TRAJECTWIJZER
AD
GRA E T S R
EE
EERSTE GRAAD
r e z j i w
Vicky Aerts Stijn Buysschaert Leen Lammertijn Tom Rambaut Ria Van der Mueren ISBN 978-90-306-8581-4
577938
9 789030 685814
vanin.be
AD
GRA E T S R
m
pl
aa
r
EE
In
ki
jk
ex e
r e z j i w
Vicky Aerts Stijn Buysschaert Leen Lammertijn Tom Rambaut Ria Van der Mueren
r aa pl m ex e
In
ki
jk
Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van deze mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hen dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden. Meer informatie over de gebruiksvoorwaarden leest u op www.diddit.be. © Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2019 De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.
Eerste druk 2019 ISBN 978-90-306-8581-4 D/2019/0078/187 Art. 577938/01 NUR 110
Ontwerp: Effenaf Opmaak: Vrijdag Grafis Tekeningen: Lise Vanlerberghe
Inhoud 1
5
1.1 Communicatie 1.2 De OVUR-strategie 1.3 Woordleerstrategieën
6 6 7
TAALVAARDIGHEDEN EN STRATEGIEËN
pl
48
3.1 Taalvariatie en taalregisters 3.2 Taalsysteem A Klanken B Woorden C Zinnen D Teksten E Betekenissen
48 50 50 51 67 78 87
m
TAAL, TAALGEBRUIK EN TAALSYSTEEM
ex e
3
10 10 15 18 18 24
aa
2.1 Receptieve vaardigheden en interactie A Luisteren en kijken (beeldgeletterdheid) B Lezen 2.2 Productieve vaardigheden en interactie A Spreken B Schrijven
10
r
2
COMMUNICATIE EN STRATEGIEËN
4
SPELLING EN INTERPUNCTIE 4.1 Aandacht voor spelling 4.2 Interpunctie
TAALGROEI IN KAART
120
In Register
Inhoud
104 104 115
6.1 Taal en taalgebruik 6.2 Vordering taalvaardigheden 6.3 Vordering literatuur: welk traject legde je af tijdens de eerste graad?
7
88 98
5.1 Literatuur 5.2 Creatief omgaan met taal
ki
6
ARTISTIEKE EN CREATIEVE TAAL
jk
5
88
SCHOOLTAALWOORDEN
120 121 123
124 127
3
4
TRAJECTWIJZER
In ex e
jk
ki aa
pl
m
r
1
Communicatie en strategieën
aa
r
Hoe kun je doelgericht communiceren?
m
Wie is de zender? Wat is de boodschap? Waarover gaat de boodschap? Wat is de relatie van de boodschap tot de werkelijkheid? Wie is de ontvanger? Wat is de bedoeling van de communicatie? Hoe wordt er gecommuniceerd? In welke context (of situatie) wordt er gecommuniceerd? Wat is het kanaal? Wat is het effect?
ex e
• • • • • • • • •
pl
Om een communicatieve situatie doelgericht aan te pakken, om te luisteren, te kijken, te lezen, te spreken, te schrijven of in interactie te gaan kun je met de vragen van het communicatiemodel aan de slag.
Het is niet altijd nodig om alle vragen bij elke communicatieve situatie te stellen.
In
ki
jk
Deze communicatiepuzzel helpt je om met die vragen aan de slag te gaan.
1 CommunICatIe en stRategIeën
5
1.1
Communicatie
wat Wanneer je communiceert, breng je informatie over van de ene partij naar de andere. Soms doe je dat met woorden, soms met gebaren, gezichtsuitdrukkingen, beelden … In een communicatiesituatie kun je deze delen onderscheiden:
het doel dat de ontvanger voor ogen heeft (informeren, ontroeren …)
de boodschap
wat: de informatie die wordt gestuurd = wat je zegt (letterlijk) waarover: de boodschap achter de boodschap = wat je bedoelt
de context
de situering van het communicatieve gebeuren
het kanaal
hoe/waarmee de informatie doorgegeven wordt g De omstandigheden waarin en de manier waarop de boodschap doorgegeven wordt, spelen een belangrijke rol.
de ontvanger
wie de informatie ontvangt
het effect
de uitwerking die de boodschap heeft op de ontvanger
m
pl
aa
r
wie de boodschap zendt, de spreker, de schrijver, de tekenaar …
de bedoeling
De OVUR-strategie
ex e
1.2
de zender
hoe
Om een opdracht goed aan te pakken kun je vier stappen volgen. OVUR = JOUW STAPPENPLAN
Wat moet je doen? Wat ken of weet je al? Hoe pak je dat aan? Je voert de opdracht uit. Je denkt na over je resultaat en je aanpak.
ki
jk
Oriënteren Voorbereiden Uitvoeren Reflecteren
De eerste letter van deze vier woorden vormen samen OVUR.
In
De vier stappen van de OVUR-strategie kun je bij elke opdracht inzetten. Ook de vierde stap, de reflectie, is een belangrijke stap. Wat zul je voor een volgende gelijkaardige opdracht onthouden? Wat heb je geleerd uit die opdracht: wat is vlot verlopen, wat is een werkpuntje?
