4.2
© GENI VA N IN
Chemie
LEER SCHRIFT
IN
N
VA
©
IN
GENIE 4.2
©
VA
N
Chemie
IN
N
VA
©
INHOUD THEMA 01: ANORGANISCHE STOFKLASSEN
` HOOFDSTUK 4: De zuren
CHECK IN
12
VERKEN
13
1
Organische en anorganische stoffen
2
Het oxidatiegetal een formule te vormen
2.2 Het oxidatiegetal uit een formule
15
3.1 Van formule naar stofklasse
23
3.2 Van naam naar stofklasse
24
` HOOFDSTUK 2: De oxiden De metaaloxiden
43
Ternaire zuren
44
4
Gebruik en toepassingen van zuren
47
5
Reactiepatronen
49
2
50
1.1 pH-indicatoren
52
1.2 pH-meter
52
Buffer
53
oxidatiegetal
Wat is een zout?
54
2
Formule- en naamvorming
55
2.1 Metalen met slechts 1 mogelijk oxidatiegetal
55
2.2 Metalen met meerdere mogelijke oxidatiegetallen
57
27
2.1 Metalen met slechts 1 mogelijk
28
2.2 Metalen met meerdere mogelijke
3
Waterstofzouten en hydraten
58
4
Gebruik en toepassingen van zouten
60
5
Reactiepatroon
62
THEMASYNTHESE
63 65
oxidatiegetallen
29
3
De niet-metaaloxiden
31
4
Gebruik en toepassingen van oxiden
32
CHECKLIST
5
Reactiepatronen
35
5.1 Vorming metaaloxiden
35
PORTFOLIO
5.2 Vorming niet-metaaloxiden
36
©
` HOOFDSTUK 3: De hydroxiden
54
1
27
28
50
pH en de zuurtegraad van een oplossing
` HOOFDSTUK 6: De zouten
VA
2
Binaire zuren
3
1
21
22
Wat is een oxide?
2
20
Indeling en naamgeving van de anorganische stoffen
1
42
N
3
berekenen
Wat is een zuur?
` HOOFDSTUK 5: Zuurtegraad van een oplossing
18
2.1 Het oxidatiegetal gebruiken om
15
1
IN
` HOOFDSTUK 1: Verdere indeling van de materie
42
CHECK IT OUT
66
AAN DE SLAG
67
OEFEN OP DIDDIT
37
1
Wat is een hydroxide?
37
2
Formule- en naamvorming
38
2.1 Metalen met slechts 1 mogelijk oxidatiegetal
38
2.2 Metalen met meerdere mogelijk oxidatiegetallen
39
3
Gebruik en toepassingen van hydroxiden
40
4
Reactiepatroon
41
THEMA 02: ORGANISCHE STOFKLASSEN CHECK IN
78
VERKEN
79
3
` HOOFDSTUK 1: Organische chemie of koolstofchemie
80
Bindingsmogelijkheden van het koolstofatoom
80
2
Notatiemogelijkheden van een organische stof
83
2.1 Brutoformule
83
2.2 De uitgebreide en beknopte structuurformule
83
2.3 De skeletnotatie of zaagtandstructuur 85 3
De stofklassen
CHECK IN
124
VERKEN
125
` HOOFDSTUK 1: Atoommassa, molecuulmassa, formulemassa
IN
1
THEMA 03: CHEMISCH REKENEN
88
` HOOFDSTUK 2: Alkanen
90
1
Atoommassa
126
2
Molecuulmassa
128
3
Formulemassa
129
` HOOFDSTUK 2: De mol en het getal van Avogadro 131
Formule en systematische naam
90
2
Fysische eigenschappen, voorkomen en toepassingen uit het dagelijks leven
95
1
De mol als eenheid en de molaire massa
131
2.1 Fysische eigenschappen
95
2
Omrekeningen gram/mol/aantal deeltjes
137
2.2 Voorkomen en toepassingen uit het dagelijks leven
98
` HOOFDSTUK 3: Stoichiometrische vraagstukken
141
N
1
A
Methaan
B
Ethaan
Propaan en n-butaan
101
n-octaan
103
C
98
101
1
De molverhouding
141
2
Vraagstukken waarbij 1 stofhoeveelheid is gegeven
143
` HOOFDSTUK 4: Concentratie van een oplossing
147
VA
D
` HOOFDSTUK 3: Enkele andere organische stofklassen en hun toepassingen 104 1
2
1
Wat is een concentratie van een oplossing? 147
Alkenen
105
2
Massaconcentratie
149
1.1 Etheen
105
3
Molaire concentratie
151
1.2 Propeen
106
4
Oplossingen verdunnen en indampen
155
Alcoholen
106
5
2.1 Methanol
108
Oplossingen met verschillende concentraties van opgeloste stof mengen
158
2.2 Ethanol
109
Carbonzuren
111
3.1 Methaanzuur
112
3.2 Ethaanzuur
112
©
3
THEMASYNTHESE
114
CHECKLIST
116
PORTFOLIO
` HOOFDSTUK 5: Chemisch rekenen met gassen 1
Het molaire gasvolume onder normomstandigheden
160 160
THEMASYNTHESE
163
CHECKLIST
165
CHECK IT OUT
117
PORTFOLIO
AAN DE SLAG
118
CHECK IT OUT
166
AAN DE SLAG
167
OEFEN OP DIDDIT
OEFEN OP DIDDIT
4
126
THEMA 04: POLARITEIT EN OPLOSBAARHEID
THEMA 05: REACTIESOORTEN
CHECK IN
184
VERKEN
185
186
Het dipoolkarakter van water
186
2
De elektronegativiteit
188
3
Polariteit van de binding
190
4
Polariteit van moleculen
192
198
233
Invloed van massa en polariteit op het kookpunt van een stof
198
2
Intermoleculaire krachten
200
2.1 De Londonkracht of Londondispersiekracht
200
2.2 Dipoolkracht
202
Ionuitwisselingsreactie versus redoxreactie 235
2
Classificatie ionuitwisselingsreacties aan de hand van waarnemingen
` HOOFDSTUK 2: Ionuitwisselingsreacties van dichtbij bekeken 1
2
3
VA
203
` HOOFDSTUK 3: Oplosbaarheid en geleidbaarheid van stoffen
206
235
1
4
237
241
Algemene notatie
241
1.1 Visuele weergave
241
1.2 Weergave met behulp van reactievergelijkingen
243
Neerslagreacties
246
2.1 Oplosbaarheid in water: gebruik van de oplosbaarheidstabel
246
N
1
2.3 Waterstofbruggen
VERKEN ` HOOFDSTUK 1: Soorten chemische reacties
1
` HOOFDSTUK 2: Intermoleculaire krachten
232
IN
` HOOFDSTUK 1: Polaire en apolaire moleculen
CHECK IN
2.2 Neerslagreacties opstellen
247
Gasontwikkelingsreacties
249
3.1 Veelvoorkomende gassen in chemische reacties
249
3.2 Gasontwikkelingsreacties opstellen
250
Neutralisatiereacties
252
1
Oplosbaarheid van ionverbindingen in polaire en apolaire oplosmiddelen
206
2
Oplosbaarheid van moleculaire verbindingen
210
3
Ionisatie van zuren en ammoniak
213
3.1 Ionisatie van zuren
214
1
Redoxreacties ontleden
256
3.2 Ionisatie van ammoniak
216
2
Redoxreacties opstellen
260
Verband tussen zuurtegraad en concentratie van protonen
216
©
4
THEMASYNTHESE
220
CHECKLIST
222
PORTFOLIO CHECK IT OUT
223
AAN DE SLAG
224
OEFEN OP DIDDIT
` HOOFDSTUK 3: Redoxreacties van dichtbij bekeken
256
THEMASYNTHESE
265
CHECKLIST
266
PORTFOLIO CHECK IT OUT
267
AAN DE SLAG
268
OEFEN OP DIDDIT
LABO'S STEM-VADEMECUM (VADEMECUM)
5
STARTEN MET GENIE 1
Opbouw van een thema CHECK IN
CHECK IN
Meten is weten?
In de CHECK IN maak je kennis
Goede mayonaise maken is niet gemakkelijk! Wil je het zelf eens proberen? Doe 4 eierdooiers in een maatbeker. Voeg er 1 eetlepel mosterd, 1 eetlepel azijn en een snuifje zout aan toe. Klop of mix dat door elkaar met de staafmixer.
met het onderwerp van het thema.
Voeg nu traag, beetje bij beetje, 4 dL olie toe tot het geheel een homogeen mengsel vormt. De zelfgemaakte mayonaise serveer je bijvoorbeeld bij frieten, smakelijk!
In het kadertje onderaan vind
IN
Om zelf mayonaise te maken, is het belangrijk om de juiste hoeveelheden van de ingrediënten af te meten: 4 eierdooiers, 1 eetlepel mosterd, een snuifje zout …
je een aantal vragen die je op
mosterd zout
VERKEN
het einde van het thema kunt
suiker
Een hoeveelheid stof afmeten
beantwoorden.
ei olie
OPDRACHT 1
Hoe meten we een hoeveelheid stof of stofhoeveelheid? 1
Weeg 4 g keukenzout af met de balans. In welke eenheid lees je de stofhoeveelheid op de weegschaal af?
2
3
Meet 50 mL water af in een maatcilinder. In welke eenheid lees je het volume van een vloeistof af?
Breng de 50 mL water over in een erlenmeyer en los er de 4 g keukenzout in op. Kun je een eenheid bedenken om aan te duiden hoeveel keukenzout er opgelost is?
citroensap Eenheden zoals een ‘snuifje’ of een ‘eetlepel’ zullen we echter in de chemielessen niet gebruiken. In de keuken
VERKEN
kun je nog spelen met de hoeveelheden van ingrediënten, in de chemie is dat niet zo. Reagentia moeten in zeer nauwkeurige hoeveelheden worden samengevoegd. Zonder dat je het goed beseft, heb je als een echte chemicus misschien al vaak over concentraties van oplossingen nagedacht, iets wat tijdens het experimenteren in een labo heel vaak gebeurt.
` Hoe kun je te weten komen welke hoeveelheden van stoffen met elkaar reageren?
want de voorgetallen in een reactievergelijking leren ons enkel hoeveel deeltjes van het ene reagens reageren
met hoeveel deeltjes van het andere reagens. Ook bij
vloeistoffen is dat een probleem: 1 druppel water bevat bijvoorbeeld al oneindig veel moleculen water. Hoewel
we een volume water vrij exact kunnen afwegen, moeten we dat nog kunnen uitdrukken in het aantal moleculen
N
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
proberen te leggen met het aantal deeltjes van die stof,
merken dat je al wat kennis
We zoeken het uit!
124
nauwkeurig kunnen meten, moeten we nog het verband
In de verkenfase zul je
? ` En hoe ga je die stofhoeveelheden afwegen? De massa van atomen is immers veel te klein.
Hoewel we een aantal gram van een vaste stof wel vrij
water.
Om stoffen beter te doen reageren, werken we in de chemie vaak met oplossingen. Maar dan hebben we nog een probleem: de massa van de oplossing afwegen
hebt over het onderwerp
CHECK IN
leiden tot de hoeveelheid stof die daarin werd opgelost. Ten slotte zijn er de gasvormige stoffen. Ook hier kunnen
dat in het thema aan bod
we alweer een bepaald volume afmeten, maar hoeveel gasdeeltjes zijn dat dan? Bovendien is het volume van parameters zoals druk en temperatuur. We leren in dit thema voor elke stof, in eender welke aggregatietoestand, een verband te leggen tussen de stofhoeveelheid en de massa of het volume. Eenmaal
wordt hier geactiveerd.
we zover zijn, kunnen we precies berekenen welke stofhoeveelheden van de reagentia moeten worden samengevoegd om een reactie optimaal te laten verlopen, zonder dat er verspilling optreedt.
VA
De mol en het getal van Avogadro
lage druk – hoog volume
een bepaalde hoeveelheid gas afhankelijk van andere
komt. Jouw voorkennis
HOOFDSTUK 2
hoge druk – laag volume
of het volume van de oplossing afmeten zal ons nooit
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
VERKEN
125
LEERDOELEN Je kunt al:
DE HOOFDSTUKKEN
6,02 · 1023 atomen in 12 gram koolstof
L de atoommassa, molecuulmassa en formulemassa berekenen, uitgedrukt in unit.
Je leert nu:
L uitleggen met voorbeelden wat een mol materie is met behulp van de constante van Avogadro;
L op basis van een gegeven formule, uit een gegeven massa de stofhoeveelheid in mol berekenen en omgekeerd;
De massa van een molecule of formule-eenheid is
onmeetbaar klein. Er moet dus worden overgegaan
Na het activeren van de voorkennis volgen een aantal hoofdstukken.
naar een veelvoud moleculen of formule-
eenheden, zodat we de massa wel kunnen afmeten met dagdagelijkse meetapparatuur. Geen enkel
meetinstrument is immers in staat om, met zo’n
L het verband tussen stofhoeveelheid en molaire massa toepassen.
Een thema bestaat uit meerdere hoofdstukken. Doorheen de hoofdstukken
precisie, zo’n kleine massa te meten. We moeten op een of andere manier naar de eenheid gram kunnen overstappen.
1
verwerf je de nodige kennis en vaardigheden om uiteindelijk een antwoord
De mol als eenheid en de molaire massa
te geven op de centrale vraag of het probleem uit de CHECK IN.
OPDRACHT 4
Vul kolom 3 van de tabel aan met het juiste aantal eenheden. Verzamelnaam
Aantal deeltjes
een paar schoenen
een dozijn eieren
een bak bier
©
Voorwerp
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
THEMASYNTHESE
CHEMISCH REKENEN KERNBEGRIPPEN
NOTITIES
KERNVRAGEN HOOFDSTUK 2
131
SYNTHESE EN CHECKLIST We vatten de kern van het thema voor je samen in de themasynthese. Vervolgens willen we graag dat je vorderingen maakt en dat je reflecteert
kennisclip
Hoofdstuk 1: Atoommassa, molecuulmassa, formulemassa — gemiddelde relatieve atoommassa <Ar> = het
gewogen gemiddelde van alle relatieve atoommassa’s van de voorkomde isotopen
— molecuulmassa = de massa van een molecule
— de relatieve massa van een molecule = de som
van alle relatieve atoommassa's in de molecule
A (massagetal) = Z (aantal protonen) + N (aantal neutronen) Grootheid (aantal deeltjes) stofhoeveelheid
— stofhoeveelheid = uitdrukking voor de hoeveel-
(aantal mol)
formule-eenheid = de som van alle relatieve
(aantal gram)
atoommassa's van de formule
stofhoeveelheid
heid van een stof, dat kan in aantal deeltjes,
Symbool
stofhoeveelheid
— formulemassa = de relatieve massa van een
deeltjes
m
g
n
mol
aantal gram of aantal mol.
CHECKLIST
Hoofdstuk 2: De mol en het getal van Avogadro JA
— constante van Avogadro = een grootheid
NOG OEFENEN
1 Begripskennis
symbool: NA eenheid:
— Ik kan het verband aantonen tussen de relatieve en absolute massa van atomen.
Voordeel: 1 unit · NA= 1 g!
constante van Avogadro.
— Ik kan het verband tussen stofhoeveelheid en molaire massa toepassen.
— molaire massa = molecuulmassa of
formulemassa, aangevuld met de eenheid
2 Onderzoeksvaardigheden
— Ik kan het verband leggen tussen mol, molaire massa en molaire concentratie
waarin de stoffen reageren
stofhoeveelheid in mol berekenen en omgekeerd.
Hoofdstuk 3: Stoichiometrische vraagstukken
— Ik kan de molecuulmassa van een molecuulverbinding of de formulemassa van een ionverbinding uit de atoommassa’s berekenen.
— vraagstukken met 1 gegeven stofhoeveelheid
— Ik kan stoichiometrische vraagstukken oplossen.
— Ik kan de verhoudingen en evenredigheden tussen massa’s, volumes en stofhoeveelheden gebruiken en molaire grootheden en concentraties
Volg het stappenplan op p. 146.
Hoofdstuk 4: Concentratie van een oplossing
beschrijven.
— Ik kan het verband tussen stofhoeveelheid en massaconcentratie toepassen.
m g ( ) V L
— een oplossing = een hoeveelheid opgeloste stof
— massaconcentratie c =
— concentratie = de verhouding opgeloste stof
— molaire concentratie c =
in een hoeveelheid oplosmiddel
invullen bij je Portfolio.
per hoeveelheid oplossing ten opzichte van het totale volume van de oplossing
n mol (eenheid: ) V L
oplossingen (c, V) c= n V
n= m M delen door molaire massa (g /mol)
een hulpmiddel om zelf zicht te krijgen of je de
aantal gram m vermenigvuldigen met molaire massa (g /mol) m=n·M
leerdoelen al dan niet onder de knie hebt.
n=c·V
aantal mol n
N = n · NA vermenigvuldigen met het getal van Avogadro (deeltjes/mol)
aantal deeltjes N delen door het getal van Avogadro (deeltjes/mol) n= N NA
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
GENIE Chemie 4.2
STARTEN MET GENIE
deeltjes mol
g mol
— molverhouding = de verhouding (in mol)
aan de hand van eenvoudige stoichiometrische berekeningen.
— Ik kan op basis van een gegeven formule, uit een gegeven massa de
` Je kunt deze checklist ook op
deeltjes mol
NA = de constante van Avogadro= 6,02 · 1023
— Ik kan uitleggen met voorbeelden wat een mol materie is met behulp van de
op je taken en leert uit feedback. De checklist is
6
Eenheid
N
CHECKLIST
165
THEMASYNTHESE
163
CHECK IT OUT
CHECK IT OUT
Meten is weten?
In CHECK IT OUT pas je de vergaarde kennis en vaardigheden
Bekijk de video waarin 4 g ijzerpoeder en 7 g zwavel worden samengevoegd om ijzer(II)sulfide te bereiden volgens de reactie Fe + S → FeS. Die specifieke hoeveelheden zijn niet zomaar gekozen. Ze worden voorheen perfect stoichiometrisch berekend, zodat er niets overblijft van de reagentia en alles wordt omgezet naar ijzer(II)sulfide. De stofhoeveelheden werden nauwkeurig
toe om terug te koppelen naar de vragen uit de CHECK IN.
uitgerekend. Vanaf nu ben je daartoe zelf ook in staat. Ga maar eens na of de gekozen massa’s
demovideo: ijzer(II)sulfide
ijzer en zwavel correct waren.
Maar wat gebeurt er als we diezelfde proef opnieuw uitvoeren met andere stofhoeveelheden? Je leerkracht maakt in 3 verbrandingskroesjes volgende mengsels klaar om ijzer(II)sulfide te bereiden: — mengsel 1: 7 g ijzerpoeder en 4 g zwavel — mengsel 2: 7 g ijzerpoeder en 7 g zwavel
— mengsel 3: 10 g ijzerpoeder en 4 g zwavel
Je leerkracht mengt beide reagentia goed en plaatst een dekseltje op de verbrandingskroesjes. Die zet de kroesjes op een driepikkel boven de bunsenbrander en wacht tot de mengsels reageren tot ijzer(II)sulfide. Zal dat steeds even goed werken, denk je? Waarneming:
AAN DE SLAG
1
Merk je enig visueel verschil tussen de drie bekomen producten ?
2
3
een magneet. Wat kun je waarnemen?
!
2
Ag2S:
Twee van de ternaire zuren die je in thema 01 leerde kennen, hebben een massa van ongeveer 98 u. Over welke zuren gaat het?
3
Bereken de molecuul- of formulemassa van de moleculen. Noteer de waarden op één decimaal nauwkeurig.
van het thema maakt of
In de keuken kun je hoeveelheden meten of wegen om een gerecht te bereiden, maar voor een chemicus is een goede kennis van stoichiometrie onmisbaar. Zo kan die exact bepalen welke hoeveelheden van stoffen met elkaar reageren en hoe je de massa van atomen kunt berekenen.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
e
IN
MgF2:
d Fe2O3:
de oefeningen op het einde
166
c
Je leerkracht beslist of je
Is er een mengsel waarbij zowel alle zwavel als ijzer is weg gereageerd?
Besluit:
CaSO4:
b NaNO3:
kun je verder oefenen.
Na het afkoelen test je leerkracht bij de drie kroesjes of het bekomen product wordt aangetrokken door
Noteer de correcte naam van de verbindingen en bereken hun molecuul- of formulemassa. a
In het onderdeel Aan de slag
Wat kun je daaruit afleiden?
4
AAN DE SLAG
1
a
c
doorheen de lessen.
CHECK IT OUT
O2:
b S8:
H2:
d MgO: e f
g
4
SiCl4:
H2SO4:
Al(lO3)3:
Bereken de molecuul- of formulemassa van onderstaande chemische stoffen. Noteer de waarden op één decimaal nauwkeurig. a
CaCO3:
b Sil4: c
` Per thema vind je op
5
6
oefenreeksen om te leerstof
klas:
nummer:
Metalen herkennen 1
2
Hypothese
Scan de QR-code om
staan een aantal labo’s
VA
je te helpen bij
3
de hypothese.
167
om verder experimenten uit te voeren.
TIP
Ik denk dat …
AAN DE SLAG
LABO’S
Ga zelf op onderzoek! Op
Onderzoeksvraag Op basis van welke eigenschappen kun je metalen van elkaar onderscheiden?
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
N
Naam:
8
Bevat een mol stikstofgas evenveel atomen als moleculen?
verder in te oefenen.
ONDERZOEK
Wat bevat het grootste aantal moleculen: 1 mol stikstofgas of 1 mol zuurstofgas?
adaptieve
LABO
Be(OH)2:
d Al2(HPO4)3:
EIGENSCHAPPEN METALEN
Benodigdheden
!
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen! Materiaal
Stoffen
magneet
ijzer (Fe)
maatbeker
lood (Pb)
bunsenbrander kroestang
magnesiumlint (Mg) koper (Cu) zink (Zn)
inox staal (legering van Fe) aluminium (Al)
H- en P-ZINNEN
2 onbekende metalen kraantjeswater
4
2
Werkwijze
1
a
b c
d e f
2
Redoxreacties opstellen
Onderzoek welke metalen uit de lijst:
zinken in een maatbeker met water; roest vertonen;
aangetrokken worden door een magneet; buigzaam zijn;
metaal
een bepaalde kleur hebben; bunsenbrander.
Noteer je waarnemingen.
Je bestudeerde net een aantal redoxreacties, maar hoe kun je nu zelf op een
GEBRUIK BUNSENBRANDER
kroestang
snel ontvlammmen in de
correcte manier zo’n redoxreactie aanvullen en noteren? We bekijken het onderstaande stappenplan:
bunsenbrander
Houd de stukjes metaal een voor een in de vlam van de bunsenbrander.
Stap 1: Duid in alle brutoformules het OG van elk element aan.
Noteer je waarnemingen.
LABO
245
Stap 2: OXIDATIE — Teken een pijl boven de reactie vanuit de reductor.
— Zet bij de pijl 'oxidatie' en het aantal elektronen dat per element wordt
23/06/2021 12:57
afgegeven.
— Controleer of er een coëfficiënt nodig is om te voldoen aan de wet van behoud van atomen voor deze stof
— Vermenigvuldig, indien nodig, het aantal afgegeven elektronen met de
©
597485_Genie CHEMIE KOV 3_1_LABOS.indd 245
ONDERZOEK 8
coëfficiënt van de reductor. Je plaatst hiervoor het aantal afgegeven elektronen tussen ronde haakjes.
Stap 3: REDUCTIE — Teken een pijl onder de reactie vanuit de oxidator.
— Zet bij de pijl 'reductie' en het aantal elektronen dat per element wordt opgenomen.
— Controleer of er een coëfficiënt nodig is om te voldoen aan de wet van behoud van atomen voor deze stof.
— Vermenigvuldig, indien nodig, het aantal opgenomen elektronen
met de coëfficiënt van de oxidator. Je plaatst hiervoor het aantal opgenomen elektronen tussen ronde haakjes.
LEREN LEREN •
Stap 4: ELEKTRONENBALANS — Vermenigvuldig voor de oxidatie en de reductie het aantal afgegeven/ opgenomen elektronen met een factor zodat het aantal afgegeven elektronen gelijk is aan het aantal opgenomen elektronen.
— Je plaatst hiervoor het aantal opgenomen/afgegeven elektronen tussen
In de linkermarge naast de theorie is er plaats om zelf
vierkante haakjes.
— Controleer daarna of je de coëfficiënten van je reactie moet aanpassen.
notities te maken. Noteren tijdens de les helpt je om de
TIP Deze laatste stap vervangt de tot nu gebruikte methode waarbij we de
leerstof actief te verwerken. •
Op
coëfficiënten aanpassen op basis van de wet van behoud van atomen. Uiteraard kun je die wet nog steeds gebruiken om je antwoord te controleren.
vind je per themasynthese een kennisclip
waarin we alles voor jou nog eens op een rijtje zetten.
254
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 3
GENIE Chemie 4.2
STARTEN MET GENIE
7
2
Handig voor onderweg
In elk thema word je ondersteund met een aantal hulpmiddelen.
Kenniskader We zetten doorheen het thema de belangrijkste zaken op een rijtje in deze rode kaders.
!
IN
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT Met GENIE ga je zelf experimenteren en op onderzoek. Daarbij moet je natuurlijk een aantal veiligheidsvoorschriften respecteren. Die vind je terug in dit kader.
WEETJE
TIP
Een weetjeskader geeft extra verduidelijking of
OPDRACHT 11
uitvoeren van de onderzoeken of opdrachten.
N
illustreert de leerstof met een extra voorbeeld.
In de tipkaders vind je handige tips terug bij het
DOORDENKER
VA
Nood aan meer uitdaging? Doorheen een thema zijn er verschillende doordenkers. Niet altijd even makkelijk om op te lossen, maar het proberen waard!
Bij het onlinelesmateriaal vind je een vademecum.
Dat vademecum ̒GENIE in STEM-vaardigheden ̓ omvat:
stappenplannen om een grafiek te maken, opstellingen correct te bouwen, metingen uit te voeren …;
•
stappenplannen om een goede onderzoeksvraag op te stellen, een hypothese te formuleren …;
•
een overzicht van gevarensymbolen en P- en H-zinnen;
•
een overzicht van grootheden en eenheden;
•
een overzicht van labomateriaal en labotechnieken;
•
…
©
•
8
GENIE Chemie 4.2
STARTEN MET GENIE
GENIE EN DIDDIT Het onlineleerplatform bij GENIE Chemie 4.2 Materiaal
Lesmateriaal
IN
Hier vind je het lesmateriaal en de online-oefeningen. Gebruik de filters bovenaan, de indeling aan de linkerkant of de zoekfunctie om snel je materiaal te vinden.
Hier vind je het extra lesmateriaal bij GENIE Chemie 4.2, zoals video’s, audio’s, pdf's, ontdekplaten …
Oefeningen
De leerstof kun je inoefenen op jouw niveau. Je kunt hier vrij oefenen.
N
• •
Opdrachten
Hier vind je de opdrachten terug die de leerkracht voor jou heeft klaargezet.
VA
Evalueren
Hier kan de leerkracht toetsen voor jou klaarzetten.
Resultaten
Meer info over diddit vind je op www.vanin.diddit.be/nl/leerling.
Wil je weten hoever je al staat met oefenen, opdrachten en evaluaties? Hier vind je een helder overzicht van je resultaten.
Portfolio
©
Hier kun je je eigen vaardigheden en kennis inschatten. Je leerkracht geeft vervolgens feedback op jouw zelfevaluatie – zodat je weet waar je nog extra op kunt oefenen – en kan op basis daarvan ook opdrachten geven.
E-book
Het e-book is de digitale versie van het leerschrift. Je kunt erin noteren, aantekeningen maken, zelf materiaal toevoegen ...
In de uitgave bieden we bovenop het beeldmateriaal verschillende 3D-beelden aan. DOWNLOAD 3D-APP
Denk maar aan een 3D-voorstelling van een deeltje glucose. Zo ervaar je wetenschappen op een heel nieuwe manier!
GENIE Chemie 4.2
GENIE EN DIDDIT
9
Notities
VA
N
IN
©
10
©
VA
N
IN
THEMA 01 ANORGANISCHE STOFKLASSEN
CHECK IN
Spreek jij chemisch? Eind 1997 werd door het ESEF (European Science and Environment Forum) een enquête gedaan in de straten van Londen. Aan toevallige voorbijgangers werd het volgende voorgelegd:
'De industrie maakt veelvuldig gebruik van diwaterstofmonoxide. Deze chemische stof wordt in grote hoeveelheden teruggevonden in rivieren en wordt aangetroffen in voedingsmiddelen.
— Ze is het hoofdbestanddeel van zure regen. — Ze draagt bij tot erosie.
IN
Ze heeft daarnaast een grote invloed op het milieu:
— Ze verlaagt het remmend vermogen van een auto. De stof beïnvloedt ook de gezondheid van de mens:
— In gastoestand kan ze ernstige brandwonden veroorzaken. — Ze kan overvloedig zweten en braken veroorzaken. — In de longen kan ze de dood veroorzaken.
VA
N
— Ze wordt ook teruggevonden in kankercellen.'
1
Vind jij dat dat product aan een strikte reglementering zou moeten worden onderworpen of misschien zelfs
verboden zou moeten worden door de Europese Unie? En wat denken je klasgenoten? Jouw antwoord:
JA / NEE
©
Antwoord klasgenoten:
aantal leerlingen JA:
2
aantal leerlingen NEE:
Wat denk je dat de meeste mensen van Londen geantwoord hebben? Ontdek het via de
QR-code!
bijlage: enquête
? ` Zit er een logica in de naamgeving van stoffen? ` Kan een chemicus over de taalgrenzen heen duidelijk maken over welke stof die het heeft? We zoeken het uit!
12
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
CHECK IN
VERKEN
Voorstelling van chemische stoffen OPDRACHT 1
Verbind elke omschrijving met het juiste begrip. ⦁
⦁
opgebouwd uit verschillende soorten moleculen
mengsel
⦁
⦁
opgebouwd uit 1 soort atomen
enkelvoudige stof
⦁
⦁
opgebouwd uit 1 soort moleculen/formule-eenheden
samengestelde stof
⦁
⦁
opgebouwd uit verschillende atoomsoorten
IN
zuivere stof
OPDRACHT 2
Bekijk de volgende voorstellingen.
Wat kun je uit deze voorstellingen afleiden?
— Dit is een voorstelling van een zuiver(e) stof / mengsel. — Het aantal atoomsoorten is:
N
— Het aantal moleculen is:
— Dit is een voorstelling van een enkelvoudige stof / samengestelde stof.
VA
— De chemische formule die bij deze voorstelling hoort is:
OPDRACHT 3
Noteer het gevraagde. a
het symbool van het metaal met het kleinste aantal elektronen uit periode 2:
b het symbool van het deeltje met 2 bezette schillen en 7 valentie-elektronen:
de formule van het ion dat gevormd wordt als magnesium de edelgasconfiguratie bereikt heeft:
©
c
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
VERKEN
13
OPDRACHT 4
Fris je kennis rond de elektronenconfiguratie op. Teken de elektronenconfiguratie van stikstof.
IN
a
b Welke edelgasconfiguratie wil stikstof bereiken? c
Op welke manier kan stikstof deze elektronenconfiguratie bekomen?
d Wat is de symbolische voorstelling van het deeltje dat dan gevormd wordt? OPDRACHT 5
N
Via welk bindingstype worden de volgende elementen aan elkaar gebonden? En welke formule wordt er gevormd? Vul de tabel aan. Binding tussen:
atoombinding ionbinding
VA
Ca en O
Atoombinding of ionbinding?
N en H C en O
Al en Cl
OPDRACHT 6
atoombinding ionbinding
atoombinding ionbinding
atoombinding ionbinding
Formule-eenheid of molecuulformule
©
Teken de structuurformule van de atoomverbindingen uit opdracht 5.
14
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
VERKEN
HOOFDSTUK 1
Verdere indeling van de materie LEERDOELEN Je kunt al:
IN
L zuivere stoffen en mengsels van elkaar onderscheiden; L zuivere stoffen verder indelen in enkelvoudige en samengestelde stoffen;
L ionvorming van metalen en niet-metalen noteren. Je leert nu:
L de samengestelde stoffen verder indelen in anorganische en organische samengestelde stoffen;
L het begrip ‘oxidatiegetal’ toelichten en het oxidatiegetal bepalen;
enkelvoudige stoffen. We zijn gestart met
het onderzoeken van de materie. We hebben
N
L de anorganische stoffen indelen in hun stofklasse;
Vorig schooljaar lag de focus op de
L formules opstellen aan de hand van het oxidatiegetal;
de materie ingedeeld in mengsels en zuivere stoffen. De zuivere stoffen konden nog verder ingedeeld worden in samengestelde stoffen en enkelvoudige stoffen.
L de algemene principes van naamgeving bij anorganische
Dit jaar gaan we dieper in op de
VA
stoffen.
Organische en anorganische stoffen
©
1
samengestelde stoffen.
Alle stoffen die afkomstig zijn van de levende natuur worden ingedeeld bij de organische stoffen. Vetten, eiwitten, suiker … behoren allemaal tot de organische stoffen. Maar ook alle aardolieproducten behoren tot de organische stoffen. Ze ontstaan uit afgestorven kleine organismen die onder hoge druk en een hoge temperatuur in fossiele brandstoffen omgezet worden, zoals steenkool, aardolie of aardgas. Voorbeelden van organische stoffen zijn eiwitten in vlees en aardgas:
Afb. 1 Eiwitten in vlees zijn organische stoffen
Afb. 2 Aardgas is een organische stof
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
15
WEETJE Vroeger ging men ervan uit dat organische stoffen niet in een laboratorium konden worden gemaakt. In 1828 werd dat idee ontkracht: toen werd ureum, een stof aanwezig in urine, gemaakt vertrekkende van alleen maar anorganische stoffen. En er zijn zelfs een heleboel stoffen die, omwille van hun chemische structuur, tot de organische stoffen behoren, maar zelfs niet door levende organismen worden gemaakt. Dat zijn de kunststoffen.
Een andere, betere naam voor organische stoffen is koolstofverbindingen, want dat hebben al die stoffen gemeenschappelijk: ze bevatten allemaal het
IN
element koolstof. Maar de indeling ‘organische en anorganische stoffen’ is zodanig ingeburgerd dat die nog steeds wordt gebruikt.
Een andere naam voor anorganische stoffen is minerale verbindingen. Die
stoffen zijn afkomstig van de levenloze natuur. Denk maar aan bijvoorbeeld mineralen en gesteenten.
De onderstaande tabel geeft de eigenschappen van de anorganische en de
N
organische stoffen weer:
Anorganische stoffen (minerale verbindingen)
afkomstig van de levenloze natuur
Organische stoffen (koolstofverbindingen)
afkomstig van de levende of afgestorven natuur beperkte keuze uit atoomsoorten:
92 elementen van het PSE
steeds C, vaak H, maar vaak ook N, O,
VA
uitgebreide keuze uit atoomsoorten:
S of X (halogenen)
beperkt aantal atomen per
aantal atomen per molecule kan
verbinding
gaan van heel weinig (4) tot enorm veel (>100 000)
totale verzameling verbindingen is
totale verzameling verbindingen is
beperkt
zeer uitgebreid
atoombindingen, ionbindingen,
voornamelijk atoombindingen
metaalbindingen
©
Tabel 1 Eigenschappen van anorganische en organische stoffen
OPDRACHT 7
Omcirkel alle anorganische stoffen. a
e
16
NaOH
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
b
f
c
C5H12
HOOFDSTUK 1
g
d
CH3OH
h
NH3
Je vindt het misschien raar dat de groep van organische verbindingen veel uitgebreider is dan die van de anorganische verbindingen. Voor de organische verbindingen kun je maar gebruikmaken van een zeer beperkt aantal elementen, terwijl je voor de anorganische verbindingen gebruik kunt maken van ongeveer alle elementen uit het PSE. Je kunt dit gemakkelijk inzien door gebruik te maken van legoblokjes. Om de organische verbindingen te vormen, kun je kiezen uit ongeveer 10 kleuren. Om de anorganische verbindingen te maken, mag je gebruikmaken van 92 verschillende kleuren legoblokjes. Hoe komt het dan dat je veel meer verschillende bouwwerken kunt maken met slechts zo’n beperkt aantal kleuren van blokjes? Je kunt misschien maar kiezen uit 10 kleuren, maar je kunt wel heel veel blokjes in eenzelfde bouwwerk steken. Voor de anorganische verbindingen, mag een bouwwerk (formule-eenheid of molecule) slechts uit een zeer beperkt aantal blokjes uitgebreid.
IN
bestaan. Daarom is de groep van de anorganische verbindingen minder
De indeling in organische en anorganische stoffen is niet altijd even
gemakkelijk. Zo zul je bijvoorbeeld CO2 waarschijnlijk bij de organische
verbindingen indelen. Het is immers afkomstig van de levende natuur – we ademen het uit – en de formule bevat ook het element koolstof.
Toch zul je ontdekken dat de stof tot de anorganische stoffen behoort. Naast
N
CO2 zijn er nog moleculen die, ook al bevatten ze het element koolstof, toch
niet tot de organische verbindingen behoren. We gaan later verder in op die uitzonderingen. WEETJE
VA
Het is niet omdat organische stoffen afkomstig zijn van levende organismen, dat er in een levend organisme geen anorganische stoffen aanwezig zijn. Zoals je kunt zien op afbeelding 3, bestaat het menselijk lichaam zelfs voor het
anorganische samenstelling 6%
grootste deel uit anorganische
organische samenstelling 24 %
stoffen: water is namelijk een
water 70%
anorganische stof.
©
Afb. 3 Ons lichaam bestaat voor 70 % uit water.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
17
Anorganische stoffen (minerale verbindingen) afkomstig van de levenloze natuur
Organische stoffen (koolstofverbindingen) afkomstig van de levende of afgestorven natuur
uitgebreide keuze uit atoomsoorten:
beperkte keuze uit atoomsoorten:
92 elementen van het PSE
steeds C, vaak H, maar vaak ook N, O, S of X (halogenen)
beperkt aantal atomen per
aantal atomen per molecule kan
verbinding
gaan van heel weinig (5) tot enorm veel (>100 000)
beperkt
totale verzameling verbindingen is
IN
totale verzameling verbindingen is atoombindingen, ionbindingen,
zeer uitgebreid
voornamelijk atoombindingen
metaalbindingen
` Maak oefening 1 t/m 4 op p. 67-68.
Het oxidatiegetal
N
2
Om voor samengestelde stoffen gemakkelijk de formule van een atoombinding te vormen, is het gemakkelijk om met het begrip
VA
oxidatiegetal (OG) te werken: Het oxidatiegetal is het aantal elektronen dat een atoom zou opnemen of afstaan bij overgang naar de ionaire vorm.
vademecum: chemische bindingen
Voor de ionbinding komt het oxidatiegetal overeen met de lading van het ion. Voor de elementen in een atoombinding komt dat overeen met de lading die het element zou krijgen, wanneer we zouden doen alsof het een ionbinding zou zijn. Het niet-metaal met de hoogste elektronegatieve waarde (het sterkste niet-metaalkarakter), zal een negatief oxidatiegetal krijgen en het andere niet-metaal een positief oxidatiegetal. We gaan er in thema 05 nog
©
dieper op in.
Het oxidatiegetal wordt genoteerd door een Romeins cijfer voorafgegaan door de juiste lading: — een + wanneer het element elektronen wil afstaan
— een – wanneer het element elektronen wil opnemen —
Bij de atomen van een enkelvoudige stof is het OG van elk element = 0. Bv. Fe: OG = 0 O2: OG = 0 Bij monoatomische ionen is het OG van het ion = de relatieve ionlading. Bv. Na+: OG = +I Ca2+: OG = +II
18
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
OPDRACHT 8
PERIODIEK SYSTEEM VAN DE ELEMENTEN
IIa Een oxidatiegetal van dat het element 2 wil bij IIIa de1 1 2,1+II betekent atoomnummer (Z) elektronegatieve waarde
H overgang naar de vorm. Zo is het oxidatiegetal12van1,2beryllium in een samengestelde 1 1 ionaire waterstof
3
1,0
Li
2
Mg
symbool
1,01
4
1,5
naam
Be
11
0,9
beryllium
12
r
13
overgang naar de ionaire vorm. Zo is het oxidatiegetal van zuurstof in een samengestelde Na Mg Al natrium
magnesium
22,99
24,31
19
0,8
20
K
4
kalium
0,8
5 Rb
rubidium
0,7
strontium
1,2
88,91 57
1,1
6 Cs
Ba barium
lanthaan
132,9
137,3
138,9
cesium
0,7
7 Fr
francium
223
groepen
88
0,9
La
89
Ra
1,1
Ac
radium
actinium
226,0
227
{
lanthaniden
actiniden
23
1,4
24
V
1,6
25
1,5
1,8
26
1,9
27
2,2
28
2,2
29
1,9
2,2
30
zink
63,55 47
1,9
1,6
Zn
koper
58,69 46
IIb 12
Cu
nikkel
58,93 45
1,9
Ib 11
Ni
kobalt
55,85 44
1,9
VIlIb 10
Co
ijzer
54,94 43
1,8
Fe
mangaan
52,00 42
VIlIb VIlIb 8 9
Mn
chroom
50,94 41
1,6
VIIb 7
Cr
vanadium
47,87 40
1,6
VIb 6
4 2,5
7 1,5
3,0
8
1,7
6,94 12,01
9,01 14,01
140,9
151,2
12 1,8
19 1,6
4,0
F
22,99 28,09
24,31 30,97
320,8
331,0
16
2,5
17
naam
Ne
relatieve atoom
20,18 3,0
18
IIIb S IVbCl- VbAr VIb zwavel chloor argon 3 32,07 4 35,45 5 39,95 6
21 2,0
341,3
22 2,4
351,5
23 2,8
361,6
24
1,6
4Ga K Ge CaAs Sc Se Ti Br V Kr Cr gallium
69,72 37 1,7
49
kalium germanium calciumarseen scandiumseleen
39,10 72,64 500,8
titaan broom
vanadium krypton
chroom
40,08 74,92
44,96 78,96
47,87 79,90
50,9483,80
52,00
511,0
521,2
531,4
541,6
38 1,8
39 1,9
40 2,1
91,22 92,91 95,94 verschillend van nul.98 zirkonium
72
1,3
Hf
niobium
73
1,5
Ta
molybdeen
74
1,7
technetium
75
W
ruthenium
rhodium
101,1
1,9
Re
76
2,2
palladium
102,9
77
Os
2,2
Ir
zilver
106,4
78
2,2
cadmium
107,9
79
Pt
2,2
Au
1,9
rubidium tin
indium
112,4
80
strontium antimoon yttrium telluur
85,47 118,7
114,8
55 1,8
81
820,7
41 2,5
42
1,8
tantaal
wolfraam
renium
osmium
iridium
platina
goud
91,22 126,9
92,91131,3
841,1
851,3
861,5
57 1,9
Rf
105
Db
106
107
Sg
Bh
108
Hs
109
Mt
110
111
Ds
Rg
72 2,0
kwik
thallium
cesium lood
bariumbismut
lanthaan polonium hafniumastaat
138,9 209
dubnium
seaborgium
bohrium
hassium
meitnerium
darmstadtium
röntgenium
112
Cn
113
87
0,7 114
88
0,9 115
89
1,1 116
copernicium
104 117
cerium
praseodymium
neodymium
promethium
samarium
europium
gadolinium
terbium
dysprosium
holmium
140,1
140,9
144,2
(145)
150,4
151,9
157,3
158,9
162,5
164,9
{
1,2
U -I.NpFluorPuwil 1Am Cm opnemen Bk Cfom Es oxidatiegetal, namelijk elektron de 7 Th Pa neptunium
plutonium
americium
curium
berkelium
wolfraam
183,9 106
californium
einsteinium
289
58 1,1
70
erbium
thulium
167,3
168,9
262 289 71 1,1
actiniden
Fm
fermium
173,0
90
59 1,2
140,1 175,0 1,3 103
1,5
protactinium nobelium thorium lawrencium
259
232,0 262
231,0
bereiken. (In peroxiden heeft zuurstof een oxidatiegetal van -I: daar wordt in de derde graad verder op ingegaan). Edelgassen bezitten logischerwijze een oxidatiegetal van nul: ze willen geen elektronen opnemen of afgeven omdat ze de edelgasconfiguratie al bezitten.
VA
©
98
Voor de elementen met meerdere mogelijke oxidatiegetallen mag je een tabel gebruiken (tabel 2). Je vindt die tabel ook op de achterkant van je PSE. De verklaring voor de oxidatiegetallen zie je pas in het 5de jaar. Symbool element
Mogelijke oxidatiegetallen
As
+III +V
Pb
+II +IV
Br
-I +I +III +V +VII
Mn
+II +III +IV +VI +VII
Cd
+II
Ni
+II +III
Cl
-I +I +III +V +VII
Pt
+II +IV
Cr
+II +III +VI
Pu
+IV +V +VI
P
-III +III +V
Si
+IV
Au
+I +III
N
-III +I +II +III +IV +V
Fe
+II +III
Sn
+II +IV
I
-I +I +III +V +VII
U
+IV +VI
Co
+II +III
Ag
+I
C
+II +IV
Zn
+II
Cu
+I +II
S
-II +IV +VI
Hg
+I +II
Tabel 2 Oxidatiegetallen
Voor de a-groepen IVa tot en met VIIa is het hoogst mogelijke oxidatiegetal gelijk aan het groepsnummer. Het laagst mogelijke oxidatiegetal is gelijk aan het groepsnummer -8. GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
1
Re
renium
186,2
Bh
bohrium
60
19
1
Nd
neodymiu
140,9 91
van -II, want het wil 2 elektronen opnemen om de edelgasconfiguratie te
Mogelijke oxidatiegetallen
technetiu
75
264 1,1
Md 7No Th Lr Pa
mendelevium
1
Tc
266
ytterbium ceriumlutetiumpraseodymium
102
232,0 231,0 238,0 237 244 243 247 247 251 257 258 edelgasconfiguratie te bereiken. Zuurstof heeft meestal een252oxidatiegetal
Symbool element
54,94
107
Er Tm 6Yb CeLu Pr lanthaniden
groepen Bij de niet-metalen samengestelde mogelijk 90 1,3 91 1,5 92 heeft 1,4 93 fluor 1,3 94 in1,3een 95 1,3 96 97 98 stof één 99 100 101
uraan
mangaa
43
rutherfordium nihonium francium flerovium radium moscovium actinium livermorium tennessine dubnium ganessonseaborgium
Cein een Pr samengestelde Nd Pm Smstof Eu Gd Tb Dy Ho 6 IIa groep een oxidatiegetal van +II. protactinium
1,7
180,9 222
105 118
1
Mn
7Nh Fr Fl- RaMc AcLv Rf Ts DbOg Sg
58 1,1 59 1,1 60 1,2 te 61 62 1,2 63 Analoog 64 65 1,2 66alle (1,2) elementen 67 1,2 68 1,2 uit 69 de edelgasconfiguratie bekomen. hebben
thorium
25
95,94 74
tantaal radon
178,5 210
de261buitenste schil. Met andere woorden, ze272willen dat elektron afstaan om 261 223 289 226,0 288 227 289 287 262 266 264 277 268 281 285 rutherfordium
73 2,2
VIIb 7
Hg 6Tl- CsPb Ba Bi LaPo HfAt TaRn W
oxidatiegetal van +I. Al deze elementen hebben immers 1 elektron op 104
niobiumxenon molybdeen
88,91 127,6
830,9
Alle elementen uit groep Ia hebben in een197,0 samengestelde stof een 178,5 180,9 183,9 186,2 190,2 192,2 195,1 200,6 204,4 132,9 207,2 137,3 209,0 hafnium
zirkoniumjood
87,62 121,8
56 1,8
mag
24
neon
19,00
Afb. 5 Zuurstof
2,1
10
fluor
16,00
Afb. 4 Beryllium 20 1,8
9
zuurstof
3 - Na Si Mg P
31
3,5
O
lithiumkoolstof beryllium stikstof
26,98
M
4,00symbool
61,0
11 1,5
12
helium
aluminium natriumsilicium magnesium fosfor
65,38 48
N
87
titaan
Vb 5
He
elementen hebben RbSn Sr Sb Y Te Zr I NbXe Mo Y Verschillende Zr Nb Mo Tc Ru Rh slechts Pd één Ag mogelijk Cd 5Inoxidatiegetal
yttrium
87,62 0,9
1,5
Ti
44,96 39
Sr
56
22
scandium
40,08 1,0
1,3
IVb 4
Sc
calcium
38
85,47 55
21
Ca
39,10 37
1,0
IIIb 3
atoomnummer (Z)
1,01
IN
3
stof (meestal) -II.
2
waterstof
boor
1,2
VIIa 17
VIa 16
2B Li C Be N
24,31
atoommassa (A ) 6,94 -II betekent 9,01 wil bij 10,81 Een oxidatiegetal van dat het elementrelatieve 2 lithium
H
3 2,0
5
magnesium
PERIODIEK SYSTEE IVa IIa Va 14 2 15
2,1
13
2
stof +II.
0 18
Ia 1
Ia
Vul de ontbrekende woorden in. 1
144,2 92
1
U
uraan
238,0
OPDRACHT 9
Vul aan. Chloor behoort tot de groep
.
Het hoogst mogelijke oxidatiegetal is gelijk aan + groepsnummer, dus
.
edelgasconfiguratie van
.
Dat betekent dat chloor dan elektron(en) wil . Op die manier bekomt chloor de .
Het laagst mogelijke oxidatiegetal is gelijk aan het groepsnummer – 8, dus
Dat betekent dat chloor dan elektron(en) wil . Op die manier bekomt chloor .
IN
de edelgasconfiguratie van
Het is van essentieel belang dat je voor het werken met oxidatiegetallen ook de neutraliteitsregel toepast. Op die manier kun je vlot de formule van een
atoombinding vormen. Volgens de neutraliteitsregel is de som van de lading van de positieve en negatieve ionen gelijk.
N
2.1 Het oxidatiegetal gebruiken om een formule te vormen
Bij het zelf vormen van een formule moet je er altijd rekening mee houden dat de som van de oxidatiegetallen nul is. Het aantal elektronen dat wordt afgestaan, moet gelijk zijn aan het aantal elektronen dat wordt opgenomen.
VA
Dat kun je doen door het kleinste gemene veelvoud te nemen van het aantal uitgewisselde elektronen. Een andere, zeer handige manier is door het toepassen van de kruisregel: het oxidatiegetal van het ene element noteer je (zonder ladingsteken) als index bij het andere element en omgekeerd. Nadien controleer je of je beide indexen nog kunt vereenvoudigen.
OPDRACHT 10
Vorm de formule met behulp van het oxidatiegetal.
Bekijk in het voorbeeld hoe je de formule tussen chloor (met OG = +III) en zuurstof vormt.
Cl:
+III
= 3 elektronen afstaan
O:
-II
= 2 elektronen opnemen
©
1
Het kleinste gemene veelvoud van 3 en 2 is 6. Cl moet je 2 keer nemen O moet je 3 keer nemen
Of via de kruisregel: Cl
O
+III
-II
en
Cl2O3 Cl2
O3
+III
-II
Dat kun je vereenvoudigen tot Cl2O3
20
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
2
Vorm de formule tussen chroom (met OG = +VI) en zwavel (met OG = -II). Cr: OG = +VI =
S: OG = -II =
Het kleinste gemene veelvoud van
en
is:
Of via de kruisregel:
Dat kun je vereenvoudigen tot:
IN
N
2.2 Het oxidatiegetal uit een formule berekenen
Wanneer je een chemische formule krijgt, dan kun je altijd het oxidatiegetal van een element met meerdere mogelijke oxidatiegetallen bepalen, uitgaande van de gekende oxidatiegetallen. De som van de oxidatiegetallen is namelijk
VA
nul of voor een ion gelijk aan de lading van het ion.
OPDRACHT 11
Bepaal het oxidatiegetal. 1
Bekijk eerst in het voorbeeld hoe je het oxidatiegetal van zwavel in SO3 bepaalt.
OG(S) + 3 ∙ OG(O) = 0 x + 3 ∙ (-II) = 0 x = +VI
Bepaal nu zelf het oxidatiegetal van stikstof in HNO2.
©
2
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
21
— Het oxidatiegetal (OG) is het aantal elektronen dat een atoom opneemt of afstaat bij overgang naar de ionaire vorm. Volgende oxidatiegetallen moet je vanbuiten kennen: Groep Ia:
+I
Fluor (F): -I
Groep II a:
+II
Zuurstof (O): meestal -II
Groep IIIa:
+III
Edelgassen: oxidatiegetal is altijd 0. — Voor de elementen in groep IVa tot en met VIIa (zie ook tabel 2 op p. 19): •
hoogst mogelijke oxidatiegetal = +groepsnummer
•
laagst mogelijke oxidatiegetal = groepsnummer -8
IN
— Neutraliteitsregel: de som van de lading van de positieve en negatieve ionen is gelijk.
` Maak oefening 5 en 6 op p. 68.
Indeling en naamgeving van de anorganische stoffen
N
3
Je weet nu dat we stoffen kunnen indelen in anorganische stoffen (minerale verbindingen) en organische stoffen (koolstofverbindingen). In dit thema zul je ook leren hoe de moleculevorming en naamgeving gebeurt bij
VA
anorganische samengestelde stoffen. In thema 02 leer je alles over de organische stoffen.
Verbindingen vertonen analoge chemische eigenschappen door de aanwezigheid van eenzelfde atoom of atoomgroep: de chemische functie of functionele groep. Dat laat toe de verbindingen te ordenen in chemische verbindingsklassen of stofklassen. De anorganische samengestelde stoffen worden onderverdeeld in 4 stofklassen: de oxiden, de hydroxiden, de zuren en de zouten. In de volgende tabel vind je de basisstructuur van elke
©
stofklasse.
Stofklasse
functionele
Oxiden
O
Hydroxiden OH
Zuren H
groep algemene
Zouten geen functionele groep
MO of nMO
MOH
HZ
MZ
-oxide
-hydroxide
-ide
-ide
-aat
-aat
-iet
-iet
formule uitgang naam
M = metaal, nM = niet-metaal, O = zuurstof, H = waterstof, Z = zuurrest (zie verder bij de zuren) = nM of nMO Tabel 3 Overzicht opbouw anorganische stofklassen
22
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
Opmerkingen: Stoffen waarvan de formule bestaat uit slechts 2 elementen noemen we binaire stoffen. Stoffen die bestaan uit 3 elementen noemen we ternaire verbindingen. Zouten die het ammoniumion NH4+ bevatten
worden zeer specifiek ook ammoniumzouten genoemd.
OPDRACHT 12 ONDERZOEK
Ga naar
en voer het labo uit.
IN
Onderzoek nu zelf hoe je anorganische stoffen kunt indelen op basis van analoge chemische eigenschappen.
3.1 Van formule naar stofklasse
Indien je een formule van een samengestelde stof krijgt, dan kun je op basis
van de algemene formule de stof in de juiste stofklasse indelen. Het volgende
N
schema kan je helpen om dat efficiënt aan te pakken:
Bestaat de formule uit 2 elementen en eindigt het op 'O'? NEE
VA
JA
Het is een oxide
Begint de formule met een metaal of NH4+ en eindigt het op 'OH'? JA
NEE Begint de formule met 'H'?
©
Het is een hydroxide
JA
NEE
Het is een zuur
Het is een zout
Eindigt de formule op 'O'?
Eindigt de formule op 'O'?
NEE
JA
NEE
JA
Het is een
Het is een
Het is een
Het is een
binair zuur
ternair zuur
binair zout
ternair zout
Schema 1 Indeling van anorganische stoffen op basis van een gegeven formule
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
23
OPDRACHT 13
Gebruik schema 1 om de volgende formules in de juiste stofklasse in te delen. Formule
Stofklasse
Cl2O3
AlCl3
Mg(OH)2
HNO3
Algemene formule
IN
3.2 Van naam naar stofklasse Groep 1
Groep 2
Groep 3
Ionverbindingen waarbij het
Ionverbindingen waarbij het metaal meerdere
De atoomverbinding tussen
metaal slechts één mogelijk
mogelijke oxidatiegetallen heeft
niet-metalen
De naam is zo beknopt
Er zijn 2 manieren om de naam weer te geven:
Voor de naam wordt ook hier de
mogelijk: de naam van het
— Voor de systematische naam noteer je het
systematische naam gebruikt:
aluminium) + de juiste uitgang
oxidatiegetal heeft
metaal (in deze voorbeelden
je noteert het Griekse telwoord
eerste element staat, vervolgens de naam
voor de index dat bij het eerste
van het eerste element, dan het Griekse
element staat, vervolgens de
afhankelijk van de stofklasse
telwoord voor de index dat bij het laatste
naam van het eerste element,
(in deze voorbeelden oxide).
deel van de formule staat en tot slot de
dan het Griekse telwoord voor de
juiste uitgang.
index dat bij het laatste deel van
respectievelijk natrium en
N
Griekse telwoord voor de index dat bij het
VA
— Voor de stocknotatie noteer je de naam van de formule staat en tot slot de het metaal, achter dat metaal schrijf je
juiste uitgang.
tussen haakjes de waarde van het oxidatiegetal en je eindigt met de juiste uitgang.
