Academiejaar 2020-2021
De titel van dit boek? Die kiest u zelf! Plaats hier de gegevens van uw hogeschool en opleiding
De titel van dit boek? Die kiest u zelf! Blend ISBN 978-11-1004-089-6 Samengesteld door Hans Mertens De Boeck Hogeschool Sociaal werk Economie, communicatie, statistiek, HR © Dit werk werd samengesteld door bovenvermelde docent(en), met respect voor de auteursrechten van VAN IN en de afzonderlijke auteurs. Wommelgem, 2020 Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. ln België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. De uitgever en de auteurs streven permanent naar een volledige betrouwbaarheid van de gepubliceerde informatie, zij kunnen voor die informatie en de toepassing ervan echter niet aansprakelijk gesteld worden. Dit boek op maat bevat hoofdstukken uit volgende oorspronkelijke werken: •
Bruno De Borger, e.a, Economie in rechte lijn. ISBN 978-90-3069-231-7. 2019, hoofdstuk 4. Wommelgem: Uitgeverij VAN IN.
•
Caroline Neckebroeck, e.a, Onderzoeksvaardigheden. ISBN 978-90-3068-701-6. 2018, hoofdstuk 2. Wommelgem: Uitgeverij VAN IN.
•
Luc De Man, e.a, Psychologie. ISBN 978-90-4554-639-1. 2014, hoofdstuk 7. Wommelgem: Uitgeverij VAN IN.
Inhoudsopgave Uit: Bruno De Borger, e.a. Economie in rechte lijn. 2019
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
1
Toegevoegd door docent
Hoofdstuk 2: Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen
27
1 Voeg tussentitels toe in de inhoudstafel, als u dat wenst
29
2 Nog een voorbeeld van een tussentitel
30
Uit: Caroline Neckebroeck, e.a. Onderzoeksvaardigheden. 2018
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
33
1 WETENSCHAPPELIJK VERANTWOORD ONDERZOEK
35
2 SOORTEN ONDERZOEK
37
2.1 Verschillende doelen: fundamenteel en praktijkgericht onderzoek
37
2.1.1 Fundamenteel onderzoek
37
2.1.2 Praktijkgericht onderzoek
38
2.2 Verschillende grondvormen: kwantitatief en kwalitatief onderzoek
40
2.2.1 Kwantitatief onderzoek
40
2.2.2 Kwalitatief onderzoek
41
2.3 Verschillende tijdsperspectieven 3 EISEN AAN ONDERZOEK
42 43
3.1 Wetenschappelijke eisen
43
3.2 Ethische eisen
50
3.3 Praktische eisen
51
4 HET ONDERZOEKSPROCES: FASEN IN EEN ONDERZOEK
51
Uit: Luc De Man, e.a. Psychologie. 2014
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
55
1 Consumentengedrag
IE
N
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
O
VO
E
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
1
Inleidende cases Case 1: Inkjet- of laserprinter?1
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
In 2002 kon je een inkjetprinter aanschaffen voor quasi een derde van de prijs van een laserprinter. Op het eerste zicht zou je dus beter af zijn met de aankoop van een inkjetprinter. Men moet echter wel met alle factoren rekening houden. Bij een laserprinter is de kostprijs voor het gebruik aan inkt en papier slechts ongeveer de helft van de overeenkomstige prijs voor de inkjetprinter. Om een verstandige keuze te maken bij aankoop moet men dus rekening houden met de hoeveelheid afdrukken die men verwacht te maken tijdens de levensduur van het apparaat. Men kan beter de inkjetprinter kopen als men weinig hoeft af te drukken; de laserprinter wordt interessanter naarmate men meer pagina’s per dag wenst af te drukken. Bij de keuze voor inkjet of laser moet men ook rekening houden met de prestaties van de individuele printermodellen. Hierbij zetten we de voor- en nadelen op een rijtje: Inkjetprinter:
– Voordelen:
• goedkoop in aanschaf;
• kan printen in kleur, scannen en kopiëren.
– Nadelen:
• duur, waardoor de gebruikskosten hoog kunnen oplopen; • kleine cartridges die snel leeg zijn.
O
Laserprinter:
• kan uitstekend scherpe letters afdrukken; • voordeliger dan inkt;
IE
VO
– Voordelen:
N
• cartridges zijn groot en gaan lang mee.
– Nadelen • duurder in aanschaf; • kan niet zo goed mooie foto’s en afbeeldingen printen.
1
© VAN IN
Bron: Perloff, J.M., Microeconomics, Third Edition.
3
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
Analyse 1 Met welke factoren zou jij rekening houden bij het aanschaffen van een printer? 2 Hoe maakt de consument een optimale keuze bij de aankoop van een printer? 3 Weeg de voor- en nadelen af van een inkjetprinter en een laserprinter.
Case 2: E-commerce
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
E-commerce zit in de lift. In 2018 gaven Belgen 11,84 miljard euro uit aan onlineshoppen. Het gemiddelde bedrag dat consumenten uitgeven als ze onlineshoppen, bedraagt 1 700 euro per persoon. De meeste uitgaven gaan naar diensten, terwijl schoenen en kleding de populairste categorie goederen is. Volgens de gegevens van Eurostat doen Belgische onlineshoppers hun aankopen vaker bij buitenlandse (niet-EU) verkopers. De huidige trend is phygital-ervaringen in fysieke winkels. Hiermee bedoelen we dat consumenten in België bij het winkelen graag gebruik maken van hun smartphone. De reden is zeer eenvoudig: 36 % van de consumenten wil uitgebreid geïnformeerd zijn en zoekt daarom vooraf op de smartphone informatie op over de beoogde aankoop. Uit de cijfers van Eurostat blijkt ook dat 16 % van de ondervraagden meestal online reviews bekijkt terwijl zij al in de winkel zijn. In de toekomst kan last mile delivery zeer interessant zijn omdat hierbij alle voordelen worden gecombineerd: offline winkelen, maar ook snelle levering van de producten de volgende dag. De VS is koploper in het onlineshoppen. In landen zoals China, Japan en Zuid-Korea blijkt het net achteruit te gaan. Grote bedrijven zoals Ikea en MediaMarkt combineren een fysieke winkelruimte met een webshop. Op die manier brengen ze de hedendaagse verkoopswijze samen met de nieuwe methode van handelen via digitale wegen.
O
Analyse
VO
1 Welke voordelen biedt e-commerce voor de consument? 2 Is e-commerce in trek in België?
N
IE
3 Wat versta jij onder phygital shoppen?
Case 3: De strijd tegen overgewicht De Wereldgezondheidsorganisatie maakt zich zorgen over de toekomstige medische toestand van de bevolking. Volgens voorspellingen van de WHO zal 89 % van de Belgische vrouwen tegen 2030 overgewicht hebben. Onder overgewicht verstaan we een Body Mass Index van meer dan 25. Bij een BMI hoger dan 30 is er sprake van obesitas, waarbij er een groot risico is op allerlei ziekten, zoals hart- en vaatziekten, diabetes en kanker. Veel scholen bieden in automaten suikerhoudende dranken aan. Dat draagt er zeker toe bij dat jongeren meer dranken consumeren. Er wordt voor gepleit het aanbod op school sterk te
© VAN IN
4
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
verminderen. Bovendien gaan er stemmen op die hogere belastingen willen heffen op frisdranken. De overheid hoopt dat daardoor het consumentengedrag zal veranderen. We weten immers uit de theorie van het consumentengedrag dat een prijsverhoging tot een verminderde vraag leidt. Analyse 1 Wat is het nut van taksen op frisdranken?
Inleiding
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
2
E
2 Welk verband bestaat er tussen de gezondheid en het beleid van de overheid?
De marktvraag naar een product is het resultaat van individuele beslissingen van een zeer groot aantal consumenten. Zij beslissen wat en hoeveel ze willen kopen, afhankelijk van hun budget, van hun preferenties, van de prijzen van diverse goederen enzovoort. De individuele vraag van een consument naar bepaalde goederen vatten we samen in individuele vraagfuncties. Het samennemen van al die individuele vraagfuncties naar een bepaald product resulteert dan in de marktvraag, die in het hoofdstuk over het marktmechanisme uitgebreid aan bod kwam. In dit hoofdstuk ligt de nadruk op het begrijpen van de beslissingen van individuele consumenten. Het keuzeprobleem van de consument wordt hier zeer eenvoudig benaderd. We veronderstellen dat de consument een maandelijks of jaarlijks budget heeft (denk aan zijn inkomen) dat hij kan besteden aan een assortiment goederen; die hebben elk hun prijs. Hoe zal hij dat budget besteden als hij een maximale voldoening wil realiseren uit de geconsumeerde goederenbundel? Dat is een typisch ‘economisch probleem’: een keuzeprobleem waarbij schaarse middelen (in dit geval het beschikbare budget) met alternatieve aanwendingsmogelijkheden (diverse mogelijke consumptiebundels) op een optimale manier worden ingezet.
Nut, marginaal nut en consumptiebeslissingen
O
3
VO
Hoe dachten economen in de loop van de geschiedenis over de voldoening van het consumeren van bepaalde goederenbundels, en over de waarde van bepaalde goederen?
N
IE
– klassieke auteurs hechtten vooral belang aan het begrip nut. Voorbeelden: Adam Smith (1723-1790), David Ricardo (1772-1823) en John Stuart Mill (18061873)
Nut is de voldoening die gehaald wordt uit de consumptie van een bepaald goed of van een bepaalde bundel goederen.
Maar deze nadruk op het nut gaf aanleiding tot een waardeparadox. Waarom is water, dat voor het voortbestaan van de mens van groot belang is, zo goedkoop en zijn diamanten, niet direct noodzakelijk in ons bestaan, zo duur?
© VAN IN
5
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
Sommige goederen hebben dus een zeer groot nut en toch nagenoeg geen marktwaarde (bijvoorbeeld lucht en water); andere goederen hebben dan weer weinig nut maar een zeer grote marktwaarde (bijvoorbeeld edelstenen). – bij de ‘marginalisten’ kwam het begrip marginaal nut van een goed centraal te staan in de consumptieanalyse. Voorbeelden: William S. Jevons (1835-1882), Léon Walras (1834-1910) en Carl Menger (18401921)
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Marginaal nut is de toename verkregen in het totale nut, ten gevolge van een kleine toename in de consumptie van een goed.
Het onderscheid tussen het totale nut en het marginaal nut loste ook de waardeparadox op: sommige goederen hebben een zeer groot totaal nut, maar haast geen marginaal nut; het is het marginaal nut dat de waarde bepaalt. – Hermann Gossen – Duits econoom (1810-1858)
Gossen stelde dat het marginaal nut van een goed daalt wanneer men meer en meer van dat goed consumeert, waarbij men veronderstelt dat de hoeveelheid van alle andere goederen constant blijft. Die stelling staat bekend als de eerste wet van Gossen. Het is mogelijk dat voor bepaalde goederen het marginaal nut eerst nog stijgt. Als men meer van een goed consumeert, komt men voor de meeste goederen echter zeer snel in de zone van het dalend marginaal nut. Bijvoorbeeld: het bijkomende nut van het lezen van meer en meer boeken per maand neemt wellicht af naarmate men al zeer veel boeken gelezen heeft. Hetzelfde geldt voor het drinken van bier of de consumptie van pasta of frieten: vanaf een bepaald consumptieniveau daalt het marginaal nut.
VO
O
Gossen toonde ook aan dat een consument die zijn totaal nut wil maximaliseren, zijn bestedingen zodanig zal toewijzen dat de laatste eurocent die aan de verschillende goederen wordt besteed overal eenzelfde marginaal nut oplevert. Dat fenomeen is bekend als de tweede wet van Gossen.
IE
– Alfred Marshall (1842-1924)
N
Marshall stelde dat consumentenbeslissingen het resultaat zijn van de confrontatie van enerzijds preferenties (die beschrijven wat een consument wenst) en anderzijds de budgettaire mogelijkheden van het individu (die onder meer afhangen van de prijzen van de diverse goederen en van het beschikbare budget). Marshall slaagde erin de beslissingen van consumenten te rationaliseren vanuit de veronderstelling dat consumenten wellicht hun nut willen maximaliseren, gegeven een aantal beperkingen die ze moeten respecteren (bijvoorbeeld het beperkte budget dat ze ter beschikking hebben). Hij ging ook na hoe een consument reageert op een verandering in de prijs van een bepaald goed of op een inkomenswijziging.
© VAN IN
6
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
– De moderne consumentenleer gaat ervan uit dat nut enkel ordinaal meetbaar is. Voorbeelden: Vilfredo Pareto (1848-1923), Francis Edgeworth (1845-1926), Eugan Slutsky (1880-1948), John Hicks (1904-1989)
Preferenties en indifferentiecurven
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
4
E
Onze moderne consumptietheorie gaat ervan uit dat nut alleen ordinaal meetbaar is: er wordt verondersteld dat consumenten alternatieve goederenbundels kunnen rangschikken afhankelijk van de voldoening die ze eruit halen. Maar een eenheid van nut (zoals een graad Celsius om de temperatuur te meten) is niet vereist. Ook het begrip marginaal nut heeft iets aan belang ingeboet. De moderne theorie wijst vooral op het belang van de betalingsbereidheid, die wordt uitgedrukt met het begrip marginale substitutiegraad (zie verder).
4.1 Preferenties en indifferentiecurven
Psychologen en economen hebben aangetoond dat mensen zich niet altijd rationeel gedragen, maar zich soms eerder laten leiden door emoties. Bovendien blijken ze zich soms te laten beïnvloeden door de manier waarop bepaalde keuzes worden voorgesteld. Deze inzichten worden verder uitgewerkt in wat men ‘behavioral economics’ is gaan noemen. Toch toont de empirische literatuur aan dat voor veel belangrijke beslissingen die consumenten nemen, de veronderstelling van rationeel gedrag goede voorspellingen van waargenomen keuzes oplevert. De klassieke micro-economie gaat dan ook uit van rationeel gedrag van consumenten. Dat houdt het volgende in: – de consument kan goederenbundels vergelijken en ordenen (die eigenschap noemt men volledigheid) Met een goederenbundel bedoelt men eenvoudig een combinatie van bepaalde hoeveelheden van verschillende goederen.
• ik verkies a boven b;
IE
VO
O
Stel dat een persoon wordt geconfronteerd met twee goederenbundels, een bundel a (bijvoorbeeld 8 pizza’s en 4 glazen bier per maand) en een bundel b (bijvoorbeeld 2 pizza’s en 16 glazen bier per maand); dan wordt aangenomen dat hij in staat is zijn voorkeur te uiten. Dat betekent dat hij op de vraag welke van de twee bundels hij verkiest, één van de volgende antwoorden geeft:
N
• ik verkies b boven a; • ik ben onverschillig of indifferent tussen a en b.
Die keuze is uiteraard subjectief, afhankelijk van de eigen individuele voorkeur. De economie doet bovendien als positieve wetenschap geen normatieve uitspraken over die keuze. – preferenties zijn transitief Concreet betekent dit dat een consument die bundel a prefereert boven b, en bundel b boven c, noodzakelijk bundel a zal verkiezen boven c. Dat lijkt een plausibele veronderstelling, hoewel praktische voorbeelden (denk aan het gedrag van kleine kinderen) kunnen worden bedacht waarbij niet aan die voorwaarde is voldaan.
© VAN IN
7
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
– niet-verzadiging (non-saturatie) Voor zowat alle relevante keuzes die consumenten maken, neemt men aan dat de consument nog niet verzadigd is: de consument heeft van elk goed liever meer dan minder. Men neemt dus aan dat het marginaal nut, de bijkomende voldoening van een extra eenheid consumptie, voor geen enkel goed negatief is. Dan zou de consument immers, door meer van dat goed te consumeren, minder totaal nut ervaren.
E
Verzadiging is in de realiteit natuurlijk wel mogelijk (denk bijvoorbeeld aan roken, eten ...). Voor de meeste economisch relevante problemen is de veronderstelling van niet-verzadiging echter realistisch. Bovendien vereenvoudigt deze assumptie de analyse. Daarom wordt hier, tenzij expliciet anders vermeld, verondersteld dat eraan voldaan is.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
– convexiteit
Dat is een technische eigenschap die te maken heeft met de vorm van de indifferentiecurven (zie verder). Om het keuzegedrag van het individu te bestuderen, beperken we ons hier als voorbeeld tot twee goederen: boeken en bioscoopbezoeken. We stellen alle combinaties van de geconsumeerde hoeveelheden boeken en cinemabezoeken voor in figuur 1. De horizontale as stelt de hoeveelheid boeken voor; de verticale as de hoeveelheid cinemabezoeken, beide uitgedrukt per tijdseenheid (bijvoorbeeld per maand). Het punt a bijvoorbeeld stelt een goederenbundel voor bestaande uit twee boeken en zes filmvoorstellingen per maand. De consumptie van een dergelijke bundel geeft aan de consument een bepaald nut. Zoals gezegd is dat nut niet kardinaal te meten. Wanneer we aan dat nut toch een getalwaarde toekennen, moeten we aan dat getal geen absolute, maar alleen een relatieve (ordinale) betekenis hechten.
VO
O
Het willekeurige punt a verdeelt het diagram in vier kwadranten, genummerd van I t.e.m. IV. In de veronderstelling van niet-verzadiging zal de consument alle mogelijke goederenbundels die in kwadrant I liggen boven de combinatie a verkiezen. Anderzijds wordt a verkozen boven alle assortimenten die zich in het derde kwadrant bevinden. In elk punt van het eerste kwadrant (inclusief de stippellijnen) beschikt het individu immers over meer boeken en/of meer cinemabezoeken dan in a. Met bundel a corresponderen meer boeken en/of meer voorstellingen dan met elk punt van kwadrant III (inclusief de stippellijnen).
IE
De kwadranten II en IV laten daarentegen geen algemene uitspraken toe en vereisen een nader onderzoek. Van elke bundel in deze kwadranten wordt aangenomen dat de consument kan zeggen:
N
– of hij bundel a verkiest; – of hij de andere bundel verkiest; – of hij onverschillig is tussen a en de andere bundel. We veronderstellen bijvoorbeeld dat de consument: – c verkiest boven a; – a verkiest boven d; – onverschillig is tussen a en b.
© VAN IN
8
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
Figuur 1 Opbouw van de indifferentiecurve Q2 II
I
8 a III
c
IV
4
d
E
6
b
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
2
u1
2
4
6
8
10
Q1
Door de consument herhaaldelijk te laten kiezen tussen bundel a en een aantal andere bundels, kan men curven construeren die alle bundels bevatten waartussen de consument indifferent is. De curve u1 verbindt alle bundels die de consument hetzelfde totaal nut geven als de bundel a. Hij is indifferent tussen alle bundels op u1. Men noemt die curve een indifferentiecurve. Door de oefening te herhalen voor een andere bundel dan a kan men weer nieuwe indifferentiecurven uittekenen.
Een indifferentiecurve is een verzameling van goederenbundels waartussen de consument indifferent is. Met elk nutsniveau komt een andere indifferentiecurve overeen.
O
4.2 Eigenschappen van de indifferentiecurve
VO
De meeste toepassingen van de theorie van het consumptiegedrag gaan uit van de volgende eigenschappen van indifferentiecurven:
IE
– de indifferentiecurve heeft een dalend verloop;
N
– de indifferentiecurve is convex ten opzichte van de oorsprong (de bolle zijde naar de oorsprong); – indifferentiecurven geven een hoger nutsniveau weer naarmate ze verder van de oorsprong liggen; – twee indifferentiecurven kunnen elkaar niet raken of snijden.
4.2.1 De indifferentiecurve heeft een dalend verloop Om het nut constant te houden, moet de afname van het ene goed worden gecompenseerd door een toename van het andere goed. Die eigenschap volgt rechtstreeks uit de hypothese van niet-verzadiging.
© VAN IN
9
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
4.2.2 De indifferentiecurve is convex ten opzichte van de oorsprong Wanneer de consument de bundel gegeven door punt a (figuur 2) consumeert en men hem achtereenvolgens eenzelfde hoeveelheid van goed 2 ontneemt, dan impliceert de convexiteit van de indifferentiecurve dat telkens méér van het goed 1 moet worden bijgegeven opdat de consument hetzelfde totale nut zou behouden.
E
De convexiteit van de indifferentiecurve betekent dat zij met de bolle zijde naar de oorsprong is gekeerd. In het punt a heeft het individu veel van goed 2 en weinig van goed 1. Vermindert men nu de hoeveelheid van goed 2, dan voelt de consument dat niet aan als een grote daling van zijn nut, omdat hij veel van dit goed bezit. Een relatief kleine toename van goed 1 compenseert de daling van goed 2.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
In het punt e is de toestand precies andersom. De consument heeft bijna niets meer van goed 2, maar beschikt over veel van goed 1. Als men de hoeveelheid van goed 2 (waarvan hij weinig heeft) nog vermindert, zal men hem veel van goed 1 moeten bijgeven ter compensatie. Figuur 2 De indifferentiecurve is dalend en convex Q2
8
6
a
f
2
e
u1
1
0
2
4
N
IE
VO
O
4
6
8
Q1
4.2.3 Indifferentiecurven geven een hoger nutsniveau naarmate ze verder van de oorsprong liggen Zoals de indifferentiecurve u1 alle combinaties van hoeveelheden Q1 en Q2 verbindt die aan de consument hetzelfde totale nut verschaffen als de combinatie a, zo is het ook mogelijk alle punten te verbinden die de consument hetzelfde nut opleveren als een willekeurige andere combinatie. Zo verkrijgt men een preferentieveld, geïllustreerd in figuur 3. De indifferentiecurve u2 bevat alle bundels die
© VAN IN
10
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
hetzelfde nut opleveren als de combinatie c. De kromme u0 geeft dan weer de verzameling van alle combinaties die de consument hetzelfde nut opleveren als de bundel d. Aangezien de consument a boven d verkiest en c boven a geldt bijgevolg dat alle punten op de indifferentiecurve u2 verkozen zullen worden boven de combinaties van u1. Op analoge wijze worden alle bundels op u1 verkozen boven die op u0. In de veronderstelling van niet-verzadiging is het duidelijk dat de indifferentiecurven die verder van de oorsprong verwijderd zijn, geassocieerd worden met een hoger nut. Figuur 3 Preferentieveld
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Q2
a
c
d
b
u2 u1 u0
Q1
O
4.2.4 Twee indifferentiecurven kunnen elkaar niet raken of snijden
N
IE
VO
Om dit aan te tonen, nemen we even aan dat twee indifferentiecurven toch zouden snijden. In figuur 4 zien we dat de indifferentiecurven snijden in a. Volgens deze figuur zouden a en b en ook a en c even nuttig zijn. Maar dat zou betekenen dat b en c even nuttig zijn, en dat is onmogelijk omdat c meer bevat van beide goederen. Bundel c moet dus een hoger nut opleveren dan b.