6
TRAJECTWIJZER
1.3
Woordleerstrategieën
pl
aa
r
Hoe kun je teksten helemaal begrijpen?
ex e
m
Om een tekst te begrijpen kunnen ‘moeilijke’ woorden een struikelblok zijn. Hoe kun je de gepaste betekenis achterhalen? Wat betekenen bepaalde woorden in een bepaalde context? Gebruik daarvoor één of meer woordleerstrategieën. Je vindt ze in het kader hieronder. Kies de gepaste strategie. De volgorde waarin ze vermeld zijn, heeft geen belang. Verderop zullen we over elke strategie wat meer uitleg geven.
hoe
Wat doe je als je een woord in een tekst niet begrijpt? Dan pas je één of meer woordleerstrategieën toe. Dit zijn belangrijke woordleerstrategieën.
jk
1 Je bestudeert de woordbouw. Daarvoor ga je bij samenstellingen en afleidingen op zoek naar de betekenis van de afzonderlijke woorddelen.
ki
2 Je probeert het woord vanuit de context te verklaren. Je bekijkt de illustraties. Of je zoekt een synoniem, antoniem, uitleg of voorbeeld in de zinnen voor of na het onbekende woord.
In
3 Je kijkt naar de woordfamilie. Je vergelijkt met woorden die je al kent. Je gaat op zoek naar bekende delen in het woord of woorden die erop lijken, zowel in je eigen als in een vreemde taal.
4 Lijkt het onbekende woord op een woord in een andere taal? Je zoekt naar taalverwantschap. 5 Als je de betekenis niet kunt afleiden, dan gebruik je een informatiebron. Je zoekt het woord op in een woordenboek of op het internet. 6 Als je de betekenis zelf niet kunt vinden, dan vraag je de betekenis aan iemand die het woord wel begrijpt.
1 Communicatie en strategieën
7
1 Woordbouw helpt woorden verklaren
hoe
aa
r
Om de betekenis van een samenstelling of een afleiding te achterhalen kun je naar de woordbouw kijken. • Zoek de betekenis van de afzonderlijke delen op. • Wat betekenen de afzonderlijke woorden van een samenstelling? Welk woord bepaalt de betekenis? Meestal bepaalt het laatste deel van de samenstelling de betekenis. Bv. soepgroente: groente die in de soep verwerkt wordt groentesoep: soep gemaakt met verschillende groenten • Hoe bepaalt het voor- of achtervoegsel de betekenis van een afleiding? Bv. kennen en ontkennen g ont- duidt op het niet kennen
pl
Bv. In Vermoord het verleden, een jeugdboek van Jonas Boets, lees je: ‘Een halfjaar eerder was ik naar een filmmarathon geweest bij iemand van mijn klas.’ g film en marathon = verscheidene films direct na elkaar bekijken
wat
ex e
Voorvoegsels uit het Grieks of Latijn
m
Het Nederlands kent een hele reeks afleidingen die een Latijns of Grieks voorvoegsel hebben. Als je de betekenis van die woorddelen kent, kun je gemakkelijker de betekenis achterhalen van woorden zoals antigifcentrum, telecommunicatie, monotoon …
semi = half, gedeeltelijk ex = voormalig, oud anti = tegen mega = heel groot
tele = ver, over een afstand poly = veel mono = alleen syn = samen
jk
2 Context helpt woorden verklaren
hoe
In
ki
Je kunt proberen om het woord vanuit de context te verklaren. • Je bekijkt de illustraties. • In de zinnen voor en achter het onbekende woord zoek je een synoniem, een antoniem, een uitleg of een voorbeeld. • Soms wordt het woord ook in de tekst verklaard.
Bv. I n een artikel over sociale media lees je: ‘Na een dagenlange zoektocht werd het vermiste meisje gezond teruggevonden. Hoewel de politie nog druk bezig is met het onderzoek, gaan er op social media verhalen rond dat het meisje slachtoffer is geworden van een catfish …’
De context legt uit wat een catfish is. ‘Het is zeker dat een jongen die in haar vriendenlijst op Facebook stond, niet dezelfde persoon was als de jongen op zijn profielfoto. Sterker nog: de jongen op de foto woonde helemaal niet in België zoals dat op zijn profiel te lezen was, maar in Amerika.’ Een catfish is dus iemand die zich online voordoet als iemand anders.
8
TRAJECTWIJZER
3 Woordfamilie helpt woorden verklaren
hoe Soms geeft de context weinig of geen informatie over de betekenis van een woord. Je kunt de betekenis ook achterhalen door te zoeken naar bekende delen in het woord (woordbouw) of naar woorden die erop lijken. Je gebruikt dan de woordfamilie.
aa
r
Bv. I n een artikel over succes op school lees je: ‘Rekenen, taalbeschouwing en begrijpend lezen doen een beroep op het analytisch vermogen van de leerlingen.’ g a nalyse, analist, analyseren (woordfamilie) analytisch betekent: onderzoekend, ontledend
pl
4 Taalverwantschap helpt woorden verklaren
hoe
m
Soms ken je een woord in een andere taal dat lijkt op het woord dat in de tekst voorkomt. Als je het woord in de vreemde taal begrijpt, zul je ook gemakkelijker de betekenis ervan kennen in het Nederlands.
ex e
Bv. J e kent het Engelse woord: reef (Engels) g rif (Nederlands) of apple g appel Je kent het Duitse of Engelse woord: Haus / house g huis Je kent het Japanse woord: kohi (Japans) g koffie
5 Een informatiebron gebruiken: zoeken in het woordenboek Begrijp je een woord niet, vind je de betekenis niet in de tekst en lukt het ook niet om door het woord te ontleden de betekenis te achterhalen? Gebruik dan een (online)woordenboek.
jk
Hoe pak je dat aan? Hoe doe je dat?
ki
• Zoek de betekenis van een woord bij: – het enkelvoud van het zelfstandig naamwoord (bv. democraten g de democraat); – het hele werkwoord (bv. gepubliceerd g publiceren); – de korte vorm van het woord (bv. passieve g passief ); – een deel / verschillende delen van de samenstelling (bv. duopresentatie g duo en/of presentatie).