Na2O
Al2O3
natriumoxide
FeO
aluminiumoxide
Fe2O3
ijzer(mon)oxide
CO
koolstof(mon)oxide
of ijzer(II)oxide
CO2
koolstofdioxide
diijzertrioxide
of ijzer(III)oxide
Van ijzer bestaan er 2 mogelijke oxiden.
Ook hier zijn er verschillende
hebben slechts 1 mogelijk
Om verwarring te vermijden, moet er extra
oxiden van koolstof mogelijk.
oxidatiegetal in een
informatie in de naam aanwezig zijn: met de
Er is een zeer groot verschil
samengestelde stof. Met
naam 'ijzeroxide' kun je de formule FeO vormen, tussen die 2 stoffen. Omdat het
behulp van de kennis van
maar niet de formule Fe2O3.
©
Zowel natrium als aluminium
de oxidatiegetallen en de
echt belangrijk is dat er geen twijfel bestaat, wordt het Griekse
neutraliteitsregel, kun je
telwoord 'mono' vaak expliciet
gemakkelijk zelf de formule
geschreven.
opstellen, daarom bevat de naam alleen de essentiële onderdelen. WEETJE Griekse telwoorden: mono (wordt meestal niet geschreven) – di – tri – tetra – penta – hexa – hepta
24
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
Je hebt al het schema gezien waarmee je op basis van een gegeven formule de stof kunt indelen in de juiste stofklasse. Het volgende schema helpt je om op basis van een gegeven naam de stof in te delen in de juiste stofklasse:
Eindigt de naam op 'hydroxide'? JA
NEE
Het is een hydroxide
Eindigt de naam op 'oxide'? JA
NEE
Het is een oxide
Eindigt de naam op 'zuur'
IN
of begint de naam met 'waterstof'?
JA
NEE
Het is een zuur
Het is een zout
Eindigt de naam NIET op -ide
Eindigt de
Eindigt de naam
of is het zoutzuur?
of is het GEEN zoutzuur?
naam op -ide?
NIET op -ide?
N
Eindigt de naam op -ide
Het is een
Het is een
Het is een
Het is een
binair zuur
ternair zuur
binair zout
ternair zout
Schema 2 Indeling van anorganische stoffen op basis van een naam
VA
OPDRACHT 14
Gebruik schema 2 om de volgende stoffen in de juiste stofklasse in te delen.
f
calciumnitraat
b ammoniumhydroxide
g
ammoniumchloride
h waterstofsulfide
d koper(II)oxide
i
waterstofnitriet
j
koolstofdioxide
a
c
e
dichloorheptaoxide
zwavelzuur
natriumoxide
DOORDENKER
©
OPDRACHT 15
Combineer de elementen. Gegeven elementen:
Ca
H
N
O
Welke elementen moet je combineren om een formule, die tot de volgende stofklasse behoort, te vormen? Zet ze ook in de juiste volgorde: niet-metaaloxide: metaaloxide: hydroxide:
ternair zuur: ternair zout:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
25
De functionele groep is een atoomgroep die bepaalt dat verbindingen analoge chemische eigenschappen vertonen. Op basis van die functionele groep kunnen we anorganische samengestelde stoffen onderverdelen in 4 stofklassen:
oxiden: MO of nMO
hydroxiden: MOH
zuren: HZ
zouten: MZ
Naamgeving van anorganische samengestelde stoffen:
IN
— Voor metalen met slechts 1 mogelijk oxidatiegetal ga je als volgt te werk om de naam te geven: •
naam van het metaal + juiste uitgang (oxide, hydroxide …) afhankelijk van de stofklasse
— Voor metalen met meerdere mogelijke oxidatiegetallen heb je 2 opties om de naam te geven: •
systematische naam: je maakt gebruik van de Griekse voorvoegsels om de indexen weer te geven:
N
Grieks telwoord + naam van het metaal + Grieks telwoord + juiste uitgang
•
stocknotatie: je noteert het oxidatiegetal van het eerste element tussen haakjes achter de naam van dat element, maar zonder het plusteken.
VA
naam van het metaal (OG van het element zonder plusteken) + juiste uitgang
— Voor atoombindingen maak je altijd gebruik van de Griekse voorvoegsels:
Grieks telwoord + naam van het eerste niet-metaal + Grieks telwoord + juiste uitgang
©
` Maak oefening 8 t/m 10 op p. 68-69.
26
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 1
HOOFDSTUK 2
De oxiden
5
10,81 13 LEERDOELEN
12,01
14
Al-
26
31
L een formule opstellen met behulp van oxidatiegetallen;
Ga
L je kunt al de algemene formule van een oxide schrijven. Je leert nu: L de oxiden verder indelen in metaaloxiden en niet-metaaloxiden;
32
16
33
gallium
69,72
32,07 34
As
Se
ium
german
72,64
seleen
arseen
78,96
74,92
Cl-
chloor
35,45 35
Br
broom
79,90
Je hebt misschien al weleens gehoord over oxideren en ook vorig jaar maakte je al
N
L de eigenschappen en toepassingen van oxiden;
Ge
17
zwavel
fosfor
30,97
19,00
S
P
Si
28,09
16,00
IN
basis van een gegeven naam of formule;
15
silicium
m aluminiu
L anorganische stoffen indelen in de juiste stofklasse ,9 op8
14,01
fluor
f zuursto
stikstof
koolstof
boor
F
O
N
C
B
Je kunt al:
7
6
9
8
L de formule van oxiden opstellen; L de naam van oxiden opstellen;
kennis met het gevarenlogo voor oxiderende stoffen. Wanneer ijzer roest, ontstaat er een oxide. De gevormde stof is een zeer brosse
L via welke chemische reactie je een oxide kunt vormen.
verbinding: het heeft andere eigenschappen
VA
dan het oorspronkelijke metaal.
1
Wat is een oxide?
Wanneer een element een binding aangaat met zuurstof, ontstaat er een oxide. Concreet kun je dat doen door een stof te verbranden. Oxiden zijn binaire verbindingen en zijn dus opgebouwd uit 2 atoomsoorten:
©
een metaal of niet-metaal enerzijds en zuurstof anderzijds, waarbij zuurstof
Cl2O3
Fe2O3 zilveroxide
koolstofmonoxide magnesiumoxide
N2O
SO
CO2
Li O
3 lithiumoxide 2
ijzeroxide CrO 3 looddioxide
CO
altijd als laatste wordt geschreven. We spreken respectievelijk dan ook over metaaloxiden en niet-metaaloxiden. Aangezien alle oxiden het element zuurstof gemeenschappelijk hebben, is zuurstof de functionele groep. De oxiden kunnen nog verder worden ingedeeld: — metaaloxiden: — niet-metaaloxiden
MO nMO
De metaaloxiden zijn ionverbindingen aangezien ze opgebouwd zijn uit een metaal en een niet-metaal terwijl de niet-metaaloxiden atoomverbindingen zijn, want ze zijn opgebouwd uit 2 niet-metalen.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 2
27
2
De metaaloxiden
2.1 Metalen met slechts 1 mogelijk oxidatiegetal Die metalen kunnen slechts 1 oxide vormen. Van zodra je weet over welk metaal het gaat, kun je gemakkelijk zelf door middel van de neutraliteitsregel of kruisregel de formule vormen. Het is dus niet nodig om het aantal ionen van elke soort in de naam te vermelden. De naam bevat alleen
IN
de naam van het metaalion met als uitgang ‘oxide’.
VOORBEELD FORMULE EN NAAM VAN EEN METAAL MET 1 OXIDATIEGETAL 1
De naam en formule van het oxide van natrium (Na) want in groep Ia
— natrium: +I
— zuurstof: -II
Omwille van de neutraliteitsregel heb je 2 natriumionen nodig en 1 oxide-ion: Na2O
Bij de kruisregel plaats je de lading van het eerste element als index bij het tweede element
Na
O
+I
-II
Hierdoor bekom je: Na2O1 → Na2O
VA
en omgekeerd en
Of je gebruikt de kruisregel:
N
TIP
vereenvoudig je indien mogelijk de indexen.
De waarde 1 mag je weglaten. Als je nog kunt vereenvoudigen, dan doe je dat ook. De formule-eenheid is dus Na2O en de naam natriumoxide
en niet dinatriumoxide, aangezien natrium slechts 1 mogelijk oxidatiegetal heeft.
2
De formule van aluminiumoxide
Uit de naam halen we al dat de formule Al en O bevat. Aluminium heeft slechts 1 mogelijk oxidatiegetal, daarom moeten we de neutraliteitsregel of kruisregel toepassen om de formule te vormen. — aluminium: +III
©
— zuurstof: -II
want groep IIIa Al
O
+III
-II
Hierdoor bekom je als formule-eenheid voor aluminiumoxide: Al2O3. Je ziet dus dat je moet opletten wanneer de naam gegeven is voor metalen met slechts 1 mogelijk oxidatiegetal. Uit de naam aluminiumoxide kun je namelijk niet gemakkelijk de formule Al2O3 afleiden.
28
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 2
OPDRACHT 16
Oefen de formule en naam van een metaal met 1 oxidatiegetal. 1
Vorm de naam en formule-eenheid via de kruisregel van het oxide van magnesium.
Wat is de juiste formule van lithiumoxide?
IN
2
N
2.2 Metalen met meerdere mogelijke oxidatiegetallen Hier zijn er meerdere oxiden mogelijk. Het is dus belangrijk dat er in de naam extra informatie wordt gegeven om te weten over welk oxide het juist gaat: — Ofwel wordt er gebruikgemaakt van de stocknotatie waarbij het oxidatie-
VA
getal van het metaal tussen haakjes achter de naam van het metaal wordt genoteerd, zonder plus- of minteken. Dus: metaal + (oxidatiegetal) + oxide
— Ofwel wordt de systematische naam gebruikt: hierbij wordt het aantal
ionen van elke soort weergegeven met behulp van Griekse telwoorden.
©
Dus: Grieks telwoord + metaal + Grieks telwoord + oxide
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 2
29
OPDRACHT 17
Oefen de formule en naam van metalen met meerdere mogelijke oxidatiegetallen. 1
Bepaal de formule van alle mogelijke oxiden van ijzer (Fe). +III
+II Kruisregel
Stocknotatie Systematische naam 2
IN
Formule-eenheid
Vorm de formule-eenheid via de kruisregel en geef de systematische naam van lood(II)oxide.
N
VA
3
Wat is de stocknotatie van dikoperoxide?
a
Vorm eerst de formule-eenheid:
b Bereken het oxidatiegetal van koper in die stof:
©
c
30
Noteer de stocknotatie van die stof:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 2
3
De niet-metaaloxiden
Niet-metaaloxiden zijn atoomverbindingen die in veel verschillende verhoudingen kunnen binden. Je zult dus altijd een systematische naam krijgen, met Griekse telwoorden die aangeven hoeveel keer je elk atoom moet nemen: Grieks telwoord + niet-metaal + Grieks telwoord + niet-metaal OPDRACHT 18
+I
+III
Kruisregel
Systematische naam
VA
+VII
+V
N
Formule
IN
Noteer de naam en formule van alle oxiden van chloor (Cl).
— Oxiden zijn binaire verbindingen: ze zijn opgebouwd uit een metaal of een niet-metaal en zuurstof. Er bestaan 2 soorten oxiden: •
metaaloxiden: MO
•
niet-metaaloxiden: nMO
— De functionele groep is zuurstof. — Metaaloxiden:
→ metalen met slechts 1 mogelijk oxidatiegetal: •
formule: lading opzoeken in het PSE + kruisregel toepassen
•
naam: metaal + oxide
→ metalen met meerdere mogelijke oxidatiegetallen:
formule: meerdere mogelijkheden, er moet dus informatie over het oxidatiegetal gegeven worden
•
systematische naam = Grieks telwoord + metaal + Grieks telwoord + oxide
•
stocknotatie = metaal + (oxidatiegetal) + oxide
©
•
— Niet-metaaloxiden: •
formule: meerdere mogelijkheden, er moet dus informatie over het oxidatiegetal gegeven worden.
•
altijd de systematische naam = Grieks telwoord + niet-metaal + Grieks telwoord + oxide
` Maak oefening 11 t/m 16 op p. 69-70.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 2
31
4
Gebruik en toepassingen van oxiden
Je staat er waarschijnlijk niet altijd bij stil, maar je wordt omringd door oxiden. Scan de QR-code en ontdek de belangrijkste toepassingen van oxiden via de ontdekplaat. Eén van de meest gekende oxiden is ongetwijfeld koolstofdioxide of
ontdekplaat: anorganische stofklassen
koolzuurgas CO2. Het is een zeer belangrijk broeikasgas, dat ontstaat bij de volledige verbranding van fossiele brandstoffen. Verder wordt het ook
gebruikt in drank met prik. Je hebt thuis misschien een toestel om zelf
N
hoge druk.
IN
spuitwater of limonade te maken. Dat is gevuld met koolstofdioxide onder
Afb. 6 Koolstofdioxide ontstaat bij heel wat verbrandingsprocessen
VA
Maar dat gas zit ook in sommige brandblusapparaten. Aangezien koolstofdioxide een hogere dichtheid heeft dan lucht, stijgt het gas niet en zorgt het ervoor dat er geen zuurstofgas meer aan het vuur kan waardoor het vuur dooft.
Wanneer koolstofdioxide zodanig wordt afgekoeld dat het vast wordt, wordt het droogijs genoemd. Dat wordt vooral als koelmiddel gebruikt, maar ook als ‘showeffect’ bij optredens, bepaalde cocktails … Pas toch op met die stof. Zoals gezegd: koolstofdioxide heeft een hogere dichtheid dan lucht, dus bij heel grote hoeveelheden kun je sterven aan zuurstofgebrek.
©
Afb. 7 Koolstofdioxide als droogijs
Wanneer fossiele brandstoffen verbrand worden in zuurstof-arme omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer een schoorsteen onvoldoende lucht en dus ook zuurstofgas doorlaat, ontstaat het zeer giftige koolstofmonoxide CO. Aangezien dat een kleurloos en geurloos gas is, wordt het vaak de stille sluipdoder genoemd. Spijtig genoeg sterven er in België nog jaarlijks veel mensen aan een CO-vergiftiging.
Afb. 8 Een schoorsteen moet geregeld worden gereinigd
32
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 2
Een ander gasvormig oxide dat je misschien kent, is distikstofoxide N2O of
lachgas. Die stof wordt onder andere gebruikt in slagroompatronen en om het vermogen van een motor op te drijven (denk maar aan de filmreeks ‘Fast and Furious’).
WEETJE
Afb. 10 Nitrofles om het vermogen van wagens op te drijven
Afb. 11 Snelle auto’s in Fast and Furious
IN
Afb. 9 Slagroomspuit
Vroeger werd lachgas als verdovingsmiddel gebruikt,
maar de laatste jaren wordt het vooral misbruikt: het wordt nu als drug gebruikt en is zeer gevaarlijk.
Daarom is de verkoop van lachgas sinds 5 maart 2021 verboden aan minderjarigen. Scan de QR-code en
bekijk de ‘Rij ballonvrij’-campagne in Nederland over
video: rij ballonvrij
N
de gevaren van lachgas.
Wanneer je kijkt op de ingrediëntenlijst van voedingsstoffen, dan zie je vaak E-nummers staan. Zo verwijst E220 naar zwaveldioxide SO2. Het wordt vaak
toegevoegd aan bijvoorbeeld rozijnen of gedroogde abrikozen.
VA
Gedroogde abrikozen
Ingrediënten: Abrikozen, antioxidant: zwaveldioxide (E220) Gemiddelde voedingswaarde Per 100 g 1 Portie (30 g) % GDA* (30 g) 1156 kJ
347 kJ
4%
273 kcal
82 kcal
4%
2,7 g
0,8 g
2%
Koolhydraten
61,1 g
18,3 g
7%
waarvan suikers
36,5 g 0,3 g
11,0 g 0,1 g
12 % <1 %
waarvan verzadigd vet
0,1 g
0,03 g
<1 %
Voedingsvezels
7,5 g
2,3 g
9%
<0,01 g
<0,01 g
<1 %
Energie
Eiwitten
Vet
Natrium
©
Afb. 12 Zwaveldioxide in gedroogde abrikozen
Een vast metaaloxide dat spijtig genoeg heel gemakkelijk wordt gevormd, is diijzertrioxide of roest Fe2O3. Van zodra er lucht en water aan een niet-
beschermd ijzeren voorwerp kan, begint het ijzer te roesten. Het metaal verliest zijn eigenschappen zoals sterkte en plooibaarheid en de stof wordt zeer bros en verpulvert gemakkelijk.
Afb. 13 Roest is een vast metaaloxide
Een ander vast oxide dat vaak wordt gebruikt, is calciumoxide of ongebluste kalk CaO. Vroeger werd het gebruikt om de lijnen op een voetbalveld te tekenen (nu is het verboden). Maar het werd ook toegepast om het ontbindingsproces van stoffelijke resten te versnellen.
Afb. 14 Kalklijnen op een voetbalveld
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 2
33
WEETJE In de stad Mainz in het westen van Duitsland hebben archeologen na jaren onderzoek het deksel gelicht van een 1 000 jaar oude sarcofaag. In de grafkist vonden ze de bijna volledig vergane resten van een persoon aan, mogelijk een geestelijke uit de 11de eeuw. De wetenschappers vermoeden dat de overledene allicht met ongebluste kalk werd bedekt om het ontbindingsproces te versnellen. Bron: Het Laatste Nieuws
IN
OPDRACHT 19
Oefen met behulp van flashcards je kennis van de oxiden.
N
flashcards: oxiden
Formule
koolstofdioxide
©
VA
CO2
Systematische naam
34
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
Stocknotatie
/
Toepassing/ eigenschap
Triviale naam
koolzuur-
•
brandblusapparaat
gas
•
drank met prik
lachgas
anesthesie
N2O
distikstofoxide
/
Fe2O3
diijzertrioxide
ijzer(III) roest
SO2
zwaveldioxide
/
/
bewaarmiddel
CO
koolstofmonoxide /
/
ontstaat bij slechte
roesten van ijzer
oxide
verbranding en is zeer giftig
CaO
calciumoxide
/
ongebluste / kalk
` Maak oefening 17 op p. 70.
HOOFDSTUK 2
5
Reactiepatronen
5.1 Vorming metaaloxiden OPDRACHT 20 DEMO
Je leerkracht onderzoekt welke stof er ontstaat bij de verbranding van een metaal. Werkwijze Je leerkracht neemt een stukje magnesiumlint vast met een tang en steekt het in brand. Vervolgens voegt je
Besluit
©
VA
N
Waarnemingen
IN
leerkracht er een beetje water met universeel-indicatoroplossing aan toe.
Het reactiepatroon geeft algemeen weer wat voor soort stoffen of stofklassen reageren en welke stoffen of stofklassen worden gevormd. Het bevat geen concrete stoffen op zuurstofgas, water … na. De coëfficiënten moeten dus niet worden aangepast.
— reactiepatroon:
metaal
+
zuurstofgas
→
metaaloxide
(M)
+
(O2)
→
(MO)
De reactievergelijking bevat wel concrete stoffen. Hierbij moeten natuurlijk de coëfficiënten in orde worden gebracht: — reactievergelijking: 2 Mg
+
O2
→
2 MgO
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 2
35
5.2 Vorming niet-metaaloxiden OPDRACHT 21 DEMO
Je leerkracht onderzoekt welke stof er ontstaat bij de verbranding van een niet metaal. Werkwijze Je leerkracht neemt een oude glazen pot met plastieken deksel en steekt een verbrandingslepel door het deksel door de achterzijde van de verbrandingslepel even te verwarmen. Vervolgens wordt een bodempje water met universeel-indicatoroplossing toegevoegd in de glazen pot. Je leerkracht vult de verbrandingslepel met zwavel, steekt de zwavel aan en brengt de brandende zwavel
IN
boven het vloeistofoppervlak. De pot wordt gesloten. Waarnemingen
Besluit
N
— reactiepatroon:
+
zuurstofgas
→
niet-metaaloxide
nM
+
O2
→
nMO
8 O2
→
8 SO2
VA
niet-metaal
— reactievergelijking: S8
+
Het reactiepatroon geeft algemeen weer wat voor soort stoffen of stofklassen reageren en welke stoffen of stofklassen worden gevormd.
©
— reactiepatroon vorming metaaloxiden:
36
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
metalen
+
zuurstofgas
→
metaaloxiden
M
+
O2
→
MO
— reactiepatroon vorming niet-metaaloxiden: niet-metalen +
zuurstofgas
→
niet-metaaloxiden
nM
O2
→
nMO
+
` Maak oefening 18 en 19 op p. 70.
HOOFDSTUK 2
HOOFDSTUK 3
De hydroxiden
LEERDOELEN Je kunt al: van een gegeven naam of formule;
IN
L anorganische stoffen indelen in de juiste stofklasse op basis L een formule opstellen met behulp van oxidatiegetallen; L de naam en formule van oxiden opstellen;
L de algemene formule van een hydroxide schrijven. Je leert nu:
L de eigenschappen en toepassingen van hydroxiden;
N
L de formule van hydroxiden opstellen; L de naam van hydroxiden opstellen;
In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de
L via welke chemische reactie je een hydroxide kunt vormen.
hydroxiden. In hoofdstuk 1 heb je met
VA
deze stofklasse al kennisgemaakt.
Wat is een hydroxide?
©
1
Een hydroxide is een verbinding van een metaal met 1 of meerdere hydroxidegroepen (OH--groepen). Het zijn dus allemaal ionverbindingen.
De functionele groep is het hydroxide-ion: OH-. De lading van het hydroxide-
ion is -I, aangezien zuurstof een oxidatiegetal van -II heeft en waterstof een oxidatiegetal van +I. De algemene formule van een hydroxide is dus MOH. Er komt nooit een andere index dan 1 voor bij het metaal. In de plaats van een metaalion kan ook het ammoniumion (NH4+) gebonden worden.
WEETJE Ook al zijn hydroxiden ionverbindingen, toch is er ook een atoombinding aanwezig. De binding tussen het metaal en zuurstof is een binding tussen een metaal en een niet-metaal, en bijgevolg een ionbinding. Maar zuurstof is ook gebonden met waterstof. Dat zijn 2 niet-metalen en die vormen dus samen een atoombinding.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 3
37
2
Formule- en naamvorming
De formule- en naamvorming verloopt analoog aan die van de metaaloxiden.
2.1 Metalen met slechts 1 mogelijk oxidatiegetal Voor hydroxiden met het ammoniumion of met een metaalion dat slechts 1 mogelijk oxidatiegetal heeft, ga je het oxidatiegetal aflezen uit het PSE
IN
en vorm je de formule door de kruisregel toe te passen. De naamgeving is: metaal (of ammonium) + hydroxide
OPDRACHT 22
Oefen de naam en formule van hydroxiden.
Vorm de naam en de formule-eenheid via de kruisregel van het hydroxide van magnesium.
VA
N
1
Vorm de naam en de formule-eenheid via de kruisregel van het hydroxide van ammonium.
©
2
38
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 3
2.2 Metalen met meerdere mogelijke oxidatiegetallen Net zoals bij de oxiden kun je voor eenzelfde metaal meerdere mogelijke formules van het hydroxide vormen. De stof kan met behulp van de systematische naam of met de stocknotatie genoteerd worden. OPDRACHT 23
Oefen de naam en formule van hydroxiden. 1
Vul de volgende tabel voor de hydroxiden van koper aan. +II
IN
+I
Kruisregel
Formule-eenheid Stocknotatie 2
Wat is de stocknotatie van loodtetrahydroxide? a
N
Systematische naam
Vorm eerst de formule-eenheid:
b Bepaal het oxidatiegetal van lood in deze stof:
VA
Noteer de stocknotatie:
©
c
— Hydroxiden zijn ionverbindingen tussen een metaalion en het hydroxide-ion. — Het hydroxide-ion is de functionele groep en heeft een oxidatiegetal van -I: OH-
— NH4+ = ammoniumion
— Indien het metaal slechts 1 mogelijk oxidatiegetal heeft: •
formule: oxidatiegetal opzoeken in het PSE + kruisregel toepassen
•
naam: metaal (of ammonium) + hydroxide
— Wanneer het metaal meerdere mogelijke oxidatiegetallen heeft: •
formule: meerdere mogelijkheden, er moet dus informatie over het oxidatiegetal gegeven worden
•
systematische naam: metaal + Grieks telwoord + hydroxide
•
stocknotatie: metaal + (oxidatiegetal) + hydroxide
` Maak oefening 20 t/m 25 op p. 70-71.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 3
39
3
Gebruik en toepassingen van hydroxiden
In het dagelijks leven worden veel hydroxiden gebruikt bij het poetsen. Zo is natriumhydroxide of bijtende soda NaOH een zeer sterke ontstopper. Een oplossing van natriumhydroxide lost namelijk haren en zeepresten op. Wanneer je die stof gebruikt, moet je extra voorzichtig zijn. Het is namelijk een zeer corrosieve stof en ze kan dus brandwonden veroorzaken. Een speciaal geval is ammoniak NH3. Wanneer je NH3 oplost in water, ontstaat
er ammoniumhydroxide NH4OH. In thema 04 gaan we dieper in op dat
oplosproces. Die oplossing wordt vooral gebruikt voor zijn ontvettende
IN
Afb. 15 In ontstopper zit natriumhydroxide
eigenschappen om bijvoorbeeld ramen te poetsen. De stof staat bekend voor zijn zeer indringende geur. Maar let op, het kan je slijmvliezen irriteren. Dezelfde doordringende geur kun je in stallen ruiken. Ammoniak komt namelijk ook in mest voor.
Tijdens de labo’s zul je geregeld gebruikmaken van calciumhydroxide of gebluste kalk of kalkwater Ca(OH)2. De oplossing kan gebruikt worden
OPDRACHT 24 DEMO
om koolstofdioxide aan te tonen. Let op: het water dat thuis uit de kraan
N
Afb. 16 Ammoniak werkt ontvettend
loopt, is kalkrijk water maar het is geen kalkwater!
VA
Je leerkracht onderzoekt wat er gebeurt wanneer je koolstofdioxide aan kalkwater toevoegt. Werkwijze
Je leerkracht maakt een oplossing van kalkwater door calciumoxide in water op te lossen. Die schenkt ongeveer 2 mL van die oplossing in een proefbuis en blaast voorzichtig met een rietje in de oplossing.
Waarnemingen
Besluit
©
Wanneer je kalkwater met koolstofdioxide mengt, ontstaat er een
.
Je kunt kalkwater gebruiken om koolstofdioxide aan te tonen.
Formule
Systematische naam
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
calciumhydroxide
NaOH
natriumhydroxide
bijtende soda
ontstopper
NH4OH
ammoniumhydroxide
ammonia
ontvetter
HOOFDSTUK 3
gebluste kalk
Toepassing/eigenschap
Ca(OH)2
indicator voor koolstofdioxide
` Maak oefening 26 op p. 71.
40
Triviale naam
OPDRACHT 25
Oefen met behulp van flashcards je kennis over de hydroxiden.
flashcards: hydroxiden
Reactiepatroon
IN
4
Bij het experiment met kalkwater hebben we zelf kalkwater gemaakt door calciumoxide in water op te lossen: — reactiepatroon: metaaloxide
+
water
→
hydroxide
MO
+
H2O
→
MOH
H2O
→
Ca(OH)2
— reactievergelijking:
OPDRACHT 26
+
N
CaO
VA
Bij opdracht 20 hebben we vastgesteld dat er universeel-indicatoroplossing blauw-groen kleurt na toevoegen van magnesiumoxide.
©
Welke pH komt met deze kleur overeen?
— reactiepatroon:
metaaloxide (MO) + water (H2O) → hydroxide (MOH) + H2O
— reactievergelijking: MgO
→ Mg(OH)2
Doordat er bij de reactie van een metaaloxide met water een hydroxide gevormd wordt, noemt men de metaaloxiden ook wel basevormende oxiden (zie ook hoofdstuk 5).
Reactiepatroon voor de vorming van hydroxiden: metaaloxide
+
water
→
hydroxide
MO
+
H2O
→
MOH
Metaaloxiden zijn basevormende oxiden. ` Maak oefening 27 en 28 op p. 71.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 3
41
HOOFDSTUK 4
De zuren LEERDOELEN Je kunt al: L anorganische stoffen indelen in de juiste stofklasse op basis van een gegeven naam of formule; L anorganische stoffen indelen op basis van de kleur van een indicator; L een formule opstellen met behulp van oxidatiegetallen;
IN
L de naam en formule van oxiden en hydroxiden opstellen; L de algemene formule van een zuur schrijven. Je leert nu:
L de naam geven, wanneer de formule van een zuur opgegeven is, en omgekeerd;
Je hebt misschien al wel eens
iets zuur gegeten: een schijfje citroen of een zuur snoepje.
L de zuren verder indelen in binaire en ternaire zuren; L de eigenschappen en toepassingen van zuren;
je natuurlijk niet proeven,
daarom hebben we tijdens het practicum andere manieren
N
L de formule van binaire en ternaire zuren;
Tijdens de lessen chemie mag
L de naam van binaire en ternaire zuren;
L via welke chemische reactie je een binair en ternair zuur kunt vormen.
geleerd om te bepalen of een stof tot de zuren behoort of niet. In dit hoofdstuk gaan we
VA
verder in op deze stofklasse.
1
Wat is een zuur?
Een zuur is opgebouwd uit een waterstofatoom en een zuurrest. Het waterstofatoom is de functionele groep. De zuurrest kan een niet-metaal zijn of een niet-metaal en één of meerdere zuurstofatomen. De algemene formule van een zuur is HZ.
©
Aangezien alle zuren een vaste formule hebben, moet de index bij het waterstofatoom nooit vermeld worden in de naam. Afhankelijk van de samenstelling van de zuurrest, kunnen de zuren in 2 groepen ingedeeld worden: 1
Zuren waarbij de zuurrest enkel uit een niet-metaal bestaat, zijn de binaire zuren (ze bestaan uit 2 atoomsoorten). De algemene formule van een binair zuur is HnM.
2
Dat in tegenstelling tot de ternaire zuren, waarbij de zuurrest naast een niet-metaal ook nog zuurstof bevat. De algemene formule voor een ternair zuur is HnMO.
Zowel de binaire als de ternaire zuren zijn alleen opgebouwd uit niet-metalen. Het zijn dus allemaal atoombindingen. Aangezien de zuurrest heel belangrijk is voor zouten, zal er in het deel van de zuren al extra aandacht gespendeerd worden aan de zuurresten. 42
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 4
2
Binaire zuren
Een binair zuur is opgebouwd uit 2 atoomsoorten: het waterstofatoom en een niet-metaal. HZ of HnM is de algemene formule voor een binair zuur. Alle niet-metalen bezitten hun laagst mogelijke oxidatiegetal in de binaire zuren. Op die manier kun je zeer gemakkelijk de formule van de binaire zuren afleiden.
IN
OPDRACHT 27
Bepaal de formule van het binaire zuur met zwavel.
N
De naam van de binaire zuren is als volgt: waterstof + verkorte Latijnse naam van het niet-metaal + uitgang ‘-ide’. Omdat de formule voor de zuren vastligt, wordt er nooit met Griekse telwoorden gewerkt.
De zuurrest is heel belangrijk voor de vorming van zouten. Je bekomt die
©
VA
door de waterstofionen (H+) uit de formule van het zuur te verwijderen. Per
waterstofion dat je uit de formule haalt, krijgt de zuurrest een lading van -1. Voorbeeld: HCl -1 H+
→
Cl-
H2S -2 H+
→
S2-
De naam voor de zuurrest is volledig analoog aan de naam van het zuur zelf, alleen worden de waterstoffen niet meer vermeld, omdat die eraf gehaald zijn. De naam van de zuurrest wordt gevormd door de verkorte Latijnse naam van het niet-metaal + uitgang ‘-ide’. De extra uitgang ‘-ion’ wijst erop dat het over een geladen deeltje gaat en dat het geen volledige verbinding is: er is nog een positief deel nodig om de formule compleet te maken. Het is belangrijk om de zuurrest te kennen: Brutoformule
Systematische naam
Zuurrest
Naam zuurrest
HF
waterstoffluoride
F
fluoride-ion
HCl
waterstofchloride
Cl-
chloride-ion
HBr
waterstofbromide
Br-
bromide-ion
HI
waterstofjodide
I
jodide-ion
H 2S
waterstofsulfide
S
-
2-
sulfide-ion
Tabel 4 Binaire zuren en zuurresten
Van 1 binair zuur moet je ook de triviale naam kennen. De triviale naam van waterstofchloride is zoutzuur. GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 4
43
3
Ternaire zuren
De naam zegt het zelf: de ternaire zuren zijn opgebouwd uit 3 atoomsoorten. Naast waterstof en een niet-metaal is er ook altijd minstens 1 zuurstofatoom aanwezig: HnMO is de algemene formule voor een ternair zuur. Ook hier is de functionele groep het waterstofatoom. De ternaire zuren kun je indelen in de stamzuren, die het vaakst voorkomen, en de afgeleide zuren.
IN
Het aantal waterstof- en zuurstofatomen in de formule kun je niet afleiden uit
het PSE of uit de naam. Je moet de formule van de zuren dus zeer goed uit het hoofd leren!
In het stamzuur is het oxidatiegetal van het specifieke niet-metaal gelijk aan het groepsnummer, met uitzondering van de halogenen: daar is het niet +VII, maar +V.
N
VOORBEELD
H2CO3 OG(C) = +IV
HClO3
OG(Cl) = +V
De naam voor de stamzuren is analoog aan die van de binaire zuren, alleen is de uitgang niet -ide, maar -aat: waterstof + verkorte Latijnse naam + ‘-aat’.
VA
De meeste ternaire zuren hebben ook een triviale naam. De zuurrest vorm je analoog aan die van de binaire zuren. Je haalt een of meer waterstofionen uit de formule. Per waterstofion krijgt de zuurrest een lading van -1. In de naam laat je ‘waterstof’ weg, maar voeg je ‘ion’ toe om aan te geven dat het een geladen deeltje is. Ook hier is het heel belangrijk om de zuurrest te kennen: die hebben we nog nodig om de zouten te vormen:
©
Brutoformule
Systematische naam
Triviale naam
Zuurrest
Naam zuurrest
H2CO3
waterstofcarbonaat
koolzuur
CO32-
carbonaation
HNO3
waterstofnitraat
salpeterzuur
NO3-
nitraation
H3PO4
waterstoffosfaat
fosforzuur
34
PO
fosfaation
H2SO4
waterstofsulfaat
zwavelzuur
24
SO
sulfaation
HClO3
waterstofchloraat
chloorzuur
ClO3-
chloraation
HBrO3
waterstofbromaat
broomzuur
BrO3-
bromaation
HIO3
waterstofjodaat
joodzuur
IO3
jodaation
Tabel 5 Ternaire zuren en zuurresten
44
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 4
-
Vorig jaar heb je geleerd om lewisstructuren te tekenen. Voor koolzuur ziet die er als volgt uit:
3D
H O C
O O
Afb. 17 Lewisstructuur koolzuur
H
Van verschillende ternaire zuren bestaan er afgeleide zuren. De formule
IN
hiervan ziet er hetzelfde uit als die van de stamzuren, alleen verschilt het aantal zuurstofatomen. Dit jaar bespreken we al 2 afgeleide zuren:
Brutoformule
Systematische naam
HNO2 H2SO3
Zuurrest
Naam zuurrest
waterstofnitriet salpeterigzuur
NO2-
nitrietion
waterstofsulfiet zwaveligzuur
SO32-
sulfietion
Triviale naam
N
Tabel 6 Afgeleide zuren en hun zuurresten
Als je deze formules bekijkt, merk je dat ze allebei exact 1 zuurstofatoom minder hebben dan het overeenkomstige stamzuur. Wanneer een ternair zuur exact 1 zuurstofatoom minder heeft dat het stamzuur, eindigt de naam op -iet in plaats van op -aat. Bij de triviale naam wordt het tussenvoegsel '-ig'
©
VA
toegevoegd.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 4
45
Een binair zuur: — bestaat uit 2 atoomsoorten: het waterstofatoom en een niet-metaal. — Het oxidatiegetal van het niet-metaal is zo laag mogelijk, namelijk groepsnummer -8.
— Om de naam te vormen, vermeld je eerst waterstof, dan de verkorte Latijnse naam van het niet-metaal en als uitgang -ide.
— De triviale naam van waterstofchloride is zoutzuur.
— Je kunt de zuurrest vormen door één of meerdere waterstofionen uit de formule van het zuur te verwijderen. Per waterstofion dat je verwijdert, krijgt de zuurrest een lading van 1-.
IN
— De te kennen binaire zuren en zuurresten zijn: Brutoformule
HF HCl HBr HI H2S
Systematische naam
Naam zuurrest
Zuurrest
waterstoffluoride
F
fluoride-ion
-
waterstofchloride
-
Cl
chloride-ion
waterstofbromide
Br
bromide-ion
waterstofjodide
I-
jodide-ion
waterstofsulfide
S2-
sulfide-ion
-
N
Een ternair zuur:
— bevat, naast waterstof en een niet-metaal, ook altijd minstens 1 zuurstofatoom.
— Om de naam van een stamzuur van de ternaire zuren te vormen,
vermeld je eerst waterstof, dan de verkorte Latijnse naam van het niet-metaal en als uitgang -aat.
VA
— De te kennen stamzuren en hun zuurresten zijn:
©
Brutoformule
Systematische naam
Triviale naam
Zuurrest
H2CO3
waterstofcarbonaat
koolzuur
CO32-
carbonaation
HNO3
waterstofnitraat
salpeterzuur
NO3
-
nitraation
H3PO4
waterstoffosfaat
fosforzuur
34
PO
fosfaation
H2SO4
waterstofsulfaat
zwavelzuur
SO42-
sulfaation
HClO3
waterstofchloraat
chloorzuur
ClO3-
chloraation
HBrO3
waterstofbromaat
broomzuur
BrO3
bromaation
HIO3
waterstofjodaat
joodzuur
IO3
jodaation
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
-
-
— De te kennen afgeleide zuren en hun zuurresten: Brutoformule
Systematische naam
Zuurrest
Naam zuurrest
HNO2
waterstofnitriet
NO
nitrietion
H2SO3
waterstofsulfiet
SO
sulfietion
` Maak oefening 29 t/m 33 op p. 71-72.
46
Naam zuurrest
HOOFDSTUK 4
2
23
4
Gebruik en toepassingen van zuren
Het zuur dat aanwezig is in je maag, is zoutzuur of waterstofchloride HCl. Het helpt bij de vertering van voedingsstoffen. Zoutzuur is vrij ontdekplaat: anorganische stofklassen
corrosief. Dat kun je gewaarworden wanneer je regelmatig moet overgeven of wanneer de klep tussen
gezonde maag
reflux
Afb. 18 Zoutzuur in de maag helpt bij de vertering. Relfux is een aandoening waarbij de zure maaginhoud terugvloeit in de slokdarm.
IN
je slokdarm en je maag niet meer
goed werkt. Je maag is door onder
andere een slijmvlieslaag beschermd tegen die zure brij, maar je slokdarm
kan er serieus door aangetast worden. Bij vulkaanuitbarstingen komt
waterstofsulfide of H2S vrij. Mogelijk
heb je die zeer specifieke geur ook al
N
waargenomen bij rotte eieren of
Afb. 19 Giftige zoutzuurdampen bij een vulkaanuitbarsting
stinkbommen.
WEETJE
Bij de vulkaanuitbarsting op La Palma in 2021 werd de bevolking
©
VA
gewaarschuwd voor giftige zoutzuurdampen. Als lava, met een temperatuur van 1 000 °C, in contact komt met zout water, dan kunnen er giftige dampen ontstaan. De chemische reactie resulteert dan in een zoutzuurhoudende gaswolk. Dat fenomeen is gekend als ‘laze', een samentrekking tussen ‘lava' en ‘haze' (nevel). De giftige dampen kunnen ademhalings- en huidproblemen veroorzaken. Bron: De Standaard
Onder de ternaire zuren is koolzuur of waterstofcarbonaat H2CO3 ongetwijfeld het zuur
dat het meest gekend is. Het is het zuur dat gevormd wordt wanneer koolstofdioxide in water wordt opgelost.
Maar ook van zwavelzuur of waterstofsulfaat H2SO4 heb je waarschijnlijk al gehoord. Het is
Afb. 20 In spuitwater zit koolzuur
aanwezig in een autobatterij, maar komt
spijtig genoeg vooral in het nieuws omwille van zijn corrosieve eigenschappen. De krant bericht soms over mensen die verminkt werden door een zwavelzuuraanval. Het is een sterk hygroscopische stof. Dat wil zeggen dat zwavelzuur water heel hard aantrekt. Zo hard dat het al het vocht uit je cellen trekt met zware brandwonden tot gevolg.
Afb. 21 Zwavelzuur veroorzaakt ernstige brandwonden
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 4
47
!
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT Wanneer je in een labo toch water met zwavelzuur moet mengen, dan moet je eerst water nemen en daar voorzichtig zwavelzuur op gieten.
water
Je kunt het heel gemakkelijk onthouden aan de hand van het volgende ezelsbruggetje: ‘zwavelzuur
geconcentreerd
mag nooit gedoopt worden’. Afb. 22 Zwavelzuur mag nooit gedoopt worden.
IN
GEN4_CHE_LB_KOV_T1_H4_Overgieten.ai
Cola is de enige frisdrank die niet alleen koolzuur, maar ook fosforzuur of
VA
N
waterstoffosfaat H3PO4 bevat.
Afb. 23 Vier foto’s van dezelfde wijsheidstand: linksboven in zijn oorspronkelijke staat, rechtsboven na onderdompeling in cola gedurende één dag, linksonder na een week en rechtsonder na een maand. Het fosforzuur in cola tast het tandemail aan en de kleurstoffen zorgen ervoor dat de wortel bruin wordt.
OPDRACHT 28
©
Oefen met behulp van de flashcards je kennis over de zuren.
Formule
Systematische naam
flashcards: zuren
Toepassing
Triviale naam
H3PO4
waterstoffosfaat
fosforzuur
aanwezig in cola
H2CO3
waterstofcarbonaat
koolzuur
frisdrank
HCl
waterstofchloride
zoutzuur
maag
H2SO4
waterstofsulfaat
zwavelzuur
— autobatterij
— wil nooit gedoopt worden
` Maak oefening 34 op p. 72.
48
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 4
5
Reactiepatronen
Een binair zuur kun je vormen door een niet-metaal met waterstofgas te laten reageren. — reactiepatroon:
+
— reactievergelijking:
+
niet-metaal
waterstofgas
nM + Cl2
→
binair zuur
H2 →
HnM
H2
2 HCl
→
IN
Ternaire zuren kun je vormen door een niet-metaaloxide met water te laten reageren: Daarom noemen ze niet-metaaloxiden zuurvormende oxiden. — reactiepatroon:
niet-metaaloxide +
water
→
ternair zuur
+
H2O
→
HnMO
CO2 +
H2O
→
H2CO3
— nMO
OPDRACHT 29
N
reactievergelijking:
Bij opdracht 21 hebben we vastgesteld dat er universeel-indicatoroplossing oranje-rood kleurt na het toevoegen van de verbrandingsgassen van octazwavel.
©
VA
Welke pH komt met die kleur overeen?
Reactiepatronen voor de vorming van zuren: — niet-metaal nM
— niet-metaaloxide nMO
+
waterstofgas
→
binair zuur
+
H2
→
HnM
water
→
ternair zuur
H2O
→
HnMO
+ +
→ Niet-metaaloxiden zijn zuurvormende oxiden.
` Maak oefening 35 t/m 37 op p. 72-73
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 4
49
HOOFDSTUK 5
ZUUR
BASISCH
Zuurtegraad van een oplossing LEERDOELEN Je kunt al: L anorganische stoffen indelen in de juiste stofklasse op
IN
basis van een gegeven naam of formule;
NEUTRAAL
L indicatoren gebruiken om te bepalen welke stoffen tot eenzelfde stofklasse behoren;
L een formule opstellen met behulp van oxidatiegetallen;
L de naam en formule van oxiden en hydroxiden opstellen; L de naam geven, wanneer de formule van een zuur Je leert nu:
N
opgegeven is, en omgekeerd.
L het begrip zuurtegraad en pH van een oplossing bespreken in voorbeelden;
L het verband leggen tussen zuur, basisch en neutraal en de pH of zuurtegraad van een oplossing;
We hebben in hoofdstuk 1 gebruikgemaakt
VA
L de manier waarop je de pH of de zuurtegraad van
van indicatoren om de anorganische
een oplossing experimenteel kunt bepalen;
stoffen in te delen in hun stofklasse. In
L het nut van een bufferoplossing.
banaan
azijn
geconcentreerd zoutzuur
broccoli
zuiver water
tomaat
bleekmiddel
citroen zuiveringszout
appel
meest zuur
Afb. 24 De pH-schaal
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
ontstopper
bloed
maagzuur
ontdekplaat: pH
50
indicatoren.
pH en de zuurtegraad van een oplossing
©
1
dit hoofdstuk gaan we verder in op die
HOOFDSTUK 5
zeep
natriumhydroxide
melk
minst zuur neutraal
minst basisch
meest basisch
De pH-schaal gaat van 0 tot 14. Hoe lager de pH, hoe zuurder een oplossing is. Een oplossing met een hoge pH noemen we een basische oplossing. De tegenhanger van zuur in de lessen chemie is dus niet zoet of zout, maar basisch! Een oplossing met een pH-waarde van 7 is een neutrale oplossing: deze oplossing is dus niet zuur, maar ook niet basisch. Let op: de zuurtegraad en de pH zijn dus tegengesteld: hoe zuurder een oplossing is, hoe hoger de zuurtegraad, hoe lager de pH. Vroeger werd de zuurtegraad van een oplossing bepaald door de stof te proeven. Een oplossing met een lage pH proeft ook zuur en een oplossing met een hoge pH proeft eerder
IN
zeepachtig. Vorig jaar leerde je al dat het in een labo verboden is om te
proeven van een oplossing. Het is in eerste instantie gevaarlijk, maar het is ook nog eens zeer onnauwkeurig.
Afb. 25 Cola heeft een pH van 2,4. Een frisdrank met een pH van <4 kan eroderend werken op het tandglazuur.
De pH van cola is bijvoorbeeld 2,4 en toch zou je niet zeggen dat cola zuur is. Dat komt natuurlijk door de enorme hoeveelheid suiker of zoetstoffen die
OPDRACHT 30
N
eraan worden toegevoegd.
Waarom is proeven niet geschikt om te bepalen of een stof zuur of basisch is?
VA
Geef 2 argumenten. —
—
OPDRACHT 31 ONDERZOEK
©
Onderzoek nu zelf of een oplossing zuur, basisch of neutraal is. Ga naar
en voer het labo uit.
WEETJE
Lightfrisdranken zijn voor erosie van je tanden even slecht als gewone frisdranken, omdat ze evenveel zuur bevatten. Voor het ontstaan van gaatjes zijn ze wel minder schadelijk. Hoe zuur mag een frisdrank dan zijn? Al bij een pH-waarde minder dan 5,5 in de mondholte kan het tandglazuur oplossen. Hoe zuurder de drank, hoe erosiever voor het gebit. Een frisdrank met een pH van minder dan 4 kan eroderend werken op het tandglazuur.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 5
51
1.1 pH-indicatoren Een gemakkelijke manier om te bepalen of een oplossing zuur of basisch is, is met behulp van pH-indicatoren. Die stoffen komen vaak voor in de natuur en hebben een andere kleur afhankelijk van de zuurtegraad van de oplossing. Een pH-indicator die je gemakkelijk zelf kunt maken, is rodekoolsap. Hiervoor leg je een paar stukjes rodekool in kokend water of plet je ze met behulp van een stamper met een beetje water in een mortier. Het water zal heel snel blauwpaars kleuren. Wanneer je aan een oplossing van rodekoolsap een paar druppels citroensap (een zuur) toevoegt, verandert de kleur naar rood. Wanneer je aan een oplossing van rodekoolsap een paar druppels natriumhydroxide-oplossing (een base) toevoegt, verandert de kleur naar
IN
groengeel. De resultaten van experimenten met andere indicatoren vind je in de volgende tabel:
pH-Indicator
Kleur in zuur midden
Kleur in neutraal midden
Kleur in basisch midden
rodekoolsap
rood
blauwpaars
groengeel
methyloranje
rood
geel
geel
lakmoes
rood
roodblauw
blauw
kleurloos
kleurloos
fuchsia
groen
blauw
N
fenolftaleïne
broomthymolblauw geel
Maar ook in het dagelijks leven kom je dat effect tegen. Wanneer je rodekool maakt, wordt er vaak een scheutje azijn toegevoegd aan de paarse rodekool. Hierdoor krijgt het gerecht een mooie rode kleur. Maar ook een hortensia
VA
krijgt een andere kleur afhankelijk van de zuurtegraad van de grond. Zo is het perfect mogelijk dat een roze hortensia na een aantal jaren blauwe bloemen geeft, wanneer de grond te zuur geworden is.
Afb. 26 Een hortensia verandert van kleur door de zuurtegraad van de grond.
Ook al zijn die indicatoren heel gemakkelijk te gebruiken, het nadeel is dat je soms geen onderscheid kunt maken tussen bijvoorbeeld 2 zure oplossingen: een oplossing met pH-waarde 1 en met pH-waarde 2 geeft eenzelfde kleur. Dat kun je vrij eenvoudig oplossen door een mengsel te maken van verschillende indicatoren. Zo kun je gebruikmaken van pH-strips om de zuurtegraad van een zwembad te controleren. Dat is filtreerpapier dat in een
©
Afb. 27 Met een universeel-indicatoroplossing kan de pH van een oplossing bepaald worden.
oplossing van universeel indicator is ondergedompeld. Je kunt de universeelindicatoroplossing ook gewoon als vloeistof gebruiken en de kleur van de bekomen oplossing vergelijken met een kleurenschaal.
1.2 pH-meter Voor sommige toepassingen (vooral in het labo) is het belangrijk om de pH-waarde heel exact te kennen. Je kunt dat gemakkelijk meten met een pH-meter. Je steekt dan een elektrode in de oplossing en kunt snel en nauwkeurig de pH-waarde aflezen. Een pH-meter moet wel regelmatig geijkt worden. Hiervoor gebruik je dan weer een bufferoplossing.
Afb. 28 Een pH-meter
52
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 5
2
Buffer
Je hebt misschien al over het woord buffer gehoord in een andere context. Zo spreekt men bij een voetbalmatch vaak over een buffervak in de tribune. Dat is een leeg vak om 2 rivaliserende groepen supporters uit elkaar te houden. Ook in economische termen wordt er soms over een buffer gesproken. In die context gaat het over een financieel reservepotje. In een chemische context spreken we over een buffer wanneer de pH van een oplossing binnen welbepaalde pH-grenzen blijft, ook al voegt men andere stoffen (een zuur, een base of water) toe. Bufferoplossingen zijn zeer
IN
belangrijk, omdat veel chemische, maar ook veel biologische processen
beter opgaan bij een welbepaalde ideale pH-waarde. Door onder andere de
verzuring van het milieu komen veel buffersystemen de laatste jaren steeds
meer onder druk te staan. Het water van de oceanen wordt zuurder, waardoor bepaalde organismen het moeilijker krijgen om te overleven, koraalriffen beginnen op te lossen …
De meeste lensvloeistoffen bevatten een buffer die ervoor zorgt dat de
N
pH-waarde tussen 7,2 en 7,4 blijft. Bij deze pH-waarde werkt de vloeistof
namelijk het best. Om geen irritatie aan de ogen te veroorzaken, mag de pH ook niet te veel afwijken van die van het traanvocht. Daarom moet de pH-waarde in ieder geval boven 6,6 blijven en onder 7,8.
Afb. 29 Lensvloeistoffen hebben een buffer.
Buffers worden ook gebruikt om een pH-meter te ijken. Hiervoor gebruik je een bufferoplossing met een lage pH en een bufferoplossing met een
VA
hoge pH. Je meet de pH van beide oplossingen en met behulp van die 2 meetpunten wordt een ijkcurve opgesteld. Het is natuurlijk belangrijk om hiervoor een oplossing te gebruiken waarvan de pH niet verandert ook al worden er een aantal druppels water of iets anders aan toegevoegd (die nog eventueel aan de sonde van de pH-meter waren blijven hangen).
Afb. 30 pH-meter ijken door middel van bufferoplossingen
WEETJE
De pH van het bloed bij gezonde personen ligt
©
tussen 7,35 en 7,45. Zowel
de longen als de nieren zijn betrokken bij het regelen van de zuurtegraad van
het bloed. Bij mensen met hyperventilatie geraakt de pH-waarde van het bloed verstoord. Maar ook hevig braken of buikloop hebben een effect op de zuurtegraad van je lichaam.
— Hoe zuurder een oplossing, hoe groter de zuurtegraad en hoe lager de pH van de oplossing.
— De pH-schaal gaat van 0 tot 14: •
Een oplossing met pH < 7 is een zure oplossing.
•
Een oplossing met pH = 7 is een neutrale oplossing.
•
Een oplossing met pH > 7 is een basische oplossing.
— Je kunt de pH bepalen met behulp van pH-indicatoren: dat zijn stoffen die een andere kleur vertonen afhankelijk van de pH van de oplossing.
— Een pH-meter is een digitale en zeer nauwkeurige manier om de pH van een oplossing te bepalen.
— Een buffer is een oplossing waarvan de pH amper verandert, zelfs na het toevoegen van een kleine hoeveelheid zuur of hydroxide.
` Maak oefening 38 t/m 47 op p. 73-75.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 5
53
HOOFDSTUK 6
De zouten
LEERDOELEN Je kunt al: L anorganische stoffen indelen in de juiste stofklasse op basis
IN
van een gegeven naam of formule;
L een formule opstellen met behulp van oxidatiegetallen;
L de naam en formule van oxiden en hydroxiden opstellen;
L de naam geven, wanneer de formule van een zuur opgegeven is, en omgekeerd;
L de algemene formule van een zout schrijven.
N
Je leert nu:
L de zouten verder indelen in binaire en ternaire zouten; L de eigenschappen en toepassingen van zouten;
Wanneer je in het dagelijks leven
L de formule van zouten opstellen;
praat over zout, bedoel je natuurlijk keukenzout. Voor een chemicus is zout
L de naam van zouten opstellen;
een volledige stofklasse. Er zijn dus
VA
L via welke chemische reactie je een zout kunt vormen.
1
verschillende stoffen die tot de zouten behoren.
Wat is een zout?
Een zout is een ionverbinding die opgebouwd is uit een positief ion (metaalion of het ammoniumion) en een zuurrestion. De algemene formule
©
van een zout is MZ. Afhankelijk van de zuurrest kun je de zouten verder indelen in binaire zouten MnM en ternaire zouten MnMO.
Afb. 31 Zouten zijn niet altijd witte, vaste stoffen, maar kunnen in verschillende kleuren voorkomen.
54
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 6
2
Formule- en naamvorming
De algemene formule van een zout is MZ. Afhankelijk van de zuurrest heb je te maken met een binair of een ternair zout. Als de zuurrest alleen uit een niet-metaal bestaat, dan is het een binair zout: MnM. Bevat de zuurrest ook nog een of meerdere zuurstofatomen, dan is het een ternair zout: MnMO. Voor de vorming van de formule van de zouten heb je de formule van de
IN
zuurresten nodig (zie p. 43).
Net zoals bij de oxiden en de hydroxiden moet je ook hier een onderscheid
maken tussen metalen met slechts één mogelijk oxidatiegetal en metalen met meerdere mogelijke oxidatiegetallen. Het oxidatiegetal van de zuurrest ligt vast, aangezien die afgeleid is van de formule van het zuur.
N
2.1 Metalen met slechts 1 mogelijk oxidatiegetal
Voor metalen met slechts 1 mogelijk oxidatiegetal (of met ammonium) is de naamgeving analoog als bij de metaaloxiden en de hydroxiden, namelijk metaal (of ammonium) + zuurrest.
VA
OPDRACHT 32
Oefen de naam en formule van zouten. 1
Vorm de naam en formule-eenheid via de kruisregel van het zout tussen calcium en de jodide-zuurrest.
©
2
Is dat een voorbeeld van een binair of een ternair zout?
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 6
55
3
Vorm de naam en formule-eenheid via de kruisregel van het zout tussen aluminium en de sulfaat-zuurrest.
IN
Is het een binair of een ternair zout?
