperkt zijn tot een bepaalde limiet. Het voorbeeld illustreert het belang van een goede risico-inschatting en -beheersing bij het bankieren. Het benadrukt ook het belang van een voldoende grote kapitaalbuffer om mogelijke verliezen op te vangen. Dit alles is met de financieel-economische crisis nogmaals pijnlijk duidelijk geworden. In het kader van het prudentieel toezicht op de banken worden minimale kapitaalvereisten aan hen opgelegd in functie van de kredieten die ze verstrekken en de soorten activa waarin ze beleggen (de zogenoemde Basel-normen). Naast deze solvabiliteitsnormen kunnen hen ook liquiditeitsnormen worden opgelegd.

© VAN IN

12

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

4.3 De geldpiramide De geldpiramide (figuur 1) relateert de totale geldhoeveelheid in een land tot de hoeveelheid basisgeld dat de centrale bank gecreëerd heeft. Dat laatste kan door de monetaire overheid (de centrale bank) worden gemanipuleerd met de instrumenten van de monetaire politiek (zie verder). Het is belangrijk nogmaals op te merken dat het basisgeld dat door de banken wordt aangehouden (de bankreserves), niet tot de geldhoeveelheid wordt gerekend, dit in tegenstelling tot het basisgeld in handen van het publiek (het chartaal geld). Anders zou men dubbeltellen (cf. het begrip geldsubstitutie). De figuur illustreert dit.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Figuur 1 De geldpiramide g

a

h

d

e

b

f

c

VO

O

In deze figuur komt tot uiting dat:

IE

totaal geldaanbod = chartaal geld + giraal geld basisgeld = chartaal geld + bankreserves

N

Het banksysteem (in zijn geheel genomen) kan op basis van beperkte bankreserves een veelvoud aan deposito’s creëren en dit voornamelijk als gevolg van kredietverlening. In tabel 4 worden symbolen toegelicht.

© VAN IN

13

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

Tabel 4 Toelichting bij enkele geldbegrippen Oppervlakte in fig. 1

Basisgeld

abc

Chartaal geld

adfebc

Bankreserves

def

Giraal geld

ghf

Totale geldhoeveelheid

ghebcad

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Begrip

De totale geldhoeveelheid is dus een veelvoud van de hoeveelheid basisgeld. Het getal waarmee men de hoeveelheid basisgeld moet vermenigvuldigen om de totale geldhoeveelheid te verkrijgen, noemt men de geldbasismultiplicator. De grootte van de geldbasismultiplicator wordt onder meer beïnvloed door de reservecoëfficiënt van de banken. Die drukt het percentage reserves uit dat de banken tegenover de uitstaande zichtdeposito’s aanhouden. Daarbij spelen verschillende factoren een rol, zoals de winstgevendheid van de kredietverlening, naast overwegingen van veiligheid. Ook kunnen de banken verplicht worden een minimale reservecoëfficiënt aan te houden. Een toename van de reservecoëfficient vermindert de grootte van de geldbasismultiplicator. Met gegeven bankreserves kunnen de banken dan minder deposito’s creëren. De geldbasismultiplicator wordt ook mee bepaald door de voorkeur van het publiek voor chartaal geld tegenover giraal geld. Die verhouding zal onder meer afhangen van de betalingsgewoonten, de veiligheid van betaling, de kosten verbonden aan bepaalde vormen van betalen enzovoort. In het algemeen stelt men wel een trendmatige daling van de chartale geldvoorkeur vast, ten voordele van het gebruik van giraal geld. Ook kunnen bepaalde perioden in het jaar een invloed uitoefenen op de chartale geldvoorkeur (bijvoorbeeld in de eindejaars- of vakantieperiode is er een grotere voorkeur voor bankbiljetten).

VO

O

De overheid kan invloed uitoefenen op de omvang van de geldhoeveelheid door de geldbasis te verhogen of te verlagen, of door maatregelen te treffen die de kredietverlening door de banken beïnvloeden (zie paragraaf 7).

De vraag naar geld

IE

5

N

We kunnen de hoeveelheid geld die in de economie aanwezig is (‘circuleert’) van twee kanten bekijken. Hierboven werd de aanbodzijde van geld onder de loep genomen. We zagen dat de omvang van de geldhoeveelheid het resultaat is van activiteiten van de centrale bank (die basisgeld ter beschikking stelt) en van de commerciële banken (die zichtdeposito’s aanbieden in ruil voor chartaal geld of bij het verlenen van kredieten). Dit is de eerste benadering. De tweede benadering gaat ervan uit dat de geldhoeveelheid wordt aangehouden door het publiek (consumenten, bedrijven) onder de vorm van chartaal geld en zichtdeposito’s bij de banken. We bekijken dan de zogenoemde vraagzijde. Met de vraag naar geld bedoelen we de hoeveelheid geld die het publiek wenst aan te houden. Een alternatieve benaming voor de vraag naar geld is de liquiditeitsvoorkeur. In die laatste benaming komt de betekenis beter tot uiting: mensen zullen liquide middelen

© VAN IN

14

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

(geld is de perfecte liquiditeit) afwegen tegenover andere (financiële) activa waarin men koopkracht kan ‘bewaren’. Economen nemen aan dat de vraag naar geld (de liquiditeitsvoorkeur) in een economie in hoge mate bepaald wordt door de omvang van het nationaal inkomen en door de hoogte van de rentevoet. Dit wordt hieronder verder toegelicht.

5.1 Het nationaal inkomen en de vraag naar geld

E

Geld wordt gebruikt om transacties te verrichten (te betalen). De omvang (in waarde) van de transacties in een economie bepaalt dan ook in belangrijke mate de benodigde hoeveelheid geld.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

We kunnen aannemen dat de omvang van de transacties een veelvoud is van de omvang van het nationaal inkomen. Er zijn namelijk veel intermediaire leveringen die niet of slechts voor een beperkt gedeelte een weerslag vinden in de berekening van het nationaal inkomen. Het nationaal inkomen (binnenlands product) registreert immers alleen de toegevoegde waarden (zie het hoofdstuk over de macro-economische benadering van productie, inkomens en bestedingen). Anderzijds is het zo dat de geldhoeveelheid die nodig is om een bepaald volume transacties te kunnen verrichten, beduidend kleiner is dan de omvang van die transacties. Een bepaalde geldhoeveelheid wordt immers in een bepaalde periode (bv. een jaar) verschillende keren aangewend om transacties te verrichten. Algemeen kan men stellen dat de vraag naar geld toeneemt wanneer het nationaal inkomen stijgt. Dit verwijst naar het transactiemotief voor het aanhouden van geld.

5.2 De rentevoet en de geldvraag

O

De rol van de rentevoet bij de geldvraag houdt verband met de functie van geld als reserveringsmiddel van koopkracht. Het geld dat niet onmiddellijk wordt uitgegeven, kan later worden aangewend om uitgaven te verrichten. Dat gebeurt zonder transactiekosten. Geld heeft verder als belangrijke eigenschap dat de nominale waarde ervan constant blijft.

N

IE

VO

Die eigenschappen van geld worden duidelijker als men geld vergelijkt met andere financiële activa zoals obligaties, aandelen, beleggingsfondsen enzovoort. Die vormen meestal een aantrekkelijk alternatief voor het aanhouden van geld. Ze bieden immers een intrest (obligaties), dividend (aandelen) of andere vorm van rendement. Maar daartegenover staat dat de aankoop en verkoop van zulke financiele activa met transactiekosten gepaard gaan. Ook hun nominale waarden (de koersen) schommelen in de tijd. Een voorbeeld kan dat illustreren. Voor de eenvoud beperken we ons tot de keuze tussen geld en obligaties. Laat ons aannemen dat je voor de volgende keuze staat: je beschikt over 1 000 euro die je niet onmiddellijk voor een aankoop nodig hebt. Daarbij kun je: – keuze A: 1 000 euro in geld aanhouden; – keuze B: een obligatie van 1 000 euro aankopen die een intrestvoet van 5 % geeft. Transactiekosten en koersrisico zijn nadelen verbonden aan de keuze voor obligaties. Daartegenover staat de intrestvergoeding. Die elementen moeten tegenover elkaar worden afgewogen.

© VAN IN

15

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

Keuze A impliceert dat het geld te allen tijde en zonder kosten beschikbaar is en dat de nominale waarde met zekerheid bekend is als je later een aankoop wil doen (1 000 euro). Keuze B garandeert je een jaarlijkse intrestvergoeding van 50 euro. Daartegenover staat dat de aankoop van obligaties met transactiekosten gepaard gaat (bankkosten, beurstaksen enz). Hetzelfde geldt bij verkoop wanneer je de obligaties opnieuw in geld moet omzetten om betalingen te kunnen verrichten.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Met een belegging in obligaties loop je ook een koersrisico. Stel dat de obligatie waarin je belegt een looptijd van 5 jaar heeft. Dat betekent dat je 5 jaar lang een intrest van 50 euro ontvangt en de dat nominale waarde van de obligatie (1 000 euro) op het einde van de looptijd wordt terugbetaald. Wanneer je nu na bijvoorbeeld 2 jaar de obligatie wil verkopen, is het niet zeker dat je daarvoor 1 000 euro zult ontvangen. Dat hangt onder meer af van de ontwikkeling van de marktrente. Als er op dat moment obligaties worden uitgegeven die bijvoorbeeld een interest van 6 % bieden, zal niemand bereid zijn jouw obligatie (met intrestvoet 5 %) aan te kopen. Er worden nu immers obligaties uitgegeven met een jaarlijkse intrestcoupon van 60 euro. Jouw obligatie met intrest 5 % zal wel een koper vinden als je bereid bent ze te verkopen tegen een lagere prijs dan 1 000 euro. Immers, op die manier kan de koper toch een feitelijk rendement van 6 % verkrijgen, vermits hij de 50 euro intrestcoupon moet afwegen tegen een lagere aankoopkoers. Economen gaan ervan uit dat hoe hoger de intrestvoet (op obligaties), hoe meer de keuze in het voordeel van obligaties zal uitvallen en dus hoe minder geld zal worden aangehouden. Hoge intrestvoeten zullen de transactiekosten immers meer dan compenseren. Daarenboven is de kans geringer dat de intrest later nog verder zal stijgen en de obligaties die nu worden aangekocht in de toekomst een koersverlies zullen leiden. Algemeen wordt dus aangenomen dat er een negatief verband tussen de hoogte van de intrestvoet en de vraag naar geld is. Met een hoge intrestvoet komt een grote voorkeur voor obligaties overeen en een kleine vraag naar geld (en omgekeerd). Dit verwijst naar het speculatiemotief voor het aanhouden van geld.

VO

O

J.M. Keynes onderscheidde in feite drie motieven waarom individuen en bedrijven geld aanhouden. Naast het al genoemde transactie- en speculatiemotief onderkende hij ook het voorzorgmotief. Mensen houden (extra) liquiditeiten aan om onvoorziene uitgaven te kunnen doen. Dit motief kunnen we insluiten in het transactiemotief (de vraag naar geld omwille van dit motief is dus ook afhankelijk van de hoogte van het nationaal inkomen). Vandaar dat we er verder geen aandacht aan besteden.

N

IE

Om de redenering in verband met het speculatiemotief eenvoudig te houden, is hierboven aangenomen dat beleggers alleen kunnen kiezen tussen geld en obligaties. In de praktijk bestaat het financieel vermogen uit heel wat meer activa: biljetten en zichtdeposito’s, spaar- en termijndeposito’s, obligaties, aandelen en beleggingsfondsen, beleggingen gebaseerd op verzekeringsproducten enzovoort.

6

Geldmarktevenwicht

Nu we achtereenvolgens het aanbod van en de vraag naar geld hebben behandeld, zijn we in staat het geldmarktevenwicht te bestuderen. We kunnen dat doen met behulp van figuur 2. Op deze figuur staat de intrestvoet (i) op de verticale en de geldhoeveelheid op de horizontale as. De geldhoeveelheid wordt van de twee kanten bekeken: de geldvraag (Md) en het geldaanbod (Ms) . Het geldaanbod is controleerbaar door de monetaire overheid (centrale bank), die daarvoor de instrumenten van de

Š VAN IN

16

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

monetaire politiek kan inzetten (zie paragraaf 7). Het geldaanbod is dus onafhankelijk van de hoogte van de rentevoet. Vandaar de verticale lijn die het geldaanbod voorstelt. Dat het geldaanbod gegeven is, duiden we aan door het teken * bij Ms te plaatsen. Bij een toename van de geldhoeveelheid verschuift de Ms-lijn naar rechts, bij een vermindering naar links. We weten verder dat de geldvraag bepaald wordt door de hoogte van de intrestvoet i (negatief verband) en het nationaal inkomen (positief verband). In figuur 2 komt het negatieve verband tussen Md en i duidelijk tot uiting. Met een hoge (lage) intrestvoet op de verticale as correspondeert een geringe (grote) geldvraag op de horizontale. Het effect van veranderingen in i op Md lezen we dus af langs de Md-curve. In de figuur is uitgegaan van een niet-lineair verband (kromme), maar dit is niet essentieel voor de redenering.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Daarnaast is er ook het effect van het nationaal inkomen op de geldvraag. Dit zal tot uiting komen in een verschuiving van de curve van de geldvraag. Als nationaal inkomen toeneemt, stijgt de geldvraag, ongeacht de hoogte van de intrestvoet. Dus in dat geval verschuift de Md-curve in figuur 2 naar rechts. Volgens dezelfde redenering verschuift de Md-curve naar links wanneer het nationaal inkomen daalt. Geldaanbod en geldvraag zijn aan elkaar gelijk. Het zijn immers twee kanten van dezelfde grootheid. Het evenwicht op de geldmarkt vinden we dan ook bij het snijpunt van de Ms-lijn en de Md-curve. Figuur 2 Geldmarktevenwicht i

*

Ms

M d(Y,i)

M s*

M s ,Md

IE

VO

O

i0

N

Welke intrestvoet staat concreet op de verticale as van figuur 2? In de economie zijn er tal van intrestvoeten: de rente die de centrale bank aan de commerciĂŤle banken aanrekent (zie paragraaf 7), de rente die je krijgt op je spaarrekening, de intrest op een obligatie, de hypothecaire rente die gezinnen betalen als ze een woningkrediet afsluiten enzovoort. Deze intrestvoeten verschillen en worden op de markt bepaald (met uitzondering van de centrale bank rente). Er zijn korte rentes (bv. rente op een spaarrekening) en lange rentes (bv. intrest op een langlopende overheidsobligatie). Uit de bespreking van de geldvraag (zie hierboven) kunnen we afleiden dat met de intrestvoet in figuur 2 de lange intrestvoet wordt bedoeld. Dit is ook de belangrijkste rente in de economie, omdat die een invloed uitoefent op de aggregatieve vraag naar goederen en diensten (investeringen van bedrijven; aankopen van duurzame consumptiegoederen door de gezinnen, enzovoort). Wat leert ons nu figuur 2? We zien dat een toename van het geldaanbod (Ms) resulteert in een daling van de (lange) intrestvoet in de economie. Grafisch komt dit immers tot uiting in een verschuiving

Š VAN IN

17

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

naar rechts van de Ms*-lijn. Het nieuwe snijpunt met de Md-curve gaat gepaard met een lagere intrestvoet. Een expansieve monetaire politiek zal dus de intrestvoet in de economie doen dalen en zo de aggregatieve vraag stimuleren. Bij een restrictieve monetaire politiek stijgt de intrestvoet en wordt de aggregatieve vraag afgeremd.