In
Soms staan bij een woord verschillende betekenissen. Kies dan de betekenis die in de zin past.
• Zoek de betekenis van een spreekwoord of uitdrukking bij: het belangrijkste woord in het spreekwoord / de uitdrukking; meestal is dat een zelfstandig naamwoord of een werkwoord. Bv. Het is niet alles goud wat er blinkt. g goud of blinken In een gedrukt woordenboek staan de woorden alfabetisch. Digitaal tik je het woord in dat je zoekt. In het woordenboek vind je dikwijls ook informatie over bv. • de hoofdtijden van onregelmatige werkwoorden; • het juiste lidwoord of het genus van het zelfstandig naamwoord (m/v/o); • het (onregelmatige) meervoud.
1 Communicatie en strategieën
9
2 Taalvaardigheden en strategieĂŤn
ReCeptIeVe VaaRdIgheden en InteRaCtIe
m
2.1
pl
aa
r
Hoe kun je taalvaardiger worden?
A LUiSTeren en kijken (BeeLdGeLeTTerdheid)
ex e
Luisterhouding
Goed kunnen luisteren begint bij een goede luisterattitude of luisterhouding.
hoe
Als je luistert, mag je niet verstrooid zijn, want dan mis je de boodschap. Door je aandacht te verscherpen kun je beter luisteren: concentratie is nodig.
jk
Wees aandachtig. Laat je niet afleiden. Verscherp je aandacht door mee te denken. Maak beelden in je hoofd.
ki
Soms kan notities nemen ook je concentratie bevorderen.
In
Als je vooraf weet wat gevraagd zal worden en als je dus gericht kunt luisteren of kijken, dan heb je als luisteraar of kijker een niet te onderschatten voordeel. Richt je aandacht dus op wat je precies wilt weten. g Je hoeft immers enkel aandacht te hebben voor een beperkt stuk informatie, waardoor je werkgeheugen niet overbelast raakt. g Het is makkelijker om je te focussen omdat je weet wat er zal komen. g Lees vooraf aandachtig de vragen en opdrachten.
10
TRAJECTWIJZER
hoe
De invloed van voorkennis op luisteren en kijken
hoe Als je al iets over het onderwerp weet, betekent dat dat je over enkele ‘kapstokken’ beschikt waaraan je gemakkelijk nieuwe voorkennis kunt haken. Anders gezegd, voorkennis zorgt dat je je werkgeheugen minder belast, waardoor je je beter kunt concentreren en nieuwe informatie kunt vasthouden. Voorkennis is zonder twijfel een voordeel.
aa
r
Dat wil niet zeggen dat je niet kunt luisteren zonder voorkennis. Je zult zonder voorkennis (of met weinig voorkennis) geconcentreerder moeten luisteren om de informatie te onthouden.
hoe
pl
Je onthoudt informatie beter als je noteert: je behoudt je focus en blijft beter geconcentreerd. Noteren helpt je ook om de structuur te ontdekken. Als je sleutelwoorden noteert, onthoud je bovendien makkelijker de kern van de boodschap.
m
Om sneller te noteren kun je afkortingen gebruiken.
tip
Vraag om iets te herhalen.
ex e
Stel vragen bij onduidelijkheid.
tip
Luisterstrategieën
hoe
Voor je start met luisteren, oriënteer je je eerst op de luistertaak.
jk
Je vraagt je af: • waarom je luistert en bepaalt zo het luisterdoel; • hoe je het luisteren zult aanpakken en je past de juiste luisterstrategie toe.
ki
Je luistert globaal. Je kunt door die manier van luisteren het onderwerp (en de hoofdgedachte) en de hoofdzaken van het verhaal / van wat je beluisterde weergeven.
In
Oriënteer je op het luisteren door jezelf gepaste vragen te stellen. Bv. W at weet je al over het onderwerp? Wat verwacht je? In welke context of situatie heb je ook al iets over het onderwerp vernomen?
Noteer de kern van de boodschap (de belangrijke informatie) met sleutelwoorden.
2 Taalvaardigheden en strategieën
11
hoe
Onderzoek de vraag door na te denken over deze aspecten. • Wat wordt er gevraagd en hoe zal het antwoord op die vraag er moeten uitzien? • Uit hoeveel delen bestaat de vraag?
r
Bij zoekend luisteren of kijken haal je die informatie uit de tekst die je zelf wenst of die gevraagd is.
aa
hoe
Intensief luisteren – hoofdzaken
Intensief luisteren – bijzaken/details
pl
Als je intensief luistert, wil je zo veel mogelijk informatie begrijpen en onthouden. Dat doe je door je te concentreren op de w-vragen (wie, wat, waar, wanneer, waarom) en de hoe-vraag. Die kunnen je helpen om de tekst te begrijpen en de inhoud van de tekst na te vertellen.
ex e
m
Als je detailvragen moet beantwoorden, is het nodig om gericht naar die informatie op zoek te gaan in het filmpje / de luistertekst. Je aandacht richten doe je door de vragen vooraf goed te lezen. De antwoorden op die vragen zullen dan extra opvallen.
hoe
jk
Kritisch luisteren of kijken betekent dat je niet zomaar alles gelooft wat de zender beweert of belooft. Je gaat na hoe betrouwbaar de informatie is. Je toetst de beweringen aan je eigen mening of ervaring of je raadpleegt een andere bron.