VA
4
N
5
Vorm de naam en formule-eenheid via de kruisregel van het zout tussen ammonium en de fosfaat-zuur-
rest. Dat is een (quaternair) ammoniumzout.
©
56
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 6
2.2 Metalen met meerdere mogelijke oxidatiegetallen Ook hier is de naamgeving analoog aan de naamgeving van de metaaloxide en de hydroxiden. Ofwel hanteer je de stocknotatie ofwel maak je gebruik van de Griekse telwoorden. OPDRACHT 33
Vul aan. Noteer de formule van alle zouten tussen ijzer en de sulfide-zuurrest.
IN
1
+III
+II
Kruisregel
Stocknotatie Systematische naam
N
Formule-eenheid
VA
→ Dat zijn allebei voorbeelden van
2
Wat is de formule-eenheid van lood(II)nitraat?
©
3
Wat is de stocknotatie van dikopercarbonaat? — Vorm eerst de formule-eenheid:
— Bepaal het oxidatiegetal van koper in deze stof:
— Noteer de stocknotatie:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 6
57
3
Waterstofzouten en hydraten
Naast de indeling in binaire en ternaire zouten zijn er nog 2 speciale groepen van zouten: de waterstofzouten en de hydraten. Waterstofzouten zijn zouten waarbij er nog 1 of meerdere waterstofatomen in de zuurrest aanwezig zijn. We beperken ons tot de waterstofzouten met de HCO3--zuurrest. Het oxidatiegetal voor die zuurrest is -I, aangezien er
IN
1 waterstofatoom onttrokken is aan H2CO3.
VOORBEELD WATERSTOFZOUT VAN NATRIUM EN WATERSTOFCARBONAAT Na: OG = +I
want natrium staat in groep IA
Het oxidatiegetal van de waterstofcarbonaat-zuurrest is -I, want het is afkomstig van H2CO3.
HCO3
N
Na
+I
-I
→ De formule-eenheid is dan NaHCO3.
VA
Aangezien er in de zuurrest nog een waterstofatoom staat, moet dat natuurlijk ook in de naam vermeld worden. → De naam is natriumwaterstofcarbonaat. Een andere naam hiervoor is natriumbicarbonaat.
Je hebt misschien al wel over hydrateren gehoord. Zo is het belangrijk om, zeker na het sporten, voldoende water te drinken zodanig dat je lichaam voldoende gehydrateerd is. Maar ook je huid kun je hydrateren: er bestaan tal van hydraterende crèmes. Hydrateren wil zeggen ‘vocht inbrengen’ of water
©
toevoegen.
En zo ook bij de zouten: een hydraat is een zout waar water in gevangen zit. Die zouten nemen water op in hun ionrooster. Dat water noemen we kristalwater. De algemene formule van een hydraat is dan ook MZ.nH2O.
De formule van het zout wordt gevormd zoals hierboven beschreven is.
Afb. 32 Structuur en uitzicht van CoCl2
58
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 6
Afb. 33 Structuur en uitzicht van CoCl2 ∙ 6H2O
In de naam wordt aangegeven door het voorvoegsel dat voor hydraat staat hoeveel keer water voorkomt. De formule van calciumsulfaatdihydraat is CaSO4.2H2O want er zijn 2 (di)
N
IN
watermoleculen (hydraat) aanwezig per formule-eenheid calciumsulfaat.
Afb. 34 Structuur en uitzicht van CaSO4.2H2O
©
VA
— Zouten zijn ionverbindingen: opgebouwd uit een metaal (of ammonium)
en een zuurrest (die bestaat uit een niet-metaal al dan niet gecombineerd met 1 of meerdere zuurstofatomen)
— algemene formule: MZ — 2 soorten: •
binair zout (MnM): zuurrest bevat enkel een niet-metaal, de naam eindigt op -ide
•
ternair zout (MnMO): zuurrest bevat een niet-metaal en zuurstof, de naam eindigt niet op -ide
— een metaal met slechts 1 mogelijk oxidatiegetal: •
formule: oxidatiegetal opzoeken in het PSE + kruisregel toepassen
•
naam: metaal (of ammonium)+ juiste zuurrest
— een metaal met meerdere mogelijke oxidatiegetallen: •
formule: meerdere mogelijkheden, er moet dus informatie over het oxidatiegetal gegeven worden
•
systematische naam: Grieks telwoord + metaal + Grieks telwoord + zuurrest
•
stocknotatie: metaal + (OG) + zuurrest
— Waterstofzouten bevatten in hun zuurrest nog 1 of meerdere
waterstofatomen. We beperken ons tot zouten met HCO3- als zuurrest.
— Hydraten bevatten kristalwater in hun formule: MZ.nH2O
` Maak oefening 48 t/m 52 op p. 75-76.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 6
59
4
Gebruik en toepassingen van zouten
Het bekendste zout is natuurlijk keukenzout of natriumchloride NaCl. Dat wordt vooral als smaakmaker en bewaarmiddel gebruikt. In de winter wordt ontdekplaat: anorganische stofklassen
het ook gebruikt om op een glad wegdek te strooien. Het is niet aan te raden om Afb. 35 Natriumchloride is het bekendste zout.
strooizout in je eten te gebruiken. Er is namelijk een anti-klontermiddel aan
IN
toegevoegd.
Bij heel lage temperaturen (in Noorwegen, Zweden ...) wordt vaak calciumchloride CaCl2 als strooizout gebruikt.
N
Afb. 36 Strooizout bevat calciumchloride.
Van de ternaire zouten heb je ongetwijfeld calciumcarbonaat CaCO3 in huis. Marmer,
maar ook eierschalen en mosselschelpen, bestaan uit dat zout. Als je weet dat je een
VA
eischaal kunt oplossen met een zuur, dan
©
Afb. 37 Eierschalen bestaan uit calciumcarbonaat.
Afb. 38 In baksoda zit natriumwaterstofcarbonaat.
besef je ongetwijfeld onmiddellijk waarom het niet zo interessant is om een marmeren werkblad in de keuken te laten installeren.
Baksoda bevat zuiver natriumwaterstofcarbonaat NaHCO3 en wordt gebruikt
als rijsmiddel. Wist je trouwens dat er een verschil is tussen bakpoeder en baksoda? Bakpoeder bevat naast natriumwaterstofcarbonaat ook nog citroenzuur of wijnsteenzuur. Let bij het bakken zeer goed op dat je de juiste stof gebruikt. Verder kun je een aantal zouten in de badkamer tegenkomen. Wratten kun je verwijderen door ze te laten bevriezen, maar je kunt hier ook zilvernitraat AgNO3
voor gebruiken. En in tandpasta zit heel
vaak natriumfluoride NaF, dat zorgt voor Afb. 39 In de meeste tandpasta's zit natriumfluride.
60
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 6
sterker glazuur.
De kans is ook groot dat je soda of badzout of natriumcarbonaat Na2CO3 in
huis hebt. Dat wordt vaak aan water toegevoegd als waterverzachter of
waterontharder. Verwar het zeker niet met baksoda of bijtende soda. Baksoda zijn we Afb. 40 Met natriumcarbonaat kun je water ontharden.
net tegengekomen: het is aanwezig in bakpoeder. En bijtende soda zijn we al tegengekomen bij de hydroxiden: dat is een ontstopper. Gips of calciumsulfaatpentahydraat CaSO4.5H2O is een gekend voorbeeld van
IN
een hydraat. Dat wordt gebruikt om een breuk te spalken, maar je hebt er
misschien ook in je kinderjaren mee
geknutseld. Het hydraat is harder dan het oorspronkelijke zout.
Afb. 41 Gips is een hydraat.
Maar ook de droogmiddelen die aan
bijvoorbeeld elektronica en lederwaren
N
toegevoegd worden, zijn zouten waarvan hydraten bestaan. Die zouten hebben net als doel om vocht uit de lucht op te nemen.
Afb. 42 Droogmiddelen zijn zouten.
VA
OPDRACHT 34
Oefen met behulp van flashcards je kennis van de zouten.
Formule
Systematische naam
Triviale naam
flashcards: zouten
Toepassing/voorkomen
natriumfluoride
/
tandpasta
NaHCO3
natriumwaterstofcarbonaat
bakpoeder
rijsmiddel
AgNO3
zilvernitraat
/
wratten verwijderen
CaSO4.5H2O
calciumsulfaatpentahydraat
gips
breuken zetten
NaCl
natriumchloride
keukenzout
smaak, bewaarmiddel
CaCO3
calciumcarbonaat
/
marmer, eierschaal
Na2CO3
natriumcarbonaat
soda of badzout
waterverzachter
©
NaF
` Maak oefening 53 op p. 76.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 6
61
5
Reactiepatroon
— reactiepatroon: zuur
+
hydroxide
→
zout
+
water
HZ
+
MOH
→
MZ
+
H2O
NaOH
→
NaCl
+
H2O
— reactievergelijking: HCl
+
IN
OPDRACHT 35 DEMO
Je leerkracht onderzoekt welke stof er ontstaat bij de reactie van een zuur en een hydroxide. Werkwijze
Je leerkracht voegt 2 mL zoutzuur toe aan een proefbuis. Nadien voegt die enkele druppels universeel-
indicatoroplossing toe aan de oplossing en bepaalt de pH van de oplossing. Vervolgens voegt je leerkracht druppelsgewijs natriumhydroxideoplossing toe en bepaalt ook regelmatig de pH. Wanneer de pH 7 is
N
geworden, stopt je leerkracht met het toevoegen van natriumhydroxideoplossing. Vervolgens plaatst je leerkracht het bekerglas op een draadnet en dampt die de oplossing uit. Waarnemingen
VA
Besluit
©
Je kunt een zout vormen door een zuur met een hydroxide te laten reageren. Hierbij verandert de zuurtegraad of de pH. We noemen die reactie ook een neutralisatiereactie. Reactiepatroon zout: zuur
+
hydroxide
→
zout
+
water
HZ
+
MOH
→
MZ
+
H2O
` Maak oefening 54 op p. 76.
62
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
HOOFDSTUK 6
THEMASYNTHESE
ANORGANISCHE STOFFEN KERNBEGRIPPEN
NOTITIES HOOFDSTUK 1 Verder indeling van de materie
oxidatiegetal (OG)
kennisclip
het aantal elektronen dat een atoom in een verbinding zou opnemen of afstaan bij overgang naar de ionaire vorm. De volgende elementen hebben in een verbinding een vast oxidatiegetal: Groep Ia:
+I
Groep IIa:
+II
Groep IIIa:
+III
Fluor: -I
IN
Zuurstof: meestal -II In een verbinding is de som van de oxidatiegetallen gelijk aan nul. kruisregel
Je kunt met behulp van de oxidatiegetallen en de kruisregel gemakkelijk de formule van een samengestelde stof vinden:
N
A B
+X
-Y
→ AyBx (controleren of je x en y niet kan vereenvoudigen = delen door eenzelfde getal)
naamgeving
Metaal heeft 1 mogelijk oxidatiegetal: metaal + uitgang
VA
Metaal heeft meerdere mogelijke oxidatiegetallen:
— stocknotatie: metaal + (oxidatiegetal) + uitgang
— systematische naam: Grieks telwoord + metaal + Grieks telwoord + uitgang Atoomverbindingen: Grieks telwoord + niet-metaal + Grieks telwoord + oxide
Schema 1: indeling van anorganische stoffen op basis van een gegeven formule, zie p. 23
Schema 2: indeling van anorganische stoffen op basis van een naam, zie p. 25 HOOFDSTUK 2 De oxiden
©
oxiden
hydroxiden
— MO (metaaloxide) of nMO (niet-metaaloxide) — functionele groep: O2— M
— nM
— MOH
+ O2
+ O2
→
MO
→
nMO
HOOFDSTUK 3 De hydroxiden
— functionele groep: OH-
— MO + H2O
→
MOH
— MO = basevormend oxide
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
SYNTHESE
63
THEMASYNTHESE
HOOFDSTUK 4 De zuren zuren
— HnM (binair zuur) of HnMO (ternair zuur) — functionele groep: H+
— H2
+ nM
→
HnM
— nMO + H2O
→
HnMO
— nMO = zuurvormend oxide
HOOFDSTUK 5 Zuurtegraad van een oplossing
pH
pH:
0-7 = zuur 7 = neutraal
zuurtegraad buffer
IN
7-14 = base — Hoe lager de pH, hoe zuurder de oplossing
— Oplossing waarvan de pH niet of amper wijzigt, zelfs na toevoeging van een zuur, base of water
HOOFDSTUK 6 De zouten
zouten
— Algemeen: MZ
waterstofzout hydraat
N
MnM (binair zout) of MnMO (ternair zout)
— Wanneer in de zuurrest nog 1 of meerdere waterstofatomen aanwezig zijn.
— Wanneer er 1 of meerdere moleculen water in het kristalrooster van het zout vastgehecht zijn HZ
+
MOH
→
MZ
+
H2O
Tijdens de reactie verandert de pH. Die reactie wordt ook een neutralisatiereactie
©
VA
genoemd.
64
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
SYNTHESE
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis — Ik ken het begrip organische en anorganische stoffen.
— Ik ken de betekenis van het begrip oxidatiegetal en de waarde van het oxidatiegetal van elementen met slechts één oxidatiegetal.
— Ik ken de algemene formule van de oxiden, hydroxiden, zuren en zouten. — Ik ken de functionele groep van de oxiden, hydroxiden en zuren. — Ik ken de indeling in metaaloxiden en niet-metaaloxiden.
— Ik ken de indeling in binair en ternair bij zuren en zouten.
— Ik ken de verdere indeling in waterstofzouten en hydraten bij de zouten.
— Ik ken toepassingen van een aantal oxiden, hydroxiden, zuren en zouten. zouten.
IN
— Ik ken reactiepatronen voor het vormen van oxiden, hydroxiden, zuren en — Ik ken de begrippen pH-schaal, zuur, basisch en neutraal.
— Ik ken manieren om de pH van een oplossing te bepalen: pH-meter, pH-indicator.
— Ik ken het nut van een bufferoplossing.
2 Onderzoeksvaardigheden
N
— Ik kan stoffen indelen in organische en anorganische stoffen.
— Ik kan formules vormen via het oxidatiegetal en de kruisregel.
— Ik kan het oxidatiegetal van een element bepalen in een gegeven formule.
— Ik kan stoffen indelen in de juiste stofklasse op basis van een gegeven naam of formule.
— Ik kan formules van oxiden, hydroxiden en zouten vormen.
VA
— Ik kan de naam van oxiden, hydroxiden, zuren en zouten omzetten naar een formule en omgekeerd.
— Ik kan bij ionverbindingen de stocknotatie omzetten naar de naam met Griekse telwoorden en omgekeerd.
— Ik kan het verband tussen de pH-schaal, de begrippen zuur – basisch – neutraal en de kleur van een pH-indicator toelichten.
— Ik kan reactiepatronen in concrete reactievergelijkingen herkennen. invullen bij je Portfolio.
©
` Je kunt deze checklist ook op
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
CHECKLIST
65
CHECK IT OUT
Spreek jij chemisch? 1
Bekijk deze oefening uit een Franstalig leerboek over anorganische stofklassen. Nom oxyde de sodium
Na2O
hémioxyde de chlore
Cl2O
hydroxide de sodium
NaOH
sulfure d’hydrogène
H2S
oxyde de magnésium
MgO
monoxyde de carbone
CO
hydroxide de magnésium
Mg (OH)2
fluorure d’hydrogène
HF
sulfite d’hydrogène
H2SO3
oxyde d’aluminium
Al2O3
IN
a
Formule
Welke kolom is het gemakkelijkst te begrijpen voor jou?
N
b Wat is de beste manier om over chemische stoffen te communiceren over alle taalgrenzen heen? Waarom?
a
Zou je nu nog hetzelfde antwoorden op die enquête?
VA 2
Denk nu even terug aan de enquête uit de CHECK IN en beantwoord de vragen.
b Wat is de beste manier om over chemische stoffen te communiceren over alle taalgrenzen heen? Waarom?
©
!
Er zit heel wat logica vervat in de naamgeving van stoffen. Elke stof krijgt een universele, unieke naam en bij elke naam hoort een unieke, universele formule. Hoewel de naam van enkele atomen kan verschillen in andere talen, blijven de formules en symbolen overal hetzelfde. Een chemicus kan zich dus overal ter wereld duidelijk maken!
66
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
CHECK IT OUT
AAN DE SLAG
1
Horen de volgende uitspraken alleen bij anorganische stoffen (A), alleen bij organische stoffen (O) of bij zowel de anorganische als de organische stoffen (A + O)? a
kan het element Ca bevatten
b aardolie behoort tot deze groep stoffen c
d de totale verzameling van moleculen is zeer uitgebreid
Zijn de volgende stoffen organisch of anorganisch? a
O H3C
b
CH3
O
N
N N
O
N
O
-
CH3
d
O-
H C C O H
Al3+
H H
3
e
f
stenen
VA
haar
N+
H H
N
c
IN
2
maakt gebruik van zeer veel verschillende atoomsoorten
Behoren de volgende stoffen tot de organische of anorganische stoffen?
CaCl2
H2O
citroenzuur:
©
3
olijfolie
kunststof PVC:
O
HO
O
OH
O
OH
Anorganisch
H H H H H C C C C C Cl H Cl H Cl
vliegtuigbrandstof
OH
Organisch
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
AAN DE SLAG
67
4
Zijn de volgende stellingen over organische en anorganische stoffen juist of fout? Indien fout, verbeter alleen het onderlijnde deel. a
Maïsolie behoort tot de anorganische stoffen, want het is afkomstig van de dode natuur.
b De verzameling van de minerale verbindingen is zeer uitgebreid en bevat moleculen met een grote keuze uit atoomsoorten.
Bepaal het oxidatiegetal van het vetgedrukte element in de volgende moleculen/ionen: a
H3PO4
b NH4OH
6
c
ClO3-
d Fe3+
Noteer de juiste formule-eenheid in de volgende tabel: Cl: -I
Na: +I Ca: +II
O: -II
VA
Behoren volgende formules tot de oxiden (MO of nMO), hydroxiden (MOH), zuren (HZ) of zouten (MZ)? a
CO
e
KOH
g
b H2CO3
f
d KCl
h
c
8
S: -II
N
Al: +III
7
IN
5
HI Al(OH)3
Na2O (NH4)3PO4
Noteer de juiste stofklasse achter de volgende formules/namen. Wees zo specifiek mogelijk: bij oxiden maak je een onderscheid tussen metaal- en niet-metaaloxiden, bij zuren en zouten maak je een onderscheid tussen binair en ternair. AlPO4
©
a
b Na2O c
H2CO3
d Cl2O e
68
Fe(OH)2
a
c
e
ijzer(II)oxide
b calciumhydroxide
d koper(I)hydroxide
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
AAN DE SLAG
zwavelzuur
salpeterigzuur
9
10
Verbind de formules met de juiste naam. KOH
⦁
⦁
chloorzuur
K2O
⦁
⦁
kaliumchloride
HClO3
⦁
⦁
kaliumoxide
HCl
⦁
⦁
waterstofchloride
KCl
⦁
⦁
kaliumhydroxide
Zijn de volgende stoffen metaaloxiden (MO), niet-metaaloxiden (nMO) of behoren ze tot een andere a
aluminiumhydroxide
b dibroomtrioxide c
11
waterstofcarbonaat
Van het element zwavel bestaan meerdere oxiden. Omcirkel de formules die je met behulp van de tabel met oxidatiegetallen kunt vormen. c
b SO2
SO
S2O
N
a
12
IN
stofklasse (/)?
Vorm de formule van het oxide van de volgende elementen. Als een bepaald element meerdere mogelijke oxidatiegetallen heeft, schrijf je alle opties. a
aluminium
VA
b cadmium
13
Noteer de juiste naam naast de formules van de vorige oefening.
14
Van volgende stoffen is ofwel de systematische naam, de stocknotatie of de formule gegeven. Schrijf telkens de andere naam/namen en/of formule. Indien er van een bepaalde stof geen stocknotatie bestaat, leg je uit waarom niet. a
kaliumoxide
b lood(IV)oxide c
koolstofmonoxide
©
d koperoxide e
15
Br2O3
Schrijf de juiste formule van alle oxiden die bij de ingrediënten hieronder vermeld worden. magnesiumoxide; Vulstof: Hydroxypropylmethylcellulose (E464); Bevochtigingsmiddel: Sorbitol; Antiklontermiddel: Magnesiumstearaat (E470b); Kleurstof: E171; Verdikkings-middel: Siliciumdioxide. 1 capsule bevat 450 mg MAGNESIUM ELEMENT (120% Referentie inname).
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
AAN DE SLAG
69
Behoren de volgende stoffen tot de metaaloxiden (MO) of de niet-metaaloxiden (nMO)? a
lachgas
b roest
17
ongebluste kalk
d koolzuurgas
Schrijf het reactiepatroon voor de vorming van: a
18
c
een niet-metaaloxide:
b een metaaloxide:
Hoort bij de volgende reacties reactiepatroon a of b (uit de vorige oefening)? a
P4
+
5 O2
→
b 4 Al
+
3 O2
→
c
+
O2
→
2 C
2 P2O5
IN
16
2 Al2O3 2 CO
d de reactie beschreven in volgende tekst: Alkalimetalen zijn zo zacht dat je ze met een mes kunt snijden. Natrium reageert zo snel
met zuurstofgas in de lucht dat het oppervlak
N
al na enkele minuten dof wordt.
Afb. 43 Natrium: een zacht alkalimetaal
Noteer de verbrandingsreactie van calcium.
VA
19
20
21
Vorm de formule van de hydroxiden van Mn.
Ook al heeft chloor een mogelijk oxidatiegetal van +VII en kun je door de kruisregel correct toe te passen de formule Cl(OH)7 bekomen, toch is dat geen juiste formule voor een hydroxide. Leg uit waarom niet.
22
Van de volgende stoffen is ofwel de systematische naam, de stocknotatie of de formule gegeven.
©
Noteer telkens de andere naam/namen en/of formule. Als er van een bepaalde stof geen stocknotatie bestaat, leg je uit waarom niet. a
ijzer(III)hydroxide
b CuOH c
KOH
ammoniumhydroxide
d aluminiumhydroxide
e
70
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
AAN DE SLAG
23
Vul de tabel aan: Formule
zinkhydroxide
kobaltdihydroxide
Mn(OH)7
ijzer(III)hydroxide
Vorm de naam en formule van alle hydroxiden van chroom: +II Formule-eenheid Systematische naam Stocknotatie
+VI
Omcirkel alle juiste formules van hydroxiden. a
Cl(OH)3
b CuOH
c
MgOH
d Fe(OH)3
Wat is de systematische naam van de volgende triviale namen?
VA
26
+III
N
25
Stocknotatie
IN
24
Systematische naam
a
27
gebluste kalk
b ontstopper
Omcirkel alle basevormende oxiden. a
SO2
b NaOH
a
koolstofdioxide
b zwaveltrioxide
29
K2O
d CO2
Omcirkel alle basevormende oxiden.
©
28
c
c
natriumoxide
d natriumhydroxide
Verklaar waarom Ca(OH)2 ook wel gebluste kalk genoemd wordt.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
AAN DE SLAG
71
30
Zijn de volgende formules binaire (B) of ternaire (T) zuren? a
HI
b HIO3 c
HBrO
d HNO2 e
31
H2S
f
waterstofchloride
g
waterstofbromaat
h fosforzuur
i
waterstofsulfiet
IN
Naast de 2 afgeleide zuren die we gezien hebben, bestaan er nog andere afgeleide zuren. Beredeneer zelf wat de formule is van waterstoffosfiet.
Vul de tabel aan.
N
b Noteer je redenering:
Formule
Systematische naam
waterstofnitriet
VA
H2SO4
34
Welke formule hoort bij welke toepassing of eigenschap? 2 HCl
©
1 H3PO4
3 H2CO3
A aanwezig in spuitwater B geur van rotte eieren
35
b
niet-metaaloxide +
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
→
+ waterstofgas →
AAN DE SLAG
triviale naam
zoutzuur
fosforzuur
4 H2S
C aanwezig in de maag D aanwezig in cola
Vervolledig de volgende reactiepatronen. a
72
Noem één overeenkomst en één verschil tussen een binair en een ternair zuur.
a
33
32
36
Welk reactiepatroon uit de vorige oefening hoort bij de volgende reacties: a of b? a
P2O5
+
3 H2O
→
2 H3PO4
b I2
+
H2
→
2 HI
c
de onderlijnde reactie in het volgende artikel:
Na oxidatie van zwaveldioxidegas (uitstootgas van verbrandingsprocessen)
37
lucht komt, ontstaat zure regen.
IN
ontstaat SO3. Wanneer SO3 in de vochtige
N
Horen de stellingen, namen of formules bij binaire of ternaire zuren of bij beiden? Voor nieuwe namen/ formules, mag je ervan uitgaan dat ze juist zijn. Formule
H is de functionele groep
H3PO2
kan gevormd worden uit de reactie van een niet-metaal met waterstofgas
38
Beide
waterstofcyanide
Ternair zuur
VA
hypofosforigzuur
Binair zuur
Je voegt aan de volgende oplossingen lakmoes toe. Welke kleur kun je waarnemen? Maak gebruik van de tabel op p. 52.
een oplossing met een pH-waarde 2
©
a
b een oplossing waarin HCl is opgelost c
een oplossing die groen kleurt in de aanwezigheid van rodekoolsap
d een oplossing waarin ongebluste kalk is opgelost
39
Bepaal bij elk van de volgende pH-waarden of de oplossing zuur, basisch of neutraal is. Noteer ook de juiste kleur na het toevoegen van de opgegeven indicator. a
7 + rodekoolsap
b 4 + lakmoes c
12 + fenolftaleïne
d 2 + broomthymolblauw
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
AAN DE SLAG
73
40
Welke kleur neem je waar als je de volgende stoffen aan een oplossing van lakmoes toevoegt? a
CO2
b Na2O c
NaCl
d Zoutzuur e
Bijtende soda
Zijn de volgende stellingen juist of fout? Indien fout, verbeter dan het onderlijnde deel. a
In de chemie is het tegengestelde van zuur zoet.
IN
41
b Een oplossing met een pH-waarde 2 is zuurder dan een oplossing met een pH-waarde 3. c
42
Elke bufferoplossing vertoont een andere kleur afhankelijk van de zuurtegraad van de oplossing.
Waarom wordt er een bufferoplossing gebruikt om een pH-meter te ijken?
43
N
Welke soort van chemische stof is aanwezig in deze lippenstift?
De Essence ‘Kiss The Frog’-lippenbalsem belooft ‘magische, roze lippen’: na
VA
a
het aanbrengen van de balsem verandert de kleur van vreemd groen naar prachtig roze. De lippenbalsem kan dus de functie overnemen van ...
b Beschrijf een proef waarmee je de kleur in zuur en in basisch midden van de lippenbalsem ‘Kiss The Frog’ kunt bepalen.
©
44
Is de pH van de volgende oplossingen groter, kleiner of gelijk aan 7? Omcirkel het juiste antwoord. a
een basische oplossing
pH < 7
pH = 7
pH > 7
b frisdrank met opgelost CO2
pH < 7
pH = 7
pH > 7
met broomthymolblauw
pH < 7
pH = 7
pH > 7
d een oplossing van MgO in water
pH < 7
pH = 7
pH > 7
e
een oplossing van azijn in water
pH < 7
pH = 7
pH > 7
f
een oplossing die roze kleurt pH < 7
pH = 7
pH > 7
c
een oplossing die geel kleurt
met fenolftaleïne 74
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
AAN DE SLAG
45
Op een advertentie zie je het volgende staan: “stabiliseert de pH tot 8.3 in zeewater aquarium.” Over welke stof gaat het? Wat is de functie ervan?
46
Omcirkel telkens het juiste antwoord. a
de meest zure oplossing:
rood met methyloranje / geel met methyloranje
b de oplossing met de hoogste pH:
fuchsia met fenolftaleïne / kleurloos met fenolftaleïne
c
blauwe kleur / rode kleur
KOH + lakmoes:
47
IN
d blazen in een oplossing van broom thymolblauw: blauwe kleur / gele kleur
Je hebt 4 flessen met telkens een andere kleurloze, heldere oplossing in, namelijk NaOH, HCl, water of
fenolftaleïne. Bedenk een experiment om te bepalen in welke fles fenolftaleïne zit. Je mag enkel de inhoud van deze flessen gebruiken.
N
VA
©
48
Noteer de naam en de formule van de gevraagde zouten. a
kalium en sulfidezuurrest
b aluminium en carbonaatzuurrest c
alle zouten van ijzer en de ternaire stamzuurrest
met chloor
d ammonium en waterstofzuurrest van koolzuur
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
AAN DE SLAG
75
49
Vorm de formule van de volgende zouten: a
aluminium en de zuurrest van zoutzuur
b ijzer (OG = +II) en de zuurrest van fosforzuur c
lithium en waterstofzuurrest van koolzuur
d koper(OG = +I) en sulfide-zuurrest e
50
chroom(OG = +VI) en salpeterzuurrest
Wat is de naam voor FeSO3? Omcirkel de juiste naam.
51
IN
ijzer(III)sulfiet ijzer(II)sulfiet ijzer(III)sulfide ijzer(II)sulfide Welke karakteristieken horen bij CoCl2 . 6 H2O ? Formule
Juist
Het is een waterstofzout. Het is een hydraat.
N
Van dat zout bestaat GEEN stocknotatie.
Verbind de juiste formule met de gegeven gebruiksnamen. 1
Bakpoeder
⦁ ⦁
a
NaHCO3
2
Badzout
⦁ ⦁
b
NaF
3
Keukenzout
⦁ ⦁
c
CaCl2
VA
52
Het is een binair zout.
Fout
53
⦁
d
NaOH
⦁
e
Na2CO3
⦁
f
NaCl
Horen de volgende toepassingen bij een binair of een ternair zout? a
smaakmaker
©
b aanwezig in eischalen c
gips
d zorgt voor sterker glazuur e
54
bakpoeder
Welke stoffen moet je samenvoegen om via een neutralisatiereactie Al(NO3)3 te bekomen?
` Meer oefenen? Ga naar
76
GENIE Chemie 4.2 THEMA 01
AAN DE SLAG
©
VA
N
IN
THEMA 02 ORGANISCHE STOFKLASSEN
CHECK IN
Klein verschil, grote gevolgen Je bent nog geen 16 jaar (of net geworden), dus hopelijk ga je verstandig om met het gebruik van alcohol.
IN
Weet je welke chemische stof bedoeld wordt als men het heeft over de alcohol die aanwezig is in bier, wijn …? Tip: Het antwoord is niet ‘alcohol’, want voor een chemicus is de term ‘alcohol’ een stofklasse, zoals zuren en oxiden bij anorganische chemie.
We geven je 2 opties: methanol en ethanol. Welke stof is volgens jou het juiste antwoord? Omcirkel het antwoord: Ik denk dat de alcohol in onder andere bier methanol / ethanol is.
N
Tip: Misschien kunnen de veiligheidsvoorschriften, die bij deze stoffen horen, je helpen.
Ethanol
VA
Methanol
onder andere
P: verwijderd houden van warmte
P: stof/nevel/damp niet inademen
onder andere P: verwijderd houden van warmte
©
Besluit: Je merkt dat 1 letter (‘m’) een wereld van verschil kan betekenen …
?
` Hoe kun je specifieke stofklassen van organische stoffen herkennen? ` Hoe vorm je de systematische naam en chemische formule van die stoffen? ` Wat zijn enkele eigenschappen en toepassingen van die organische stoffen? We zoeken het uit!
78
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
CHECK IN
VERKEN
Stoffen onderverdelen OPDRACHT 1
Wat is het verschil tussen anorganische en organische stoffen? In de volgende tabel vind je enkele eigenschappen van anorganische en organische stoffen. Omcirkel de juiste eigenschappen. Anorganische stoffen afgestorven natuur
— worden gevormd door combinaties van veel soorten elementen / vooral C- en H-atomen
— zijn combinaties uit een uitgebreide / beperkte keuze aan atoomsoorten
— één molecule bevat een beperkt aantal / heel veel atomen
— bevinden zich in de levenloze / levende / afgestorven natuur
IN
— bevinden zich in de levenloze / levende /
Organische stoffen
elementen / vooral C- en H-atomen
— combinaties uit een uitgebreide /
beperkte keuze aan atoomsoorten
— één molecule bevat een beperkt aantal / heel veel atomen
— de totale verzameling is minder / heel uitgebreid
N
— de totale verzameling is minder / heel uitgebreid
— worden gevormd door combinaties van veel soorten
OPDRACHT 2
De systematische naam van een anorganische stof bevat veel informatie over de stofklasse waartoe de stof behoort. We komen hetzelfde tegen bij de organische stoffen. In de tabel zijn enkele systematische namen van anorganische stoffen gegeven.
Onderstreep telkens welk deel in de naam verwijst naar de stofklasse waartoe de stof behoort.
VA
a
b Vermeld in de tweede kolom de stofklasse.
Verklaar ten slotte in de laatste kolom je keuze.
Anorganische stof
magnesiumoxide
aluminiumhydroxide
waterstofnitraat
Stofklasse
©
c
calciumchloride
kaliumsulfaat
Verklaring
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
VERKEN
79
HOOFDSTUK 1
Organische chemie of koolstofchemie LEERDOELEN Je kunt al:
Je kent ondertussen het verschil tussen een anorganische en
anorganische stoffen; L anorganische stoffen onderverdelen in oxiden, hydroxiden, zuren en zouten.
een organische stof. De term koolstofverbindingen wordt
IN
L organische stoffen onderscheiden van
gebruikt als synoniem voor organische stoffen. Zo spreekt
men ook over koolstofchemie in plaats van over organische chemie, omdat organische stoffen minstens één koolstofatoom bevatten. De binding(en) die dat atoom aangaat,
bepaalt tot welke stofklasse een organische stof behoort.
Je leert nu: L organische stoffen classificeren in alkanen, alkenen, alcoholen of
koolstofatoom, bestaan er meer dan tien stofklassen in de organische chemie. Voordat we enkele van die stofklassen
N
carbonzuren op basis van een gegeven
Omwille van de verscheidene bindingsmogelijkheden van het
formule of naam;
bespreken, bekijken we eerst de bindingsmogelijkheden van
L de structuurformule, brutoformule
het koolstofatoom.
en skeletnotatie van een organische
stof herkennen, weergeven, in elkaar
In dit hoofdstuk bestuderen we hoe een organische stof
omzetten en interpreteren.
wordt voorgesteld. Naast de brutoformule worden organische
VA
stoffen ook nog op andere manieren voorgesteld.
1
Bindingsmogelijkheden van het koolstofatoom
Het koolstofatoom speelt een centrale rol binnen de organische chemie. Het atoom komt voor in elke verbinding en zal steeds omgeven worden door één of meerdere atomen, zoals H, O, N …
©
OPDRACHT 3
Vul aan. 1
Teken in de volgende tabel de lewisstructuur van een C-atoom en geef ook de elektronenconfiguratie
weer.
Atoom
Lewisstructuur
C
80
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 1
Elektronenconfiguratie
2 3
4 5
Hoeveel valentie-elektronen heeft het C-atoom?
Hoeveel atoombindingen moet een alleenstaand C-atoom aangaan om een edelgasconfiguratie te verkrijgen?
Met hoeveel waterstofatomen moet een alleenstaand C-atoom een binding aangaan? Schrijf de brutoformule van de meest eenvoudige C-H-verbinding (H’s achteraan!):
Organische stoffen worden gekenmerkt door de aanwezigheid van minstens 1 koolstofatoom. Een koolstofatoom heeft 4 vrije valentie-elektronen en gaat
IN
4 bindingen aan om de octetstructuur te bereiken. Bekijk enkele formules van organische stoffen:
6 protonen 6 neutronen
2
H
H H H
H C H
H C C C H
H
H H H
4
5
N
6 elektronen
1
H C C O H
H C C H
H H
H H
C C
H H
6
H H C C H
O O H
Het valt op dat elk koolstofatoom 4 bindingen aangaat, maar dat wil niet
©
VA
Afb. 44 Een koolstofatoom heeft 4 valentieelektronen.
H H
3
zeggen dat het 4 bindingspartners nodig heeft! Zo zie je in de derde en vijfde voorstelling dat een atoom meerdere (dubbele of drievoudige) bindingen kan aangaan met een ander atoom waardoor er minder waterstofatomen nodig zijn om de edelgasconfiguratie te bereiken. Wanneer het koolstofatoom 4 bindingspartners heeft en dus 4 enkelvoudige bindingen, dan spreekt men van verzadigde verbindingen. Als het koolstofatoom een binding vormt met 2 of 3 andere atomen, dan zijn er meervoudige bindingen aanwezig (dubbele of drievoudige) en spreken we van onverzadigde verbindingen.
Wanneer de C-atomen alleen binden met andere C-atomen en met H-atomen, dan noemen we die stoffen koolwaterstoffen. Ook hier wordt dan het onderscheid gemaakt tussen verzadigde en onverzadigde koolwaterstoffen.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 1
81
OPDRACHT 4
Bekijk de onderstaande organische verbindingen. Zijn deze verbindingen verzadigd of onverzadigd? Vul de tabel aan. Organische verbinding
H H
C C H H
Verzadigd (V) of onverzadigd (O)?
H H
IN
H C C H H H CH3 – CH2 – CH3 CH3 – CH2 – CH = CH – CH2 – CH3
WEETJE
N
Zoals je weet, heeft het koolstofatoom 4 valentie-elektronen. Om de octetstructuur te bereiken, zal het atoom dus met nog 4 extra elektronen moeten binden. Dat kan op een aantal manieren: het koolstofatoom kan zich binden aan 4, 3 of 2 atomen.
Binding met 4 atomen
Koolstof kan de octetstructuur
Als het koolstofatoom slechts
aangaan met 4 atomen, die elk 1
ook bereiken door slechts aan
aan 2 atomen bindt, dan kan
ongepaard elektron bezitten.
3 atomen te binden. Omdat het
het de octetstructuur bereiken
Zowel waterstof als de halogenen
C-atoom 4 ongepaarde elektronen
door 2 dubbele bindingen aan te
zijn niet-metaalatomen met
heeft, moet het dan een dubbele
gaan of een enkelvoudige en een
1 ongepaard elektron.
binding aangaan met 1 atoom.
drievoudige binding aan te gaan.
We bekijken de molecule methaan
We bekijken de molecule etheen
We bekijken de molecule ethyn
(CH4):
(C2H4):
(C2H2):
— lewisstructuur:
— lewisstructuur:
— lewisstructuur:
VA
Koolstof kan een atoombinding
H
H H
H C H
C C
©
H
H H
H C C H De molecule heeft een lineaire
Het koolstofatoom zal de 4
Er is een dubbele binding tussen
bindingen met waterstofatomen
de 2 koolstofatomen. De bindingen structuur, wat betekent dat de
rondom zich in de ruimte maximaal van het koolstofatoom vormen spreiden. Hierdoor ontstaat een
nu een trigonale structuur: de
3D-molecule, een tetraëder met
bindingen liggen in een vlak met
hoeken tussen de C-H-bindingen
onderlinge bindingshoeken van
die 109° bedragen.
120°.
— ruimtelijke structuur:
— ruimtelijke structuur:
H
H
82
Binding met 2 atomen
Binding met 3 atomen
H
C H H
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
H HOOFDSTUK 1
C C
H H
bindingshoeken 180° bedragen.
— ruimtelijke structuur:
H C C H
In een organische stof zal het koolstofatoom altijd 4 atoombindingen aangaan met andere atomen. Dat kunnen andere koolstofatomen zijn, maar evengoed atomen van andere elementen (H, Cl, O …). Een koolstofatoom heeft dus altijd 4 bindingen, maar niet noodzakelijk 4 bindingspartners. Organische verbindingen die alleen bestaan uit C-atomen en H-atomen, worden ook wel koolwaterstoffen genoemd. — Verzadigde koolstofverbindingen zijn organische stoffen waarbij elk koolstofatoom steeds 4 bindingspartners heeft.
— Onverzadigde koolstofverbindingen zijn organische stoffen waarbij
IN
sommige koolstofatomen 2 of 3 verschillende bindingspartners hebben.
` Maak oefening 1 op p. 118.
Notatiemogelijkheden van een organische stof
N
2
Een organische stof bestaat dus uit koolstofatomen die steeds 4 bindingen aangaan. Vaak ontstaat er een binding met een waterstofatoom. Organische stoffen worden op meerdere manieren weergegeven.
©
VA
2.1 Brutoformule
Eén manier ken je al vanuit thema 01: de brutoformule. De brutoformule van een organische stof geeft de aanwezige elementen weer en het aantal van elk element met een index. De index 1 wordt niet genoteerd. In de organische chemie worden de elementen bovendien als volgt gerangschikt: eerst C, dan H en ten slotte de overige elementen alfabetisch. VOORBEELD BRUTOFORMULE CH4 C2H6
C2H4 C3H8O
2.2 De uitgebreide en beknopte structuurformule Over de manier waarop de atomen met elkaar verbonden zijn, krijg je geen informatie in de brutoformule. Hiervoor werken we met de structuurformule. In die formule wordt het aantal atomen van elke soort weergegeven. Ze worden rond elk koolstofatoom apart geordend waardoor de bindingen tussen de koolstofatomen zichtbaar zijn. De structuurformule is dus een tweedimensionale weergave van de structuur van een molecule waarbij de bindingen worden weergegeven tussen de verschillende koolstofatomen. De bindingen met waterstof worden, na een goede beheersing van het schrijven van een structuurformule, vaak weggelaten. We spreken dan van de beknopte structuurformule. Wanneer de C-H-bindingen wel nog worden getoond, spreekt men over een uitgebreide structuurformule. GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 1
83
VOORBEELD STRUCTUURFORMULE Uitgebreide structuurformule
Brutoformule
Beknopte structuurformule
H H C H
CH4
CH4
H H H H C C H
C2H6
CH3 – CH3
H H H
IN
H
C2H4
H
C C
CH2 = CH2
H
H H H
C3H8O
H C C C O H
CH3 – CH2 – CH2 – OH
H H H
N
Merk op dat in het laatste voorbeeld het lijkt alsof het zuurstofatoom
gebonden is aan 1 van de 2 waterstofatomen rond het koolstofatoom. Maar het is gebonden aan het koolstofatoom zelf.
OPDRACHT 5
VA
Vul de volgende koolstofverbindingen met waterstofatomen aan zodat elk C-atoom een edelgasconfiguratie krijgt. Je noteert op die manier zowel de structuurformule als de brutoformule van de verbindingen. Aantal gebonden C-atomen
Structuurformule van de verbinding
Brutoformule van de verbinding
C–C–C
CH3 – CH2 – CH3
C3H8
C–C–C–C–C–C–C
C–C–C–C
C=C
©
C – C – C– –C
C–C–C–C=C–C
TIP
Wanneer er in een structuurformule een atoomgroep, bijvoorbeeld CH2, vaak voorkomt, dan kan het als volgt verkort worden weergegeven:
CH3 – CH2 – CH2 – CH2 – CH2 – CH2 – CH3
84
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 1
→
CH3 – (CH2)5 – CH3
WEETJE Isomerie De brutoformule kan, in tegenstelling tot bij een anorganische stof, niet altijd één op één gelinkt worden aan een organische stof. Ze wordt daarom ook minder gebruikt om een organische stof weer te geven. Zo kunnen er vanuit de brutoformule C4H10 2 verschillende organische
stoffen worden gevormd, zoals te zien is in de onderstaande (beknopte) structuurformules: CH3 – CH2 – CH2 – CH3
CH3 – CH – CH3 CH3
IN
Omdat beide organische stoffen opgebouwd zijn uit dezelfde atomen en ook van elk eenzelfde aantal bevatten, worden die 2 stoffen
isomeren van elkaar genoemd. Ze verschillen echter in fysische en
chemische eigenschappen (bv. kooktemperatuur en reactiviteit). Die isomere eigenschap ligt mee aan de basis van de grote hoeveelheid
moleculen binnen de koolstofchemie. In de 3de graad komen we hier zeker op terug. Isomerie is afkomstig van het Griekse iso, wat gelijk
N
betekent en meros, wat bouwsteen betekent.
2.3 De skeletnotatie of zaagtandstructuur Bij de organische stoffen maakt men ten slotte ook nog gebruik van een derde notatie: de skeletnotatie of zaagtandstructuur. De skeletnotatie toont
VA
enkel het skelet van een organische molecule, die heeft 2 onderdelen: — de atoombinding(en) tussen de koolstofatomen;
— de atoombinding(en) tussen de koolstofatomen en andere (niet-waterstof) atomen.
OPDRACHT 6
Vul de skeletnotatie aan. Brutoformule
©
C4H10
Uitgebreide structuurformule
Skeletnotatie
CH3 – CH2 – CH2 – CH3
C3H6
CH2 = CH – CH3
C2H6O
CH3 – CH2 – OH
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 1
85
OPDRACHT 7
Vul de tabel aan. Je krijgt steeds 1 notatiemogelijkheid en vult de andere voorstellingen aan. Brutoformule
Skeletnotatie
Uitgebreide structuurformule
CH3 – CH2 – CH = CH – CH2 – CH3
IN
CH3 – (CH2)5 – CH3
N
WEETJE
Skeletnotaties worden vooral gebruikt om grote organische moleculen voor te stellen. Denk bijvoorbeeld aan koolstofverbindingen uit het dagelijks leven, zoals fructose en glucose. Die suikers heb je misschien in de
VA
lessen biologie al gezien onder de vorm van hun skeletnotatie:
CH2OH
CH2OH
O
OH CH OH 2
OH
O OH
OH
©
OH
Afb. 45 De skeletnotatie van fructose
OH OH
Afb. 46 De skeletnotatie van glucose
Fructose en glucose zijn trouwens ook isomeren van elkaar. Ze hebben beiden dezelfde brutoformule (C6H12O6) maar een specifieke structuurformule of skeletnotatie.
86
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 1
Een organische stof kan op verschillende manieren voorgesteld worden: Uitgebreide structuurformule
Brutoformule
Skeletnotatie of zaagtandstructuur
Beknopte structuurformule
= een lineaire weergave
= een tweedimensionale
= een tweedimensionale
van de aanwezige
weergave van de
weergave van de structuur weergave van de
elementen, met een
structuur van een
van een molecule
structuur van een
index die het aantal per
molecule waarbij alle
waarbij de bindingen
molecule, waarbij alle
element weergeeft.
bindingen worden
worden weergegeven
bindingen worden
Volgorde: C – H – andere
weergegeven.
= een tweedimensionale
weergegeven, maar de
koolstofatomen. De
C- en H-atomen
volgorde
C-H-bindingen worden
(gebonden aan de
niet weergegeven.
C-atomen) niet meer
IN
tussen de verschillende
elementen in alfabetische
genoteerd worden.
H H H
bv. C3H8
H C C C H H H H H H
H C C O H H H
CH3
CH2
CH3
OH
OH
H
H C C C H
CH C
VA
C3H4
CH2
N
C2H6O
CH3
H
CH3
©
` Maak oefening 2 en 3 p. 46.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 1
87
3
De stofklassen
Bij de anorganische stoffen hebben we 4 stofklassen beschreven. Door de verschillende bindingsmogelijkheden van het koolstofatoom bestaan er meer dan 10 stofklassen in de organische chemie. Elk van die stofklassen wordt gekenmerkt door een specifieke binding of een functionele groep. Die functionele groep is een kenmerkende groep van atomen. Dit schooljaar zullen we 4 stofklassen bespreken: alkanen, OPDRACHT 8
Zie jij overeenkomsten? 1
IN
alkenen, alcoholen en carbonzuren.
Bekijk enkele structuurformules, skeletnotaties en namen van de 4 stofklassen: 1
2
methaan
CH3COOH
O
7
OH
5
CH3OH
6
n-butaan
CH3 – CH2 – CH2 – CH3
8
propeen
VA
propaan
H H
CH3 – CH2 – CH3
H C C C H
10
methanol
N
ethaanzuur
H3C C
3
CH3 – COOH
CH4 4
ethaanzuur
ethanol
11
CH3 – CH2 – OH
n-hexaan
H H
9
methaanzuur HCOOH
n-octaan
H H H H H H H H H C C C C C C C C H H H H H H H H H 12
etheen CH2 = CH2
OH
Probeer, eventueel in overleg met je buur, alle voorbeelden in 4 groepen onder te brengen. Welke kenmerken ga je hiervoor gebruiken?
©
2
3
88
Kijk nu naar de indeling van enkele andere werkgroepjes en vul jouw indeling verder aan.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 1
Zo komen we tot de volgende onderverdeling in 4 stofklassen: 1
→ enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen
alkaan
alleen maar C- en H-atomen aanwezig
= verzadigde koolwaterstof
2
→ dubbele binding tussen 1 paar C-atomen
alkeen
alleen maar C- en H-atomen aanwezig
= onverzadigde koolwaterstof
3
→ enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen
alcohol
4
IN
hydroxylfunctie (-OH groep) in de molecule → enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen
carbonzuur
→ carboxylfunctie (-COOH groep) in de molecule
TIP
Opgelet! Verwar de hydroxylfunctie niet met hydroxide. Het gaat allebei wel over de OH-groep, maar bij hydroxiden is er een ion gebonden via ionbinding. Bij de hydroxylfunctie zal de OH-groep via atoombinding
N
aan de koolstof vastzitten.
Systematische naam
©
VA
Stofklasse
alkanen
alkenen
alcoholen
-aan
-een -ol
carbonzuren -zuur
Skeletnotatie of zaagtandstructuur
— alleen C/H-atomen
— alleen maar enkelvoudige bindingen — alleen C/H-atomen
— dubbele binding aanwezig — C/H/O-atomen
— OH als functionele groep aanwezig — C/H/O-atomen
— COOH als functionele groep aanwezig
` Maak oefening 4 t/m 7 op p. 119.
Dit schooljaar beperken we ons tot die 4 stofklassen. In de volgende hoofdstukken bespreken we dan ook telkens 1 van die stofklassen. De kennis die je dit jaar verzamelt, vormt de basis voor het volgende jaar waarin je meer stofklassen zult leren en waarin je binnen 1 stofklasse het aantal stoffen uitgebreider zult bespreken.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 1
89
HOOFDSTUK 2
Alkanen
LEERDOELEN Je kunt al: stoffen voorstellen m.b.v. de brutoformule;
IN
L enkelvoudige stoffen en anorganische samengestelde L de naam formuleren van anorganische stoffen als je de brutoformule krijgt;
Een eerste stofklasse die we uitgebreider
L de brutoformule noteren van anorganische stoffen als
bekijken, zijn de alkanen. Die
je de systematische naam of stocknotatie krijgt; L het belang, voorkomen en toepassingen van anorganische stoffen bespreken.
waterstofatomen. We geven ze daarom
dan ook vaak de naam koolwaterstoffen. Tussen de koolstofatomen komt telkens
N
Je leert nu:
moleculen bevatten alleen koolstof- en
maar één binding voor; we spreken van een
L de naam van een alkaan formuleren op basis van een
enkelvoudige atoombinding. Hierdoor heeft
gegeven structuurformule of skeletnotatie en omgekeerd;
elk koolstofatoom een maximaal aantal waterstofatomen en kunnen er geen extra
L enkele toepassingen van alkanen uit het dagelijks
atomen opgenomen worden in de molecule.
VA
leven en de industrie bespreken.
Stofklasse
alkanen
koolwaterstofverbindingen.
Typisch kenmerk
enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen
‘C-C’
Formule en systematische naam
©
1
We noemen alkanen daarom ook verzadigde
Centraal in de molecule staat de koolstofketen, de stam van de molecule. De lengte van die stam bepaalt de naam van de molecule. We bespreken eerst de onvertakte alkanen: er komen geen zijketens voor in de moleculen. Hoe wordt de systematische naam van een specifiek alkaan juist gevormd? — De stam ‘alk-‘ verwijst naar het specifieke aantal C-atomen in de molecule. — Het achtervoegsel ‘-aan’ verwijst naar het feit dat er alleen maar enkelvoudige bindingen tussen alle C-atomen bestaan.
90
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
TIP De eerste 3 alkanen
Het is dus belangrijk dat je de stammen goed kent, want ze vormen de basis voor het grote aantal moleculen dat je de volgende jaren zult leren kennen. Aantal C-atomen
Stam
Aantal C-atomen
Stam
1
meth-
6
hex-
2
eth-
7
hept-
3
prop-
8
oct-
Om de namen van die
4
but-
9
non-
moleculen te onthouden,
5
pent-
10
dec-
onthoud je misschien met het ezelsbruggetje ‘MEP’. Vanaf het vijfde alkaan herken je de Griekse telwoorden.
bestaat er ook een eerste letters van de alkanen keren terug
Vanaf 4 koolstofatomen kan met dezelfde bouwstenen ook een vertakt alkaan gevormd worden, bv. C4H10
IN
geheugensteuntje. De
in de volgende zin: ‘Mama en papa bakken pannenkoeken, heel heerlijk of niet dan?’
CH3 – CH2 – CH2 – CH3
CH3 – CH – CH3 CH3
Vanaf butaan wordt de alkaannaam daarom ook als een verzamelnaam
gezien. Wanneer men het specifiek over het lineair molecule heeft, dan
De ‘n’ in de naam voor de onvertakte alkanen staat voor ‘normal’, maar je kunt het misschien beter onthouden als
CH3 – CH2 – CH2 – CH3 wordt dan n-butaan, omdat het onvertakt is. VOORBEELD SYSTEMATISCHE NAAM ONVERTAKTE ALKANEN
We formuleren de systematische naam van enkele (onvertakte) alkanen vanuit de gegeven structuurformule of skeletnotatie. 1
CH4
— stam = 1 koolstofatoom: METH
©
VA
‘niet-vertakt’.
plaatst men ‘n-’ voor de naam. De systematische naam van
N
WEETJE
— Het C-atoom heeft 4 bindingspartners en is dus verzadigd met achtervoegsel AAN.
De systematische naam van dat molecule is methaan.
2
CH3 – CH2 – CH2 – CH2 – CH3
— stam = 5 koolstofatomen: PENT
— Elk C-atoom heeft 4 bindingspartners en is dus verzadigd met achtervoegsel AAN.
— Het is een onvertakt alkaan met meer dan 4 C-atomen, dus met ‘n’ voor de naam.
De systematische naam van dat molecule is n-pentaan. 3 — stam = 8 koolstofatomen: OCT
— Elk C-atoom heeft 4 bindingspartners en is dus verzadigd met achtervoegsel AAN.
— Het is een onvertakt alkaan met > 4 C-atomen, dus met ‘n’ voor de naam.
De systematische naam van dat molecule is n-octaan.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
91
OPDRACHT 9
Formuleer nu zelf de systematische naam vanuit de gegeven structuurformule of skeletnotatie. Voorstelling
Systematische naam
CH3 – CH2 – CH2 – CH3
IN
Hoe worden de brutoformule, structuurformule of skeletnotatie van een specifiek (onvertakt) alkaan gevormd?
Bij het opstellen van de structuurformule van een alkaan overloop je best het volgende stappenplan:
N
Stap 1: Schrijf het aantal C-atomen.
Stap 2: Plaats een enkelvoudige binding tussen de C-atomen.
VA
Stap 3: Vul de formule aan met H-atomen totdat elk C-atoom 4 bindingen heeft.
VOORBEELD STRUCTUURFORMULE N-HEPTAAN
Stap 1: Schrijf het aantal C-atomen. De stam is HEPT, wat wil zeggen 7 C-atomen + afkorting ‘n’ dus een onvertakt alkaan.
Stap 2: Plaats tussen alle koolstofatomen een enkelvoudige binding. C–C–C–C–C–C–C
Stap 3: Vul de formule aan met H-atomen tot elk C-atoom
©
4 bindingspartners heeft.
Uitgebreide structuurformule:
H H H H H H H H C C C C C C C H H H H H H H H Beknopte structuurformule: – – – – – – Brutoformule: Skeletnotatie:
92
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
OPDRACHT 10
Stel nu zelf de structuurformule, skeletnotatie en brutoformule op van de onderstaande onvertakte alkanen. Systematische naam
Structuurformule
n-nonaan
IN
propaan
Brutoformule
Skeletnotatie
Uit de bovenstaande voorbeelden blijkt dat in de brutoformule van een
alkaan het aantal waterstofatomen steeds gelijk is aan tweemaal het aantal
koolstofatomen plus 2. Dat leidt tot de volgende algemene brutoformule voor de alkanen:
(met n = natuurlijk getal)
N
CnH2n+2
WEETJE
De tien alkanen die we al gezien hebben, zijn maar een deel van de beschikbare alkanen. Er zijn alkanen die meer dan tien koolstofatomen bezitten en bovendien zijn er vertakkingen mogelijk. Omdat er enorm veel mogelijke combinaties zijn, zijn er internationaal duidelijke afspraken gemaakt over de naamgeving van die
VA
vertakte alkanen.