E

Een toename van het nationaal inkomen (Y) leidt tot een intreststijging. Grafisch komt dat tot uiting in een verschuiving van de Md-curve naar rechts. Met een hoger nationaal inkomen stemt een hogere geldvraag overeen. Het nieuwe snijpunt met de Ms-lijn levert een hogere intrestvoet op. In een opgaande conjunctuur zal – bij ongewijzigd monetair beleid – de intrestvoet in de economie dus toenemen. Bij neergaande conjunctuur – en ongewijzigd monetair beleid – daalt de intrestvoet. Schommelingen in de rentevoet zijn dus niet altijd een gevolg van beslissingen van het monetaire beleid, maar kunnen ook het gevolg zijn van opvolgingen van hoog- en laagconjunctuur.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

Ten slotte is er ook de mogelijkheid van een autonome wijziging in de geldvraag. Een autonome toename van de geldvraag (Md) bijvoorbeeld leidt tot een stijging van de intrestvoet. Zo is er in het geval van toegenomen onzekerheid op de financiële markten een grotere voorzichtigheid voor langlopende beleggingen, met een toegenomen voorkeur voor liquiditeiten als gevolg. Daardoor zal de intrestvoet stijgen. Schematisch kunnen die verbanden als volgt weergegeven worden:

Ms ↑ →i Y↑ →i Md (autonoom) ↑ → i

7

↓ ↑

↑

De monetaire politiek van de ECB

O

7.1 Instrumenten

N

IE

VO

De monetaire politiek valt onder de verantwoordelijkheid van de centrale bank (de monetaire overheid). Sinds 1999 is de Europese Centrale Bank (ECB) verantwoordelijk voor het gemeenschappelijke monetaire beleid in de landen die deel uitmaken van de Economische Monetaire Unie (EMU). In wat voorafging, werd aangenomen dat de monetaire overheid het geldaanbod kan controleren en in de gewenste zin kan wijzigen. Dit is maar ten dele waar. In feite is de geldhoeveelheid in de economie het resultaat van een complex mechanisme, waarbij zowel de monetaire overheid, de commerciële banken als het publiek een invloed uitoefenen. Het geldaanbod wordt onder andere bepaald door: – de hoeveelheid basisgeld die de centrale bank uitgeeft; – de reservecoëfficiënt van de banken; – de chartale geldvoorkeur van het publiek. Een en ander impliceert dat de centrale bank de geldhoeveelheid niet volledig onder controle heeft. Dat spreekt voor zich voor wat betreft de voorkeur voor chartaal versus giraal geld van het publiek.

© VAN IN

18

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

Ook de hoeveelheid reserves die de commerciële banken aanhouden of wensen aan te houden, kan wijzigen ten gevolge van ontwikkelingen die de centrale bank niet beheerst. Dit hangt grotendeels af van de mate waarin banken bereid zijn krediet te verlenen en de vraag naar kredieten van gezinnen en bedrijven. De omvang van het basisgeld, ten slotte, is ook gedeeltelijk het resultaat van beslissingen buiten de centrale bank. Wanneer de commerciële banken kredieten bij de centrale bank opnemen, neemt de hoeveelheid basisgeld immers toe. Als ze hun kredieten terugbetalen, daalt de hoeveelheid basisgeld. Niettemin beschikt de centrale bank over instrumenten om de geldhoeveelheid te beïnvloeden en ontwikkelingen in de geldhoeveelheid die ze ongewenst acht, tegen te gaan. We geven een overzicht van de gangbare instrumenten waarover de ECB beschikt:

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

– de ECB hanteert allereerst de zogenaamde basis-herfinancieringsrente. Synoniemen hiervoor zijn de basisrente of de beleidsrente. In het technisch jargon spreekt men ook van de repo-rente. Dit is de rentevoet waartegen de ECB bereid is aan de banken liquiditeiten te verstrekken. Door die rentevoet te wijzigen, maakt de ECB het voor de banken meer of minder aantrekkelijk om liquiditeiten bij haar op te nemen. Het initiatief om liquiditeiten bij de ECB op te nemen ligt bij de commerciële banken, maar de ECB bepaalt de rente en de andere voorwaarden waartegen ze bereid is dit te doen. Als de ECB de beleidsrente verlaagt en de banken meer liquiditeiten opnemen, stijgt de hoeveelheid basisgeld. In figuur 2 verschuift de Ms-lijn naar rechts en daalt de lange rente. Dit is het zogenoemde transmissiemechanisme van de monetaire politiek; – daarnaast kan de ECB ook gebruikmaken van de openmarktpolitiek. Daaronder verstaat men de aankoop of verkoop van effecten (meestal overheidsobligaties) door de ECB. Telkens wanneer ze effecten aankoopt, creëert ze basisgeld. Men spreekt dan van een openmarktaankoop door de centrale bank. De tegenpartij (bijvoorbeeld een bank) ontvangt immers euro’s ter betaling. Dit gebeurt concreet door het deposito van de tegenpartij bij de centrale bank met het betreffende bedrag te verhogen. Wanneer de ECB effecten die ze in portefeuille heeft, verkoopt, vernietigt ze basisgeld. Dit noemt men een openmarktverkoop. De tegenpartij betaalt immers met euro’s. Dit gebeurt concreet door het deposito van de tegenpartij met het betreffende bedrag te verminderen. Het initiatief voor dergelijke transacties ligt bij de ECB;

VO

O

– de ECB kan verder tussenkomen op de valutamarkt door op die markt vreemde valuta’s aan te kopen of te verkopen tegen euro’s. Ook die transacties leiden tot een verruiming of inkrimping van de hoeveelheid basisgeld;

N

IE

– ten slotte legt de ECB de kredietinstellingen reserveverplichtingen op. Die reserves worden vergoed en worden aangehouden in de vorm van een deposito bij de ECB. De verplichte reserves worden berekend op basis van de passivaposten van de bank. Door de reserveverplichtingen te versoepelen of te verstrengen maakt de ECB het voor de commerciële banken gemakkelijker of moeilijker om kredieten te verstrekken. Dat zal dus een effect hebben op de omvang van de geldhoeveelheid. Als antwoord op de financieel-economische crisis (2008-2009) en de crisis van de overheidsschulden in de eurozone (2010-2013) heeft de ECB haar arsenaal aan instrumenten en maatregelen gevoelig uitgebreid. Men spreekt in dit verband van onconventionele monetaire politiek. Zo heeft ze de kredietverlening aan de commerciële banken sterk versoepeld door de beleidsrente drastisch te verlagen, de termijnen waarvoor de banken liquiditeiten (krediet) kunnen opnemen gevoelig te verlengen en minder strenge waarborgen te eisen. Figuur 3 illustreert dit en toont ter vergelijking eveneens de beleidsrente van de Amerikaanse Federal Reserve Bank (Fed). Men ziet dat de Fed sneller en drastischer reageerde op de crisis met een daling van de beleidsrente. Ook heeft de Fed de beleidsrente de jongste jaren al opnieuw licht verhoogd. De beleidsrente van de ECB staat al geruime tijd op 0 %.

© VAN IN

19

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

Figuur 3 Basisfinancieringsrente van de ECB % 7 6 5 4 3 2

E

1

18

17

20

16

20

20

15

14

20

13

20

12

20

11

20

10

20

09

20

08

Europese Centrale Bank (ECB)

20

07

20

06

20

05

20

04

20

03

20

02

20

01

20

00

20

20

19

99

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

0

Amerikaanse Centrale Bank (Fed)

Bron: Thomson Reuters Datastream (2018).

De crisis heeft ook geleid tot een groter en actiever gebruik van de openmarktpolitiek. Terwijl die vroeger gebruikt werd om de geldmarkt marginaal bij te sturen, werd hij vanaf maart 2015 zeer actief ingezet in de vorm van kwantitatieve versoepeling. In het kader van dit programma heeft de ECB voor grote bedragen overheidseffecten aangekocht, met de bedoeling de economie in de eurozone te stimuleren en de inflatie op de gewenste 2 % te brengen. Dit programma werd eind 2018 stopgezet. Als gevolg van de kwantitatieve versoepeling is de balans van de ECB sterk toegenomen. Dit geldt ook voor de balansen van de Amerikaanse Federal Reserve en van de Bank of Japan (en andere centrale banken), zoals geĂŻllustreerd in figuur 4.

N

IE

VO

O

Deze laatste centrale banken startten overigens vroeger dan de ECB met een ambitieus aankoopprogramma (binnen de ECB was er vooral veel weerstand van Duitsland en Nederland). Geconfronteerd met een herstel van de Amerikaanse economie heeft de Federal Reserve haar aankoopprogramma al enkele jaren geleden gestabiliseerd (geen extra aankopen). Inmiddels is zij overgegaan tot een voorzichtig verkoopprogramma waarbij haar balans opnieuw zal krimpen. Gezien de zwakke economische conjunctuur in de eurozone is dit bij de ECB niet aan de orde.

Š VAN IN

20

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

Figuur 4 Balanstotaal van de Federal Reserve, de ECB en de Bank of Japan 600

500

400

300

200

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

0 2007

E

100

2008

2009

2010

2011

2012

Federale Reserve

2013

ECB

2014

2015

2016

2017

2018

Bank of Japan

Bron: Thomson Reuters Datastream (2018).

7.2 Doelstelling

Het verdrag van Maastricht (1992) legt de ECB een dubbele doelstelling op. De eerste, prioritaire doelstelling is het nastreven van prijsstabiliteit. De tweede, ondergeschikte doelstelling legt de ECB de taak op de economische activiteit te ondersteunen, in zoverre de prijsstabiliteit hierdoor niet in het gedrang komt.

O

Deze doelstellingen heeft de ECB operationeel vertaald als het nastreven van een jaarlijkse stijging van de consumptieprijsindex van het eurogebied met minder dan 2 % op middellange termijn. In mei 2003 werd de formulering ‘met minder dan 2 %’ gewijzigd in ‘met minder dan, maar dicht bij 2 %’.

N

IE

VO

De bedoeling van deze herformulering is te vermijden dat de ECB een te lage inflatie nastreeft met het risico een deflatoir beleid te voeren. De bepaling ‘op middellange termijn’ is toegevoegd opdat niet elke externe prijsschok (bijvoorbeeld schommelingen van de olieprijzen, schommelingen van de prijzen van levensmiddelen ten gevolge van weersomstandigheden enz.) aanleiding zou geven tot maatregelen van de ECB. De doelstelling richt zich verder op de inflatie in het gehele eurogebied en niet op de afzonderlijke landen. De gebruikte consumptieprijsindex is een geharmoniseerde index (HICP: harmonised index of consumer prices) die in alle eurolanden dezelfde samenstelling heeft. Figuur 5 toont de evolutie van de inflatie in het eurogebied sinds het begin van 1999. De Europese Centrale Bank heeft haar doelstelling van prijsstabiliteit aanvankelijk goed gerealiseerd. Vertrekkend van te lage inflatie in de beginperiode, werd de inflatie tijdens de eerste zeven jaar grosso modo binnen de marge 1,5-2,5 % gehouden. Eind 2007 kende de inflatie een scherpe toename, voornamelijk als gevolg van hogere prijzen voor voedsel en energie. Een gelijkaardige situatie doet zich voor eind 2010 tot begin 2011. In 2012 zakt de inflatie opnieuw tot beneden de 2,0 %-grens. Als gevolg van de financieel-economische crisis liep de aggregatieve vraag in de eurozone pijlsnel terug, met als gevolg een drastische daling van de inflatie en zelfs een kortstondige negatieve inflatie

© VAN IN

21

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

midden 2009. Verder, in 2014, voornamelijk als gevolg van de goedkopere energieprijzen zoals elektriciteit en aardgas, nam de inflatie opnieuw een serieuze duik. Het monetair beleid was erop gericht om dit deflatiegevaar te allen prijze te bestrijden. Alles wijst erop dat de ECB geen dogmatisch, maar een pragmatisch beleid heeft gevoerd, daarbij haar doelstelling van prijsstabiliteit over de middellange termijn steeds voor ogen houdend. Het beleid van de ECB is niet vrij van kritiek. De doelstelling om de inflatie beneden de 2 % te houden, wordt door sommigen als te streng beoordeeld. Statistische meetfouten of voortdurende kwaliteitsverbetering van de goederen en diensten zorgen ervoor dat de werkelijke prijsstijgingen lager uitvallen dan wat statistisch wordt gemeten.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Figuur 5 Inflatie in het eurogebied (HICP, groeivoet op jaarbasis) % 5

4

3

2

1

0

Inflatie Eurozone

17

20

15

20

13

20

11

20

09

20

07

20

05

20

03

20

01

20

19

99

-1

Inflatiedoelstelling ECB

Bron: Eurostat (2018). Eurostat Database.

N

IE

VO

O

De bankencrisis heeft nog een ander gevolg gehad. Sinds 2014 is, in het kader van de oprichting van een Europese bankenunie, de ECB ook verantwoordelijk voor het prudentieel toezicht op de banken in de eurozone. Dit betreft vooral toezicht op de kapitaalbasis van de banken en de kwaliteit van de activa waarin ze beleggen (kredieten aan bedrijven en gezinnen, overheidseffecten …) met het oog op het vermijden van bankfaillissementen. De financieel-economische crisis heeft immers aangetoond dat bankfalingen (zeker van zogenoemde systeembanken) het hele vertrouwen in de financiële sector kunnen ondermijnen, met alle kwalijke gevolgen voor de reële economie die eruit voortspruiten.

8

Monetaire en budgettaire politiek

De instrumenten van de monetaire politiek (beleidsrente, openmarktpolitiek …) hebben uiteindelijk de bedoeling de kredietvoorwaarden (zoals de rente op investeringskredieten) en het kredietvolume (bankkredieten toegestaan aan bedrijven en particulieren) in de economie te beïnvloeden. Een expansieve monetaire politiek leidt in de regel tot soepeler kredietvoorwaarden en meer kredietverlening (toename van de geldhoeveelheid). Bij een restrictieve monetaire politiek is het andersom. Het valt te

© VAN IN

22

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

verwachten dat na verloop van tijd verdere effecten zullen optreden. Dat is althans wat de monetaire beleidsvoerders beogen.