Š VAN IN
11
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
Figuur 4 Twee indifferentiecurven kunnen elkaar niet raken of snijden Q2
c
u2
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
b
E
a
u1
Q1
5
De budgetrestrictie
Bij het nemen van consumptiebeslissingen moet de consument rekening houden met een aantal beperkingen. Die kunnen te maken hebben met het budget dat hij ter beschikking heeft, er kunnen beperkingen zijn op de tijd die hij ter beschikking heeft enz. Hier besteden we uitsluitend aandacht aan de beperking op zijn budget. De consument beschikt slechts over een beperkt budget (denk voor de eenvoud aan zijn inkomen), en de betrokken goederen kunnen slechts tegen betaling van een bepaalde prijs verkregen worden.
VO
O
We veronderstellen dat de consument het volledige budget uitgeeft. Hij kan dus niet meer uitgeven aan consumptie dan zijn budget toelaat (we maken abstractie van de mogelijkheid geld te lenen bij de bank, bij vrienden of bij familie). Bovendien spaart hij niet, maar geeft hij alles uit. Ten slotte veronderstellen we dat een consumptiebundel slechts uit twee goederen bestaat.
N
IE
De consument kan zijn inkomen op verschillende wijzen over de twee goederen spreiden. In een extreem geval zou hij ervoor kunnen opteren het gehele inkomen uit te geven aan goed 1. Een andere extreme keuze zou zijn het gehele inkomen te besteden aan goed 2. Ten slotte kan hij uiteraard zijn budget gedeeltelijk uitgeven aan goed 1 en gedeeltelijk aan goed 2. We geven een eenvoudig voorbeeld ter illustratie: – het wekelijkse inkomen van een student bedraagt 100 euro per week (y); – de prijs van goed 1 (p1) bedraagt 2 euro;
– de prijs van goed 2 (p2) bedraagt 1 euro. Grafisch wordt de budgetlijn getekend in figuur 5. Twee zaken zijn van belang. Het snijpunt met de horizontale as is het aantal eenheden dat men van het eerste goed kan kopen als men zijn volledig budget aan dit goed uitgeeft; dit snijpunt is dus het budget gedeeld door de prijs van het eerste goed
© VAN IN
12
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
(analoog voor het tweede goed op de verticale as). Bovendien is de helling van de budgetlijn de verhouding van de prijzen met een minteken voor. Figuur 5 De budgetlijn (a) x2
goed 2 100
y / p2 helling = - p / p
E
2
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
1
y / p1
x1
50
goed 1
Wat gebeurt er met de budgetbeperking wanneer de consument een groter budget te besteden heeft, of wanneer de prijs van een willekeurig goed verandert? De voorgaande analyse geeft onmiddellijk het antwoord: stel dat er eerst een toename is van het beschikbare budget, dan leidt dat grafisch tot een evenwijdige verschuiving van de budgetlijn naar rechts. De consument kan met een groter budget meer kopen van een goed wanneer hij het volledige budget uitgeeft aan dat goed, zodat het snijpunt met de horizontale as naar rechts verschuift en het snijpunt met de verticale as naar boven. Omgekeerd ziet men een evenwijdige verschuiving naar links wanneer het budget afneemt. Paneel a van figuur 6 illustreert een toename van het budget van 100 tot 120 euro voor onze hypothetische student.
N
IE
VO
O
We bekijken vervolgens een prijsverandering van een bepaald goed. Stel bijvoorbeeld dat de prijs p1 toeneemt van 2 euro naar 3 euro. De helling van de budgetrechte zal dan in absolute waarde stijgen; grafisch wordt ze steiler. Bovendien, omdat de student minder van goed 1 kan kopen wanneer hij zijn volledige budget aan dat goed besteedt, zal het snijpunt met de horizontale as dichter bij de oorsprong liggen. Het snijpunt met de verticale as blijft echter ongewijzigd, aangezien de prijs van p2 niet is veranderd. Het gevolg is een rotatie van de budgetlijn naar binnen, waarbij de helling toeneemt. Dat wordt geĂŻllustreerd op paneel b van figuur 6.
Š VAN IN
13
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
Figuur 6 Effect van inkomens- en prijswijzigingen op de budgetlijn (a)
(b)
goed 2
goed 2
120 100
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
100
50
6
60
goed 1
33,3
50
goed 1
De optimale keuze van de consument
We beschikken nu over alle elementen om de keuzeproblematiek van de consument te analyseren. Stel dat de consument een maximale voldoening nastreeft, maar dat hij daarbij beperkt is door het beschikbare budget. Merk op dat de veronderstelling van het nastreven van maximaal nut niet noodzakelijk betekent dat de consument zich opstelt als egocentrisch en zelfzuchtig en dus alleen denkt aan eigenbelang in enge zin. Voorkeuren kunnen immers zeer uiteenlopend zijn: sommige consumenten zullen rekening houden met het milieu, andere met het lot van de armen of de huisvesting van daklozen enz. In wat volgt lichten we echter alleen de principes toe in situaties waarbij een consument keuzes moet maken die betrekking hebben op het toewijzen van een gegeven budget aan verschillende goederen.
O
De oplossing van het keuzeprobleem wordt in wat volgt grafisch en intuïtief toegelicht. Het principe voor de grafische analyse is eenvoudig:
VO
– een consument die maximale voldoening nastreeft, zal een bundel willen consumeren die gelegen is op een indifferentiecurve die zover mogelijk van de oorsprong is verwijderd;
N
IE
– anderzijds is de consument beperkt door zijn beschikbare budget, zodat alleen bundels op de budgetlijn in aanmerking komen.
© VAN IN
14
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
Figuur 7 Het consumentenevenwicht Q2
j
12 m 10
n
8
E
e
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
6
4
u3 u2
2
u1
l
0
2
4
6
8
10 Q1
O
Stel dat de consument de bundel overeenkomstig het punt m consumeert. Aan de voorwaarde van totale besteding van het inkomen is dan voldaan, aangezien dat punt deel uitmaakt van de budgetlijn. Het punt m geeft echter niet de maximale voldoening. De indifferentiekromme die door m gaat, is immers niet degene die het verst van de oorsprong verwijderd ligt en die de consument – met zijn gegeven beperkingen – kan bereiken. Zij kan haar totale nut verhogen door minder van het goed 2 te consumeren en de middelen die daardoor vrijkomen aan goed 1 te besteden. Dit geeft dan bijvoorbeeld de bundel voorgesteld door punt n. Maar ook hier kan het nut nog worden verhoogd door goed 2 verder door goed 1 te vervangen.
VO
De maximale voldoening bij het beschikbare budget wordt bereikt in het punt e. Verdere vervanging van goed 2 door goed 1 zou dan gepaard gaan met een vermindering van het totale nut.
N
IE
Het is nu duidelijk dat het evenwicht van de consument zich situeert in dat punt waar de indifferentiecurve raakt aan de budgetlijn (punt e in figuur 7).
7
Veranderingen van het consumentenevenwicht
Het ligt voor de hand dat de optimale goederenbundel wijzigt telkens wanneer veranderingen optreden in de basisgegevens. We bekijken achtereenvolgens hoe de consument reageert: – op veranderingen in preferenties; – op veranderingen in het inkomen; – op veranderingen in de prijzen.
© VAN IN
15
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
Daarbij wijzigen we telkens één gegeven en laten de overige onveranderd. We redeneren met andere woorden onder de hypothese ‘ceteris paribus’.
7.1 Veranderingen in de preferentieschaal
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
In de theorie van het consumentengedrag gaat men ervan uit dat wat de consument wil (zijn preferenties) gegeven zijn. Dat betekent niet dat preferenties niet kunnen veranderen. Ze kunnen in de realiteit wijzigen onder invloed van reclame (bijvoorbeeld antitabaksreclame), door smaakveranderingen ten gevolge van het ouder worden (bijvoorbeeld meer interesse voor klassieke muziek), ze kunnen variëren naargelang de seizoenen enz. Preferenties blijven uiteraard een subjectief gegeven, variërend van persoon tot persoon. Bovendien zijn veranderingen in de smaak van mensen niet altijd gemakkelijk te voorspellen. Wanneer er een preferentiewijziging optreedt in het voordeel van bijvoorbeeld goed 2, dan zal de consument meer van dat tweede goed consumeren (vergelijk luik b met luik a uit figuur 8). Hoewel in dit geval noch het inkomen noch de prijzen veranderd zijn, wijzigt toch het consumptiepatroon. Figuur 8 Veranderingen in de preferentieschaal Q2
Q2
(a)
A
(b)
A
N
N
M
B
Q1
0
M
B
Q1
VO
O
0
IE
7.2 Veranderingen in het budget
N
Wanneer het inkomen en dus ook het beschikbare budget verandert, zullen ook de consumptieuitgaven wijzigen. Het is daarbij van belang te weten hoe het consumptiepatroon evolueert bij een veranderend inkomen. Zal de consument bij een toenemend inkomen van alle goederen in verhouding evenveel of meer gaan consumeren? Of zullen bepaalde goederen meer of minder aan belang gaan winnen? Zijn er eventueel goederen die minder worden geconsumeerd bij een hoger inkomen? Grafisch leidt een toename van het inkomen tot een evenwijdige verschuiving van de budgetlijn naar rechts (zie figuur 9). Een vermindering van het budget geeft analoog een evenwijdige verschuiving naar links, dus naar de oorsprong toe. Met elk inkomensniveau komt een ander optimum overeen. De curve die die opeenvolgende optimale punten verbindt, noemt men de inkomensconsumptiecurve (ICC).
© VAN IN
16
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
De inkomensconsumptiecurve of ICC is de verzameling van alle optimale goederenbundels bij verschillende inkomens, waarbij de prijzen van de goederen ongewijzigd blijven.
Figuur 9 De inkomensconsumptiecurve Q2
y
ICC
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
y2 p2
(b)
E
(a)
y1 p2 y0 p2
e2
e1
y2 y1
e0
y0
0
Q10 Q11 Q12 y 0 p1
y1 p1
y2 p1
Q1
Q10 Q11 Q12
We kunnen uit de grafische analyse afleiden dat er een verband bestaat tussen de gevraagde hoeveelheid en het inkomen. De mate waarin de individuele vraag verandert wanneer het inkomen wijzigt, wordt door economen gemeten door de inkomenselasticiteit van de individuele vraag van de consument.
IE
VO
O
De inkomenselasticiteit is de verhouding tussen de relatieve verandering van de gevraagde hoeveelheid van een goed (Q) en de relatieve verandering van het inkomen (y). Het meet de invloed van een procentuele toename in het inkomen op de gevraagde hoeveelheid.
N
of:
△Q △Q y Qv = _____v . ___ ɛ vy = _____ △y △ y Qv _ y _v
Merk op dat we de inkomenselasticiteit zowel kunnen definiëren voor de markt in haar geheel (zie het hoofdstuk over het marktmechanisme) als voor de vraag van een individuele consument. Dat laatste is wat we doen in dit hoofdstuk.
© VAN IN
17
Academiejaar 2020-2021
Q1
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
De meeste goederen hebben een positieve inkomenselasticiteit: de vraag neemt toe bij hogere inkomens. De mate waarin die inkomenselasticiteit positief is, hangt af van het soort goederen. We onderscheiden daarbij noodzakelijke en luxegoederen: – noodzakelijke goederen: goederen waarvan het relatieve aandeel in het budget van de consument afneemt wanneer het inkomen groter wordt. De consument geeft dus een kleiner percentage van zijn budget uit aan een noodzakelijk goed naarmate hij meer verdient.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Een voorbeeld is voeding: wanneer iemand rijker wordt zal hij meer uitgeven aan voeding, maar het percentage van zijn totaal budget dat aan voeding wordt besteed neemt typisch af. Stel bijvoorbeeld dat iemand 1 000 euro per maand verdient en daarvan 200 euro (20 %) besteedt aan voeding. Stel dat wanneer zijn inkomen verdubbelt naar 2 000 euro hij dan 300 euro (16,7 %) uitgeeft aan voeding. Dit betekent dat de inkomenselasticiteit positief is maar kleiner dan 1: een verdubbeling van het inkomen (van 1 000 naar 2 000) leidt tot een toename in de vraag naar voeding van 50 % (van 200 naar 300). Een (positieve) inkomenselasticiteit kleiner dan 1 betekent dus dat een toename van het inkomen met 1 % een toename van de vraag impliceert van minder dan 1 %. De vraagtoename is dus minder dan proportioneel. Men kan noodzakelijke goederen dus eenvoudig definiëren als goederen met een (positieve) inkomenselasticiteit kleiner dan 1. – luxegoederen: goederen waarbij het relatieve aandeel toeneemt wanneer het inkomen groter wordt. De consument geeft dus een groter percentage van zijn budget uit aan een luxegoed naarmate hij meer verdient. Luxegoederen hebben een inkomenselasticiteit groter dan 1. Hiervan kunnen parfum en cosmetica voorbeelden zijn. Iemand met een zeer laag inkomen zal zo goed als niets uitgeven aan deze producten, maar als hij of zij rijker wordt, zal dit wel het geval zijn. Stel bijvoorbeeld dat iemand met een inkomen van 1 000 maar 20 uitgeeft aan cosmetica; als zijn inkomen stijgt naar 2 000, geeft hij 100 uit aan dit product. Een toename van 100 % in het inkomen leidt dan tot een toename in de gevraagde hoeveelheid van 500 % (van 20 naar 100).
N
IE
VO
O
Een uitzondering op de positieve inkomenselasticiteit wordt gevormd door inferieure goederen. Deze werden reeds vermeld in het hoofdstuk over het marktmechanisme. De vraag naar inferieure goederen neemt af bij een stijgend inkomen. Van zodra het inkomen een zeker niveau bereikt, worden sommige goederen (margarine, tweedehandskleding enzovoort) in het consumptiepakket vervangen door andere producten (boter, nieuwe kleding enzovoort). Ze worden minder gevraagd naarmate mensen rijker worden. Inferieure goederen hebben dus een negatieve inkomenselasticiteit.
7.3 Veranderingen in de prijs 7.3.1 De invloed van prijsveranderingen en de individuele vraagcurve In figuur 10 wordt het effect van een prijsdaling van Q onderzocht. Stel bijvoorbeeld dat de prijs van het eerste goed gehalveerd wordt (p’1 = p1/2), dan verschuift de budgetlijn van jl naar jw. Als gevolg van de prijsdaling van goed 1 bereikt de consument niet langer zijn maximaal nut in e0 maar wel in e1. Een vergelijking van het punt e1 met het punt e0 toont aan dat de consument, na de prijsdaling van
© VAN IN
18
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
goed 1, meer van dat goed consumeert. Dat resultaat beantwoordt aan onze a priori verwachting en het geldt dan ook voor zowat alle goederen. Merk echter op dat na de prijsverandering van het eerste goed ook de consumptie van het tweede goed is veranderd. Nochtans is de prijs van dat goed ongewijzigd gebleven. Figuur 10 Totaal prijseffect Q2
j
E
y0
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
p2
e1
e0
w y0
p1
p1'
Q1
O
0
l y0
VO
Dit is een belangrijke vaststelling: een verandering in de prijs van één van de goederen beïnvloedt het hele consumptiepakket, dus ook de consumptie van die goederen die geen prijswijziging ondergaan.
IE
7.3.2 Afleiding van de individuele vraagcurve
N
De analyse van prijsveranderingen leidt tot een verband tussen de gevraagde hoeveelheid en de eigen prijs van een goed. In luik b van figuur 11 zien we hoe de individuele vraag van de consument voor een betreffend goed afgeleid wordt uit het consumentenevenwicht voorgesteld in luik a. De prijs van goed 1 daalt van p1 tot p1’ en vervolgens tot p1”. Onder de ceteris-paribus-hypothese neemt de consumptie toe van Q1 naar Q1’ en vervolgens naar Q1”. Door in luik b van figuur 11 op de verticale as de prijzen aan te geven en de overeenkomstige optimale hoeveelheden van goed 1 uit luik a over te nemen op de horizontale as, verkrijgt men onmiddellijk de individuele vraagcurve voor het eerste goed.
© VAN IN
19
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
We merken op dat de individuele vraagcurve werd afgeleid in de veronderstelling van een gegeven inkomen en voor een gegeven prijs van het tweede goed. Door herhaling van de grafische analyse voor een hoger inkomen kan men eenvoudig nagaan dat de vraagcurve in dat geval naar rechts zal verschuiven, tenminste zolang de inkomenselasticiteit positief is. Ook wijzigingen in preferenties en in de prijs van het tweede goed zullen verschuivingen in de vraagcurve veroorzaken. Figuur 11 Grafische afleiding van de individuele vraagcurve Q2 y0
E
(a)
p2
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
u
u'
u"
e
e'
e"
0
Q1
y0
Q'1
p1
y0
Q"1
p'1
y0
Q1
p"1
p1
p1
p'1
p"1
V
N
IE
VO
O
(b)
p1
Š VAN IN
Q1
Q'1
20
Q"1
Q1
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
7.3.3 Het substitutie-effect en het inkomenseffect We benadrukten al dat een prijsverandering van een goed niet alleen de gevraagde hoeveelheid van dat goed wijzigt, maar bovendien een invloed heeft op de vraag naar andere goederen waarvan de prijs onveranderd is gebleven. Men kan die vaststelling beter begrijpen als men twee verschillende gevolgen van een prijsdaling van goed 1 onderscheidt: – Enerzijds is goed 1 na de prijsdaling relatief goedkoper geworden. Ten gevolge daarvan zal de consument het relatief duurder geworden tweede goed vervangen door het relatief goedkopere goed 1. Men noemt dat het substitutie-effect van de prijsdaling van goed 1. Het substitutie-effect van een prijsdaling veroorzaakt steeds een toename in het relatief goedkoper geworden goed.
8
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
– Anderzijds is ten gevolge van de prijsdaling van goed 1 de koopkracht van het inkomen van de consument verhoogd. Intuïtief voelt men dat onmiddellijk aan: als hij dezelfde bundel zou kopen als vóór de prijsdaling van goed 1, dan zou hij niet zijn volledige inkomen hebben uitgegeven en dus nog geld overhebben. Bijgevolg kan hij na de prijsdaling in principe méér kopen van alle goederen, niet alleen van goed 1 maar ook van goed 2. We zeggen dan ook dat zijn reële inkomen gestegen is en spreken van het inkomenseffect van de prijsdaling van het eerste goed. Dat zal uiteraard invloed hebben op zijn consumptiepatroon.
Consumentengedrag in actie
Toepassingen van de reactie van consumenten op prijsveranderingen vinden we heel veel in de praktijk. Een typisch voorbeeld betreft de reactie van consumenten op een belasting die de overheid oplegt op een bepaald product. Denk aan de accijnzen en de btw, belastingen op de verkoop van boeken via het internet, brandstofbelastingen, milieubelastingen op goederen verpakt in niet-recycleerbare materialen. Een ander concreet voorbeeld is de zogenaamde ‘vetbelasting’, die o.m. de Deense overheid introduceerde om obesitas aan te pakken. Het idee hierachter was dat de hogere belasting de consumptie van producten met een hoog vetgehalte zou afremmen.
N
IE
VO
O
Figuur 12 Effect van een belasting Andere goederen
a
e e'
c
b Frisdranken
© VAN IN
21
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
Een grafisch voorbeeld van het opleggen van een belasting op een product kan illustratief zijn. Stel dat een gegeven consument een budget y verdeelt over frisdranken en andere goederen, en dat er initieel geen belasting op frisdranken aan de orde is. In figuur 12 wordt de budgetbeperking voor de invoering van de belasting voorgesteld door de rechte ab; gegeven de preferenties van de consument is de optimale bundel dan de combinatie gegeven door punt e. Stel nu dat de overheid een belasting invoert op frisdranken. Daardoor verhoogt de prijs van frisdranken en roteert bijgevolg de budgetrechte naar ac. Het nieuwe optimum is e’. We stellen vast dat de belasting ervoor zorgt dat de vraag naar frisdranken daalt, een logisch resultaat. Anderzijds merken we ook dat de consumptie van andere goederen verandert door de belasting op frisdranken, hoewel deze goederen niet werden belast.