Zijketengroepen verkrijgen we door bij een alkaan één H-atoom weg te nemen. De namen ervan worden gevormd door aan de stamnaam het achtervoegsel -yl toe te voegen. Voorbeeld: – CH2 – CH2 – CH3 → propyl-zijketen
Vertakte alkanen met 1 zijketen
De namen van die moleculen worden gevormd als volgt:
Stap 1: Zoek de langste, niet-vertakte koolstofketen (hoofdketen) en tel het aantal koolstofatomen in die keten. Stap 2: Gebruik de overeenstemmende stamnaam met de uitgang -aan.
©
Stap 3: Voor de zijketen gebruik je de gepaste zijketennaam als voorvoegsel. Stap 4: Indien nodig schrijf je voor die zijketennaam een plaatsnummer gevolgd door een koppelteken (-). De nummering van de hoofdketen gebeurt op zo’n manier dat het plaatsnummer zo klein mogelijk is.
Voorbeeld: 1 7
2
6
3
5
4
4
5 3
6 2
7 1
— De langste niet-vertakte C-keten = 7 C-atomen → HEPTAAN — De zijketen bestaat uit 1 C-atoom → METHYL
— De nummering van de zijketen op de hoofdketen moet zo laag mogelijk zijn → 2 — De systematische naam van de molecule is 2-methylheptaan.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
93
WEETJE (VERVOLG) Vertakte alkanen met meerdere zijketens Zijn er meerdere identieke zijketens, dan wordt de zijketennaam als voorvoegsel geplaatst, voorafgegaan door telvoorvoegsels di-, tri-, tetra- ... Indien nodig schrijf je zoveel plaatsnummers als er zijketens zijn. Tussen 2 opeenvolgende plaatsnummers wordt een komma geschreven. De nummering van de hoofdketen is het kleinst mogelijke getal. Je bekomt dat getal door de plaatsnummers van klein naar groot achter elkaar te schrijven. Zijn er verschillende zijketens, dan worden de zijketennamen als voorvoegsels geplaatst in alfabetische volgorde, voorafgegaan door hun plaatsnummers. De nummering van de hoofdketen is het kleinst mogelijke getal. Je bekomt dat getal door de plaatsnummers van klein naar groot achter elkaar te schrijven. Met andere
IN
woorden: De hoofdketen wordt zodanig genummerd dat de eerste zijketen een zo klein mogelijk plaatsnummer krijgt. Bij gelijkheid kijk je naar de volgende zijketen. De zijketen die alfabetisch eerst gerangschikt staat, krijgt, indien mogelijk, het kleinste plaatsnummer.
Het alfabetisch rangschikken van de zijketens gebeurt enkel op basis van de zijketennaam. Met de telvoorvoegsels wordt geen rekening gehouden. 9 2
10 1
N
6 8 2 4 3 5 7 Voorbeeld: 1 9 7 5 3 4 10 8 6
— De langste niet-vertakte C-keten = 10 C-atomen → DECAAN — Er zijn 3 zijketens: •
2 zijketens bestaande uit 1 C-atoom → DIMETHYL
•
1 zijketen bestaande uit 2 C-atomen → ETHYL
— De zijketens worden alfabetisch gerangschikt en de nummering is zo laag mogelijk → 5-ethyl-2,3-dimethy
©
VA
De systematische naam van de molecule is 5-ethyl-2, 3-dimethyl-decaan.
ORGANISCHE STOFFEN
ALKANEN
onvertakt
Naamgeving
Formulevorming
— stam = aantal C-atomen
— brutoformule:
— vanaf 4 C-atomen met
— structuurformule:
+ achtervoegsel ‘aan’
symbool ‘n’ vooraan
` Maak oefening 8 op p. 120.
94
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
vertakt
CnH2n+2
Zie stappenplan p. 92
2
Fysische eigenschappen, voorkomen en toepassingen uit het dagelijks leven
2.1 Fysische eigenschappen Alkanen komen in groot aantal voor in de natuur. Wanneer we de kook- en
WEETJE
smelttemperatuur bekijken op de onderstaande grafiek, wordt duidelijk dat
Paraffine, het
korte alkanen zoals methaan (CH4), ethaan (CH3 – CH3), propaan
hoofdbestanddeel van
(CH3 – CH2 – CH3) en butaan (CH3 – CH2 – CH2 – CH3) gasvormig zijn bij
kaarsen, is een mengsel
kamertemperatuur. Naarmate de molecule langer wordt, stijgt het
van n-alkanen met 17 tot
IN
kookpunt van het alkaan. Alkanen met 5 tot 16 C-atomen zijn vloeibaar
57 koolstofatomen.
bij kamertemperatuur en alkanen met 17 of meer C-atomen zijn vast bij
VA
N
kamertemperatuur. Die laatste noemen we de hogere alkanen of paraffinen.
©
Afb. 47 Kook- en smelttemperatuur van alkanen
Alkanen zijn goed brandbaar. Methaan (aardgas) wordt als brandstof gebruikt voor het verwarmen van onze huizen en het koken van eten op een gasvuur. Lagere alkanen zijn bovendien licht ontvlambaar. Daarom moet je thuis altijd goed controleren of je de gasaansluiting van je gasfornuis goed hebt afgesloten wanneer je klaar bent met koken.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
95
OPDRACHT 12 DEMO
Zijn alkanen licht ontvlambaar? watje met pentaan
Werkwijze Je leerkracht bevochtigt een propje watten met
emmer met water en vochtige handdoek
n-pentaan. Een gehalveerde plastic staaf wordt onder een hoek van 45° opgesteld met behulp van een statief. Het andere uiteinde rust op tafel in de
gehalveerde plastic buis
buurt van een theelichtje of brandende kaars.
Waarnemingen a
Wat neem je waar?
GEN4_CHE_KOV_LB_T2_H2_pentaan.ai
b Hoe kun je dat verklaren?
!
N
IN
kaarsje
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT Juiste blusmethode •
Neem de natte doek met 2 handen vast aan de bovenste hoekpunten (de handpalmen naar boven).
Draai de handen zodat de blusdoek de
VA
•
handen en onderarmen bedekt.
•
Benader het vuur met gestrekte armen en
demovideo: juiste blusmethode
de blusdoek voor je.
•
Plaats de blusdoek over de brand, beginnende met de onderkant van de blusdoek.
•
Zorg ervoor dat de blusdoek de vuurhaard volledig bedekt. Laat de blusdoek liggen want de brandstof kan opnieuw ontvlammen.
GEN4_CHE_KOV_LB_T2_H2_methaan.ai
©
WEETJE
Een stof is licht ontvlambaar als ze met een vlam of klein vonkje gaat branden bij kamertemperatuur in de aanwezigheid van lucht. Let op: ontvlambaarheid mag je niet verwarren met brandbaarheid van een stof. Een stof kan goed brandbaar zijn, maar toch slecht ontvlambaar.
96
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
De wereldindustrie steunt voor haar energievoorziening grotendeels op alkaanmengsels, zoals petroleum en aardgas. Die grondstoffen vormen ook de basis van de petrochemie, waaruit allerlei producten ontstaan die niet meer uit het moderne leven zijn weg te denken. Vorig jaar leerde je al dat ruwe aardolie in fracties wordt gescheiden door gefractioneerde destillatie. gasfractie
dalende dichtheid en kookpunt
chemicaliën 70 °C
oplopende dichtheid en kookpunt ruwe olie
IN
petroleum voor auto’s 120 °C
kerosine voor vliegtuigen paraffine voor verlichting en verwarming 170 °C diesel 270 °C
N
smeerolie, glansen boenproducten
brandstof voor schepen, industrie en centrale verwarming 600 °C
asfaltfractie voor wegen
Afb. 48 Gefractioneerde destillatie van ruwe aardolie
VA
OPDRACHT 13 DEMO
Welke fracties die we verkrijgen door een gefractioneerde destillatie van ruwe aardolie, zijn het best ontvlambaar? Werkwijze
Je leerkracht giet 4 fracties in een porseleinen kroesje en onderzoekt hun brandbaarheid.
©
benzine
pertroleum
kerosine
brandstof voor centrale verwarming
Waarneming
Omcikel het juiste antwoord.
— De benzinefractie brandt met een grote / kleine vlam.
— De andere fracties branden met een grotere / kleinere vlam. Besluit
Wat kun je besluiten?
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
97
WEETJE Kraken van langere alkanen Je leerde dat de kortere alkanen vlugger ontvlammen en dus goed bruikbaar zijn als brandstof. Petrochemici proberen langere ketens dan ook te splitsen in meerdere kortere ketens. Dat heet het kraken van alkanen. Om dat resultaat te bereiken, worden de langere alkaanketens verhit in een omgeving zonder zuurstofgas, waardoor er kortere brokstukken ontstaan: kortere alkanen, maar ook alkenen.
H H H H H H H H H H H H H H H H C C C C C C C C C C C C C C C H T H H
C C
H
H
H
H
H C C C H
H H
H
IN
H H H H H H H H H H H H H H H
H H H H H H H H watje met pentaan
emmer met water en vochtige handdoek
H C C H
H C C C C C C C C H
H H
H H H H H H H H gehalveerde plastic buis
N
Afb. 49 Het kraken van C15H32. Let op de dubbele bindingen die hierbij worden gevormd. kaarsje
GEN4_CHE_KOV_LB_T2_H2_pentaan.ai
VA
2.2 Voorkomen en toepassingen uit het dagelijks leven A Methaan
3D
Methaan is het voornaamste bestanddeel van aardgas en wordt soms aangetroffen samen met aardolie en andere fossiele brandstoffen. Methaangas ontstaat wanneer bacteriën onder anaerobe omstandigheden (= omgeving zonder
ontdekplaat: organische stofklassen
zuurstofgas) afgestorven organismen afbreken. Omdat anaerobe omstandigheden vooral in
©
moerasbodems voorkomen, wordt methaan vaak
Afb. 50 Een molecule methaan GEN4_CHE_KOV_LB_T2_H2_methaan.ai
moerasgas genoemd. Het gas ontstaat ook bij de
verwerking van o.a. tuinafval. Door die gassen over generatoren te sturen, wordt elektrische energie opgewekt. Methaan wordt daarom ook vaak een biogas genoemd. Veel gezinnen gebruiken aardgas als brandstof voor het verwarmen van hun woning. Gasleidingen komen dan ook overal in Vlaanderen voor. Methaan is echter geur- en kleurloos. Om een gaslek tijdig op te merken, voegen gasleveranciers daarom sterk geurende organische stoffen toe. De verbrandingsreactie van methaan verloopt dan als volgt (bij volledige verbranding): CH4 + 2 O2 → CO2 + 2 H2O
98
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
OPDRACHT 14 DEMO
Wat ontstaat er bij de verbranding van een alkaan? Werkwijze Je leerkracht houdt gedurende 20 seconden een omgekeerde erlenmeyer boven de blauwe vlam van een bunsenbrander. Die bunsenbrander is aangesloten op aardgas (methaan/ethaan). Je leerkracht giet enkele mL van de Ca(OH)2-oplossing in de erlenmeyer en schud even. Die herhaalt de proef met een brandende
20’
schud
IN
aansteker (propaan- of n-butaangas). Ten slotte herhaalt je leerkracht de proef met een brandende kaars.
doe de waarnemingen Afb. 51 Omgekeerde erlenmeyer boven bunsenbrander
Wat neem je waar? 20’
schud
20’
doe de waarnemingen
schud
doe de waarnemingen
VA
N
Waarneming
a
Besluit
Geef de verbrandingsreactie van methaangas: — uitgangsproducten:
— gevormde producten: CO2 en H2O — reactievergelijking:
b De vertroebelde Ca(OH)2-oplossing wijst op de vorming van calciumcarbonaat of CaCO3. Vul aan de hand van dat gegeven de volgende reactie verder aan.
©
Ca(OH)2 +
c
→ CaCO3 + H2O
De vertroebelde Ca(OH)2-oplossing wijst dus op de vorming van
tijdens de verbranding van
een alkaan.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
99
IN
Afb. 52 Moerasgebieden bevatten methaan.
De grootste methaanvoorraad bevindt zich echter nog in de aarde. Belangrijke methaanrijke moerasgebieden zijn te vinden in het hoge noorden van Europa, Siberië en Amerika. In die gebieden is de bodem permanent
bevroren: op enige diepte bevindt zich ijs. Dat heet permafrost. Alleen de
bovenste decimeters van de bodem ontdooien elke zomer. Omdat het water
N
niet weg kan zakken door het ijs in de bodem, wordt het vooral in vlakke gebieden nat met veel moerasvorming tot gevolg. Er wordt nu gevreesd
dat de temperatuurstijging op aarde zal zorgen voor het ontdooien van de permafrost. Dat zou kunnen leiden tot het vrijkomen van grote hoeveelheden methaan en een verdere toename van het broeikaseffect.
VA
WEETJE
Spoken op het kerkhof – gevaren in de ondergrond
Afb. 53 Mijngas kan ontploffingen veroorzaken.
Lang geleden, toen er nog echt donkere nachten waren, werd een late bezoeker van het kerkhof soms opgeschrikt door blauwe dwaallichtjes. Dat was methaan dat uit de aarde opsteeg, gemengd met een geringe hoeveelheid
fosfine (PH3). Wanneer dat mengsel in contact kwam met de lucht,
©
ontvlamde het spontaan.
Ook het gevreesde mijngas, dat – gemengd met lucht – in steenkoolmijnen ernstige ontploffingen (‘grauwvuur’) kon veroorzaken, bevatte methaan. Aangezien het gas kleur- en geurloos is, moesten mijnwerkers uiterst waakzaam zijn voor explosies. Om die reden namen mijnwerkers vaak een kanarie in een kooi mee in de schachten. Wanneer er mijngas aanwezig was, stierf de kanarie voordat er groot gevaar voor de mijnwerkers optrad. Op die manier konden de mijnwerkers zichzelf op tijd in veiligheid brengen.
100
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
B Ethaan Aardgas bevat naast methaan ook nog
3D
andere koolwaterstoffen. De tweede belangrijkste organische fractie is ethaan, hoewel het beduidend minder in aardgas voorkomt dan methaan. Aangezien ook ethaan als brandstof wordt gebruikt, schrijven we ook hiervoor de verbrandingsreactie:
Afb. 54 Een molecule ethaan
IN
2 C2H6 + 7 O2 → 4 CO2 + 6 H2O Ethaan is een belangrijke grondstof voor de productie van andere organische stoffen zoals etheen, ethanol en ethaanzuur.
C Propaan en n-butaan
3D
©
VA
N
3D
Afb. 55 Een molecule propaan
Afb. 56 Een molecule n-butaan
Propaan en n-butaan zijn gasvormige alkanen, die gebruikt worden om
bijvoorbeeld huizen te
verwarmen of om fornuizen aan te steken in de keuken. De
gassen worden als vloeistoffen onder druk in de handel
gebracht onder de benamingen
Afb. 57 Propaantank
propagas en butagas. Beide
gassen worden in een school ook vaak gebruik als mobiele opstelling bij het gebruik van een bunsenbrander. Ook voor propaan en n-butaan schrijven we een (volledige) verbrandingsreactie: C3H8 + 5 O2 → 3 CO2 + 4 H2O 2 C4H10 + 13 O2 → 8 CO2 + 10 H2O
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
101
OPDRACHT 15 DEMO
Wat gebeurt er als je propaan of n-butaan verbrandt? Werkwijze Je leerkracht vult een bekerglas met water en voegt afwasmiddel toe. Door middel van een lepel wordt voor een goede schuimvorming gezorgd. Die leidt met behulp van een slang gedurende enkele seconden gas in de oplossing en schept met natte handen een klein beetje schuim van de zeepoplossing. Je leerkracht steekt vervolgens het schuim in brand met behulp van lucifers. Waarnemingen
Besluit
Omcirkel het juiste antwoord en vul aan.
IN
Wat neem je waar?
— Het propaan en n-butaan uit de gasleiding ontbranden goed / ontbranden slecht.
N
— Dat bevestigt dat ze kunnen worden gebruikt als
.
Als je houdt van kamperen, dan heb je zeker al eens gekookt op een gasvuurtje. De bekende blauwe bussen zijn gevuld met butaan. Het gas staat
VA
onder verhoogde druk, waardoor het vloeibaar is. Wanneer zo’n bus wordt opengedraaid, ontsnapt eerst het n-butaangas dat zich boven de vloeistof bevindt. Vervolgens verdampt een gedeelte van het vloeibare n-butaan. Die omzetting kan pas voldoende snel gebeuren als de temperatuur van het samengeperste n-butaan hoger ligt dan het kookpunt: -0,5 °C. Om die reden is butaan niet bruikbaar bij vriesweer. Bergbeklimmers en wintersporters gebruiken daarom propaan als campinggas. Het kookpunt van propaan is
©
-42 °C en dat geeft dus geen problemen bij lage temperaturen.
Afb. 58 Koken met butaangas
102
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
D n-octaan Benzine bevat ongeveer 300 verschillende koolstofverbindingen, waarvan de meeste alkanen zijn, onder andere octaan. Octaan is een ideale brandstof voor verbrandingsmotoren: hoe hoger het octaangehalte, hoe beter. De verbrandingsreactie noteren we als volgt: 2 C8H18 + 25 O2 → 16 CO2 + 18 H2O WEETJE Octaangehalte versus octaangetal aan de benzinepomp Er is een verschil tussen
IN
het octaangehalte en het
octaangetal. Het octaangehalte
duidt op de hoeveelheid octaan in benzine. Het octaangetal is
een maat voor de klopvastheid
van de brandstof (de mate waarin die brandstof in een brandstof-
luchtmengsel kan worden samengeperst zonder tot zelfontbranding te
N
komen). De cijfers 95 of 98 die je op de benzinepomp aantreft, geven het octaangetal weer.
Toepassing
©
VA
n-alkaan
methaan
ethaan
propaan
n-butaan
— brandstof om woningen te verwarmen — brandstof om woningen te verwarmen
— grondstof voor productie etheen, ethanol, ethaanzuur ... — brandstof om woningen te verwarmen
— in gasflessen voor campingvuurtjes en kookfornuis — brandstof om woningen te verwarmen
— in gasflessen voor campingvuurtjes en kookfornuis
Die 4 kleinste n-alkanen komen voor in ruwe aardolie, zijn gasvormig bij kamertemperatuur en licht ontvlambaar. Methaan vind je daarnaast ook in aardgas en in permafrost.
n-pentaan tot n-decaan zijn ook terug te vinden in ruwe aardolie, maar zijn vloeibaar bij kamertemperatuur. n-octaan wordt gebruikt als brandstof voor benzinemotoren. ` Maak oefening 9 t/m 12 op p. 120-121.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 2
103
HOOFDSTUK 3
LEERDOELEN Je kunt al:
IN
Enkele andere organische stofklassen en hun toepassingen
Een tweede stofklasse die we bespreken,
L enkelvoudige stoffen, anorganische samengestelde
zijn de alkenen. Die moleculen bevatten
stoffen en alkanen voorstellen m.b.v. de brutoformule;
L de naam formuleren van anorganische stoffen en alkanen als je de brutoformule krijgt; L het belang, voorkomen en toepassingen van Je leert nu:
niet elke koolstof is gebonden aan vier andere atomen. Er komen dus dubbele
bindingen voor tussen de koolstofatomen. We noemen alkenen daarom ook wel
L de naam van etheen en propeen geven o.b.v. een gegeven structuurformule of skeletnotatie en omgekeerd;
door een OH-groep noemt men alcoholen.
VA
gegeven structuurformule of skeletnotatie en omgekeerd;
L de naam van methaanzuur en ethaanzuur geven o.b.v. een gegeven structuurformule of skeletnotatie en omgekeerd;
L enkele toepassingen van etheen, propeen, methanol,
ethanol, methaanzuur en ethaanzuur uit het dagelijks leven en de industrie.
Stofklasse
onverzadigde koolwaterstofverbindingen. Alkanen waar een H-atoom vervangen wordt
L de naam van methanol en ethanol geven o.b.v. een
De functionele groep voor de alcoholen is dus de OH-groep. De carbonzuren bevatten zoals alcoholen ook C-, H- en O-atomen. Een alkaanzuur bevat echter 2 O-atomen en heeft als functionele groep de carboxylgroep (-COOH-groep), die zich steeds achteraan in de molecule bevindt.
Typisch kenmerk
alkanen
enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen
‘C - C’
alkenen
dubbele binding tussen een paar C-atomen
‘C = C’
alcoholen
H-atoom vervangen door -OH-groep
‘- OH’
carbonzuren
C-atoom gebonden aan een O-atoom en een OH-groep.
‘- COOH’
© 104
atomen, net zoals de alkanen. Maar
N
anorganische stoffen en alkanen bespreken.
meestal ook alleen koolstof- en waterstof-
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 3
1
Alkenen
Zoals bij de alkanen bevat de systematische naam van een alkeen alle informatie die nodig is om een formule te noteren: alkeen
=
aantal C-atomen (stam) dubbele binding tussen 1 paar C-atomen
=
IN
De kleinste alkenen zijn bijgevolg: Systematische naam
Structuurformule
etheen
CH2 = CH2
C2H4
CH2 = CH – CH3
C3H6
propeen
Skeletnotatie
of
CH3 – CH = CH2
WEETJE
Met alkenen zijn polymerisatiereacties mogelijk. Polymerisatie is het aaneen-
en meros. Poly betekent veel en meros deeltje.
schakelen van verschillende onverzadigde bouwsteentjes (de monomeren) tot
N
Polymerisatie komt van de Griekse woorden poly
Brutoformule
een lange molecule (het polymeer). Door kleine variaties in de monomeren ontstaan steeds andere polymeren met andere nuttige toepassingen.
VA
1.1 Etheen
Etheen vormt de basisgrondstof voor het polymeer polyetheen of PE. Tijdens
3D
de synthese worden de verschillende etheenmoleculen aan elkaar gehecht. We noemen etheen daarom het monomeer van polyetheen. Polyetheen, ook gekend onder de oudere naam poylethyleen, kent verschillende toepassingen, o.a. in het huishouden als afdekfolie en verpakkingsmateriaal (huisvuilzakken, plastic flesjes, vershoudfolie) of in de industrie, bijvoorbeeld mantels van elektrische kabels of gas-, drinkwater- en rioolwaterleidingen.
Afb. 59 Een molecule etheen
In de natuur speelt etheen een volledig andere rol. Het is namelijk een hormoon in planten en de aanwezigheid ervan stimuleert stofwisselings-
©
processen zodat vruchten beginnen te rijpen. Importeurs voeren vaak onrijp
Afb. 60 Bananen rijpen snellen door etheengas.
fruit in en laten het bij aankomst versneld rijpen door blootstelling aan etheengas. WEETJE UHPE (ultra high molecular weight polyetheen) is een minder bekende maar wel ijzersterke variant van polyetheen. De kunststof wordt gebruikt in nieuwe kogelwerende vesten. Hierdoor moeten ze niet meer voorzien worden van harde, geperste panelen of metalen delen. UHPE verbetert het bewegingsgemak en zorgt Afb. 61 Een kogelvrije vest bevat polyetheen.
voor een lichtere uitvoering.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 3
105
1.2 Propeen 3D
Afb. 62 Een molecule propeen
Afb. 63 Flesdopjes zijn gemaakt van propeen.
Propeen is de basisgrondstof voor de kunststof polypropeen (PP). Die
IN
kunststof wordt gebruikt bij de productie van yoghurtpotjes, flesdoppen en
tuinmeubels. Overheden zetten sterk in op de recyclage van die kunststoffen. Gerecycleerd PP kent bijvoorbeeld toepassingen in bloembakken en autoonderdelen.
De verschillende kunststoffen kun je op een verpakking herkennen op basis
N
van een Europese code:
ANDERE
VA
Afb. 64 Europese codes voor kunststoffen
2
Alcoholen
De organische stofklasse 'alcoholen' wordt gekenmerkt door een specifieke functie of functionele groep, namelijk de hydroxylfunctie of de OH-groep. De hydroxylfunctie in een alcohol neemt de plaats in van een waterstofatoom in een alkaan en is ook enkelvoudig gebonden aan dat koolstofatoom.
©
Alcoholen bezitten dus, zoals de hydroxiden uit thema 01, een OH-groep in de brutoformule. Maar ze zijn, ondanks de aanwezigheid van de OH-groep, geen hydroxiden. De OH-groep is covalent gebonden aan het niet-metaal koolstof. In een hydroxide ontstaat een ionbinding tussen de OH-groep en het metaalion. Hoe wordt de systematische naam van een specifiek alcohol nu gevormd? Voor de naamgeving van de alcoholen blijven de basisafspraken van de alkanen behouden: — De stam verwijst naar het aantal koolstofatomen.
— Het achtervoegsel ‘aan’ (verkort 'an') verwijst naar de aanwezigheid van uitsluitend enkelvoudige bindingen tussen de koolstofatomen.
— In de naam wordt de functionele groep (de hydroxylfunctie) aangegeven door het achtervoegsel ‘-ol’.
106
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 3
Dit jaar onthouden we de 2 alcoholen met de kortste structuur: Systematische naam
Structuurformule
methanol
CH3 – OH
ethanol
CH3 – CH2 – OH
WEETJE Hoe leid je uit een formule de systematische naam af? CH3 – OH
— stam = 1 C-atoom → METH
— aanwezigheid hydroxylgroep → OL
IN
— allemaal enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen → (A)AN De systematische naam van de molecule is methanol. CH3 – CH2 – OH
— stam = 2 C-atomen → ETH
— allemaal enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen → (A)AN
N
— aanwezigheid hydroxylgroep → OL
De systematische naam van de molecule is ethanol.
In de structuurformule wordt de hydroxylfunctie meestal apart weergegeven.
VA
CH3 – CH2 – OH
In de skeletnotatie worden de binding met de functionele groep én de OH-groep zelf volledig weergeven.
OH
Correcte formule?
Opmerking 1: We bekijken de structuurformule van ethanol: CH3 – CH2 – OH
Hierbij valt op dat het waterstofatoom apart wordt weergegeven bij het zuurstofatoom waar het een binding mee aangaat. CH3 – CH3O wordt dus niet toegepast als structuurformule om duidelijk de functionele groep
te benadrukken, omdat het simpelweg niet juist is. De structuurformule geeft weer welke atomen aan elkaar gebonden zijn; CH3 – CH3O zou betekenen dat aan het linkse C-atoom 3 H-atomen gebonden zijn en
©
1 C-atoom, en aan de rechtse C een C-atoom, 3 H-atomen én een O-atoom, wat uiteraard niet kan.
Opmerking 2: De binding tussen het koolstofatoom en de hydroxylfunctie moet niet worden weergegeven. De onderstaande voorstelling van ethanol is dus ook correct: CH3 – CH2OH
Opmerking 3: De molecule ethanol moet natuurlijk wel juist gelezen worden: de hydroxylfunctie is gebonden aan het tweede C-atoom (en dus niet aan de H-atomen). Een andere mogelijke weergave is dan ook: CH3 – CH2 |
OH Schrijf zeker niet: CH2 – OH – CH3
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 3
107
2.1 Methanol
3D
Methanol is een kleurloze, zeer giftige vloeistof (kookpunt 65 °C). Het kent verschillende toepassingen.
Afb. 65 Een molecule methanol
Je vindt het in de handel vooral als methylalcohol, (brand)spiritus of brandalcohol. Waarschijnlijk ken je methanol nog het best als brandstof voor de sfeervolle fonduestelletjes tijdens de kerstperiode. Sommige mensen gebruiken methanol om hun barbecue aan te steken, maar dat is geen goed vlam. Afb. 66 Methanol als brandstof in een fonduestel
IN
idee. Methanol is heel licht ontvlambaar en brandt met een bijna kleurloze
Er wordt momenteel heel wat wetenschappelijk onderzoek gedaan naar meer ecologische brandstoffen. Fijn stof maar vooral de CO2-uitstoot zorgt voor
milieuproblemen en klimaatverandering. De wetenschap focust zich daarbij
op het gebruik van nieuwe technologie (brandstofcellen), maar ook op nieuwe brandstoffen. Door bijvoorbeeld het gebruik van methanol als brandstof in
auto’s kan de CO2-uitstoot gehalveerd worden. Methanol wordt door middel
N
Afb. 67 Methanol als ecologische brandstof voor auto’s
van een ingenieus motorsysteem gesplitst in koolstof, waterstofgas en
zuurstofgas. Via brandstofcellen wordt er vervolgens energie geleverd voor de aandrijving van de wagen. Je leert alles over brandstofcellen in de derde graad.
VA
Methanol is heel goed oplosbaar in water en is een oplosmiddel voor organische stoffen, zoals lijmen, verven en vetten.
Afb. 68 Methanol als oplosmiddel voor verf
In de industrie wordt methanol gebruikt als grondstof voor het maken van
©
oplosmiddelen, kunststoffen (bv. bakeliet), kleurstoffen en geneesmiddelen.
Afb. 69 Methanol als grondstof voor het maken van geneesmiddelen
WEETJE
Tijdens de drooglegging in de Verenigde Staten stookten mensen massaal illegaal alcohol. Er ontstond methanol tijdens de bereiding. Omdat het allemaal stiekem moest verlopen, gebeurde dat proces tijdens de nacht, bij maanlicht. Moonshine is in de Verenigde Staten dan ook een gekende uitdrukking voor illegaal gestookte sterke drank. Methanol is heel giftig. Het wordt in ons lichaam omgezet tot methanal of formol. Die chemische stof maakt het enzym dat nodig is voor het metabolisme in het netvlies, inactief en tast de oogzenuw aan, met blindheid tot gevolg. Eén slok methanol kan bovendien dodelijk zijn.
108
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 3
2.2 Ethanol
3D
Ethanol is een kleurloze vloeistof (kookpunt 78 °C) die zich in alle verhoudingen mengt met water.
Afb. 70 Een molecule ethanol
Wat men in de omgangstaal met ‘alcohol’ bedoelt, is bijna altijd ethanol. Daarom duiden we het vaak aan met de naam ‘gewone alcohol’. Het is één van
IN
de oudst bekende stoffen.
Afb. 71 Ethanol is een synoniem voor alcohol.
Het bekendste bereidingsproces van ethanol wordt gebruikt bij de productie van alcoholische dranken, zoals bier. Via een ingewikkeld proces wordt
glucose vrijgemaakt uit granen, vooral uit gerst. Gistcellen gebruiken die
glucose als voedingsbron en breken het (in de afwezigheid van zuurstofgas) af tot ethanol en koolstofdioxide:
N
Afb. 72 Ethanol ontstaat bij de productie van bier.
C6H12O6 → 2 C2H5OH + 2 CO2 ↑
glucose → ethanol + koolstofdioxide
©
VA
WEETJE
Het alcoholgebruik bij jongeren is de laatste jaren sterk toegenomen. Vooral het bingedrinken (meer dan 5 alcoholconsumpties op korte tijd voor mannen en 4 voor vrouwen) komt meer en meer voor. Jongeren spreken vooral over ‘comazuipen’.
Afb. 73 Jongere is bewusteloos door alcoholgebruik.
Alcohol wordt nog steeds sociaal aanvaard als genotsmiddel. Er bestaat echter een onmiskenbare relatie tussen alcoholgebruik en het aantal verkeersdoden. Ook alcoholisme komt meer en meer voor en dat in alle lagen van de bevolking. De overheid probeert dan ook het alcoholgebruik bij de bevolking opnieuw te verlagen. Een rechter kan tegenwoordig zelfs een alcoholslot laten plaatsen in de auto van een chauffeur die regelmatig wordt betrapt op dronken rijden. Pas wanneer een alcoholtest negatief is,
Afb. 74 Alcoholcontrole bij bestuurders
kan de chauffeur zijn auto starten.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 3
109
Ethanol wordt ook gebruikt als ontsmettingsmiddel. Volgens de aanbevelingen van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) moeten desinfecterende hydroalcoholische Afb. 75 Ethanol als ontsmettingsmiddel
oplossingen, bedoeld voor gebruik in de gezondheidszorg, ten minste 70 % ethanol bevatten om doeltreffend te zijn tegen bacteriën en bepaalde virussen. Onder de naam biobrandstof wordt ethanol ook steeds meer gebruikt als
IN
energiebron voor wagens. Soms wordt in
auto’s ook een mengsel van verschillende brandstoffen gebruikt, bv. 60 % ethanol,
Afb. 76 Ethanol als brandstof
33 % methanol en 7 % benzine.
Ethanol wordt ook ingezet als oplosmiddel,
N
bijvoorbeeld in cosmetica en parfums.
Afb. 77 Ethanol als oplosmiddel voor cosmetica en parfum
WEETJE
VA
Tijdens het gistingsproces kan het alcoholgehalte maar tot (ongeveer) 14 % gebracht worden, aangezien we niet in staat zijn om dranken met een nog hogere concentratie te maken. Voor de productie van sterkere dranken (bv. cognac 40-60 %) maakt men gebruik van destillatie om het alcoholgehalte te verhogen. Zo worden sterke dranken, zoals jenever, cognac en whisky, gemaakt. Omdat er in de industrie ook ethanol wordt gebruikt en men de accijnzen wilt ontwijken, worden vaak andere chemische stoffen zoals methanol toegevoegd aan de ethanol. Die gedenatureerde alcohol is ondrinkbaar en kan dus accijnsvrij door de industrie worden
©
aangekocht. De methanol en andere toevoegingen zijn zelfs door
110
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
destillatie heel moeilijk te verwijderen.
HOOFDSTUK 3
3
Carbonzuren
De organische stofklasse 'carbonzuren' wordt gekenmerkt door een specifieke functie of functionele groep, namelijk de carboxylfunctie of de COOH-groep:
C
O O H
Carbonzuren bezitten dus, zoals de hydroxiden uit thema 01, een OH-groep in de brutoformule. Maar ze zijn, ondanks de aanwezigheid van de OH-groep,
IN
geen alcoholen of hydroxiden. De OH-groep is namelijk covalent gebonden aan een koolstofatoom dat ook nog een dubbel gebonden zuurstofatoom heeft.
Hoe wordt de systematische naam van een specifiek carbonzuur gevormd? Voor de naamgeving van de carbonzuren blijven de basisafspraken van de alkanen behouden:
N
— De stam verwijst naar het aantal koolstofatomen.
— Het achtervoegsel ‘aan’ verwijst naar de aanwezigheid van uitsluitend enkelvoudige bindingen tussen de koolstofatomen.
— In de naam wordt de functionele groep (de carboxylfunctie) aangegeven door het achtervoegsel ‘zuur’.
— Er wordt geen positiecijfer genoteerd, omdat we de nummering van de
©
VA
keten starten aan de kant van de carboxylfunctie.
Dit jaar onthouden we de 2 kleinste carbonzuren: Systematische naam
Structuurformule
Triviale naam
methaanzuur
HCOOH
mierenzuur
ethaanzuur
CH3 – COOH
azijnzuur
WEETJE
Hoe leid je uit een formule de systematische naam af? H – COOH
— stam = 1 C-atoom → METH
— allemaal enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen → (A)AN — aanwezigheid carboxylgroep → ZUUR
De systematische naam van de molecule is methaanzuur. CH3 – COOH
— stam = 2 C-atomen → ETH
— allemaal enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen → (A)AN — aanwezigheid carboxylgroep → ZUUR
De systematische naam van de molecule is ethaanzuur. Merk op dat het koolstofatoom uit de carboxylfunctie wordt meegeteld in de stamnaam. GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 3
111
3.1 Methaanzuur 3D
Afb. 78 Een molecule methaanzuur
Afb. 79 Een mier spuit methaanzuur of mierenzuur.
Methaanzuur is een kleurloze vloeistof met een prikkelende geur die de huid
IN
kan aantasten. Misschien denk je dat je methaanzuur niet kent, maar je bent zeker weleens gebeten door een mier. De irriterende jeuk die je dan voelt, wordt veroorzaakt door de chemische stof die het insect op je huid spuit: methaanzuur. Daarom spreken we ook van mierenzuur. Mierenzuur komt ook voor in de haren van de brandnetel en is verantwoordelijk voor het
brandende gevoel als je huid met die plant in
N
contact komt.
Afb. 80 In de haren van de brandnetel zit mierenzuur.
WEETJE
In het verleden onttrokken leerlooiers mierenzuur aan mierennesten;
VA
men meende toen dat het de urine van mieren was om de huiden te bewerken. Naast mieren gebruiken nog andere insecten, zoals bijen en wespen, mierenzuur om zich te verdedigen.
3.2 Ethaanzuur
©
3D
Net als methaanzuur is ethaanzuur een kleurloze vloeistof met een prikkelende geur. Door de langere koolstofketen heeft het een iets hoger kookpunt dan methaanzuur. De triviale naam is azijnzuur. Zuiver ethaanzuur wordt ook ijsazijn
Afb. 81 Een molecule ethaanzuur.
genoemd. Het stolt bij 17 °C en heeft dan het uitzicht van ijs. Keukenazijn is een verdunde oplossing (5-8 %) van ethaanzuur. Het wordt o.a. gebruikt om mayonaise en vinaigrettes te maken. In de Oosterse keuken wordt vaak gebruikgemaakt van rijstazijn van
Afb. 82 In keukenazijn zit een verdunde oplossing van ethaanzuur.
112
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 3
gefermenteerde rijst.
Azijn wordt ook gebruikt als conserveermiddel voor voedingswaren. Op de verpakking vind je het terug onder de code als bewaarmiddel: E260. Enkele voedingswaren worden zelfs bewaard in een
ontdekplaat: organische stofklassen
Afb. 83 Augurken worden bewaard in een azijnzuuroplossing.
volledige azijnzuuroplossing: augurken, haring, olijven en uien. De kenmerkende zure smaak herken je zeker.
OPDRACHT 16 ONDERZOEK
Ga naar
en voer het labo uit.
IN
Onderzoek de pH-waarden van organische en anorganische stoffen.
N
ORGANISCHE STOFFEN
ALKANEN
ALKENEN
ALCOHOLEN
CARBONZUREN
bestaan enkel uit
bestaan enkel uit C-en
bestaan uit C,H,O-atomen;
bestaan uit C,H,O-atomen;
C-en H-atomen
H-atomen; bevat een
bevat een OH-groep
bevat een COOH-groep
VA
dubbele binding
vertakt
onvertakt
— Etheen
CH2 = CH2
• grondstof voor
CH3 – OH
• oplosmiddel
polyetheen (PE)
• grondstof voor
— Propeen
CH3 – CH = CH2
• grondstof voor de kunststof
polypropeen (PP)
— Methaanzuur H – COOH
• brandstof (spiritus)
de kunststof
• plantenhormoon
©
— Methanol
• triviale naam: mierenzuur • zuur bij verdediging
oplos-middelen, kunststoffen …
insecten • plantenextract (netels)
• ecologische
• gebruikt bij het looien
brandstof (auto)
— Ethanol
van leer — Ethaanzuur
CH3 – CH2 – OH
CH3 – COOH
• drankalcohol
• triviale naam: azijnzuur
• ontsmettingsmiddel
• conserveermiddel
• oplosmiddel • brandstof
` Maak oefening 13 t/m 15 op p. 121.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
HOOFDSTUK 3
113
THEMASYNTHESE
ORGANISCHE STOFKLASSEN — bindingsmogelijkheden C-atoom: 4 bindingen, niet noodzakelijk 4 bindingspartners — soorten formules: brutoformule, (beknopte) structuurformule, skeletnotatie
kennisclip
— telwoorden stam naamgeving (indicatie voor het aantal C-atomen): 1 - 2 - 3 - 4 - 5 - 6 - 7 - 8 - 9 - 10
meth-eth-prop-but-pent-hex-hept-oct-non-dec
ALKANEN — bestaan enkel uit C-en H-atomen — enkelvoudige bindingen
— naamgeving en formulevorming alkanen: ALK = stam (aantal C-atomen)
•
AAN (= alleen maar enkelvoudige bindingen tussen de C-atomen) n-alkaan
methaan
IN
•
Toepassing
— brandstof om woningen te verwarmen
— brandstof om woningen te verwarmen
ethaan
— grondstof voor productie etheen, ethanol, ethaanzuur …
— brandstof om woningen te verwarmen
n-butaan
N
propaan
— in gasflessen voor campingvuurtjes en kookfornuis — brandstof om woningen te verwarmen
— in gasflessen voor campingvuurtjes en kookfornuis
Die 4 kleinste n-alkanen komen voor in ruwe aardolie, zijn gasvormig bij kamertemperatuur en licht ontvlambaar.
VA
Methaan vind je daarnaast ook in aardgas en in de permafrost.
n-pentaan tot n-decaan zijn ook terug te vinden in ruwe aardolie, maar zijn vloeibaar bij kamertemperatuur.
©
n-octaan wordt gebruikt als brandstof voor benzinemotoren.
114
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
THEMASYNTHESE
THEMASYNTHESE
ALKENEN
ALCOHOLEN
CARBONZUREN
Kenmerken — bestaan enkel uit C-en
— bestaan uit C-,H- en O-atomen
— bestaan uit C-,H- en O-atomen
— bevat een dubbele binding
— bevat een OH-groep
— bevat een COOH-groep
H-atomen
Eigenschappen, voorkomen en toepassingen in het dagelijks leven Methanol
Methaanzuur
CH2 = CH2
CH3 – OH
H – COOH
— grondstof voor de kunststof
— brandstof (spiritus)
— triviale naam: mierenzuur
Propeen
Ethanol
CH3 – CH = CH2
— ecologische brandstof (auto)
CH3 – CH2 – OH
CH3 - COOH
— grondstof voor de kunststof
— drankalcohol
— triviale naam: azijnzuur
polyetheen (PE)
— plantenhormoon
— oplosmiddel
— grondstof voor oplosmiddelen, kunststoffen, …
— zuur bij verdediging insecten — plantenextract (netels)
— gebruikt bij het looien van leer Ethaanzuur
N
polypropeen (PP)
IN
Etheen
— ontsmettingsmiddel — oplosmiddel
©
VA
— brandstof
— conserveermiddel
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
THEMASYNTHESE
115
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis — Ik kan verzadigde en onverzadigde koolstofverbindingen definiëren en van elkaar onderscheiden.
— Ik ken het begrip koolwaterstoffen.
— Ik kan de brutoformule van een organische stof geven op basis van naam, structuurformule of skeletnotatie.
— Ik kan de beknopte en uitgebreide structuurformule van een organische stof geven op basis van een naam of skeletnotatie.
— Ik kan de skeletnotatie of zaagtandstructuur van een organische stof geven op
IN
basis van een naam of structuurformule.
— Ik kan organische stoffen indelen als alkanen, alkenen, alcoholen of carbonzuren. — Ik kan de hydroxylfunctie en carboxylfunctie als functionele groepen herkennen. — Ik ken eigenschappen, voorkomen en toepassingen van alkanen.
— Ik kan de structuurformule of skeletnotatie van etheen, propeen, methanol, ethanol, methaanzuur en ethaanzuur geven vanuit de systematische naam.
— Ik kan de systematische naam van etheen, propeen, methanol, ethanol,
methaanzuur en ethaanzuur geven vanuit de skeletnotatie of structuurformule.
— Ik ken eigenschappen, voorkomen en toepassingen van etheen, propeen,
N
methanol, ethanol, methaanzuur en ethaanzuur.
2 Onderzoeksvaardigheden
— Ik kan organische stoffen classificeren als alkanen, alkenen, alcoholen of carbonzuren op basis van een gegeven formule.
— Ik kan organische stoffen classificeren als alkanen, alkenen, alcoholen of
VA
carbonzuren op basis van een naam.
— Ik kan van de laagste 10 n-alkanen de naam vormen als de formule gegeven is. — Ik kan van de laagste 10 n-alkanen de formule vormen als de naam gegeven is. invullen bij je Portfolio.
©
` Je kunt de checklist ook op
116
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
CHECKLIST
CHECK IT OUT
Klein verschil, grote gevolgen. 1
In de CHECK IN stelden we de vraag of de alcohol die je drinkt, ethanol of methanol is. Weet je ondertussen het antwoord? a
Welke stof zit in alcoholische drank?
c
En wat is er identiek bij beide stoffen?
IN
b Wat is precies het verschil tussen methanol en ethanol?
d Schrijf hieronder de structuurformule van beide stoffen: Stof ethanol e
N
methanol
Structuurformule
Je weet nu welke systematische naam bij alcoholische drank hoort. Kun je ook een toepassing geven van de andere stof?
VA
Scan de QR-code en bekijk de video over brandend geld. a
Welke stoffen werden gebruikt om het geld in te dompelen?
video: brandend geld
b Werkt de proef ook met andere stoffen denk je? Leg uit.
©
2
!
Bij het vormen van de naam en de formule van organische stoffen komt heel wat logica kijken. Net zoals bij de anorganische stofklassen krijgt elke stof een unieke, universele naam en formule. Hoewel de naam kan verschillen in andere talen, blijven de formule of symbolen overal ter wereld gelijk. Daarnaast heeft elke stof (en stofklasse) zijn eigen toepassingen en eigenschappen. Zo wordt bijvoorbeeld methaan gebruikt als brandstof, terwijl methaanzuur voorkomt in de haren van de brandnetel wat zorgt voor jeuk.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
CHECK IT OUT
117
AAN DE SLAG
1
Lees de volgende stellingen. Vermeld of ze juist (J) of fout (F) zijn. Verbeter de onderlijnde tekst indien fout. a
In een organische verbinding heeft elk koolstofatoom vier bindingspartners.
b Bij een organische stof wordt tussen een C- en H-atoom steeds een enkelvoudige binding gevormd.
c
CH2 – CH2 – CH2 – CH2 is een juiste weergave van een organische verbinding met alleen enkelvoudig gebonden C- en H-atomen.
IN
d CH2 = CH – CH2 – CH3 is een juiste weergave van een organische verbinding met enkel C- en H-atomen en één dubbele binding.
2
Noteer de brutoformule en skeletnotatie van de onderstaande stoffen. Structuurformule van de verbinding
N
a
Brutoformule van de verbinding
CH3 – CH2 – CH3
Skeletnotatie van de verbinding
b CH3 – (CH2)4 – CH3
VA
c
CH3 – CH2 – CH2OH
d CH2 = CH – CH2 – CH3 e
3
CH3 – CH2 – CH2 – CH = CH – CH3
Geef de brutoformule, structuurformule en/of skeletnotatie van de onderstaande stoffen. Vraag a werd al
©
ingevuld als voorbeeld.
Brutoformule van de verbinding
a
CH3 – CH2 – CH2 – CH2 – CH3
b
d
CH3 – COOH
c
118
C5H12
Structuurformule van de verbinding
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
CH3 – CH2 – CH = CH – (CH2)3 – CH3
AAN DE SLAG
Skeletnotatie van de verbinding
4
Binnen de organische verbindingen komen de stofklassen alkanen en alkenen voor. Waarin verschillen die 2 stofklassen van elkaar?
5
Plaats de onderstaande koolstofverbindingen in de juiste stofklasse (alkaan, alkeen, alcohol of carbonzuur). Koolstofverbinding (systematische naam, structuurformule of skeletnotatie) hexaan
IN
a b c
CH2 = CH – CH2 – CH3
O
d
OH f
nonaanzuur
N
e
H H
H C C O H H H methanol
VA
g
Stofklasse
6
Plaats de volgende stoffen in de juiste kolom en vermeld elke keer de stofklasse waartoe de stof behoort: CO2 – CH3OH – NaOH – NH4OH – HCOOH – C3H8 – H2CO3 – Al(OH)3
Anorganische stoffen
Stoffen
Stofklasse
Stoffen
©
7
Stofklasse
Organische stoffen
Beoordeel de stellingen. Vermeld of ze juist (J) of fout (F) zijn.
Een organische stof bestaat alleen uit C- en H-atomen.
Een organische stof bevat alleen atoombindingen.
Een organische stof bevat minstens één C-atoom.
Een organische stof bevat alleen enkelvoudige bindingen.
Een organische stof behoort tot de levenloze materie.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
AAN DE SLAG
119
Geef de systematische naam, structuurformule, skeletnotatie en/of brutoformule van de gegeven alkanen. Systematische naam a
propaan
Brutoformule
CH3 – (CH2)3 – CH3
CH3 – CH3
e
n-butaan
f
CH3 – (CH2)6 – CH3
c
d
g
h
CH3 – (CH2)8 – CH3
Koppel de juiste alkanen aan de juiste toepassing(en) of het juiste voorkomen. 1 ethaan
•
2 propaan
•
3 methaan
•
• a komt voor in de permafrost van Siberië
N
10
Skeletnotatie
b
9
Structuurformule
IN
8
• b grondstof voor ethanol (drankalchohol) • c campinggas
Geef de aggregatietoestand van de gegeven alkanen bij 21 °C en -10 °C. In de grafiek zie je de smelt- en
VA
kookpunten van n-alkanen in functie van het aantal koolstofatomen in de keten. a
octaan
b propaan
butaan
©
c
11
Methaan wordt gebruikt als brandstof. Uit het derde jaar weten we dat verbranden eigenlijk het reageren met zuurstofgas is. Schrijf nu zelf de verbrandingsreactie.
120
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
AAN DE SLAG
12
Schrijf de verbrandingsreactie van octaan. Wat heeft autorijden met het versterkt broeikaseffect te maken?
13
Vul de volgende tabel aan. Systematische naam
Structuurformule
CH4
CH3 – CH2 – CH3
ethaan
IN
n-butaan
CH3 – (CH2)3 – CH3
n-hexaan
CH3 – (CH2)5 – CH3
n-octaan
CH3 – (CH2)7 – CH3
N
n-decaan
CH3OH
ethanol
HCOOH
ethaanzuur
VA
14
Schrijf hieronder de reactievergelijkingen van de volgende verbrandingsreacties. Volledige verbranding
n-butaan
methanol
Vul de tabel met toepassingen van organische stoffen verder aan.
©
15
Organische stof
Structuurformule
CH3COOH
CH3OH
CH4
Toepassing
Systematische naam
methaanzuur
n-butaan
` Meer oefenen? Ga naar GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
AAN DE SLAG
121
Notities
VA
N
IN
©
122
GENIE Chemie 4.2 THEMA 02
THEMA 03
CHEMISCH REKENEN mosterd
IN
zout
suiker
ei
©
VA
N
olie
citroensap
CHECK IN
Meten is weten? Goede mayonaise maken is niet gemakkelijk! Wil je het zelf eens proberen? Doe 4 eierdooiers in een maatbeker. Voeg er 1 eetlepel mosterd, 1 eetlepel azijn en een snuifje zout aan toe. Klop of mix dat door elkaar met de staafmixer. Voeg nu traag, beetje bij beetje, 4 dL olie toe tot het geheel een homogeen mengsel vormt. De zelfgemaakte mayonaise serveer je bijvoorbeeld bij frieten, smakelijk!
IN
Om zelf mayonaise te maken, is het belangrijk om de juiste hoeveelheden van de ingrediënten af te meten: 4 eierdooiers, 1 eetlepel mosterd, een snuifje zout …
mosterd
N
zout
suiker
VA
ei
olie
citroensap
©
Eenheden zoals een ‘snuifje’ of een ‘eetlepel’ zullen we echter in de chemielessen niet gebruiken. In de keuken kun je nog spelen met de hoeveelheden van ingrediënten, in de chemie is dat niet zo. Reagentia moeten in zeer nauwkeurige hoeveelheden worden samengevoegd. Zonder dat je het goed beseft, heb je als een echte chemicus misschien al vaak over concentraties van oplossingen nagedacht, iets wat tijdens het experimenteren in een labo heel vaak gebeurt.
?
` Hoe kun je te weten komen welke hoeveelheden van stoffen met elkaar reageren? ` En hoe ga je die stofhoeveelheden afwegen? De massa van atomen is immers veel te klein. We zoeken het uit!
124
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
CHECK IN
VERKEN
Een hoeveelheid stof afmeten OPDRACHT 1
Hoe meten we een hoeveelheid stof of stofhoeveelheid? 1
Weeg 4 g keukenzout af met de balans. In welke eenheid lees je de stofhoeveelheid op de weegschaal af?
2
3
Meet 50 mL water af in een maatcilinder. In welke eenheid lees je het volume van een vloeistof af?
IN
Breng de 50 mL water over in een erlenmeyer en los er de 4 g keukenzout in op. Kun je een eenheid bedenken om aan te duiden hoeveel keukenzout er opgelost is?
Hoewel we een aantal gram van een vaste stof wel vrij
nauwkeurig kunnen meten, moeten we nog het verband proberen te leggen met het aantal deeltjes van die stof,
N
want de voorgetallen in een reactievergelijking leren ons enkel hoeveel deeltjes van het ene reagens reageren
met hoeveel deeltjes van het andere reagens. Ook bij
vloeistoffen is dat een probleem: 1 druppel water bevat bijvoorbeeld al oneindig veel moleculen water. Hoewel
we een volume water vrij exact kunnen afwegen, moeten
VA
we dat nog kunnen uitdrukken in het aantal moleculen water.
Om stoffen beter te doen reageren, werken we in de chemie vaak met oplossingen. Maar dan hebben we
nog een probleem: de massa van de oplossing afwegen of het volume van de oplossing afmeten zal ons nooit
hoge druk – laag volume
leiden tot de hoeveelheid stof die daarin werd opgelost.
Ten slotte zijn er de gasvormige stoffen. Ook hier kunnen we alweer een bepaald volume afmeten, maar hoeveel
©
gasdeeltjes zijn dat dan? Bovendien is het volume van een bepaalde hoeveelheid gas afhankelijk van andere
lage druk – hoog volume
parameters zoals druk en temperatuur. We leren in dit thema voor elke stof, in eender welke aggregatietoestand, een verband te leggen tussen de stofhoeveelheid en de massa of het volume. Eenmaal we zover zijn, kunnen we precies berekenen welke stofhoeveelheden van de reagentia moeten worden samengevoegd om een reactie optimaal te laten verlopen, zonder dat er verspilling optreedt.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
VERKEN
125
HOOFDSTUK 1
Atoommassa, molecuulmassa, formulemassa LEERDOELEN Je kunt al: hoeveelheid protonen (Z) en neutronen (N), uitgedrukt in unit.
IN
L de massa van een atoom berekenen uit de
Het atoom is het kleinste deeltje dat nog alle
Je leert nu:
eigenschappen van het element bezit. Niet-metalen
L het verband aantonen tussen de relatieve en absolute massa van atomen;
binden via atoombinding tot moleculen, tot zuren en niet-metaaloxiden bijvoorbeeld. Metalen en
L de molecuulmassa van een molecuulverbinding
niet-metalen binden onderling via een ionbinding. De metaaloxiden, de hydroxiden en de zouten
de atoommassa’s berekenen.
binden op die manier, zoals je in thema 01 al hebt
N
of de formulemassa van een ionverbinding uit
geleerd.
Atoommassa
VA
1
Je weet al dat het gecombineerde atoommodel van Bohr-Rutherford een atoom beschrijft met een kern, bestaande uit neutronen en protonen, en schillen met elektronen rond die kern. — Atomen van hetzelfde element hebben altijd hetzelfde aantal
3D elektronenschillen
elektronen
protonen en elektronen, maar kunnen een verschillend
©
aantal neutronen bevatten.
— De relatieve atoommassa Ar
van een element is de verhouding
protonen en neutronen
tussen de absolute atoommassa
Afb. 84 Het schillenmodel van Bohr-Rutherford
en de eenheidsmassa (u).
Een proton heeft een massa van 1,6726231 · 10-27 kg, net iets minder dan de massa van een neutron. De massa van een elektron is verwaarloosbaar klein: slechts
1 van de massa van een proton. Om het rekenen wat te 2 000
vereenvoudigen, werd de unit (u) als eenheid gedefinieerd:
126
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 1
— De unit is de standaard om massa aan te duiden op atomair of moleculair niveau. Het werd gedefinieerd als 1 de van de massa van het 12C-isotoop 12 en bedraagt 1,66 · 10−27 kg. — Bij benadering kunnen we de unit gelijkstellen aan de massa van een proton of aan die van een neutron.
Vorig jaar leerde je al dat het volstaat om de massa van het aantal protonen en neutronen van een atoom samen te tellen om het massagetal te berekenen: — De massa van het atoom (massagetal A) is de som van het aantal protonen (Z) en van het aantal neutronen (N).
X
A Z
IN
A (massagetal) = Z (aantal protonen) + N (aantal neutronen)
VOORBEELD ABSOLUTE ATOOMMASSA BEREKENEN
We berekenen de absolute atoommassa, uitgedrukt in unit, van een magnesiumatoom met 12 neutronen: 24
Mg heeft 12 protonen (Z) en dus 12 (A-Z) neutronen. De massa is dus:
N
A = Z + N = 24 u
Omgerekend naar kg is dat dan: Aa(Mg) = 24 u · 1,66 · 10−27 kg = 4 · 10-26 kg u
Zo’n kleine massa is onmeetbaar voor om het even welk instrument. Daar moeten we een oplossing voor vinden.