E

Bij een daling van de intrestvoet op investeringskredieten komen bijvoorbeeld meer investeringsprojecten voor uitvoering in aanmerking. Dat hebben we in het hoofdstuk over consumptie, investeringen en de aggregatieve vraag besproken. Als het consumptiekrediet goedkoper wordt, kan de vraag naar duurzame consumptiegoederen, die soms op krediet worden gekocht, hierop positief reageren. Wordt het hypothecair krediet goedkoper, dan stimuleert dit de woningbouw. De monetaire politiek werkt dus vooral indirect via het verlagen van de intrestvoet en het goedkoper maken van het krediet. Een expansieve monetaire politiek kan ook leiden tot een depreciatie van de binnenlandse munt, wat dan weer de uitvoer stimuleert. Dit alles wakkert de aggregatieve vraag aan, zodat de productie en het nationaal inkomen toenemen.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

De budgettaire politiek die we in het vorige hoofdstuk uitvoerig belicht hebben werkt veeleer rechtstreeks in op de aggregatieve vraag en het productiepeil. Dat geldt in het bijzonder voor de overheidsbestedingen (overheidsconsumptie en -investeringen) die zelf een component van de aggregatieve vraag vormen. De belastingen en de uitkeringen werken via het verhogen of verlagen van het beschikbaar inkomen van de gezinnen en de daaruit volgende effecten op de gezinsconsumptie. Uiteraard kunnen de monetaire en de budgettaire politiek ook in combinatie worden ingezet. Een expansieve budgettaire politiek leidt in de regel tot een toename van het overheidstekort met mogelijk een intreststijging als gevolg. Door daaraan een expansief monetaire beleid te koppelen kan die stijging ongedaan worden gemaakt, waardoor het outputeffect van de budgettaire politiek maximaal groot is. Bij deze redenering gaan we wel uit van de veronderstelling dat het prijspeil niet wijzigt. In de meer realistische situatie zullen naast outputeffecten ook prijseffecten (inflatie) optreden. In extreme gevallen is er zelfs enkel de prijsstijging, zonder een merkbaar effect op de output.

O

De effectiviteit van de budgettaire en de monetaire politiek is dus erg afhankelijk van de omstandigheden. Ook zijn de schakels complexer en minder voorspelbaar dan hierboven werd toegelicht. Zo zijn er de effecten op de wisselkoers (die kan appreciëren of depreciëren), op de verwachtingen van de economische agenten, op de schuldgraad van overheden, bedrijven en gezinnen, op de geloofwaardigheid van de budgettaire en monetaire overheden enzovoort.

VO

9

Begrippen

IE

– bankreserves – basisgeld

N

– basisherfinancieringsrente (basisrente, beleidsrente, repo-rente) – chartaal geld – chartale geldvoorkeur – ECB – fiduciair geld – geldaanbod – geldbasismultiplicator

© VAN IN

23

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

– geldhoeveelheid (M1, M2, M3) – geldpiramide – geldsubstitutie – geldvraag – giraal geld – intermediatiemarge – internationale reserves van de ECB

E

– kwantitatieve versoepeling

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

– lender of the last resort – liquiditeitsvoorkeur

– liquiditeit, solvabiliteit, rendabiliteit van een bank – loans make deposits

– onconventionele monetaire politiek – openmarktpolitiek

– prudentieel toezicht – quasi-geld

– reservecoëfficiënt

– spaar- en termijndeposito

– transactie-, speculatie- en voorzorgmotie

O

– zichtdeposito

VO

10 Oefeningen

IE

Oefening 1: juist/fout

N

1 Een toename van de internationale reserves van de centrale bank doet (ceteris paribus) 2 de geldhoeveelheid in een economie stijgen. 3 Een muntstuk van 1 euro dat zich in handen van de banken bevindt, behoort niet tot 4 het chartale geld. 5 Als de rente stijgt, neemt de vraag naar geld toe. 6 Openmarktaankopen door de centrale bank doen het geldaanbod toenemen.

© VAN IN

24

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

Oefening 2: meerkeuzevragen 1 Als de banken meer reserves aanhouden, zal: a de geldhoeveelheid en de rente toenemen b de geldhoeveelheid toenemen en de rente afnemen c de geldhoeveelheid afnemen en de rente toenemen d de geldhoeveelheid en de rente afnemen

E

2 De overheid wil onderbesteding tegengaan, maar het rentepeil handhaven. Welke politiek is daarvoor geschikt?

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

a kwantitatieve kredietbeperkingen

b een contractieve budgettaire en monetaire politiek c een verlaging van de discontovoet

d een expansieve budgettaire en monetaire politiek

3 Als de overheid haar bestedingen verhoogt terwijl ze het geldaanbod constant houdt, zal: a de rentevoet stijgen

b de omloopsnelheid van het geld verminderen c de belastingopbrengst verminderen

d geen van de vorige fenomenen zich voordoen

4 De basisfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank (ECB) is:

a de rente die de overheid betaalt als zij kredieten opneemt bij de ECB

b de rente die de ECB betaalt op leningen die ze aangaat bij het publiek

d de rente op de deposito’s bij de ECB

IE

VO

O

c de rente waartegen commerciële banken kunnen lenen bij de ECB

Oefening 3: oefening

N

In een economie zijn de volgende gegevens over de geldhoeveelheid bekend: Mbp = 800 miljard euro; Mbb = 200 miljard euro; D = 1 200 miljard euro. Hoeveel bedraagt de reservecoëfficiënt van de banken?

Oefening 4: algemene vragen 1 Geld heeft traditioneel drie functies. Leg uit. 2 Wat verstaan we onder quasi-geld?

© VAN IN

25

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 1: Geld, banken en de monetaire politiek

3 Leg de keten van kredietverlening en depositocreatie uit aan de hand van een voorbeeld.

N

IE

VO

O

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

4 Wie is verantwoordelijk voor het monetaire beleid in BelgiĂŤ? Welke instrumenten worden gehanteerd?

Š VAN IN

26

Academiejaar 2020-2021


2 Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen


IE

N

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

O

VO

E


Hoofdstuk 2: Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen

Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen 1 Voeg tussentitels toe in de inhoudstafel, als u dat wenst

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Pellentesque congue at libero sit amet tempor. Mauris finibus porttitor mollis. Nunc non ullamcorper mauris. Nulla bibendum tellus molestie erat laoreet bibendum. Sed a quam vel erat posuere ornare a nec odio. Vivamus elementum lorem justo, eu auctor purus dictum in. Sed metus arcu, lacinia nec risus et, varius lobortis est. In hac habitasse platea dictumst. Proin sed augue non ex laoreet cursus quis tempus neque. Fusce porttitor finibus accumsan. Suspendisse tempus leo at nisl posuere, at blandit diam eleifend. Etiam pulvinar risus neque, a varius mauris egestas at. Nunc sit amet lorem fringilla, scelerisque risus porta, tincidunt lectus. Donec sed nibh pharetra, volutpat nisi eu, ultricies purus. Interdum et malesuada fames ac ante ipsum primis in faucibus. Donec at ante ex. Curabitur bibendum a metus nec laoreet. Suspendisse nec elementum nunc, hendrerit interdum tortor. Nunc blandit hendrerit felis. Phasellus nisi felis, viverra vel cursus sed, varius ullamcorper nunc. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Fusce convallis arcu urna, sit amet elementum lacus sodales nec. Proin lobortis odio at ullamcorper ullamcorper. Pellentesque habitant morbi tristique senectus et netus et malesuada fames ac turpis egestas. Sed ac faucibus lorem, sed condimentum ante. Donec mollis eros faucibus, tincidunt ex a, viverra neque. Class aptent taciti sociosqu ad litora torquent per conubia nostra, per inceptos himenaeos. Fusce libero ante, lacinia venenatis erat nec, congue gravida dolor. Maecenas condimentum urna nec est consectetur, in egestas orci tristique. In pharetra congue felis sit amet scelerisque.

O

Sed augue turpis, laoreet eu varius sed, luctus a justo. Integer hendrerit, eros sit amet venenatis placerat, velit arcu hendrerit est, quis elementum eros metus a eros. Nulla odio risus, cursus quis iaculis id, finibus vel metus. Vivamus at risus sed nibh consectetur lobortis. Ut aliquam lorem sodales, maximus augue quis, pretium ligula. Donec ipsum eros, finibus commodo justo eu, tincidunt egestas massa. Proin tincidunt tortor vel convallis varius. Curabitur maximus mollis ante, ac aliquet lorem lobortis ut. Cras vel varius nibh. Donec consequat aliquam lectus at congue. Morbi in aliquet neque, at condimentum erat. Nunc sollicitudin sed purus non consequat. In feugiat nec justo vitae iaculis. Quisque ornare quis enim id ornare.

IE

VO

Vestibulum placerat commodo sem a molestie. Suspendisse potenti. Maecenas bibendum iaculis risus non condimentum. Suspendisse potenti. Vivamus aliquet sem vel tortor vestibulum, eu auctor sapien mollis. Maecenas in arcu at turpis consectetur egestas. Morbi eu nulla a tortor faucibus venenatis quis sit amet risus. Duis eget lorem sit amet ipsum feugiat viverra.

N

Cras pharetra ex est, tincidunt fringilla enim dictum id. Vestibulum id placerat erat. Mauris sapien libero, aliquam a mauris vel, tincidunt ultrices mi. Donec posuere aliquam elementum. Donec congue elementum lacus, aliquam rhoncus felis tristique et. Aenean rhoncus, leo non dapibus aliquet, diam nunc lobortis diam, eu facilisis orci dui sit amet sem. Etiam id purus imperdiet, tincidunt erat sed, elementum risus.

Toegevoegd door docent

29

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 2: Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen

2 Nog een voorbeeld van een tussentitel Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Pellentesque congue at libero sit amet tempor. Mauris finibus porttitor mollis. Nunc non ullamcorper mauris. Nulla bibendum tellus molestie erat laoreet bibendum. Sed a quam vel erat posuere ornare a nec odio. Vivamus elementum lorem justo, eu auctor purus dictum in. Sed metus arcu, lacinia nec risus et, varius lobortis est. In hac habitasse platea dictumst. Proin sed augue non ex laoreet cursus quis tempus neque. Fusce porttitor finibus accumsan. Suspendisse tempus leo at nisl posuere, at blandit diam eleifend. Etiam pulvinar risus neque, a varius mauris egestas at. Nunc sit amet lorem fringilla, scelerisque risus porta, tincidunt lectus. Donec sed nibh pharetra, volutpat nisi eu, ultricies purus.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Interdum et malesuada fames ac ante ipsum primis in faucibus. Donec at ante ex. Curabitur bibendum a metus nec laoreet. Suspendisse nec elementum nunc, hendrerit interdum tortor. Nunc blandit hendrerit felis. Phasellus nisi felis, viverra vel cursus sed, varius ullamcorper nunc. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Fusce convallis arcu urna, sit amet elementum lacus sodales nec. Proin lobortis odio at ullamcorper ullamcorper. Pellentesque habitant morbi tristique senectus et netus et malesuada fames ac turpis egestas. Sed ac faucibus lorem, sed condimentum ante. Donec mollis eros faucibus, tincidunt ex a, viverra neque. Class aptent taciti sociosqu ad litora torquent per conubia nostra, per inceptos himenaeos. Fusce libero ante, lacinia venenatis erat nec, congue gravida dolor. Maecenas condimentum urna nec est consectetur, in egestas orci tristique. In pharetra congue felis sit amet scelerisque. Sed augue turpis, laoreet eu varius sed, luctus a justo. Integer hendrerit, eros sit amet venenatis placerat, velit arcu hendrerit est, quis elementum eros metus a eros. Nulla odio risus, cursus quis iaculis id, finibus vel metus. Vivamus at risus sed nibh consectetur lobortis. Ut aliquam lorem sodales, maximus augue quis, pretium ligula. Donec ipsum eros, finibus commodo justo eu, tincidunt egestas massa. Proin tincidunt tortor vel convallis varius. Curabitur maximus mollis ante, ac aliquet lorem lobortis ut. Cras vel varius nibh. Donec consequat aliquam lectus at congue. Morbi in aliquet neque, at condimentum erat. Nunc sollicitudin sed purus non consequat. In feugiat nec justo vitae iaculis. Quisque ornare quis enim id ornare. Vestibulum placerat commodo sem a molestie. Suspendisse potenti. Maecenas bibendum iaculis risus non condimentum. Suspendisse potenti. Vivamus aliquet sem vel tortor vestibulum, eu auctor sapien mollis. Maecenas in arcu at turpis consectetur egestas. Morbi eu nulla a tortor faucibus venenatis quis sit amet risus. Duis eget lorem sit amet ipsum feugiat viverra.

VO

O

Cras pharetra ex est, tincidunt fringilla enim dictum id. Vestibulum id placerat erat. Mauris sapien libero, aliquam a mauris vel, tincidunt ultrices mi. Donec posuere aliquam elementum. Donec congue elementum lacus, aliquam rhoncus felis tristique et. Aenean rhoncus, leo non dapibus aliquet, diam nunc lobortis diam, eu facilisis orci dui sit amet sem. Etiam id purus imperdiet, tincidunt erat sed, elementum risus.

N

IE

Phasellus gravida felis eu mauris luctus vestibulum. Phasellus vehicula malesuada purus eu aliquam. Sed non nisi in ante eleifend rhoncus ac id ipsum. Maecenas malesuada nulla in elit vestibulum gravida. Vestibulum non bibendum lorem. Morbi sed vulputate lectus. Nam faucibus libero sit amet posuere lacinia. Integer facilisis ante vel est pharetra, sed accumsan dui ornare. Nullam auctor ligula sit amet blandit accumsan. Mauris in purus ullamcorper, vestibulum nulla id, euismod ligula. Mauris dolor urna, viverra vel suscipit eu, maximus suscipit magna. Pellentesque laoreet felis libero, ut vestibulum ipsum faucibus ut. Nam nisi felis, dignissim non ornare at, faucibus et sapien. Fusce a fermentum neque, vel egestas augue. Integer tristique vel eros sed convallis. Praesent laoreet quam quis rhoncus ornare. Pellentesque ut lobortis magna. Vestibulum ante ipsum primis in faucibus orci luctus et ultrices posuere cubilia Curae; Donec placerat tellus non augue dapibus mollis. Duis dictum sodales lacus vel fringilla. Curabitur at lacus maximus, facilisis elit quis, iaculis elit. Aliquam eu velit in erat egestas placerat. Maecenas varius eget neque a fringilla. Class aptent taciti sociosqu ad litora torquent per conubia nostra, per inceptos himenaeos. Sed fringilla, massa a

Toegevoegd door docent

30

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 2: Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen

bibendum ultricies, metus risus consequat justo, eget egestas nibh risus pharetra tellus. Ut pretium, elit vitae blandit iaculis, lacus lectus iaculis ex, vel pretium sem quam ac urna. Sed non lectus ullamcorper, feugiat orci sed, rhoncus metus. Morbi sem sem, elementum a eros sed, viverra tincidunt lacus. Nullam nec purus eget felis blandit vestibulum. In convallis egestas lacus. Sed non lacus ut lectus venenatis convallis. Morbi ac purus eu tortor tristique tincidunt molestie id ligula. Ut massa quam, egestas a ante in, mattis consectetur orci. Duis condimentum pharetra vulputate. Phasellus a mattis ligula. Vivamus pretium tempus feugiat.