Toets wat je beluisterde en zag aan je eigen ervaringen en opvattingen. Neem er een persoonlijk standpunt over in.
ki
Bij reclame kun je allerlei kritische vragen stellen. Waarom wil je dit product zo graag hebben? Heb je het echt nodig? Is het zijn prijs waard? Heb je die reclame vergeleken met gelijkaardige producten of met andere aanbiedingen? Wat zegt andere info over het product? Of baseer je je alleen op de reclame-informatie? Zijn er extra voorwaarden verbonden aan de actie? Heb je vrienden die het ook hebben? Wat zijn hun ervaringen? Wat vinden je ouders van het product? Ben je zeker dat het product doet wat het belooft? Zal het er in het echt ook zo uitzien?
In
• • • • • • • • • •
tip Reflecteer op je manier van luisteren.
12
TRAJECTWIJZER
hoe Afhankelijk van wat je met de beluisterde informatie moet doen, zul je een andere luisterstrategie gebruiken. Daarom is het belangrijk dat jij je vooraf oriënteert: je vraagt je af wat voor tekst je zult beluisteren en met welk doel. Wat moet je precies met de informatie doen? Pas dan kun je de gepaste luisterstrategie kiezen.
aa
r
Wil je enkel kunnen vertellen waarover een bepaalde tekst, reportage, documentaire … gaat, dan luister je globaal. Wanneer je op specifieke vragen een antwoord wilt krijgen, dan luister je gerichter. Je past dan de strategie van het zoekend luisteren toe. Als je de informatie wilt vergelijken met informatie van een andere bron, dan zul je eerder kritisch luisteren.
pl
De keuze van de luisterstrategie vertaalt zich soms in je luisterhouding. Iemand die detailvragen moet beantwoorden en dus zoekend luistert, zal doorgaans meer notities nemen dan iemand die globaal luistert. Hij noteert sleutelwoorden en maakt met behulp van opsommingstekens en symbolen de structuur tussen de sleutelwoorden duidelijk.
ex e
m
Uiteraard is het voor elke luisterbeurt belangrijk dat jij je goed kunt concentreren. Zorg voor zo weinig mogelijk afleiding in je omgeving. Stop daarom overbodig materiaal weg en probeer niet te veel rond te kijken. Notities nemen is een goed idee, zeker wanneer je specifieke informatie moet onthouden. Sommige mensen kunnen zich net beter concentreren wanneer ze droedelen. Dat voorkomt dat je gedachten afdwalen en begint te dagdromen.
Luisteren en kijken hebben een duidelijke relatie. Veel zaken die voor luisteren gelden, kun je ook bij kijken inzetten. Maar kijken is ook beeldgeletterd worden …
Kijken? Beeldgeletterd worden
hoe
jk
Op weg naar het goed lezen van beelden
In
ki
Een beeld aandachtig bekijken en in je opnemen kun je doen door enkele vragen te stellen bij dat beeld. Sta open voor de boodschap die de maker aan de ontvangers wil brengen en plaats er je eigen kijkdoel naast. Een beeld heeft kracht, kan overtuigen, emotioneren, manipuleren …
Mogelijke vragen • Wat gebeurt er in dit beeld? • Wat zie je waardoor je dit zegt? • Wat gebeurt er nog meer? • Wat zie je? Wat zie je niet? (beschrijving van het beeld) • Wat laat het beeld zien? • Hoe is het beeld gemaakt? • Voor wie is het beeld gemaakt? • Door wie is het beeld gemaakt? • Waar is het beeld gemaakt? • Wat is de boodschap van het beeld? • Wat is het doel van het beeld? • Welk effect krijg je met dit beeld? 2 Taalvaardigheden en strategieën
13
wat Deze beeldelementen kun je bij een beeld bespreken. • De vorm: uiterlijke eigenschappen van een beeld; de wijze waarop de inhoud getoond wordt. • Een beeld is in kleur of in zwart-wit weergegeven. • Het effect van licht en schaduw: licht geeft altijd een bepaald effect, roept een bepaalde sfeer op; schaduw ontstaat door belichting en geeft volume aan het voorwerp.
r
• De harmonie of evenwichtigheid: een evenwichtige compositie wordt ook wel harmonieus genoemd omdat alle elementen met elkaar in evenwicht zijn en niet botsen.