©
VA
Bovendien kunnen atomen van hetzelfde chemische element, dus met hetzelfde aantal protonen, een verschillend aantal neutronen in de kern hebben. Zo zullen niet alle magnesiumatomen 12 neutronen in de kern hebben. We spreken in dat geval over isotopen. Als er meerdere isotopen bestaan van eenzelfde element, dan kunnen we de atoommassa van een element niet zomaar gelijkstellen aan die van één bepaalde isotoop. We moeten de atoommassa van een element dan bepalen door rekening te houden met het procentueel voorkomen van elke isotoop. We spreken dan over de gemiddelde relatieve atoommassa. We ronden in berekeningen de gemiddelde relatieve atoommassa <Ar> steeds af op 1 cijfer na de komma.
De gemiddelde relatieve
atoomnummer (Z)
atoommassa is het ‘gewogen gemiddelde’ van alle relatieve atoommassa’s van de voorkomende isotopen. In het PSE wordt bij elk element <Ar> vermeld.
elektronegatieve waarde (EN) 12
symbool naam
1,2
Mg magnesium
24,31
gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>)
Afb. 85 De gemiddelde relatieve atoommassa van magnesium
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 1
127
2
Molecuulmassa
Je weet nu hoe de massa van een atoom wordt berekend, maar hoe bereken je de massa van een molecule die uit verschillende soorten atomen bestaat? Vergelijk het met een zak snoepjes: om de totale massa van de snoepjes te berekenen zul je de massa van elk soort snoepje moeten kennen en het aantal snoepjes per soort. Ook moleculen bestaan uit een welbepaalde combinatie van meerdere
IN
atomen. Die atomen kunnen tot verschillende elementen behoren.
Om de gemiddelde massa van een molecule of de molecuulmassa te
berekenen, volstaat het de som te nemen van de gemiddelde atoommassa's van alle atomen in de molecule.
VOORBEELD MOLECUULMASSA BEREKENEN De molecuulmassa van 1 molecule
N
zwavelzuur (H2SO4) bestaat uit:
— 2 waterstofatomen — 1 zwavelatoom
— 4 zuurstofatomen
Afb. 86 Zwavelzuur
VA
m(H2SO4) = (2 · 1,0 u) + (1 · 32,1 u) + (4 · 16,0 u) = 98,1 u
Uitgedrukt in kg is dat: m = 98 · 1 u · 1,66 · 10−27
kg = 1,63 · 10-25 kg u
OPDRACHT 2
Bereken de massa van 1 molecule salpeterzuur (HNO3).
Gegeven: HNO3
Gevraagd: m(HNO3) Oplossing:
©
Afb. 87 Salpeterzuur
128
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 1
3
Formulemassa
In een verbinding opgebouwd uit metalen en niet-metalen worden de gevormde ionen samengehouden door een ionbinding. Die stof noemen we een ionverbinding. Voor ionverbindingen kunnen we dezelfde methode toepassen, alleen gebruiken we nu de formule-eenheid: de steeds wederkerende eenheid uit het ionrooster. Zouten vormen bijvoorbeeld geen aparte moleculen. We spreken hier dan
IN
ook beter over de formule-eenheidsmassa of kortweg de formulemassa. Die
wordt bepaald door de som van de gemiddelde massa’s van de ionen die we
uit die formule-eenheid nemen. De berekening van de formulemassa verloopt analoog aan die van de molecuulmassa. We maken geen onderscheid tussen de massa van een ion en een atoom. Het verschil tussen beide is namelijk maar een aantal elektronen meer of minder, en elektronen hebben een verwaarloosbare massa.
N
VOORBEELD FORMULE-EENHEID NATRIUMSULFAAT (Na2SO4)
m(Na2SO4) = (2 · 23,0 u) + (1 · 32,1 u) + (4 · 16,0 u) = 142,1 u
Uitgedrukt in kg is dat:
kg = 2,36 · 10-25 kg u
VA
m = 142,1 u · 1,66 · 10−27
Afb. 88 Natriumsulfaat
OPDRACHT 3
Bereken de massa van 1 formule-eenheid magnesiumcarbonaat (MgCO3) in unit en in kilogram.
Gegeven: MgCO3
Gevraagd: m(MgCO3) met eenheid u en kg
Oplossing:
©
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 1
129
— massagetal (A) = som van het aantal protonen en neutronen
— gemiddelde relatieve atoommassa (<Ar>) = gewogen gemiddelde van de atoommassa's van de voorkomende isotopen
— molecuulmassa = som van de atoommassa's van de samenstellende atomen
— formulemassa = som van de massa's van de ionen in de formuleeenheid
IN
` Maak oefening 1 t/m 4 op p. 167.
Opnieuw merken we dat de massa van een molecule of formule-eenheid
onmeetbaar klein is, net als de atoommassa. Hoe meten we het dan wel?
©
VA
N
We zoeken een oplossing!
130
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 1
HOOFDSTUK 2
De mol en het getal van Avogadro LEERDOELEN Je kunt al:
6,02 · 1023 atomen in 12 gram koolstof
berekenen, uitgedrukt in unit. Je leert nu:
IN
L de atoommassa, molecuulmassa en formulemassa
L uitleggen met voorbeelden wat een mol materie is met behulp van de constante van Avogadro;
L op basis van een gegeven formule, uit een gegeven massa de stofhoeveelheid in mol berekenen en omgekeerd;
onmeetbaar klein. Er moet dus worden overgegaan naar een veelvoud moleculen of formule-
eenheden, zodat we de massa wel kunnen afmeten met dagdagelijkse meetapparatuur. Geen enkel
meetinstrument is immers in staat om, met zo’n
precisie, zo’n kleine massa te meten. We moeten
N
L het verband tussen stofhoeveelheid en molaire massa toepassen.
De massa van een molecule of formule-eenheid is
op een of andere manier naar de eenheid gram kunnen overstappen.
De mol als eenheid en de molaire massa
VA
1
OPDRACHT 4
Vul kolom 3 van de tabel aan met het juiste aantal eenheden.
©
Voorwerp
Verzamelnaam
Aantal deeltjes
een paar schoenen
een dozijn eieren
een bak bier
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 2
131
Voorwerp
Verzamelnaam
een riem papier
in de chemie:
6,02 · 1023
IN
1 mol keukenzout
Aantal deeltjes
De mol is de hoeveelheid materie die evenveel deeltjes bevat (atomen, moleculen …) als er atomen zijn in 12 gram van het 12C-isotoop. Talloze
experimenten tonen aan dat 1 mol = 6,02 · 1023 deeltjes. Dat aantal is beter
gekend als het getal van Avogadro (NA), vernoemd naar de Italiaanse fysicus
N
Amadeo Avogadro.
Als we het getal samen met zijn eenheid beschouwen, spreken we over de constante van Avogadro: 6,02 · 1023 deeltjes mol
VA
WEETJE
Mol komt van het Latijnse woord moles wat ‘stapel’ of ‘hoop’ betekent.
Welke soort materie je ook wilt afmeten, het gaat telkens over hetzelfde aantal deeltjes. Het aantal mol slaat dus op het aantal deeltjes van een stof. Dat kunnen erg zware atomen zijn (zoals uranium) maar ook erg lichte atomen (zoals waterstof). We gebruiken het symbool ‘n’ om het aantal mol (de stofhoeveelheid) aan te duiden, maar de getalwaarde van de constante
©
van Avogadro heeft nog een groter voordeel. Dat wordt zo dadelijk duidelijk.
132
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
Een hoeveelheid van een stof kunnen we dus op meerdere manieren omschrijven: — via de massa van die stof (m), uitgedrukt in gram (g)
— via het aantal deeltjes van die stof (N), uitgedrukt in het aantal moleculen, atomen, formule-eenheden …
— via het aantal mol van die stof (n), uitgedrukt in mol
HOOFDSTUK 2
De mol is een eenheid, een verzameling van NA of 6,02 · 1023 deeltjes. Stofhoeveelheid
Symbool
Eenheid
deeltjesaantal
N
deeltjes
massa
m
g
molhoeveelheid
n
mol
constante van Avogadro
NA
IN
deeltjes mol
Let op: De hoeveelheid mol gaat over een gigantisch groot aantal deeltjes! Zoals je weet, maken 6 nullen een miljoen, 1 000 miljoen is een miljard.
Verder is 1 000 miljard een biljoen, 1 000 biljoen is een biljard en 1 000 biljard is een triljoen. 1 000 triljoen is dan weer een triljard. We komen dus aan 602 triljard deeltjes in 1 mol.
106 = 1 000 000
109 = 1 000 000 000
10 = 1 000 000 000 000
N
12
1015 = 1 000 000 000 000 000
1018 = 1 000 000 000 000 000 000
1021 = 1 000 000 000 000 000 000 000
VA
OPDRACHT 5
Schrijf nu zelf het getal van Avogadro voluit met het juiste aantal nullen.
©
WEETJE
Als je 1 mol papier, hoe
Als je 1 mol basketballen bezit,
dun de vellen ook zijn,
kun je er een nieuwe planeet
opeenstapelt, kun je 80 keer
mee vormen, even groot als de
de afstand tussen de aarde
aarde.
en de maan (384 400 km) overbruggen, heen én terug. Als je 1 mol donuts verdeelt
Als je 1 mol euromunten krijgt
over het aardoppervlak,
op de dag van je geboorte en
wordt de aarde bedekt met
je elke seconde van je leven
een mantel donuts van 8 km
1 miljoen munten uitgeeft, dan
hoog.
heb je op je sterfdatum nog steeds 99,99 % van je kapitaal in bezit.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 2
133
Nu we weten hoeveel deeltjes een mol omvat, kunnen we steeds de omzettingen tussen het aantal mol (n) en het aantal deeltjes (N) makkelijk maken door gebruik te maken van de formule: aantal deeltjes = aantal mol · N = n · NA
aantal deeltjes mol
Let wel goed op dat het aantal deeltjes en de stofhoeveelheid in mol over hetzelfde gaat!
IN
VOORBEELDVRAAGSTUK Hoeveel atomen zuurstof zitten er in 3 mol CO2 ? Gegeven: n(CO2) = 3,00 mol Gevraagd: N(O) Oplossing:
Uit de stofhoeveelheid CO2 die gegeven is in mol, berekenen we het aantal deeltjes (moleculen)
N
CO2.
CO2
Afb. 89 Koolstofdioxide
N(CO2) = n · NA
= 3,00 mol · 6,02 · 1023 moleculen mol = 1,81 · 1024 moleculen CO2
Maar elke molecule CO2 bevat 2 atomen zuurstof. Het aantal atomen
VA
zuurstof in 3 mol CO2 of in 1,81 · 1024 moleculen CO2 is dus gelijk aan 1,81 · 1024 · 2 = 3,62 · 1024.
Er zitten dus 3,62 · 1024 atomen zuurstof in 3 mol CO2.
TIP
Vergelijk met een zak kersensnoepjes: Je kunt enerzijds het aantal snoepjes berekenen, maar er kan ook gevraagd worden naar het aantal kersen, dan moet je de hoeveelheid
©
snoepjes nog met 2 vermenigvuldigen.
134
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 2
OPDRACHT 6 Bereken hoeveel atomen stikstof er in 2 mol distikstofpentaoxide (N2O5) zitten. Gegeven: n(N2O5) = 2,00 mol
Gevraagd: N(N) Oplossing:
IN
Bij berekeningen ronden we tussenresultaten niet af: we rekenen steeds
N
verder met de exacte uitkomst van een vorige bewerking. Zorg er wel voor
dat je uiteindelijke resultaat de juiste hoeveelheid beduidende cijfers heeft! De getalwaarde 6,02 · 1023 , of 1 mol, is zeer precies berekend: de massa van 1 12
van het 12C-atoom = 1 unit
· 12
⇩
· NA
©
VA
⇩
de massa van 1 12C-atoom
de massa van 1 mol 12C-atomen
⇩
de massa van 1 mol 12C-atomen
=
=
⇩
12 unit
⇩
6,02 · 1023 · 12 unit
⇩
1 unit = 1,66 · 10−27 kg
6,02 · 1023 · 12 · 1,66 · 10−27 = 12 · 10-3 kg
kg u
= 12 g
Op het eerste gezicht is dat een ingewikkelde berekening om te komen tot een zeer bruikbare conclusie: De massa van 1 mol deeltjes is gelijk aan de getalwaarde van de massa van een atoom, molecule of formule-eenheid, met de eenheid gram in plaats van unit. De massa van 1 mol deeltjes noemen we in het kort ook wel de molaire massa (M).
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 2
135
VOORBEELD MOLECUULMASSA OMZETTING IN MOLMASSA 1 molecule fosforzuur (H3PO4)
⇩
heeft een massa van
⇩
· NA
1 mol fosforzuur
heeft een massa van
Stofhoeveelheid n
98,0 g
Massa m
1 mol Zn
65,4 g
1 mol Fe
55,8 g = m(Cu) + m(S) + 4 . m(O) = 63,6 g + 32,1 g + 4 . 16,0 g
IN
1 mol CuSO4
98,0 unit
1 mol MgCl2
= m(Mg) + 2 . m(Cl) = 24,3 g + 2 . 35,5 g
De molaire massa:
— De grootheid krijgt het symbool M.
g . mol — De numerieke waarde van de molaire massa van een atoom is steeds
N
— De eenheid voor de molaire massa is
dezelfde als die van de atoommassa, maar de eenheid unit kan g . gewoon vervangen worden door mol
VA
WEETJE
Je vraagt je misschien af hoe Avogadro aan dat getal 6,02 · 1023 is gekomen. Is hij beginnen tellen? Nee, Avogadro kwam tot die waarde door de dichtheid van een stof, de relatieve atoommassa van de bindende elementen en de grootte van de eenheidscel in het ionrooster te
Afb. 90 Ionrooster
vergelijken. Met de huidige nauwkeurigste meetapparatuur kan het getal van
©
Avogadro nu al tot 8 cijfers na de komma bepaald worden: de meest nauwkeurig gemeten waarde is 6,02214179 · 1023. Afb. 91 Toeschouwers op een festival
Je kunt het vergelijken met de schatting van het aantal toeschouwers op een plein waar een evenement plaatsvindt. Als je weet hoe groot het plein is en hoe dicht de toeschouwers bij elkaar staan, kun je bij benadering bepalen hoeveel volk er aanwezig is. Gelukkig zijn atomen in een kristal ordelijker gerangschikt dan toeschouwers op een plein en kunnen wetenschappers daarom precieze berekeningen uitvoeren. Naargelang de bron (de politie of de organisator) lopen de schattingen over het aantal toeschouwers soms ver uiteen. Het aantal atomen per mol is echter altijd NA!
136
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 2
2
Omrekeningen gram / mol / aantal deeltjes Als we dezelfde methode gebruiken als bij de berekening van de massa (in unit) van 1 molecule of formule-eenheid, kunnen we ook de molaire massa van stoffen berekenen door de som te nemen van de molaire massa’s van de opbouwende atomen in een molecule. Bij ionverbindingen wordt met 1 mol van de stof 1 mol formule-eenheden bedoeld, want die stoffen vormen geen aparte moleculen. De werkwijze om te komen tot de molaire massa M van een formule-eenheid is identiek. We berekenen de molaire massa M opnieuw door de som te nemen van de molaire massa’s van de opbouwende ionen in een
IN
formule-eenheid.
VOORBEELDVRAAGSTUKKEN 1
Wat is de molaire massa van 1 mol chloorgas (Cl2)?
Gegeven: n(Cl2) = 1 mol Gevraagd: M(Cl2) Oplossing:
N
1 mol Cl2-moleculen bevat 2 mol Cl-atomen. g g = 71 M(Cl2) = 2 · 35,5 mol mol
2
Afb. 92 Chloorgas
Wat is de molaire massa van 1 mol calciumchloride (CaCl2)?
Gegeven: n(CaCl2) = 1 mol
VA
Gevraagd: M(CaCl2)
Oplossing:
Afb. 93 Calciumchloride
1 mol formule-eenheden CaCl2 bestaat uit 1 mol Ca2+-ionen en 2 mol
Cl--ionen. Herinner je je dat de massa van elektronen verwaarloosbaar is? De massa van ionen en atomen kunnen we dus aan elkaar gelijkstellen.
M(CaCl2) = 1 · 40,1
g g g m(Ca) + 2 · 35,5 m(Ca) = 111,1 mol mol mol
OPDRACHT 7
©
Bereken de molaire massa van perchloorzuur (HClO4). Gegeven: HClO4
Gevraagd: M(HClO4) Oplossing:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 2
137
Er wordt niet altijd naar de molaire massa gevraagd. Soms gaat het over een grotere stofhoeveelheid dan 1 mol. Het volstaat dan natuurlijk om het aantal mol (n) te vermenigvuldigen met de molaire massa (M). m=n·M — m = massa (g) — n = stofhoeveelheid (mol) g ) — M = molaire massa ( mol
VOORBEELDVRAAGSTUK Wat is de massa van 3 mol zwavelzuur (H2SO4)?
IN
1
Gegeven: n(H2SO4) = 3 mol Gevraagd: m(H2SO4) Oplossing:
1 mol H2SO4 bevat:
— 2 mol H-atomen — 1 mol S-atomen
Afb. 94 Zwavelzuur
N
— 4 mol O-atomen a
We berekenen de molaire massa van H2SO4: g g g + 1 · m(S) + 4 · m(O) mol mol mol g g g + 1 · 32,1 + 4 · 16,0 = 2 · 1,0 mol mol mol g = 98,1 mol
M(H2SO4) = 2 · m(H)
VA
b Nu we de molaire massa (M) van H2SO4 berekend hebben, kunnen we ook de massa (m) van 3,0 mol berekenen door gebruik te maken van g = 294,3 g de formule m = n · M: m(H2SO4) = 3 mol · 98,1 mol
OPDRACHT 8
Bereken de massa van 2,5 mol magnesiumsulfaat (MgS04). Gegeven: n(MgSO4) = 2,5 mol Gevraagd: m(MgSO4)
©
Oplossing:
138
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 2
We kunnen nu dus een gegeven stofhoeveelheid in mol omzetten naar zowel een aantal deeltjes van die stof, als naar de massa in gram van die stof. Als we echter een aantal deeltjes van een stof willen omzetten naar een aantal gram, dan zullen we altijd eerst de eenheid mol moeten omrekenen! Aantal deeltjes (N) → mol (n) → massa (m) of massa (m) → mol (n) → aantal deeltjes (N)
VOORBEELDVRAAGSTUK P fosfor
Hoeveel atomen zuurstof zitten
O zuurstof
IN
er in 426,0 gram
difosforpentaoxide (P2O5)?
Gegeven: m(P2O5) = 426,0 g Gevraagd: N(O)
Afb. 95 Difosforpentaoxide
Oplossing: a
We berekenen de molaire massa van P2O5:
g g ) + 5 · m(O) ( ) mol mol g g m(P) + 5 · 16,0 m(O) = 2 · 31,0 mol mol g = 142,0 mol
N
M(P2O5) = 2 · m(P) (
b We zetten de gegeven stofhoeveelheid (massa m, in gram) nu om naar het aantal mol door het te delen door de molaire massa van
©
VA
P2O5:
n=
m M
n(P2O5) =
c
426,0 g = 3,0 mol g 142,0 mol
Die molhoeveelheid (n) zetten we vervolgens om naar het aantal
moleculen P2O5 door het te vermenigvuldigen met NA:
N = n · NA
N(P2O5) = 3,0 mol P2O5 · 6,02 · 1023
moleculen = 1,806 · 1024 moleculen mol
Er zitten 1,806 · 1024 moleculen P2O5 in 426,0 g P2O5. Er zitten 5 atomen
zuurstof in 1 molecule P2O5. Het aantal atomen zuurstof zal dus 5 keer
zo groot zijn:
N(O) = 1,806 · 1024 moleculen P2O5 · 5
atomen O = 9,03 · 1024 atomen O molecule
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 2
139
OPDRACHT 9 Bereken de massa in gram van 2,408 ∙ 1024 moleculen stikstofgas (N2). Gegeven: N(N2) = 2,408 ∙ 1024 moleculen
Gevraagd: m(N2) Oplossing:
IN
VA
N
g ) met de mol stofhoeveelheid (n, in mol) krijgen we de totale massa uitgedrukt in gram.
Door vermenigvuldiging van de molaire massa (M, in
Door de totale massa uitgedrukt in gram te delen door de molaire massa, krijgen we de stofhoeveelheid. Als we van mol naar het aantal deeltjes willen overschakelen, vermenigvuldigen we de stofhoeveelheid (aantal mol) met
©
NA (6,02 . 1023 deeltjes). Als we het aantal deeltjes willen omzetten
in mol, delen we door NA. n= m M
delen door molaire massa (g /mol)
aantal gram m
aantal mol n
vermenigvuldigen met molaire massa (g /mol) m=n·M
` Maak oefening 5 t/m 19 op p. 167-170.
140
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 2
N = n · NA vermenigvuldigen met het getal van Avogadro (deeltjes/mol)
aantal deeltjes N delen door het getal van Avogadro (deeltjes/mol)
n=N NA
HOOFDSTUK 3
Stoichiometrische vraagstukken LEERDOELEN Je kunt al: L een gegeven stofhoeveelheid in gram of aantal deeltjes omrekenen naar mol en omgekeerd; met de wet van behoud van atomen. Je leert nu:
IN
L een reactievergelijking schrijven en balanceren
L het verband leggen tussen mol, molaire massa en
Het is belangrijk dat we bij een chemische reactie
molaire concentratie aan de hand van eenvoudige stoichiometrische berekeningen; L stoichiometrische vraagstukken oplossen.
weten welke hoeveelheid van een bepaalde stof
reageert met een hoeveelheid van een andere stof.
De berekening van de verhoudingen waarin stoffen
1
N
reageren noemen we stoichiometrie.
De molverhouding
VA
VOORBEELD VERBRANDINGSREACTIE VAN MAGNESIUM
WEETJE
Wanneer we magnesium (Mg) verbranden, vormt er zich een fel wit licht en ontstaat
Stoichiometrie is
een wit poeder: magnesiumoxide (MgO).
afkomstig van de
De reactie ziet er als volgt uit:
Griekse woorden
2 Mg
a
stoicheion,
→ 2 MgO
+ O2
wat 'element' betekent, en
Wat leren we uit de reactievergelijking? 2 atomen Mg
+ 1 molecule O2
metron, wat 'verhouding'
→ 2 moleculen MgO
betekent.
©
b Als we alles vermenigvuldigen met bijvoorbeeld een factor 500, dan kunnen we verhoudingsgewijs stellen dat: 2 atomen Mg
+ 1 molecule O2
· 500
1 000 atomen Mg c
→ 2 moleculen MgO
· 500
+ 500 moleculen O2
· 500
→ 1 000 moleculen Mg
Als we die redenering doortrekken, kun je ook stellen dat: 2 · 6,02 · 1023 atomen Mg + 6,02 · 1023 moleculen 02 → 2 · 6,02 · 1023 moleculen MgO of nog korter:
2 mol Mg reageert met 1 mol O2
tot 2 mol MgO GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 3
141
Ia 1
De molverhouding, oftewel de verhouding waarin stoffen met elkaar reageren,
IIa hebt! 2
wordt gegeven door de voorgetallen uit de reactie. Let op: die voorgetallen
1
2,1
atoomnummer (Z)beschikking geven echter nooit informatie over de stofhoeveelheid die je ter
H waterstof
1,01 3
1,0
IIIa 13
IVa 14
lithium
6,94
Va0,9 15
11
3 Na
natrium
22,99 5
2,0
6
2,5
kalium stikstof
10,81
12,01
39,10 14,01 37 0,8 15 2,1
u
er
55 1,9
g
er
7,9 2,2
u
ud
Si5 Rb P
Alaluminium
silicium
26,98
1,6
31
1,6
1,8
28,09 32
1,8
g
nium
Ga gallium
germanium
65,38
69,72
72,64
zink
48
1,7
49
1,5
beryllium halen we volgende info:
1,7
50
1,8
20 8
1,0 3,5
21 9
1,3 4,0
22 10
M(O2) = 2 · 16,0
Ca O
Sc F
calcium scandium zuurstof fluor M(MgO)
40,08 16,00 38 1,0 16 2,5
2 Mg
44,96 19,00 39 1,2 17 3,0
Y Cl
Sr S
strontium zwavel
87,62 32,07
Ba Se
yttrium chloor
87 51
francium antimoon
112,4
114,8
118,7
223 121,8
Hg
1,8
82
Tl-
kwik
204,4
113
112
Cn 285
65
1,2
Tb
nium
als controle bij je 289 287
berekeningen, altijd de 66
(1,2)
67
wet van behoud van
dysprosium
1,2
Ho
holmium
van de reagentia 164,9 = de 162,5
som van 98 van de massa’s 99 de reactieproducten
berkelium
247
flerovium
de som van de massa’s
97
142
nihonium
Dy
158,9
Bk
Merk op dat je,
massa kunt toepassen:
terbium
7,3
Fl-
TIP
copernicium
Cf
californium
bismut
207,2
114
Nh
Bi
lood
Es
einsteinium
251 252 GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
209,0
1,4
41
Zr Ar
Cr
1,6
moscovium
288 68
1,2
Er
erbium
167,3 100
Fm
fermium
42
→ 2 MgO
Nb
88,91 35,45
91,22 39,95
g g 57 72 1,3 73 35 1,1 2,81 mol 36 · 32,0 mol mol
La Br
barium seleen
1,5
Hf Kr
hafnium krypton
138,9 79,90
Ra Te
1,8
Fe
54,94
55,85
Mo
1,9
Tc
molybdeen
technetium
92,91
95,94
98
g →1,5 2 mol 74 · 40,3 1,7 75 mol
178,5 83,80
Ac I
Rf Xe
Po At lanthaniden
Ru 101,1
1,9
76
2,2
renium
osmium
180,9
183,9
186,2
190,2
106
107
Sg
Ce
polonium astaat radon 2 moleculen waterstofgas reageren
210
117
222
118
moleculen water.
Ts
90
Og7
Bij uitbreiding is dat ook zo voor een groot aantal deeltjes:
59
Pr
1
Hs
bohrium
hassium
264 demovideo: 60 1,2 elektrolyse
277
Nd
61
6
Pm
cerium
praseodymium
neodymium
promethium
140,1
140,9
144,2
(145)
1,3
Th 2 H2
+
91
1,5
Pa
O2
92
→
1,4
U
2 H2O
93
1,3
Np
livermorium
tennessine
ganesson
thorium
protactinium
uraan
neptunium
289
289
289
232,0
231,0
238,0
237
2 mol waterstofgasmoleculen zullen
dus met 1 mol zuurstofgasmoleculen reageren tot 2 mol water. 69
1,2
70
1,1
71
1,2
Yb
Lu
thulium
ytterbium
lutetium
168,9
173,0
175,0
Tm
Je leerde ook al de molhoeveelheid omzetten in de massahoeveelheid met de formule: m = n · M
g g zal reageren met 1 mol · 32,0 = En101 dus 2 · 2,0 102 = 4 g waterstofgas 103 mol mol g 32 g zuurstofgas tot 2 mol · 18,0 = 36 g water. mol
Md
mendelevium
257 258 HOOFDSTUK 3
No
Lr
nobelium
lawrencium
259
262
7
Os
108
Bh
1,1
4
ruthenium
Re
Db
Rn6
elektrische auto’s:
Lv
2,2
W
226,0 227 261 262 reactie 266 127,6 131,3 in zuurstofgas en126,9 waterstofgas. De omgekeerde
actiniden
44
wolfraam
105
2
ijzer
tantaal
waarbij behulp van elektriciteitdubnium werd gesplitst radium actinium rutherfordium seaborgium telluurwater met jood xenon
{
1,8
Mn
43
Vorig schooljaar heb je de elektrolyse van water uitgevoerd,
209
26
mangaan
niobium
Ta
VIlIb V 8
= 32,0 g zuurstofgas → = 80,6 g magnesiumoxide
lanthaan broom
137,3 78,96
116
Mc
25
20,18
groepenmet 1 molecule zuurstofgas tot 2
115
1,6
V
1,9 wordt 84 85 2,2 gebruikt 86 in2,0 brandstofcellen bij hybride of 58 1,1
83
Pb
thallium
200,6
1,8
24
VIIb 7
g g g vanadium= 40,3 chroom + 16,0 = mol mol mol 47,87 50,94 52,00
0,7 88 0,9 89 1,1 104 1,9 VOORBEELD 52 2,1 SYNTHESE 53 2,5 VAN 54 WATER
tin
81
1,6
titaan neon 24,3
zirkonium argon
= 48,6 g magnesium
132,9 74,92
indium
1,9
23
VIb 6
g g = 32,0 mol mol
Ti Ne
40 O2 18
+
1,5
Vb 5
We berekenen de massa’s door gebruik te maken van de formule m = n · M
cesium arseen
cadmium
80
relatieve atoommassa (Ar)
9,01
VIa1,2 VIIa 2 g M(Mg) = 24,3 mol 16 17 Mg He IIIb IVb magnesium helium 3 4 24,31 4,00 12
mol · 24,3 0,9 0,7 2,0 256 34 2,4
Fr Sn7 Sb
Gd
um
85,47 30,97
55 33
In
Cd
72
m
rubidium fosfor
Ge6 Cs As
Zn
©
7,0
30
14
4
N
koolstof
1,5
Mg 0 naam Hoeveel gram magnesium reageert met hoeveel gram zuurstofgas en 24,31 hoeveel Begram magnesiumoxide18ontstaat er? Uit het periodiek systeem symbool
VOORBEELD MAGNESIUMOXIDE
VA
1,9
K N
boor
13
IIb 12
0,8 3,0
C4
B
b 1
19 7
1,2
magnesium
Li
2
12
elektro
IN
1
N
47
PERIODIEK SYSTEEM VAN D
9
OPDRACHT 10 Kwikoxide (HgO) ontbindt door verhitting in kwik en zuurstofgas.
TIP
Hoeveel gram kwik en dizuurstof kan er gevormd worden na verhitting van 6,00 gram kwikoxide bij deze reactie?
Balanceer eerst de reactie.
Gegeven: m(HgO) = 6,00 g Gevraagd: m(Hg) en m(O2)
Oplossing:
TIP
N
IN
— Als je wilt controleren of je berekeningen juist zijn, dan kun je de wet van behoud van massa toepassen: ∑ massa’s reagentia = ∑ massa’s reactieproducten. In het voorbeeld
VA
ontstond ook 4,5 mol water of 81,0 g water. We kijken nu of die vergelijking klopt: 166,7 g + 283,5 g = 369,2 g + 81,0 g? Beide sommen hebben 450,2 g als resultaat!
— De gegeven stofhoeveelheid is niet altijd in gram opgegeven, zo kan er ook een aantal deeltjes zijn opgegeven. Om dat dan om te rekenen naar mol, gebruiken we het getal van Avogadro.
Vraagstukken waarbij 1 stofhoeveelheid is gegeven
©
2
vademecum: vraagstukken oplossen
VOORBEELDVRAAGSTUK Gebluste kalk of calciumhydroxide reageert met 4,5 mol salpeterzuur tot calciumnitraat en water. Hoeveel gram gebluste kalk (Ca(OH)2) kan hiermee reageren en hoeveel gram calciumnitraat (Ca(NO3)2) kan er dan ontstaan?
We schrijven de reactie met de correcte formules en voorgetallen, zodat de reactievergelijking klopt.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 3
143
Gegeven:
Ca(OH)2
+
2 HNO3
→
Ca(NO3)2
+
2 H2O
— Uit de reactievergelijking, en meer bepaald uit de voorgetallen, leid je de molverhouding af: 1 mol
calciumhydroxide reageert met 2 mol salpeterzuur. Er wordt dan 1 mol calciumnitraat gevormd en 2 mol water.
Gevraagd:
— Je hebt m(HNO3) = 283,5 g
m(Ca(OH)2)
m(Ca(NO3)2) Oplossing: Schrijf onder de reactievergelijking de molverhouding waarin de stoffen
IN
a
reageren:
+
Ca(OH)2 1 mol
+
2 HNO3
2 mol
→
→
Ca(NO3)2
1 mol
+
+
2 H2O
2 mol
b Schrijf de gegeven stofhoeveelheid (in dit geval massa m) onder de betreffende stof : +
Ca(OH)2
1 mol
+
→
→
Ca(NO3)2
1 mol
c
+
+
2 H2O
2 mol
283,5 g
N
2 HNO3
2 mol
Reken de gegeven stofhoeveelheid om naar aantal mol via de molaire
massa:
+
Ca(OH)2
1 mol
+
M(HNO3) = 1,0
n=
m = M
→
→
Ca(NO3)2
1 mol
+ +
2 H2O
2 mol
283,5 g
VA
2 HNO3
2 mol
g g g g + 14,0 + (16,0 · 3) = 63 mol mol mol mol
283,5 g = 4,5 mol g 63,0 mol
d Met de berekende stofhoeveelheid in mol (n) vinden we, door gebruik te maken van de molverhouding, de andere stofhoeveelheden in mol: +
Ca(OH)2
1 mol
+
©
2,25 mol /2
e
2 HNO3
2 mol
→ →
Ca(NO3)2
1 mol
+ +
4,5 mol
2,25 mol
4,5 mol
/2 ·1
Zet ten slotte de gevonden stofhoeveelheden om in de gevraagde eenheid gram door opnieuw gebruik te maken van de molaire massa M. g g g g + 2 · 16,0 + 2 · 1,0 = 74,1 mol mol mol mol g = 166,7 g m(Ca(OH)2) = n · M = 2,25 mol · 74,1 mol g g g g + 2 · 14,0 + 6 · 16,0 = 164,1 mol mol mol mol g = 369,2 g m(Ca(NO3)2) = n · M = 2,25 mol · 164,1 mol M(Ca(NO3)2) = 40,1
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
2 mol
283,5 g
M(Ca(OH)2) = 40,1
144
2 H 20
HOOFDSTUK 3
We weten dus nu dat er 166,7 g gebluste kalk of Ca(OH)2 kan reageren met de
283,5 g salpeterzuur of HNO3 en dat er dan maximaal 369,2 g calciumnitraat of Ca(NO3)2 kan gevormd worden.
Let op: de berekende hoeveelheid calciumnitraat is inderdaad de maximale hoeveelheid die we zouden kunnen bekomen. In de praktijk zal een reactie nooit een rendement van 100 % hebben. Voorlopig laten we dat buiten beschouwing en berekenen we steeds de maximale hoeveelheden.
OPDRACHT 11
en water (H2O) gevormd.
IN
Zoutzuur (HCl) reageert met 80 gram magnesiumhydroxide (Mg(OH)2). Er wordt magnesiumchloride (MgCl2) Schrijf de reactie op en bereken hoeveel gram magnesiumchloride er wordt gevormd. Gevraagd: m(MgCl2) Oplossing:
VA
N
Gegeven: m(Mg(OH)2) = 80 g
©
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 3
145
Voor het oplossen van vraagstukken met een gegeven stofhoeveelheid gebruik je het onderstaande stappenplan:
Stap 1: Lees het vraagstuk.
Stap 2: Analyseer wat er gegeven en gevraagd wordt.
IN
Stap 3: Noteer de reactievergelijking.
Stap 4: Zet de gegeven stofhoeveelheid om naar mol.
N
Stap 5: Pas de molverhouding toe.
Stap 6: Zet dat om naar de gevraagde eenheid.
VA
TIP
Bij het oplossen van vraagstukken zul je ook vaak ‘de regel van drie’ toepassen. Als je weet wat de molverhouding is waarin de stoffen A en B reageren (uit de voorgetallen), dan kun je ook berekenen hoeveel mol van stof B er met 1 mol van stof A reageert. En vervolgens bereken je hoeveel mol B er reageert met de gegeven molhoeveelheid A.
©
Bekijk het voorbeeld achter de QR-code.
146
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 3
bijlage: de regel van drie
HOOFDSTUK 4
Concentratie van een oplossing LEERDOELEN Je kunt al: gevraagde eenheid en stoichiometrische hoeveelheden bepalen voor vaste stoffen. Je leert nu: L de verhoudingen en evenredigheden tussen massa’s, volumes en stofhoeveelheden gebruiken en molaire grootheden en concentraties beschrijven;
de handen Om voldoende werkzaam te zijn, moet de
hoeveelheid alcohol die wordt opgelost in de gel, een voldoende hoge concentratie hebben.
In een labo gaan we vaak stoffen oplossen in een
oplosmiddel (meestal water), omdat ze dan beter
reageren. Maar het aantal gram van de oplossing geeft
niet de nodige informatie over de stofhoeveelheid van het opgeloste reagens. We moeten weten hoeveel mol
N
L het verband tussen stofhoeveelheid en
Alcoholgel wordt veel gebruikt voor het ontsmetten van
IN
L stofhoeveelheden omzetten naar de
massaconcentratie toepassen;
of gram van de opgeloste stof er in de oplossing zit. In ons voorbeeld van de alcoholgel is de hoeveelheid
L het verband tussen mol en molaire
alcohol (opgeloste stof) belangrijk, niet zozeer de
concentratie gebruiken in eenvoudige
hoeveelheid alcoholgel (oplossing). We willen weten
stoichiometrische berekeningen.
hoeveel alcohol er in de alcoholgel zit, dus wat de
VA
concentratie aan alcohol is.
Wat is een concentratie van een oplossing?
©
1
Een oplossing is een hoeveelheid opgeloste stof in een hoeveelheid oplosmiddel. Neem het voorbeeld van een tas koffie waarin een klontje suiker wordt gebracht:
— Het oplosmiddel is hier de koffie. — De opgeloste stof is de suiker.
— De oplossing bestaat uit gesuikerde koffie.
Je weet natuurlijk al dat de koffie zoeter zal smaken naargelang je er 1, 2 of 3 klontjes suiker in oplost. Het is dus belangrijk om
Afb. 96 Gesuikerde koffie is een oplossing.
de concentratie van de oplossing goed te kennen. Als we de concentratie van de opgeloste stof willen kennen, dan moeten we de hoeveelheid van de opgeloste stof en de hoeveelheid oplossing kennen. Suiker, net als vele andere stoffen, kan in verschillende hoeveelheden opgelost worden in water. Niet alle stoffen zijn trouwens even goed oplosbaar in water. Daar komen we later op terug. GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 4
147
De maximale oplosbaarheid kan sterk verschillen van stof tot stof. Ook voor stoffen die wel oplossen in water is de hoeveelheid stof die kan opgelost worden, niet onbeperkt. Vanaf een bepaalde concentratie treedt verzadiging op: extra toegevoegd zout zal dan niet meer oplossen maar bezinken in de oplossing. DEMO Concentratie van oplossingen Werkwijze Je leerkracht maakt vier oplossingen van koper(II)sulfaat.
IN
Die oplossingen herkennen we aan de blauwe kleur.
1 gram CuSO4 wordt opgelost tot een volume van 0,1 L oplossing
2 gram CuSO4 wordt opgelost tot een volume van 0,05 L oplossing
2 gram CuSO4 wordt opgelost tot een volume van 0,1 L oplossing
N
1 gram CuSO4 wordt opgelost tot een volume van 0,05 L oplossing
— bekerglas 1: 1 gram CuSO4 wordt opgelost tot een volume van 0,05 L oplossing
— bekerglas 2: 1 gram CuSO4 wordt opgelost tot een volume van 0,1 L oplossing
— bekerglas 3: 2 gram CuSO4 wordt opgelost tot een volume van 0,05 L
VA
oplossing
— bekerglas 4: 2 gram CuSO4 wordt opgelost tot een volume van 0,1 L oplossing
Waarnemingen
Je merkt aan de helderblauwe kleur van de oplossing hoe geconcentreerd de oplossing is (hoe donkerder blauw, hoe hoger de concentratie CuSO4). Merk op dat de inhoud van bekerglas 1 en 4 dezelfde kleur hebben. Dat
komt doordat voor die bekers de verhouding van de hoeveelheid opgeloste
©
stof tot de hoeveelheid oplossing, de concentratie dus, gelijk is: 1 g CuSO4 2 g CuSO4 = 0,5 L 1L
Er zijn verschillende manieren om de concentratie van een oplossing uit te drukken, afhankelijk van in welke eenheid de hoeveelheid opgeloste stof wordt uitgedrukt. Zo kunnen we onze hoeveelheid CuSO4 uit het voorbeeld uitdrukken in gram of in mol. We spreken dan respectievelijk over de massaconcentratie of de molaire concentratie.
De verhouding tussen de hoeveelheid opgeloste stof (aantal mol n of massa m) en de hoeveelheid oplossing (V) noemen we de concentratie van de oplossing (c). m g n mol . c = met eenheid of c = met eenheid V L V L
148
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 4
2
Massaconcentratie
Het begrip mol is natuurlijk niet bij iedereen bekend. Daarom staat voornamelijk op voedingswaren de hoeveelheid opgeloste stof vaak aangeduid in een aantal gram. Als we de hoeveelheid opgeloste stof in gram uitdrukken en de hoeveelheid oplossing in
IN
liter, bekomen we voor de concentratie een g eenheid van , we spreken dan over de L massaconcentratie. Zo zit in 1 glas cola van 250 mL maar liefst 27 gram suiker. De concentratie suiker is dus
27 g g of 108 . 250 mL L
Afb. 97 Een glas cola bevat veel suiker.
VOORBEELDVRAAGSTUK
N
Bereken hoeveel kaliumchloride (KCl) je moet afwegen als je 3,5 liter g oplossing wil maken met een concentratie van 60 . L Gegeven: — —
V(oplossing) = 3,5 L c(KCl) = 60
g L
©
VA
Gevraagd: m(KCl) Oplossing:
m en dus m = c · V V g m = 60 · 3,5 L = 210 g L c=
TIP
Let op dat je bij vloeistoffen de dichtheid niet verwart met de massaconcentratie. Dichtheid heeft niets te maken met de concentratie van de opgeloste stof. DICHTHEID MASSACONCENTRATIE ρ=
massa oplossing volume oplossing
c=
massa opgeloste stof volume oplossing
De verwarring tussen beiden gebeurt omdat beide grootheden dezelfde eenheid kunnen hebben.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 4
149
OPDRACHT 13 Hoeveel gram keukenzout (NaCl) moet je afwegen om 200 mL oplossing te maken met een concentratie van 18
g ? L
Gegeven: — —
c(NaCl) = 18
g L
V = 200 mL = 0,200 L
Gevraagd: m(NaCl) Oplossing:
IN
WEETJE
N
VA
Bij voedingswaren wordt de
Afb. 98 Voedingswaarden frisdrank
Bij voedingswaren wordt de hoeveelheid oplossing vaak herleid naar 100 mL, waardoor de eenheid g/100 mL wordt. Het etiket vermeldt dan de concentratie in % (per 100 mL dus). Voor de suikerconcentratie in het voorbeeld van het glas cola wordt dat dan 108
g 10,8 g = of 10,8 %. L 100 mL
©
Op het etiket van een blikje Ice Tea lezen we bijvoorbeeld hoeveel gram er van verschillende stoffen zijn opgelost in 100 ml van de drank (oplossing). Zo zit er per 100 mL Ice Tea 4,5 g suiker opgelost. In de tweede kolom staat dan hoeveel suiker er in het totale flesje van 33 cl zit. De massaconcentratie is altijd
150
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
4,5 g = 4,5 % 100 mL
HOOFDSTUK 4
3
Molaire concentratie
Chemici zullen de stofhoeveelheid altijd aanduiden met de eenheid mol. We zullen in het labo de concentratie van de oplossing daarom ook uitdrukken in het aantal mol opgeloste stof per liter oplossing: de molaire concentratie of molariteit van de oplossing — molaire concentratie = n V
IN
— formule: c =
aantal mol opgeloste stof aantal liter oplossing
— eenheid molaire concentratie:
mol of M L
Opmerkingen
— M is het symbool voor de eenheid van molaire concentratie.
N
— M is het symbool voor de grootheid molaire massa.
VOORBEELD COLA
We berekenen de molaire concentratie van suiker in cola. Uit het vorige voorbeeld weet je al dat een glas van 250 mL 27 gram suiker bevat. We
©
VA
rekenen de noemer om naar het volume van 1 liter: 27 g 108 g g = = 108 . 250 mL 1 000 mL L
Dat is dus de massaconcentratie. Het volstaat nu om bij de teller het aantal gram om te zetten naar mol om de molaire concentratie te berekenen. Er zitten verschillende soorten suikers in de drank, maar om het eenvoudig te houden, gebruiken we de molaire massa van de sucrose (C12H22O11):
M = 12 · 12,0 n=
m = M
g g g g + 22 · 1,0 + 11 · 16,0 = 342,0 mol mol mol mol
108 g = 0,316 mol g 342,0 mol
De molaire suikerconcentratie in cola is dus 0,316 mol. L
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 4
151
OPDRACHT 14 Een kok voegde 1,00 kg keukenzout toe bij de bereiding van 50 L soep in een grootkeuken. Bereken de molaire concentratie aan keukenzout. Gegeven: — —
m(NaCl) = 1,00 · 103 g V = 50 L
Gevraagd: c(NaCl) Oplossing:
IN
VA
N
De molaire concentratie c wordt berekend door de stofhoeveelheid uitgedrukt in mol (n) te delen door het volume oplosmiddel, uitgedrukt in L. c = n. V Om massaconcentratie om te zetten in molaire concentratie, moet de massa
©
omgerekend worden naar aantal mol.
152
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
In stoichiometrievraagstukken waarbij de reagerende stoffen opgelost zijn, kan de stofhoeveelheid berekend worden uit het volume en de concentratie van de oplossing. Je weet nu hoe je die stofhoeveelheid kunt omzetten naar n aantal mol. Aangezien c = kun je het aantal mol n berekenen door de V formule anders te schikken: n = c · V
HOOFDSTUK 4
VOORBEELDVRAAGSTUK mol wordt samengevoegd L met voldoende natriumchlorideoplossing. Daarbij ontstaan zilverchloride 200 mL van een zilvernitraatoplossing van 0,0295
en natriumnitraat. Bereken hoeveel gram zilverchloride ontstaat: Gegeven: —
AgNO3 +
NaCl
—
c(AgNO3) = 0,0295 mol L
—
V = 200 mL
→ AgCl
+ NaNO3
Oplossing:
IN
Gevraagd: m(AgCl)
c · V = n
0,0295 mol · 0,200 L L
0,0059 mol
N
= 0,0059 mol
Door de molverhouding toe te passen, weten we dat er dus ook maximaal 0,0059 mol zilverchloride wordt gevormd. Met behulp van de molaire massa g g g + 35,5 = 143,4 ) berekenen we de van AgCl (M = 107,9 mol mol mol massa gevormd zilverchloride AgCl:
VA
m(AgCl) = n · M
= 0,0059 mol · 143,4
= 0,846 g
g mol
Antwoord: Er zal in de reactie 0,846 g zilverchloride ontstaan.
OPDRACHT 15 ONDERZOEK
Onderzoek nu zelf hoe je oplossingen maakt. en voer het labo uit.
©
Ga naar
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 4
153
oplossingen (c, V) c= n V n= m M delen door molaire massa (g /mol)
aantal gram m
n=c·V
aantal mol n
N = n · NA vermenigvuldigen met het getal van Avogadro (deeltjes/mol)
vermenigvuldigen met molaire massa (g /mol) m=n·M
aantal deeltjes N
IN
delen door het getal van Avogadro (deeltjes/mol) n= N NA
` Maak oefening 20 t/m 24 op p. 170-171.
WEETJE
Andere uitdrukkingen voor de concentratie
Voor een oplossing van een vloeistof in een andere vloeistof is het
N
natuurlijk logischer om te spreken van het aantal ml opgeloste
stof per aantal liter oplossing. In dat geval spreken we over een volumeconcentratie met als eenheid mL. L Ook hier wordt bij levensmiddelen vaak gebruikgemaakt van het volumeprocent: de hoeveelheid (mL) opgeloste stof per 100 mL
VA
oplossing. Als de hoeveelheid wordt herrekend per 100 mL oplossing, spreken we dus over het volumeprocent. Voorbeeld: een fles azijn vermeldt vaak dat het gaat over een oplossing van 7 %, oftewel 7 mL opgelost azijnzuur per 100 mL oplossing. Ook een fles wijn of bier vermeldt op die manier de concentratie aan ethanol. Voor pilsbier is dat
©
vaak 5,2 % of 5,2 mL ethanol per 100 mL bier. Afb. 99 Azijn
Afb. 100 Het alcoholpercentage in alcoholische dranken wordt uitgedrukt in volumepercentage: het aantal mL ethanol per 100 mL. Voor bier bedraagt dat volumepercentage ongeveer 5 % en voor wijn ongeveer 13 %.
Ook de massaconcentratie in
g g kan omgerekend worden naar , L 100 mL
dan spreken we over massavolumepercentage. Tot slot kunnen we bij een mengsel van 2 vaste stoffen (bv. zout en zand) ook nog het massapercentage gebruiken: het aantal gram opgeloste stof per 100 g oplossing. Al die grootheden behandelen we in de derde graad.
154
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 4
4
Oplossingen verdunnen en indampen
In een labo worden veel zoutoplossingen gebruikt. Maar voor verschillende proeven zijn vaak ook verschillende concentraties van de oplossing vereist. Je leerkracht zal vast en zeker wel ergens een oplossing op voorraad houden, maar de concentratie is niet altijd diegene die nodig is in een volgend experiment. Gelukkig kunnen we de concentratie van een oplossing aanpassen door: een extra hoeveelheid opgeloste stof toe te voegen: de concentratie zal
IN
a
N
nu stijgen
b een extra hoeveelheid oplosmiddel toe te voegen: de concentratie zal nu dalen
Dat noemen we het verdunnen van de oplossing.
VA
applet: concentratie
+ V(s)
c
een hoeveelheid oplosmiddel laten verdampen: de concentratie zal nu stijgen
©
Dat noemen we het indampen van de oplossing.
In een keuken proeft de kok heel vaak van zijn gerechten. Is de soep niet zout genoeg of net te zout? In het eerste geval zal de kok een snuifje zout toevoegen, in het tweede geval kan die de soep aanlengen met water. Indampen zou wat meer tijd in beslag nemen bij het op smaak brengen van soep, maar dat komt wel van pas bij de bereiding van sauzen.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 4
155
WEETJE Indampen is het laten verdampen van een hoeveelheid oplosmiddel zodat de concentratie van de opgeloste stof stijgt.
Merk op dat zowel bij het verdunnen van een oplossing door toevoeging van extra oplosmiddel, als bij het indampen van een oplossing, de hoeveelheid opgeloste stof ongewijzigd blijft. Samen met de eerder geziene formule voor n concentratie (c = ) kunnen we zo de verdunningsformule afleiden: V n1 = n2
OPDRACHT 16 ONDERZOEK
IN
c1 · V1 = c2 · V2
Onderzoek nu zelf hoe je oplossingen verdunt. Ga naar
en voer het labo uit.
N
VOORBEELDVRAAGSTUK
Hoeveel mL water moet je toevoegen aan 150 mL
waterstofchlorideoplossing (HCl) van 0,250 mol L om een oplossing van 0,200 mol te bekomen? L de beginconcentratie c1 = 0,250 mol L het beginvolume V1 = 0,150 L
VA
Gegeven: —
—
—
de gewenste eindconcentratie c2 = 0,200 mol L
Gevraagd: Welk volume oplosmiddel moet je toevoegen (V2 - V1) ?
Oplossing:
c1 · V1 = c2 · V2 toepassen: 0,250 mol · 0,150 L = 0,200 mol · V2 L L
©
Hieruit berekenen we V2 = 0,188 L of 188 mL: V2 - V1 = 188 mL - 150 mL = 38 mL Antwoord: Er moet 38 mL water worden toegevoegd om de concentratie te verminderen naar 0,200 mol . L
Bij het indampen van een oplossing geldt dus precies dezelfde formule c1 · V1 = c2 · V2, maar omdat het volume van de oplossing na het indampen (V2)
nu kleiner is dan het oorspronkelijk volume V1, zal de concentratie c2 groter
worden dan de concentratie voor het indampen (c1).
156
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 4
OPDRACHT 17 Een student laat per ongeluk een keukenzoutoplossing van 600 mL mol een hele nacht op een verwarmmet een concentratie van 1,0 L plaat staan. Hierdoor is er de dag nadien 350 mL water verdampt uit de oplossing. Bereken de nieuwe concentratie van de zoutoplosssing. Gegeven: — —
Gevraagd: c2
V1 = 600 mL= 0,600 L c1 = 1,0 mol L
Oplossing:
IN
WEETJE
N
Als je een oplossing blijft indampen tot de maximale oplosbaarheid is bereikt, dan zal de opgeloste
stof opnieuw kristalliseren. Op die techniek berust
©
VA
bijvoorbeeld de winning van zout uit zeewater.
video: zoutproductie
Afb. 101 Zoutproductie
Het aantal mol opgeloste stof ... voor verdunning
na verdunning
n1
= n2
c1 · V1
= c2 · V2
c1 · V1 = c2 · V2
In die formule is: — c1 = beginconcentratie van de oplossing — V1 = beginvolume van de oplossing
— c2 = concentratie van de oplossing na verdunning — V2 = Volume van de oplossing na verdunning
Let op: V2 is het eindvolume na verdunning. Vaak wordt het toe te voegen
volume water gevraagd. We trekken het beginvolume er dan dus weer af (V2 - V1)!
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 4
157
5
Oplossingen met verschillende concentraties aan opgeloste stof mengen
Door zuiver oplosmiddel toe te voegen, wijzigt de hoeveelheid opgeloste stof dus niet. Maar dat zal natuurlijk wel het geval zijn als we aan een oplossing een andere oplossing toevoegen, die ook een hoeveelheid van die opgeloste stof bevat. Als de toegevoegde oplossing hier een lagere concentratie heeft dan de eerste, zal de concentratie na samenvoegen van de oplossingen ook lager
IN
worden. Op die manier kunnen we een oplossing dus ook verdunnen. Maar let op: nu is de hoeveelheid opgeloste stof voor en na verdunning niet meer aan
N
elkaar gelijk: n1 ≠ n2
We moeten onze verdunningsformule in dit specifiek geval herwerken: Als je bij het aantal mol voor verdunning (n1) het aantal mol uit de
VA
verdunnende oplossing (n3) optelt, krijg je een nieuw aantal mol opgeloste stof (n2):
n1 + n3 = n2
Vermits het aantal mol steeds gegeven wordt door n = c . V, kun je besluiten dat:
c1 · V1 + c3 · V3 = c2 · V2
Het bekomen volume V2 is de som van de samengevoegde volumes V1 en V3,
©
wat voor onze formule betekent:
158
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
c1 · V1 + c3 · V3 = c2 · (V1 + V3)
Merk op dat de bekomen concentratie c2 altijd lager is dan de
beginconcentratie c1, maar hoger blijft dan de concentratie van de
verdunnende oplossing c3:
c3 < c2 < c1
HOOFDSTUK 4
WEETJE Vind je de koffie in de pot maar aan de slappe kant? Dan kan het helpen om een tas extra sterke espresso toe te voegen aan de pot. De koffie zal uiteindelijk sterker smaken dan de originele koffie, maar vanzelfsprekend minder sterk dan de espresso.
IN
VOORBEELDVRAAGSTUK Welk volume zilvernitraatoplossing van 0,100 mol moet je bij 80,0 mL L zilvernitraatoplossing van 0,500 mol voegen om een oplossing van L 0,200 mol te bekomen? L Gegeven: —
c1 = 0,500 mol L
V1 = 80,0 mL of 0,0800 L
—
c3 = 0,100 mol L c2 = 0,200 mol L
N
—
—
Gevraagd: V3
©
VA
Oplossing:
c1 · V1 + c3 · V3 = c2 · (V1 + V3)
(0,500 mol · 0,0800 L ) + (0,100 mol · V3) = 0,200 mol · (0,0800 L + V3) L L L
Als we de vergelijking oplossen naar V3, dan bekomen we: 0,040 mol + 0,100 mol · V3 = 0,0160 mol + 0,200 mol · V3 L L
0,024 mol = 0,100 mol · V3 L
V3 = 0,024 mol = 0,24 L of 240 mL mol 0,100 L
Antwoord: Het volume zilvernitraatoplossing van 0,100 mol dat je moet L toevoegen is 240 mL.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 4
159
HOOFDSTUK 5
Chemisch rekenen met gassen LEERDOELEN Je kunt al: L stofhoeveelheden omzetten
IN
naar de gevraagde eenheid en stoichiometrische hoeveelheden bepalen voor
Stoichiometrie leert ons wat de kwantitatieve verhoudingen zijn
vaste stoffen en vloeibare
waarin stoffen reageren. Dat is vrij eenvoudig te berekenen met vaste
oplossingen.
stoffen en oplossingen met een gekende concentratie. Bij sommige
Je leert nu:
reacties reageren of ontstaan echter gassen. De massa van een
L het verband gebruiken tussen
gas is moeilijk te bepalen. We kunnen wel het volume van een gas
meten, maar dat gasvolume is dan weer afhankelijk van de heersende
druk, volume en absolute
temperatuur en druk. Hier zullen we rekening mee moeten houden bij
temperatuur om de toestand
de omzetting van de stofhoeveelheid naar de eenheid mol.