E

Nulla viverra luctus magna, et auctor nisi egestas ut. Suspendisse ut urna eget nulla dictum scelerisque. Nullam at arcu vel lacus tempor pellentesque. Suspendisse ullamcorper sollicitudin libero et mattis. Donec feugiat vulputate risus, eget ullamcorper leo. Quisque vitae malesuada leo. Nullam vitae dui vitae erat pulvinar pretium. In hac habitasse platea dictumst. Nulla viverra dui ut quam semper dictum. Duis scelerisque vulputate ante, consectetur venenatis est lobortis pellentesque. Donec non porta augue. Morbi id lobortis tortor.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

Pellentesque viverra ex sed tortor porta, a suscipit odio vulputate. Donec sed massa est. Vivamus congue commodo augue non egestas. Fusce consequat massa eu consectetur ultricies. Vivamus tempus sapien odio, et suscipit odio suscipit at. Praesent congue tincidunt pulvinar. Nunc eu nisl sed purus fringilla feugiat. Sed varius quam et ipsum vulputate, ac elementum leo mollis. Curabitur maximus sem fringilla, lacinia lectus non, laoreet nulla. Aliquam efficitur tincidunt euismod. Duis sed sagittis elit. Maecenas et quam tincidunt, convallis quam sed, gravida eros. Aenean sit amet orci vitae est elementum rutrum. Suspendisse facilisis dignissim erat, nec aliquam est eleifend a. Praesent in mattis quam. Nulla odio tellus, tempus sit amet nunc a, ullamcorper fringilla ligula. Sed sagittis imperdiet finibus. Sed ac urna ut ex faucibus lobortis eget ut arcu. Vestibulum venenatis, velit ac sodales efficitur, nisl est tincidunt ex, lacinia pellentesque metus metus at felis. Nulla viverra ex nec arcu pellentesque, eu feugiat magna eleifend. Donec pharetra tincidunt risus, sed congue odio aliquet eget. Aenean convallis, neque in facilisis iaculis, justo mi bibendum odio, sit amet tempus massa lorem ut erat. Nunc lobortis quam eget nibh lobortis fringilla ut et est. Aliquam erat volutpat. Phasellus quis libero porttitor, iaculis enim vitae, pharetra odio. Nam elit erat, gravida quis volutpat id, facilisis nec massa. Donec auctor purus at justo pretium aliquet. Nulla congue hendrerit eros, eget porttitor dolor iaculis ac. Nam maximus mauris nisi, nec pretium nisi tincidunt eu. Praesent malesuada est vitae massa cursus, id viverra erat tristique.

IE

VO

O

Maecenas eu semper ante. Aenean et erat volutpat, vulputate urna sed, ultrices nisl. Vestibulum eget justo mauris. Donec pulvinar elementum mauris, vel volutpat ex pulvinar non. Curabitur sit amet rutrum nisi, quis hendrerit nulla. Phasellus ultrices sit amet ligula eu rhoncus. Etiam sit amet malesuada nulla. Interdum et malesuada fames ac ante ipsum primis in faucibus. Proin iaculis lacinia purus, maximus auctor sapien tincidunt placerat. Duis nunc nisi, dignissim eu orci vitae, porta auctor ligula. Vestibulum ante ipsum primis in faucibus orci luctus et ultrices posuere cubilia Curae; Aenean et imperdiet tortor. Proin id dui in tortor mollis hendrerit at eu urna. Donec non vestibulum arcu. Sed tempor tellus a arcu bibendum, vitae fringilla leo aliquam.

N

In tempor maximus lacinia. Praesent laoreet ipsum nisi. Suspendisse id leo nisi. Praesent molestie iaculis risus, et varius est ultrices et. Donec convallis dui vitae dolor accumsan varius. Curabitur varius, sapien sit amet laoreet aliquet, sapien nunc eleifend lacus, vel fermentum enim mi non mi. Curabitur pharetra, enim vel tincidunt accumsan, ex ex dapibus leo, id malesuada augue lectus ac arcu. Nulla interdum nisl sed pretium venenatis. Vestibulum ante ipsum primis in faucibus orci luctus et ultrices posuere cubilia Curae; Integer augue urna, gravida sit amet dapibus non, congue nec metus. Maecenas nec pellentesque magna. Maecenas bibendum tellus et quam rutrum, vel tristique nunc iaculis. Aenean mi ex, volutpat imperdiet lectus in, semper venenatis felis. In quam ante, maximus id elementum eu, imperdiet ac urna. Praesent congue mi viverra venenatis auctor. Aliquam blandit urna a nibh efficitur imperdiet. Fusce a arcu laoreet, luctus ipsum non, ultrices mi. Proin interdum urna a dui hendrerit rhoncus. Cras efficitur porta libero vitae condimentum. Integer quis libero ut

Toegevoegd door docent

31

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 2: Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen

erat fermentum tempor quis eu dolor. Mauris ac fringilla neque. Sed posuere pharetra fringilla. Aenean mattis tempus urna, ac viverra risus. Nullam auctor velit nisl, ut dictum erat sollicitudin eget. Curabitur congue et arcu vitae efficitur. Vivamus tellus elit, egestas sed pellentesque id, mattis eget sem. Aliquam turpis justo, interdum vel ullamcorper vel, mattis quis felis. Curabitur aliquam interdum purus, ac lobortis risus pellentesque non. Ut dignissim commodo vehicula. Fusce turpis justo, vehicula et rutrum eget, vestibulum vel est. Nunc id porta lorem, vel mollis magna. Ut efficitur dolor ut laoreet consectetur. Nunc molestie vestibulum elit nec varius. Aenean sodales diam quis nulla vestibulum, id dignissim lacus feugiat. Aenean nisl sapien, finibus auctor nisi sed, elementum ultrices leo. Proin felis ante, convallis vitae facilisis at, pulvinar vel enim. Nunc vulputate convallis placerat. In pulvinar rutrum lacus. Aliquam euismod dapibus placerat.

N

IE

VO

O

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Fusce non sagittis sapien. Donec varius neque malesuada euismod accumsan. Duis ac mi tortor. Nullam nunc sapien, tincidunt consequat finibus vitae, ultricies eu elit. Morbi interdum, purus a ullamcorper vestibulum, est nisl fermentum lorem, ut ultricies tortor quam sit amet arcu. Pellentesque habitant morbi tristique senectus et netus et malesuada fames ac turpis egestas. Sed orci purus, molestie nec rhoncus eget, lobortis vitae tortor. Aliquam vel finibus enim, ut consequat velit. Nam sit amet tortor massa. Sed sagittis justo et vulputate lobortis. Integer mi purus, tincidunt sed gravida vitae, venenatis sed ligula. Aliquam in pharetra diam. Quisque malesuada eleifend vehicula. In tempor mauris a vehicula euismod. Nulla facilisi. Phasellus luctus sodales fermentum.

Toegevoegd door docent

32

Academiejaar 2020-2021


3 De beurs: beursindexen


IE

N

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

O

VO

E


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

1

Wat is het nut van een beursindex?

2

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Voordat we de verschillende beursindexen bespreken, is het misschien nuttig eerst de reden van bestaan van beursindexen te verklaren. Een beursindex is net als de gewone index van de consumptieprijzen een ‘snelle’ waardemeter. In tegenstelling tot de consumptie-index, die de duurte van consumptie meet, meet een beursindex dag na dag – en de Bel-20 zelfs elke 15 seconden – de beursevolutie. Je kunt in één oogopslag de beweging van een markt (bv. Duitsland) of marktsegment (bv. de Europese energiesector) bekijken. Een stijgend cijfer betekent dat de beurs die dag gestegen is, een dalend cijfer dat ze gedaald is. Deze index is ook mooi meegenomen om vergelijkingen over een langere periode te doen. Bv. de Bel-20 op 01-01-2019 en de Bel-20 twee, drie of zelfs tien jaar geleden. Jaarlijks vraagt men aan experts eind december of ze de stand van de Bel-20 willen voorspellen voor het volgende jaar.

De samenstelling van een beursindex

Hoe wordt een index samengesteld? Men neemt de belangrijkste beursgenoteerde bedrijven en maakt daarmee een representatieve weging. De koers van het belangrijkste aandeel weegt zwaarder in de berekening dan de koers van een kleiner. Het is interessant om te zien hoe de kredietcrisis de weging van de financiële aandelen gewijzigd heeft. Eigenlijk meet de index een representatief staal van het bedrijfsleven, dat dan de toon aangeeft om de dagelijkse berekening te maken van wat de beurs die dag presteerde. Niet elke index is gewogen. Bv. de Dow Jones (VS) is de gewone optelling van de koersen van de 30 industriële aandelen; deze worden dus niet gewogen. Daarom wordt de S&P500 meer gebruikt.

N

IE

VO

O

Hoe bepaalt men welke bedrijven in de index komen en welke bedrijven niet? We bespreken dat aan de hand van de Bel-20.

© VAN IN

35

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

3

Indexen van NYSE Euronext

3.1 Bel-20 Tabel 1: Bel-20-weging (op 25/10/2019)

AB Inbev Ackermans Van Haaren Ageas Aperam ArgenX Barco Cofinimmo Colruyt Galapagos GBL ING Groep KBC Ontex Proximus Sofina Solvay Telenet UCB Umicore WDP

ABI ACKB AGS APAM ARGX BAR COFB COLR GLPG GBLB INGA KBC ONTEX PROX SOF SOLB TNET UCB UMI WDP

Weging 13,26% 2,55% 8,40% 0,98% 3,41% 1,69% 2,48% 2,16% 5,39% 6,04% 10,88% 11,99% 0,84% 3,55% 2,61% 5,82% 1,69% 7,36% 6,53% 2,37% 100,00%

E

Ticker

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20

Aandeel

Bron: Euronext

IE

VO

O

De Bel-20 is een index die aan de hand van maximaal de 20 grootste, beursgenoteerde Belgische aandelen, de dagelijkse evolutie meet van de Belgische aandelenmarkt. Een bedrijf kan ten hoogste 12 % van de Bel-20 uitmaken. Op de jaarlijkse herzieningsdatum wordt een mogelijk ‘te zwaar’ bedrijf op 12 % afgetopt, maar door dagelijkse koersschommelingen kunnen bedrijven soms boven die 12 % uitkomen.

N

De aftopping heeft het meeste impact op AB Inbev. Zonder beperking zou het gewicht van AB Inbev oplopen tot ongeveer de helft van de Bel-20. Dit zou de index natuurlijk al te afhankelijk maken van de koersevolutie van een enkel aandeel. Bij de herziening in 2017 moesten Ahold Delhaize en Elia het veld ruimen voor oudgediende Sofina en nieuwkomer Aperam. Ook in 2018 werd de Bel-20-index opnieuw aangepast. Ditmaal werd Bekaert ingeruild voor biotechbedrijf Ablynx. Toen Ablynx zelf van de koerstabellen verdween na de overname door Sanofi, werd de plaats ingenomen door een ander biotechbedrijf ArgenX.

© VAN IN

36

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

Op 18 maart 2019 traden WDP en Barco toe tot de Bel-20. Ze namen de plaats in van Engie en bpost. Vastgoedvennootschap WDP maakt voor de eerste keer deel uit van de Bel-20. Barco zat al in de Bel-20 van 1991 tot 1993 en van 1996 tot 2007. Het vertrek van Engie is te wijten aan de nieuwe regels van Euronext, waardoor het meer dan 15 % van haar personeel in België moet tewerkstellen (zie hieronder). De exit van bpost is dan weer een gevolg van de zware daling van de marktkapitalisatie, na de tegenvallende resultaten.1

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Bel-20 nog wel Belgisch? Door de komst van zwaargewicht ING en Galapagos, dat een hoofdnotering in Amsterdam heeft, oogde de Bel-20 de voorbije jaren iets meer Nederlands. Ook het Franse Engie woog zwaar door in de ‘Belgische’ index. Er is dan ook reeds enkele jaren discussie of de Bel-20-index niet te buitenlands kleurt. In de zomer van 2018 heeft Euronext de voorwaarden om deel uit te maken van de Bel-20-index verstrengd. Ondernemingen die in de index opgenomen willen worden, moeten hun hoofdzetel In België hebben. Degene die reeds deel uitmaken van de index mogen enkel blijven indien aan de personeelsvoorwaarde is voldaan: een bepaald minimumpercentage van de personeelsleden moet in België zijn tewerkgesteld. Vroeger lag dat op 10 %, maar dat wordt nu opgetrokken naar 15 %. Dit is dus een probleem gebleken voor het lidmaatschap van Engie, waarvoor slechts 11 % van de personeelsleden in België tewerkgesteld is. De Bel-20-index kleurt hierdoor opnieuw wat meer Belgisch.

N

IE

VO

O

De historiek van de beleggersbarometer geeft een goed beeld van de evolutie van de grote Belgische bedrijven en de Belgische economie. In 2007 bereikte de index nog een piek van 4 728 punten. Daarna ging het erg bergaf, met een dieptepunt van 1 527 punten in maart 2009. Zoals de grafiek laat zien, herstelde de index zich en schommelde hij nadien geruime tijd tussen 2 000 en 3 000 punten. In februari 2014 overschreed hij opnieuw de grens van 3 000 punten. In november 2017 kon de Bel-20 opnieuw post vatten boven de 4 100 punten, wat goed was voor het hoogste peil in tien jaar. Na een terugval tot iets onder 3 200 vatte de Bel-20 in 2019 grotendeels post tussen 3 500 en 4 000 punten.

1 De Tijd, 6 maart 2019

© VAN IN

37

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Grafiek 1: Historiek van de Bel-20 sinds 1999

Bron: Euronext

Zitten de beste aandelen in de BEL-20? Sommigen denken ten onrechte dat het de ‘beste’ bedrijven zijn die in de Bel-20 zitten. Dat is fout. Als het mogelijk was met zekerheid de ‘beste’ aandelen te kopen, zou niemand nog andere aandelen kopen.