• De locatie of ruimte: de plaats of indeling van de plaats.
aa
• Het contrast: een tegenstelling of groot verschil tussen twee elementen, bv. in onderwerp, maat, kleur, vorm, materiaal … • De voorgrond: het gedeelte van een ruimte dat het dichtst bij de kijker ligt.
pl
• De achtergrond: het gedeelte van een ruimte waartegen figuren of voorwerpen geplaatst worden.
m
• De kadrering: hoe het beeld ‘geknipt’ of in beeld gebracht werd. – De close-up: een shot van alleen het gezicht van een personage of algemeen elke opname van dichtbij. – Het totaalbeeld: opname die het totaal van de scène laat zien. – De long shot: shot waarbij het personage (van top tot teen) en de ruimte om hem heen goed zichtbaar zijn. – De medium shot: shot waarbij een personage vanaf de heup in beeld wordt gebracht.
ex e
• Het camerastandpunt: camerahoek of opnamehoek; de hoek, het perspectief van waaruit de camera het te filmen voorwerp of de persoon ziet. Het standpunt van de maker bepaalt wat de kijker zal zien. – Het vogelperspectief: vanuit de hoogte neerkijkend op de dingen. – Het neutraal perspectief of ooghoogte: het standpunt van het beeld wordt bepaald door de hoogte waarop de ogen van de maker zich bevinden op het moment dat hij zijn werk maakt, de ooghoogte. – Het kikvorsperspectief: vanuit een laag standpunt opkijken naar de dingen.
In
ki
jk
• De compositie: de ordening van het beeld; de delen worden volgens een bepaalde orde tot één geheel samengebracht.
14
TRAJECTWIJZER
Verschillende luisterstrategieën
hoe Er zijn verschillende manieren om een tekst te beluisteren. Dat zijn de luisterstrategieën. ORIËNTEREND luisteren: je vormt je vlug een idee over de tekst omdat je wilt nagaan welke tekst je zult beluisteren en wat je ermee kunt doen. Je beluistert de intro of inleiding, de aankondiging … Je wilt het luister- en tekstdoel van de tekst kennen.
r
GLOBAAL luisteren: je focust op het begin en einde van de tekst. Wat is het hoofdonderwerp/ de hoofdgedachte (thema) van de tekst?
aa
ZOEKEND luisteren: je zoekt gericht naar bepaalde informatie en laat je leiden door de vraag. Je hoeft de tekst daarom niet helemaal (opnieuw) te beluisteren. Bv. een antwoord voor een bepaald probleem, een specifieke datum …
KRITISCH luisteren: je vraagt je af of alles wat verteld wordt wel klopt. Je gaat na of het correct is wat de auteur zegt. Je vergelijkt met een andere bron of met wat je zelf al weet. Je vormt je een oordeel over wat je beluisterd hebt.
pl
GENIETEND luisteren: je wilt je enkel ontspannen, je wilt genieten van de tekst.
INTENSIEF luisteren: je wilt de tekst helemaal begrijpen. Daarom beluister je die heel geconcentreerd en grondig.
m
STUDEREND luisteren: je wilt de inhoud van de tekst in je geheugen opslaan om er later mee aan de slag te gaan. Je geheugen en concentratie kun je ondersteunen door notities te nemen.
B Lezen
ex e
Als je een tekst (boodschap) leest, dan heb je als ontvanger een (lees)doel. De zender heeft een schrijfdoel. De luisterstrategie wordt dan een leesstrategie.
Leesstrategieën
hoe
Er zijn verschillende manieren om een tekst te lezen. Je noemt ze de leesstrategieën.
jk
ORIËNTEREND lezen: je bekijkt de tekst vlug omdat je wilt nagaan welke tekst je in handen hebt en wat je ermee kunt doen. Je leest de titel en de tussentitels of tussenkopjes en bekijkt de illustraties. Je wilt het lees- en tekstdoel van de tekst kennen.
ki
GLOBAAL lezen: je leest het begin en einde van de tekst. Wat is het hoofdonderwerp/de hoofdgedachte (thema) van de tekst? Wat is de bron? Je wilt een algemeen idee van de tekst krijgen.
In
ZOEKEND lezen: je wilt gerichte informatie vinden. Bv. een antwoord voor een bepaald probleem, een vertaling van een woord … KRITISCH lezen: je vraagt je af of alles wat in de tekst staat, wel klopt. Daarom ga je na of het correct is wat de auteur schrijft. Je vergelijkt met een andere bron of met wat je zelf al weet. Je vormt je een oordeel over wat je gelezen hebt. GENIETEND lezen: je wilt je enkel ontspannen, je wilt genieten van de tekst. INTENSIEF lezen: je wilt de tekst helemaal begrijpen. Je leest hem grondig, alinea na alinea. STUDEREND lezen: je wilt de inhoud van een tekst in je geheugen opslaan om er later mee te werken.
Als je een tekst (boodschap) beluistert, dan heb je als ontvanger een (luister)doel. De zender heeft een spreekdoel. De leesstrategie wordt dan een luisterstrategie.