N
de toestandsgrootheden
van een ideaal gas en de veranderingen ervan te
Uit het deeltjesmodel weet je al dat gassen bij een bepaalde druk en
beschrijven.
temperatuur een groter volume innemen per stofhoeveelheid dan
VA
vloeistoffen of vaste stoffen.
1
Het molaire gasvolume onder normomstandigheden
Ook het volume gas zullen we moeten omzetten naar een stofhoeveelheid, uitgedrukt in mol. Een gelijke molhoeveelheid van verschillende gassen
©
neemt bij een gelijke druk en temperatuur hetzelfde volume in. Als we het volume van 1 mol gas kennen, het molaire gasvolume Vm, (eenheid L ), mol dan kunnen we het aantal mol gas berekenen door het volume gas te delen
160
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
door het molaire gasvolume:
n= V Vm
Als we de stofhoeveelheid (aantal mol n) van een gas kennen, dan kunnen we door het omvormen van de formule ook het volume berekenen dat dat gas inneemt, zie afbeelding 102 op de volgende pagina.
HOOFDSTUK 5
V = n · Vm V = 22.4 L
1 mol O2 32.0 g O2 273° K 1 atm
1 mol N2 28.0 g N2 273° K 1 atm
IN
1 mol He 4.0 g He 273° K 1 atm
Afb. 102 Molair gasvolume
Gassen met een gelijke molhoeveelheid nemen bij een gelijke druk en temperatuur hetzelfde volume in:
N
V = n · Vm
We beschouwen een gas onder normomstandigheden (n.o.). We spreken over
normomstandigheden als de temperatuur i = 0 °C en de druk p = 1 013 hPa. Het molaire gasvolume is dan steeds 22,4 L . mol Als we dat getal onthouden, is het eenvoudig om vraagstukken op te lossen
©
VA
waarbij de reactie onder normomstandigheden plaatsvindt. We kunnen dan schakelen tussen het volume van het gas en het aantal mol door gebruik te V maken van dat molaire gasvolume: Vm = 22,4 L waarbij n = V = Vm 22,4 L mol mol VOORBEELDVRAAGSTUK 1
Bereken het volume van 15,0 g waterstofgas onder normomstandigheden.
Gegeven: —
—
m(H2) = 15,0 g n.o.
Gevraagd: V(H2) Oplossing: m(H2) 15,0 g = n(H2) = = 7,5 mol M(H2) 2,0 g mol n.o. : Vm = 22,4 L mol V = n · Vm V(H2) = 7,5 mol · 22,4 L = 1,7 · 102 L mol
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
HOOFDSTUK 5
161
OPDRACHT 19 Bereken het volume van 25,0 g koolstofdioxidegas onder normomstandigheden. Gegeven: —
—
m(CO2) = 25,0 g
n.o.
Gevraagd: V(CO2) Oplossing:
IN
N
VA
oplossingen (c, V) c= n V
n= m M delen door molaire massa (g/mol)
n=c·V
aantal mol n
aantal gram m
N = n · NA vermenigvuldigen met het getal van Avogadro (deeltjes/mol)
aantal deeltjes N
vermenigvuldigen met molaire massa (g /mol) m=n·M
delen door het getal van Avogadro (deeltjes/mol) n= N NA
©
n= V Vm bij n.o. Vm = 22,4 L
162
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
V = n · Vm bij n.o. 1 mol = 22,4 L
gassen (V, Vm ) ` Maak oefening 25 t/m 36 op p. 172-176.
HOOFDSTUK 5
THEMASYNTHESE
CHEMISCH REKENEN KERNBEGRIPPEN
NOTITIES
KERNVRAGEN
kennisclip
Hoofdstuk 1: Atoommassa, molecuulmassa, formulemassa gemiddelde relatieve atoommassa <Ar> =
A (massagetal) =
het gewogen gemiddelde van alle relatieve
Z (aantal protonen) + N (aantal neutronen)
atoommassa’s van de voorkomde isotopen
Grootheid
Symbool
stofhoeveelheid
molecuulmassa = de massa van een molecule
(aantal deeltjes)
alle relatieve atoommassa's in de molecule
stofhoeveelheid
N
deeltjes
m
g
n
mol
IN
de relatieve massa van een molecule = de som van
Eenheid
formulemassa = de relatieve massa van een formuleeenheid = de som van alle relatieve atoommassa's van de formule
(aantal gram)
stofhoeveelheid (aantal mol)
stofhoeveelheid = uitdrukking voor de hoeveelheid
van een stof, dat kan in aantal deeltjes, aantal gram of aantal mol.
N
Hoofdstuk 2: De mol en het getal van Avogadro
constante van Avogadro = een grootheid
symbool: NA
eenheid:
deeltjes mol
VA
NA = de constante van Avogadro= 6,02 · 1023
molaire massa = molecuulmassa of
formulemassa, aangevuld met de eenheid
Voordeel: 1 unit · NA= 1 g!
deeltjes mol
g mol
molverhouding = de verhouding (in mol) waarin de stoffen reageren
Hoofdstuk 3: Stoichiometrische vraagstukken
vraagstukken met 1 gegeven stofhoeveelheid
Volg het stappenplan op p. 146.
©
Hoofdstuk 4: Concentratie van een oplossing
een oplossing = een hoeveelheid opgeloste stof in een hoeveelheid oplosmiddel concentratie = de verhouding opgeloste stof per hoeveelheid oplossing ten opzichte van het totale volume van de oplossing
— massaconcentratie c =
m g ( ) V L
— molaire concentratie c =
n mol (eenheid: ) V L
oplossingen (c, V) c= n V
n= m M delen door molaire massa (g /mol)
aantal gram m vermenigvuldigen met molaire massa (g /mol) m=n·M
n=c·V
aantal mol n
N = n · NA vermenigvuldigen met het getal van Avogadro (deeltjes/mol)
aantal deeltjes N delen door het getal van Avogadro (deeltjes/mol) n= N NA
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
THEMASYNTHESE
163
THEMASYNTHESE
Hoofdstuk 4: Concentratie van een oplossing verdunningsformule met water c1 · V1 = c2 · V2 Een oplossing kun je verdunnen of indampen.
— Verdunnen met oplosmiddel: aantal mol opgeloste stof verandert niet
n1 = n2 of c1 · V1 = c2 · V2 concentratie daalt c2 < c1
— Indampen: oplosmiddel verdampt, aantal mol opgeloste stof verandert niet
n1 = n2 of c1 · V1 = c2 · V2 concentratie stijgt c2 > c1
oplossingen mengen
Mengen met andere oplossing, aantal mol opge-
IN
loste stof verandert wel n1 + n3 = n2
c1 · V1 + c3 · V3 = c2 · (V1 + V3)
concentratie daalt of stijgt maar c3 < c2 < c1
Hoofdstuk 5: Chemisch rekenen met gassen gasvolume onder normomstandigheden
— i = 0 °C
p = 1 013 hPa
N
→ molair gasvolume = 22,4
L mol
Gassen met een gelijke molhoeveelheid nemen bij een gelijke druk en temperatuur hetzelfde volume in. V = n · Vm
VA
oplossingen (c, V) c= n V
n= m M delen door molaire massa (g /mol)
aantal mol n
aantal gram m
©
n=c·V N = n · NA vermenigvuldigen met het getal van Avogadro (deeltjes/mol)
vermenigvuldigen met molaire massa (g /mol) m=n·M
delen door het getal van Avogadro (deeltjes/mol) n= N NA
n= V Vm bij n.o. Vm = 22,4 L
V = n · Vm bij n.o. 1 mol = 22,4 L
gassen (V, Vm )
164
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
aantal deeltjes N
THEMASYNTHESE
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis — Ik kan het verband aantonen tussen de relatieve en absolute massa van
— Ik kan het verband tussen stofhoeveelheid en molaire massa toepassen.
— Ik kan het verband leggen tussen mol, molaire massa en molaire concentratie
atomen.
— Ik kan uitleggen met voorbeelden wat een mol materie is met behulp van de constante van Avogadro.
2 Onderzoeksvaardigheden
IN
aan de hand van eenvoudige stoichiometrische berekeningen.
— Ik kan op basis van een gegeven formule, uit een gegeven massa de stofhoeveelheid in mol berekenen en omgekeerd.
— Ik kan de molecuulmassa van een molecuulverbinding of de formulemassa van een ionverbinding uit de atoommassa’s berekenen.
— Ik kan stoichiometrische vraagstukken oplossen.
— Ik kan de verhoudingen en evenredigheden tussen massa’s, volumes en stofhoeveelheden gebruiken en molaire grootheden en concentraties beschrijven.
N
— Ik kan het verband tussen stofhoeveelheid en massaconcentratie toepassen. invullen bij je Portfolio.
©
VA
` Je kunt deze checklist ook op
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
CHECKLIST
165
CHECK IT OUT
Meten is weten? Bekijk de video waarin 4 g ijzerpoeder en 7 g zwavel worden samengevoegd om ijzer(II)sulfide te bereiden volgens de reactie Fe + S → FeS. Die specifieke hoeveelheden zijn niet zomaar gekozen. Ze worden voorheen perfect stoichiometrisch berekend, zodat er niets overblijft van de reagentia en alles wordt omgezet naar ijzer(II)sulfide. De stofhoeveelheden werden nauwkeurig demovideo: ijzer(II)sulfide
uitgerekend. Vanaf nu ben je daartoe zelf ook in staat. Ga maar eens na of de gekozen massa’s ijzer en zwavel correct waren.
Maar wat gebeurt er als we diezelfde proef opnieuw uitvoeren met andere stofhoeveelheden?
— mengsel 1: 7 g ijzerpoeder en 4 g zwavel — mengsel 2: 7 g ijzerpoeder en 7 g zwavel
— mengsel 3: 10 g ijzerpoeder en 4 g zwavel
IN
Je leerkracht maakt in 3 verbrandingskroesjes volgende mengsels klaar om ijzer(II)sulfide te bereiden:
Je leerkracht mengt beide reagentia goed en plaatst een dekseltje op de verbrandingskroesjes. Die zet de kroesjes
op een driepikkel boven de bunsenbrander en wacht tot de mengsels reageren tot ijzer(II)sulfide. Zal dat steeds even
Waarneming:
Merk je enig visueel verschil tussen de 3 bekomen producten ?
VA
1
N
goed werken, denk je?
2
3
Wat kun je daaruit afleiden?
Na het afkoelen test je leerkracht bij de 3 kroesjes of het bekomen product wordt aangetrokken door een magneet. Wat kun je waarnemen?
Is er een mengsel waarbij zowel alle zwavel als ijzer is weg gereageerd?
©
4
Besluit:
!
In de keuken kun je hoeveelheden meten of wegen om een gerecht te bereiden, maar voor een chemicus is een goede kennis van stoichiometrie onmisbaar. Zo kan die exact bepalen welke hoeveelheden van stoffen met elkaar reageren en hoe je de massa van atomen kunt berekenen.
166
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
CHECK IT OUT
AAN DE SLAG
1
Noteer de correcte naam van de verbindingen en bereken hun molecuul- of formulemassa. a
CaSO4:
b NaNO3: c
MgF2:
d Fe2O3: e
2
Ag2S:
Twee van de ternaire zuren die je in thema 01 leerde kennen, hebben een massa van ongeveer
IN
98 u. Over welke zuren gaat het?
Bereken de molecuul- of formulemassa van de moleculen. Noteer de waarden op 1 decimaal nauwkeurig. a
O2:
b S8: c
H2:
d MgO: e f
H2SO4:
Al(lO3)3:
VA
g
SiCl4:
N
3
4
Bereken de molecuul- of formulemassa van de onderstaande chemische stoffen. Noteer de waarden op 1 decimaal nauwkeurig. a
CaCO3:
b Sil4: c
Be(OH)2:
©
d Al2(HPO4)3:
5
Wat bevat het grootste aantal moleculen: 1 mol stikstofgas of 1 mol zuurstofgas?
6
Bevat een mol stikstofgas evenveel atomen als moleculen?
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
167
7
Hoeveel mol vertegenwoordigt 6,00 g zuurstofgas?
8
Wat is de massa van 0,1 mol waterstofgas?
Hoeveel moleculen bevat 3,55 g chloorgas?
IN
9
10
Hoeveel mol vertegenwoordigt 3,4 g ammoniak (NH3)?
N
11
Wat is de massa van 2,8 mol ammoniumfosfaat ((NH4)3PO4)?
VA
12
Van de volgende stoffen is telkens een gegeven bekend: a
HNO3: N = 2,41 · 1024 formule-eenheden
b K2SO3 : n = 1,5 mol c
NaCl: n = 3,2 mol
d H2O: m = 1 000,0 g
e
C3H8 : m = 176,0 g
©
Bereken van elke stof de ontbrekende grootheden: molaire massa (M), stofhoeveelheid (n), aantal deeltjes (N), massa (m). Formule
a
HNO3
b K2SO3 c
NaCl
d H2O e
168
C3H8
M()
n(mol)
N(aantal deeltjes)
2,41 · 1024
3,2
1,5
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
m(g)
1 000,0 g 176,0 g
13
Bereken de massa van 0,200 mol stikstofgas.
14
Bereken de massa van 5,00 mol calciumsulfaat.
Hoeveel ionen zijn aanwezig in 28,6 g magnesiumchloride?
16
N
15
IN
Hoeveel kaliumionen zijn aanwezig in 19,55 g kaliummetaal?
VA
17
Hoeveel zuurstofatomen zijn aanwezig in 50,0 g natriumsulfiet Na2SO3?
©
18
Hoeveel mol vertegenwoordigen 3,01 · 1024 elektronen?
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
169
19
Goud is een gegeerd edelmetaal maar is op zich een te zacht edelmetaal om er sieraden mee te maken. Daarom gebruikt men een legering van goud met andere metalen. Het gehalte goud dat de legering dan bevat drukt een juwelier uit in ‘karaat’, oftewel 1/24ste massadeel goud. 24 karaat is dus zuiver goud, Maar voor sieraden wordt meestal 18-karaats goud gebruikt. Anke draagt een oorringetje van 18-karaats goud. Naast goud bevat het oorringetje enkel nog koper. Anke zegt dat het oorringetje meer goudatomen dan koperatomen bevat. Heeft ze gelijk? Bewijs met een berekening. Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
IN
20
N
Waterstofchloride reageert met 50,0 g natriumhydroxide. Daarbij ontstaan keukenzout en water.
VA
Hoeveel gram zuur heb je nodig en hoeveel gram zout ontstaat er? Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
©
Antwoord: 170
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
21
Bereken hoeveel gram kaliumhydroxide (KOH) kan reageren met 15,75 g salpeterzuur (HNO3). Bij deze reactie ontstaan kaliumnitraat (KNO3) en water. Hoeveel gram zout wordt er maximaal gevormd? Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
Antwoord:
Hoeveel gram calciumfosfaat Ca3(PO4)2 ontstaat door de reactie van 2,7 mol calciumhydroxide (Ca(OH)2)
VA
22
N
IN
met voldoende fosforzuur (H3PO4)? Bij deze reactie ontstaat naast calciumfosfaat ook water. Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
©
Antwoord:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
171
23
Wanneer een metaal en een zuur reageren, ontstaat vaak waterstofgas. Zink reageert bv. met zwavelzuur (H2SO4) tot zinksulfaat (ZnSO4) en waterstofgas (H2). Hoeveel gram zink moet reageren met een overmaat zwavelzuur om 6,0 g waterstofgas te bekomen? Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
IN
Antwoord:
24
N
Koolstofdisulfide (CS2) reageert met dizuurstof (O2)tot zwaveldioxide (SO2) en koolstofdioxide (CO2).
VA
Hoeveel gram zuurstofgas moet je hebben om 38,1 g koolstofdisulfide te verbranden? Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
©
Antwoord:
172
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
25
Butaan wordt verbrand bij gebruik van bijvoorbeeld de gasbarbecue volgens de reactie 2 C4H10 + 13 O2 → 8 CO2 + 10 H2O. Hoeveel gram zuurstofgas heb je nodig om
40,00 gram butaangas te verbranden. Hoeveel gram CO2 wordt daarbij gevormd? Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
IN
Antwoord:
26
N
Stel dat je auto op zuiver octaan rijdt en 5 600 gram octaan verbruikt over 100 kilometer. De verbrandingsreactie kan als
VA
volgt geschreven worden: 2 C8H18 + 25 O2 → 16 CO2 + 18 H2O a
A
A < 100 g CO2/km
B
B 100 ≤ g CO2/km < 130
C
C 130 ≤ g CO2/km < 160
D
D 160 ≤ g CO2/km < 190
E
E 190 ≤ g CO2/km < 190
F
F 220 ≤ g CO2/km < 250
Oplossing:
G
G ≥ 250 g CO2/km
worden auto’s ingedeeld in
Wat is de CO2uitstoot van je wagen in g/km?
b In welke klasse wordt jouw auto wordt ingedeeld? Gegeven:
Gevraagd:
©
BENZINE
Op basis van CO2-uitsoot
een categorie A tot G.
Antwoord:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
173
27
Gebluste kalk reageert met fosforzuur tot calciumfosfaat en water. Hoeveel g calciumfosfaat kan ontstaan mol bij de bij de inwerking van 15,0 g calciumhydroxide op 100 mL van een oplossing fosforzuur van 0,800 L reactie? 3 Ca(OH)2
+
2 H3PO4
→
Ca3(PO4)2
+
6 H2O
Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
IN
28
N
Men voegt 250,00 g zwavelzuur (H2SO4) en 300,00 g magnesiumhydroxide (Mg(OH)2) samen. Hoeveel gram
magnesiumsulfaat (MgSO4) wordt er gevormd? Hoeveel gram van welke stof blijft er over? Schrijf de reactie waarbij ook water ontstaat. H2SO4
+
→
MgSO4
VA
Gegeven:
Mg(OH)2
Gevraagd: Oplossing:
©
174
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
+
H2O1,43 g
29
Je beschikt over 100,00g kaliumhydroxide (KOH) en 100,50g perchloorzuur (HClO4). Hoeveel gram
kaliumperchloraat (KClO4) kan er maximaal worden gevormd? Schrijf de reactie waarbij ook water ontstaat. KOH
+
HClO4
→
KClO4
+
H2O
Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
Welke oplossing heeft de hoogste concentratie: een keukenzoutoplossing met massaconcentratie van 6 % mol ? of een keukenzoutoplossing met molaire concentratie van c = 1 L Gegeven:
Gevraagd:
VA
Oplossing:
N
30
IN
Hoeveel gram natriumchloride moet je oplossen in water om 3,00 L van een oplossing van 2,00
te bereiden?
mol L
Gegeven:
©
31
Gevraagd: Oplossing:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
175
32
200 mL van een natriumhydroxideoplossing bevat 2,00 g natriumhydroxide. Wat is de concentratie in mol van die oplossing? L Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
33
IN
Natriumhydroxide reageert met fosforzuur tot natriumfosfaat en water. Hoeveel gram natriumhydroxide en hoeveel gram fosforzuur moet je hebben om 100 g natriumfosfaat te vormen? Veronderstel dat het
fosforzuur en de base (NaOH) elk opgelost zijn in een halve liter oplossing, wat zijn dan de concentraties Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
VA
N
van de oorspronkelijke oplossingen en van de gevormde zoutoplossing?
©
34
2,50 L van een calciumhydroxideoplossing (Ca(OH)2) reageert met 2,00 L van een oplossing van mol tot calciumhypochloriet (Ca(ClO)2) en water. Wat is de concentratie hypochlorigzuur (HClO) van 3,00 L van de calciumhydroxideoplossing?
Hoeveel gram zout ontstaat er? Gegeven:
Gevraagd:
176
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
Oplossing:
mol Bereken de hoeveelheid water die je aan 1,5 L van een calciumhydroxideoplossing van 0,80 L mol te bekomen. moet toevoegen om een oplossing van 0,70 L Gegeven:
Gevraagd:
Oplossing:
VA
N
35
IN
Antwoord:
Je lost 49,0 g fosforzuur op in water en vormt een halve liter oplossing. Hoeveel water moet je mol te bekomen? toevoegen om een concentratie van 0,0100 L Gegeven:
Gevraagd:
©
36
Oplossing:
Antwoord: GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
177
37
mol . Een student moet 500 mL keukenzoutoplossing bereiden met een concentratie van 0,90 L mol en voldoende Die beschikt over 800 mL zoutoplossing met een concentratie van 1,00 L demi-water. Geef een te volgen werkwijze om de gevraagde oplossing te maken. Gegeven:
Gevraagd: Oplossing:
IN
Hoeveel liter kaliumchlorietoplossing van 0,30 van 0,70
mol moet je toevoegen aan 2,5 L kaliumchlorietoplossing L
N
38
mol mol om een oplossing van 0,60 te bekomen? L L
Gegeven:
VA
Gevraagd:
Oplossing:
Antwoord:
39
Aan 300 mL keukenzoutoplossing met een concentratie van 0,60
©
keukenzoutoplossing met een concentratie van 0,40 de bekomen oplossing?
Gegeven:
Gevraagd:
Oplossing:
Antwoord: GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
mol toegevoegd. Wat is de concentratie van L
178
mol wordt 200 mL L
AAN DE SLAG
40
mol moet je aan 500 mL zwavelzuuroplossing L mol mol van 0,090 toevoegen om een oplossing van 0,10 te bekomen? L L
Welk volume zwavelzuuroplossing van 0,12
Gegeven:
Oplossing:
Antwoord:
41
N
Gevraagd:
IN
Bereken het volume van 15,0 g waterstofgas onder normomstandigheden. Gegeven:
VA
Gevraagd:
Oplossing:
Bereken het volume van 25,0 g koolstofdioxidegas onder normomstandigheden. Gegeven:
©
42
Gevraagd:
Oplossing:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
179
43
Welk volume nemen 8,0 · 1026 moleculen stikstofgas in onder normomstandigheden? Wat is de totale massa van die moleculen? Gegeven:
Gevraagd:
Oplossing:
IN
44
Bij de reactie van waterstofchloride met calciumcarbonaat ontstaan calciumchloride, water
en koolstofdioxide. Hoeveel liter koolstofdioxide ontstaat er onder normomstandigheden als je Gegeven:
Gevraagd:
VA
Oplossing:
N
begint met 25,0 g waterstofchloride en een overmaat aan calciumcarbonaat?
45
Zink reageert met waterstofchloride tot zinkchloride en waterstofgas. Hoeveel liter waterstofgas wordt er gevormd als je 1 000 kg zink laat reageren met voldoende waterstofchloride? Welke massa zuur moet je daarvoor gebruiken? De reactie vindt plaats onder normomstandigheden.
Gevraagd:
©
Gegeven:
Oplossing:
180
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
46
Hoeveel gram zink moet reageren met een overmaat aan zwavelzuur om onder normomstandigheden 1,5 L waterstofgas te bekomen? Gegeven:
Gevraagd:
Oplossing:
©
VA
` Meer oefenen? Ga naar
N
IN
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
AAN DE SLAG
181
Notities
VA
N
IN
©
182
GENIE Chemie 4.2 THEMA 03
©
VA
N
IN
THEMA 04 POLARITEIT EN OPLOSBAARHEID
CHECK IN
Het regent, het regent. De pannen worden nat. Uitdaging! Ontdek wie of wat er nat wordt in de regen: de plant, de vogel of de vrouw met krantenpapier boven haar hoofd? Wat heb je nodig? een blad van een plant een vogelveer
IN
krantenpapier
een glas water
Hoe ga je te werk?
Giet een beetje water uit het glas op het blad, de veer en het krantenpapier. Wat neem je waar?
N
— —
VA
—
WEETJE
Meer weten over dat natuurlijk
fenomeen en de toepassing ervan in de technologie? Bekijk de video.
©
Welke toepassingen zie jij nog?
video: lotuseffect
?
` Hoe komt het dat de veren van sommige vogels geen water opnemen en papier wel? ` Hoe komt het dat waterdruppels gemakkelijk van een plant rollen? ` Kunnen we voorspellen welke stoffen water opnemen en welke niet? ` Kunnen we voorspellen welke stoffen in elkaar oplossen? We zoeken het uit!
184
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
CHECK IN
VERKEN
Mengsels, elementen en bindingen OPDRACHT 1
Noteer welk mengsel je ziet. 2
suiker en water
OPDRACHT 2
Geef het juiste antwoord. Vink de metalen aan. Ca
Mg
F
Fe Li
VA
H
inkt en water
N
4
water en olie
keukenzout en water
1
3
IN
1
O
Br
He
S
Na
N
C
2
P
Hoeveel elektronen hebben de volgende elementen op hun buitenste schil? Gebruik, indien nodig, je PSE. F:
O:
H:
Na:
©
F:
OPDRACHT 3
N:
Welke soort binding treffen we aan in stoffen die opgebouwd zijn uit de volgende elementen? a
H en O:
b Na en Cl: c
C en H:
d C en O: e
Mg en O:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
VERKEN
185
HOOFDSTUK 1
Polaire en apolaire moleculen LEERDOELEN Je kunt al: L uitleggen dat de binding tussen 2 niet-metalen een
IN
atoombinding is;
L de lewisstructuur van een molecule tekenen. Je leert nu:
Een molecule is opgebouwd uit een bepaald aantal niet-metaalatomen, al dan niet van
L de betekenis van elektronegativiteit begrijpen;
L bepalen of een covalente binding polair of apolair is; L op basis van de structuur bepalen of een molecule polair of apolair is.
dezelfde soort. Die atomen zijn met elkaar verbonden door een gemeenschappelijk
elektronenpaar. De symbolen van die atomen worden weergegeven in de formule en het
N
aantal van elke soort wordt weergegeven door de index.
Het dipoolkarakter van water
VA
1
Ongeveer 70 % van het aardoppervlak is bedekt met water. Organismen bestaan bovendien voor een groot gedeelte uit water. Zonder water is er geen leven. Ook tijdens de chemielessen gebeuren heel wat experimenten in een waterige oplossing. Het is daarom belangrijk om even te kijken wat water zo speciaal maakt.
OPDRACHT 4 DEMO
Invloed van een geladen staaf op een straal water en n-pentaan
©
Werkwijze
1
Je leerkracht vult een buret met n-pentaan (C5H12) en plaatst er een beker onder. Je leerkracht brengt
negatieve ladingen aan op een kunststof lat of staaf door er met een wollen of zijden doek over te wrijven.
2
De leerkracht opent het kraantje en houdt de negatief geladen staaf naast de straal n-pentaan die uit
3
Door papier te wrijven over een glazen staaf, ontstaat er een glasstaaf die positief geladen is. De
de buret loopt.
leerkracht opent het kraantje en houdt de positief geladen staaf naast de straal n-pentaan die uit de buret loopt. 4
Je leerkracht brengt daarna achtereenvolgens een negatieve en een positieve staaf naast een waterstraal die uit een andere buret stroomt.
186
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 1
Waarnemingen 1
Teken op afb. 103 wat je ziet.
2
Vervolledig de waarnemingen. Omcirkel het juiste antwoord. Straal pentaan:
buret gevuld met n-pentaan
— negatief geladen staaf: de straal
buret gevuld met water
buret gevuld met water
pentaan wordt NIET / WEL aangetrokken door de negatieve geladen staaf
— positief geladen staaf: de straal pentaan
geladen staaf
wordt NIET / WEL aangetrokken door de
negatief geladen staaf
positief geladen staaf
IN
positief geladen staaf
Waterstraal:
— negatief geladen staaf: de waterstraal wordt NIET / WEL aangetrokken door de negatieve geladen staaf
Afb. 103 Invloed van een geladen staaf op n-pentaan en een straal water
— positief geladen staaf: de waterstraal wordt
N
NIET / WEL aangetrokken door de positief geladen staaf
Water (H2O) is een molecule opgebouwd uit 2 waterstofatomen (H) en een
zuurstofatoom (O). Watermoleculen zijn neutraal, wat wil zeggen dat een
waterdeeltje niet negatief of positief geladen is. Toch worden watermoleculen aangetrokken door zowel negatieve als positieve ladingen. Dat kan worden verklaard doordat water zowel een positief geladen als een negatief geladen
VA
zijde of pool heeft:
Afb. 104 Watermoleculen zijn neutraal: ze zijn niet positief of negatief geladen.
TIP
Tegengestelde ladingen trekken elkaar aan!
Of zoals het Engelse spreekwoord luidt:
©
opposites attract.
— Als een positieve lading in de buurt wordt gebracht van een straal water,
worden de negatieve zijden van alle watermoleculen aangetrokken. Hierdoor buigt de waterstraal zich naar de positieve lading.
— Als een negatieve lading in de buurt van een waterstraal wordt gebracht,
dan trekt die de positieve zijde van alle watermoleculen aan, waardoor de straal ook naar de lading afgebogen wordt.
Omdat water gekenmerkt wordt door een negatieve pool en een positieve pool, is water een voorbeeld van een polaire molecule of een dipoolmolecule. n-pentaan wordt niet aangetrokken door een positieve of negatieve lading, omdat ze geen positieve of negatieve zijde heeft. n-pentaan is dus een voorbeeld van een apolaire molecule.
— Een molecule die zowel een positief geladen als een negatief geladen
pool heeft, wordt een polaire molecule of een dipoolmolecule genoemd.
— Moleculen die geen positieve en negatieve pool hebben, worden apolaire moleculen genoemd.
Afb. 105 n-pentaan is een apolaire molecule.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 1
187
Of een molecule polair of apolair is, hangt af van de structuur van de molecule en de mate waarin de atomen in de molecule geneigd zijn om elektronen naar zich toe te trekken. In de volgende delen zul je leren om te voorspellen of een molecule polair of apolair is.
2
De elektronegativiteit
Sommige elementen (zoals metalen) staan liever elektronen af terwijl
TIP
IN
anderen (zoals niet-metalen) liever elektronen opnemen. Dat hangt af van
De EN-waarde vind je
een aantal eigenschappen zoals de grootte van de positieve kernlading,
terug op het PSE. 12
het aantal elektronen en de schikking van de elektronen op de schillen. Die
factoren leiden tot een grotere of minder grote aantrekkingskracht op andere
1,2
elektronen: de elektronegatieve waarde van een atoom.
Mg
De elektronegatieve waarde of de elektronegativiteit (EN) drukt uit in welke
magnesium
24,31
mate een element geneigd is om elektronen naar zich toe te trekken. De
elektronegatieve waarde ligt tussen 0,7 en 4 en is een onbenoemd getal: ze
N
heeft geen eenheid. Hoe groter de elektronegatieve waarde van een element, hoe sterker de neiging van een element om elektronen aan te trekken.
OPDRACHT 5
VA
Zoek de EN-waarde op in je PSE en onderzoek het verband tussen de EN van een element en de plaats van een element op het PSE. 1
Vul de tabel aan met het element met de hoogste en laagste EN. Element
element met hoogste EN element met laagste EN
2
Zoek de EN op van de volgende elementen en orden ze volgens stijgende elektronegatieve waarde.
©
Br – O – N – W – At – Er
Element
EN
188
EN
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 1
3
Bestudeer de EN-waarde van de verschillende elementen in eenzelfde groep. Wat stel je vast?
4
Bestudeer de EN-waarde van de verschillende elementen in eenzelfde periode. Wat stel je vast?
5
Noteer in de pijlen of de EN in de aangegeven richting stijgt of daalt op het PSE.
He
H
B
C
N
O
F
Ne
Al-
Si
P
S
Cl-
Ar
Be
Na
Mg
K
Ca
Sc
Ti
V
Cr
Mn
Fe
Co
Ni
Cu
Zn
Ga
Ge
As
Se
Br
Kr
Rb
Sr
Y
Zr
Nb
Mo
Tc
Ru
Rh
Pd
Ag
Cd
In
Sn
Sb
Te
I
Xe
Cs
Ba
La
Hf
Ta
W
Re
Os
Ir
Pt
Au
Hg
Tl-
Pb
Bi
Po
At
Rn
Fr
Ra
Ac
Rf
Db
Sg
Bh
Hs
Mt
Ds
Rg
Cn
Nh
Fl-
Mc
Lv
Ts
Og
Ce
Pr
Nd
Pm Sm
Eu
Gd
Tb
Dy
Ho
Er
Tm
Yb
Lu
Th
Pa
U
Np
Am
Cm
Bk
Cf
Es
Fm
Md
No
Lr
IN
Li
N
Pu
6
Bij sommige elementen op het periodieke systeem staat geen EN. Welke elementen zijn dat?
7
Verklaar waarom erbij die elementen geen EN-waarde staat.
VA
Waar op het PSE staan dus de meest elektronegatieve elementen?
©
8
De elektronegatieve waarde of de elektronegativiteit (EN) is een onbenoemd getal dat weergeeft in welke mate een element geneigd is om elektronen naar zich toe te trekken.
` Maak oefening 1 en 2 op p. 224.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 1
189
3
Polariteit van de binding
OPDRACHT 6
Beantwoord de vragen. Zoek de EN op van elk element in deze stoffen. EN(H) =
EN(H) =
H H
EN(S) =
EN(C) =
EN(S) =
S C S
IN
1
2
Bereken het verschil in EN (ΔEN) van de atomen die door een atoombinding met elkaar zijn verbonden.
3
∆EN =
∆EN =
Welke van de atomen die met elkaar zijn verbonden door een atoombinding, trekt het hardst aan het
gemeenschappelijk elektronenpaar?
N
Wanneer 2 atomen met eenzelfde EN gebonden zijn door middel van een atoombinding, dan trekken beide atomen even hard aan de elektronen van de atoombinding. Het gemeenschappelijk elektronenpaar bevindt zich dan
VA
perfect tussen de 2 atoomkernen. Zo’n atoombinding noemen we een apolaire atoombinding.
Afb. 106 Apolaire covalente binding
Het verschil tussen de EN van beide atomen (grootste EN – kleinste EN) duiden we aan met ΔEN.
OPDRACHT 7
Onderzoek de eigenschappen van de atoombinding in HCl. Waterstofchloride heeft als formule HCl. Het waterstofatoom is verbonden door een covalente binding met
©
het chlooratoom. 1
Zoek de EN op van elk element in die en schrijf ze boven elk element.
EN(H) =
EN(Cl) =
H CI
2
Bereken het verschil in EN van de elementen die met elkaar verbonden zijn door een atoombinding.
3
∆EN =
4
190
Welk element trekt het hardst aan de gemeenschappelijke elektronen van de atoombinding? Zijn de elektronen positief of negatief geladen?
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 1
5
Vul aan: Als de gemeenschappelijke elektronen van de atoombinding verschuiven in de richting van het element met de
EN, dan wordt dat element gedeeltelijk
geladen.
Als 2 atomen die verbonden zijn door een atoombinding, een verschillende elektronegatieve waarde hebben, dan zal het atoom met de hoogste EN het hardst aan de elektronen van de atoombinding trekken. Hierdoor zal het bindend elektronenpaar zich niet perfect in het midden tussen de
IN
2 kernen bevinden, maar verschuiven naar het element met de hoogste
elektronegativiteit. Een dergelijke atoombinding noemen we een polaire Afb. 107 Polaire covalente binding
atoombinding.
Doordat de elektronen van de atoombinding nu dichter bij het atoom met
de hoogste EN liggen, wordt dat atoom gedeeltelijk negatief geladen. Maar
omdat de elektronen van de atoombinding nog steeds gedeeld worden met
het andere atoom, spreekt men van een negatieve deellading of een partieel
N
negatieve lading. Die negatieve lading wordt aangeduid met het symbool δ-.
Doordat de elektronen van de atoombinding nu het verst van het atoom met de laagste EN liggen, wordt dat atoom gedeeltelijk positief geladen. Omdat de elektronen van de atoombinding nog steeds gedeeld worden met het andere atoom, spreekt men van een positieve deellading of een partieel
©
VA
positieve lading. Die positieve lading wordt aangeduid met het symbool en δ+. De grootte van de positieve en negatieve deelladingen rond een atoombinding neemt toe naarmate het verschil in EN van de atomen groter wordt.
EN(H) = 2,1
EN(Cl) = 3,0
H CI
H
CI
δ+
δ-
H CI
Afb. 108 Door het verschil in EN tussen het element waterstof en chloor, verschuiven de elektronen van de atoombinding in de richting van het element chloor. Daardoor krijgt het element waterstof een partieel positieve lading en het element chloor een partieel negatieve lading.
Opgelet! De waarde ΔEN tussen de 2 elementen moet voldoende groot zijn om een polaire binding te hebben. Pas als het verschil in EN groter is dan 0,5 wordt van een polaire binding gesproken. ΔEN < 0,5 → apolair ΔEN > 0,5 → polair
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 1
191
De waarde ΔEN geeft het verschil aan tussen de EN van de 2 atomen waartussen een atoombinding zich bevindt. Als ΔEN < 0,5, dan bevindt het bindend elektronenpaar van de atoombinding zich in het midden tussen de 2 kernen en spreken we van een apolaire covalente binding of een apolaire atoombinding. In een molecule ontstaat tussen 2 atomen een polaire atoombinding als ΔEN > 0,5. Het bindend elektronenpaar bevindt zich dan niet perfect tussen beide atoomkernen. Door de verschuiving van het bindend elektronenpaar, krijgt het atoom met de hoogste EN een negatieve deellading (δ-) en het
IN
atoom met de laagste EN een positieve deellading (δ+). ` Maak oefening 3 en 4 op p. 224-225.
Polariteit van moleculen
N
4
Dipolen of polaire moleculen zijn neutrale moleculen met zowel een positief als een negatief geladen zijde. Die positief en negatief geladen zijden zijn een gevolg van de aanwezigheid van polaire atoombindingen én de ruimtelijke structuur van de molecule.
VA
Als de molecule is opgebouwd uit 2 atomen die verbonden zijn door een polaire atoombinding, dan ontstaat er een molecule met aan de ene zijde
δ+
H
Cl
δ–
Afb. 109 Zoutzuur (HCl) is een polaire molecule. Ze heeft een positieve zijde (blauw) en een negatieve zijde (rood).
een positieve (partiële) lading en aan de andere zijde een negatieve (partiële) lading: een dipool of polaire molecule. In een molecule die 2 of meerdere polaire atoombindingen bevat, zullen meerdere atomen een positieve en/of negatieve partiële ladingen hebben. Valt het centrum van de negatieve deelladingen niet samen met het centrum van de positieve deelladingen, dan heeft de molecule een positieve en negatieve zijde en is ze een dipool. Vallen de centra van de positieve en negatieve deelladingen wél samen, dan is de molecule apolair omdat er geen
©
positieve en negatieve pool aanwezig is.
192
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
TIP Als een atoom elektronen van meerdere bindingen sterker naar zich toetrekt, dan noteren we een getal voor δ.- Een atoom dat, door zijn grotere EN-waarde, bijvoorbeeld de elektronen van 2 gebonden atomen naar zich toetrekt, zal zo een deellading 2δ- hebben.
HOOFDSTUK 1
OPDRACHT 8
Onderzoek de polariteit van water en koolstofdioxide 1
De molecule water Water is opgebouwd uit 2 waterstofatomen en een zuurstofatoom. Net zoals andere moleculen heeft water een bepaalde ruimtelijke, driedimensionale structuur. De 3 atomen bevinden zich niet op een rechte lijn (zie figuur 1), maar de molecule is ‘geknikt’ (zie figuur 2). De hoek tussen beide waterstofatomen bedraagt 104,5° (zie figuur 3). 2
H O H a
H
O
3
H
O
δ–
δ–
IN
1
EN(H) =
δ+
H
H
104,5°
δ+
EN(O) =
Zoek in het PSE de EN-waarde op van waterstof en zuurstof. Noteer dat bij figuur 2.
c
N
b Is de binding tussen waterstof en zuurstof een polaire of een apolaire binding? Motiveer je antwoord.
Duid de partiële ladingen in de molecule aan in figuur 3.
d Duid aan in de structuurformule:
VA
— met een blauwe stip het centrum van de negatieve ladingen;
e
— met een rode stip het centrum van de positieve ladingen.
Is de molecule water polair of apolair? Motiveer je antwoord.
De molecule koolstofdioxide
Koolstofdioxide bestaat uit een koolstofatoom dat gebonden is aan 2 zuurstofatomen. Koolstof heeft de lineaire structuur (zie thema 02) en de 3 atomen bevinden zich op een rechte lijn.
©
2
O
C
O
EN(C) =
EN(O) =
O
C
O
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 1
193
a
Zoek in het PSE de EN-waarde op van koolstof en zuurstof. Noteer op de figuur.
b Is de binding tussen koolstof en zuurstof een polaire of een apolaire binding? Motiveer je antwoord.
c
Duid de partiële ladingen in de molecule aan.
d Duid aan: — met een blauwe stip: het centrum van de negatieve ladingen; Is de molecule koolstofdioxide polair of apolair? Motiveer je antwoord.
IN
e
— met een rood kruis: het centrum van de positieve ladingen.
N
Wanneer een geladen voorwerp in de buurt van een dipool wordt gebracht, zullen de dipoolmoleculen zich oriënteren als gevolg van die lading. Breng je een positieve lading in de buurt van dipoolmoleculen, dan zal de negatieve zijde van alle moleculen aangetrokken worden en de positieve zijde afgestoten. Omgekeerd zal een negatieve lading de positieve zijde van dipoolmoleculen aantrekken en de negatieve zijde ervan afstoten. Dat
VA
verklaart waarom een waterstraal dus zowel aangetrokken wordt door een negatief als een positief geladen staaf.
OPDRACHT 9
Teken een aantal moleculen water in de afbuigende waterstraal wanneer die in de buurt van een positieve en negatieve staaf wordt gehouden.
©
buret gevuld met water
194
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
positief geladen staaf
HOOFDSTUK 1
buret gevuld met water
negatief geladen staaf
buret gevuld buret gevuld met n-pentaan met water
geladen positief staaf geladen staaf
buret gevuld met water
negatief geladen staaf
buret gevuld met n-pentaan
geladen staaf
OPDRACHT 10
Onderzoek de polariteit van n-pentaan. De molecule n-pentaan heeft als formule C5H12.
H H H H H H C C C C C H H H H H H
Afb. 110 Een molecule n-pentaan
EN(C) =
EN(H) =
Zoek in het PSE de EN-waarde op van waterstof en koolstof. Noteer dat op de figuur.
2
Is de binding tussen koolstof en waterstof een polaire of een apolaire binding? Motiveer je antwoord.
3
4
IN
1
Duid de partiële ladingen in de molecule aan.
Is de molecule n-pentaan polair of apolair? Motiveer je antwoord.
N
Als in een molecule enkel apolaire atoombindingen voorkomen, dan zijn er geen partiële ladingen aanwezig. De molecule bevat bijgevolg ook geen negatieve en positieve pool. Een molecule met alleen maar apolaire
VA
bindingen zal daarom altijd een apolaire molecule zijn. Om na te gaan of een molecule een dipool is of niet, volg je het volgende schema:
Polaire bindingen
aanwezig (ΔEN > 0,5)?
©
NEE
JA
Apolaire
Valt centrum positieve
molecule
deelladingen samen met centrum negatieve deelladingen? JA
Apolaire molecule
NEE Polaire molecule
Schema 3 Polaire of apolaire moleculen
Let op: een molecule is pas een dipoolmolecule wanneer ze aan 2 voorwaarden voldoet: 1
Er moeten polaire bindingen aanwezig zijn.
2
De ladingscentra van de positieve en negatieve deelladingen mogen niet samenvallen.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 1
195
TIP Je kunt een polaire of apolaire binding ook als volgt voorstellen: Geiten die duwen tegen of trekken aan een paal, vertegenwoordigen een polaire binding. Als de geiten sterk genoeg zijn (ΔEN > 0,5) en hun krachten elkaar niet in evenwicht houden, dan wordt de paal schuin of
IN
omvergeduwd. Dan is de molecule een dipool.
In het geval van water In een molecule zullen de geiten de
CO2 trekken beide
In een molecule
zoals CH4 zijn er geen
paal omverduwen.
geiten aan de paal in
polaire bindingen
Water is dus polair.
tegengestelde zin én
aanwezig. De geiten
even hard. De
duwen of trekken
2 geiten werken
niet. De paal blijft dus
elkaar zo tegen dat de staan. De molecule
N
paal blijft staan. CO2 is dus een apolaire
CH4 is dus apolair.
molecule.
VA
— Een molecule met uitsluitend apolaire atoombindingen is altijd apolair.
— Een molecule die polaire atoombindingen bevat, kan polair of apolair zijn: •
Als het centrum van de positieve deelladingen samenvalt met het
centrum van de negatieve deelladingen, dan is de molecule apolair.
•
Vallen de centra van de positieve en negatieve deelladingen niet samen, dan heeft de molecule een positieve en negatieve zijde. Het is een dipoolmolecule.
©
` Maak oefening 5 op p. 225.
196
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 1
WEETJE Om na te gaan of een molecule een dipool is, wordt vaak gebruikgemaakt van dipoolvectoren. Een dipoolvector is een symbolische voorstelling voor de kracht die op een elektronenpaar wordt uitgeoefend. De grootte van de vector is evenredig met het verschil in EN-waarden van beide gebonden atomen: de zin gaat van de partieel positieve naar de partieel negatieve lading. Dipoolvectoren kun je, net zoals vectoren in de wiskunde en fysica optellen. Als de som van de vectoren, de resultante, niet gelijk is aan nul, dan dan is het een dipool(molecule) of een polaire molecule en is
IN
er een positieve en negatieve zijde aanwezig.
Als we de dipoolvectoren in een watermolecule verschuiven om in
hetzelfde punt aan te grijpen, dan zien we duidelijk dat de resultante (in het rood) niet gelijk is aan nul. Water is duidelijk een polaire molecule, met een positieve en een negatieve zijde.
δ-
δ+
H
δ-
δ+
δ+
H
O
δ-
H
δ+
©
VA
N
H
O
δ-
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 1
197
HOOFDSTUK 2
Intermoleculaire krachten
LEERDOELEN Je kunt al:
IN
L bepalen of een atoombinding polair of apolair is;
Vorig jaar zijn de 3 aggregatietoestanden al aan bod gekomen.
L bepalen of een molecule polair
In een vaste stof zitten deeltjes op elkaar gestapeld, vaak op
of apolair is.
een zeer regelmatige manier in een rooster. Wanneer een vaste stof smelt, krijgen de deeltjes een hogere bewegingsvrijheid
Je leert nu:
en rollen ze over elkaar. Als een vloeistof de kooktemperatuur
L de verschillende soorten krachten
bereikt, dan komen de deeltjes volledig los van elkaar en krijgen
tussen moleculen onderscheiden;
ze een nog grotere bewegingsvrijheid: ze gedragen zich nu als
L uitleggen dat intermoleculaire
N
een gas. De aggregatietoestand van een stof bij een bepaalde
krachten mee het kookpunt en
temperatuur is deels een gevolg van
smeltpunt van een stof bepalen.
de aantrekkingskrachten tussen de deeltjes waaruit ze is opgebouwd.
Invloed van massa en polariteit op het kookpunt van een stof
VA
1
Bij kamertemperatuur zijn sommige stoffen vast, terwijl anderen vloeibaar of een gas zijn. De aggregatietoestand hangt af van het smelt- en kookpunt van de stof.
OPDRACHT 11
©
Onderzoek het verband tussen het kookpunt en de eigenschappen van een stof. 1
Maak een grafiek waarin je het kookpunt (y-as) uitzet ten opzichte van de relatieve massa van de
molecule (x-as). Gebruik voor elke reeks een andere kleur. Reeks
REEKS 1
REEKS 2
198
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
Stof
Kookpunt in °C
De relatieve massa van de molecule
H2S
-60
34,1
H2Se
-41,25
80,98
H2Te
-2,2
129,62
PH3
-87,7
33,99
AsH3
-62,5
77,95
SbH3
-17
124,78
HOOFDSTUK 2
Reeks
Stof
REEKS 3
REEKS 4
Kookpunt in °C
De relatieve massa van de molecule
C2H6
-88,63
30,07
C3H8
-42
44,1
C4H10
-1
58,12
ICl
97,4
162,35
Br2
58,8
159,8
Tabel 7 Kookpunten van enkele stoffen
kooktemperatuur in °C
reeks 1 125 100 75
–25
0
20
reeks 3
reeks 4
40
60
80
100
120
140
X water
molecuulmassa in unit
160
180
VA
–25
reeks 2
N
50
IN
150
–50
–75
–100
Beantwoord de vragen. a
Bekijk de resultaten van reeks 1, 2 en 3. Wat is het verband tussen de massa en het kookpunt?
b Welke stoffen van reeks 4 zijn dipoolmoleculen en welke apolaire stoffen?
©
2
c
Wat is het effect van de polariteit op het kookpunt als je stoffen met ongeveer dezelfde massa
vergelijkt?
d Teken nu in de grafiek het kookpunt van water erbij. De relatieve massa van water is 18. e
Water zou in reeks 1 moeten liggen. Dat zijn allemaal verbindingen van waterstof met een element uit hoofdgroep VIa. Ligt het kookpunt in lijn van de verwachtingen op basis van a?
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 2
199
TIP Je kunt het vergelijken met een zwembad vol ballen. Opblaasbare strandballen zullen sneller uit het bad vliegen dan bowlingballen van eenzelfde grootte.
Wanneer we het kookpunt van gelijksoortige, apolaire stoffen met elkaar vergelijken (reeks 1, reeks 2 en reeks 3), valt uit de grafiek het verband tussen het kookpunt en de molecuulmassa af te leiden: hoe hoger de massa van de deeltjes, hoe hoger het kookpunt. Dat komt doordat zwaardere moleculen moeilijker ontsnappen aan de zwaartekracht en er meer energie nodig is om de moleculen te doen bewegen. In vergelijking tot lichtere moleculen zullen zwaardere moleculen pas bij een hogere temperatuur over elkaar (vloeistof) rollen of van elkaar loskomen (gas). Als je het kookpunt van stoffen met een gelijkaardige massa vergelijkt (reeks 4), dan valt op dat het kookpunt van polaire verbindingen of dipoolmoleculen hoger ligt dan het kookpunt van apolaire verbinding.
IN
Dat komt doordat er tussen polaire moleculen sterkere intermoleculaire
krachten bestaan: krachten die tussen de moleculen heersen en de moleculen bij elkaar houden. Pas als die intermoleculaire krachten verbroken worden,
komen deeltjes los van elkaar. Omdat het verbreken van die intermoleculaire
krachten energie kost, zullen stoffen die opgebouwd zijn uit dipoolmoleculen, hogere kookpunten hebben. Water heeft, ondanks zijn zeer lage molecuulmassa (18 unit), een bijzonder hoog kookpunt: 100 °C.
Dat kookpunt ligt veel hoger dan dat van verbindingen tussen waterstof en de andere elementen van de 6de groep. Dat wijst erop dat er tussen
N
watermoleculen bijzonder sterke krachten heersen die veel energie vereisen om ze te verbreken.
Die intermoleculaire krachten hebben een gelijkaardig effect op het
VA
smeltpunt van stoffen.
De massa van deeltjes heeft een invloed op het kookpunt van de stof. Hoe hoger de massa, hoe hoger het kookpunt. Polaire verbindingen hebben een hoger kookpunt dan apolaire verbindingen met een gelijkaardige massa. Dat is een gevolg van het bestaan van krachten die tussen de moleculen heersen: de intermoleculaire krachten.
Intermoleculaire krachten
©
2
2.1 De Londonkracht of Londondispersiekracht Apolaire moleculen hebben geen polaire bindingen en dus geen permanente negatief geladen en positief geladen pool. Je zou dus denken dat er geen elektrostatische aantrekking (aantrekking tussen + en – ladingen) tussen de moleculen is. Maar doordat elektronen continu in beweging zijn, ontstaan er kortstondig minieme ladingsverschuivingen in moleculen, waardoor de moleculen elkaar een klein beetje aantrekken. Die zwakke intermoleculaire aantrekkingskrachten noemen we de Londonkrachten of de Londondispersiekrachten. Die krachten zijn aanwezig in alle moleculen,
200
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 2
dus ook in dipoolmoleculen, maar het zijn de enige intermoleculaire krachten in apolaire moleculen. De grootte van de Londonkracht neemt toe naarmate de molecule groter wordt. asymmetrische verdeling van elektronen
symmetrische verdeling van elektronen
asymmetrische verdeling van elektronen
IN
Afb. 111 Door bewegende elektronen ontstaan minieme ladingsverschuivingen, waardoor zwakke aantrekkingskrachten tussen moleculen ontstaan.
Door kortstondige ladingsverschuivingen ontstaan er zwakke
aantrekkingskrachten tussen moleculen. Die krachten noemen we de Londonkrachten of Londondispersiekrachten.
Die aantrekkingskrachten zijn de enige intermoleculaire krachten tussen apolaire moleculen. De grootte van die krachten neemt toe met de grootte van de
N
molecule.
WEETJE
©
VA
1 miljoen setae
1 setae
1 000 nanohaartjes aan de top van 1 seta
gekko
Gekko’s kunnen moeiteloos op verticale wanden klauteren en blijven hangen. Het maakt voor gekko’s ook niet uit of het oppervlak nat of droog, koud of warm, glad of ruw, proper of vuil is. Ze doen dat niet op basis van klauwtjes, haakjes of lijm. Nee, ze blijven voornamelijk vastgehecht aan het oppervlak door de zwakke Londonkrachten. Aan de onderzijde van elke teen bevinden zich miljoenen haarachtige structuren, setae genoemd. Op de uiteinden daarvan zitten weer honderden tot duizenden nanohaartjes of spatulae. Die haartjes maken een intens contact met het oppervlak waar ze zich aan vasthechten. Tussen die spatulae en de moleculen van het oppervlak heersen Londonkrachten. Die zijn weliswaar zeer zwak, maar door het grote aantal spatulae tellen al die krachten op. De resulterende kracht is zo groot dat één teen het gewicht van een ondersteboven hangende gekko aan de wand kan houden.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 2
201
OPDRACHT 12 DOORDENKER
Beantwoord het vraagstuk. Stoffen met een kookpunt lager dan 35 °C en een vlampunt (laagste temperatuur waar een stof tot een ontbranding kan komen als ze met een ontstekingsbron in contact komt) lager dan 23 °C behoren tot de categorie ‘zeer ontvlambare vloeistoffen en dampen’. In een labo staat een vat gevuld met propaan (C3H8) en
n-pentaan (C5H12). Het label op de vaten is onleesbaar geworden, maar de naam van de stof niet. Toch is het voldoende om de naam van de stof te weten om af te leiden welke stof zeer ontvlambaar is. Weet jij welke stof dat is?
IN
2.2 Dipoolkracht
Polaire moleculen of dipoolmoleculen hebben een permanente positief
geladen en negatief geladen pool. Je hebt al gezien dat positieve en negatieve ladingen elkaar aantrekken en gelijksoortige ladingen elkaar afstoten. Op die
N
manier trekt de positief geladen pool van een dipoolmolecule de negatief geladen pool van een andere dipoolmolecule aan. Die intermoleculaire aantrekkingskracht noemen we de dipoolkracht of dipoolinteractie. Dipoolkrachten zijn veel groter dan de zwakke Londonkrachten, die zowel
in polaire als apolaire moleculen aanwezig zijn. Het kost dan ook veel meer
VA
energie om ze te verbreken en dat verklaart waarom de kook- en smeltpunten van polaire verbindingen (dipoolmoleculen) veel hoger zijn dan die van apolaire verbindingen met een gelijkaardige molecuulmassa. Hoe groter de partiële ladingen in de molecule, hoe sterker de onderlinge aantrekking tussen de moleculen. Daarom neemt de grootte van de dipoolkrachten toe naarmate het verschil in EN-waarde van de atomen die door de atoombinding
©
met elkaar gebonden zijn, groter wordt.
Afb. 112 De tegengesteld geladen polen trekken elkaar aan, waardoor de moleculen zich op een welbepaalde manier oriënteren.
Tussen de positief geladen en negatief geladen polen van dipoolmoleculen (polaire moleculen) heersen intermoleculaire aantrekkingskrachten die we de dipoolkrachten of dipoolinteracties noemen. Die aantrekkingskrachten zijn veel groter dan de zwakke Londonkrachten. De grootte neemt toe naarmate de EN groter wordt. 202
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 2
2.3 Waterstofbruggen OPDRACHT 13
Probeer via de applet zoveel mogelijk druppels water op het muntje aan te brengen. a
Wat merk je op?
b Teken je waarneming.
c
N
IN
applet: waterstofbruggen
Probeer het in de applet nu met hexaan. Wat merk je op?