IE

VO

O

Sinds het ontstaan van de Bel-20 is aan de werking ervan een en ander veranderd. Om van de index een goede weergave te maken van de werkelijke handel op de beurs, wordt naast de beurskapitalisatie ook rekening gehouden met de zogenaamde free float en de velocity. Een opmerking: de Bel-20 is een koersindex, wat wil zeggen dat hij geen rekening houdt met de uitbetaalde dividenden, maar alleen met de koersevolutie.

N

De bedrijven met de grootste beurskapitalisatie komen in de Bel-20. De beurskapitalisatie krijgen we door het totale aantal aandelen te vermenigvuldigen met hun respectievelijke beurskoersen, m.a.w.:

beurskapitalisatie = aantal aandelen × koers

© VAN IN

38

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

3.2 De berekening van de Bel-20 Sinds 1 maart 2005 is de Bel-20 onderworpen aan grondig nieuwe regels omtrent de samenstelling van deze beursgraadmeter. Euronext bepaalde de regels in een complex softwareprogramma, de ‘compiler’ genoemd, dat om de 15 seconden de waarde van de Bel-20 berekent. Het directiecomité van Euronext, samen met enkele onafhankelijke supervisors, controleert de werking ervan. Voor de berekening van de Bel-20 worden de marktkapitalisatie en de free float gebruikt in een complexe methode waarvan we alleen de grote lijnen weergeven in het volgende kadertje.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

In tegenstelling tot wat de term ‘Bel-20’ doet vermoeden, bestaat de index niet uit precies 20 aandelen. Minimaal zijn het er 10 en maximaal staan er 20 bedrijven in de Bel-20.

Niet-Bel-20’ers komen in aanmerking voor een zitje in de Bel-20 als hun vrij verhandelbare beurswaarde 300 000 keer de Bel-20 bedraagt. Bedrijven die al in de Bel-20 zitten, moeten slechts de kaap van 200 000 keer de Bel-20 halen. In de Bel-20 blijven is dus gemakkelijker dan erin te geraken. Eind december 2008 waren Agfa-Gevaert en Omega Pharma in principe groot genoeg om in de Bel-20 te blijven ware het niet dat er nu een soort ‘democratisering’ is, ten voordele van nieuwe leden. Als er meer dan 20 gegadigden zijn, moet de 18/22-regel toegepast worden, die erop neerkomt dat niet-Bel20’ers automatisch in de index komen als ze bij de top 18 horen en dat bestaande Bel-20’ers eruit gaan als ze niet tot de top 22 behoren. Dus bedrijven die voldoen aan de criteria komen er niet altijd meer in en anderen worden er uitgewipt hoewel ze aan de criteria voldoen. Uiteindelijk mogen er maximaal slechts 20 bedrijven in!

We geven hierna een overzicht van de factoren die mee bepalen of een aandeel kan deelnemen aan de Bel-20:

VO

O

De free float (ff) is het percentage vrij verhandelbare aandelen en daarom worden bepaalde soorten aandelen uitgesloten, zoals oprichtersaandelen, aandelen in handen van de staat of van een andere controlegroep. De free float wordt afgerond naar de eerstvolgende 5 %. Een free float van bv. 16 % wordt 20 %, een free float van 27 % wordt 30 % enz. Bel-20-leden moeten een free float hebben van minstens 15 %.

N

IE

De free float velocity wordt berekend op basis van de volgende verhouding: aantal aandelen dat die dag verhandeld werd ________________________________________ aantal bestaande aandelen van dat bedrijf op die dag

Van deze breuk wordt de som genomen van de twaalf voorgaande maanden. Nieuwe kandidaten moeten een free float velocity van minimum 35 % hebben om in de index te komen; bestaande leden minimum 25 % om in de index te blijven.

© VAN IN

39

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

De maximumweging van een bedrijf in de index is 12 %! Als deze weging uitkomt op bv. 479,61 aandelen, dan wordt dat 480 aandelen, afgerond op het volgende gehele getal. De som van deze gewogen prijzen wordt elke 15 seconde herberekend en bekend- gemaakt als Bel-20. Als er geen prijs is van een bepaald aandeel, dan neemt men gewoon de laatst genoteerde prijs van dat aandeel om toch een indexberekening te kunnen maken.

E

Er gebeurt slechts één keer per jaar een herziening van de Bel-20, namelijk de derde vrijdag van maart. Ook zijn er kwartaalactualisaties op de derde vrijdag van juni, september en december. Deze kwartaalactualisaties dienen voor snelle in- en uittredingen, uitsluiting van de laagstgeklasseerden als er meer dan 20 leden zijn, terugdringen van het gewicht van een lid tot 12 %, actualisatie van het aantal aandelen van een lid. De reservelijst komt op deze manier te vervallen.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

De korfindex (basket index) is vervangen door een index gebaseerd op het volledig aantal genoteerde aandelen in combinatie met een ‘free float’-factor en een ‘capping’-factor. Een aandeel met een free float kleiner dan 15 % of een free float velocity kleiner dan 25 %, zal verwijderd worden. Een speciaal geval zijn de bedrijven uit de Bel-20 die fuseren of splitsen. Deze worden apart door de compiler bekeken en berekend via vastgelegde paden. De criteria om in de Bel-20 te stappen liggen veel hoger dan die om erin te blijven. Een nieuw Bel-20bedrijf zal dus betere cijfers moeten bewijzen om een ander Bel-20-bedrijf eruit te gooien.

Daarnaast wordt ook rekening gehouden met de ‘velocity’, de omloopsnelheid. De bedoeling daarvan is te zorgen dat aandelen waarvan een groot deel de facto in vaste handen zit, zonder dat die vaste handen officieel bekend zijn, niet in de index op te nemen. Het heeft er ook mee te maken dat de aandelen in de index toch een minimum aan liquiditeit moeten hebben.

O

Velocity is een maatstaf om de dagelijkse handel in een aandeel te meten. Over een periode (meestal een jaar) gaat men na welk percentage van de aandelen van een onderneming over die periode verhandeld werd. Hoe groter dat percentage, hoe zwaarder het gewicht in de index (alle andere omstandigheden gelijkblijvend).

N

IE

VO

De omloopsnelheid is in grote lijnen het percentage van het totale aantal aandelen dat gemiddeld per jaar verhandeld wordt. Bedrijven met een omloopsnelheid van minder dan 10 %, waarvan dus minder dan 10 % van het totale aantal uitgegeven aandelen jaarlijks verhandeld wordt, komen niet in aanmerking voor de Bel-20.

Is er een verschil tussen velocity en liquiditeit? Het volgende voorbeeld toont het verschil aan tussen velocity en liquiditeit. Aandeel X heeft 100 000 aandelen in omloop en daarvan worden er dagelijks 1 000 verhandeld. Dat is 1 %. Aandeel Y heeft 1 000 000 aandelen in omloop en daarvan worden er dagelijks 10 000 verhandeld. Dat is ook 1 %, maar de invloed van dat aandeel op de beurs is wel groter. De liquiditeit is in het 2de geval groter, de velocity niet.

© VAN IN

40

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

Daarnaast moet de voor free float aangepaste omloopsnelheid, het percentage van de in aanmerking genomen aandelen dat jaarlijks verhandeld wordt, minstens 30 % bedragen. De minimum jaarlijkse free float-omzet op Euronext Brussel moet dus 30 % zijn.

E

De Bel-20 is een speciale index omdat er wordt gewerkt met ‘vaste’ gewichten. Het aantal aandelen van bv. Colruyt dat mag meedoen, wordt berekend en vastgelegd en dat getal blijft vast tot de volgende indexherschikking. Dat is niet zo voor alle indexen. Sommige laten de weging van het bedrijf schommelen naargelang hoeveel het op die beurs verhandeld wordt. Ze wegen dus continu het aantal af.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

Waarom vinden bedrijven een positie in de BEL-20 zo belangrijk? Bedrijven vinden een positie in de Bel-20 uiterst belangrijk om meerdere redenen. − Bepaalde beleggingsproducten (bv. ‘passieve fondsen’ en ‘trackers’ zie het punt 4 ‘Exchange traded funds (trackers)’ in ‘Beleggingsinstrumenten: Beleggingsfondsen’) beleggen volgens de samenstelling van een index. Hoe meer het aandeel verhandeld wordt, des te beter voor de koers en dus ook voor het bedrijf. − Grote bedrijven zijn interessanter voor grote investeerders wegens de liquiditeit. Buitenlandse en grote investeerders zoeken waarden die ze indien nodig altijd ook weer kunnen verkopen tegen een redelijke marktprijs. De Bel-20 levert die grote bedrijven.

Sinds 2002 publiceren Belgische bedrijven meer niet-verplichte gegevens dan vroeger. Ze verstrekken meer sectorale of geografische informatie, gegevens per aandeel of zeggen iets over de vooruitzichten voor het komende jaar. Dat blijkt uit een studie van de FSMA over communiqués van de jaarresultaten. In de jaarlijkse communiqués moeten beursgenoteerde bedrijven ten minste 7 boekhoudkundige gegevens opnemen: omzet, bedrijfsresultaat, financieel resultaat, resultaat uit de gewone bedrijfsuitvoering, uitzonderlijk resultaat en resultaat vóór en na belasting.

N

IE

VO

O

Bestaat er ook een koers-winst voor een index? Ja, in juni 2002 noteerde de Bel-20 een koers-winstverhouding van 13,06 op basis van de resultaten van 2001 en 12,90 op basis van de voor 2002 verwachte resultaten. In maart 2006 was de koers-winst 14,35 door twee stijgende beursjaren voor de Bel-20. In het najaar van 2008 bedroeg de koers-winst van de zwaar bestrafte Bel-20 nog maar 8,08 omwille van de drie banken (Fortis, KBC en Dexia) die zwaar doorwogen op deze index. Eind november 2015 bedroeg de koers-winst van de herstelde Bel-20 opnieuw 15,9.

Zo kunnen we vergelijkingen doen over de jaren heen en zien of de beurs toen historisch duur of goedkoop was. De koers-winst van een index wordt ook gebruikt om de beurzen over de grenzen heen met elkaar te vergelijken. De koers-winst van de Bel-20 is niet de som van koers-winstcijfers van elk aandeel uit de Bel-20, maar wel een gewogen koers-winst waarin de koers-winst van het grootste bedrijf zwaarder weegt dan die van het kleinste bedrijf uit de Bel-20.

© VAN IN

41

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

3.3 Andere NYSE Euronext-indexen Andere belangrijke beursindexen van Euronext-landen naast de Bel-20 zijn: Tabel 2: Wijziging Euronext-indexen Stand 28/10/2019 3770,84 583,68 5730,57 5106,62

16,25% 19,64% 21,14% 7,93%

België Nederland Frankrijk Portugal

E

Bel-20 AEX CAC40 PSI 20

procentuele wijziging t.o.v. 1/1/2019

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

Bron: Bloomberg

N

IE

VO

O

Grafiek 2: Europese indexen (1 jaar)

Bron: Euronext

Zoek online de dagelijkse stand van deze indexen op.

© VAN IN

42

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

4

Andere indexen

4.1 Europese indexen Tabel 3: Wijziging overige Europese indexen

12941,71 7331,28 9433 1760,31 3625,69

22,57% 8,96% 10,46% 24,96% 20,80%

Duitsland Verenigd Koninkrijk Spanje Zweden Europa

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

DAX FTSE 100 IBEX 35 OMXS 30 EURO STOXX 50

procentuele wijziging t.o.v. 1/1/2019

E

Stand 28/10/2019

Bron: Bloomberg

4.2 Niet-Europese indexen

De NIKKEI225 is de belangrijkste beursindex van Japan

N

IE

VO

O

De S&P500, Dow Jones en Nasdaq Composite zijn Amerikaanse indexen. − De S&P500-index (Standard & Poors-index) bevat momenteel uitsluitend Amerikaanse aandelen van de 500 grootste bedrijven in de VS. Deze index geeft daarom een goed beeld van de gemiddelde prestaties van de Amerikaanse aandelen. De S&P500-index wordt weergegeven door de middelste curve in de onderstaande grafiek. − De DJ industrial (Dow Jones) is de oudste Amerikaanse index en is samengesteld uit dertig topaandelen die op de NYSE noteren. Hij bestaat al meer dan 100 jaar en geeft de toon van de marktevolutie aan. Het is een niet gewogen index. Elk aandeel telt even zwaar mee, waardoor de index de beursrealiteit niet altijd even goed reflecteert. In onderstaande grafiek wordt deze index weergegeven door de onderste curve. − De Nasdaq Composite Index bestaat sinds de oprichting van Nasdaq in 1971. Hij bevat alle aandelen die op Nasdaq genoteerd zijn. Aangezien enkele grote beurskleppers zoals Apple en Google hier deel van uitmaken, krijgt de Nasdaq Composite Index steeds meer aandacht van beleggers. De bovenste curve in onderstaande grafiek geeft de Nasdaq Composite Index weer.

© VAN IN

43

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Grafiek 3: Amerikaanse indexen (5 jaar)

Bron: Yahoo Finance

Tabel 4: Wijziging Amerikaanse indexen

Stand 28/10/2019

Dow Jones industrial Nasdaq Composite S&P 500

procentuele wijziging t.o.v. 1/1/2019

27090,72 8325,98 3039,42

16,13% 25,48% 21,24%

VS VS VS

Bron: Bloomberg

VO

O

Tabel 5: Wijziging Aziatische indexen

Stand 28/10/2019

N

IE

Nikkei 225 Hang Seng Shanghai Shenzhen CSI 300 SENSEX

procentuele wijziging t.o.v. 1/1/2019

22960 3634,34

14,80% 5,35%

Japan Hong Kong

3926,58

30,42%

China

39250,2

8,82%

India

Bron: Bloomberg

4.3 MSCI world-index De Morgan Stanley Capital International index bevat ongeveer 1 500 aandelen van over de hele wereld.

Š VAN IN

44

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 3: De beurs: beursindexen

Bestaat er maar 1 MSCI-index of is het een cluster van indices? Zoek het antwoord met behulp van het onlinemateriaal.