2 Taalvaardigheden en strategieën
15
Teksten receptief benaderen Een tekst gaat altijd ergens over. De inhoud van een tekst biedt meer of minder informatie. Die informatie is goed of minder goed opgebouwd of gestructureerd. Elke tekst heeft wel een hoofdgedachte die of hoofdonderwerp dat in de loop van de tekst verder uitgediept wordt. Een tekst heeft meestal ook een bepaalde opbouw, typisch voor die soort tekst. Een brief is anders opgebouwd dan een krantenartikel, een reclameboodschap anders dan een mail …
r
De taal van de tekst zal aangepast zijn aan het doelpubliek dat de schrijver of spreker voor ogen heeft. Dan denken we onder andere aan het taalregister, de woordkeuze, de structuur van zinnen, de opbouw van alinea’s …
aa
Een leesopdracht aanpakken
m
Kies de leesstrategie afhankelijk van je leesdoel.
pl
Oriënteer je op de leestaak en stel jezelf vragen, bv. • Wat zie je als je de tekst bekijkt? Wat valt op (tussentitels, illustraties …)? • Wat is de titel? Wat denk je daarbij? • Welk soort tekst is het? • Waarover gaat de tekst volgens jou? • Wat weet je daar al over? • Wat wil je weten? Waarvoor zou je deze tekst moeten lezen?
jk
ex e
Lees de tekst (of de inleiding of deel per deel). • Waarover gaat de tekst? • Zoek naar hoofdzaken: wat is belangrijk? • Begrijp je wat je leest? Zijn er moeilijke zinnen (stukken/alinea’s)? Lees die opnieuw! Zijn er moeilijke woorden die belangrijk zijn om de tekst te begrijpen? Zoek de betekenis. • Klopt wat je leest met wat je al weet? • Kijk altijd vooruit. Wat verwacht je nog? • Schrijf op welke woorden belangrijk zijn. Neem notities: schrijf de belangrijkste dingen op in woorden of met kleine zinnen (= studerend lezen). • Wat blijft er moeilijk? Heb je nog vragen? • Kun je de tekst navertellen? Kun je de belangrijkste dingen samenvatten (in woorden, in een schema, in een tekst)?
In
ki
Reflecteer op je manier van lezen. • Bereik je je leesdoel? • Kreeg je een antwoord op je vragen? • Heb je wat aan de tekst gehad? Wat precies? • Geloof je wat er geschreven staat? Klopt het met wat je vroeger wist? • Wat moet je onthouden? Wat weet je nu meer?
16
TRAJECTWIJZER
Delen van een tekst
pl
aa
r
Hoe ontdek je hoe een tekst eruitziet?
m
Zakelijke tekst
wat
ex e
Een zakelijke tekst heeft een vaste opbouw. Een goed opgebouwde tekst bestaat uit een inleiding, een midden en een slot. De inleiding kondigt het onderwerp aan: je vindt er het hoofdonderwerp of centrale thema. In de volgende alinea’s (het midden) wordt dat hoofdonderwerp uitgewerkt. De alinea’s zijn met elkaar verbonden door signaalwoorden. Die signaalwoorden verraden dikwijls de structuur van een tekst. Ze duiden bijvoorbeeld een logische volgorde of oorzaken en gevolgen aan. Elke alinea werkt een deelonderwerp uit.
jk
In de laatste alinea, die je het slot noemt, wordt meestal het hoofdonderwerp herhaald of je leest er een besluit, een korte samenvatting van de tekst of een goede raad.
ki
In een zakelijke tekst vind je de kortste samenvatting van de tekst meestal al in de titel. Illustraties, foto’s, grafieken … kunnen de tekst ondersteunen.
In
De hoofdgedachte of het centrale thema
hoe
Een tekst gaat ergens over. Dat is het onderwerp van de tekst. Dikwijls is dat onderwerp in één woord te benoemen. Het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt, is de hoofdgedachte of het centrale thema van een tekst. Wat de schrijver over het centrale thema vertelt, vind je in de hoofdpunten van de tekst. Om het onderwerp en de hoofdgedachte te vinden, kun je de tekst het best globaal lezen. Daarvoor lees je de tekst niet volledig, enkel in grote lijnen. Lees zeker het begin (inleiding) en het einde (slot) van de tekst. Bestudeer ook de titel en bekijk de structuur, de illustraties en de tekstopmaak of lay-out.
2 Taalvaardigheden en strategieën
17
2.2
Productieve vaardigheden en interactie A Spreken Een spreekopdracht voorbereiden met het OVUR-stappenplan
Oriënteren Voorbereiden Uitvoeren Reflecteren
Wat moet je doen? Wat ken of weet je al? Hoe pak je dat aan? Je voert de opdracht uit. Je denkt na over je resultaat en je aanpak.
aa
Om een opdracht tot een goed einde te brengen kun je een stappenplan volgen.
r
hoe
ex e
m
pl
Bij het voorbereiden van een spreekopdracht houd je rekening met de vragen van het communicatiemodel. • Wie is de zender? • Welke boodschap zul je brengen? Hoe pas jij je boodschap aan je publiek aan? (Wat is de boodschap? Waarover gaat de boodschap?) • Wie is de ontvanger? Voor welk publiek zul je iets brengen? • Wat is je bedoeling? Wat wil je bereiken? • Hoe wordt er gecommuniceerd? • In welke context (of situatie) wordt er gecommuniceerd? • Welk kanaal zul je gebruiken? • Wat is het effect? • …
Een spreekopdracht aanpakken
ki
jk
Oriënteer je op het spreken door jezelf gepaste vragen te stellen, bv. • Wat wil je bereiken? • Voor of tegen wie spreek je? • Waar zul je op letten, met welke criteria zul je rekening houden? • Wat wil je precies vertellen? • Wat vertel je over het onderwerp? Verzamel de informatie via de w-vragen. • In welke volgorde zul je de info brengen? Werk bij het voorbereiden met een spreekplan: schrijf geen volledige tekst uit, maar noteer enkel sleutelwoorden.