©
VA
Als het element waterstof gebonden is aan een element met een hoge elektronegatieve waarde zoals N, O, Cl of F, ontstaat een zeer polaire binding. De positieve en negatieve deelladingen zijn dan zo groot dat de dipoolkracht tussen het waterstofatoom en het niet-metaal (N, O, Cl of F) zeer sterk is. Die sterke dipoolkracht geven we daarom een aparte naam: de waterstofbrug. Door de hoge EN van het zuurstofatoom verschuiven de bindende elektronenparen van beide atoombindingen in een watermolecule naar het zuurstofatoom. Het zuurstofatoom wordt hierdoor tweemaal partieel negatief geladen. Elke watermolecule kan nu door vier waterstofbruggen verbonden worden met andere watermoleculen: — Twee waterstofbruggen ontstaan doordat de partieel positieve
waterstofatomen aangetrokken worden door een vrij elektronenpaar van een zuurstofatoom van een watermolecule.
— Het tweemaal partieel negatief geladen zuurstofatoom kan
2 waterstofatomen van andere watermoleculen aantrekken, waardoor 2 bijkomende waterstofbruggen ontstaan.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 2
203
O
δ+
H
δ+
O
δ+
H
δ
+
H
δ2-
O
δ+
δ2-
O
O
δ+
δ2-
H
δ+
H
δ2-
O
δ2-
O
...
H
δ+
δ2-
H
δ+
O
H
...
δ+
H
δ+
H
δ+
δ+
H
δ+
O
H
H
H
δ2-
δ+
δ+
H
O
δ+
H
H
δ+
δ2-
O
δ+
H
δ2-
δ2-
H
δ+
δ2-
H
δ+
O
H
...
IN
δ2-
δ
+
H
δ
δ
+
+
H
H
Afb. 113 Tussen watermoleculen bestaan sterke waterstofbruggen.
Het zijn de waterstofbruggen die verantwoordelijk zijn voor het zeer hoge
kookpunt en de oppervlaktespanning van water, want de waterstofbruggen
N
zorgen ervoor dat de watermoleculen elkaar onderling zeer hard aantrekken.
δ–
VA
waterstofbrug
δ+
δ+ H
polaire covalente binding
O
δ–
H δ
–
δ+ δ–
δ
+
Afb. 114 De waterstofbruggen in water zijn verantwoordelijk voor sterke onderlinge aantrekking van de watermoleculen.
©
Een waterstofbrug ontstaat bij polaire moleculen die waterstof gebonden
204
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
hebben op een sterk elektronegatief element (zoals zuurstof, stikstof, fluor). Daardoor ontstaat een zeer polaire atoombinding en grote (positieve en negatieve) deelladingen, en dus een bijzonder sterke dipoolkracht tussen het waterstofatoom met de positieve deellading en het atoom met een negatieve deellading van een andere molecule.
` Maak oefening 6 t/m 11 op p. 225-226.
HOOFDSTUK 2
WEETJE Als je een glas vol water schenkt, dan komt het water hoger dan de rand van het glas. Dat is te
sterke bindingen tussen watermoleculen aan de oppervlakte
danken aan de oppervlaktespanning van water. Een molecule water IN de vloeistof is aan alle zijden omringd door andere watermoleculen. De krachten die de moleculen op elkaar uitoefenen, heffen elkaar op. Bij de watermoleculen aan het wateroppervlak is dat niet het geval: hierdoor ondervinden ze een
water moleculen in het midden van water
nettokracht naar binnen toe. De
Afb. 115 Oppervlaktespanning van water
IN
aantrekkingskrachten tussen de moleculen in
het wateroppervlak zijn zelfs zo groot dat het oppervlak zich gedraagt als een vlies. Je kunt er dus een punaise of paperclip op laten drijven. Probeer het zelf eens!
De helmbasilisk of jezushagedis kan hierdoor zelfs over het water lopen, tenminste als hij er voldoende vaart
achter steekt. Het vlies op het wateroppervlak is net niet sterk genoeg om zijn gewicht te dragen, dus moet hij ervoor zorgen dat hij zijn volgende stap heeft gezet
N
voordat zijn vorige voet doorheen het wateroppervlak breekt.
Afb. 115 De jezushagedis
Water is de enige stof op aarde die voorkomt in 3 aggregatietoestanden: vast (ijs), vloeibaar (water) en gas (waterdamp). Bij de meeste stoffen neemt
VA
de massadichtheid (de massa per volume) af met toenemende temperatuur: door warmte zetten stoffen uit, waardoor eenzelfde volume een kleinere hoeveelheid stof bevat.
Afb. 117 Water dat bevriest, zet uit en kan glazen flessen doen breken.
Water is een buitenbeentje. Water heeft de hoogste massadichtheid bij 4 °C: 1 liter water bij 4 °C is zwaarder (en bevat meer water) dan 1 liter bij elke andere temperatuur. Water van 4 °C dat opwarmt, zet net als andere stoffen uit, waardoor er per liter minder water in zit. De massadichtheid neemt af.
Wanneer je water laat afkoelen onder de 4 °C, zal het ook uitzetten. Wie ooit al een fles of blikje met drank in de vriezer heeft gestopt, weet wellicht dat het zal barsten als het
©
bevriest. Maar hoe komt dat? 0° (ijs)
2°
4°
15°
water-moleculen gerangschikt in een rooster. De waterstofbruggen houden de T 2° D .9999
g(cm3) 1.0000
T 4° D 1.0000 T 15° D .9991
water ijs T 0° D .9170 0
In vast water – ijs dus – zitten de
20°
5
10
15
0.9990 T 20° D .9982
watermoleculen op een relatief grote afstand van elkaar. Als het ijs begint te
0.9980
smelten, dan komen er moleculen los en wat
0.9170
dichter bij elkaar. Het volume water krimpt
0.9160 20 °C
Afb. 118 Dichtheidsverloop van water. Zuiver water heeft de grootste dichtheid bij 4 °C.
dus als het water smelt. Bij 4 °C zitten de watermoleculen het dichtst op elkaar. Als de
temperatuur verder toeneemt, worden steeds meer waterstofbruggen gebroken en bewegen de moleculen steeds heviger, waardoor de onderlinge afstand tussen de moleculen weer groter wordt en het water uitzet. GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 2
205
HOOFDSTUK 3
Oplosbaarheid en geleidbaarheid van stoffen LEERDOELEN Je kunt al: verbindingen en ionverbindingen; L beschrijven dat polaire moleculen een positieve en negatieve zijde hebben; L bepalen of moleculen polair of apolair zijn op basis van hun structuurformule;
IN
L het verschil aangeven tussen moleculaire
L beschrijven welke krachten tussen polaire en apolaire moleculen heersen.
door zweet en urine verliezen, terug aan te vullen. Maar veel mensen vinden water te smaakloos. Ze
verkiezen cola, limonade, koffie, thee, bier of wijn.
Die dranken bestaan uit water waarin heel wat stoffen zijn opgelost. Maar niet alle stoffen lossen goed op.
L polaire en apolaire stoffen op basis van hun oplosbaarheid in water onderscheiden; L elektrolyten onderscheiden van nietelektrolyten;
drinken om de hoeveelheid water die ze dagelijks
N
Je leert nu:
Mensen moeten gemiddeld anderhalve liter water
We willen weten of er een verband bestaat tussen de polariteit van een stof en de oplosbaarheid in een oplosmiddel.
Een oplosmiddel is een vloeistof. Tussen de moleculen van het oplosmiddel heersen
VA
L de processen ionisatie, hydratatie en dissociatie beschrijven;
L een ionisatie- en dissociatievergelijking opstellen;
intermoleculaire krachten. Je leerde al dat tussen apolaire moleculen zoals n-pentaan alleen zwakke Londonkrachten heersen en tussen polaire moleculen dipoolkrachten, en bij water ook nog
L het verband leggen tussen bindingstype en geleidingsvermogen.
waterstofbruggen. Die intermoleculaire krachten zullen bepalen welke stoffen kunnen worden opgelost.
Oplosbaarheid van ionverbindingen in polaire en apolaire oplosmiddelen
©
1
Ionverbindingen zijn opgebouwd uit grote aantallen positieve en negatieve ionen die zich in een ionrooster bevinden. De ionen worden op hun plaats gehouden door sterke elektrostatische aantrekkingskrachten. Sommige ionverbindingen lossen op in polaire oplosmiddelen zoals water. Wanneer een ionverbinding in water terechtkomt, richten de watermoleculen hun positief geladen zijde (H-atomen) naar de negatieve ionen en hun negatief geladen pool (het zuurstofatoom) naar de positieve ionen. Zo ontstaan ion-dipoolinteracties. Als die krachten groter zijn dan de krachten tussen de ionen in het ionrooster, dan komen de ionen los. Het verschijnsel
206
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
waarbij de ionen die aanwezig waren in de verbinding, loskomen, wordt dissociatie genoemd. Eenmaal volledig vrij ontstaan er gehydrateerde ionen doordat de ionen volledig worden omringd door een mantel van watermoleculen. Dat verschijnsel heet hydratatie.
OPDRACHT 14 ONDERZOEK
Onderzoek de oplosbaarheid van ionverbindingen in polaire en apolaire oplosmiddelen. en voer het labo uit.
IN
Ga naar
OPDRACHT 15
Bekijk de video over het oplossen van een zout.
Formuleer in verschillende stappen het oplosproces van een ionverbinding.
+
-
+
-
+
-
-
+
-
+
-
+
-
+
+ -
-
+
+
-
+
-
+
+
-
-
+
+
-
+
-
+
-
+
-
+
-
+
-
+
-
+ + -
+
+
+ + -
+ +
+
De ionen zijn al aanwezig en zitten met ionkrachten
-
stevig vast in het ionrooster. Als het zout oplost, dan
+
komen de ionen los uit het rooster en dissocieert het
-
zout. 1
+
δ- δ+ δ+
pool naar
-
2
Andere watermoleculen richten zich met hun
3
negatieve pool naar
δ+ δ-
δ+
δ+ δ- + δ
δ δ+ -
δ δ+ -
δ+
δ+ δ+ δ
δ+ δδ+
δ+ δ- δ+
+ δ- δ δ+
δ+ δ- δ+
δ- δ+ δ+
©
δ+ δ- δ+
δ+ δδ+
δ+ δ
+
δ+ δ+ δ- δ+ δ+ δ-
zijn dan de
.
en valt het kristal
δ- δ+ δ+ δ-
Als de ion-dipoolinteracties
.
krachten tussen de ionen, dan komen de
δ+ δ- δ+
δ+
video: zout oplossen in water
Watermoleculen richten zich met hun positieve
VA
-
-
-
N
-
4
uiteen. Dat is
.
Doordat de ionen zich omgeven met een
, ontstaan er gehydrateerde
. Dat verschijnsel heet
.
Ionverbindingen zijn al opgebouwd uit ionen voordat ze oplossen in water. Het oplosproces in water is een
.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
207
De dissociatie van een zout kun je voorstellen door de dissociatievergelijking. Die vergelijking wordt opgesteld door links van de reactiepijl de formuleeenheid van de ionverbinding te noteren en rechts van de reactiepijl de soorten ionen. Het aantal van de verschillende ionen in de formule-eenheid, schrijven we als coëfficiënt in de vergelijking. Boven de reactiepijl schrijven we H2O, omdat het die molecule is die het ionrooster dissocieert.
TIP De aggregatietoestand wordt in de reactie-vergelijking als subscript bij de verschillende deeltjes gemeld. Daarbij gebruiken we de volgende notaties:
(s): vaste toestand
IN
(l): vloeibare toestand
(g): gasvormige toestand
(aq): gehydrateerd ion, opgelost in water
OPDRACHT 16
Noteer de dissociatievergelijking van de onderstaande zouten. aluminiumchloride:
N
a
VA
b natriumhydroxide:
Bij sommige ionverbindingen zijn de elektrostatische aantrekkingskrachten zo groot dat de watermoleculen ze bijna niet uit hun ionrooster kunnen trekken. Die zouten zijn zeer slecht oplosbaar. In thema 05 zul je zien welke zouten goed oplosbaar zijn en welke slecht oplosbaar.
OPDRACHT 17 DEMO
Geleidbaarheid in oplossingen van ionverbindingen
©
Onderzoeksvraag
Hoe verschillen zuivere stoffen en oplossingen in het geleiden van de stroom? Werkwijze
De leerkracht test of een aantal zuivere ionverbindingen en oplossingen van ionverbindingen de stroom geleiden. De leerkracht gebruikt hiervoor een open stroomkring met een testlampje en elektroden. Als het lampje gaat branden, dan geleidt de stof of de oplossing de elektrische stroom. Waarnemingen — De lamp brandt WEL / NIET als de elektroden worden gebracht in de vaste ionverbindingen.
— De lamp brandt WEL / NIET als de elektroden worden gebracht in een oplossing van de ionverbindingen. 208
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
Besluit — Vaste ionverbindingen geleiden
— Ionverbindingen die oplossen, geleiden Reflectie
a
Verklaar je waarneming.
IN
b DOORDENKER: Zouten hebben hoge smeltpunten. Het smeltpunt van keukenzout (NaCl) bedraagt 801 °C. Zal een gesmolten zout de elektrische stroom geleiden? Verklaar je antwoord.
N
Omdat in een oplossing van een ionverbinding met water vrije ionen ontstaan, zal de oplossing de elektrische stroom geleiden. Ionverbindingen zijn daarom elektrolyten.
©
VA
Ionverbindingen lossen niet op in apolaire oplosmiddelen omdat er geen elektrostatische aantrekking heerst tussen de apolaire moleculen van het oplosmiddel en de ionen in het rooster. Het oplosmiddel is niet in staat om zich tussen de ionen te begeven of de ionen uit het rooster los te trekken.
Ionverbindingen zijn niet oplosbaar in apolaire oplosmiddelen, maar veel ionverbindingen lossen goed op in polaire oplosmiddelen. In een polair oplosmiddel zoals water ontstaan iondipoolinteracties tussen ionen.
— Iondipoolinteracties overwinnen krachten tussen ionen in rooster niet: slecht oplosbaar zout
— Iondipoolinteracties overwinnen krachten tussen ionen in rooster:
dissociatie of loskomen van ionen → hydratatie: de ionen worden omringd door een watermantel.
De dissociatievergelijking is de reactievergelijking die de dissociatie voorstelt. Omdat in een mengsel van ionverbindingen en water vrije ionen voorkomen, zijn ionverbindingen elektrolyten. ` Maak oefening 12 op p. 227.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
209
2
Oplosbaarheid van moleculaire verbindingen
OPDRACHT 18 ONDERZOEK
Onderzoek de oplosbaarheid van polaire en apolaire moleculen in polaire en apolaire oplosmiddelen. en voer het labo uit.
IN
Ga naar
Apolaire stoffen blijken niet op te lossen in polaire oplosmiddelen maar
wel in apolaire oplosmiddelen. Dat komt omdat er tussen de moleculen van een apolair oplosmiddel alleen zwakke Londonkrachten heersen. Apolaire
moleculen kunnen zich bijgevolg gemakkelijk plaatsen tussen de moleculen van een apolair oplosmiddel. Omdat de moleculen van de opgeloste stof elkaar onderling niet aantrekken, blijven ze onderling ook niet bijeen.
I
N
I
H H H H H
H C C C C C H
H C C C C C H
H H H H H
H H H H H
VA
H H H H H
H H H H H
H C C C C C H H H H H H
Afb. 119 Tussen apolaire moleculen van het oplosmiddel n-pentaan zijn enkel zwakke Londonkrachten aanwezig. Andere apolaire moleculen kunnen gemakkelijk plaatsnemen tussen de moleculen van het oplosmiddel.
Zowat het meest gebruikte polaire oplosmiddel is water. In vloeibaar water zijn de watermoleculen onderling stevig met elkaar verbonden door waterstofbruggen. Een apolaire molecule (zoals dijood) kan zich bijgevolg
©
niet tussen de watermoleculen wringen. Mocht een apolaire molecule toch tussen watermoleculen verzeild raken, dan zou de onderlinge aantrekking van de moleculen van het oplosmiddel ervoor zorgen dat de apolaire molecule er terug uit wordt geduwd.
I
I δ+
H
O
δ2-
δ+
H
δ+
δ+
O
δ2-
δ+
H
δ2-
δ+
H
δ+
H H
O
δ+
O
δ2-
δ+
H
δ2-
δ+
H
δ+
H H
O
δ+
O
δ2-
δ+
H
δ2-
I
I
δ+
H
δ+
δ+
H
O
δ2-
δ+
H
O
δ2-
δ+
H
H H
O
H δ+
H
O
δ2-
δ+
H
δ+
H
O
δ2-
δ+
H
Afb. 220 Door de sterke onderlinge aantrekking van de watermoleculen, kunnen apolaire moleculen er niet tussen.
210
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
Stoffen die opgebouwd zijn uit polaire
δ+
H
moleculen, zoals glucose en methanol,
O
δ2-
+
δ+
-
H
δ+
lossen op in water en andere polaire dipoolinteracties ontstaan tussen de
δ+
O
H
moleculen van de opgeloste stof en het
δ2-
H δ+
H
δ+
oplosmiddel: de positieve pool van een
O
δ2-
δ+
H
δ+
O
δ2-
δ+
H
H
polaire molecule zal zich richten op de
δ2-
δ+
H
oplosmiddelen. Dat komt doordat
O
H
Afb. 121 Polaire moleculen lossen op in polaire oplosmiddelen, omdat tegengesteld geladen polen van oplosmiddel en opgeloste stof elkaar aantrekken.
negatieve pool van de moleculen van het oplosmiddel en omgekeerd. Polaire moleculen van de op te lossen stof
nemen dan als het ware de plaats in van enkele moleculen van het polaire
IN
oplosmiddel. Eventueel kunnen ook waterstofbruggen gevormd worden tussen de opgeloste stof en het oplosmiddel.
Het ontbreken van aantrekkingskracht tussen de dipoolmolecule en
de moleculen van een apolair oplosmiddel enerzijds, en de onderlinge
aantrekking van de dipoolmoleculen anderzijds, zorgt dat polaire moleculen zich niet verspreiden tussen de apolaire moleculen. Dipolen lossen dus niet
op in apolaire oplosmiddelen. Ze blijven erop drijven als hun massadichtheid kleiner is dan die van het oplosmiddel, of zinken als hun massadichtheid
N
groter is.
+
+ -
+
+ -
+ -
+
+ -
+
+ -
+
H H H H H
H H H H H
H C C C C C H
H C C C C C H
H H H H H
H H H H H
VA
©
+
-
H H H H H
H C C C C C H H H H H H
Afb. 122 Omdat de dipoolinteracties sterker zijn dan de Londonkrachten tussen apolaire oplosmiddelen, lossen polaire moleculen niet op in apolaire oplosmiddelen zoals n-pentaan.
De oplosbaarheid van een moleculaire verbinding hangt af van de aard van de verbinding en het oplosmiddel: — Polaire moleculen lossen op in polaire oplosmiddelen.
— Apolaire moleculen lossen op in apolaire oplosmiddelen.
` Maak oefening 13 t/m 17 op p. 227-228.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
211
WEETJE Zijn je handen vettig van een afgevallen fietsketting? Dat krijg je niet schoon met water. Vetten zijn apolair en je weet inmiddels dat apolaire stoffen niet oplossen in water. Vuil dat bestaat uit apolaire stoffen, spoel je niet zomaar weg met water, dus heb je zeep of een detergent nodig. Een molecule zeep of detergent is opgebouwd uit een lang, apolair staartdeel en een polaire/geladen kop:
H H H H H H H H H H H
O
IN
H C C C C C C C C C C C C H H H H H H H H H H H apolaire staart
O -
polaire kop
Afb. 123 De lange staart van een zeepmolecule bestaat uit C- en H-atomen en is apolair. De kop van de molecule is opgebouwd uit een -COO- groep en lost op in water.
Wanneer zeep wordt opgelost in water, zullen de apolaire staarten van de zeepmoleculen oplossen in het vet. De polaire kopjes van de zeepmoleculen blijven buiten het apolaire vuil zitten (zie afb. 124). Wanneer je de
handen gaat spoelen met water, trekken de watermoleculen met dipoolkrachten en waterstofbruggen aan de
N
polaire koppen. Zo komt het deeltje vuil los.
VA
Apolaire staarten lossen op in vet. De polaire/geladen kopjes blijven opgelost in water en helpen om het apolaire vuil los te maken van het oppervlak.
zeepmolecule
polaire/ geladen kop
©
apolaire staart
vet
oppervlak
Afb. 124 De werking van zeep
212
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
3
Ionisatie van zuren en ammoniak
OPDRACHT 19 ONDERZOEK
Onderzoek welke stoffen of oplossingen de stroom geleiden. Ga naar
en voer het labo uit.
IN
Soms zijn de dipoolkrachten tussen de watermoleculen en de opgeloste molecule zo groot dat de opgeloste molecule stuk wordt getrokken en
ionen ontstaan. Het verschijnsel, waarbij een neutrale molecule stuk wordt getrokken en aanleiding geeft tot het ontstaan van ionen, wordt ionisatie
genoemd. Het treedt op wanneer zuren of ammoniak (NH3) oplossen in water.
Dat verschijnsel wordt weergegeven door middel van de ionisatievergelijking. De ionisatievergelijking geeft links van de reactiepijl het zuur en rechts de
N
gevormde ionen weer.
Stoffen die bestaan uit neutrale moleculen, zoals zuren of ammoniak, kunnen aanleiding geven tot een oplossing die ionen bevat. Het verschijnsel waarbij ionen ontstaan uit ongeladen moleculen, noemen we ionisatie. Die ionen kunnen zich verplaatsen doorheen de vloeistof. Aangezien een elektrische stroom een verplaatsing is van geladen deeltjes, geleiden die oplossingen
©
VA
elektriciteit. Stoffen die in een oplossing de elektrische stroom geleiden, zoals zuren en ammoniak, noemen we elektrolyten. Stoffen die wel oplossen maar geen ionen vormen, zoals suiker, geven geen aanleiding tot een oplossing die de elektrische stroom geleidt. Dergelijke stoffen noemen we niet-elektrolyten.
TIP
In de chemie betekent ‘oplossen’ dat 2 stoffen een homogeen mengsel vormen. Als oplosmiddel wordt meestal water gebruikt. Het oplossen van een stof in water kan betekenen dat: — aanwezige ionen loskomen uit het ionrooster (dissociëren), zoals een oplossing van een ionverbinding;
— moleculen van de opgeloste stof onveranderd mengen met de
moleculen van het oplosmiddel, zoals een oplossing van suiker in water;
— moleculen gesplitst worden in ionen (ioniseren), zoals een oplossing van een zuur of ammoniak.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
213
3.1 Ionisatie van zuren Als een zuur oplost in water, trekt het zuurstofatoom van de watermolecule zo hard aan het waterstofatoom van het zuur, dat het gescheiden wordt van beide elektronen van de atoombinding. Op die manier wordt de zuurmolecule gesplitst in een proton of positief geladen waterstofion (H+) en een negatief geladen zuurrestion. Het waterstofion wordt gebonden op een watermolecule en vormt zo een hydroxoniumion (H3O+). Als een zuur meerdere waterstof-
atomen bevat, kunnen elk van de waterstofatomen als protonen van het zuur verwijderd worden. De negatieve lading van het zuurrestion is gelijk aan het
OPDRACHT 20
IN
aantal protonen dat werd afgesplitst van het zuur.
Formuleer in verschillende stappen de ionisatie van een zuur. 1
H2O
De ionen zijn nog
in de molecuulstructuur van het zuur voordat het in water
Z
VA
H
N
oplost.
2
De zuurmolecule met een polaire atoombinding wordt omgeven door
3
Door de
.
van de watermoleculen
wordt de binding tussen waterstof en het zuurrest verbroken. Beide elektronen van de atoombinding
©
4
Het proton wordt gebonden op
waardoor
H3O+
Het zuur valt uiteen in een
Z–
en een van
214
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
. ontstaan. . We spreken .
OPDRACHT 21
Stel de ionisatievergelijkingen voor. 1
Zoutzuur heeft als formule HCl. Als je zoutzuur oplost in water, dan wordt de atoombinding tussen waterstof en chloor verbroken.
H
O
H
CI
H a
Duid de partiële ladingen aan in de watermolecule en de molecule zoutzuur.
c
IN
b Duid met een stippellijn de dipoolkracht aan tussen de watermolecule en de zuurmolecule. Teken de deeltjes die ontstaan door reactie tussen de zuurmolecule en de watermolecule.
d Benoem de deeltjes die ontstaan door die reactie.
2
Schrijf de ionisatievergelijking van zoutzuur.
Zwavelzuur
N
e
Zwavelzuur heeft als formule H2SO4. Als zwavelzuur opgelost wordt in water, dan kunnen 2 protonen
worden afgesplitst. Dat gebeurt in 2 verschillende stappen waarbij telkens een proton wordt overgedragen aan een andere watermolecule. We spreken van een stapsgewijze ionisatie.
O
O H
VA
H O S O H O
H
O H H
a
Duid met een stippellijn de dipoolkracht aan tussen de watermolecule en de zuurmolecule.
b Teken de deeltjes die ontstaan door reactie tussen de zuurmolecule en de watermolecule. Benoem de deeltjes die ontstaan door die reactie.
©
c
d Schrijf de ionisatievergelijking van: — de eerste reactie;
— de tweede reactie;
— zwavelzuur.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
215
3.2 Ionisatie van ammoniak Als ammoniak (NH3) oplost in water, richt het partieel positief geladen
waterstofatoom van een watermolecule zich naar het partieel negatief geladen stikstofatoom van ammoniak. Door de sterke dipoolkracht wordt een proton afgesplitst van een watermolecule, waardoor een negatief hydroxideion ontstaat. De beide elektronen van het niet-bindende elektronenpaar van N worden vervolgens gebruikt om dat proton te binden op de molecule ammoniak, waardoor een positief ammoniumion (NH4+) wordt gevormd. δ+
H
δ-
H
H + H N H + H O
2δ-
H O
IN
H N
δ+
δ+
H
H
Afb. 125 Het vrije elektronenpaar van stikstof wordt gebruikt om een waterstof afkomstig van water te binden.
De ionisatievergelijking van ammoniak wordt dan NH3 + H2O → NH4+ + OH-
Ionisatie is het verschijnsel waarbij ionen ontstaan als moleculen oplossen in
N
water. Het kan worden voorgesteld door een ionisatievergelijking.
De ionisatievergelijking geeft links van de pijl water en ammoniak of het zuur weer, rechts de gevormde ionen na ionisatie. Zuren die oplossen in water geven aanleiding tot positieve hydroxoniumionen en negatieve zuurresten. Als ammoniak oplost in water ontstaan positieve ammoniumionen en negatieve hydroxide-ionen.
VA
Een stof opgebouwd uit moleculen die in water ioniseren, is een elektrolyt omdat een oplossing van die stof de elektrische stroom geleidt. Moleculen die niet ioniseren zijn niet-elektrolyten.
` Maak oefening 18 en 19 op p. 228.
Verband tussen zuurtegraad en concentratie van protonen
©
4
Je zag al dat tussen de watermoleculen in zuiver water sterke dipoolkrachten (en waterstofbruggen) heersen. Nu en dan zullen watermoleculen onder invloed van die krachten, net zoals zuren, ioniseren. Als een watermolecule stuk wordt getrokken, ontstaat zowel een hydroxoniumion (H3O+) als een hydroxide-ion (OH-). We noemen dat de auto-ionisatie van water.
H
H
O H + O H H2O + 216
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
H2O
O HOH-
-
H + +
H O H H3O+
+
Nauwkeurige metingen tonen aan dat in 1 L zuiver water, zich 10-7 mol H3O+- en
TIP
10-7 mol OH--ionen bevinden.
Als je de concentratie van een stof wilt geven in mol, dan plaats je de stof L tussen vierkante haakjes.
In zuiver water geldt: concentratie H3O+ = concentratie OH[H3O+] = [OH-]
[H3O+] betekent 'de
concentratie van H3O+'
Een oplossing waar de concentratie aan H3O+ gelijk is aan de concentratie aan
OH-, noemen we een neutrale oplossing. OPDRACHT 22 ONDERZOEK
IN
Onderzoek het verband tussen de zuurtegraad en de hoeveelheid van bepaalde ionen. Benodigdheden materiaal 1 beker
een paar druppels azijn natriumhydroxide (0,1 mol) L
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFT
Check steeds goed de veiligheidsmaatregelen en gevaren van alle stoffen en materialen.
N
digitale pH-meter Werkwijze
!
stoffen
1
Neem een beker en vul die met gedemineraliseerd water.
Meet de pH met de digitale pH-meter en noteer je waarneming.
Voeg enkele druppels azijn toe aan het water en meet de pH opnieuw.
4
Voeg een extra hoeveelheid azijn toe en meet de pH opnieuw.
5
Maak de beker leeg en spoel het grondig.
6
Spoel de elektroden van de digitale pH-meter af.
7
Vul de beker met gedemineraliseerd water.
8
Voeg enkele druppels van de NaOH-oplossing toe, roer en lees de pH opnieuw af.
9
Voeg nog enkele druppels van de NaOH-oplossing toe, roer en lees de pH van de oplossing opnieuw af.
VA
2 3
Waarnemingen
a
pH van gedemineraliseerd water:
b pH van een oplossing met azijnzuur: c
pH van een oplossing met meer azijnzuur:
d pH van een oplossing met NaOH:
pH van een oplossing met meer NaOH:
©
e
Verwerking
— In een neutrale oplossing zijn naast watermoleculen positieve en negatieve
aanwezig.
— Wanneer zuren oplossen in water, en een positief
ze in een negatief
. Als een zuur oplost in water, verhoogt de concentratie
aan HYDROXONIUMIONEN / HYDROXIDE-IONEN in de oplossing. De pH van een dergelijke oplossing wordt dan
.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
217
— Wanneer hydroxiden oplossen in water, negatieve
ze in positieve
en
. Hierdoor verhoogt de concentratie aan HYDROXONIUMIONEN /
HYDROXIDE-IONEN in de oplossing. De pH van een dergelijke oplossing wordt dan
.
Besluit
— Een oplossing met meer hydroxoniumionen dan een neutrale oplossing heeft een pH KLEINER / GROTER dan 7.
— Een oplossing met meer hydroxide-ionen dan een neutrale oplossing heeft een pH KLEINER / GROTER
IN
dan 7.
OPDRACHT 23 DOORDENKER
Hoe verandert de zuurtegraad als ammoniak in water opgelost wordt?
N
Als de concentratie aan H3O+ stijgt (en groter wordt dan de concentratie
WEETJE Naast de pH is er ook de pOH. De pOH geeft weer hoe basisch de oplossing
(en groter wordt dan de concentratie aan H3O+), ontstaat een basische of alkalische oplossing.
De zuurtegraad of de pH geeft weer hoe zuur een oplossing is en hangt af
VA
is. Ze kan worden
aan OH-), ontstaat een zure oplossing. Als de concentratie aan OH- stijgt
berekend volgens de formule:
[OH ] = 10 —
-pOH
In zuiver water is ook de pOH gelijk aan 7.
van de concentratie aan H3O+ -en OH--ionen. De zuurtegraad wordt berekend op basis van de concentratie aan H3O+ in de oplossing volgens: [H3O+] = 10-pH
Omdat de concentratie aan [H3O+] in zuiver water gelijk is aan 10-7 mol, is de L pH van zuiver water gelijk aan 7. In oplossingen blijkt er steeds een verband te bestaan tussen de concentratie
©
aan hydroxide-ionen en het aantal hydroxoniumionen, namelijk:
218
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
[H3O+] · [OH—] = 10-14 mol L2
2
Dat betekent dat de concentratie hydroxoniumionen stijgt als de concentratie aan hydroxide-ionen daalt en omgekeerd. Als zuren oplossen in water, dan ioniseert het zuur waardoor de concentratie aan H3O+ stijgt. Als de concentratie aan hydroxoniumionen groter wordt dan 10-7 mol, wordt de pH kleiner dan 7. L
HOOFDSTUK 3
De concentratie OH- neemt toe bij ionisatie van ammoniak of dissociatie van ionverbindingen zoals hydroxiden. Als de concentratie OH- toeneemt, dan wordt de concentratie aan H3O+ kleiner dan 10-7 mol, waardoor de pH groter L wordt dan 7. pH 0
H3O+ (mol/L) 1 10–1
citroenzuur 2
10–2
cola 3
10–3
tomaten 4
10–4
koffie 5
10–5
meer zuur
IN
maagzuur 1
urine 6
10–6
gedestilleerd water 7
10–7
menselijk bloed 8
10–8
oplossing van bakpoeder 9
10–9
broccoli 10
10–10
zeep 11
10–11
bleekmiddel 12
meer basisch
10
–12
10–13
N
schoonmaakproduct oven 13
neutraal
14
10–14
Afb. 126 Het verband tussen de concentratie van protonen en de pH
WEETJE
©
VA
Omdat de concentratie van de hydroxoniumionen van de meeste oplossingen tussen 1 (=100) en 10-14 mol ligt, ligt de pH van de L meeste oplossingen tussen 0 en 14. Wanneer de concentratie aan hydroxoniumionen groter is dan 1 mol, zal de pH kleiner zijn dan 0. L Als ze kleiner is dan 10-14 mol, dan zal de pH groter zijn dan 14. Die L oplossingen zijn extreem zuur of alkalisch, en dus zeer gevaarlijk.
— De zuurtegraad of pH hangt af van de concentratie aan H3O+ en OH-.
— In een neutrale oplossing, zoals zuiver water, is de concentratie van beide ionen gelijk aan elkaar.
— Zure oplossingen hebben een pH < 7 omdat [H3O+] > OH-.
— Basische oplossingen hebben een pH > 7 omdat [H3O+] < OH-.
` Maak oefening 20 op p. 229.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
HOOFDSTUK 3
219
THEMASYNTHESE
POLARITEIT EN OPLOSBAARHEID KERNBEGRIPPEN
NOTITIES
KERNVRAGEN
kennisclip
Hoofdstuk 1 - Polaire en apolaire bindingen en moleculen elektronegativiteit (EN) = waarde die neiging
Een polaire atoombinding ontstaat als ∆EN > 0,5.
weergeeft om elektronen naar zich toe te trekken
Door een polaire atoombinding ontstaan partieel positieve (δ+) en partieel negatieve (δ-) ladingen.
polaire atoombinding: beide elektronen van een atoombinding zitten dichter bij een van de 2 atomen
positieve en negatieve zijde
Een polaire molecule of dipool ontstaat als:
IN
polaire molecule of dipool: molecule met een
— de molecule polaire atoombindingen bevat EN
apolaire molecule: molecule zonder positieve en
— het centrum van alle partieel positieve ladingen
niet samenvalt met het centrum van alle partieel
negatieve zijde
negatieve ladingen.
Hoofdstuk 2 - Intermoleculaire krachten
Eigenschappen zoals het kookpunt en smeltpunt van
tussen moleculen:
een stof hangen af van de massa van de moleculen
N
intermoleculaire krachten: krachten die heersen
en de intermoleculaire krachten:
— Londonkrachten
— Londonkrachten: zwakke aantrekkingskrachten
die ontstaan door minieme ladingsverschuivingen in een molecule. Ze zijn aanwezig in alle
VA
moleculen.
— dipoolkrachten
— dipoolkrachten: aantrekkingskracht tussen
— waterstofbruggen
— waterstofbruggen: sterke dipoolkracht en tussen
positieve pool van een dipoolmolecule en
negatieve pool van een andere dipoolmolecule.
een H-atoom, gebonden aan een sterk
elektronegatief element, en de negatieve zijde van een andere dipool.
Hoofdstuk 3 - Oplosbaarheid en geleidbaarheid van stoffen
dissociatie: het verbreken van ionbindingen bij oplossen
©
water, andere zijn slecht oplosbaar.
hydratatie: ionen worden omringd door watermoleculen
en negatieve ionen vrij. De ionen worden hierbij watermoleculen.
dissociatie voorstelt
— De dissociatie kan voorgesteld worden door een dissociatievergelijking.
elektrolyt: stof die in opgeloste of gesmolten toestand de elektrische stroom geleidt
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
— Bij dissociatie van een zout komen de positieve gehydrateerd = ze worden omringd door
dissociatievergelijking: vergelijking die de
220
— Sommige ionverbindingen zijn goed oplosbaar in
THEMASYNTHESE
— Omdat in een oplossing of smelt van een ionverbinding ionen aanwezig zijn, zijn ionverbindingen elektrolyten.
THEMASYNTHESE
Hoofdstuk 3 - Oplosbaarheid en geleidbaarheid van stoffen ionisatie: een molecule die oplost wordt
— Polaire stoffen lossen op in polaire
stukgetrokken in ionen.
oplosmiddelen maar niet in apolaire oplosmiddelen.
— Apolaire stoffen lossen op in apolaire oplosmiddelen maar niet in polaire oplosmiddelen.
— Als een zuur ioniseert in water, dan ontstaat
er een hydroxoniumion (H3O+) en een negatief
zuurrest (Z-)
— Als ammoniak (NH3) ioniseert in water, dan ont-
IN
staat ammonium (NH4+) en hydroxide (OH-).
ionisatievergelijking: vergelijking die ionisatie van een molecule voorstelt.
— Stoffen die ioniseren in water, zijn elektrolyten. — De ionisatie kan voorgesteld worden door een ionisatievergelijking.
— Sommige moleculen lossen op in water maar ioniseren niet. Dat zijn niet-elektrolyten.
zuurtegraad of pH: maat voor de concentratie aan oxoniumionen in een oplossing
— De zuurtegraad houdt verband met de
concentratie aan hydroxoniumionen in een oplossing:
neutrale oplossing:
N
•
pH = 7
[H3O+] = [OH-] = 10-7 mol L
VA
•
pH < 7
[H3O+] > 10-7 mol L basische oplossing pH > 7 [H3O+] < 10-7 mol L
©
•
zure oplossing
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
THEMASYNTHESE
221
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis — Ik kan beschrijven wat een polaire en apolaire atoombinding is. — Ik kan beschrijven wat een polaire en apolaire molecule is.
— Ik kan de verschillende intermoleculaire krachten (Londonkrachten,
dipoolkrachten, waterstofbruggen, ion-dipoolinteracties) uitleggen aan de hand van voorbeelden.
— Ik kan uitleggen hoe het proces van dissociatie, ionisatie en hydratatie gebeurt. — Ik kan aangeven wat elektrolyten en niet-elektrolyten zijn.
— Ik kan de oplosbaarheid van zouten, polaire en apolaire stoffen in polaire en apolaire oplosmiddelen toelichten.
IN
— Ik kan het verschil aangeven tussen zure, neutrale, basische oplossing in termen van de concentratie aan H3O+-ionen en OH--ionen.
— Ik kan een verschil in kookpunt- en smeltpunt van stoffen verklaren op basis van intermoleculaire krachten.
2 Onderzoeksvaardigheden
— Ik kan onderzoeken of atoombinding polair of apolair is met behulp van de elektronegatieve waarde. structuurformule.
N
— Ik kan onderzoeken of verbinding polair of apolair is op basis van de
— Ik kan de dissociatie van een ionverbinding en ionisatie van een molecule voorstellen door middel van een dissociatie- of ionisatievergelijking.
— Ik kan beschrijven hoe de ionisatie van van zuren en ammoniak verloopt. — Ik kan verklaren waarom oplossingen van zouten, zuren en ammoniak de
VA
stroom geleiden.
— Ik kan voorspellen of ionverbindingen, polaire of apolaire stoffen zullen oplossen in een polair of apolair oplosmiddel.
©
` Je kunt deze checklist ook op
222
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
CHECKLIST
invullen bij je Portfolio.
CHECK IT OUT
Het regent, het regent. De pannen worden nat. 1
Als het regent, vallen er druppels water uit de lucht. Is water een polaire of apolaire molecule?
2
3
In de CHECK IN zag je dat krantenpapier nat wordt: het slorpt water op. Wat leid je hieruit af over de eigenschappen van papier?
IN
Een van de belangrijkste grondstoffen van papier is cellulose. Je ziet hieronder de structuurformule van cellulose. Verklaar waarom cellulose water absorbeert.
OH
H
H H OH
H
OO
OH
H
OH
HO
OH
OO
HO
H
H H
H
OH
OH
H
H
H
OH
OH
OH
H
H H
H
OH
OH
H
HO
HO H
H H
OH
H
OO
OH
H
HO H
H
H
H H
H
OH
OH
OH
OO
H H
H
OH
OH
H
HO H
O OH H
OH O OH
H H
H
OH
OH
H
Hoe kun je verklaren dat waterdruppels van planten of van veren van watervogels rollen?
©
4
OO
OO
H H
VA HO
OH
N
HO
OH
!
De polariteit van moleculen bepaalt in hoeverre ze oplossen in water. Het kent heel wat toepassingen in de maatschappij. Door het lotuseffect na te bootsen, ontwikkelen wetenschappers materialen waar waterdruppels afrollen en vuil meenemen, zodat je de materialen veel minder of niet meer dient schoon te maken.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
CHECK IT OUT
223
AAN DE SLAG
1
Ga op zoek naar de EN in je PSE. a
Zoek in het periodiek systeem op welk element de hoogste EN heeft.
b En welk(e) element(en) heeft de laagste EN?
c
Orden de volgende elementen volgens stijgende EN: Al – B – Ge – Ra
2
IN
Vul de tabel aan. a
Orden de elementen volgens stijgende EN en noteer de EN ernaast in de tabel hieronder: Al – Ca – Cl – F – H – K – Li – O – P
b Schrijf bij elk element of het een metaal of een niet-metaal is. c
Wat stel je vast als je de EN van metalen vergelijkt met dat van de niet-metalen?
N
Element
EN
VA
©
3
Duid aan of de atoombinding tussen de volgende elementen polair of apolair is. Elementen
224
Metaal (M) of niet-metaal (NM)
Atoombinding
C&H
apolair
polair
H&S
apolair
polair
C&O
apolair
polair
O&N
apolair
polair
S&O
apolair
polair
P&H
apolair
polair
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
AAN DE SLAG
4
Met welk element uit de 7de groep kan koolstof een apolaire atoombinding vormen?
5
Bepaal of de volgende stoffen bestaan uit polaire of apolaire moleculen. a
b
3D
CI
3D
H N H
CI C CI apolair
polair
polair
H
apolair
e
polair
3D
CI
I
C H H H
apolair
polair
polair
N
apolair
Kruis in de onderstaande tabel aan welke intermoleculaire krachten aanwezig zijn bij de moleculen. Londonkrachten
VA
Apolaire moleculen
zoals F2, I2, H2
Polaire moleculen
zoals CO
met H gebonden op een NM
met een lage EN zoals HI, H2S met H gebonden op een NM
met een hoge EN zoals H2O, HF
‘Gewone’ dipoolkrachten
H-bruggen
Kruis aan welke intermoleculaire krachten er aanwezig zijn tussen de moleculen van de stof.
©
7
S
IN
apolair d
6
H
H
CI
I
C
Stof
ammoniak (NH3)
fluorgas (F2)
koolstofdioxide (CO2)
Londonkrachten
H N H H F
F
O C O H
methanol (CH3OH)
H C O
joodmonochloride
H H CI I
H-bruggen
Dipoolkrachten
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
AAN DE SLAG
225
8
Zoutzuur (HCl) heeft een kookpunt van -85 °C en waterstofbromide (HBr) een kookpunt van -66 °C. Hoe verklaar je het verschil in kookpunt?
9
Een waterdruppel aan een lekkende kraan kan soms uren blijven hangen vooraleer die plots valt. Hoe komt het dat de druppel zo lang blijft hangen en dan uiteindelijk toch valt?
IN
10
Plat op je buik vallen in water is pijnlijk. Verklaar waarom
het minder pijnlijk is als je je lichaam kaarsrecht houdt en
VA
N
eerst met de handen of voeten in het water terechtkomt.
11
Als je een soepbord vult met water en een paar snuifjes peper op het water strooit, blijft de peper op het oppervlak drijven
1
(figuur 1). Wanneer je vervolgens een tandenstoker in wat afwasmiddel dipt, en daarmee het wateroppervlak aanraakt,
©
wijkt de peper uiteen (figuur 2). Hoe kun je dat verschijnsel verklaren?
2
226
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
AAN DE SLAG
12
Geef de dissociatievergelijking van de volgende ionverbindingen.
a
natriumfluoride
b Mg(NO3)2 c
aluminiumsulfide
d kaliumcarbonaat
13
K2SO4
IN
e
Je gooit enkele kristallen keukenzout (NaCl) in een proefbuis met water en enkele kristallen in een
oplossing met n-pentaan (apolair oplosmiddel). Je controleert of beide oplossingen de stroom geleiden. Wat zal het resultaat zijn en hoe kun je het resultaat verklaren?
N
Lossen de stoffen op in water of in benzine (=een mengsel van apolaire koolwaterstoffen)? 1
Bepaal het verschil in elektronegativiteit.
2
Over welke soort binding gaat het: polair of apolair?
VA
14
3
Wat is de aard van de stof: polair of apolair?
4
Lost de stof op in water of in benzine?
5
Duid in de lewisstructuren de partiele ladingen aan.
Stoffen
a
CO2
©
b HCl c
O C O
H CI
H-Cl :
CCl4
d NH3
CI
CI C CI CI H N H H
e
C-O :
H2S
H
S
H
Aard van de stof
Soort binding
ΔEN
C-Cl :
N-H :
H-S :
Oplosbaar in water of benzine*? benzine water benzine water benzine water
benzine water benzine water
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
AAN DE SLAG
227
15
Welke stoffen lossen op in water en welke stoffen lossen op in n-pentaan? dijood, ethaan, KOH, NH3, salpeterzuur (HNO3) a
TIP Bekijk de structuurformule van ammoniak en salpeterzuur.
in water:
b in pentaan:
IN
16
bijlage: structuurformule ammoniak en salpeterzuur
Je giet een kleine hoeveelheid water en een kleine hoeveelheid maisolie (apolair) in een reageerbuis.
Maisolie heeft een kleinere massadichtheid dan water. Je laat een druppel inkt vallen in de proefbuis.
Het water kleurt blauw, de maïsolie niet. Is inkt een stof opgebouwd uit polaire of apolaire moleculen?
17
N
Kun je een pan waarin je spek hebt gebakken, proper maken met alleen maar water? Verklaar je antwoord.
VA
18
Schrijf de ionisatievergelijking van de volgende stoffen: a
ammoniak (NH3)
b waterstofjodide
c
zwavelzuur
©
d fosforzuur
e
water (auto-ionisatie)
19
Schrijf de stapsgewijze ionisatie van H2SO3.
228
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
AAN DE SLAG
20
Je meet de pH-waarde van 3 vloeistoffen in een maatbeker. De pH van de vloeistof in de eerste maatbeker bedraagt 5, van de vloeistof in de tweede maatbeker 7 en van de derde maatbeker 11,4. In welke maatbeker: a
bevinden zich hydroxoniumionen?
b bevinden zich hydroxide-ionen?
c
is de concentratie hydroxoniumionen groter dan 107 mol ? L
©
VA
N
` Meer oefenen? Ga naar
IN
d is de concentratie aan hydroxide-ionen kleiner dan 107 mol ? L
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
AAN DE SLAG
229
Notities
VA
N
IN
©
230
GENIE Chemie 4.2 THEMA 04
©
VA
N
IN
THEMA 05 REACTIESOORTEN
CHECK IN
Chemie is overal! Zet je thuis al eens graag een kopje koffie of maak je een lekkere cappuccino? Dan hoort daar helaas ook het poetsen van het apparaat bij. Er vormt zich na een tijdje namelijk kalk in je apparaat waardoor de koffie minder goed doorloopt. Of je kent wellicht het probleem dat de douchekop na verloop van tijd verkalkt en verstopt raakt. Zo’n kalkaanslag is niet alleen lelijk, maar verkleint ook de watergaatjes van de douchekop, zodat het water moeilijk doorstroomt. Bovendien kunnen micro-organismen en bacteriën zich op ontkalken.
IN
het ruwe oppervlak nestelen. Daarom moet je regelmatig de douchekop
Dat ontkalken doen we met azijn. Magie? Nee, je voert gewoon een
gasontwikkelingsreactie uit: het zuur in azijn verwijdert de kalkaanslag door die aanslag onder meer om te zetten in gas.
Benodigdheden Materiaal 1 drinkglas
een lichtbron
Stoffen
2 eetlepels keukenazijn volle melk
VA
Werkwijze
N
Experimenteer nu zelf!
1
Voeg 2 eetlepels azijn toe aan een half glas volle melk.
2
Houd het glas melk in het licht en noteer je waarneming. Waarneming
Afb. 127 Caseïne wordt na filtratie en drogen ook als afzonderlijk voedingssupplement verkocht om de spieren te versterken.
Besluit
©
De caseïne, een eiwit in melk, zal onder invloed van de zure azijn bezinken. Dat is een neerslagreactie.
?
` Kunnen we chemische reacties nog verder onderverdelen? ` Hoe noteren we deze chemische reacties? ` Welke specifieke kenmerken hebben deze soorten chemische reacties? We zoeken het uit!
232
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
CHECK IN
VERKEN
Stoffen en chemische reacties OPDRACHT 1
Herken je deze chemische reacties? Plaats de onderstaande voorbeelden van chemische reacties bij de juiste verandering. Let op: sommige reacties kunnen meerdere merkbare veranderingen teweegbrengen.
4
5
3
IN
2
6
N
1
VA
Verandering
smaakverandering
Afbeelding
geurverandering
kleurverandering
gasontwikkeling
neerslagvorming
OPDRACHT 2
©
Wat is het verschil tussen een chemische reactie en een fysisch proces? Geef enkele voorbeelden.
Chemische reacties
Fysische processen
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
VERKEN
233
OPDRACHT 3
Fris je kennis van de oxidatiegetallen op. Bepaal het oxidatiegetal van alle atomen in de volgende moleculen en ionen. Moleculen/Ionen AgNO3
Oxidatiegetallen
S8
Fe3+
Moleculen/Ionen
Pb(NO3)2
Oxidatiegetallen
bijlage: OG bepalen
IN
OPDRACHT 4
Noteer de ionisatie- of dissociatievergelijking van de volgende stoffen in water: Stof
Vergelijking
Ionisatie (I) of dissociatie (D)?
H2CO3
N
Ca(OH)2
Al2(SO4)3
OPDRACHT 5
VA
Noteer de begrippen op de juiste plaats op de pH-schaal.
neutraal – erg zuur – weinig zuur – erg basisch – weinig basisch – 7 – 14
0
©
234
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
VERKEN
HOOFDSTUK 1
Soorten chemische reacties LEERDOELEN Je kunt al:
IN
L het oxidatiegetal van een element bepalen; L het onderscheid maken tussen een chemisch en een fysisch proces;
L ionisatie- en dissociatievergelijkingen van stoffen in water schrijven; L zuur-base-indicatoren gebruiken;
L een zure, basische en neutrale oplossing van elkaar onderscheiden.
stoffen worden gevormd. Een fysisch proces is een proces waarbij de beginstoffen achteraf opnieuw terug te vinden zijn. In de lessen fysica ga je verder onderzoeken hoe
L een chemische reactie classificeren als een neerslag-,
VA
gasontwikkelings- of neutralisatiereactie.
zo’n fysisch proces werkt. In dit hoofdstuk leer je hoe je chemische reacties nog verder kunt onderverdelen.
Ionuitwisselingsreactie versus redoxreactie
©
1
chemisch proces (of een chemische reactie) is een reactie waarbij na de reactie andere
L een chemische reactie classificeren als redoxreactie of ionuitwisselingsreactie;
chemische en fysische reacties. Een
N
Je leert nu:
Je kent ondertussen het verschil tussen
We kunnen chemische reacties nog verder onderverdelen. Een mogelijke, veel gebruikte onderverdeling is de verdeling op basis van een verandering van de oxidatiegetallen van de elementen. We bekijken dit even aan de hand van enkele chemische reacties, waarbij we de oxidatiegetallen van de elementen in de stoffen bepalen:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 1
235
De reactie tussen bakpoeder en zoutzuur 1
NaHCO3 + HCl → H2O + CO2 + NaCl OG:
+I +I +IV -II
+I -I
+I -II
+IV -II
+I -I
Het roesten van ijzeren nagels 2
4 Fe + 3 O2 + 6 H2O → 4 Fe(OH)3 OG:
0
0
+I -II
+III -II +I
3
IN
De verbranding van methaan
CH4 + O2 → CO2 + H2O OG:
-IV +I
0
+IV -II
+I -II
De vorming van stalagtieten en stalagmieten
4
Ca(HCO3)2 → CaCO3 + H2CO3 +II +I +IV -II
N
OG:
+II +IV -II
+I +IV -II
Als we reactie 2 en 3 bekijken, dan zien we dat sommige elementen van
oxidatiegetal veranderen. Zo is in reactie 2 het oxidatiegetal van ijzer voor de reactie nul, terwijl het na de reactie gelijk is aan +III. Het element zuurstof
VA
heeft een oxidatiegetal 0 voor de reactie, maar een oxidatiegetal –II na de reactie. We noemen dat soort chemische reacties redoxreacties. Bij een redoxreactie hoeven niet alle elementen van een oxidatiegetal te veranderen. Zo wijzigt het OG van het element H in reactie 2 niet. Bij reactie 1 en 4 zien we dat het oxidatiegetal van elk van de elementen, voor en na de reactie, niet verandert. Zo is het oxidatiegetal van natrium in de stof NaHCO3 en in de stof NaCl gelijk aan +I. En dat geldt voor alle elementen
in deze reacties. Er worden echter wel nieuwe (andere) stoffen gevormd. We noemen dat ionuitwisselingsreacties.
©
OPDRACHT 6
Bekijk volgende chemische reacties. a
Bepaal in kolom 1 de oxidatiegetallen van alle elementen in de reactievergelijking.
b Noteer in kolom 2 of het hier gaat om een ionuitwisselingsreactie (I) of redoxreactie (R). Reactievergelijking
2 Fe + O2 + 2 H2O → 2 Fe(OH)2 OG:
CaCl2 + Na2CO3 → 2 NaCl + CaCO3
OG: 236
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 1
Ionuitwisselingsreactie (I) of redoxreactie (R)?
2
Classificatie ionuitwisselingsreacties aan de hand van waarnemingen
OPDRACHT 7 ONDERZOEK
Onderzoek nu zelf enkele ionuitwisselingsreacties. Ga naar
en voer het labo uit.
IN
Binnen de ionuitwisselingsreacties kunnen we nog een verder onderscheid maken op basis van de eigenschappen van de gevormde producten: 1
Een neerslagreactie kun je herkennen aan de vorming van een neerslag (een slecht oplosbare stof) op de bodem van je proefbuis. In een
chemische reactie wordt dat voorgesteld met een pijl naar beneden (↓) achter de chemische formule van de stof die neerslaat. In een
reactievergelijking kan het ook aangeduid worden met de subscripts (v)
WEETJE Subscripts bij stoffen in reacties:
2
Een gasontwikkelingsreactie kun je herkennen aan het ontsnappen van gasbelletjes uit de proefbuis. In een chemische reactie wordt dat voorgesteld met een pijl naar boven (↑) achter de chemische formule van de stof die ontsnapt. In een reactievergelijking kan het ook aangeduid worden met het subscript (g) bij de stof.
VA
(aq) = opgelost in water
N
of (s) bij de stof.
(v) of (s) = vast
(vl) of (l) = vloeibaar
3
Een neutralisatiereactie is een reactie tussen een zuur en een base waarbij water gevormd wordt.
©
(g) = gasvormig
Opmerkingen:
— Sommige chemische reacties kunnen ook een combinatie van de bovenstaande reacties vertonen en bijvoorbeeld zowel een neerslag vormen als een neutralisatiereactie zijn. We komen hier in het volgende hoofdstuk op terug.
— Ook bij redoxreacties kunnen er gassen gevormd worden. Op die manier zou je deze redoxreacties dus ook kunnen indelen bij de gasontwikkelingsreacties. Dit toont nogmaals aan dat chemie niet helemaal zwart-wit is. — Een reactie tussen een zuur en een base kan leiden tot een neutrale oplossing (pH = 7). De term neutralisatie verwijst echter naar de H+-ionen die samen met de OH--ionen water vormen en niet naar een neutrale pH.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 1
237
VOORBEELD CLASSIFICEREN VAN IONUITWISSELINGSREACTIES 1
De reactie tussen zoutzuur en zilvernitraat in waterig midden: HCl (aq) + AgNO3 (aq) → HNO3 (aq) + AgCl (s) De afkorting (aq) bij de stoffen toont aan dat de stoffen goed oplossen in water (en de componenten dus vrije ionen vormen in water). De afkorting (s) bij de stof zilverchloride toont aan dat de stof onder zijn vaste vorm voorkomt in water. Dat wil zeggen dat dit een neerslag vormt.
IN
Een andere manier van noteren is als volgt: HCl + AgNO3 → HNO3 + AgCl ↓
Dit is een voorbeeld van een neerslagreactie. 2
De reactie tussen zoutzuur en bakpoeder in waterig midden: HCl (aq) + NaHCO3 (aq) → H2O + CO2 (g) + NaCl (aq)
N
Het subscript (aq) achter de stoffen toont aan dat de stoffen goed
oplossen in water (en de componenten dus vrije ionen vormen in water). Bij de stof H2O (water) staat geen subscript, aangezien dit het
oplosmiddel zelf is.