9
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Merk ten slotte op dat het raamwerk dat in dit hoofdstuk werd ontwikkeld veelzijdige toepassingen heeft die de strikte invloed van prijsveranderingen en inkomenswijzigingen overstijgen. Men kan het bijvoorbeeld ook gebruiken om de keuze van de consument te verklaren wanneer hij moet kiezen tussen klassieke aankopen en aankopen via het internet. Zoals bleek uit case 2 bij het begin van dit hoofdstuk, heeft de beschikbaarheid van moderne technologie ervoor gezorgd dat consumenten inderdaad deze keuze hebben. Een consument zal daarbij de prijs van producten bij klassieke aankopen en via het internet vergelijken en in functie van de relatieve prijzen (ook rekening houdend met de tijd die moet worden besteed aan het aankopen zelf ) beslissen welke technologie te gebruiken voor zijn aankopen.
Afleiding van de marktvraag uit de individuele vraagcurven
VO
O
We stelden al een negatief verband vast tussen de gevraagde hoeveelheid van een bepaald product op een markt en de prijs van dat goed. De theorie van het consumentengedrag maakt het nu mogelijk het verband te leggen tussen de individuele vraagcurven van de verschillende consumenten en de geaggregeerde marktvraagcurve. In het meest eenvoudige geval kan die laatste door horizontale sommatie van de individuele vraagcurven afgeleid worden. Figuur 13 geeft daarvan een voorbeeld, waarbij we om het eenvoudig te houden veronderstellen dat er maar twee vragers op de markt actief zijn. Voor elke gegeven prijs bepaalt men de marktvraag als de som van de gevraagde hoeveelheden van de twee consumenten.
IE
Figuur 13 Grafische afleiding van de marktvraag Consument a
p1 Consument b
p1 Marktvraag
N
p1
Va
Q1
Š VAN IN
Va + b
Vb Q1
22
Q1
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
10 Begrippen – budgetlijn – budgetrestrictie – consumentenevenwicht – convexiteit – goederenbundel
E
– indifferentiecurve
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
– inkomensconsumptiecurve – inkomenselasticiteit – keuzeprobleem – luxegoederen – marktvraag
– non-saturatie (niet-verzadiging) – noodzakelijke goederen – preferentie
– preferentieschaal – preferentieveld
– waardeparadox
O
11 Oefeningen
VO
Oefening 1: juist/fout
IE
1 De eerste wet van Gossen bepaalt dat het nut daalt bij toenemende consumptie.
N
2 De inkomenselasticiteit van de vraag naar aardappelen is negatief. Dat betekent dat aardappelen noodzakelijke goederen zijn. 3 Bij een toename van het inkomen verschuift de budgetlijn evenwijdig naar rechts. 4 Het substitutie-effect van een prijsdaling zorgt altijd voor een toename van de vraag naar het goed dat in prijs daalt. 5 De ICC is de verzameling van optimale goederenbundels bij verschillende prijzen waarbij het inkomen gelijk blijft. 6 De indifferentiecurve is de curve die de verzameling van alle goederenbundels weergeeft die voor de consument een gelijk nut opleveren. 7 Indifferentiecurven kunnen elkaar snijden.
© VAN IN
23
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
Oefening 2: meerkeuzevragen 1 De indifferentiecurve heeft een dalend verloop. Dat betekent dat: a de afname van het ene goed moet worden gecompenseerd door de toename van het andere goed b de afname van het ene goed moet worden gecompenseerd door de afname van het andere goed
d geen van bovenstaande
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
2 De vraag naar noodzakelijke goederen zal relatief verminderen bij:
E
c de toename van het ene goed moet worden gecompenseerd door de toename van het andere goed
a een verhoging van het inkomen van de consument b een verhoging van de prijs van de goederen c een verlaging van de prijs van de goederen
d een verlaging van het inkomen van de consument
3 Een goed waar minder vraag naar is naarmate het inkomen hoger is, noemt men een: a normaal goed
b inferieur goed
c superieur goed d luxegoed
4 Verschillende indifferentiecurven in acht genomen, zal het consumentenevenwicht zich bevinden op een punt:
b van de indifferentiecurve gelegen het verst van de oorsprong c waar budgetlijn en indifferentiecurve elkaar snijden
IE
VO
O
a links van de budgetlijn
N
d waar de budgetlijn raakt aan de indifferentiecurve die het verst van de oorsprong ligt
Š VAN IN
24
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 1: Consumentengedrag
Oefening 3: oefening op budgetlijn en indifferentie Een consument beschikt over een inkomen van 200 euro, dat hij zal besteden aan twee goederen. De prijs van goed 1 bedraagt 10 euro; de prijs van goed 2 is 20 euro. 1 Teken de budgetlijn. Kies een willekeurig punt e als initiële consumptiebundel (gelegen op die budgetlijn). 2 Veronderstel dat het inkomen verhoogt met 20 %. Welke invloed heeft dat op de budgetlijn? Stel grafisch voor.
E
3 Duid op die budgetlijn eveneens een punt e’ als consumptiebundel aan. Hoe verschilt e van e’?
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
4 Veronderstel dat de prijs van goed 1 verhoogt tot 20 euro. Welke invloed heeft dat op de budgetlijn? Stel grafisch voor. 5 Duid ook op die budgetlijn een punt e’’ aan. Hoe verschillen e en e’ van e’’?
Oefening 4: algemene vragen
1 Welke eigenschappen kent de indifferentiecurve?
2 Bespreek het effect op het consumentenevenwicht bij a een inkomensstijging; b een prijsstijging;
c een wijziging in de preferentieschaal.
N
IE
VO
O
3 Bespreek de eerste wet en de tweede wet van Gossen.
© VAN IN
25
Academiejaar 2020-2021
N
IE
VO
O
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Consumentengedrag
© VAN IN
26
Academiejaar 2020-2021
2 Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen
IE
N
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
O
VO
E
Hoofdstuk 2: Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen
Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen 1 Voeg tussentitels toe in de inhoudstafel, als u dat wenst
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Pellentesque congue at libero sit amet tempor. Mauris finibus porttitor mollis. Nunc non ullamcorper mauris. Nulla bibendum tellus molestie erat laoreet bibendum. Sed a quam vel erat posuere ornare a nec odio. Vivamus elementum lorem justo, eu auctor purus dictum in. Sed metus arcu, lacinia nec risus et, varius lobortis est. In hac habitasse platea dictumst. Proin sed augue non ex laoreet cursus quis tempus neque. Fusce porttitor finibus accumsan. Suspendisse tempus leo at nisl posuere, at blandit diam eleifend. Etiam pulvinar risus neque, a varius mauris egestas at. Nunc sit amet lorem fringilla, scelerisque risus porta, tincidunt lectus. Donec sed nibh pharetra, volutpat nisi eu, ultricies purus. Interdum et malesuada fames ac ante ipsum primis in faucibus. Donec at ante ex. Curabitur bibendum a metus nec laoreet. Suspendisse nec elementum nunc, hendrerit interdum tortor. Nunc blandit hendrerit felis. Phasellus nisi felis, viverra vel cursus sed, varius ullamcorper nunc. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Fusce convallis arcu urna, sit amet elementum lacus sodales nec. Proin lobortis odio at ullamcorper ullamcorper. Pellentesque habitant morbi tristique senectus et netus et malesuada fames ac turpis egestas. Sed ac faucibus lorem, sed condimentum ante. Donec mollis eros faucibus, tincidunt ex a, viverra neque. Class aptent taciti sociosqu ad litora torquent per conubia nostra, per inceptos himenaeos. Fusce libero ante, lacinia venenatis erat nec, congue gravida dolor. Maecenas condimentum urna nec est consectetur, in egestas orci tristique. In pharetra congue felis sit amet scelerisque.
O
Sed augue turpis, laoreet eu varius sed, luctus a justo. Integer hendrerit, eros sit amet venenatis placerat, velit arcu hendrerit est, quis elementum eros metus a eros. Nulla odio risus, cursus quis iaculis id, finibus vel metus. Vivamus at risus sed nibh consectetur lobortis. Ut aliquam lorem sodales, maximus augue quis, pretium ligula. Donec ipsum eros, finibus commodo justo eu, tincidunt egestas massa. Proin tincidunt tortor vel convallis varius. Curabitur maximus mollis ante, ac aliquet lorem lobortis ut. Cras vel varius nibh. Donec consequat aliquam lectus at congue. Morbi in aliquet neque, at condimentum erat. Nunc sollicitudin sed purus non consequat. In feugiat nec justo vitae iaculis. Quisque ornare quis enim id ornare.
IE
VO
Vestibulum placerat commodo sem a molestie. Suspendisse potenti. Maecenas bibendum iaculis risus non condimentum. Suspendisse potenti. Vivamus aliquet sem vel tortor vestibulum, eu auctor sapien mollis. Maecenas in arcu at turpis consectetur egestas. Morbi eu nulla a tortor faucibus venenatis quis sit amet risus. Duis eget lorem sit amet ipsum feugiat viverra.
N
Cras pharetra ex est, tincidunt fringilla enim dictum id. Vestibulum id placerat erat. Mauris sapien libero, aliquam a mauris vel, tincidunt ultrices mi. Donec posuere aliquam elementum. Donec congue elementum lacus, aliquam rhoncus felis tristique et. Aenean rhoncus, leo non dapibus aliquet, diam nunc lobortis diam, eu facilisis orci dui sit amet sem. Etiam id purus imperdiet, tincidunt erat sed, elementum risus.
Toegevoegd door docent
29
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 2: Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen
2 Nog een voorbeeld van een tussentitel Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Pellentesque congue at libero sit amet tempor. Mauris finibus porttitor mollis. Nunc non ullamcorper mauris. Nulla bibendum tellus molestie erat laoreet bibendum. Sed a quam vel erat posuere ornare a nec odio. Vivamus elementum lorem justo, eu auctor purus dictum in. Sed metus arcu, lacinia nec risus et, varius lobortis est. In hac habitasse platea dictumst. Proin sed augue non ex laoreet cursus quis tempus neque. Fusce porttitor finibus accumsan. Suspendisse tempus leo at nisl posuere, at blandit diam eleifend. Etiam pulvinar risus neque, a varius mauris egestas at. Nunc sit amet lorem fringilla, scelerisque risus porta, tincidunt lectus. Donec sed nibh pharetra, volutpat nisi eu, ultricies purus.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Interdum et malesuada fames ac ante ipsum primis in faucibus. Donec at ante ex. Curabitur bibendum a metus nec laoreet. Suspendisse nec elementum nunc, hendrerit interdum tortor. Nunc blandit hendrerit felis. Phasellus nisi felis, viverra vel cursus sed, varius ullamcorper nunc. Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Fusce convallis arcu urna, sit amet elementum lacus sodales nec. Proin lobortis odio at ullamcorper ullamcorper. Pellentesque habitant morbi tristique senectus et netus et malesuada fames ac turpis egestas. Sed ac faucibus lorem, sed condimentum ante. Donec mollis eros faucibus, tincidunt ex a, viverra neque. Class aptent taciti sociosqu ad litora torquent per conubia nostra, per inceptos himenaeos. Fusce libero ante, lacinia venenatis erat nec, congue gravida dolor. Maecenas condimentum urna nec est consectetur, in egestas orci tristique. In pharetra congue felis sit amet scelerisque. Sed augue turpis, laoreet eu varius sed, luctus a justo. Integer hendrerit, eros sit amet venenatis placerat, velit arcu hendrerit est, quis elementum eros metus a eros. Nulla odio risus, cursus quis iaculis id, finibus vel metus. Vivamus at risus sed nibh consectetur lobortis. Ut aliquam lorem sodales, maximus augue quis, pretium ligula. Donec ipsum eros, finibus commodo justo eu, tincidunt egestas massa. Proin tincidunt tortor vel convallis varius. Curabitur maximus mollis ante, ac aliquet lorem lobortis ut. Cras vel varius nibh. Donec consequat aliquam lectus at congue. Morbi in aliquet neque, at condimentum erat. Nunc sollicitudin sed purus non consequat. In feugiat nec justo vitae iaculis. Quisque ornare quis enim id ornare. Vestibulum placerat commodo sem a molestie. Suspendisse potenti. Maecenas bibendum iaculis risus non condimentum. Suspendisse potenti. Vivamus aliquet sem vel tortor vestibulum, eu auctor sapien mollis. Maecenas in arcu at turpis consectetur egestas. Morbi eu nulla a tortor faucibus venenatis quis sit amet risus. Duis eget lorem sit amet ipsum feugiat viverra.
VO
O
Cras pharetra ex est, tincidunt fringilla enim dictum id. Vestibulum id placerat erat. Mauris sapien libero, aliquam a mauris vel, tincidunt ultrices mi. Donec posuere aliquam elementum. Donec congue elementum lacus, aliquam rhoncus felis tristique et. Aenean rhoncus, leo non dapibus aliquet, diam nunc lobortis diam, eu facilisis orci dui sit amet sem. Etiam id purus imperdiet, tincidunt erat sed, elementum risus.
N
IE
Phasellus gravida felis eu mauris luctus vestibulum. Phasellus vehicula malesuada purus eu aliquam. Sed non nisi in ante eleifend rhoncus ac id ipsum. Maecenas malesuada nulla in elit vestibulum gravida. Vestibulum non bibendum lorem. Morbi sed vulputate lectus. Nam faucibus libero sit amet posuere lacinia. Integer facilisis ante vel est pharetra, sed accumsan dui ornare. Nullam auctor ligula sit amet blandit accumsan. Mauris in purus ullamcorper, vestibulum nulla id, euismod ligula. Mauris dolor urna, viverra vel suscipit eu, maximus suscipit magna. Pellentesque laoreet felis libero, ut vestibulum ipsum faucibus ut. Nam nisi felis, dignissim non ornare at, faucibus et sapien. Fusce a fermentum neque, vel egestas augue. Integer tristique vel eros sed convallis. Praesent laoreet quam quis rhoncus ornare. Pellentesque ut lobortis magna. Vestibulum ante ipsum primis in faucibus orci luctus et ultrices posuere cubilia Curae; Donec placerat tellus non augue dapibus mollis. Duis dictum sodales lacus vel fringilla. Curabitur at lacus maximus, facilisis elit quis, iaculis elit. Aliquam eu velit in erat egestas placerat. Maecenas varius eget neque a fringilla. Class aptent taciti sociosqu ad litora torquent per conubia nostra, per inceptos himenaeos. Sed fringilla, massa a
Toegevoegd door docent
30
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 2: Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen
bibendum ultricies, metus risus consequat justo, eget egestas nibh risus pharetra tellus. Ut pretium, elit vitae blandit iaculis, lacus lectus iaculis ex, vel pretium sem quam ac urna. Sed non lectus ullamcorper, feugiat orci sed, rhoncus metus. Morbi sem sem, elementum a eros sed, viverra tincidunt lacus. Nullam nec purus eget felis blandit vestibulum. In convallis egestas lacus. Sed non lacus ut lectus venenatis convallis. Morbi ac purus eu tortor tristique tincidunt molestie id ligula. Ut massa quam, egestas a ante in, mattis consectetur orci. Duis condimentum pharetra vulputate. Phasellus a mattis ligula. Vivamus pretium tempus feugiat.
E
Nulla viverra luctus magna, et auctor nisi egestas ut. Suspendisse ut urna eget nulla dictum scelerisque. Nullam at arcu vel lacus tempor pellentesque. Suspendisse ullamcorper sollicitudin libero et mattis. Donec feugiat vulputate risus, eget ullamcorper leo. Quisque vitae malesuada leo. Nullam vitae dui vitae erat pulvinar pretium. In hac habitasse platea dictumst. Nulla viverra dui ut quam semper dictum. Duis scelerisque vulputate ante, consectetur venenatis est lobortis pellentesque. Donec non porta augue. Morbi id lobortis tortor.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
Pellentesque viverra ex sed tortor porta, a suscipit odio vulputate. Donec sed massa est. Vivamus congue commodo augue non egestas. Fusce consequat massa eu consectetur ultricies. Vivamus tempus sapien odio, et suscipit odio suscipit at. Praesent congue tincidunt pulvinar. Nunc eu nisl sed purus fringilla feugiat. Sed varius quam et ipsum vulputate, ac elementum leo mollis. Curabitur maximus sem fringilla, lacinia lectus non, laoreet nulla. Aliquam efficitur tincidunt euismod. Duis sed sagittis elit. Maecenas et quam tincidunt, convallis quam sed, gravida eros. Aenean sit amet orci vitae est elementum rutrum. Suspendisse facilisis dignissim erat, nec aliquam est eleifend a. Praesent in mattis quam. Nulla odio tellus, tempus sit amet nunc a, ullamcorper fringilla ligula. Sed sagittis imperdiet finibus. Sed ac urna ut ex faucibus lobortis eget ut arcu. Vestibulum venenatis, velit ac sodales efficitur, nisl est tincidunt ex, lacinia pellentesque metus metus at felis. Nulla viverra ex nec arcu pellentesque, eu feugiat magna eleifend. Donec pharetra tincidunt risus, sed congue odio aliquet eget. Aenean convallis, neque in facilisis iaculis, justo mi bibendum odio, sit amet tempus massa lorem ut erat. Nunc lobortis quam eget nibh lobortis fringilla ut et est. Aliquam erat volutpat. Phasellus quis libero porttitor, iaculis enim vitae, pharetra odio. Nam elit erat, gravida quis volutpat id, facilisis nec massa. Donec auctor purus at justo pretium aliquet. Nulla congue hendrerit eros, eget porttitor dolor iaculis ac. Nam maximus mauris nisi, nec pretium nisi tincidunt eu. Praesent malesuada est vitae massa cursus, id viverra erat tristique.
IE
VO
O
Maecenas eu semper ante. Aenean et erat volutpat, vulputate urna sed, ultrices nisl. Vestibulum eget justo mauris. Donec pulvinar elementum mauris, vel volutpat ex pulvinar non. Curabitur sit amet rutrum nisi, quis hendrerit nulla. Phasellus ultrices sit amet ligula eu rhoncus. Etiam sit amet malesuada nulla. Interdum et malesuada fames ac ante ipsum primis in faucibus. Proin iaculis lacinia purus, maximus auctor sapien tincidunt placerat. Duis nunc nisi, dignissim eu orci vitae, porta auctor ligula. Vestibulum ante ipsum primis in faucibus orci luctus et ultrices posuere cubilia Curae; Aenean et imperdiet tortor. Proin id dui in tortor mollis hendrerit at eu urna. Donec non vestibulum arcu. Sed tempor tellus a arcu bibendum, vitae fringilla leo aliquam.
N
In tempor maximus lacinia. Praesent laoreet ipsum nisi. Suspendisse id leo nisi. Praesent molestie iaculis risus, et varius est ultrices et. Donec convallis dui vitae dolor accumsan varius. Curabitur varius, sapien sit amet laoreet aliquet, sapien nunc eleifend lacus, vel fermentum enim mi non mi. Curabitur pharetra, enim vel tincidunt accumsan, ex ex dapibus leo, id malesuada augue lectus ac arcu. Nulla interdum nisl sed pretium venenatis. Vestibulum ante ipsum primis in faucibus orci luctus et ultrices posuere cubilia Curae; Integer augue urna, gravida sit amet dapibus non, congue nec metus. Maecenas nec pellentesque magna. Maecenas bibendum tellus et quam rutrum, vel tristique nunc iaculis. Aenean mi ex, volutpat imperdiet lectus in, semper venenatis felis. In quam ante, maximus id elementum eu, imperdiet ac urna. Praesent congue mi viverra venenatis auctor. Aliquam blandit urna a nibh efficitur imperdiet. Fusce a arcu laoreet, luctus ipsum non, ultrices mi. Proin interdum urna a dui hendrerit rhoncus. Cras efficitur porta libero vitae condimentum. Integer quis libero ut
Toegevoegd door docent
31
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 2: Met Blend kunt u ook eigen lesmateriaal toevoegen
erat fermentum tempor quis eu dolor. Mauris ac fringilla neque. Sed posuere pharetra fringilla. Aenean mattis tempus urna, ac viverra risus. Nullam auctor velit nisl, ut dictum erat sollicitudin eget. Curabitur congue et arcu vitae efficitur. Vivamus tellus elit, egestas sed pellentesque id, mattis eget sem. Aliquam turpis justo, interdum vel ullamcorper vel, mattis quis felis. Curabitur aliquam interdum purus, ac lobortis risus pellentesque non. Ut dignissim commodo vehicula. Fusce turpis justo, vehicula et rutrum eget, vestibulum vel est. Nunc id porta lorem, vel mollis magna. Ut efficitur dolor ut laoreet consectetur. Nunc molestie vestibulum elit nec varius. Aenean sodales diam quis nulla vestibulum, id dignissim lacus feugiat. Aenean nisl sapien, finibus auctor nisi sed, elementum ultrices leo. Proin felis ante, convallis vitae facilisis at, pulvinar vel enim. Nunc vulputate convallis placerat. In pulvinar rutrum lacus. Aliquam euismod dapibus placerat.
N
IE
VO
O
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Fusce non sagittis sapien. Donec varius neque malesuada euismod accumsan. Duis ac mi tortor. Nullam nunc sapien, tincidunt consequat finibus vitae, ultricies eu elit. Morbi interdum, purus a ullamcorper vestibulum, est nisl fermentum lorem, ut ultricies tortor quam sit amet arcu. Pellentesque habitant morbi tristique senectus et netus et malesuada fames ac turpis egestas. Sed orci purus, molestie nec rhoncus eget, lobortis vitae tortor. Aliquam vel finibus enim, ut consequat velit. Nam sit amet tortor massa. Sed sagittis justo et vulputate lobortis. Integer mi purus, tincidunt sed gravida vitae, venenatis sed ligula. Aliquam in pharetra diam. Quisque malesuada eleifend vehicula. In tempor mauris a vehicula euismod. Nulla facilisi. Phasellus luctus sodales fermentum.