5

De bull en de bear markt

E

Wanneer een markt alsmaar een stijgende trend (hausse) kent, spreekt men van een ‘bull market’. Van een markt die door de ‘bulls’ (stieren) gedreven wordt, menen de professionals dat het optimisme onverwoestbaar is en dat het nog beter kan. Zoals alles ups en downs heeft, slaat een stijgende markt vroeg of laat om naar een dalende markt, een ‘baisse’. We spreken dan van ‘een bear market’. De beren denken dat de duikvlucht nog langer duurt. Bij een daling van 20 % spreken we van een ‘crash’.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

Crashes … De ergste crash in de beursgeschiedenis is die van 19 oktober 1987, toen de Dow Jones industrial average-index maar liefst 508 punten in 1 zitting verloor. Omdat de grote financiële crash in 1929 ook in oktober plaatsvond, zijn sommige beleggers zelfs bijgelovig geworden over de maand oktober. Er is nog een ander gezegde ‘Sell in May and go away’, dat sommige jaren maar al te waar is maar andere jaren dan weer niet. Als de beleggers dit massaal volgen, dan krijg je natuurlijk een ‘self-fulfilling prophecy’. Sommigen vullen dit gezegde trouwens aan met ‘but remember to come back in September’. Met de beurscrash van september 2011 was dit misschien een goed idee geweest. Ook na historische gebeurtenissen, zoals Pearl Harbour of de aanslag op de Twin Towers, reageren de financiële markten hevig. Gelukkig herpakken ze zich. De vraag is op dat moment: ‘Wanneer juist?’ Volgend advies was grappig en gevat in De Standaard (29/9/2011): Voor beleggers in een berenmarkt geldt net hetzelfde advies als voor wandelaars in Canada die een beer tegenkomen: ‘Ga liggen en doe alsof je dood bent.’

VO

O

Net voor het uitbreken van de financiële crisis bereikte de Bel-20 haar hoogtepunt net boven 4 700 punten. Nadien volgde er een sterke correctie met periodes van sterke volatiliteit. Oktober 2008 kende zelfs dagschommelingen voor de meeste indexen van 2 % tot zelfs 10 %!

N

IE

Specifiek voor de Bel-20, die pas sinds 1991 bestaat, waren oktober 2008 en september 2011 de slechtste maanden ooit: de index verloor 21 tot 25 %! Sinds eind 2011 boekte de Bel-20-index een opmerkelijk herstel: ten opzichte van het niveau eind november 2011 stond de Bel-20 drie jaar later opnieuw bijna 70 % hoger. Anno 2015 zette het herstel van de voorbije jaren zich verder door. Tussen 2015 en 2016 schommelde de Belgische index tussen 3 100 en 3 900 punten, maar nieuwe records waren pas weggelegd voor eind 2017 en begin 2018 toen de Bel-20 voor het eerst in bijna tien jaar opnieuw duidelijk boven 4 100 punten steeg. Later in 2018 viel de index geleidelijk terug tot zelfs niveaus onder 3 500 punten en sindsdien schommelt de index tussen 3 500 en 4 000 punten.

© VAN IN

45

Academiejaar 2020-2021


N

IE

VO

O

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

De beurs: beursindexen

© VAN IN

46

Academiejaar 2020-2021


4 Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen


IE

N

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

O

VO

E


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

In dit handboek worden diverse beleggingsvormen besproken zoals termijnrekeningen, kasbons, obligaties, aandelen, opties … Een belegger zal die beleggingen uitkiezen die bij zijn profiel passen (leeftijd, beleggingshorizon …). Hij zal daarbij rekening houden met de beoordelingscriteria van de beleggingsvormen: veiligheid, liquiditeit, rendabiliteit, fiscaliteit en kosten.

bepalen van het risicoprofiel van de belegger; rekening houden met de kosten; voldoende diversifiëren; vroeg starten met beleggen; regelmatig en tijdig de portefeuille herbalanceren; een financieel plan opstellen; en uzelf als belegger kennen.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

> > > > > > >

E

Goed beleggen, vertrekkend vanuit een verstandige vermogensplanning, betekent:

1

Bepaal uw risicoprofiel

Voor men begint met beleggen, is het belangrijk dat men zijn risicoprofiel bepaalt. Welk risico wil en kan men nemen als belegger?

N

IE

VO

O

Aandelenmarkten kunnen sterke schommelingen vertonen. Als men belegt in aandelen moet men daar als belegger mee kunnen omgaan. Dat kan anders leiden tot verkeerde beslissingen zoals kopen als de koersen hoog staan en verkopen bij lage koersen. Als de beurzen stijgen, wil iedereen zijn graantje meepikken. Men hoort zeggen dat andere beleggers mooie winsten realiseren. Gedreven door hebzucht zullen meer beleggers zich aangetrokken voelen tot de aandelenmarkt en ook aandelen kopen. Dat is meestal te laat omdat de koersen al te hoog opgelopen zijn. Veel winst zal er niet meer kunnen gemaakt worden. Als de aandelenkoersen beginnen te dalen, blijven de meesten opnieuw wachten omdat ze geen verlies willen lijden. Op een gegeven moment dalen de koersen nog meer en heerst er veel onzekerheid op de beurs. Bijna iedereen verkoopt zijn aandelen. Achteraf blijkt soms dat dat geen goede beslissing was, want iedereen verkoopt dan vanuit een gevoel van paniek aan veel te lage koersen.

© VAN IN

49

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

Het is ook een verkeerde beslissing om te beleggen in aandelen als men daar de ‘geschikte’ persoon niet voor is. Iemand die regelmatig ’s nachts wakker ligt omdat de koersen van zijn aandelen gedaald zijn, heeft niet het gepaste profiel voor die beleggingsvorm; andere beleggingsvormen lijken in dat geval meer aangewezen.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Jacques is niet tevreden met het rendement op vastrentende producten zoals termijnrekeningen en obligaties. Toch heeft het verleden uitgewezen dat aandelen niet echt passen bij zijn profiel. Jacques heeft in het verleden namelijk aandelen gekocht, maar kan het niet laten om elke dag de koersen te bekijken in de krant, en wordt enorm zenuwachtig als de koersen een aantal dagen op rij dalen. Meestal neemt hij dan het besluit om ze snel te verkopen, wat al geleid heeft tot frustraties omdat de aandelen een jaar later vaak heel wat hoger noteren. Een fonds met kapitaalbescherming kan voor Jacques een oplossing zijn. Hij belegt op de beurs, maar de bank garandeert hem op de eindvervaldag kapitaalbescherming, waardoor hij zeker is dat hij zijn inleg (voor kosten) niet zal verliezen. Toch geeft het hem de mogelijkheid om een hoger rendement te halen dan bij vastrentende producten.

 De beroemde uitspraak van de meest succesvolle belegger Warren Buffet: ‘Be fearful

VO

O

when others are greedy and greedy when others are fearful’ past perfect in dat plaatje. Buffet bedoelt dat de beste periode om aandelen te kopen is wanneer iedereen paniekerig reageert en de aandelenbeurzen met forse dalingen geconfronteerd worden. Hij raadt dan aan om via gespreide aankopen in aandelen te stappen. Het is bovendien best om angstig te worden en aan verkopen te denken wanneer andere beleggers vol lof zijn over hun winsten die ze gerealiseerd hebben met hun aandelenportefeuille. Dat is dan de beste periode om aandelen te verkopen. De brieven die Warren Buffet aan zijn aandeelhouders schrijft, en die boordevol goede tips staan, kunt u trouwens nalezen op http://www.berkshirehathaway.com/letters/letters.html.

N

IE

Een belegger moet zich ook afvragen of het wel verstandig is om bepaalde risico’s te nemen. Als men bijvoorbeeld een beperkte beleggingsportefeuille heeft, en het geld dient voornamelijk als buffer voor onverwachte gebeurtenissen, is het meestal niet verstandig dat geld te beleggen in aandelen die op korte termijn sterke schommelingen kunnen vertonen. Ook als men heel wat vermogen heeft, maar met de bedoeling dat op korte termijn aan te wenden, lijkt het beter om dat niet te beleggen met hoog risico. Anita en Johan zijn op zoek naar een woning. Ze hebben al 75 000,00 EUR gespaard en zijn volop aan het rondkijken. Ze zijn niet tevreden over het rendement op hun huidige spaarrekening en kijken daarom uit naar andere beleggingsvormen. Toch lijkt het niet

© VAN IN

50

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

aanbevolen om dat geld te beleggen in aandelen. Die kunnen namelijk op korte termijn sterk dalen, wat zou kunnen leiden tot problemen als Anita en Johan op dat moment een geschikte woning hebben gevonden. Toch kan het de moeite lonen om bijvoorbeeld over te stappen op een andere spaarrekening die meer rente geeft of een ander beleggingsproduct, op voorwaarde dat ze die middelen snel kunnen vrij maken als ze een geschikte woning hebben gevonden en geen risico lopen op een eventuele minderwaarde.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Financiële instellingen zijn ten gevolge van de MiFID-richtlijn (zie ook het hoofdstuk over vermogensvorming) verplicht om het risicoprofiel van hun klanten te onderzoeken en hun advies daaraan aan te passen. Ze doen dat met vragenlijsten waarin ze peilen naar de financiële situatie van de klant, de kennis en ervaring met beleggingen, de beleggingsdoelstellingen en de houding tegenover risico. Op basis daarvan gaat men beleggers indelen in verschillende categorieën, elk met hun eigen modelportefeuille.

 Meer informatie kan men vinden op de site van Febelfin (www.febelfin.be), de Belgische Federatie van de Financiële sector, en de site van de Europese Commissie (http://ec.europa.eu/).

O

Ook de meeste financiële instellingen geven op hun website meer informatie over MiFID, en hoe zij dit toepassen. Bij heel wat financiële instellingen is het mogelijk de vragenlijst online in te vullen, om zo uw profiel te bepalen, en te bekijken tot welke categorie u behoort. De benaming en aanpak kan verschillen van bank tot bank. Zo zal de ene bank de beleggers indelen in zeer defensief, defensief, dynamisch en zeer dynamisch, een andere bank zal dan weer opteren voor de benamingen vast, beschermd, tactisch en dynamisch. Zoek op de sites van een aantal financiële instellingen op hoe zij de indeling in risicoprofielen aanpakken.

Hou de kosten in het oog

N

2

IE

VO

Als belegger is het belangrijk om te waken over de kosten die financiële instellingen aanrekenen. Kleine verschillen in kosten kunnen op lange termijn grote verschillen geven in de behaalde return. Een aandelenfonds van 100 000 EUR met een brutoreturn van 8 % en een jaarlijkse kost van 2 % zal na twintig jaar zijn aangegroeid tot 320 713,55 EUR. Bij een jaarlijkse kost van maar 1 % zou het fonds zijn aangegroeid tot 386 968,45 EUR: een verschil van

© VAN IN

51

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

66 254,90 EUR. Als men de belegging 25 jaar zou aanhouden in plaats van twintig jaar wordt het verschil alleen maar groter. Het aandelenfonds met een jaarlijkse kost van 2 % zou na vijfentwintig jaar zijn aangegroeid tot 429 187,07 EUR; dat met een jaarlijkse kost van 1 % tot 542 743,26 EUR, een verschil van 113 556,19 EUR. Het is dus belangrijk inzicht te hebben in welke kosten er allemaal worden aangerekend en hoeveel ze bedragen. Bij producten met eenzelfde return kiest men dan ook het best voor het product met de laagste kost, op voorwaarde natuurlijk dat de andere criteria zoals de veiligheid van de emittent, de liquiditeit van het product … dezelfde zijn.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Er zijn grote verschillen tussen de financiële instellingen in de kosten die ze aanrekenen bij het plaatsen van een beursorder, het bewaren van effecten op een effectenrekening, beheerskosten bij fondsen … Piet heeft vijftig aandelen Engie aangekocht aan een koers van 15,00 EUR, en verkoopt ze opnieuw aan een koers van 17,00 EUR. De bank rekent bij aankoop en verkoop van die aandelen telkens 20,00 EUR kosten aan. Koers aankoop

15,00

Koers verkoop

17,00

Aantal aandelen

50

Aantal aandelen

50

Totaal

750,00

Behaalde return voor kosten

850,00

100,00

Kosten aankoop / verkoop

40,00

Behaalde return na kosten

60,00

Behaalde return in %

Totaal

8,00 %

IE

VO

O

Als Piet had gekozen voor een goedkopere financiële instelling, die maar 7,50 EUR per transactie aanrekent voor een totaal van 15,00 EUR, zou zijn return na kosten niet 8 % bedragen maar 11,33 %. 15,00

Koers verkoop

17,00

Aantal aandelen

50

Aantal aandelen

50

N

Koers aankoop

Totaal

750,00

Behaalde return voor kosten

100,00

Kosten aankoop / verkoop

15,00

Behaalde return na kosten

85,00

Behaalde return in %

11,33 %

© VAN IN

Totaal

52

850,00

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

Diversifieer

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

3

E

Online brokers zijn meestal goedkoper dan de meeste grootbanken. Bij de keuze van een financiële instelling moet men niet alleen rekening houden met de transactiekosten bij aan- en verkoop van effecten, maar ook met het bewaarloon van de effecten op effectenrekening, de kosten van de zichtrekening … Daarnaast speelt ook de rentevergoeding die men ontvangt voor het aanhouden van cash geld op de rekening een rol. Het is niet altijd eenvoudig om die kosten met elkaar te vergelijken omdat niet alle financiële instellingen die op dezelfde manier berekenen. Ze zijn ook verschillend van de beurs waarop men handelt. Zeker voor beleggers die actief handelen op de beurs zijn de transactiekosten bij aan- en verkoop van belang voor de uiteindelijke return.

Doordat een belegger zijn geld spreidt over verschillende beleggingsvormen (aandelen, obligaties, vastgoed …) en binnen elke beleggingsvorm het geld nog verder verdeelt (zo zal men het gedeelte dat men belegt in aandelen nog verder verdelen over verschillende aandelen van verschillende bedrijven en sectoren) kan men het risico van de beleggingsportefeuille verlagen. Het specifieke risico (zie het hoofdstuk over vermogensvorming) bij aandelen zijn factoren of gebeurtenissen die alleen de beurskoers van een bepaalde onderneming beïnvloeden. Door te diversifiëren in het aandelengedeelte van de portefeuille wordt de return van het belegde vermogen veel minder afhankelijk van de prestaties van één aandeel.

In de tweede helft van 2008, tijdens de val van het Fortis-aandeel, las men regelmatig artikels over beleggers waarvan het hele vermogen bijna belegd was in het Fortis-aandeel. Dat aandeel stond vroeger namelijk bekend als een goede-huisvader-aandeel. Toch liepen die beleggers een groot risico door het overgrote deel van hun vermogen te investeren in hetzelfde aandeel, waardoor ze grote verliezen hebben geleden op hun beleggingsportefeuille als ze het aandeel niet tijdig hebben verkocht.