VA
Het subscript (g) bij de stof koolstofdioxide toont aan dat deze stof als een gas voorkomt, en dus zal ontsnappen uit de oplossing. Een andere manier van noteren is als volgt: HCl + NaHCO3 → H2O + CO2 ↑ + NaCl Dit is een voorbeeld van een gasontwikkelingsreactie.
3
De reactie tussen zoutzuur en natriumhydroxide in waterig midden: HCl (aq) + NaOH (aq) → NaCl (aq) + H2O
©
Het subscript (aq) achter de stoffen toont opnieuw aan dat de stoffen goed oplossen in water (en de componenten dus vrije ionen vormen in water). Daarnaast zien we dat er, door de reactie tussen een zuur (HCl) en een base (NaOH) water wordt gevormd. Een andere manier van noteren is als volgt: HCl + NaOH → NaCl + H2O Dit is een voorbeeld van een neutralisatiereactie.
238
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 1
OPDRACHT 8
Bekijk de onderstaande voorstellingen van ionuitwisselingsreacties. Classificeer de ionuitwisselingsreacties als neerslagreactie, gasontwikkelingsreactie en/of neutralisatiereactie. Neerslagreactie, gasontwikkelingsreactie of neutralisatiereactie?
Voorstelling ionuitwisselingsreactie 1
neerslagreactie
gasontwikkelingsreactie
2
zuur
basisch
gasontwikkelingsreactie neutralisatiereactie neerslagreactie
gasontwikkelingsreactie neutralisatiereactie
basisch
water + zout
VA
zuur
neutraal
neerslagreactie
N
3
Na2SO4 + BaCl2 → BaSO4 ↓ + 2 NaCl
IN
neutralisatiereactie
4
gasontwikkelingsreactie neutralisatiereactie
©
CaCO3 (s) + 2 HCl (aq) → CO2 (g) + CaCl2 (aq) + H2O
neerslagreactie
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 1
239
fysisch proces
chemische reactie andere stoffen gevormd na reactie
ionuitwisselingsreactie
redoxreactie
OG elementen
OG bepaalde
verandert niet
elementen verandert na reactie
gasontwikkelings-
neutralisatiereactie
na reactie: slecht
reactie
reactie tussen zuur
oplosbare stof
na reactie: gas
en base waarbij
gevormd die naar de
gevormd dat uit de
water gevormd
bodem zakt ↓
oplossing ontsnapt ↑
wordt
IN
neerslagreactie
of indicatie (s) of (v)
of indicatie (g)
achter de stof in de
achter de stof in de
reactievergelijking
reactievergelijking
©
VA
N
` Maak oefening 1 en 2 op p. 268.
240
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 1
HOOFDSTUK 2
Ionuitwisselingsreacties van dichtbij bekeken LEERDOELEN Je kunt al: L het onderscheid maken tussen een neerslagreactie, van reactievergelijkingen of waarnemingen;
IN
gasontwikkelingsreactie en/of neutralisatiereactie aan de hand L ionisatie- en dissociatievergelijkingen van stoffen in water noteren; L zuur-base-indicatoren gebruiken;
L een zure, basische en neutrale oplossing van elkaar Je leert nu:
N
onderscheiden.
L met een oplosbaarheidstabel voorspellen of een combinatie van stoffen leidt tot een onoplosbare stof;
L de vergelijking van een neerslagreactie opstellen;
L de vergelijking van een gasontwikkelingsreactie opstellen;
VA
L de vergelijking van een neutralisatiereactie opstellen;
je de ionuitwisselingsreacties leren herkennen. We maakten een onderscheid tussen gasontwikkelingsreacties, neerslagreacties en
L chemische reacties classificeren als neerslag-,
neutralisatiereacties. Maar kunnen
gasontwikkelings- of neutralisatiereactie.
we deze 3 soorten reacties ook zelf voorspellen en uitschrijven?
Algemene notatie
©
1
In het eerste hoofdstuk heb
1.1 Visuele weergave De verschillende ionuitwisselingsreacties kunnen we voorstellen door middel van een visuele weergave. Als we waterige oplossingen van 2 elektrolyten AB en CD samenvoegen, dan brengen we vier ionen samen in eenzelfde reactievat: A+, B-, C+ en D-. In dit reactievat kunnen de negatieve ionen van de ene stof een verbinding maken met de positieve ionen van de andere stof (en omgekeerd). Bekijk op de volgende pagina de interacties die kunnen optreden.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
241
1
Neerslagreacties De nieuwe combinatie is een stof die weinig oplost in water. We merken een troebeling die na een tijdje naar de bodem zakt, bezinkt en een neerslag vormt.
A+
+
B– B–
A+
D–
C+ D–
C+
C+ B– C+
B–
A+ D- A+ D-
Afb. 128 Visuele weergave neerslagreactie
Gasontwikkelingsreacties
IN
2
De nieuwe combinatie is een gas dat weinig oplost in water. We merken gasbelletjes op die uit de oplossing opstijgen.
A+
+
B– A+
B–
D–
C+
D–
C+
A+
A+
D–
D–
N
Afb. 129 Visuele weergave gasontwikkelingsreactie
3
Neutralisatiereacties
Bij het samenvoegen van een zuur (pH < 7) en een base (pH > 7) combineren de waterstofionen (H+) van het zuur met de hydroxide-ionen
VA
(OH-) van het hydroxide tot water (H2O).
H+
+
B–
H
+
B
–
C+
C
+
OH– OH
–
©
Afb. 130 Visuele weergave neutraliteitsreactie
242
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
C+ B–
C+
B–
Opmerkingen: — Het is ook mogelijk dat alle ionen een nieuwe combinatie aangaan. In dat geval gebeuren er gelijktijdig 2 chemische reacties.
A+
+
B– A+
B–
D–
C+ D–
C+
C+ B– C+
B–
A+ D- A+ D-
— Het kan ook zijn dat er geen chemische reactie optreedt. De stoffen worden dan alleen gemengd, wat een fysisch proces is. Er ontstaat
IN
geen nieuwe combinatie tussen de tegengesteld geladen ionen (alle ionen blijven gedissocieerd in de oplossing).
A+
B–
A+
+
B–
A+
D–
C+
D–
C+
A+
B–
D–
C+
C+
D–
B–
N
Afb. 131 Visuele weergave fysisch proces
1.2 Weergave met behulp van reactievergelijkingen Ionuitwisselingsreacties kunnen, naast een visuele weergave, ook in 3 soorten
©
VA
reactievergelijkingen weergegeven worden: 1 de stoffenreactievergelijking (SR) =
reactievergelijking waarbij alle stoffen als formule worden weergegeven in de reactie
2 de ionenreactievergelijking (IR) =
reactievergelijking waarbij alle stoffen die dissociëren of ioniseren ook als ionen worden weergegeven in de reactie
3 de essentiële reactievergelijking (ER) = reactievergelijking waarbij alleen de ionen die een nieuwe stof vormen, behouden blijven.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
243
Opmerkingen in verband met de essentiële reactievergelijking: — In het geval van een neerslagreactie zijn het de ionen die de neerslag vormen. In het geval van de gasontwikkelingsreactie zijn het de ionen die het gas vormen. En bij een neutralisatiereactie is de essentiële reactievergelijking altijd dezelfde: het zijn altijd H+ en OH- -ionen die samen combineren tot de vorming van water. — Als er tijdens een chemische reactie geen neerslag, gas of water gevormd wordt, dan zal er ook geen essentiële reactie optreden.
IN
— Zoals eerder vermeld, kunnen er tegelijkertijd 2 ionuitwisselingsreacties plaatsvinden. Je noteert dan ook beide essentiële reactievergelijkingen afzonderlijk.
Om de correcte reactievergelijkingen van een ionuitwisselingsreactie te noteren, doorloop je best het volgende stappenplan:
Hoe weet je of een stof slecht oplost in water? Dat leer je in het volgende onderdeel.
N
STAP 1: Noteer de dissociatie/ionisatievergelijkingen van de reagentia. TIP
STAP 2: Combineer de vrije ionen tot nieuwe verbindingen. Zorg dat de wet van behoud van atomen gerespecteerd wordt en denk aan de kruisregel bij de vorming van hydroxiden en zouten (zie thema 01). Noteer
VA
welke reactieproducten slecht oplosbaar zijn (neerslag of gas) en noteer in de vergelijking met een ↓ (neerslag) of ↑ (gas). Je noteerde nu de stoffenreactievergelijking (SR).
STAP 3: De vrije ionen die aanleiding geven tot de neerslag, het gas of water, zijn de componenten die als stof behouden blijven in de ionenreactievergelijking. De andere vrije ionen blijven onder hun ion-vorm
©
in de vergelijking staan. Je noteerde nu de ionenreactievergelijking (IR).
244
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
STAP 4: We vereenvoudigen de ionenreactievergelijking en behouden alleen de onderdelen die aanleiding geven tot de neerslag, het gas of de vorming van water. Dit is de essentiële reactievergelijking (ER).
HOOFDSTUK 2
OPDRACHT 9
Noteer de reactievergelijkingen van de ionuitwisselingsreactie. De reactie tussen zoutzuur (HCl) en zilvernitraat (AgNO3) zorgt voor de vorming van het zuur
waterstofnitraat (HNO3) en de neerslag zilverchloride (AgCl). Volg het stappenplan. STAP 1 We bekijken eerst de reagentia: een ionisatievergelijking. AgNO3 als zout dissocieert in ionen
volgens de dissociatievergelijking. STAP 2 We bekijken de reactieproducten:
H+ kan reageren met NO3- ter vorming van
het zuur HNO3.
Ag vormt met Cl het slecht oplosbaar zout +
-
N
AgCl. We noteren het dus als een neerslag in
IN
HCl is een zuur, dus spreken we van
de stoffenreactievergelijking. STAP 3
We gaven aan dat het zuur HNO3 werd
gevormd. Zuren ioniseren echter in water,
VA
waardoor de ionen H+ en NO3- als vrije ionen
naast elkaar blijven bestaan. We noteren dat dan in een
ionenreactievergelijking. STAP 4
Vereenvoudigen we de
ionenreactievergelijking, dan bekomen we de essentiële reactievergelijking.
In de ionenreactievergelijking zien we dat
©
alleen de ionen Ag+ en Cl- tot een nieuwe
stof reageren.
Opmerking:
Je ziet dat je de ER gemakkelijk kan afleiden uit de IR door de gelijke ionen links en rechts van de reactiepijl te schrappen. IR: H+ + Cl- + Ag+ + NO3- → H+ + NO3- + AgCl ↓ ↓
ER: Ag+ + Cl- → AgCl ↓
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
245
2
Neerslagreacties
2.1 Oplosbaarheid in water: gebruik van de oplosbaarheidstabel Wanneer we kijken naar reacties met stoffen in water, is het belangrijk om te weten welke stoffen effectief vrije ionen vormen in water en welke stoffen slecht oplosbaar zijn (en dus geen vrije ionen zullen vormen). Een globale
IN
indeling voor oplosbaarheid is: g — goed oplosbaar: > 10 L g — matig oplosbaar: 1 - 10 L g — slecht oplosbaar: < 1 L
De oplosbaarheid van stoffen kan worden beïnvloed door externe factoren zoals temperatuur. De oplosbaarheid van vaste stoffen is groter bij een
hogere temperatuur. Voor gassen geldt het tegenovergestelde. Aangezien een
N
hogere temperatuur ervoor zorgt dat de moleculen sneller bewegen, betekent dat dat ze makkelijker uit de oplossing kunnen ontsnappen. Tabel 8 geeft een overzicht van de oplosbaarheid van verbindingen in water. Deze tabel werd via experimentele vaststellingen opgesteld en mag je altijd gebruiken.
Slecht oplosbaar
Goed oplosbaar
VA
Verbindingen
verbindingen met Na
alle
-
verbindingen met K
alle
-
verbindingen met NH4+
alle
-
nitraat (NO3-)
alle
-
bromide (Br-)
alle, behalve →
Ag+, (Hg+, Pb2+: matig)
chloride (Cl )
alle, behalve →
Ag+, (Hg+, Pb2+: matig)
jodide (I-)
alle, behalve →
Ag+, (Hg+, Hg2+ en Pb2+: matig)
sulfaat (SO )
alle, behalve →
Ba2+, (Pb2+, Ca2+: matig)
sulfiet (SO32-)
Na+, K+, NH4+
+
+
Zouten van:
-
24
sulfide (S )
Na , K , NH , Mg ,Ba , Ca
alle andere
Na+, K+, NH4+
alle andere
© carbonaat (CO ) 23
hydroxide (OH ) -
+
+
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
+ 4
Na , K , NH +
+
+ 4
2+
2+
2+
alle andere
groep IA, beperkter voor groep IIA andere groepen
Tabel 8 Oplosbaarheidstabel
246
Fe2+, Zn2+, Cu2+, Ca2+, Pb2+, Hg+, Ag+, (Mg2+ matig)
fosfaat (PO43-)
2-
HOOFDSTUK 2
OPDRACHT 10
Bepaal de oplosbaarheid van een zout. 1
Is magnesiumsulfaat goed oplosbaar in water of zal het een neerslag vormen? Bekijk het voorbeeld. — Symbolische voorstelling: MgSO4
— MgSO4 is een combinatie van de ionen Mg2+ en SO42-
— Wanneer we de oplosbaarheidstabel bekijken, zien we dat deze combinatie een goed oplosbaar zout is.
Zijn deze zouten goed oplosbaar in water? Vul de tabel aan. Symbolische voorstelling AgCl
Oplosbaar in water (ja/neen)?
Systematische naam
IN
2
ammoniumsulfide
2.2 Neerslagreacties opstellen
N
Bij het samenvoegen van oplossingen kunnen positieve en negatieve ionen nieuwe verbindingen vormen. Die reactie noemen we een
ionenuitwisselingsreactie. Die nieuwe verbindingen kunnen een slecht oplosbaar zout vormen. In dat geval ontstaat er een neerslag. De reactie noemen we dan een neerslagreactie. Er kunnen tegelijkertijd ook 2 nieuwe slecht oplosbare zouten gevormd worden. Met behulp van het stappenplan en
VA
de oplosbaarheidstabel kunnen we de bijbehorende vergelijkingen opstellen.
WEETJE
Dankzij de typische kleur van bepaalde neerslagen worden neerslagreacties gebruikt om de aanwezigheid van bepaalde ionen aan te tonen. De neerslagreactie op afb. 9 laat bijvoorbeeld toe om Pb2+-ionen in
bodemstalen te identificeren door toevoeging van een KI-oplossing. Omgekeerd kan door middel van een Pb(NO3)2-oplossing de aanwezigheid
van I– worden aangetoond. De aanwezigheid van Pb2+-ionen in bodemstalen
©
of in je drinkwater is niet gewenst: in het oude Rome stierven de rijken
Afb. 132 Typische gele kleur van PbI2
vaak eerder dan de arme inwoners. Toch hadden rijke Romeinen veel meer nutsvoorzieningen, terwijl de armen op elkaar gepakt in kazernes woonden. Wat bleek nu? De rijke Romeinen gebruikten loden buizen om het drinkwater in hun woningen binnen te brengen. Velen stierven dan ook een pijnlijke dood door loodvergiftiging.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
247
OPDRACHT 11
Noteer de reactievergelijkingen van de ionuitwisselingsreactie. Als een oplossing van looddinitraat wordt samengevoegd met een kaliumjodide-oplossing, dan ontstaat er een gele neerslag. Volg het stappenplan om aan te tonen welke stof die
bijlage: stappenplan
neerslag vormt. STAP 1 Noteer de dissociatie/ionisatievergelijkingen van de reagentia Beide reagentia zijn zouten, dus we noteren de dissociatievergelijking van beide stoffen:
Dissociatievergelijking looddinitraat:
STAP 2 Noteer de stoffenreactievergelijking We bekijken de reactieproducten: K+ kan reageren met NO3- ter vorming van het goed oplosbare zout KNO3. In de
oplosbaarheidstabel zien we immers dat
N
alle zouten met K+ goed oplosbaar zijn.
IN
Dissociatievergelijking kaliumjodide:
Pb2+ vormt met I- het slecht oplosbaar
zout PbI2 (zoals we zien in de oplosbaar-
heidstabel). We noteren dat dus als een
neerslag in de stoffenreactievergelijking.
Daarnaast houden we ook rekening met de
VA
wet van behoud van atomen.
STAP 3 Noteer de ionenreactievergelijking
We gaven aan dat het goed oplosbare zout KNO3 werd gevormd, dat wil zeggen dat de
ionen K+ en NO3- als vrije ionen naast elkaar
blijven bestaan.
De ionenreactievergelijking ziet er dan als
volgt uit:
©
STAP 4 Noteer de essentiële reactievergelijking Vereenvoudigen we de ionenreactievergelijking, dan bekomen we de essentiële reactievergelijking. In de ionenreactievergelijking zien we dat alleen de ionen Pb2+ en I- tot een nieuwe stof reageren, waardoor de essentiële reactievergelijking van deze reactie als volgt wordt genoteerd:
248
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
OPDRACHT 12
DOORDENKER
Op welke manier kunnen neerslagreacties gebruikt worden bij het bepalen van de aanwezigheid van chloride-ionen? Drinkwater (en zwembadwater) wordt vaak behandeld met chloorzouten om bacteriën te doden. Een teveel aan chloride-ionen in je drinkwater zorgt niet alleen voor een slechte geur en smaak, maar het kan ook
irritatie aan de luchtwegen veroorzaken. De aanwezigheid van chloride-
ionen kan aangetoond worden door de toevoeging van zilvernitraat. Kun — dissociatievergelijking zilvernitraat:
— stoffenreactievergelijking:
— essentiële reactievergelijking:
— dissociatievergelijking calciumchloride:
3
N
— ionenreactievergelijking:
IN
je die reactie bewijzen? Gebruik het stappenplan.
Gasontwikkelingsreacties
©
VA
3.1 Veelvoorkomende gassen in chemische reacties Om een chemische reactie te herkennen als een ionuitwisselingsreactie waarbij een gas gevormd wordt, is het belangrijk om te weten welke stoffen gassen zijn. Hieronder vind je een tabel met veel voorkomende gassen die bij chemische reacties ontstaan en die je moet onthouden. Formule
Naam
Formule
Naam
H2
waterstofgas – diwaterstof CO2
koolzuurgas - koolstofdioxide
O2
zuurstofgas – dizuurstof
NH3
ammoniak
N2
stikstofgas – distikstof
SO2
zwaveldioxide
Cl2
chloorgas – dichloor
NO2
stikstofdioxide
H2S
waterstofsulfide
Tabel 9 Veelvoorkomende gassen die ontstaan bij chemische reacties
Onthoud bovendien dat sommige moleculen, in een waterige oplossing, spontaan ontbinden. Zo treden de volgende chemische reacties (spontaan) op in waterig midden: — De ontleding van waterstofcarbonaat:
— De ontleding van waterstofsulfiet:
— De ontleding van ammoniumhydroxide:
H2CO3 → H2O + CO2↑
H2SO3 → H2O + SO2↑
NH4OH → H2O + NH3↑
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
249
3.2 Gasontwikkelingsreacties opstellen Bij het samenvoegen van oplossingen kunnen positieve en negatieve ionen nieuwe verbindingen vormen. Die nieuwe verbindingen kunnen gassen zijn. In dat geval spreken we van een gasontwikkelingsreactie. Deze reactie kunnen we, via het stappenplan op pagina 238, opstellen.
OPDRACHT 13
IN
Als je zoutzuur op een stuk marmer (calciumcarbonaat) giet, dan ontstaat er een gas. Wanneer we dat gas door kalkwater leiden, wordt het kalkwater troebel. Dat is een indicatie dat er CO2-gas werd gevormd.
Volg het stappenplan om de reactievergelijkingen van de ionuitwisselingsreactie te noteren.
STAP 1 Noteer de dissociatie/ionisatievergelijkingen van de reagentia Dissociatievergelijking: caliumcarbonaat Ionisatievergelijking: zoutzuur
N
STAP 2 Noteer de stoffenreactievergelijking
We bekijken de reactieproducten:
Ca2+ kan reageren met Cl- ter vorming van het goed oplosbare zout CaCl2, zoals we in de
VA
oplosbaarheidstabel zien.
2 H+ vormt met CO32- het zuur H2CO3, dat in water
ontleedt in CO2-gas en H2O. We noteren dat dus als een gas in de stoffenreactievergelijking. Daarnaast
houden we ook rekening met de wet van behoud van atomen.
STAP 3 Noteer de ionenreactievergelijking
We gaven aan dat het goed oplosbare zout CaCl2
werd gevormd, dat wil zeggen dat de ionen Ca2+ en
©
Cl- als vrije ionen naast elkaar blijven bestaan.
De ionenreactievergelijking ziet er dan als volgt uit:
STAP 4 Noteer de essentiële reactievergelijking Vereenvoudigen we de ionenreactievergelijking, dan bekomen we de essentiële reactievergelijking: In de ionenreactievergelijking zien we dat alleen de ionen H en CO 2+
23
tot een nieuwe stof reageren,
waardoor de essentiële reactievergelijking van deze reactie als volgt wordt genoteerd:
250
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
bijlage: stappenplan
WEETJE Monumenten bedreigd door zuren Veel gebouwen, monumenten en beeldhouwwerken zijn gemaakt uit kalksteen of marmer. Beide gesteenten bestaan uit calciumcarbonaat (CaCO3), maar
kalksteen is minder hard dan marmer. Onze hedendaagse levenswijze vormt een bedreiging voor eeuwenoude monumenten. Bij de verbranding van zwavelhoudende brandstoffen zoals steenkool, stookolie en diesel komt Afb. 133 De Menenpoort in Ieper
naast koolstofdioxide namelijk ook zwaveldioxide vrij. Zwaveldioxide reageert langzaam met zuurstofgas tot zwaveltrioxide, dat met water het sterke zuur
zwavelzuur (of waterstofsulfaat: H2SO4) vormt.
IN
Bij de reactie van zwavelzuur met kalksteen of marmer ontstaan koolstofdioxide en poedervormig
calciumsulfaat (gips). Ook dat kunnen we weer op 3 manieren weergeven als reactievergelijkingen. We beginnen met de ionisatie/dissociatievergelijking van beide producten in water: — dissocatievergelijking:
— ionisatievergelijking:
CaCO3 → Ca2+ + CO32-
H2SO4 → 2 H+ + SO42-
Nieuwe combinaties die kunnen worden gevormd, zijn H2CO3 en CaSO4. Zoals je al weet, is H2CO3 een molecule die in water spontaan ontbindt tot H2O en CO2 (gas), terwijl CaSO4 een matig oplosbaar zout is. We bekomen
N
dan de volgende reactievergelijkingen:
SR: CaCO3 + H2SO4 → H2CO3 + CaSO4↓ → H2O + CO2↑+ CaSO4↓
IR: Ca2+ + CO32- + 2H+ + SO42- → H2CO3 + CaSO4↓ → CaSO4↓+ H2O + CO2↑ ER (gasontwikkeling): CO32- + 2 H+ → H2O + CO2↑
VA
ER (neerslag): Ca2+ + SO42- → CaSO4↓
Zo wordt de kalksteen van monumenten door zuren omgezet in een poeder en een gas waardoor ze meer en meer worden aangetast. Een middel om de schade te herstellen, is het aanbrengen van kunststoffen. Die duurzame ingreep voor de verdere bewaring van ons erfgoed noemt men consolidatie door steenversteviging.
OPDRACHT 14
Wat gebeurt er als je een oplossing van salpeterzuur (HNO3) giet op ijzersulfide? Noteer de reactievergelijkingen volgens het stappenplan.
©
a
STAP 1 Noteer de ionisatievergelijking van salpeterzuur en de dissociatievergelijking van ijzersulfide. — ionisatievergelijking salpeterzuur:
— dissociatievergelijking ijzersulfide:
STAP 2 Geef de stoffenreactievergelijking van deze reactie. SR:
STAP 3 Geef de ionenreactievergelijking van deze reactie. IR: ↑
STAP 4 Geef de essentiële reactievergelijking. ER: GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
251
b Wat kun je besluiten als je een oplossing van salpeterzuur (HNO3) op ijzersulfide giet?
Neutralisatiereacties
IN
4
Het derde type van ionuitwisselingsreacties zijn de neutralisatiereacties: een reactie tussen een zuur en een base waarbij water gevormd wordt.
In het woord neutralisatiereactie herken je het begrip neutraal, dat je al eerder tegenkwam in thema 01 toen je het begrip pH leerde kennen. In thema 04 leerde je ook dat de pH-waarde afhankelijk is van de hoeveelheid H+- en OH--ionen in de oplossing.
N
ontdekplaat: pH
Gedestilleerd water wordt een neutrale oplossing genoemd, omdat de hoeveelheid H+- en OH--ionen aan elkaar gelijk is (pH = 7). Wanneer we H+-ionen toevoegen aan het water, krijgen we een zure oplossing.
Het toevoegen van OH--ionen leidt tot een basische of alkalische oplossing.
VA
Een neutralisatiereactie is dan ook een reactie tussen een zuur (H+-ionen) en
een base (OH--ionen), waarbij de H+-ionen en OH--ionen elkaar neutraliseren door de vorming van water. Daarom wordt de reactie vaak ook een zuur-basereactie genoemd.
Om de correcte reactievergelijkingen van een neutralisatiereactie te noteren, gebruiken we opnieuw hetzelfde stappenplan. Maar bij een neutralisatiereactie is de essentiële reactievergelijking steeds dezelfde: het zijn namelijk steeds H+- en OH- -ionen die samen combineren tot de vorming
©
van water.
252
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
OPDRACHT 15
Weiden, grasvelden of akkers die te zuur zijn, kunnen worden behandeld met basisch reagerende stoffen zoals gebluste kalk. Die gebluste kalk neutraliseert de H+-ionen die aanwezig zijn in de zure bodem. We bekijken een eenvoudig voorbeeld met zwavelzuur als bron van H+-ionen. Volg het stappenplan om de reactievergelijkingen van de ionuitwisselingsreactie te noteren. STAP 1 Noteer de dissociatie/ionisatievergelijkingen van de reagentia Gebluste kalk (als hydroxide) gaat ioniseren in water. Dat geeft de volgende reactievergelijkingen: — dissociatie gebluste kalk — ionisatie zwavelzuur
STAP 2 Geef de stoffenreactievergelijking
We bekijken de reactieproducten:
N
Ca2+ kan reageren met SO42- ter vorming van
IN
dissociëren in water, terwijl zwavelzuur zal
het matig oplosbare zout CaSO4 (zie oplosbaarheidstabel).
H+ en OH- vormen samen water.
SR:
VA
We kunnen nu de stoffenreactievergelijking noteren.
STAP 3 Geef de ionenreactievergelijking
We gaven aan dat het matig oplosbare zout CaSO4 werd gevormd.
We kunnen nu de ionenreactievergelijking
IR:
noteren. STAP 4.
©
We vereenvoudigen ten slotte de
ionenreactievergelijking en behouden dan de essentiële reactievergelijking van de neutralisatiereactie:
ER:
Daarnaast zien we ook de essentiële reactievergelijking van de neerslagreactie:
ER:
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
253
OPDRACHT 16
DOORDENKER
Verklaar het onderstaande fenomeen. Intensief gebruikte akkers worden vaak te basisch (alkalisch). Als remedie strooit men er zuurreagerende meststoffen op zoals difosforpentaoxide. Dat difosforpentaoxide reageert eerst met het water in de bodem en vervolgens met de aanwezige hydroxiden. a
Allereerst reageert het oxide met water. Volgens welk reactiepatroon zal dat gebeuren? reactiepatroon:
b Geef de reactievergelijking tussen difosforpentaoxide en water.
IN
c
reactievergelijking:
Noteer nu de ionisatievergelijking van dat eindproduct, alsook de dissociatievergelijking van kaliumhydroxide. Dat is een veelvoorkomend hydroxide in bemeste bodems. — ionisatievergelijking:
— dissociatievergelijking KOH-oplossing:
e
SR:
f
IR:
g
ER:
N
d Geef de stoffenreactievergelijking van die reactie.
Geef de ionenreactievergelijking van die reactie.
VA
Geef de essentiële reactievergelijking van die reactie.
Is de reactie tussen H3PO4 en KOH ook een neerslagreactie? Motiveer je antwoord.
©
254
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
Ionuitwisselingsreacties worden steeds volgens hetzelfde stappenplan uitgeschreven (zie p. 244). — neerslagreacties
→ De nieuw gevormde stof is slecht oplosbaar
in water.
→ Gebruik de oplosbaarheidstabel op p. 246.
— gasontwikkelingsreacties → De nieuw gevormde stof is een gas:
H2CO3 → H2O + CO2↑
H2SO3 → H2O + SO2↑
IN
NH4OH → H2O + NH3↑ — neutralisatiereacties
→ H+-ionen en OH--ionen vormen samen H2O.
→ De essentiële reactievergelijking is altijd:
H++ OH- → H2O.
N
` Maak oefening 3 t/m 8 op p. 269-274.
WEETJE
Om te voorkomen dat het industrieel afvalwater met een
©
VA
(te) hoge of (te) lage pH zou geloosd of hergebruikt worden, wordt het geneutraliseerd. Bij dat neutraliseren wordt, in tegenstelling tot wat je zou
denken, het water niet noodzakelijk op een pH = 7 gebracht, maar meestal op een pH tussen 6,5 en 9,5. In de industrie is het belangrijk om het afvalwater te neutraliseren om corrosie en andere chemische reacties, die plaatsvinden bij een hoge of een erg lage pH, te vermijden. Gassen die bij zo’n ongewenste reacties kunnen vrijkomen, zijn ammoniak (NH3) en het zeer giftige blauwzuur (waterstofcyanide = HCN).
stoffen die afvalwater neutraliseren
Te lage pH
Te hoge pH
NaOH, Ca(OH)2
H2SO4, HCl
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 2
255
HOOFDSTUK 3
Redoxreacties van dichtbij bekeken LEERDOELEN Je kunt al: enkelvoudige stoffen en verbindingen. Je leert nu:
IN
L het oxidatiegetal van elementen bepalen in
L een eenvoudige redoxreactie ontleden en de
begrippen oxidator, reductor, oxidatie, reductie en elektronenoverdracht hierbij gebruiken;
L een eenvoudige redoxreactievergelijking tussen enkelvoudige stoffen opstellen.
Je hebt de ionuitwisselingsreacties van naderbij bekeken: neerslagreacties,
gasontwikkelingsreacties en neutralisatie-
reacties hebben geen geheimen meer voor jou. Maar je zag in hoofdstuk 1 ook nog
redoxreacties: reacties waarbij het oxidatiegetal
Redoxreacties ontleden
VA
1
N
van bepaalde elementen verandert.
In hoofdstuk 1 zagen we 2 reacties (het roesten van ijzeren nagels en het verbranden van methaangas) waarbij het oxidatiegetal van bepaalde elementen veranderde. Die verandering kan op 2 manieren gebeuren: — Wanneer het oxidatiegetal van een element stijgt, wilt dat zeggen dat het
TIP
Om dit makkelijk te
onthouden, denk je maar aan het woord ‘reductie’
©
of afprijzing tijdens de
solden: tijdens de solden daalt de prijs.
256
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
element elektronen heeft afgegeven = oxidatie.
— Wanneer het oxidatiegetal van een element daalt, wilt dat zeggen dat het element elektronen heeft opgenomen = reductie.
Merk op dat oxidatie en reductie hand in hand gaan: het ene element kan pas elektronen afstaan als er een ander element is dat elektronen wilt opnemen. Je kunt dus alleen een oxidatie hebben als er ook een reductie is, vandaar de naam redoxreactie (reductie-oxidatie). Concreet draagt het ene element een of meerdere elektronen over aan het andere element. Daarom worden deze chemische reacties elektronenoverdrachtreacties genoemd.
HOOFDSTUK 3
De stoffen die de oxidatie en reductie ondergaan, krijgen ook een specifieke naam: 1
TIP
reductor = stof waarin een element in oxidatiegetal stijgt
De reductor ondergaat
= stof die geoxideerd wordt
een oxidatie. De oxidator
= stof die elektronen overdraagt aan een andere stof: de andere stof doet
ondergaat een reductie.
reduceren 2
oxidator = stof waarin een element in oxidatiegetal daalt = stof die gereduceerd wordt
IN
= stof die elektronen onttrekt van een andere stof: de andere stof laat oxideren
OPDRACHT 17
Is het roesten van een ijzeren nagel een redoxreactie?
a
N
Bekijk opnieuw de onderstaande reactie uit hoofdstuk 1. Bepaal het oxidatiegetal van elk element.
4 Fe + 3 O2 + 6 H2O → 4 Fe(OH)3
OG:
VA
b Vul aan en/of omcirkel het juiste antwoord.
Het oxidatiegetal van het element ijzer stijgt/daalt van
naar
. Fe ondergaat dus een
Het oxidatiegetal van het element zuurstof stijgt/daalt van
op te nemen. O2 ondergaat dus een In deze reactie zijn er er
Fe-atomen die
elektronen
en is zelf de
naar
door
. elektronen
en is zelf de
.
elektronen afgeven/opnemen, dus in totaal worden
elektronen afgegeven/opgenomen. Daarnaast zijn er
afgeven/opnemen, dus in totaal worden er
door
O-atomen die
elektronen
elektronen afgegeven/opgenomen.
©
Er worden dus meer/evenveel/minder elektronen afgegeven als opgenomen.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 3
257
OPDRACHT 18 DEMO
Verbranden van koper Werkwijze Je leerkracht houdt een stukje rood koper in de vlam van een bunsenbrander. Waarnemingen 1
Wat neem je waar?
2
IN
Bekijk de reactievergelijking voor de verbranding van koper tot koper(II)oxide en noteer het
oxidatiegetal van elk van de atoomsoorten.
2 Cu + O2 → 2 CuO 3
Vul aan en/of schrap wat fout is.
— Het oxidatiegetal van het element koper stijgt/daalt van
— Het oxidatiegetal van het element zuurstof stijgt/daalt van te nemen/af te geven. Zuurstof ondergaat dus een
Besluit
Cu-atomen die elk
elektronen afgegeven/opgenomen. Daarnaast zijn er
afgeven/opnemen, dus in totaal worden er
© GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 3
naar
door
.
elektronen op
en is zelf de
O-atomen die telkens
elektronen
elektronen afgegeven/opgenomen. Er worden dus
minder/evenveel/meer elektronen afgegeven als opgenomen.
258
en is zelf de
elektronen op
.
elektronen afgeven/opnemen, dus in totaal worden er
VA
In deze reactie zijn er
door
N
te nemen/af te geven. Koper ondergaat dus een
naar
We kunnen het volledige proces voorstellen in een schema: 2x omdat 2 zuurstofatomen
per zuurstofatoom worden
worden gereduceerd
2 elektronen opgenomen reductie van zuurstof
2 ∙ (+ 2 e-) reductor
2 Cu
+
O2
2 CuO
IN
oxidator
2 ∙ (- 2 e-)
oxidatie van koper
2x omdat 2 koperatomen worden
per koperatoom worden
geoxideerd
2 elektronen afgestaan
N
Afb. 134 De oxidatie van koper door zuurstofgas
Opmerkingen:
Hoewel we spreken over oxidatie, is het absoluut niet noodzakelijk dat er zuurstof in de reactie voorkomt. De definitie van oxidatie is ruimer, namelijk: ‘het afstaan van elektronen’, en dat kan dus evengoed met
VA
andere elementen.
OPDRACHT 19
Bekijk de ontdekplaat en ontdek verschillende redoxreacties uit het dagelijks leven.
©
ontdekplaat: redoxreacties
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 3
259
2
Redoxreacties opstellen
Je bestudeerde net een aantal redoxreacties, maar hoe kun je nu zelf op een correcte manier zo’n redoxreactie aanvullen en noteren? We bekijken het onderstaande stappenplan:
IN
Stap 1: Duid in alle brutoformules het OG van elk element aan.
Stap 2: OXIDATIE
— Teken een pijl boven de reactie vanuit de reductor.
— Zet bij de pijl 'oxidatie' en het aantal elektronen dat per element wordt afgegeven.
— Controleer of er een coëfficiënt nodig is om te voldoen aan de wet van behoud van atomen voor deze stof
— Vermenigvuldig, indien nodig, het aantal afgegeven elektronen met de
N
coëfficiënt van de reductor. Je plaatst hiervoor het aantal afgegeven elektronen tussen ronde haakjes.
Stap 3: REDUCTIE
— Teken een pijl onder de reactie vanuit de oxidator.
— Zet bij de pijl 'reductie' en het aantal elektronen dat per element
VA
wordt opgenomen.
— Controleer of er een coëfficiënt nodig is om te voldoen aan de wet van behoud van atomen voor deze stof.
— Vermenigvuldig, indien nodig, het aantal opgenomen elektronen
met de coëfficiënt van de oxidator. Je plaatst hiervoor het aantal opgenomen elektronen tussen ronde haakjes.
Stap 4: ELEKTRONENBALANS — Vermenigvuldig voor de oxidatie en de reductie het aantal afgegeven/ opgenomen elektronen met een factor zodat het aantal afgegeven
©
elektronen gelijk is aan het aantal opgenomen elektronen.
— Je plaatst hiervoor het aantal opgenomen/afgegeven elektronen tussen vierkante haakjes.
— Controleer daarna of je de coëfficiënten van je reactie moet aanpassen. TIP Deze laatste stap vervangt de tot nu gebruikte methode waarbij we de coëfficiënten aanpassen op basis van de wet van behoud van atomen. Uiteraard kun je die wet nog steeds gebruiken om je antwoord te controleren.
260
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 3
OPDRACHT 20 VOORBEELDOEFENING
Aluminium reageert met zuurstofgas ter vorming van aluminiumoxide. Stel de redoxreactie op volgens het stappenplan. STAP 1 Duid in alle brutoformules het OG van elk element aan.
OG:
Al + O2 → Al2O3 0
0
+III –II
Stap 2: OXIDATIE ‘2’ bij aluminium staat. We moeten dus ook in het linkerlid een coëfficiënt ‘2’ voor Al plaatsen en het aantal afgegeven elektronen vermenigvuldigen met een factor 2. Stap 3: REDUCTIE We zien in het linkerlid een index ‘2’ bij zuurstof staan en in het rechterlid een index ‘3’. Het kleinste gemeen veelvoud van 2 en 3
N
is 6, dus we moeten het aantal opgenomen
IN
We zien dat er in het rechterlid een index
elektronen vermenigvuldigen met een
factor 6. Opdat de wet van behoud van
atomen klopt, moeten we in het linkerlid
een coëfficiënt 3 plaatsen voor O2 en in het rechterlid een coëfficiënt 2 plaatsen voor
VA
Al2O3.
Stap 4 ELEKTRONENBALANS
We zien in de reactie dat er 6 elektronen worden afgegeven door aluminium
(oxidatie) en dat er 12 elektronen worden opgenomen door dizuurstof (reductie). We moeten dus het aantal afgegeven elektronen vermenigvuldigen met
een factor 2. Het aantal opgenomen
elektronen vermenigvuldigen we in dit
©
geval met een factor 1.
Hierdoor krijgen we uiteindelijk: — 4 atomen aluminium → — 6 atomen zuurstof →
Dat klopt in het rechterlid al, maar in het linkerlid moeten we de coëfficiënt aanpassen: coëfficiënt 4 in plaats van 2. Dat klopt al in het linkerlid en in het rechterlid. De redoxreactie is correct aangevuld.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 3
261
OPDRACHT 21
Stel de volgende redoxreactie op met behulp van het stappenplan: de reactie tussen ijzer en zuurstofgas, waarbij Fe(III)oxide wordt gevormd STAP 1 Duid in alle brutoformules het OG van elk element aan.
Stap 2: OXIDATIE
IN
VA
N
Stap 3: REDUCTIE
Stap 4: ELEKTRONENBALANS
©
262
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 3
Een elektronenoverdrachtreactie, ook wel reductie-oxidatiereactie of kortweg redoxreactie genoemd, is een reactie waarbij zich gelijktijdig een oxidatie en een reductie voordoen. Oxidatie =
Reductie
een chemisch proces waarbij
=
een chemisch proces waarbij
in een stof of deeltje het OG
in een stof of deeltje het OG
van een element stijgt door het
van een element daalt door het
afstaan van elektronen
opnemen van elektronen
Reductor stof of deeltje waarin een
=
element in OG stijgt =
element in OG daalt
stof of deeltje dat geoxideerd wordt
stof of deeltje waarin een
IN
=
Oxidator
=
stof of deeltje dat gereduceerd wordt
Er worden evenveel elektronen afgegeven door de reductor, als dat er worden opgenomen door de oxidator: de oxidator zal de reductor oxideren, en de reductor zal de oxidator reduceren.
N
Het opstellen van redoxreactievergelijkingen gebeurt volgens een stappenplan, zie p. 260.
©
VA
` Maak oefening 9 t/m 11 op p. 275-277.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 3
263
WEETJE Reddingsvesten zijn vaak uitgerust met een lampje. Bij bepaalde uitvoeringen is dat lampje via stroomdraadjes verbonden met een magnesiumstrip en een koperstrip. Op de koperstrip is een dun laagje vast koper(I)chloride aangebracht. Koper(I)chloride is slecht oplosbaar in water. Zodra zo’n reddingsvest in het water belandt, gaat het lampje branden.
IN
De Cu+-ionen worden omgezet in kopermetaal via de onderstaande
redoxreactie. Daardoor wordt er kopermetaal afgezet op de koperstrip
en verdwijnt de koper(I)chloridelaag. De elektronenoverdracht (en dus elektrische stroom) wordt hierdoor verzekerd.
Aangezien zowel CuCl als MgCl2 volledig dissociëren in water, kan deze reactie ook met behulp van de ionenreactievergelijking genoteerd worden:
Mg + 2 Cu+ + 2 Cl- → Mg2+ + 2 Cl- + 2 Cu
N
We controleren nu even of deze reactie eveneens een redoxreactie is. Reactie:
Mg + 2 Cu+ → Mg2+ + 2 Cu
OG:
0
+I
+II
0
VA
Het OG van Cu daalt van +I (in Cu+) naar 0 (in Cu). Cu+ wordt gereduceerd
en dus is Cu+ zelf de oxidator. Het OG van Mg stijgt van 0 (in Mg) naar +II (in Mg2+). Magnesium wordt geoxideerd en dus is magnesiummetaal de reductor.
Wanneer we deze veranderingen in OG bekijken, lijkt het zo dat er een verschillend aantal elektronen reageert. Als je de volledige reactie bekijkt en rekening houdt met de voorgetallen voor de elementen, worden er wel degelijk 2 elektronen afgegeven door magnesium, die dan alle 2 worden opgenomen door de Cu+-ionen. Met andere woorden:
ook hier worden evenveel elektronen afgegeven door het ene element,
©
als er worden opgenomen door het andere element.
264
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
HOOFDSTUK 3
THEMASYNTHESE
REACTIESOORTEN KERNBEGRIPPEN
NOTITIES
KERNVRAGEN
kennisclip
Hoofdstuk 1: Soorten chemische reacties redoxreactie = reactie waarbij OG van atoomsoorten
Bepalen OG → zie thema 01
verandert ionuitwisselingsreactie = reactie waarbij OG van atoomsoorten niet verandert: 1
Neerslag: Er is neerslag op de bodem te zien.
IN
— 3 soorten:
2
Gasontwikkeling: Gasbelletjes ontsnappen uit de oplossing.
3
Neutralisatie: Een zuur en base reageren samen en vormen een zout en water.
Hoofdstuk 2: Ionuitwisselingsreacties van dichtbij bekeken notatie ionuitwisselingsreactie via:
N
— stoffenreactievergelijking
Zie stappenplan p. 238.
— ionenreactievergelijking
— essentiële reactievergelijking neerslagreacties
Neerslag aangeduid met ↓
VA
Gebruik de oplosbaarheidstabel op p. 246.
gasontwikkelingsreacties
Gas aangeduid met ↑ H2CO3 → H2O + CO2 ↑
H2SO3 → H2O + SO2 ↑
NH4OH → H2O + NH3 ↑
neutralisatiereacties
zuur + base → zout + water ER is steeds H++ OH- → H2O
Hoofdstuk 3: Redoxreacties van dichtbij bekeken
redoxreactie = reactie waarbij oxidator wordt
oxidatie
voorbeeld:
©
gereduceerd en elektronen opneemt van de reductor
reductor
De reductor geeft de elektronen af en wordt hierdoor geoxideerd.
OG: +II –II CuO
1 ∙ 1 ∙ (- 2 e-)
0 +
Mg
0 →
Cu
+II –II +
MgO
oxidatie = toename in OG reductie = afname in OG oxidator
1 ∙ 1 ∙ (+ 2 e-)
reductie
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
SYNTHESE
265
CHECKLIST
JA
NOG OEFENEN
1 Begripskennis Ik kan de volgende begrippen uitleggen: — ionuitwisselingsreactie — redoxreactie — neerslag
— gasontwikkeling — neutralisatie
— stoffenreactievergelijking, ionenreactievergelijking en essentiële
IN
reactievergelijking
— oplosbaarheid in water
— oxidator, reductor, oxidatie, reductie, elektronenbalans
2 Onderzoeksvaardigheden
— Ik kan het oxidatiegetal van elementen in enkelvoudige stoffen en verbindingen bepalen.
— Ik kan ionuitwisselingsreacties onderscheiden van redoxreacties op basis van oxidatiegetallen.
— Ik kan ionuitwisselingsreacties classificeren als neerslagreactie,
N
gasontwikkelingsreactie en/of neutralisatiereactie op basis van waarnemingen of reactievergelijkingen.
— Ik kan gebruikmaken van de oplosbaarheidstabel om te voorspellen of stoffen oplossen in water.
— Ik kan de stoffenreactievergelijking, ionenreactievergelijking en essentiële reactievergelijking van neerslagreacties schrijven.
VA
— Ik kan de stoffenreactievergelijking, ionenreactievergelijking en essentiële reactievergelijking van gasontwikkelingsreacties schrijven.
— Ik kan de stoffenreactievergelijking, ionenreactievergelijking en essentiële reactievergelijking van neutralisatiereacties schrijven.
— Ik kan redoxreacties ontleden en de begrippen oxidator, reductor, oxidatie, reductie en aantal overgedragen elektronen aanduiden in de reactie.
— Ik kan eenvoudige redoxreacties volgens het stappenplan opstellen en aanvullen.
©
` Je kunt deze checklist ook op
266
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
CHECKLIST
invullen bij je Portfolio.
CHECK IT OUT
Chemie is overal! Water dat rijk is aan oplosbare calcium- en magnesiumzouten, en dus veel Ca2+- en Mg2+-ionen bevat, noemt men hard water. Linnen dat gespoeld wordt in hard water, voelt na het drogen ruw aan. Weefsels die behandeld worden met water dat arm is aan deze ionen, zijn zacht. Zeep, het hoofdbestanddeel van waspoeders, is een natrium- of kaliumzout waarbij de zuurrest van een organisch zuur afkomstig is. In aanwezigheid van hard water (en dus veel calcium- en magnesiumionen) gaat deze organische zuurrest reageren met de calcium- en/of magnesiumionen. De gevormde organische calcium-
IN
en magnesiumzouten zijn onoplosbaar in water. Ze vormen een
neerslag die zich vasthecht aan het wasgoed zodat er veel zeep nodig is om schuimvorming te krijgen. Hoe harder het water, hoe meer waspoeder je nodig hebt om een goede reiniging te krijgen.
Hoe kun je het water nu verzachten? Je kunt dat op 2 manieren doen: 1
ofwel installeer je een waterverzachter (of waterontharder), die het binnenkomende water ‘zuivert’ van calcium- en magnesiumionen;
2
ofwel gebruik je een wasverzachter die – terwijl je de was doet – de calcium- en magnesiumionen chemisch bindt
N
zodat ze niet reageren met de zeep en verhindert dat er een calcium- en magnesiumneerslag ontstaat.
Een gelijkaardige reactie treedt op in je koffiezetapparaat: kalk in je apparaat is immers niets anders dan het neerslaan van CaCO3 uit het water. Kalk in toestellen kan worden verwijderd door toevoeging van een zuur.
Waterstofchloride of zoutzuur (HCl) wordt gebruikt voor het ontkalken van sanitaire installaties zoals in WC-reiniger. Voor de meeste huishoudelijke toestellen (zoals je koffiezet) gebruikt men een oplossing van huishoudazijn met 8 %
VA
azijnzuur (CH3COOH). Vul de reactievergelijkingen aan.
— dissociatievergelijking calciumcarbonaat (ook al lost dat zeer slecht op): — ionisatievergelijking waterstofchloride: — stoffenreactievergelijking: — ionenreactievergelijking:
— essentiële reactievergelijking:
Hard water ontstaat dus door de vorming van CaCO3 dat slecht oplost in water. Dat is een voorbeeld van een
neerslagreactie. Om die neerslag te verwijderen uit je koffiezetapparaat, laat je de aanslag reageren met een zuur
©
waardoor CO2-gas gevormd wordt: een voorbeeld van een gasontwikkelingsreactie. Zoals je in dit thema zag, zijn beide reacties voorbeelden van ionuitwisselingsreacties.
!
We kunnen chemische reacties onderverdelen in redoxreacties en ionuitwisselingsreacties. Die laatste worden nog verder onderverdeeld in neerslagreacties, gasontwikkelingsreacties en neutralisatiereacties. Die reacties leerden we op meerdere manieren noteren: via de stoffenreactievergelijking, de ionenreactievergelijking en de essentiële reactievergelijking.
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
CHECK IT OUT
267
AAN DE SLAG
1
Is dit een ionuitwisselingsreactie of een redoxreactie? Tip: controleer aan de hand van de oxidatiegetallen. a
SO3 + H2O → H2SO4
b Cl2 + H2S → 2 HCl + S
NaOH + HCl → H2O + NaCl
d 4 Fe + 3 O2 → 2 Fe2O3
e
f
g
h
i
2 CuS + 3 O2 → 2 CuO + 2 SO2
H2CO3 → H2O + CO2
N
2 H2 + O2 → 2 H2O
IN
c
AgNO3 + NaCl → AgCl + NaNO3
H+ + OH- → H2O
VA
j
2 Al2O3 → 4 Al + 3 O2
2
Welke soort ionuitwisselingsreactie wordt hier voorgesteld? een gasontwikkelingsreactie (G) – een neerslagreactie (S) – een neutralisatiereactie (N)
©
a
Afb. 135 Grotvorming: stalagmieten en stalactieten worden gevormd door de aanwezigheid van Ca2+- en CO32- -ionen in het insijpelende regenwater.
268
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
AAN DE SLAG
b De reactie tussen looddinitraat en kaliumjodide in waterig midden. 2 KI (aq) + Pb(NO3)2 (aq) → PbI2 (s) + 2 KNO3 (aq): c
Het opsporen van chloride-ionen in water door de toevoeging van zilvernitraat.
2 AgNO3 + CaCl2 → 2 AgCl ↓+ Ca(NO3)2:
d Als je zoutzuur op een stuk marmer (calciumcarbonaat) giet, ontstaat een gas. Wanneer dat gas door kalkwater wordt geleid, wordt het kalkwater troebel.
CaCO3 (aq) + HCl (aq) → H2O + CO2 (g) + CaCl2 (aq): e
In draagbare blusapparaten wordt natriumcarbonaat in combinatie met zoutzuur gebruikt.
Na2CO3 + HCl → H2O + CO2 ↑+ NaCl: f
IN
Door reactie met zoutzuur ontstaat koolstofdioxide.
Een oplossing van gebluste kalk (calciumhydroxide) en waterstofnitraat worden samengevoegd. Wat neerslag of gasvorming betreft, is er niets waarneembaar.
Ca(OH)2 + 2 HNO3 → 2 H2O + Ca(NO3)2: g
NiCl2
Na2S
VA
i
N
h
Zijn de volgende stoffen goed of slecht oplosbaar in water? Vul de naam of formule aan en gebruik je oplosbaarheidstabel.
Naam
a
BaSO4
magnesiumbromide
b zilvernitraat c
Formule
d
©
3
e
kaliumfosfaat
f
ammoniumsulfaat
Goed of slecht oplosbaar?
HgI2
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
AAN DE SLAG
269
4
Vervolledig de volgende neerslagreacties. Geef hiervoor eerst de ionisatie/dissociatievergelijking van beide stoffen: de stoffenreactievergelijking, de ionenreactievergelijking en de essentiële reactievergelijking. a
Fe(NO3)3 + KOH
IN
b CaCl2 + Na3PO4
c
CuSO4 + (NH4)2S
VA
N
d KBr + AgNO3
©
e Na3PO4 + MgSO4
270
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
AAN DE SLAG
5
Vervolledig de volgende gasontwikkelingsreacties. Geef hiervoor eerst de ionisatie/dissociatievergelijking van beide stoffen: de stoffenreactievergelijking, de ionenreactievergelijking en de essentiële reactievergelijking. a
Na2CO3 + HCl
b MgS + HNO3
H3PO4 + K2CO3
VA
c
N
IN
©
d ZnCO3 + HNO3
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
AAN DE SLAG
271
6
Vervolledig de volgende neutralisatiereacties. Geef hiervoor eerst de ionisatie/dissociatievergelijking van beide stoffen: de stoffenreactievergelijking, de ionenreactievergelijking en de essentiële reactievergelijking. a
HNO3 + KOH
IN
b H3PO4 + LiOH
c
NH4OH + H2S
VA
N
d NaOH + H2SO4
©
e
KOH + HBr
272
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
AAN DE SLAG
7
Geef aan welke soort ionuitwisselingsreactie(s) optreedt. Geef hiervoor eerst de ionisatie/ dissociatievergelijking van beide stoffen; de stoffenreactievergelijking, de ionenreactievergelijking en de essentiële reactievergelijking(en). a
BaCl2 + Na2CO3
b Co(NO3)2 + MgS
VA
N
IN
c
HCl + Na2CO3
©
d CaCl2 + H2SO4
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
AAN DE SLAG
273
e
HNO3 + NH4OH
In het labo van een groot bedrijf is van enkele recipiënten het etiket van de fles gevallen. De etiketten
IN
8
liggen allemaal op de grond dus je kan nog wel lezen welke zouten ze bevatten. Stap 1: Geef de chemische formules van de gekende zouten. a
kopersulfaat =
b bariumhydroxide = c
magnesiumnitraat =
N
d natriumcarbonaat =
Stap 2: Combineer de 4 al gekende zouten met de 3 extra stoffen in onderstaande tabel. a
Noteer in de tabel of er een gasontwikkelingsreactie (↑), neerslagreactie (↓) of neutralisatiereactie (H2O-vorming: reactie tussen zuur en base) optreedt. Treedt er geen reactie op, dan noteer je /.
VA
b Noteer ook welke stof gevormd wordt.
Ca(OH)2
CuSO4
Ba(OH)2
Mg(NO3)2 Na2CO3
HBr
K2CO3
©
Stap 3: Kun je nu met 100 % zekerheid besluiten welke stof in welke fles zit? Leg uit.
274
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
AAN DE SLAG
9
a
Duid bij de onderstaande redoxreacties de volgende onderdelen aan:
oxidator – reductor – oxidatie – reductie
b Noteer daarna het aantal overgedragen elektronen. — Cl2 + H2S → 2 HCl + S
— 4 Fe + 3 O2 → 2 Fe2O3
— 2 CuS + 3 O2 → 2 CuO + 2 SO2
N
IN
— 2 H2 + O2 → 2 H2O
VA
— 2 Al2O3 → 4 Al + 3 O2
Vul de volgende reactievergelijkingen aan. Het is de bedoeling dat jij de vergelijking telkens aanvult volgens de regels van de kunst:
— Vermeld onder elk element het OG. — Benoem de oxidatie en reductie.
©
10
— Noteer de elektronenoverdracht en vervolledig de reactievergelijking. — Duid de oxidator en reductor aan. a
P4 + O2 → P2O5
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
AAN DE SLAG
275
b Na + Cl2 → NaCl
c
CuO + Mg → Cu + MgO
VA
N
IN
c
Sn2+ + Br2 → Sn4+ + Br-
©
276
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
AAN DE SLAG
11
Stel de volgende redoxreacties schematisch voor. Volg het stappenplan op p. 260. a
synthese van zilveroxide uit zilver en zuurstofgas
VA
N
b verbranding van magnesium
IN
c
synthese van koper(II)jodide uit de enkelvoudige stoffen
©
` Meer oefenen? Ga naar
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
AAN DE SLAG
277
Notities
VA
N
IN
©
278
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
Notities
VA
N
IN
©
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05
279
Notities
VA
N
IN
©
280
GENIE Chemie 4.2 THEMA 05