Toegevoegd door docent
32
Academiejaar 2020-2021
3 Basisbegrippen
IE
N
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
O
VO
E
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
1
WETENSCHAPPELIJK VERANTWOORD ONDERZOEK
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Onderzoeken doen we dagdagelijks. In het verkeer ‘onderzoeken’ we of we voorrang hebben, tijdens het koken ‘onderzoeken’ we of een gerecht aan de verwachtingen voldoet … Dit dagdagelijkse ‘onderzoeken’ valt echter buiten onze definitie van onderzoek. Professionelen doen ook dagelijks aan onderzoek op hun werk. Een maatschappelijk werker van het OCMW onderzoekt de financiële situatie van zijn cliënt, een opvoeder zoekt via een groepsgesprek uit wat de aanleiding van een conflict in de leefgroep was, een verpleegkundige onderzoekt de temperatuur en de bloeddruk van een patiënt … Ook deze ‘onderzoeken’ vallen buiten onze definitie. Wat beschouwen we dan wel als wetenschappelijk verantwoord onderzoek?
Onderzoekers stellen zich voortdurend vragen over allerhande verschijnselen in de samenleving. Ze zoeken naar antwoorden op deze vragen door deze verschijnselen te beschrijven en te verklaren. Verklaren wijst erop dat onderzoekers bestaande kennis, bijvoorbeeld kennis die het menselijk gedrag kan verklaren, aanwenden om zo inzicht te krijgen in hun bevindingen, of om met behulp van hun bevindingen nieuwe kennis te ontwikkelen.
Hij moet daarbij goed weten wat hij zal onderzoeken. Onderzoekt hij bijvoorbeeld alleen fysieke agressie of ook verbale agressie? Onderzoekt hij alleen de agressiefenomenen waarmee inspecteurs tijdens een interventie geconfronteerd worden of onderzoekt hij ook agressiefeiten in andere diensten, zoals de wijkdienst, de dienst slachtofferbejegening, de onthaaldienst? Onderzoekt hij alleen verklaringen in de werkomgeving of ook verklaringen bij de politiemedewerker zelf en diens thuisomgeving? Hij moet dus niet alleen duidelijk bepalen wat hij wil onderzoeken, maar ook bij wie en hoe hij dat zal doen. Zal hij bepaalde situaties observeren? Of zal hij medewerkers interviewen? Of is het beter om enquêtes af te nemen
N
IE
VO
O
Zo kan een preventieadviseur van een lokale politiezone, na meerdere meldingen van agressie door politiepersoneel, zich de vraag stellen hoe vaak werknemers in de politiezone worden geconfronteerd met agressie door burgers en wat de zone kan ondernemen om de agressie te doen afnemen. In zijn zoektocht naar antwoorden onderzoekt hij gedurende een bepaalde periode de frequentie, de uitingsvormen en de intensiteit van agressie. Hij neemt ook literatuur over agressie door in zijn zoektocht naar mogelijke verklaringen voor de agressie. Deze mogelijke verklaringen onderzoekt hij in zijn eigen werkomgeving.
© VAN IN
35
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
bij het politiepersoneel? Wanneer zal hij dat doen en op welke manier? Hoe zal hij ervoor zorgen dat hij geen vertekend beeld krijgt? Deze op het eerste gezicht vaak eenvoudige vragen zijn niet altijd gemakkelijk te beantwoorden. Hiervoor is gespecialiseerde kennis nodig.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Onderzoek doe je niet vanuit het niets. Onderzoekers hanteren strikte regels om de kwaliteit van onderzoek te waarborgen. Er is kennis van onderzoeksvaardigheden nodig om op een degelijke en gestructureerde manier aan onderzoek te doen. Een onderzoeker moet zich aan een logisch en systematisch stappenplan houden om tot betrouwbare en valide conclusies over de verschijnselen die hij bestudeert, te komen. Het is zeer belangrijk dat hij hierbij een open en transparante werkwijze hanteert. Hij moet namelijk zeer nauwkeurig en zeer gedetailleerd weergeven hoe hij precies te werk is gegaan. Elke stap moet hij zeer uitvoerig uitwerken en motiveren. Onderzoekers baseren zich hierbij op theoretische kennis, op theorieën waardoor ze alledaagse feiten, gedragingen, gebeurtenissen en meningen proberen te interpreteren en te verklaren. Aan een goed onderzoek gaat steeds een literatuurstudie vooraf. Een onderzoeker bestudeert reeds bestaand onderzoek over het onderzoeksonderwerp, hoe dat is aangepakt en wat de bevindingen hierin zijn. Aan de hand van deze bevindingen kan de onderzoeker zijn onderwerp theoretisch onderbouwen en verder verfijnen. Bovenstaande aspecten geven duidelijk aan waarin een onderzoeker in zijn aanpak verschilt van leken die iets ‘onderzoeken’. Er is een duidelijk verschil tussen wetenschappelijke kennis – kennis verkregen op basis van wetenschappelijk onderzoek volgens een systematisch en transparant stappenplan – en alledaagse kennis.
• Uit deze definitie leiden we af dat onderzoek doelgericht is. Het doel is meer bepaald onderzoeksvragen over een bepaald onderwerp te beantwoorden. Bovendien is dit onderwerp vooraf afgebakend door zorgvuldig een probleemstelling op te stellen. Begeleidster An die op de speelplaats toevallig observeert dat een leerling wordt gepest, doet volgens deze definitie niet aan onderzoek. Haar doel is namelijk niet onderzoeksvragen over pesten beantwoorden.
N
IE
VO
O
Onderzoek is een doelgericht proces waarbij men op een systematische manier op basis van een onderzoeksontwerp, data verzamelt en analyseert, om op een betrouwbare en valide wijze onderzoeksvragen te beantwoorden die deel uitmaken van een probleemstelling.
© VAN IN
36
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
• Vervolgens valt in de definitie de term ‘systematisch’ op. Systematisch werken is een centraal kenmerk dat onderzoek onderscheidt van bijvoorbeeld dagdagelijkse observaties of gesprekken. • Verder lezen we dat men werkt aan de hand van een vooraf vastgelegd onderzoeksontwerp. Pas nadat men dit zorgvuldig heeft uitgewerkt, zal de dataverzameling en -analyse plaatsvinden. De observatie van begeleidster An gebeurt niet in het kader van dataverzameling en -analyse over pesten. Haar observatie kan daarentegen kaderen in haar wil om een positief klimaat te bewaren op de speelplaats, waardoor ze alert is voor pestgedrag. • Onderzoek moet tot slot altijd twee basisvereisten nastreven, met name validiteit en betrouwbaarheid. Bij de planning en uitvoering van elke fase moet een onderzoeker nagaan of de validiteit en de betrouwbaarheid niet in het gedrang komen. Zo niet hebben we te maken met fouten, die de betrouwbaarheid en validiteit van de onderzoeksresultaten op het spel zetten.
2
SOORTEN ONDERZOEK
Er bestaan heel wat mogelijke indelingen van onderzoek. Hier maken we een indeling naar het doel, de grondvorm en de tijdsperspectieven.
2.1
Verschillende doelen: fundamenteel en praktijkgericht onderzoek
We onderscheiden twee hoofdtypen van wetenschappelijk onderzoek: fundamenteel of theoriegericht onderzoek en praktijkgericht of toegepast onderzoek.
IE
VO
O
Universiteitsstudenten krijgen vaker met fundamenteel onderzoek te maken en moeten dit zelf ook kunnen opzetten en uitvoeren. Hogeschoolstudenten voeren hoofdzakelijk praktijkgericht onderzoek uit, maar moeten ook resultaten uit fundamenteel onderzoek kunnen raadplegen en interpreteren.
N
2.1.1 Fundamenteel onderzoek
© VAN IN
Fundamenteel onderzoek wordt gevoerd met het oog op kennisvermeerdering, om algemeen geldende kennis te ontwikkelen. Dit type onderzoek heeft dus een eerder theoretische relevantie. Bij fundamenteel onderzoek beantwoord je vragen die geen onmiddellijke meerwaarde hebben voor de praktijk, vragen die niet hoofdzakelijk zijn gericht op de toepassing ervan in de praktijk. De bedoeling is om bij te dragen aan de wetenschappelijke
37
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
kennis over een bepaald onderwerp. Opdrachtgevers van dit soort onderzoek zijn vaak universiteiten of andere onderzoeksinstellingen. De resultaten worden bijvoorbeeld gepresenteerd op een wetenschappelijk congres en gepubliceerd in een wetenschappelijk vaktijdschrift. Een onderzoeker kan bijvoorbeeld verklaringen voor depressie bij schoolgaande jongeren onderzoeken louter omdat hij meer over het fenomeen depressie bij jongeren te weten wil komen en deze kennis wil toevoegen aan de reeds bestaande wetenschappelijke kennis. Zo kan hij onderzoeken welke individuele kenmerken en factoren in hun thuis- en schoolomgeving een rol spelen bij het ontstaan van een depressie. Uiteraard kunnen anderen de resultaten van dit onderzoek later wel gebruiken. Een schooldirecteur kan ze bijvoorbeeld gebruiken om er een preventief beleid op uit te bouwen, of een leerkracht kan er een heel specifieke toepassing voor de klaspraktijk uit afleiden. Het is echter belangrijk om te weten dat dit niet de oorspronkelijke doelstelling van fundamenteel onderzoek is. De eerste betrachting is kennisvermeerdering.
2.1.2 Praktijkgericht onderzoek
N
IE
VO
O
Bij praktijkgericht onderzoek ligt het doel, de relevantie, anders. In het kader van dit soort onderzoek houden onderzoekers zich wel hoofdzakelijk bezig met vragen uit de praktijk te beantwoorden. Een praktijkprobleem is afkomstig uit het werkveld, uit de dagelijkse praktijk, uit de samenleving. Praktijkgericht onderzoek levert kennis op die mensen in staat stelt om maatschappelijke verschijnselen in de werkelijkheid te analyseren en eventueel ook te beïnvloeden en te veranderen. Het kan worden gehanteerd om de praktijk op de werkvloer en/of het beleid te ondersteunen, te evalueren, bij te sturen … Opdrachtgevers van dit soort onderzoek zijn vaak organisaties, bedrijven of federale, regionale en lokale overheden. Zo kan een directeur van een school waar er frequent problemen zijn met pestgedrag een onderzoeker vragen om er een onderzoek over uit te voeren dat moet leiden tot concrete tips om het probleem aan te pakken. Of zo kan de Vlaamse overheid onderzoek uitbesteden om armoedeprojecten in grootsteden te evalueren. Een onderzoeker kan dan bestaande programma’s en projecten rond armoede in grootsteden onderzoeken om ze indien nodig te verbeteren. Soms wordt een praktijkgerichte onderzoeker zelf betrokken bij het ontwerp, de uitvoering, de evaluatie en de bijsturing van een ‘interventie’, zoals antipestmaatregelen in een school of beleidsaanbevelingen rond armoede in grootsteden. Wanneer een onderzoeker zelf mee wordt betrokken in de uitvoering van zijn aanbevelingen, spreekt men van actieonderzoek.
© VAN IN
38
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
Zowel fundamenteel als praktijkgericht onderzoek moet volgens een wetenschappelijke aanpak worden gevoerd, dus via een systematisch stappenplan en een transparante manier van werken. Hoewel praktijkgericht onderzoek niet is gericht op wetenschappelijke kennisvermeerdering, moet het wel voldoen aan wetenschappelijk verantwoorde criteria! Ook hier moeten optimale betrouwbaarheid en validiteit worden nagestreefd. Actieonderzoek
N
IE
VO
O
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Actieonderzoek is een vorm van praktijkgericht onderzoek waarbij onderzoekers, eventueel in samenwerking met mensen uit het werkveld, systematisch praktijksituaties en/of -handelingen onderzoeken (Cornelissen & van den Berg, 2008; Lunenberg, Ponte & Van de Ven, 2006; Vanderlinde & Van Braak, 2007). Kennis ontwikkelen in een specifieke praktijk- of werkveldcontext om die situatie en/of dat handelen aan te pakken, te evalueren en bij te sturen, staat hierbij centraal (Ponte, 2006). Zo kan een onderzoeker worden ingeschakeld om, eventueel in samenwerking met een stafmedewerker van een ziekenhuis, een onderzoek naar burn-out bij de verpleegkundigen uit te voeren. Het is de praktijk zelf die bepaalt wat relevant kan zijn om te onderzoeken. Deze interesse wordt omgezet in een concrete onderzoeksvraag, bijvoorbeeld: ‘Hoe kan men burn-out bij verpleegkundigen in een ziekenhuis voorkomen?’ Deze onderzoeksvraag beantwoorden, gebeurt door dataverzameling, bijvoorbeeld door verschillende verpleegkundigen te interviewen, en de data vervolgens te analyseren. De inzichten die uit de analyse voortkomen, kunnen tot een interventie of een plan van aanpak leiden. Zo kan de onderzoeker bijvoorbeeld een reorganisatie uittekenen die erop gericht is de werkdruk te verlagen. De onderzoeker gaat hierbij zelf op zoek naar efficiënte maatregelen of methodieken om de praktijksituatie te verbeteren, zoals bijvoorbeeld een sportruimte voorzien om te ontspannen tijdens pauzes, voor en na de werkuren, een regeling om overuren op te nemen … Bij de keuze van maatregelen of methodieken laat de onderzoeker zich best leiden door de bruikbaarheid en de aanvaardbaarheid ervan in die concrete situatie. Zo kan een onderzoeker ook voorstellen om bijkomend één of meerdere verpleegkundigen aan te werven. Maar als daarvoor geen budget beschikbaar is, is dat geen haalbaar voorstel. De onderzoeker implementeert de maatregel of methodiek. Na de implementatie, moet de onderzoeker het effect van de maatregel of methodiek evalueren: is de onderzoeksvraag beantwoord? Is de situatie verbeterd? Waarom wel of waarom niet? De onderzoeker moet de evaluatie van de maatregel of methodiek verklaren: waarom is de implementatie van de maatregel een succes? Waarom is het een mislukking? Hierbij is het
© VAN IN
39
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
Verschillende grondvormen: kwantitatief en kwalitatief onderzoek
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
2.2
E
belangrijk om iedereen die met de maatregel of methodiek werd geconfronteerd, te horen. De onderzoeker moet opnieuw gegevens verzamelen, bijvoorbeeld door de betrokken verpleegkundigen opnieuw te interviewen. De gegevens moeten opnieuw worden geanalyseerd en vergeleken met de gegevens voor de implementatie van de maatregel of methodiek. De onderzoeker wordt geacht kritisch te reflecteren over zijn onderzoek en over de veranderingen die zijn geïmplementeerde aanpak hebben teweeggebracht. Tot slot rapporteert de onderzoeker zijn bevindingen.
We onderscheiden twee grondvormen van wetenschappelijk onderzoek: kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Deze onderzoeksvormen werken elk vanuit een eigen invalshoek. Ze hebben gedeeltelijk een andere opzet en vergen andere methodes van dataverzameling en -verwerking. We lichten hier de basiskenmerken van beide grondvormen kort toe. In de andere hoofdstukken van dit handboek geven we nog meer verduidelijking over alle aspecten van het onderzoeksplan, de dataverzameling en de dataanalyse in beide grondvormen.
2.2.1 Kwantitatief onderzoek
N
IE
VO
O
Bij kwantitatief onderzoek (‘quantitative research’) wordt een onderwerp in de breedte onderzocht. Dit betekent dat een onderzoeker heel wat verschillende informatie over het onderwerp verzamelt, zonder er echt diep op in te gaan. Hij kan dat op verschillende manieren doen, zoals via enquêtes, experimenten of kwantitatieve vormen van observaties. De bedoeling is om de ideeën, attitudes en/of gedragingen van de bevraagde mensen te beschrijven. Vaak wil de onderzoeker ook nagaan hoe deze onderling samenhangen of hoe ze verband houden met andere kenmerken. Alle verkregen informatie wordt daarbij omgezet in cijfermateriaal en de verwerking ervan gebeurt door middel van statistische analyses. Onderzoekers streven ernaar om daaruit conclusies te trekken die niet alleen gelden voor de steekproef – de mensen die effectief aan het onderzoek deelnamen – maar voor de ruimere populatie. Dit betekent dat de steekproeven voldoende groot en zo representatief mogelijk moeten zijn.
© VAN IN
Een voorbeeld: een onderzoeker voert een onderzoek uit naar pestgedrag. Hij wil beschrijven hoe vaak en op welke wijze er wordt gepest en welke kenmerken van jongeren samenhangen met pestgedrag. Daarvoor neemt hij een enquête af bij een toevalssteekproef van 500 jongeren tussen de 13 en 16 jaar, die representatief is voor de 13- tot 16-jarige jongeren in
40
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
de Vlaamse bevolking qua leeftijd, geslacht en sociale achtergrond. Op basis van de enquêtes verkrijgt de onderzoeker informatie over de vormen van pesten die voorkomen, de frequentie ervan en andere relevante kenmerken van de 500 jongeren. Door deze informatie om te zetten in cijfers en er statistische analyses op uit te voeren krijgt hij een globaal beeld over hoe vaak elke vorm van pesten voorkomt en welke kenmerken met pesten of gepest worden, samenhangen.
E
2.2.2 Kwalitatief onderzoek
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
In kwalitatief onderzoek (‘qualitative research’) wordt een thema eerder in de diepte onderzocht. Het is de bedoeling om diep op een onderwerp in te gaan en zo op zoek te gaan naar de belevingen van mensen en betekenissen die bepaalde gedragingen, gebeurtenissen … voor hen hebben. Er bestaan verschillende manieren om dit te doen, zoals via interviews, focusgroepen, observaties … Dit levert geen cijfermateriaal op, maar ‘taal’. Het kan gaan om spreektaal, bijvoorbeeld bij een interview, maar ook om lichaamstaal, bijvoorbeeld bij een observatie. Werken met taal houdt in dat men geen statistische analyses, maar inhoudsanalyses zal uitvoeren. Ook typerend voor kwalitatief onderzoek is dat de steekproef – de mensen die worden bevraagd of geobserveerd – vaak eerder klein is. In tegenstelling tot kwantitatief onderzoek, streeft men niet naar een steekproef die qua samenstelling representatief is voor de populatie. Men streeft eerder naar diversiteit in de doelgroep en rijkdom aan informatie bij de onderzochte doelgroep.
N
IE
VO
O
Een voorbeeld: een onderzoeker voert een onderzoek uit naar pestgedrag. Hij wil nagaan hoe jongeren pesten in de klas beleven. Welke betekenis heeft het voor de gepesten, maar ook voor de pesters? Hiervoor neemt hij interviews af bij gepeste kinderen en bij de pesters. Hij wil zowel jongens als meisjes bevragen en wil een onderscheid maken tussen jongeren jonger en ouder dan 14 jaar. In totaal bevraagt hij 24 jongeren. Ze worden geselecteerd op basis van de combinatie van drie criteria: pesten/gepest worden, geslacht en leeftijd. Op basis van een inhoudsanalyse van de interviews gaat hij na hoe deze gepesten en pesters het pestgedrag ervaren en welke betekenis het voor hun zelfbeeld heeft.
© VAN IN
Beide grondvormen zijn gelijkwaardige vormen van onderzoek en ze kunnen als complementair worden beschouwd, ze vullen elkaar aan. Het is mogelijk dat in één onderzoek zowel kwantitatieve als kwalitatieve methoden worden gecombineerd.
41
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
2.3
Verschillende tijdsperspectieven Vaak wordt onderzoek ook opgedeeld naargelang het tijdsperspectief dat wordt gehanteerd. In dit handboek diepen we dit thema niet verder uit. We leggen dan ook enkel een aantal frequent gebruikte termen uit.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Een eerste onderscheid is dit tussen cross-sectioneel en longitudinaal onderzoek. Bij cross-sectioneel onderzoek worden mensen eenmalig, op een bepaald tijdstip, onderzocht. Een onderzoeker neemt bijvoorbeeld vandaag een enquête over pestgedrag af in een bepaalde klas. Longitudinaal onderzoek loopt langer doorheen de tijd: er worden dan meerdere onderzoeksmomenten ingelast. Zo kan een onderzoeker een schooljaar lang, om de twee maanden, een enquête over pestgedrag afnemen, al dan niet bij dezelfde doelgroep.
Binnen longitudinaal onderzoek kan verder een onderscheid worden gemaakt tussen trend- en panelonderzoek. Bij trendonderzoek wordt op regelmatige tijdstippen onderzoek gedaan, maar niet telkens bij dezelfde doelgroep. Een voorbeeld: een minister laat jaarlijks een onderzoek naar pestgedrag bij 2 000 jongeren uitvoeren. Dit zijn telkens 2 000 andere jongeren, op basis van toeval geselecteerd. Het is hierbij de bedoeling om trends in een bepaald fenomeen te onderzoeken. De minister wil bijvoorbeeld weten of er veranderingen zijn in pestgedrag doorheen de jaren. Een ander, typisch voorbeeld van trendonderzoek zijn de verkiezingspeilingen. Bij panelonderzoek wordt ook op regelmatige tijdstippen onderzoek gedaan, maar wel bij dezelfde doelgroep. Een onderzoeker die een schooljaar lang om de twee maanden een enquête over pestgedrag afneemt, telkens in dezelfde klas, vormt hier een voorbeeld van. Het is dan de bedoeling om veranderingen binnen een groep te kunnen vaststellen.