N

IE

VO

O

Het voordeel van diversificatie is dus dat men het risico van zijn beleggingsportefeuille kan verlagen. Diversificatie kan men zelf aanbrengen door bijvoorbeeld het aandelengedeelte van de portefeuille te spreiden over verschillende aandelen uit verschillende sectoren en landen. Het nadeel daarvan is natuurlijk dat hoe meer men diversifieert, hoe meer aandelen men moet opvolgen. Elke aankoop en verkoop brengt ook kosten met zich mee, die zeker bij relatief kleine bedragen zwaar kunnen doorwegen op de return. Dat

© VAN IN

53

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

kan opgevangen worden door het geld te beleggen in een beleggingsfonds of tracker. Daarmee kan men met relatief kleine bedragen een ruime diversificatie bekomen. Anke wil 5 000 EUR beleggen in aandelen. Ze wil dat bedrag spreiden over twintig aandelen om zo een ruime diversificatie te hebben. Ze zal dus 250 EUR in elk aandeel beleggen. Haar bank rekent voor een order tussen 0 en 2 500 EUR, 10 EUR aan per aankooptransactie. Als ze dus een order plaatst voor 250 EUR, zal ze nog 10 EUR aan kosten moeten betalen ofwel 4 % op het geïnvesteerde bedrag (wat een belangrijke negatieve invloed zal hebben op haar uiteindelijke return).

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Anke zou ook kunnen kiezen een tracker te kopen. Ze besluit een tracker te kopen op de MSCI World Index, die is samengesteld uit meer dan 1 600 aandelen uit 23 landen. Haar bank rekent voor een order tussen 2 500 en 5 000 EUR, 20 EUR aan per aankooptransactie. Als ze een order plaatst voor 5 000 EUR, zal ze dus 20 EUR kosten moeten betalen ofwel 0,4 %, wat veel lager is dan die 4 % van hierboven. Wel moet Anke rekening houden met het feit dat er een jaarlijkse fee zal moeten betaald worden voor het beheer van de tracker. In ruil daarvoor krijgt ze wel een spreiding over meer dan 1 600 aandelen.

Start vroeg met beleggen

N

4

IE

VO

O

Het nadeel van diversificatie is dat als men dat zeer ruim doet, men zich tevreden moet stellen met een marktconform rendement. In het voorbeeld hierboven zal Anke het rendement halen van de MSCI World Index minus de jaarlijkse fee. Niet meer of niet minder. Door zelf een beperkte groep aandelen te selecteren, proberen beleggers de markt toch te kloppen en een hogere return te behalen. Ze kopen een beperkte groep aandelen, bestuderen die bedrijven intensief en volgen ze op. Dat is een andere aanpak, en beide strategieën hebben hun voor- en nadelen. Een portefeuille bestaande uit maar enkele aandelen vergt uitgebreide studie, kennis en opvolging van de aandelen in portefeuille. De kans is wel reëel dat de return hoger zal liggen dan het marktgemiddelde. De aankoop van een ruim gespreid aandelenfonds of een tracker zal een marktconforme return opleveren, maar vergt weinig kennis en ervaring van de belegger.

Regelmatig een bedrag aan de kant zetten en dat beleggen, heeft een aantal voordelen. Om te beginnen, creëert men de gewoonte om (elke maand) een bepaald bedrag te sparen om zo zijn vermogen op te bouwen. Als belegger krijgt men daardoor de discipline om te sparen, en als men na verloop van tijd dat bedrag ziet aangroeien, werkt dat motiverend om ermee verder te gaan. Door het bedrag automatisch over te schrijven nadat het loon ontvangen is, merkt de belegger na verloop van tijd zelfs vaak niet meer dat hij aan het sparen is.

© VAN IN

54

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Er bestaan bovendien heel wat beleggingsproducten waarbij het mogelijk is om elke maand een bedrag te storten. Door gespreid te beleggen in bijvoorbeeld een gemengd beleggingsfonds moet men zich niet voortdurend bezighouden met de vraag of het wel een goed aankoopmoment is. Als men een groot bedrag in één keer belegt en de koersen dalen de maanden erop fors, zal de belegger misschien spijt hebben van zijn beslissing. Als men gespreid had belegd, had men bij dalende koersen meer deelbewijzen kunnen aankopen met hetzelfde bedrag. Aan de andere kant zal een belegger bij stijgende koersen misschien wachten op een beter aankoopmoment. Maar door te wachten, is het mogelijk dat hij een stuk return laat liggen. Gespreid beleggen zorgt ervoor dat een belegger zich niet laat meeslepen door zijn emoties als hij de koersen van zijn fonds ziet stijgen of dalen. Door gespreid te beleggen, durft men ook te starten met beleggen, omdat het om relatief kleine bedragen gaat. Die kunnen op termijn wel uitgroeien tot een mooi vermogen.

Gestorte bedrag

Koers

100,00

50,00

2,00

100,00

51,00

1,96

100,00

50,00

2,00

100,00

49,50

2,02

VO

Sara wil elke maand 100 EUR beleggen en heeft gekozen voor een gemengd fonds dat wereldwijd belegt in aandelen. Op het begin van elke maand schrijft ze 100 EUR over naar het beleggingsfonds en koopt daarmee een aantal deelbewijzen in het fonds aan. De koers van één deelbewijs bedraagt bij de start 50 EUR, en wijzigt daarna in functie van de koersen van de aandelen in het beleggingsfonds. De bedoeling is dat Sara de komende jaren telkens maandelijks 100 EUR investeert in het fonds om zo op lange termijn een mooie return te behalen. Maand

100,00

47,50

2,11

100,00

46,00

2,17

100,00

46,50

2,15

Augustus

100,00

49,00

2,04

September

100,00

49,50

2,02

Oktober

100,00

51,50

1,94

November

100,00

52,00

1,92

December

100,00

52,50

1,90

Januari Februari

O

Maart April Mei

N

Juli

IE

Juni

Aantal deelbewijzen

1 200,00 Totaal aantal deelbewijzen

24,24

Gemiddelde aankoopprijs

49,50

© VAN IN

55

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

Door elke maand 100 EUR te beleggen, heeft Sara soms gekocht aan hoge beurskoersen (januari, februari, maart, oktober …) en soms aan lage beurskoersen (mei, juni, juli …). De gemiddelde aankoopkoers waartegen ze gekocht heeft, bedraagt 49,50 EUR. Door op die manier aan te kopen, moet ze zich niet de vraag stellen wanneer het ideale moment is om in te stappen. Dat is namelijk zeer moeilijk te bepalen. Ze had ook die 1 000 EUR eerst bijeen kunnen sparen op een spaarrekening om ze dan in december in een keer te investeren. Maar door gespreid te beleggen, is haar gemiddelde aankoopkoers 49,50 EUR en is ze zeker van een goede gemiddelde aankoopprijs.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Hoe vroeger men start met beleggen, hoe hoger de opbrengst uiteindelijk zal zijn. Hoe vroeger men begint, hoe langer de periode en hoe groter het effect speelt van samengestelde intrest (zie het hoofdstuk over de kasbon). Kevin is 30 jaar en besluit om jaarlijks 2 000 EUR te storten in een gemengd fonds met een gemiddeld rendement van 8 %. Hij doet dat tot de leeftijd van 40 jaar en heeft op tien jaar tijd 20 000 EUR bijeen gespaard. Daarna doet hij geen extra stortingen meer, maar hij laat het bedrag staan tot de leeftijd van zestig jaar, om dan te gebruiken voor zijn pensioen. Op de leeftijd van zestig jaar zal het gespaarde bedrag van 20 000 EUR zijn aangegroeid tot 145 845,89 EUR.

O

Liesbeth besluit pas op de leeftijd van 40 jaar te starten met het jaarlijks storten van 2 000 EUR in een gemengd fonds met een gemiddeld rendement van 8 %. Na tien jaar, dus op de leeftijd van vijftig jaar, stopt Liesbeth met het extra storten van 2 000, maar laat het bedrag ook staan tot de leeftijd van zestig jaar. Het bedrag zal dan aangegroeid zijn tot 67 554,87 EUR. Dat is minder dan de helft van het bedrag dat Kevin zal ontvangen, omdat Liesbeth tien jaar later is gestart.

N

IE

VO

Zelfs als Liesbeth Kevin wil inhalen door tot haar zestig jaar nog telkens een storting van 2 000 te doen, zal ze nog maar een bedrag ontvangen van 98 845,84 EUR, wat nog altijd minder is dan die 145 845,89 EUR van Kevin. Bovendien heeft Kevin maar 20 000 EUR gestort in het beleggingsfonds over een periode van tien jaar, terwijl Liesbeth in dat geval 40 000 EUR heeft gestort over een periode van twintig jaar. Het voorgaande voorbeeld maakt duidelijk dat hoe vroeger men start met beleggen, hoe groter het bedrag zal zijn op de eindvervaldag. Als men later start, is het moeilijk om die achterstand nog in te halen. Om die reden kan men het best op jonge leeftijd starten met pensioensparen, al is dat in de praktijk natuurlijk niet zo evident omdat jonge mensen vaak eerst willen sparen voor een woning. Bovendien is de pensioenleeftijd nog zo ver verwijderd dat men dat uitstelt.

© VAN IN

56

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

Toch is het aanbevolen, rekening houdend met de bovenstaande opmerkingen, dat jonge mensen bestuderen hoe ze eventueel al aan pensioensparen kunnen doen. We bespreken dat uitgebreid in het hoofdstuk over pensioensparen. Belangrijk om te weten is dat de overheid tot bepaalde bedragen een eenmalig fiscaal voordeel geeft van 30 %. Er zijn weinig andere beleggingsvormen die dat kunnen bieden.

5

Herbalanceer tijdig de portefeuille

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Zoals hierboven al vermeld, zal de belegger in functie van zijn risicoprofiel zijn vermogen spreiden over verschillende beleggingscategorieën. Stel dat een belegger gekozen heeft om 10 000 EUR cash aan te houden als buffer voor onvoorziene omstandigheden; en daarnaast heeft hij een beleggingsportefeuille die voor 60 % is belegd in aandelen en voor 40 % in obligaties. Het is belangrijk dat de belegger die portefeuille periodiek gaat evalueren. Het is namelijk goed mogelijk dat zijn portefeuille in de loop van de tijd voor 80 % uit aandelen en voor 20 % uit obligaties bestaat, bijvoorbeeld door een sterke stijging van de aandelenmarkten. De portefeuille is onderhevig aan grotere schommelingen vanwege het groter percentage aandelen, wat niet overeenkomt met het oorspronkelijke risicoprofiel. Het is dan ook in veel gevallen aangewezen om de portefeuille terug te brengen tot zijn oorspronkelijke verdeling en een deel van de aandelen – waarop de winst wordt genomen – te verkopen en te herbeleggen in obligaties. Het is dan de bedoeling om zo terug uit te komen op een beleggingsportefeuille die bestaat uit 60 % aandelen en 40 % obligaties. Dat hoeft helemaal niet maandelijks te gebeuren: één keer per jaar kan zeker volstaan, en alleen als de oorspronkelijke verhouding in belangrijke mate is scheefgetrokken.

N

IE

VO

O

Thomas investeert 10 000 EUR, waarvan 60 % in een aandelenfonds en 40 % in een obligatiefonds, respectievelijk 6 000 EUR en 4 000 EUR. Na vijf jaar stelt Thomas vast dat zijn beleggingsportefeuille is aangegroeid tot 14 500 EUR; het aandelengedeelte is aangegroeid tot 9 400 EUR, zijnde ongeveer 65 % van de totale portefeuille; en zijn obligatiegedeelte is aangegroeid tot 5 100 EUR, zijnde ongeveer 35 % van de totale portefeuille. Hij besluit om 700 EUR van de aandelenportefeuille te verkopen en die te beleggen in obligaties. Het aandelengedeelte bedraagt dan 8 700 EUR en het obligatiegedeelte 5 800 EUR, wat opnieuw overeenkomt met de oorspronkelijk gekozen verdeling van 60 % aandelen en 40 % obligaties. Ook voor een belegger die belegt met een bepaald doel (de aankoop van een tweede woning of pensionering …) voor ogen is het aanbevolen de portefeuille aan te passen naarmate het doel dichter in de buurt komt.

© VAN IN

57

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Jochen investeert op 40-jarige leeftijd 10 000 EUR in een aandelenfonds. Als hij 55 jaar is, wil hij een mobilhome kopen en een jaar gaan reizen met zijn echtgenote. Hij belegt dat geld in een wereldwijd gespreid aandelenfonds: zijn beleggingshorizon bedraagt namelijk vijftien jaar en hij is niet bang om wat risico te nemen met dat geld. Na tien jaar is het fonds aangegroeid tot 20 000 EUR en besluit Jochen om een deel van het geld te beleggen in obligaties. De resterende beleggingshorizon bedraagt namelijk nog vijf jaar en op korte termijn kan de beurs sterke schommelingen vertonen. Het lijkt hem dan ook aangewezen een deel van het geld te beleggen in minder risicovolle beleggingen. Hij beseft wel dat het verwachte rendement op de obligaties lager ligt dan bij aandelen, en laat daarom nog een deel van zijn geld in het aandelenfonds staan.

6

Stel een financieel plan op en bepaal uw doelstellingen

Voor iemand die een vermogen wil opbouwen, is het aanbevolen een persoonlijk financieel plan op te stellen. Dat geeft een duidelijk overzicht van de bezittingen en schulden en een raming van de toekomstige inkomsten en uitgaven. Dat is dan een startpunt om een planning op te maken voor de toekomst. Een persoonlijk financieel plan hoeft niet ingewikkeld te zijn, al kan het aangewezen zijn een beroep te doen op een onafhankelijk financieel planner bij complexere situaties. Ook boekhouders, voor ondernemers, en notarissen, bij het opstellen van een testament en successieregeling, kunnen vaak heel wat duidelijkheid brengen.

VO

O

We bespreken hieronder de verschillende onderdelen van een persoonlijk financieel plan: > vermogensbalans met een overzicht van de bezittingen en schulden; > budget met een overzicht van de jaarlijkse inkomsten en uitgaven; > overzicht van de doelstellingen.

IE

Op het einde passen we die onderdelen toe op een voorbeeld om het plan nog verder te verduidelijken.

N

Vermogensbalans met een overzicht van de bezittingen en schulden Hieronder kunt u een voorbeeld vinden van een vermogensbalans. Bij pas afgestudeerden zal de vermogensbalans vrij beperkt zijn. Na een professionele carrière van veertig jaar en vlak voor de pensioenleeftijd kan hij zeer uitgebreid zijn en bijvoorbeeld bestaan uit een woning, een appartement aan de kust, een groepsverzekering en een beleggingsportefeuille.