In
Hoe bouw je je spreekopdracht op? Je tekst bevat een inleiding, een midden en een slot. • Inleiding: zoek iets waarmee je de aandacht trekt. Vertel kort waarover je zult spreken. • Midden: op welke vragen geef je hier een antwoord? • Slot: vat het belangrijkste samen.
Oefen je spreekopdracht ook voor je ze echt uitvoert. • Gebruik de sleutelwoorden om je tekst mondeling in te oefenen. • Herbegin en oefen tot je een vlotte tekst kunt verwoorden. • Je mag ‘spieken’ op je spreekplan, maar je mag niets uit het hoofd opdreunen. • Denk eraan dat je je publiek aanspreekt en aankijkt. • Geef een duidelijke boodschap. • Verzorg je taal en je stem: gebruik Standaardnederlands, denk aan articulatie, intonatie, volume en tempo.
18
TRAJECTWIJZER
Spreekplan
hoe Voor het spreken • Verzamel ideeën, selecteer wat je kunt gebruiken. • Hoe bouw je op: wat vertel je eerst, wat daarna en waarmee sluit je af? • Houd rekening met je ontvangers, het doel …
r
Tijdens het spreken
pl
aa
• Vertel/breng je ‘verhaal’. • Houd rekening met de vragen van het communicatiemodel: hoofdzaken (wat) – hoe … • Denk aan de structuur: een korte inleiding, de kern van je ‘verhaal’, de ‘pointe’, de afronding; de conclusie komt aan het einde (slot). • Neem de tips van je klasgenoot mee tijdens het spreken. • Gebruik Standaardnederlands.
• Vul de tabel bij Reflecteren in. • Stel jezelf kritische vragen.
m
Na het spreken
ex e
Na het spreken kun je jezelf deze vragen stellen. • Ben ik tevreden over mijn spreekopdracht? • Heb ik mijn doel bereikt? • Wat zou ik een volgende keer op dezelfde manier doen? • Wat zou ik anders aanpakken?
Spreekvaardigheid
jk
Aan je stem kun je weinig veranderen, maar je kunt wel kiezen op welke toon je iets zegt. Met de toon van je stem kun je spelen: kies voor een gepast, soms wisselend tempo of volume. Praat niet te stil en niet te luid en spreek de woorden verstaanbaar en duidelijk uit.
hoe
ki
Als je een goede spreker wilt worden, zijn vier zaken heel belangrijk:
In
• articulatie: spreek elk woord juist en duidelijk uit; • intonatie: varieer in toonhoogte om levendigheid in je spreken te brengen; • volume: spreek niet te luid of te stil en pas je volume aan de situatie of context aan waar nodig; • tempo: spreek niet te snel of te traag en pas je tempo aan de situatie of context aan waar nodig.
2 Taalvaardigheden en strategieën
19
Gespreksregels Bij mondelinge interactie houden de gesprekspartners zich het best aan bepaalde afspraken of gespreksregels.
hoe
aa
r
• Je luistert actief naar de boodschap van de ander en reageert respectvol op zijn boodschap. • Begrijp je de zender niet, dan vraag je om de boodschap te verduidelijken. • Je herhaalt kort de boodschap van de zender of knikt om te tonen dat je de boodschap hebt begrepen. • In een gesprek wacht je je beurt af. • Je blijft bij het onderwerp. • Tijdens een groepsgesprek volg je de aanwijzingen van de gespreksleider.
m
Articuleer duidelijk. Gebruik het gepaste tempo en volume tijdens het gesprek. Spreek zonder haperingen of herhalingen. Spreek Standaardnederlands. Pas een goede ademtechniek toe. Gebruik je stem juist. Spreek bijvoorbeeld niet te hoog.
ex e
• • • • • •
pl
hoe
wat
Een gesprek tussen twee personen noem je een dialoog. In een ruimere betekenis geldt een dialoog ook voor een gesprek tussen twee of meer partijen, bv. tussen de leraar en zijn klas. Afhankelijk van de context waarin het begrip ‘dialoog’ gebruikt wordt, is de betekenis verschillend. In de muziek spreek je van dialoog, bijvoorbeeld bij een concerto, wanneer de solist dialogeert met het orkest of de pianist met de zanger.
ki
jk
In stripverhalen en jeugdboeken vind je dikwijls passages in dialoogvorm.
In
Informatie presenteren
• • • •
20
Denk na over de communicatieve situatie. Breng de boodschap (informatie) gestructureerd: I – M – S (inleiding – midden – slot). Kies een gepaste presentatievorm. Deze criteria kunnen je helpen bij de zelfreflectie: correct, gepast, aantrekkelijk, duidelijk.
TRAJECTWIJZER
hoe
Sjabloon voor een spreekopdracht Inleiding
r
Midden Noteer hier jouw persoonlijk antwoord op de ‘gekozen’ vragen. De vraag zelf hoef je niet te noteren. Bouw een aangenaam tekstje door de antwoorden op een logische manier met elkaar te verbinden.
aa
ex e
Slot Ziezo, ik hoop dat
m
pl
Voorleestechnieken
jk
Een vorm van spreken is voorlezen. Ook dat kun je oefenen om beter te worden.
hoe
ki
Om op een aangename manier voor te lezen of te vertellen is het belangrijk dat je je goed voorbereidt. Dat doe je door rekening te houden met de communicatiesituatie en stil te staan bij de vragen van het communicatiemodel. Wat ga je voorlezen? Aan wie? Met welk doel? Het is ook belangrijk om rekening te houden met deze spreektechnieken.