N
IE
VO
O
Tot slot kunnen we retrospectief onderzoek onderscheiden van prospectief onderzoek. Retrospectief onderzoek blikt letterlijk terug in de tijd. Men probeert dan bijvoorbeeld gerapporteerde ideeën, attitudes of gedragingen in het heden te verbinden met gebeurtenissen uit het verleden van de respondenten. Een onderzoeker peilt bijvoorbeeld bij 100 volwassenen naar hun zelfwaardering. Hij vraagt ook of ze in hun kindertijd werden gepest op school. Uiteindelijk gaat hij na of respondenten die werden gepest een lagere zelfwaardering hebben dan de anderen. Prospectief onderzoek kijkt vooruit in de tijd. Hierbij vinden er meerdere onderzoeken op verschillende tijdstippen plaats. De resultaten van de verschillende onderzoeken probeert men met elkaar te verbinden. Een onderzoeker ondervraagt bijvoorbeeld 200 jongeren over pesten. Tien jaar later ondervraagt hij de intussen volwassen geworden groep opnieuw, en peilt hij naar hun zelfwaardering. Hij gaat na of de respondenten die tien jaar
© VAN IN
42
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
geleden aangaven dat ze werden gepest, op dit moment een lagere zelfwaardering hebben.
3
EISEN AAN ONDERZOEK
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Wetenschappelijk onderzoek doe je niet zomaar. Onderzoekers moeten voldoen aan allerlei kwaliteitscriteria; ze moeten rekening houden met de vereisten die onlosmakelijk verbonden zijn aan wetenschappelijk onderzoek. We bespreken hier de belangrijkste wetenschappelijke, ethische en praktische vereisten. Ze gelden voor fundamenteel en voor praktijkgericht onderzoek; voor kwantitatief en voor kwalitatief onderzoek. Onderzoek doen, rekening houdend met al deze criteria, vraagt van de onderzoeker de juiste wetenschappelijke houding, kennis en vaardigheden.
3.1
Wetenschappelijke eisen
Er zijn een aantal kwaliteitscriteria eigen aan wetenschappelijk onderzoek waaraan elke onderzoeker zich moet houden. Deze criteria bepalen de wetenschappelijkheid van onderzoek.
N
IE
VO
O
Empirisch Wetenschappelijk onderzoek moet in eerste instantie empirisch zijn. Het moet gericht zijn op onderwerpen die zintuiglijk waarneembaar zijn in de werkelijkheid. Een onderwerp, vraag of veronderstelling moet met andere woorden waarneembaar zijn. Een onderzoek naar het bestaan van God is niet empirisch. We kunnen het bestaan van God niet waarnemen of controleren door dit gegeven in de werkelijkheid na te gaan, af te toetsen. Een onderzoek naar de manier waarop mensen geloof beleven is wel waarneembaar en toetsbaar. De geloofsbelevingen van mensen kunnen we waarnemen in de werkelijkheid, bijvoorbeeld door er met hen over te praten of door hen te observeren. Sommige studies beschrijven fenomenen uit de werkelijkheid, andere studies gaan na of veronderstellingen in de werkelijkheid kloppen. Men formuleert dan eerst bepaalde hypothesen: dit zijn veronderstellingen of verwachtingen. Vervolgens gaat men na of deze hypothesen in de realiteit kloppen. We kunnen in een onderzoek naar agressie bij kinderen bijvoorbeeld veronderstellen dat jongens agressiever zijn dan meisjes. We zullen deze veronderstelling of hypothese dan waarnemen bij een steekproef van kinderen en nagaan of onze veronderstelling wel degelijk klopt voor deze onderzoeksgroep. We toetsen met andere woorden deze hypothese. Een hypothese toetsen via een onderzoek houdt in dat deze veronderstelling falsifieerbaar of weerlegbaar moet zijn. Dit betekent dat een hypothese
Š VAN IN
43
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
door middel van een goed onderzoek moet kunnen worden bevestigd of weerlegd. Zo kunnen we in ons onderzoek naar agressie bij kinderen besluiten dat jongens niet agressiever zijn dan meisjes. In dit geval hebben we onze veronderstelling weerlegd. De empirische cyclus
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
De empirische cyclus schetst het verband tussen theorie of ideeën (bestaande kennis) enerzijds, en empirie anderzijds. ‘Empirisch’ betekent ‘waarneembaar in de werkelijkheid’. Om fenomenen in de realiteit waar te nemen, worden er gegevens (data) verzameld. Er zijn twee bewegingen mogelijk in de empirische cyclus: deductie en inductie.
Inductie daarentegen vertrekt vanuit de empirische realiteit, de data. Fenomenen of gegevens worden in eerste instantie waargenomen. In deze waarnemingen is de onderzoeker op zoek naar wetmatigheden. Duiken er verschillen op tussen groepen, kunnen we verbanden tussen fenomenen vaststellen? Als onderzoekers dergelijke wetmatigheden ontdekken, gaan ze vervolgens op zoek naar verklaringen hiervoor: ze zullen een theorie formuleren. Een voorbeeld is dat onderzoekers bij de observatie van kinderen in lagere scholen zouden kunnen ontdekken dat oudere kinderen doorgaans minder fysiek agressief zijn dan jongere. Op basis van dit patroon (wetmatigheid) gaan ze op zoek naar een verklaring. Een idee dat ze opperen is dat oudere kinderen misschien verbaal sterker zijn en dat ze hun ruzies misschien verbaal beslechten. Dit proces van data naar theorie, is een voorbeeld van inductie.
N
IE
VO
O
Deductie vertrekt vanuit de theorie of ideeën. Op basis van een theorie of een idee worden onderzoeksvragen gesteld of hypothesen geformuleerd. Om een antwoord op deze onderzoeksvragen of hypothesen te bieden, wordt gekeken naar gegevens (data) uit de realiteit. Een voorbeeld van een theorie of een idee is dat er meer agressie optreedt als veel personen samen in een kleine ruimte zitten. Als we deze theorie op het onderwerp agressie bij schoolkinderen toepassen, zouden we de volgende hypothese kunnen formuleren: kinderen van grotere klasgroepen zullen vaker agressief gedrag vertonen dan kinderen van kleinere klasgroepen. Deze hypothese wordt dan getoetst aan de realiteit. We hebben hiervoor gegevens nodig over agressie bij kinderen in kleinere en grotere klasgroepen. Als in de realiteit inderdaad blijkt dat kinderen in grotere klasgroepen vaker agressief zijn, wordt de theorie bevestigd. Dit proces van theorie naar data, is een voorbeeld van deductie.
We spreken van een empirische cyclus, wat betekent dat fasen van inductie en deductie elkaar kunnen opvolgen. Dit kan binnen een
© VAN IN
44
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
E
zelfde onderzoek, maar het is ook goed mogelijk dat een onderzoek op een ander verder bouwt. In ons voorbeeld over inductie hadden de onderzoekers bijvoorbeeld het idee geformuleerd dat oudere kinderen misschien verbaal sterker zijn en dat ze misschien daardoor hun ruzies verbaal beslechten. Dit is een idee dat verder moet worden afgetoetst in de realiteit. Op basis van dit idee worden dan onderzoeksvragen of hypothesen geformuleerd, en vervolgens wordt in de realiteit nagegaan of de hypothesen kloppen. Zo ja, wordt de theorie bevestigd, zo nee, wordt ze weerlegd.
Een tweede bedenking is dat de empirische cyclus zowel kan starten vanuit de theorie, als vanuit de data. Het is mogelijk dat de volledige cyclus binnen één onderzoek wordt voltooid, maar dit hoeft niet. Onderzoeken bouwen op elkaar voort, en de cyclus zet zich verder over verschillende studies heen.
WETMATIGHEDEN
WAARNEMEN
© VAN IN
THEORIE IDEEËN
EMPIRIE DATA
45
DEDUCTIE
N
DE EMPIRISCHE CYCLUS
INDUCTIE
Figuur 1
IE
VO
O
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
Aanvullend geven we nog twee bedenkingen mee. In de empirische cyclus gebruiken we de term ‘wetmatigheden’. We willen erop wijzen dat er twee soorten wetmatigheden bestaan: deterministische wetmatigheden en probabilistische wetmatigheden. Deterministische wetmatigheden zijn wetmatigheden waarop geen uitzonderingen mogelijk zijn. Probabiliteit betekent waarschijnlijkheid, en verwijst hiermee naar de kans dat een fenomeen zich voordoet. Een probabilistische wetmatigheid betekent dus dat de kans groot is dat een fenomeen zich voordoet, of dat er een verband is tussen bepaalde factoren. Er zijn zeker uitzonderingen mogelijk, maar daarmee is de theorie niet weerlegd. In de sociale wetenschappen hebben we altijd te maken met probabilistische wetmatigheden. Het is dus cruciaal om te beseffen dat we steeds over kansen spreken, en dat er altijd uitzonderingen mogelijk zijn. Een voorbeeld: onderzoek heeft aangetoond dat rokers gemiddeld een lagere levensverwachting hebben. Dit betekent dat je als roker een verhoogde kans of risico hebt om vroegtijdig te sterven. Het gaat echter om kansen. Een kerngezonde honderdjarige die heel zijn leven heeft gerookt, bestaat. Deze uitzondering betekent echter niet dat we onze theorie moeten verwerpen!
ONDERZOEKSVRAGEN OF ONDERZOEKSHYPOTHESEN
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Onafhankelijk Onderzoek moet ook onafhankelijk zijn, zowel onafhankelijk van de opdrachtgever als onafhankelijk van de onderzoeker. Het is mogelijk dat een opdrachtgever een onderzoek laat opzetten, maar er eigenlijk bij gebaat is dat de resultaten een bepaalde richting uitgaan. Als een ziekenhuisdirectie bijvoorbeeld opdrachtgever is voor een onderzoek naar de tevredenheid van de patiënten over de afdeling psychiatrie, komt het haar wellicht goed uit als uit het onderzoek zou blijken dat de patiënten tevreden zijn. In dat geval moet de directie namelijk geen tijd, personeel en middelen investeren om te werken aan een hogere patiëntentevredenheid. De ziekenhuisdirectie zou daarom – bewust of onbewust – kunnen proberen om de resultaten van het onderzoek in positieve zin te beïnvloeden. Zo kan ze specifieke patiënten laten selecteren om deel te nemen aan het onderzoek: patiënten van wie ze vermoedt dat ze tevreden zijn. De directie kan er bij de onderzoeker ook op aansturen dat bepaalde aspecten van de werking in vraag worden gesteld bij de patiënten (aspecten die goed lopen en waarvan ze vermoedt dat de patiënten er tevreden over zijn) en andere aspecten niet aan bod komen in de bevraging (aspecten die minder goed lopen en waarbij er dus een groter risico is dat de patiënten er niet tevreden over zijn). Dan is er echter geen sprake meer van een onafhankelijk onderzoek. De resultaten geven in dit geval een vertekend beeld, doordat het onderzoek afhankelijk is van de ziekenhuisdirectie als opdrachtgever. Een onafhankelijk onderzoek kan de werkelijke situatie wel aan het licht brengen en ervoor zorgen dat er effectieve oplossingen worden bedacht om eventuele problemen aan te pakken.
N
IE
VO
O
Onafhankelijkheid betekent ook onafhankelijk van de invloeden van de onderzoeker. Een onderzoeker mag niet subjectief te werk gaan. Hij moet afstand houden van het onderzoeksonderwerp en hij mag zijn persoonlijke mening zo min mogelijk een rol laten spelen. Deze objectiviteit lijkt evident en eenvoudig, maar kan niet altijd worden gerealiseerd. Onderzoekers zijn namelijk ook mensen met een mening over allerhande onderwerpen. Als een onderzoeker bijvoorbeeld interviews afneemt over druggebruik bij jongeren is het niet altijd eenvoudig om zijn eigen mening hierover niet te laten doorschemeren in de manier waarop hij vragen stelt of in de manier waarop hij verbaal of non-verbaal op de antwoorden reageert. Bij actie-onderzoek is de onafhankelijkheid bewaken een extra aandachtspunt. Actieonderzoek is er namelijk op gericht om op basis van de onderzoeksresultaten een aantal aanbevelingen te formuleren voor veranderingsprocessen. Hier zullen de onderzoekers zelfs uitdrukkelijk hun visie weergeven. Het is daarbij belangrijk dat het onderzoek zelf altijd objectief gebeurt: de onderzoekers mogen de resultaten niet ‘sturen’. Wel mogen ze op basis van de resultaten hun eigen visie weergeven en acties opzetten.
© VAN IN
46
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Betrouwbaar De betrouwbaarheid (‘reliability’) van de onderzoeksresultaten is een belangrijk criterium om de kwaliteit van onderzoek te beoordelen. Betrouwbaarheid verwijst naar de exactheid van een onderzoek. Een onderzoek is betrouwbaar en exact als het bij herhaaldelijke uitvoering telkens dezelfde of heel gelijkaardige resultaten oplevert. Het basisprincipe luidt als volgt: ‘herhaal jijzelf of een andere onderzoeker het onderzoek op een ander moment, bij dezelfde of andere eenheden, dan moet je dezelfde of gelijkaardige resultaten bekomen’. We kunnen hierbij terugdenken aan het voorbeeld van de ziekenhuisdirectie die de tevredenheid van de patiënten over de afdeling psychiatrie wil onderzoeken. Een onderzoeker werkt een onderzoek uit om zicht te krijgen op de tevredenheid: welke patiënten zal hij in het onderzoek betrekken, hoe zal hij het onderzoek uitvoeren, hoe zal hij de gegevens die hij heeft verzameld analyseren … Stel nu dat hij dat onderzoek niet één keer uitvoert, maar honderd keer, dan is zijn onderzoek betrouwbaar als hij alle honderd keren ongeveer tot dezelfde resultaten komt. Als zijn resultaten van de honderd onderzoeken heel uiteenlopend zouden zijn, dan is zijn onderzoek onvoldoende betrouwbaar, niet exact genoeg. Als hij in sommige gevallen zou besluiten dat de patiënten over alles heel tevreden zijn; in andere uitvoeringen dat ze matig tevreden zijn over sommige aspecten en heel tevreden over andere aspecten; in nog andere uitvoeringen dat de patiënten extreem ontevreden zijn over de werking enzovoort, dan is zijn onderzoek niet betrouwbaar. In de realiteit zal een onderzoeker zijn onderzoek uiteraard geen honderd keer uitvoeren, maar slechts één keer of eventueel een beperkt aantal keren. Toch moet hij zijn onderzoek zo uitwerken dat het bij een hypothetische herhaling dezelfde of gelijkaardige resultaten zou opleveren. De resultaten moeten betrouwbaar zijn, ze moeten exact zijn of nog anders gezegd, ze moeten onafhankelijk zijn van toeval.
N
IE
VO
O
De exactheid van onderzoek kan in gevaar komen door toevalsfouten (ook ‘error’ genoemd). Bij onderzoek zal toeval altijd een rol spelen en er kunnen dan ook fouten optreden, louter door toeval. Het toeval zal vaak bepalen wie er in een steekproef wordt opgenomen en wie niet. Respondenten kunnen toevallige fouten maken bij het invullen van een vragenlijst. Een onderzoeker kan toevallige fouten maken bij de interpretatie van de resultaten. Toevallige fouten in de opzet en de uitvoering van het onderzoek kunnen de betrouwbaarheid aantasten. Hoe exacter het onderzoek wordt gepland en uitgevoerd, hoe kleiner de kans op toevallige fouten. Een onderzoeker moet daarvoor zeer nauwkeurig te werk gaan. Een onderzoeker moet duidelijk aangeven wat hij zal onderzoeken, wanneer en bij en met wie. Een onderzoeker moet vooraf een gedetailleerd en volledig plan van aanpak, een onderzoeksplan, uitschrijven en
© VAN IN
47
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
motiveren. Als de onderzoeker die de tevredenheid van patiënten in de afdeling psychiatrie onderzoekt bijvoorbeeld heel nauwkeurig uitschrijft hoeveel patiënten hij zal bevragen, hoe hij hen zal selecteren, wanneer hij hen zal bevragen, welke vragen hij zal stellen, op welke manier hij dat zal doen, hoe hij de resultaten zal samenvatten en analyseren … dan is de kans veel groter dat een herhaling van dit onderzoek dezelfde resultaten zal opleveren dan wanneer hij dat allemaal niet zou doen.
N
IE
VO
O
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Valide Naast betrouwbaarheid speelt validiteit (‘validity’) of geldigheid van de onderzoeksresultaten een grote rol. Meet het onderzoek wel wat het zou moeten meten of meet het eigenlijk iets anders? We leggen dit uit via een voorbeeld over een onderzoek in een grote secundaire school. Het onderhoudsteam meldt aan de directrice dat er de laatste tijd beduidend meer afval, zoals blikjes en flesjes van frisdranken, papiertjes van snoepgoed, etensresten en andere rommel, wordt achtergelaten op de speelplaats en in de klaslokalen. De directrice vraagt haar dochter, een studente orthopedagogie, om dit probleem te onderzoeken. De school wil inzicht verwerven in de afvalproblematiek om hiervoor een oplossing te kunnen uitwerken. De onderzoekster wil graag zicht krijgen op hoeveel leerlingen hun afval gewoon achterlaten in plaats van het in de vuilnisbakken te gooien. Zij bevraagt gedurende een bepaalde periode verschillende leerlingen uit verschillende studierichtingen en leeftijdscategorieën met de vraag of zij zich weleens schuldig maken aan het achterlaten van afval en rommel op de speelplaats en in de klassen. Uit haar bevraging blijkt dat de overgrote meerderheid van de leerlingen aangeeft geen afval en rommel achter te laten. Toch stellen de leerkrachten aan het einde van de meeste schooldagen vast dat noch de speelplaats noch de klaslokalen netjes worden achtergelaten. De leerlingen hebben dus sociaal wenselijke antwoorden (zie het hoofdstuk over kwantitatief onderzoek via enquêtes, paragraaf 1.2.6) gegeven toen hun rechtstreeks werd gevraagd of zij weleens hun afval achterlieten in plaats van het in de vuilnisbakken te gooien. De kans is groot dat de bevraging, als deze zou worden herhaald, opnieuw tot dezelfde resultaten zou leiden. In die zin is het een betrouwbare enquête. Maar het onderzoek is niet valide, aangezien het geen antwoord geeft op de gestelde onderzoeksvraag.
© VAN IN
Het stellen van vragen die sociaal wenselijke antwoorden kunnen opleveren, is een voorbeeld van een systematische fout die een onderzoeker kan maken. Systematische fouten kunnen de resultaten in een bepaalde richting sturen en op die manier voor vertekening (‘bias’) van de resultaten zorgen. Als we in een onderzoek te maken hebben met dergelijke fouten, dan is het onderzoek niet valide en kunnen de uitspraken op basis van het onderzoek ook niet als waar worden aangenomen.
48
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Een klassieke symbolische voorstelling van de begrippen validiteit en betrouwbaarheid gebeurt aan de hand van figuur 2. Deze figuur toont vier verschillende schietschijven, waarbij men op de roos mikt. Deze roos vormt in het kader van het onderzoek een symbolische voorstelling van de empirische werkelijkheid van een kenmerk bij een afgebakende doelgroep, bijvoorbeeld intelligentie bij 11-jarige meisjes uit Gent. Met het onderzoek wenst men betrouwbare en valide kennis over dat kenmerk bij die doelgroep te bekomen. De roos stelt de werkelijke intelligentie voor, de andere puntjes stellen de pogingen van verschillende worpen met de pijltjes voor. Vertaald naar onderzoek verwijzen al deze puntjes telkens naar de resultaten van één onderzoek naar de intelligentie bij 11-jarige meisjes uit Gent.
De validiteit wordt in de figuur voorgesteld door de mate waarin de verschillende pogingen evenredig verspreid liggen rond de roos. Bij de eerste en derde schietschijf situeren alle pogingen zich evenredig verspreid rondom de roos: er zijn geen systematische afwijkingen naar één of andere richting, dus men spreekt van validiteit. In de tweede en vierde figuur zien we wel systematische afwijkingen in een bepaalde richting: hier kunnen we niet spreken van validiteit. De betrouwbaarheid wordt in de figuur voorgesteld door de mate waarin de verschillende pogingen in elkaars buurt liggen. Bij de derde en vierde schietschijf liggen de pogingen ver uiteen: het onderzoek is niet betrouwbaar. In de eerste en de tweede schietschijf zijn de studies wel betrouwbaar. SYMBOLISCHE VOORSTELLING VAN DE BEGRIPPEN BETROUWBAARHEID EN VALIDITEIT
betrouwbaar valide
N
IE
VO
O
Figuur 2
© VAN IN
betrouwbaar niet valide
niet betrouwbaar valide
niet betrouwbaar niet valide
De begrippen betrouwbaarheid en validiteit verwijzen naar het vermijden van fouten in alle fasen van een onderzoek. We zullen dieper op de specifieke foutenbronnen ingaan in de hoofdstukken waar de verschillende fasen van het onderzoeksproces systematisch worden overlopen.