Š VAN IN

58

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

VERMOGENSBALANS Bezittingen

EUR

Schulden

EUR

(1) Onroerende en zakelijke bezittingen

(1) Leningen voor onroerende en zakelijke bezittingen

Woning

Hypothecaire lening

Tweede woning

Investeringskrediet

Eigen zaak

…

Verhuurd vastgoed … (2) Verzekerings- en pensioenbeleggingen

E

Pensioensparen Privélevensverzekering

…

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

Groeps- of bedrijfsverzekering

(3) Persoonlijke bezittingen

(2) Leningen voor persoonlijke bezittingen

Auto’s

Consumentenkrediet

Uitrusting van de woning

…

Kunstvoorwerpen …

(4) Beleggingsportefeuille

(3) Andere schulden

Spaarrekening

Bv. geld geleend van famlie

Termijnrekening, kasbon, staatsbon Obligaties Aandelen

Beleggingsfondsen …

Totaal van de bezittingen

Totaal van de schulden

VO

O

Als men van het totaal van de bezittingen het totaal van de schulden aftrekt, krijgt men het nettovermogen.

N

IE

Wel moet men voorzichtig zijn met de post ‘persoonlijke bezittingen’. Men kan zelfs beslissen om de post niet op te nemen als hij voornamelijk bestaat uit gebruiksvoorwerpen. Een auto heeft men nodig om zich te kunnen verplaatsen en zal in principe de komende jaren dalen in waarde door het gebruik. Hetzelfde geldt voor de huisraad zoals een zetel, televisie … Een oldtimer of een kunstvoorwerp kunnen wel een beleggingsobject zijn, dat bijgehouden wordt omdat men het mooi vindt, maar het is mogelijk dat het in de toekomst in waarde toeneemt.

© VAN IN

59

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

Budget met een overzicht van de jaarlijkse inkomsten en uitgaven Daarnaast stelt men een budget op van de jaarlijkse inkomsten en uitgaven. Op basis daarvan kan men bepalen hoeveel geld men op jaarbasis kan sparen. BUDGET EUR

Uitgaven (1) Maandelijks terugkerende uitgaven

Beroepsinkomen man

Huishuur of afbetaling van de lening

Beroepsinkomen vrouw

Uitgaven voor voeding en kleding

Maaltijdcheques

Elektriciteit, water, gas, internet …

Dertiende maand en vakantiegeld

…

Bonussen

(2) Jaarlijks terugkerende uitgaven

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

(1) Beroepsinkomen

EUR

E

Inkomsten

Inkomsten uit een zelfstandige activiteit

Brand- en autoverzekering

…

Onderhoud auto

(2) Andere inkomsten

Onderhoud woning

Kindergeld

Studies kinderen

Huurinkomsten

Belastingen

Teruggave van belastingen

Vakantie

Intresten, dividenden van beleggingen …

Diversen

…

…

Totaal van de inkomsten

Totaal van de uitgaven

VO

O

Bij een gezond budget zijn de inkomsten groter dan de uitgaven. Het verschil tussen beide is het geld dat het gezin kan sparen. Dat bedrag kan dan gebruikt worden voor uitgaven die zich in de toekomst zullen voordoen (aankoop van een nieuwe wagen, renovatiewerken aan de woning, een wereldreis …) of om het vermogen verder uit te bouwen. Het geld kan dan belegd worden in een beleggingsportefeuille, onroerend goed …

N

IE

Overzicht van de doelstellingen Nadat men een goed overzicht heeft van zijn bezittingen en schulden, alsook zijn inkomsten en uitgaven, kan men zijn doelstellingen op financieel gebied bepalen. Die kunnen zeer divers zijn, gaande van een grote reis, het betalen van de studies van de kinderen, de aankoop van een tweede woning, een vermogen opbouwen tegen de pensioenleeftijd … Men deelt die doelstellingen het best op in doelstellingen op korte termijn, middellange termijn en lange termijn. Men houdt ook rekening met de uitgaven die zich in de toekomst zullen voordoen zoals de aankoop van een nieuwe wagen of de renovatie van de woning. Men drukt die doelstellingen uit in een bedrag om daarna te bepalen hoe ze

© VAN IN

60

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

kunnen worden gerealiseerd. Het kan nodig zijn om de doelstellingen te rangschikken volgens prioriteit als blijkt dat bepaalde doelstellingen niet gehaald kunnen worden.

E

Geld dat u snel zult nodig hebben en waar de beleggingshorizon dus kort is, belegt u beter in producten met een lager risico. Zo kan men op korte termijn het best kiezen voor een spaarrekening of termijnrekening. Geld dat men iets langer kan missen kan men beleggen in kasbons of obligaties. Bij een lange beleggingshorizon kan men het best kiezen voor aandelen, omdat die op lange termijn historisch gezien de hoogste return geven. Op korte en middellange termijn kunnen ze wel sterke schommelingen vertonen, waardoor ze minder geschikt zijn voor beleggingen met een korte beleggingshorizon.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

Men kan bepalen of de doelstellingen haalbaar zijn zodra men heeft bepaald:

> hoeveel geld men nodig heeft op basis van zijn doelstellingen; > hoeveel geld men nu al heeft (dat haalt men uit de vermogensbalans met bezittingen en schulden); > hoeveel geld men nog bijkomend kan sparen (dat haalt men uit het budget inkomsten en uitgaven); > hoelang men het geld kan beleggen; > en hoeveel het verwachte rendement zal zijn.

O

Sarah en Andreas zijn beiden 35 jaar en hebben een dochter Jolien van 8. Ze hebben hun vermogensbalans opgesteld, waaruit blijkt dat ze een nettovermogen hebben van 135 000 EUR. Dat vermogen bestaat uit de gezinswoning waar nog een hypothecaire lening op loopt, een groepsverzekering van Sarah, pensioensparen van Andreas en een spaarrekening.

VO

Bezittingen

VERMOGENSBALANS

EUR

Schulden

(1) Leningen voor onroerende en zakelijke bezittingen

IE

(1) Onroerende zakelijke bezittingen

285 000,00

Groepsverzekering Sarah

17 500,00

Pensioensparen Andreas

12 500,00

Woning

EUR

Hypothecaire lening

200 000,00

N

(2) Verzekerings- en pensioenbeleggingen

(3) Beleggingsportefeuille Spaarrekening

20 000, 00

Totaal van de bezittingen

335 000,00

Š VAN IN

61

Totaal van de schulden

200 000, 00

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

Sarah en Andreas bepalen hun financiële doelstellingen. Binnen twee jaar willen ze graag hun auto vervangen. Ze ramen dat bedrag op 17 000 EUR. Ze willen ook een studiefonds aanleggen voor als Jolien gaat verder studeren. Ze ramen het bedrag op 15 000 EUR. Jolien is nu acht jaar, wat hen nog een periode van tien jaar geeft. Sarah en Andreas willen naast hun groepsverzekering en pensioensparen ook nog een vermogen opbouwen van 200 000 EUR tegen hun pensioenleeftijd.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Ze willen op hun spaarrekening een financiële buffer aanhouden van 10 000 EUR. Die dient voornamelijk voor onverwachte uitgaven zoals herstellingen aan hun woning, werkloosheid … Ze besluiten om een hospitalisatieverzekering af te sluiten om een eventuele langdurige opname in een ziekenhuis op te vangen. Zo moeten ze daar geen buffer voor voorzien op de spaarrekening. Bovendien bouwen ze de volgende veronderstellingen in: de inflatie per jaar ramen ze op 2 %, het nominale rendement op een spaarrekening 2 %, obligaties 6 % en aandelen 8 %. Na inflatie bedragen de actuariële rendementen dus respectievelijk 0 %, 4 % en 6 %. Voor de aanschaf van de nieuwe auto zullen ze de 10 000 EUR op hun spaarrekening gebruiken. Daarnaast zullen ze nog maandelijks 300 EUR sparen gedurende twee jaar. Omdat het rendement op kasbons niet veel hoger ligt dan die van een spaarrekening, zetten ze het geld op een spaarrekening. Wel veranderen ze daarvoor van bank en kiezen ze voor een beter renderende internetspaarrekening. Die brengt 2 % op jaarbasis op en beschermt het geld tegen inflatie.

IE

VO

O

Binnen tien jaar willen ze een studiefonds van 15 000 EUR aanleggen voor Jolien . Ze willen voor dat bedrag geen risico’s nemen en kiezen voor een obligatiefonds met een verwacht rendement van 6 % per jaar. Via een financiële rekenmodule hebben ze uitgerekend dat ze daarvoor het best ongeveer 1 200 EUR per jaar aan de kant zetten, ofwel 100 EUR per maand, op basis van een nominaal verwacht rendement van 6 % ofwel een actuarieel rendement van 4 % na inflatie.

N

Voor het opbouwen van het extra vermogen voor hun pensioen hebben ze een beleggingshorizon van dertig jaar, tot de leeftijd van 65 jaar. Ze kiezen daarvoor voor een gemengd aandelenfonds met een verwachte return van 8 % per jaar. Ze beseffen dat de periode zeer lang is en de opbrengst onzeker. Daarom zullen ze na vijftien jaar de portefeuille jaarlijks evalueren om te kijken of ze op weg zijn de vooropgestelde doelstelling te halen. Als blijkt dat de return lager uitvalt, doen ze bijkomende stortingen. Als blijkt dat de opbrengst hoger uitvalt, zien ze dat als een leuk extraatje. Naarmate de leeftijd van 65 jaar dichterbij komt, zullen ze de portefeuille herbalanceren en een gedeelte omzetten in minder risicovolle beleggingsproducten. © VAN IN

62

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

Via een financiële rekenmodule hebben ze uitgerekend dat ze daarvoor het best ongeveer 2 400 EUR per jaar aan de kant zetten, ofwel 200 EUR per maand, op basis van een nominaal verwachte return van 8 % ofwel een return van 6 % na inflatie.

7

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Sarah en Andreas hebben ook hun inkomsten en uitgaven berekend. Ze ramen dat ze elk jaar nog 6 000 EUR kunnen sparen, ofwel 500 EUR per maand. Voor hun wagen zullen ze 300 EUR per maand aan de kant moeten zetten, voor het studiefonds 100 EUR per maand en hun extra pensioenfonds 200 EUR. Ze zullen dus ofwel 100 EUR per maand meer moeten sparen door te zorgen voor extra inkomsten of minder uitgaven, ofwel zullen ze bepaalde financiële doelstellingen moeten aanpassen.

Probeer voor uzelf eens een financieel plan op te stellen. Bepaal uw vermogensbalans, budgetteer uw inkomsten en uitgaven en bepaal uw financiële doelstellingen. Als u nog studeert, zal uw vermogensbalans nog beperkt zijn. Probeer toch al eens na te gaan wat uw financiële doelstellingen zijn voor de komende jaren en hoe u die kunt realiseren zodra u begint te werken.

En ken uzelf

IE

VO

O

Er bestaan heel wat verschillende soorten beleggingsvormen. Dat heeft zijn voor- en nadelen. Aan de ene kant maakt dat het er voor de belegger niet eenvoudiger op om te kiezen tussen al die verschillende producten. Er komen ook elke dag nieuwe producten bij. Heel wat beleggers geraken dan ook niet meer wijs uit het ruime aanbod. Aan de andere kant heeft het als voordeel dat er voor elk type belegger wel een product bestaat dat voor hem geschikt is. Bovendien kan men het ruime aanbod aan beleggingsproducten vaak terugbrengen tot een beperkt aantal geschikte producten die volstaan om een ruime en goede gediversifieerde portefeuille te hebben. We illustreren dat aan de hand van het onderstaande voorbeeld.

N

Peter heeft 50 000 EUR op zijn spaarrekening staan. Hij wil een deel van dat geld beleggen, omdat hij beseft dat de return op een spaarrekening onvoldoende is, en eigenlijk maar net de inflatie dekt. Bovendien heeft hij dat geld de komende jaren niet nodig. Maar hij heeft dat altijd al uitgesteld, omdat hij geen zin heeft om al de verschillende soorten beleggingsproducten te bestuderen. Hij heeft een afspraak gemaakt met een onafhankelijke vermogensplanner om toch eens te bekijken wat hij kan doen met dat geld. Hij benadrukt dat hij het eenvoudig wil houden. En dat kan!

© VAN IN

63

Academiejaar 2020-2021


Hoofdstuk 4: Beleggen: een beleggingsportefeuille samenstellen

Na het gesprek heeft Peter besloten om 12 000 EUR aan te houden als buffer op zijn spaarrekening, wat overeenkomt met ongeveer zes maanden nettoloon. De resterende 38 000 EUR wil hij gaan beleggen voor de langere termijn; hij heeft namelijk de komende jaren geen grote uitgaven gepland. Bovendien spaart hij elke maand ongeveer 500 EUR, waardoor de buffer op zijn spaarrekening automatisch zal aangroeien.

R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI

E

Na het gesprek en de bepaling van zijn risicoprofiel beslist Peter om 60 % te beleggen in obligaties en 40 % in aandelen. Hij doet dat respectievelijk door een wereldwijd gespreid obligatiefonds aan te kopen en een wereldwijd gespreid aandelenfonds. Bovendien zal hij van de 500 EUR die hij elke maand spaart 100 EUR bijstorten in het obligatiefonds en 100 EUR in het aandelenfonds. De resterende 300 EUR schrijft hij over naar zijn spaarrekening. Volgend jaar heeft hij opnieuw een afspraak met zijn onafhankelijke financieel adviseur om te bekijken of de buffer op de spaarrekening niet te groot is geworden en of de beleggingsportefeuille eventueel moet geherbalanceerd worden. Ook niet elk beleggingsproduct is geschikt voor iedereen. Beleggen in onroerend goed om dat bijvoorbeeld te verhuren, vergt heel wat werk: reclame maken, het gebouw onderhouden … Niet iedereen wil en kan dat doen. Als men als belegger wil beleggen in vastgoed, moet men ondernemend zijn. Men kan dat natuurlijk uitbesteden aan een immobiliënkantoor, maar dat zal dan weer wegen op de uiteindelijke return.

O

Individuele aandelen kopen op de beurs betekent het analyseren en opvolgen van de bedrijven. Men moet kennis en tijd hebben om dat te doen. Als men een van beide niet heeft, kan men dat het best uitbesteden door bijvoorbeeld een fonds aan te kopen.

N

IE

VO

Beleggers die zeer emotioneel reageren op stijgingen en dalingen van de beurs blijven beter ver weg van een onlinebeleggingsplatform, dat banken aanbieden om op elk moment van de dag aandelen te kopen en te verkopen. Door de emoties gaat men vaak verkeerde beslissingen nemen die enorm veel geld kunnen kosten. Bovendien wordt alleen de financiële instelling beter van al de transactiekosten.

© VAN IN

64

Academiejaar 2020-2021


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Blend - voorbeeld economie (Bedrijs- en office management) by VAN IN - Issuu