49
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
3.2
Ethische eisen Er zijn niet alleen wetenschappelijke eisen verbonden aan onderzoek, maar ook een aantal ethische aspecten vormen een belangrijke dimensie van goed onderzoek.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Een eerste basisprincipe is het recht op informatie. Deelnemers aan een onderzoek hebben recht op correcte informatie over de studie waaraan ze deelnemen. Ze moeten weten wie de opdrachtgever en de onderzoeker zijn. Bovendien moet worden aangegeven wat het doel van het onderzoek is en wat er met de informatie zal gebeuren. Het is echter niet wenselijk om teveel details over het onderwerp en zeker niet over de verwachte resultaten te vermelden. Anders riskeer je bijvoorbeeld dat de deelnemers sociaal wenselijk zullen antwoorden of reageren, en zul je te maken krijgen met systematische fouten, wat nadelig is voor de validiteit van het onderzoek. Bij bepaalde soorten onderzoek, bijvoorbeeld bij bepaalde experimenten, kan vooraf de doelstelling of het onderwerp aangeven het eigenlijke onderzoek zelfs in gevaar brengen. De deelnemer kan namelijk zijn gedrag aanpassen. In dergelijke situaties moet het onderwerp pas achteraf worden bekendgemaakt.
Vrijwilligheid is een ander ethisch aspect dat de nodige aandacht van onderzoekers verdient. Deelnemers aan een onderzoek participeren op basis van vrije wil. Ze hebben het recht om niet deel te nemen of om hun deelname op eender welk moment van het onderzoek stop te zetten. Als onderzoeker mag je uiteraard mensen motiveren of stimuleren tot deelname, maar elke vorm van dwang is uit den boze.
N
IE
VO
O
Ten slotte moet er ook de nodige aandacht worden besteed aan anonimiteit en vertrouwelijkheid. Deelnemers participeren bij voorkeur en waar mogelijk anoniem aan onderzoek. De basisrichtlijn is dat namen en identiteitsgegevens niet worden gevraagd. Soms ken je als onderzoeker wel de identiteit van de persoon, bijvoorbeeld als je mensen bij hen thuis gaat interviewen of als je mensen observeert. Dan moet je erover waken dat je deze gegevens niet koppelt aan de eigenlijke data die je in je onderzoek verzamelt. Als onderzoeker moet je er dus voor zorgen dat je na de dataverzameling niet kunt achterhalen wie wat heeft ingevuld. Daarnaast moet je waken over de vertrouwelijkheid. Zo mogen deelnemers niet herkenbaar worden weergegeven in de verwerking en rapportage van een onderzoek. Een voorbeeld: een onderzoeker neemt een enquête af over de tevredenheid bij patiënten in een psychiatrische afdeling. Hij neemt achteraf in zijn onderzoeksrapport een tabel op waarin de resultaten apart staan vermeld voor Vlaamse en Waalse patiënten. Als er in de afdeling psychiatrie maar één Waalse persoon verblijft, is hij onmiddellijk herken-
© VAN IN
50
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
baar. Een ander aspect van vertrouwelijkheid is dat je garandeert dat de antwoorden bij de onderzoeker blijven en niet zullen worden doorgegeven aan derden. De verwerkte gegevens mogen natuurlijk worden verspreid, maar de afzonderlijke enquêtes, de gegevens per interview … mogen enkel worden ingezien door de onderzoeker zelf.
3.3
Praktische eisen
O
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Ten slotte gelden er ook een aantal praktische criteria. Onderzoek moet ten eerste zo efficiënt en budgetvriendelijk mogelijk worden gerealiseerd binnen een vooraf bepaalde termijn. In praktijkgericht onderzoek moeten de resultaten bovendien ook bruikbaar zijn. De resultaten moeten een antwoord kunnen bieden op een vraag of een probleem uit de praktijk. Het onderzoek mag niet louter kennis opleveren waar men verder niets mee kan aanvangen. Onderzoeksresultaten moeten organisaties in staat stellen om de werkelijkheid, een bestaande praktijksituatie, te veranderen. Hierbij zijn de conclusies van het onderzoek van belang en de beleidsaanbevelingen en/of -maatregelen waarin het resulteert. Deze aanbevelingen en maatregelen moeten realistisch en financieel haalbaar zijn, ze moeten stroken met de visie en missie van de organisatie en er moet voldoende draagvlak voor zijn. De kwaliteit van elk onderzoek hangt bovendien ook af van de onderzoekscompetenties en -expertise van de onderzoeker. Het is belangrijk dat je je als onderzoeker bewust bent van je vaardigheden en eventuele beperkingen op dit vlak. Je moet je onderzoeksopzet daarop afstemmen, zodat je niet meer belooft dan je op een kwaliteitsvolle wijze kunt afleveren. Ook dit aspect bepaalt dus de praktische haalbaarheid van je onderzoek. Het is aangewezen dat opdrachtgever en onderzoeker voorafgaand duidelijke inhoudelijke (doelstelling en verwachtingen, aanpak onderzoek) en praktische afspraken (deadlines, middelen) maken en contractueel vastleggen.
HET ONDERZOEKSPROCES: FASEN IN EEN ONDERZOEK
N
IE
VO
4
© VAN IN
Elk onderzoek bestaat uit een aantal fasen die elkaar opvolgen. Dit wordt het onderzoeksproces genoemd. We omschrijven hier kort wat deze fasen inhouden. In de andere hoofdstukken van het handboek diepen we ze verder uit en concretiseren we ze aan de hand van een onderzoek naar alcoholgebruik bij studenten. Dit onderzoek vormt de rode draad doorheen dit handboek.
51
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Elk onderzoek start met de opmaak van een onderzoeksplan. Eerst stel je een probleemstelling op: je schetst de aanleiding en de doelstelling van het onderzoek, je bakent het onderwerp en de doelgroep af en je formuleert onderzoeksvragen. Vervolgens werk je een onderzoeksontwerp uit dat aansluit bij de probleemstelling. Je werkt uit wat je zult onderzoeken, welke kenmerken je zult beschrijven of welke verbanden tussen kenmerken je in kaart zult brengen. Je geeft ook aan bij wie je dat zult onderzoeken, wie je onderzoekseenheden (populatie en steekproef) zullen zijn. Tot slot bepaal je hoe je te werk zult gaan, welke methoden en instrumenten je zult hanteren om de onderzoeksvragen te beantwoorden. Een belangrijke keuze bij het onderzoeksontwerp betreft de grondvorm: kies je voor kwantitatief of kwalitatief onderzoek, of combineer je beide vormen eventueel? Deze keuze heeft gevolgen voor wat, wie en hoe je kunt of zult onderzoeken. Nadat het onderzoeksontwerp werd bepaald, kan de eigenlijke dataverzameling starten. Dit houdt in dat je gegevens verzamelt aan de hand van het dataverzamelingsinstrument bij de beoogde steekproef. Op die manier verzamel je de nodige informatie om de onderzoeksvraag of -vragen te beantwoorden. Figuur 3
FASEN IN HET ONDERZOEKSPROCES
probleemstelling
onderzoeksplan
Bepalen grondvorm
dataverzameling
data-analyse
N
IE
VO
O
onderzoeksontwerp
rapportage
Š VAN IN
52
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Eenmaal de data zijn verzameld, kun je overgaan tot de data-analyse. Je verwerkt en bestudeert de data zodat je een antwoord op de onderzoeksvragen kunt formuleren. De methode die je gebruikte bij de dataverzameling zal bepalen hoe je de verzamelde gegevens moet analyseren. Sommige methoden (zoals alle vormen van enquêteonderzoek) vereisen statistische analyses. De data worden dan kwantitatief of cijfermatig benaderd door berekeningen uit te voeren, tabellen te maken, grafieken te ontwerpen … Andere methoden (zoals het interview) vragen inhoudelijke analyses. De data worden dan kwalitatief geanalyseerd, bijvoorbeeld door ze per thema te ordenen, op zoek te gaan naar patronen …
Als de data-analyse is afgerond, volgt uiteindelijk de rapportage. In deze fase is het de bedoeling dat de onderzoeksvragen worden beantwoord op basis van de analyses. Daarnaast blik je ook terug op het volledige onderzoeksproces: wat heb je gedaan, is alles naar wens verlopen, op welke tekortkomingen ben je gebotst … Dit alles wordt dan gerapporteerd aan een ruimer publiek, bijvoorbeeld via een onderzoeksrapport, een terugkoppeling op een teamoverleg of een studiedag …
We raden je ook aan om van bij het begin van het onderzoek een logboek bij te houden. In een logboek, een soort dagboek of notitieboek, vermeld je alle methodologische, inhoudelijke en praktische keuzes, ideeën, argumenten en opmerkingen die je in de loop van het onderzoeksproces neemt. Tijdens en na het onderzoek blik je regelmatig op gemaakte keuzes en beslissingen terug. Een logboek is belangrijk om na afloop van het onderzoek te kunnen motiveren waarom je een bepaalde beslissing hebt genomen en wat de gevolgen van deze beslissing voor de gerealiseerde onderzoeksresultaten zijn.
N
IE
VO
O
Een onderzoeksproces bestaat dus uit verschillende fasen. Er gaat een goede planning aan vooraf om al die fasen op een vlotte manier te doorlopen en af te ronden. Beginnende onderzoekers denken vaak dat onderzoek vooral uit de fase van de dataverzameling bestaat, die bijvoorbeeld interviews afnemen of een enquête laten invullen kan omvatten. Ze maken dan vaak de fout om in hun onderzoeksplanning vooral voor die fase tijd uit te trekken. Maar onderzoek is veel meer dan dat. Aan de dataverzameling gaat in eerste instantie een hele voorbereiding vooraf, maar na de dataverzameling volgen daarnaast ook nog de belangrijke fasen van de data-analyse en de rapportage. Een goede aanpak van deze fasen vraagt de nodige tijd en aandacht van de onderzoeker. Je moet hier rekening mee houden bij de planning van je onderzoek.
© VAN IN
53
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 3: Basisbegrippen
N
IE
VO
O
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
We begonnen deze paragraaf met de vaststelling dat elk onderzoek vanuit een concrete vraagstelling vertrekt. Je doet onderzoek om daarop een antwoord te bieden. Vaak roept onderzoek echter evenveel of meer vragen op dan dat er worden beantwoord. Zo kan het ene onderzoek een aanleiding zijn tot een nieuw, vervolgonderzoek. Zo start het onderzoeksproces van voren af aan, met dezelfde onderzoeker of met een andere.
Š VAN IN
54
Academiejaar 2020-2021
4 Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
IE
N
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
O
VO
E
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
O
Inleiding
VO
1
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
De psychologie tracht gedrag en mentale processen te beschrijven, te verklaren en te voorspellen. Het boeiende in onze contacten met andere mensen en culturen is de rijkdom aan beschrijvingen die wij eraan kunnen geven, de veelheid aan verklaringswijzen en de soms zeer grote onvoorspelbaarheid. Die verschillen hebben voor een groot deel te maken met vragen als ‘Waartoe stelt iemand dit gedrag?’, ‘Waarom stelt iemand nu precies dit gedrag?’ ... vragen dus over de motivatie. Ook hebben de verschillen te maken met de uitingswijzen van gedragingen en mentale processen. Die uitingswijzen worden mede bepaald door emoties. In dit hoofdstuk trachten we zicht te krijgen op motivaties die als gids kunnen dienen in onze persoonlijke en interpersoonlijke gedragingen. In dit hoofdstuk verkennen we de emoties die in contacten met anderen gedrag en mentale processen van anderen en van onszelf sturen. We gaan na wat de motivatiepsychologie bijdraagt tot het verklaren en voorspellen van gedrag en mentale processen. We trachten een aanzet te geven om de doelgerichtheid in onze gedragingen te beschrijven. Ook bespreken we de conflicten die kunnen optreden wanneer we verschillende doelen nastreven. We duiden kort aan in welke mate begrippen als instincten, driften en behoeften in de evolutie van het psychologische denken werden gehanteerd. Belangrijk daarbij is de manier waarop wijzelf omgaan met doelen, of wij zicht hebben op gestelde doelen en hoe wij die doelen trachten te realiseren.
N
IE
Mensen vertonen de meest uiteenlopende gedragingen, kennen de meest verscheiden mentale processen. Veel van die gedragingen en mentale processen zijn aangeboren, andere aangeleerd. Psychologen trachten die gedragingen en mentale processen te beschrijven, er een verklaring voor te geven en de voorspelbaarheid ervan na te gaan. Het beschrijven en het leren kennen van het gedrag is blijkbaar de gemakkelijkste opdracht.
© VAN IN
57
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
■■
De behavioristen (zie hoofdstuk 'Psychologie in de dagelijkse praktijk', punt 4.2 'De behavioristische stroming') maakten het zich daarbij gemakkelijk: ze beschreven alleen wat ze zagen, wat ze konden meten. Zij waagden het niet te verklaren waarom een bepaald gedrag gesteld wordt. Wat in het individu gebeurt, is volgens hen toch niet vast te stellen. een droge mond S (Stimulus)
E
Andere stromingen in de psychologie daarentegen trachten te verklaren wat zich in het individu afspeelt en voegen een tussenliggend motief toe. In het voorbeeld gaat het om een fysiologische behoefte die bevredigd moet worden.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
■■
een droge mond S (Stimulus)
■■
→
water drinken R (Respons)
dorst O (Organisme)
water drinken R (Respons)
De motivatiepsychologie zoekt antwoorden op de vragen naar die motieven. Meer bepaald gaat zij op zoek naar antwoorden op vragen over het waarom en het waartoe van ons gedrag.
IE
VO
O
Waarom stelt iemand op een > Bij een ongeval ‘s avonds op de ringweg te Merelbeke duikt een bestelwagen in het koude water van de ringvaart. De bepaald ogenblik een bepaald chauffeur kan zich redden maar zijn dochtertje Manon begedrag en iemand anders niet? landt in het water en blijft hangen aan een pijler van een brug Wat duwt ons tot een bepaalde over de vaart. De toegesnelde toeschouwers zien dat zij haar manier van handelen (duwgreep niet zal kunnen houden en meegesleurd zal worden kracht)? door het water. Zeker met z’n honderd zien ze het gebeuren. Plots wordt het J.D. te veel. Hij springt in het water en slaagt erin Manon te redden. De anderen kijken bewonderend naar hem op. ‘Je moet het maar doen’, mompelen ze tegen elkaar. Zelf zou geen van hen het hebben gedaan.
N
Wat motiveert ons, wat trekt > Raar volkje toch, die ultralopers: ze trainen zich droog om toch maar hun tijd over honderd kilometer afstandlopen te ons aan bij het handelen (aanverbeteren. Maar ook de honderdmetersprinter is dagelijks trekkingskracht)? met zijn sport bezig en traint keihard om op de kampioenschappen beter te presteren dan vorig jaar en vooral beter dan al die andere hardlopers.
© VAN IN
58
Academiejaar 2020-2021
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
Ook over minder spectaculaire gedragingen die we dagelijks stellen, kunnen we dezelfde vragen stellen. > Waarom wil Anke nu plots gaan lijnen?
> ‘Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt te trouwen’, zegt Bert stoer tegen zijn vrienden. ‘Geef mij maar het vrijgezellenleven.’
> Waarom is Lars nu ineens gaan studeren en wat weerhoudt Cato ervan verder te studeren?
> Waarom hebben Nathan en Lennert telkens weer de behoefte om op zaterdagavond zo hard met de wagen te rijden?
O
> Wat brengt er Ines uiteindelijk toe om te gaan zwemmen in plaats van naar de film te gaan?
IE
VO
We stellen ons dagelijks heel wat vragen waarop we graag een antwoord willen weten, niet alleen uit nieuwsgierigheid maar ook om het gedrag van de ander te kunnen begrijpen en het te kunnen voorspellen.
N
Ook het zoeken naar motiveringen voor ons eigen gedrag is nuttig. Het stellen van dergelijke vragen kan boeiend zijn, al was het maar om meer zicht te krijgen op de gevolgen ervan. > Na drie jaar in het labo te hebben gewerkt, weet Jan het wel: hij had beter geen scheikunde gestudeerd. Het beroep ligt hem helemaal niet. Maar zijn beste vrienden gingen naar de Hogeschool om biochemie te studeren en hijzelf had voor zichzelf nog niet uitgemaakt wat hij zou gaan doen na de secundaire schooltijd. Hij is toen maar meegegaan met zijn vrienden.
© VAN IN
59
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
We proberen te achterhalen welke factoren richting geven aan ons gedrag of welke elementen ons gedrag stimuleren. Op basis van de antwoorden op de vragen omtrent de duwkracht en de aantrekkingskracht wordt het mogelijk onszelf en anderen te motiveren om een bepaald gedrag te stellen of een ander helemaal niet, bijvoorbeeld stoppen met roken, veilig vrijen, trager rijden in de bebouwde kom, muziek stiller zetten. > Je vrienden stopten op 1 januari met roken. Daar hadden ze elk hun motivering voor. Jonas zou met het gespaarde geld tijdens de vakantie op reis gaan. Djamila wist dat haar vriend het leuker zou vinden. Jarne moest het doen van de atletiektrainer. Yannick had gewoon te weinig
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
zakgeld. Britt was naar de acupuncturist geweest: ‘Het zou wel lukken’, had ze gezegd.
Wanneer we het over motivaties hebben, hebben we het over het waarom en het waartoe van ons gedrag. De antwoorden op die vragen kunnen ons helpen gedrag beter te begrijpen. Soms kunnen de antwoorden een richting aanduiden in het voorspellen van toekomstig gedrag. In dat geval kunnen we met meer succes de gevolgen van bepaalde gedragingen vooraf overwegen. In sommige gevallen kunnen we onszelf en anderen helpen motiveren tot het al dan niet stellen van bepaald gedrag.
2
Begripsomschrijving
2.1
Het taalgebruik
O
In ons taalgebruik wordt het begrip motivatie geregeld gebruikt. Dagelijks hebben we het over dingen waarvoor we al of niet gemotiveerd zijn. We hebben het hier dan niet over het begrip motiveren in de betekenis van ‘met redenen omkleden’.
VO
> Babs zei dat ze bijzonder gemotiveerd was om alles op alles te zetten bij het eindexamen: ze mocht met haar ouders mee naar Thailand als ze slaagde!
IE
> Had Mohamed maar les gehad van die leraar wiskunde die aan de andere klas lesgeeft. Die
N
weet zijn leerlingen tenminste te motiveren.
> Talent heeft hij wel, de broer van Lore. Het ontbreekt hem alleen aan een goede motivatie om door te zetten wanneer het wat moeilijk wordt. Misschien zal het beteren als zijn baby geboren is. > Je ziet zo aan de spelers dat ze niet gemotiveerd zijn als ze moeten spelen tegen een club uit een lagere klasse.
Wanneer we het over motivatie hebben, bedoelen we telkens die factoren die aan ons gedrag richting en energie geven.
© VAN IN
60
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
2.2
Motivatie en motivatiepsychologie Motivatie gaat over mechanismen in ons organisme die verantwoordelijk zijn voor: a de voorkeur voor één activiteit boven een andere; b de felheid waarmee dat gedrag wordt uitgevoerd; c de volharding om een doel te bereiken.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Motivatiepsychologie is de studie van het ontstaan, de richting, de intensiteit en de duur van doelgericht gedrag (Jones, 1955). Als we dat vertalen in dagelijks gedrag, dan herkennen we dat soms zelf gemakkelijk. Het is echter niet altijd zo voor de hand liggend. Waarom begint het nu? Waarom deed hij het op dat moment?
> ‘Tijdens de vakantie, toen er een nieuwe jobstudente aan de kassa stond, ...
de richting, het doel
Wat begint hij te doen?
> … ging Bart zonder morren boodschappen doen ...
de intensiteit
Waarom spant hij zich daarbij hard in?
> ... desnoods ook om dat potje mayonaise dat hij daarnet toch wel vergeten was ...
de duur
Hoeveel tijd besteedt hij aan dat gedrag?
> ... en dat duurt nu toch al drie weken’, zegt zijn moeder tegen de buurvrouw.
van een doelgericht Wat wil hij ermee bereigedrag ken?
> Ze vraagt zich af wat daarachter kan zitten. Waarom is Bart nu ineens toch zo veranderd?
VO
O
het ontstaan
N
IE
We kunnen motieven en motivatie niet rechtstreeks observeren. We kunnen alleen aan het gedrag van iemand zien of hij wel degelijk gemotiveerd is en waardoor hij gemotiveerd wordt. Motieven en motivatie zijn theoretische verklaringen die worden afgeleid uit het gedrag.
> Babs kan nog zoveel zeggen dat ze gemotiveerd is om door te zetten bij haar studies, maar als ze zo nodig naar Gilmore Girls en Grey’s Anatomy wil kijken, net voor haar zwaarste examens, maakt haar moeder zich terecht zorgen om die fameuze motivatie van haar Babs. > Voor iemand die zegt dat hij sinds een week gemotiveerd is om te stoppen met roken, is het roken van vijf sigaretten vandaag toch veel, vinden zijn beste vrienden.
© VAN IN
61
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
3
De doelgerichtheid van het gedrag
3.1
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
De motivatiepsychologie leert ons dat we niet zomaar handelen. Vaak willen we met ons gedrag een doel bereiken. Wetenschappers zullen nog jaren werk hebben om op zoek te gaan naar mogelijke verklaringen en motieven voor gedragingen die we dagelijks stellen. Psychologen hebben al heel wat denkwerk verricht om de doelen die we met ons gedrag willen bereiken in kaart te brengen. Boeiend daarbij is dat wij altijd maar gedragingen stellen die elk hun eigen motief of doel hebben. We zullen al ondervonden hebben dat een aantal van die motieven met elkaar kunnen botsen. Hoe lossen we de conflicten tussen de verschillende doelen die wij willen bereiken, op?
Soorten doelgerichtheid
Gedrag dat gemotiveerd is, kent een doel en wil dat doel ook nastreven. Wat die doelgerichtheid van gedragingen, het nastreven van doelen betreft, gebruiken we de indeling zoals we die terugvinden bij W. Lens e.a.1 Men onderscheidt vier typen motivationele gerichtheden (doelen) van gedrag. doel: onlustvolle gedragingen voorkomen vermijdingsgedrag
1 passief vermijdingsgedrag
O
2 actief vermijdingsgedrag (ontsnappen)
N
IE
VO
doel: positieve, aangename doelen bereiken toenaderingsgedrag
1
Š VAN IN
> Jannis stopt met studeren. Ze denkt dat ze niet zal slagen. > Joris is zwak voor Frans. Hij vreest het niet te halen. Hij gaat daarom tweemaal per week avondles Frans volgen.
3 iets nastreven wat men niet > Mateo zet zich harder in dan vorig jaar. Hij wil zeker heeft slagen om daarna aan een opleiding Elektronica te kunnen beginnen. 4 trachten te behouden wat > Fleur had vorig jaar goemen heeft, namelijk een aande punten voor talen. Ze gename toestand of een posiwas de eerste voor Frans. tieve ervaring Houden zo, denkt ze en ze leest met plezier haar Franse boeken.
Lens, W., Inleiding in de psychologie. Leuven, Universitaire Pers, 1996, p. 264.
62
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
3.2
Doelgerichtheid van de opeenvolgende gedragingen die we uitvoeren
Dagelijks voeren we het ene gedrag na het andere uit. Elk gedrag heeft zijn eigen motivatie. Uitspraak doen over de motivatie voor dat ene gedrag kan niet los worden gezien van de motivaties van voorafgaand gedrag of volgende gedragingen. > Frauke heeft morgen examen voor wiskunde ĂŠn Engels. Ze wil het wel goed doen want ze heeft de punten nodig. Om 18 uur stopt ze met studeren en gaat ze eten. Het moment waarop Frauke stopt met studeren is afhankelijk van de sterkte van haar studiemotivatie, maar ook van de sterkte van haar hongergevoel. Ze zal sneller komen eten naar-
E
mate haar studiemotivatie kleiner is en naarmate ze meer honger heeft.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
Boeiend daarbij is de vraag hoe een gedragsverandering veroorzaakt wordt. Hoe stappen wij van het ene gedrag over naar het andere? Volgens Atkinson en Birch wordt een gedragsverandering veroorzaakt doordat een bepaald gedrag voor de persoon ineens belangrijker wordt. Volgens beide auteurs bestaat er tussen gedragstendensen een verschil in sterkte. Soms liggen gedragstendensen met elkaar in conflict.
IE
VO
O
Hoe komt het dat Heleen om 18.30 uur haar studie onderbreekt om een versnapering te eten, terwijl Lotte dat pas doet om 19.30 uur? In die herkenbare situatie noemen we de gedragstendens voor studeren Ts (Tendens voor studeren). De gedragstendens voor eten noemen we Te (Tendens voor eten). Heleen (1) en Lotte (2) zijn beiden even sterk gemotiveerd om te studeren.
N
Maar na enige tijd zwakt die motivatie wel af bij beide studenten. Toen ze om 16.30 uur begonnen te studeren, waren ze allebei even zwak gemotiveerd om iets te eten (Te1 = Te2). Maar Heleen had voor haar middagmaal alleen een snelle hap gekregen, terwijl Lotte een flinke portie spaghetti gegeten had. Naarmate Heleen de geuren van de dampkap via haar openstaande kamervenster kan opsnuiven, wordt zij vlugger geconfronteerd met Te1. Hoewel zij even sterk gemotiveerd zijn voor hun toetsen, zal Lotte langer studeren (19.30 uur) dan Heleen (18.30 uur).
Š VAN IN
63
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
3.3
Motivationele conflicten
Wanneer we gemotiveerd zijn om een doel na te streven, kan dat soms in conflict treden met het nastreven van een ander doel. Het ingaan op een motief betekent dan vaak dat men op een ander motief niet kan ingaan. In dat geval spreken we van een frustratie. > Diane wil haar feuilleton niet missen, maar een uitnodiging voor de film op datzelfde moment vindt ze toch ook het overwegen waard. > Door te stoppen met roken voelt Niek zich goed. En dat wil ze wel zo houden. Maar toch heeft ze bijzonder veel last van de bijverschijnselen van het stoppen. Op een feestje bij familie heeft
E
ze het bijzonder moeilijk.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
> Pieter weet wel dat er iets zal zwaaien als hij zijn huistaak niet maakt. Straf volgt er zeker. Maar aan die ellenlange oefeningen heeft hij eigenlijk ook geen boodschap.
> Het boek boeide Niels geweldig die avond. Akkoord, de match op tv had hij ook wel graag gezien, maar hij had gekozen voor het boek. Toen zijn vrienden hem de volgende dag het verslag van de match deden en de gescoorde wereldgoal beschreven, zei hij dat hij tijdens de match maar een stom boek had gelezen.
Neal Miller identificeerde, aansluitend op het schema van de soorten doelgerichtheid (zie vorige pagina's), vier soorten motivationele conflicten in het dagelijkse leven: ■■ het toenaderings-toenaderingsconflict; ■■ het toenaderings-vermijdingsconflict; ■■ het vermijdings-vermijdingsconflict; ■■ het dubbel toenaderings-vermijdingsconflict.
VO
O
Elk van de vier typen zorgt voor stress. De meeste mensen die dergelijke motivationele conflicten meemaken, neigen ernaar gespannen te zijn, vlug irriteerbaar en meer vatbaar voor psychologische en fysieke problemen.
IE
Daarbij verwijzen we terloops naar de sterke band die er is tussen motivaties en emoties.
N
> Tom is in het gewone leven een flink opgevoede, welgemanierde jongvolwassene. Groot was dan ook de verbazing toen hij zich gisteren in het restaurant bijzonder zenuwachtig maakte omwille van de trage bediening. Hij was zelfs agressief tegen de jobstudent die er werkte. ‘Ik had blijkbaar zeer grote honger’, zei hij achteraf om zijn gedrag dunnetjes goed te praten.
© VAN IN
64
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
het toenaderings-toenaderingsconflict
E
In beide voorbeelden doet zich een conflict voor: Diane en Jeroen zijn ongeveer even sterk gemotiveerd voor twee doelen. Ze zullen echter een keuze moeten maken en een van de doelen moeten laten vallen. Dat conflict is vrij makkelijk op te lossen. Alleen zullen Diane en Jeroen een tijdje in een toestand van twijfel zitten. Naarmate ze eerder aanleunen bij een van de twee doelen zal de tendens of neiging om het ene doel te bereiken groter worden. De tendens naar het ander doel zal zwakker worden.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
> Diane wil haar feuilleton niet missen, maar een uitnodiging voor de film op datzelfde moment vindt ze toch ook het overwegen waard. > Jeroen krijgt op dezelfde dag twee interessante aanbiedingen voor een vakantiejob. Hij zeurt zijn moeder de oren van het hoofd om voor hem te beslissen wat hij moet doen.
O
het toenaderings-vermijdingsconflict
N
IE
VO
> Door te stoppen met roken voelt Niek zich goed. En dat wil ze wel zo houden. Maar toch heeft ze bijzonder veel last van de bijverschijnselen van het stoppen. Op een feestje bij familie heeft ze het bijzonder lastig. > Michiel is een uitstekende judoka. Hij mag met de elite naar internationale wedstrijden gaan. Hij wil eigenlijk niets liever, het is een droom die in vervulling gaat. Maar zijn enorme schrik voor vliegtuigreizen knaagt bijzonder erg.
Š VAN IN
Sommige doelen hebben zowel een negatieve als een positieve beleving. Dat bezorgt ons een toenaderings-vermijdingsconflict waarbij we even sterk worden aangetrokken als afgeschrikt. In de psychologie (Neal Miller) neemt men aan dat de vermijdingstendens sneller stijgt dan de toenaderingstendens. Maar wanneer de vermijdingstendens daalt, door bijvoorbeeld niet meer aan het onaangename te denken, stijgt de toenaderingstendens opnieuw. Dat conflict is moeilijk op te lossen.
65
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
het vermijdings-vermijdingsconflict
E
Hier gaat het om twee onaangename alternatieven waartussen Pieter en Alexandra moeten kiezen. Eigenlijk willen ze de twee negatieve doelen vermijden. Maar naarmate Pieter eerder tracht zijn huistaak niet te maken, denkt hij steeds weer aan die straf die boven zijn hoofd hangt. Dan stijgt weer de neiging om die straf te vermijden. Alexandra wil vermijden dat zij niet mag meespelen op zondag maar zij wil ook die training tijdens de week vermijden. Dat conflict is moeilijk op te lossen. Maar als het conflict te erg wordt, kiest het individu voor een van de onaangename doelen om zo uit het conflict te komen.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
> Pieter weet wel dat er iets zal zwaaien als hij zijn huistaak niet maakt. Straf volgt er zeker. Maar aan die ellenlange oefeningen heeft hij eigenlijk ook geen boodschap. > Alexandra weet dat er iets zal zwaaien als zij niet naar de training komt: op zondag staat zij dan niet in het eerste elftal. Wedstrijden speelt ze heel graag, maar aan trainen heeft ze een broertje dood.
het dubbel toenaderings-vermijdingsconflict
Inge is door het aanzoek van Peter terechtgekomen in een toenaderings-toenaderingsconflict. Zij moet een keuze maken tussen de twee gewenste doelen. Kiest ze voor Peter, dan moet ze Jochen laten vallen, en omgekeerd. Elk alternatief heeft oorspronkelijk alleen een positieve betekenis (Jochen en Peter zijn beiden leuk). Maar omdat het bereiken van het ene doel de oorzaak is van het niet kunnen bereiken van het andere, krijgt het eerste doel nu ineens een negatieve betekenis (Jochen is er de oorzaak van dat Inge Peter moest laten vallen). Zo ontstaat er ten opzichte van elk van beide objecten een toenaderings-vermijdingsconflict. Men spreekt daarom van een dubbel toenaderings-vermijdingsconflict.
N
IE
VO
O
> Het boek boeide Niels geweldig die avond. Akkoord, de match op tv had hij ook wel graag gezien, maar hij had gekozen voor het boek. Toen zijn vrienden hem de volgende dag het verslag van de match deden en de gescoorde wereldgoal beschreven, zei hij dat hij tijdens de match maar een stom boek had gelezen. > Inge voelt bijzonder veel voor Jochen, met wie ze al een tijdje samen is. Op vakantie leerde zij Peter kennen en daar zag zij ook wel wat in. Op zijn leuk aanzoekje ging zij echter niet in; tenslotte was er nog Jochen die zij niet kwijt wil. Toch viel het Jochen op dat Inge zich na de vakantie een tijd bijzonder onaangenaam en kregelig gedroeg tegenover hem.
Š VAN IN
66
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
4
Motivatietheorieën
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
In de filosofie en de psychologie is er al lang onderzoek georganiseerd om vat te krijgen op het waarom en het waartoe van ons handelen. Een allesomvattende theorie zal moeilijk haalbaar zijn gezien de variëteit en het complexe karakter van ons handelen. We beperken ons tot de samenvatting van enkele grote strekkingen binnen dit onderzoek. Elk van de geciteerde strekkingen behandelt enkele specifieke begrippen die te maken hebben met het dynamische karakter van ons gedrag, met ‘de gidsen van ons gedrag’. Biologische invalshoek
Psychologische invalshoek
4.1 Instincttheorieën 4.2 Drifttheorieën
4.3 Cognitieve theorieën 4.4 Behoefteleer
4.1 4.1.1
Instincttheorieën
Situering
Een van de oudere theorieën die een verklaring wil geven over het waarom van ons gedrag steunt op de overlevingsdrang en is geïnspireerd op Darwin.
4.1.2
Basisidee
VO
O
Volgens deze redenering zouden mensen geboren zijn met een stel voorgeprogrammeerde gedragingen die zij nodig hebben om te overleven. Seksualiteit werd dan uitgelegd als antwoord op het instinct om zich voort te planten. Andere instincten waren het instinct om de honger te stillen, de dorst te lessen …
4.1.3
Vertegenwoordiger
N
IE
McDougall (1923) trachtte de doelgerichtheid van het gedrag te verklaren door een beroep te doen op het begrip instinct. Hij beschouwde een instinct als een aangeboren capaciteit tot het stellen van doelgericht gedrag. Instinctpsychologen, zoals ze nu worden genoemd, gingen op zoek naar de basisinstincten van de mens. William McDougall (1908) meende er 18 te onderkennen (waaronder strijdlust en streven naar gezelligheid). Bernard (1924) vond in de literatuur 14 046 verschillende menselijke gedragingen die als instinctief werden bestempeld en gebaseerd waren op 850 instincten.
© VAN IN
67
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
4.2
Drifttheorieën
4.2.1
Situering
Met zijn dynamische psychologie poogde Woodworth (1918) inzicht te krijgen in de gedragsprocessen van de mens. Hij ging op zoek naar het hoe en het waarom van het gedrag. Hij verving daarbij het begrip instinct door het begrip drift.
4.2.2
Basisidee
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Driften zijn gebaseerd op de concrete fysiologische toestanden van het organisme (o.m. dorstig, hongerig). Driften zetten aan tot actie, ze bepalen echter niet welke actie zal uitgevoerd worden. Welke actie wordt uitgevoerd is afhankelijk van o.m. gewoontevorming (als gevolg van een S-R verbinding – zie hoofdstuk 'Psychologie in de dagelijkse praktijk', punt 4.2 'De behavioristische stroming'). Na een succesvolle actie zijn de driften gereduceerd. Men maakt daarbij onderscheid tussen: ■■ primaire of aangeboren driften: fysiologisch ontstane drijfveren; ■■ secundaire of aangeleerde driften: verschillen van cultuur tot cultuur.
4.3 4.3.1
Cognitieve theorieën
Situering
VO
O
De driftenleer en de instinctenleer zochten een verklaring voor motivaties op een biologische, neurofysiologische en fysieke basis. De cognitieve theorieën stellen een meer psychologische basis op voor de verklaring van motivaties.
We zetten ons voor iets in omdat we weten dat we ons prettig zullen voelen wanneer we ons doel bereiken. Op basis van onze verwachting dat het bereiken van ons doel voor ons interessant is, zetten we door bij moeilijkheden. Die verwachtingen hebben we opgebouwd op basis van onze vroegere ervaringen, op basis van voorbeelden die we zien op tv of in de literatuur, op basis van wat onze ouders en vrienden ons vertellen.
N
■■
Basisideeën
IE
4.3.2
> De reis naar het noorden van Italië is wel bijzonder lang. Iedereen ziet ertegen op. Maar zodra we daar zijn, zal alle ongemak vlug vergeten zijn. De foto’s die we van daar al hebben gezien, zijn ronduit schitterend. > Stoppen met roken is voor Thomas wel moeilijk. Waarom is hij ooit met roken begonnen? Maar hij weet dat niet meer roken heel wat opbrengt, en niet alleen financieel. © VAN IN
68
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
■■
Attributietheorie De cognitieve psychologie leert ons ook dat wij elk handelen trachten uit te leggen, trachten te verklaren. Wij schrijven aan het handelen een oorzaakgevolgverklaring toe. Dat is de basis van de attributietheorie.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
De attributietheorie, waarvan Bernard Weiner een van de bekendste grondleggers is (1974), gaat uit van de stelling dat mensen weten waarom ze slagen of falen in bepaalde situaties. Succes of falen schrijft men toe aan een veelheid van oorzaken: geluk of pech, een moeilijke of juist een makkelijke opdracht, vriendelijke of onvriendelijke leraren, een goede inzet of gebrek eraan. Dat toeschrijven noemen we attributie (attributie komt van het Latijns woord attribuere, toeschrijven aan iets).
Attributies zijn ideeën die mensen hebben over de oorzaken van bepaalde gebeurtenissen. Causale attributie beschrijft hoe personen gedrag (dikwijls gaat het om hun successen en mislukkingen) oorzakelijk verklaren.
a intern of extern
IE
VO
O
De causale attributietheorie verklaart slagen en mislukken bij het individu op vier verschillende wijzen: a intern of extern – de oorzaak ligt binnen de persoon of buiten de persoon; b stabiel of onstabiel – de oorzaak kan gewijzigd worden of kan niet gewijzigd worden; c controleerbaar of niet-controleerbaar – de persoon kan de situatie al dan niet beheersen, heeft er al dan niet vat op; d globaal of specifiek – de oorzaak slaat op vrijwel alle situaties of op een specifieke situatie.
N
De oorzaak ligt binnen de persoon of buiten de > De tafeltennisprestaties van Doenja waren persoon. prima. Ze zegt tegen iedereen die het hoMensen kunnen de oorzaak van een resultaat binren wil dat ze zich heeft voorbereid op dit nen (intern) of buiten (extern) zichzelf zoeken. toernooi door een volgehouden dagelijkse Inzet en capaciteiten zijn voorbeelden van intraining, een gezonde voeding en een goede terne oorzaken; mensen die hun succes of falen nachtrust. (intern) toeschrijven aan een van die oorzaken zijn intern > Erika daarentegen presteerde bijzonder georiënteerd. pover. Ze verklaart haar slechte prestaties Toeschrijving van succes aan een toevalstreffer is door een gebrek aan slaap. Een onverwacht een voorbeeld van externe attributie. familiefeest heeft roet in het eten gestrooid (extern)
© VAN IN
69
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
b stabiel of onstabiel
E
De oorzaak kan gewijzigd of kan niet gewijzigd > Zelfs met de hulp van haar leraar (extern) worden. slaagt Mina er niet in om een echt goed We beleven soms dat de oorzaak van succes/misresultaat te halen. Ze besluit om geen unilukking kan gewijzigd worden, soms dat ze niet kan versitaire studies aan te vatten. Ze zal wel gewijzigd worden. een opleiding vinden die aansluit bij haar Bij een weinig succesvol resultaat heb je (soms) de mogelijkheden. (stabiel) idee dat het de volgende keer anders kan, dat het > Mariska heeft geen speciale prijs behaald resultaat niet hetzelfde zal zijn als nu (onstabiel). voor haar tekenwerk. Ze vindt dat ze wel Soms kan dat gewoon niet (stabiel). talent heeft (intern) en ondervindt dat ze Je kunt toevallig een keer pech hebben (onstabiel) daarvoor moet werken (onstabiel) alvorens of iets is altijd moeilijk (stabiel). hogere studies aan de academie te volgen.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
> Ik ben opnieuw begonnen met roken omdat ik te weinig doorzettingsvermogen heb. (intern/stabiel) > Ik ben begonnen met roken op een feestje omdat het daar zo gezellig was. (extern/onstabiel)
c controleerbaar of niet-controleerbaar
IE
VO
O
Hier gaat het om de beheersbaarheid van de si- > Sofie weet dat de leraar Nederlands op de mondelinge proef onmiddellijk door heeft tuatie door de persoon. De persoon is in staat de wanneer iemand de leerstof niet echt ten oorzaak te wijzigen of hij is niet in staat de oorgronde kent. Ze wil niet ‘onzeker’ overkozaak te wijzigen. men (intern). Ze bereidt zich extra goed In welke mate kun je de oorzaken van bepaalde gevoor op de mondelinge proef (onstabiel). Ze dragingen controleren, beheersen? zal niet laten merken dat ze een hoofdstuk In welke mate kun je greep krijgen op de situatie? niet goed begrijpt. (controleerbaar) > Hoewel Jelle goed gestudeerd had voor het examen (intern, controleerbaar), werd hij toch verrast door de moeilijkheidsgraad van de toepassingsvragen van de nieuwe leerkracht Fysica. (extern, oncontroleerbaar).
d globaal of specifiek
N
De oorzaak slaat op vrijwel alle situaties of op > De relatie met de vriendin van Jonathan is een specifieke situatie. afgebroken. Hij voelt zich een mislukkeling Betreft het globale of specifieke oorzaken die het op elk vlak. (globaal) gedrag in verschillende situaties en domeinen be- > Maaike vindt het spijtig dat de relatie over invloeden? is, maar ze vond dat hun interesses niet overeenkwamen. Met haar vrienden kan ze wel boeiende gesprekken voeren over gemeenschappelijke hobby’s. (specifiek)
© VAN IN
70
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
■■
De fundamentele attributiefout Mensen schrijven hun slagen en mislukken aan uiteenlopende concrete oorzaken toe. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat wij onze successen toeschrijven aan interne oorzaken en onze mislukkingen aan externe factoren. De successen van anderen schrijven we daarentegen vaak toe aan externe factoren, hun mislukkingen aan interne. bij onszelf
bij anderen
tje voor hem. (externe attributie)
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
me dit nadoen. (interne attributie)
E
oorzaak van > Dit kan ik duidelijk goed. Ik heb er > Hij heeft enorm geluk gehad met de successen vragen en die lerares heeft een boonhard voor gewerkt. Weinigen zullen
oorzaak van > Hij heeft gezegd dat we dit niet moes- > Dat moest ervan komen. Hij heeft falen helemaal niet gestudeerd. Waarom ten kennen. Trouwens, we kregen veel te weinig tijd. (externe attributie)
is hij daar toch aan begonnen? Met de weinige mogelijkheden die hij heeft! (interne attributie)
Bij het falen overschatten we de invloed van de situatie en onderschatten we de persoonlijke eigenschappen. Gaat het om anderen, dan zijn we geneigd hen voor hun daden verantwoordelijk te stellen en de invloed van de situatie te onderschatten. Dat verschijnsel is bekend geworden als de fundamentele attributiefout. > Een jongen die een bal door een raam heen knalt, zal zeggen dat het schot een afwijking had; de eigenaar van het huis zal zeggen dat de jongen onvoorzichtig en/of roekeloos was.
> Pa had zich duidelijk overslapen deze morgen. Toen hij ons wegbracht, reed hij veel te snel. Toen ma hem daarop wees, zei hij geïrriteerd: ‘Weet jij wel hoe laat het is? Ik zal te laat zijn
O
op mijn werk!’ Waarop ma hem duidelijk trachtte te maken dat hij niet alleen vandaag roeke-
De fundamentele attributiefout (FAF) slaat op de neiging om de impact van situaties op het gedrag van anderen te onderschatten en de aandacht te richten op persoonsgebonden oorzaken.
N
IE
VO
loos reed. Ik vond wel dat ze allebei gelijk hadden, alleen: vanuit een andere invalshoek.
De FAF sluit nauw aan bij wat men de self-serving bias noemt. Dat is een attributiepatroon waarbij men succes aan zichzelf toeschrijft terwijl men de verantwoordelijkheid voor mislukkingen van de hand wijst.
© VAN IN
71
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
VO
O
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
FAF Deze term is gelanceerd door de sociaalpsycholoog Lee Ross. Ross baseerde zich op experimenten (1967) waarin proefpersonen luisterden naar toespraken van mensen die een standpunt voor of tegen Fidel Castro verkondigden. De toehoorders wisten dat het ging om personen die door het opgooien van een munt voor of tegen Castro moesten pleiten. Toch hadden ze blijkbaar de indruk dat de ingenomen standpunten nauw aansloten bij de personen zelf. Die experimenten zijn op tal van manieren herhaald. Daarbij luisterden proefpersonen naar toespraken door acteurs voor of tegen de doodstraf, abortus en recentelijk Hugo Chávez. Iedere keer rolden er dezelfde resultaten uit: de houding die de acteurs aannamen vertelden volgens de proefpersonen iets over de standpunten van de acteurs zelf. Met andere woorden: boodschap en boodschapper werden over één kam geschoren. Hoe komt dat? Waarschijnlijk omdat iemand in zo’n situatie opvallend is en een groot deel van onze aandacht naar zich toetrekt. Daardoor hebben we geen oog (of oor) meer voor de situatie waarin die persoon zich bevindt. Het feit dat wij denken dat anderen handelen vanuit hun persoonlijke intenties, heeft ook nog een ander gevolg. We zijn namelijk geneigd te denken dat andere personen consistente trekken hebben. Iemand die in onze ogen slechte dingen doet, doet dat omdat hij of zij van zichzelf slecht is. Als we zelf iets slechts doen, komt dat uiteraard vooral door de situatie. Wij konden immers niet anders … In conflictsituaties kan dat nogal negatief uitpakken. Stel dat een diplomaat aan tafel zit met vertegenwoordigers van een vijandig bewind. Naar alle waarschijnlijkheid zal die diplomaat vooral vijandelijk gedrag waarnemen. Omgekeerd is dat natuurlijk ook zo. Geen van beide partijen zal willen inzien dat ze handelen op basis van reacties op elkaar. Daarmee wil niet gezegd zijn dat inzicht in die processen de wereldvrede dichterbij brengt. Het verklaart misschien wel voor een deel waarom bepaalde conflicten zo onoplosbaar lijken.
IE
Bron: http://psycholog.web-log.nl/psycholog/2007/02/attributiefout.html
Intrinsieke en extrinsieke motivatie Het doel dat we nastreven kan gelegen zijn ofwel in de aard van de activiteit zelf ofwel in de gevolgen van het gedrag. We spreken dan van intrinsieke motivatie of van extrinsieke motivatie.
N ■■
© VAN IN
72
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
intrinsieke motivatie Het doel van het gedrag ligt in de aard van de activiteit. > Je spant je graag in voor wiskunde, omdat in de wiskunde alles tenslotte klopt als een bus. Wiskunde, het vak der vakken (als je het kunt tenminste). > Je traint je dagelijkse uurtjes in het zwembad, want je bent dol op zwemmen.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
extrinsieke motivatie
E
Je bent als persoon gemotiveerd omdat het doel de handeling zelf is (zwemmen, trainen). Vaak ben je dan leergierig of wil je iets gewoon (zeer) goed kunnen. Je gaat daarbij dikwijls uit van de verwachting dat je iets (zeer) goed zult kunnen. Soms wil je controle hebben over je gedrag, je lot in eigen handen hebben (je bent jong en je wilt wat). Het doel van het gedrag ligt in de gevolgen van het gedrag.
> Je spant je in voor wiskunde omdat je een tekort moet wegwerken, en als je slaagt, kun je zonder problemen op vakantie. > Je traint je dagelijkse uurtjes in het zwembad, omdat je tijdens de kampioenschappen niet wilt afgaan als een gieter of omdat je een gestroomlijnd figuur wilt hebben.
Bij extrinsieke motivatie stel je gedrag omwille van de gevolgen die je ermee kunt bereiken, o.m.: het krijgen van een beloning
■■
> Van Helge weet iedereen dat zij studeert voor de punten. Als ze goede punten heeft, mag ze naar de fitness tijdens de week. ■■
het vermijden van iets vervelends
> Van Hannes weet iedereen dat hij studeert voor de punten. Als hij goede punten heeft, zit men niet aan zijn zakgeld. ■■
het krijgen van waardering
> Van Helena weet iedereen dat zij studeert voor de punten. Als zij goede punten heeft, bevestigt zij het beeld dat haar vrienden van haar hebben: dat zij een knappe bol is.
het aanknopen bij een toekomstperspectief
O
■■
4.3.3
IE
VO
> Van Hanne weet iedereen dat ze studeert voor de punten. Als ze goede punten heeft, kan ze verder studeren en vindt ze beslist het soort werk waar ze al zo lang naar verlangt.
Vertegenwoordiger
N
De gestaltpsycholoog Kurt Lewin (1890 - 1947 – zie hoofdstuk 'Psychologie in de dagelijkse praktijk', punt 4.3.1 'De gestaltpsychologie') stelde vanuit dat gedachtegoed een verklaring op voor het aspiratieniveau van de mens: het niveau dat het individu denkt te kunnen bereiken. Bij het realiseren van doelen maken we een afweging: enerzijds hebben we de verwachting dat we het doel met succes zullen bereiken en anderzijds moeten we afrekenen met de angst dat we zullen mislukken. Overweegt de kans op slagen boven de kans op falen, dan zullen we proberen ons doel te bereiken.
© VAN IN
73
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Lewin ging ook na waarop de verschillen in aspiratieniveau bij mensen kunnen gebaseerd zijn. Hij stelde voor dat verschil o.m. verantwoordelijk: ■■ onze eigen unieke (succes)ervaringen: succeservaringen verhogen het aspiratieniveau, mislukkingen verlagen het aspiratieniveau; ■■ het beeld dat we van onszelf hebben, onze zelfwaardering en het gewenste of ideale beeld dat we van onszelf hebben; ■■ het feit of we al dan niet aandacht krijgen: onderzoek wees uit dat personen beter zullen presteren wanneer ze aandacht krijgen. Dat Hawthorneeffect kun je verklaren doordat mensen van zichzelf een positiever zelfbeeld zullen vormen wanneer ze aandacht krijgen. Het cirkelproces van motivatieproblemen bij leerlingen
Een motivatieprobleem is het resultaat van een proces. Het is dus belangrijk om tijdig signalen op te vangen van leerlingen die door falen in een motivatiecrisis dreigen terecht te komen. Om hierbij hulp te kunnen bieden is het noodzakelijk inzicht te hebben in het cirkelproces en vooral tijdig signalen te herkennen. Bergen onderscheidt vijf fasen. Omdat het om een cirkelproces gaat, begint het proces niet noodzakelijk bij fase 1.
1 aspiratie (dit is mijn plan)
5 toekomstverwachting (ik kan dit goed/slecht)
O
2 werkhouding (vermijding of toenadering)
VO
3 toeschrijving (van succes of mislukking)
N
IE
4 het gevoel (teleurstelling of tevredenheid)
Schematische voorstelling van het cirkelproces (Bergen, 1991)
© VAN IN
74
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
1 De aspiratie De leerling moet zich een doel leren stellen dat met enige moeite kan worden bereikt. Doelen die te gemakkelijk te bereiken zijn (te laag aspiratieniveau) en doelen die onrealistisch zijn (te hoog aspiratieniveau) schenken allebei geen voldoening en leiden bijgevolg niet tot motivatie.
E
2 Werkhouding Leerlingen die excuses hebben om niet aan een taak of aan studeren te moeten beginnen, vertonen vermijdingsgedrag. Leerlingen die het maken van een taak of studeren wel zien zitten, vertonen toenaderingsgedrag.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
3 Toeschrijving (of attributie) Leerlingen die hun falen of slagen toeschrijven aan hun inzet, houden de mogelijkheid open om in de toekomst een positief resultaat te behalen. Leerlingen die hun falen of mislukken toeschrijven aan factoren waaraan zij zelf niets kunnen doen, zullen in de toekomst niet beter presteren. 4 Het gevoel Het gevoel van teleurstelling of tevredenheid na het maken van een opdracht, examen of toets wordt beïnvloed door de waardering die een leerling al dan niet krijgt vanuit zijn omgeving enerzijds en door het toeschrijven van het succes of falen anderzijds. 5 Toekomstverwachting Leerlingen die realistische doelen vooropstellen, succes en falen toeschrijven aan zichzelf en een positief gevoel hebben over gemaakte opdrachten zullen in de toekomst gemotiveerd zijn om te werken.
N
IE
VO
O
> Stel dat je van je docent tegen overmorgen de opdracht zou krijgen om twee hoofdstukken van dit handboek samen te vatten. De kans is dan groot dat je dat als een niet-haalbare taak inschat, waardoor je aspiratieniveau eerder laag komt te liggen. De kans is groot dat je die klus niet echt wilt klaren. Je zult dan ook naar alle waarschijnlijkheid niet de nodige tijd vrij maken om de hoofdstukken grondig door te lezen en samen te vatten. Je aspiratieniveau heeft dus een directe invloed op je werkhouding. In dat geval is de kans groot dat je vermijdingsgedrag zal vertonen. Je kunt met uitvluchten komen aandraven, de samenvatting van iemand anders proberen over te nemen of gewoon afwezig zijn in de eerstvolgende les. Die opdracht breng je dus niet tot een goed einde. Toch zal die faalervaring je waarschijnlijk niet te lang bijblijven. Bij falen is de neiging namelijk zeer groot om extern te attribueren. Je kunt de oorzaak met gemak toeschrijven aan de opdracht van de docent die toch echt onredelijk was. Je zelfwaardegevoel blijft intact, je wordt allicht niet geconfronteerd met gevoelens van teleurstelling en ook je toekomstverwachtingen worden niet negatief beïnvloed. Wanneer de docent je de volgende keer de opdracht geeft om tegen de volgende week één hoofdstuk in een mindmap samen te vatten, is de kans groot dat je dat voor jou wel een realistische taak vindt en dat je er wel voor gaat.
© VAN IN
75
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
4.4
Behoefteleer
4.4.1
Situering
De behoefteleer gaat ervan uit dat de mens een aantal behoeften wil realiseren. Het gaat dan zowel om behoeften vanuit een biologische als vanuit een psychologische invalshoek.
4.4.2
Vertegenwoordiger
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
De bekendste vertegenwoordiger van de behoefteleer is Abraham Maslow (1908 - 1970). Zijn ouders waren ongeschoolde joodse immigranten uit Rusland. Abe, zoals hij werd genoemd, werd door zijn ouders aangemoedigd academische studies te volgen. Hij studeerde rechten in New York. Pas later, in 1934, ging hij zich in de psychologie verdiepen aan de universiteit van Wisconsin. Hij werkte enige tijd samen met Harry Harlow die onderzoek verrichtte met resusaapjes. Hij gaf les aan de Brooklyn Universiteit waar hij kennis maakte met vele mensen uit Europa die hem vertelden over de gestaltpsychologie en de psychologische inzichten van Sigmund Freud. Vanaf de jaren 1950 ontwikkelde hij zijn eigen theorieën. Die staan nu bekend onder de noemer ‘humanistische psychologie’ (zie hoofdstuk 'Psychologie in de dagelijkse praktijk', paragraaf 4.4 'De humanistische stroming').
VO
O
In tegenstelling tot veel wat o.m. Freud zei, ging Maslow ervan uit dat de mens niet zomaar één doel heeft (onlust vermijden en lust nastreven) of van de zogenaamde homeostase. Volgens Maslow streeft de mens ook groei na. Hij vertrekt van een positief mensbeeld en gaat ervan uit dat iedere mens zijn kwaliteiten tracht te ontwikkelen en zijn vaardigheden wil optimaliseren. Die ideeën maken hem tot een belangrijk vertegenwoordiger van de humanistische psychologie.
N
IE
De humanistische stroming gaat niet uit van de zieke kant van de menselijke natuur, maar van de gezonde kant. Men tracht daarbij het gezonde, het goede dat in de kern van elke mens aanwezig is, te verrijken en uit te breiden. Daarbij moet men op zoek gaan naar de richting die een mens kan uitgaan, altijd gezien vanuit zijn eigen standpunt. Enkele kenmerkende ideeën van de humanistische psychologie: ■■ in elke mens zitten ontwikkelings- en veranderingskrachten; ■■ voor het geluk van de mens is het belangrijk dat iemand kan worden wat hij zou kunnen worden; ■■ de mens is geneigd tot zelfactualisering; ■■ gedrag wordt bepaald door de eigen waarneming van de werkelijkheid, niet door de werkelijkheid zelf.
© VAN IN
76
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
4.4.3
Het oorspronkelijke behoeftemodel van Maslow Maslow onderscheidt twee tendensen in de menselijke motivatie. Enerzijds zijn er behoeften die voortkomen uit een tekort, de deficiëntiebehoeften, en anderzijds behoeften die voortkomen uit de wil tot groei of zelfverwezenlijking (1974). Maslow bedacht dat de mens vijf niveaus van behoeften nastreeft. Die niveaus zijn geordend van laag naar hoog. Een behoefte op een hoger niveau zal pas actief worden wanneer aan de behoeften op een lager niveau al in een vol-doende mate is voldaan. Hij formuleert de behoeften van laag naar hoog:
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
■■
Basisidee: het behoeftemodel van Maslow
behoefte aan zelfrealisering
behoefte aan achting, waardering
behoefte aan affectie, liefde, genegenheid
veiligheidsbehoeften
5
4
3
2
fysiologische behoeften
1
1 Fysiologische behoeften
O
Dit zijn volgens Maslow de meest dringende behoeften. Het gaat dan over behoeften als honger, dorst, slaap, voortplanting, behoud van temperatuur. Het zijn de meest elementaire behoeften, die gericht zijn op de overleving van het individu en van de soort. Bij sterke honger bijvoorbeeld worden alle andere behoeften naar de achtergrond verdrongen.
N
IE
VO
> Vertegenwoordigers van godsdiensten die hun bekeringswerk aanvatten in Afrikaanse landen waar grote hongersnood heerst, beseffen maar al te best dat zij de hongerigen eerst moeten overtuigen van het grote geluk dat hen zal te beurt vallen bij het aanhoren van hun boodschap. Zij zorgen eerst voor noodhulp, zowel wat de voeding als wat medische verzorging betreft. Daarna zullen zij aan scholing gaan doen om zo het bekeringswerk aan te vatten.
Pas wanneer het individu in staat is aan zijn periodisch opduikende fysiologische behoeften te voldoen, kan hij aan behoeften van het hogere niveau proberen te voldoen.
© VAN IN
77
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
2 Veiligheidsbehoeften Hier gaat het om behoeften zoals veiligheid, bescherming, zekerheid, stabiliteit en orde. Wanneer aan die behoeften niet voldaan is, kunnen zij onze gedragingen domineren. In onze maatschappij is vandaag de dag veelal aan die behoefte voldaan, althans voor de meeste mensen.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
> Mensen met werkonzekerheid, woononzekerheid, mensen die fysiek en psychisch bedreigd worden en/of met ernstige gezondheidsproblemen worden geconfronteerd, zullen niet zo makkelijk naar een hoger behoefteniveau kunnen overstappen. > Bij kinderen stellen we die behoefte vaak nadrukkelijk vast. Jonge kinderen die zich onveilig voelen, zullen weinig exploratiedrang vertonen. Dat zal sporen nalaten in hun ontwikkeling. > De behoefte aan veiligheid en stabiliteit stellen we ook vast in het gedrag van mensen die eerder het bekende verkiezen boven het onbekende, die sterke nood hebben aan religie, aan een allesomvattende wereldfilosofie en aan dogma’s die maken dat alles ordelijk en vooral voorspelbaar verloopt.
3 Behoefte aan affectie, liefde en genegenheid
Het gaat hier over de behoefte ergens bij te horen. Dat kan volgens Maslow pas wanneer de behoeften op de twee lagere niveaus zijn bevredigd. De behoefte aan liefde wordt door Maslow breder opgevat dan alleen seksualiteit. > Hoewel we soms wel eens bewust de eenzaamheid opzoeken, zijn we blijkbaar erg gesteld op de aanwezigheid van anderen. We zullen hen opzoeken om zowel genegenheid te krijgen als genegenheid te geven.
4 Behoefte aan achting, waardering
5 Behoefte aan zelfrealisering
VO
O
Iedereen heeft ten gepaste tijde behoefte aan een portie waardering voor zichzelf, aan wat prestige, aan achting. Maslow stelde dat in onze maatschappij mensen behoefte hebben aan stabiele en hoge waardering zowel van zichzelf als van anderen. Het bevredigen van die behoefte geeft ons een gevoel van zelfvertrouwen en een grote eigenwaarde. Het frustreren van die behoefte leidt naar minderwaardigheidsgevoelens en hulpeloosheid.
N
IE
Bij het streven naar zelfrealisering tracht het individu zich volledig te ontplooien. Men streeft ernaar dat te realiseren, waar men geschikt voor is. Dat zal voor elk van ons verschillend zijn. Wat iemand kan zijn, moet hij ook zijn. ‘Wil de mens werkelijk diep gelukkig zijn’, zegt Maslow, ‘dan moet hij zichzelf als individu kunnen realiseren.’
© VAN IN
78
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
■■
Aanpassingen aan het oorspronkelijke model Maslow stelde de behoeftehiërarchie op in 1943. Het is nog altijd een vaak gebruikt model. Achteraf heeft hij het model enigszins herzien. Net voor het hoogste niveau schakelde hij twee andere niveaus in:
■■
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
- cognitieve behoeften: het nastreven van kennis, het opzoeken en het begrijpen van nieuwe dingen. Het ondernemen van leerrijke reizen, het verkennen van andere culturen en maatschappijvormen vallen hieronder. - esthetische behoeften: het opzoeken van het mooie in de wereld om ons heen. Bedenkingen bij het hiërarchisch behoeftemodel van Maslow Het opstellen van een dergelijke hiërarchie kreeg en krijgt nogal wat kritiek. Er wordt Maslow weinig precisie en een gebrek aan ondersteunend onderzoek verweten. Bovendien is die hiërarchie cultuurgebonden. In onze cultuur, waar het nastreven van persoonlijke, individuele behoeften belangrijk wordt geacht, is zelfrealisering vanzelfsprekend het hoogste doel. Bovendien slaat het idee om je eigen grenzen steeds maar weer te verleggen in onze Westerse prestatiemaatschappij bijzonder goed aan. In de Chinese samenleving, waar het nastreven van groepsdoelen als waardevol wordt beschouwd, zal de zelfrealisering van het individu in dienst staan van de gemeenschap.
O
Het model van Maslow wordt wel gewaardeerd, al was het maar omwille van het invoeren van de idee van de zelfrealisering: het ontwikkelen van de talenten van iedereen op welk domein ook.
N
IE
VO
Op het einde van zijn leven overwoog Maslow de mogelijkheid om er een achtste niveau aan toe te voegen. Hij meende dat het realiseren van zichzelf ook moet gezien worden in een meer sociale context. Hij noemde dat het niveau van de transcendentie. Het nastreven van behoeften is niet een uitsluitend persoonlijke aangelegenheid. Het draagt tevens bij tot de gemeenschap waartoe men behoort.
© VAN IN
79
Academiejaar 2020-2021
Hoofdstuk 4: Motivatie als gids bij gedrag en mentale processen
Samengevat Wanneer we over motivatie spreken, hebben we het over factoren die in ons gedrag en onze mentale processen merkbaar zijn. Motivatie heeft betrekking op oorzaken die doelgericht gedrag doen ontstaan, er een richting, een intensiteit en een duur aan geven.
R T B VO EE O LD R D BL IS E TR ND IB U TI
E
Er zijn verschillende benaderingen voor de doelgerichtheid van gedrag. We verkenden het vermijdingsgedrag en het toenaderingsgedrag. Belangrijk daarbij is dat we gedrag niet als een geïsoleerd element zien maar als een opeenvolging van gedragingen die elk hun motivatie kennen. Dat is onder andere de oorzaak van het ontstaan van conflicten tussen die motivaties.
N
IE
VO
O
In het aanbod van theorieën over motivaties moeten we een onderscheid maken tussen theorieën vanuit een biologische invalshoek (de begrippen instincten en driften), theorieën vanuit een psychologische invalshoek, met name vanuit de cognitieve psychologie (onder meer bewust doelen nastreven, attributies toekennen bij de verklaring van gedrag, de fundamentele attributiefout) en theorieën vanuit de behoefteleer (als voorbeeld bespraken we het behoeftemodel van Maslow).
© VAN IN
80
Academiejaar 2020-2021