In
• articulatie: beweeg je mond en je lippen voldoende tijdens het spreken, zodat alle klanken duidelijk verstaanbaar zijn. • intonatie: varieer je toonhoogte en vertel niet het hele verhaal op dezelfde toon. Soms is het nodig voor het verhaal om stemmen na te bootsen. • volume: pas je volume aan naargelang de inhoud van het verhaal. Spreek luider wanneer een personage bijvoorbeeld enthousiast is of fluister wanneer er een geheim wordt verteld. • tempo: pas ook het tempo aan de inhoud van het verhaal aan. Spreek sneller op spannende momenten en vertraag het tempo bij dreigend gevaar.
2 Taalvaardigheden en strategieën
21
Wat is geboeid voorlezen, hoe doe je dat en hoe selecteer je een tekst? Om enthousiast en met passie voor te lezen en de luisteraars in het verhaal mee te slepen is het belangrijk om een gepast verhaal te kiezen. Kies daarom een verhaal dat je zelf boeiend vindt en met de luisteraars wilt delen, een verhaal waarvan je denkt dat ze het ook willen kennen …
hoe Voorlezen draait rond gedeeld plezier, gedeeld verdriet, gedeelde verhalen.
r
Daarom is een boeiende tekst van het grootste belang, maar ook een gepassioneerde voorlezer. Die zet zijn lichaam en mimiek in om de personages tot leven te brengen. Hij lacht om hun gekke, grappige of guitige streken. Je noemt dat expressie.
aa
Bovendien zijn intonatie en een gepast spreektempo noodzakelijk: ze dragen bij tot de betekenis van het verhaal. Spreek rustig en duidelijk, zodat de luisteraar de tijd krijgt om het verhaal te begrijpen.
pl
Een goede voorlezer zoekt vooraf uit waar hij pauzes zal inbouwen of wanneer hij zijn stem tot een spannend volume kan laten dalen. Hij kleurt zijn taal met vrolijkheid, spanning of verdriet waar het verhaal dat vraagt.
m
Tijdens het voorlezen kunnen deze tips nog extra ondersteunen.
hoe
jk
ex e
• Start met een buikademhaling, zodat je wat rustiger wordt en je stem kracht krijgt. • Lees het verhaal rustig, duidelijk en expressief voor. De gepaste mimiek en het gevoel dat je in je stem steekt (of de stemkleur) zullen je zeker helpen. • Gebruik de mogelijkheden van je stem, maar maak er geen toneelstukje van. • Maak af en toe gebaren om de woorden te ondersteunen. • Las soms bewust een pauze in. • Let op hoe je het boek vasthoudt. Laat je gezicht er niet achter verdwijnen.
In
ki
De keuze van het literaire fragment is belangrijk als je het geboeid wilt voorlezen. Denk daarbij aan deze elementen. • Je leest enthousiaster als het fragment je werkelijk boeit. • Je bereidt je voor aan de hand van de criteria op de volgende pagina. • Oefening baart kunst! Hoe meer je oefent, hoe beter je kunt voorlezen.
22
TRAJECTWIJZER
hoe
Voorlezen kun je niet zomaar, maar je kunt het wel leren. Je luisteraars kunnen je daarbij helpen en jij kunt andere voorlezers ook tips geven.
Je last de juiste pauzes in.
Je leest expressief voor!
Je past het volume aan de tekst aan. Je leest voldoende luid.
Je vindt de juiste toon en klemtoon.
Je handen ondersteunen de boodschap.
aa
Er zit vaart en rust in het verhaal: het gepaste tempo.
m
pl
Je mimiek verrast de luisteraar.
r
Je geeft positieve feedback aan de ander en kunt deze symbolen gebruiken.
De inhoud is geweldig.
Je leverde een schitterende prestatie!
In
ki
jk
ex e
De inhoud verbaast me.
2 Taalvaardigheden en strategieĂŤn
23
B Schrijven ‘Schrijven kun je leren’ hoor je wel vaker. Maar, hoe pak je dat aan? Sommigen maken in hun hoofd het volledige verhaal en schrijven dat dan op. Velen maken eerst een schema, een soort woordspin, verzamelen op de een of andere manier ideeën om die dan in een goed gestructureerde tekst te gieten. Je kunt schrijven door eerst een klad te maken of je schrijft rechtstreeks in Word.
r
Verschillende (delen van) schrijfplannen kunnen je als ‘schrijver’ ondersteunen.
aa
Schrijfplan – voorstel 1
hoe
Voor het schrijven
jk
ex e
m
pl
1 Nadenken over taalgebruik: beantwoord de vragen van het communicatiemodel.
2 Plannen: een schrijfplan maken g verzamelen, selecteren, ordenen Wat weet je er al over? Wat zoek je op in boeken en op het internet? Stel jezelf vragen zoals wie, wat, waar, wanneer, waarom, waarmee, hoe. Breng de gegevens van verschillende informatiebronnen samen.
ki
verzamelen
In
selecteren
ordenen
Zoek welke info je kunt gebruiken: wat is (minder) belangrijke info? Wat past bij je bedoeling en bij je publiek? Wat wil je schrijven? Kies een tekst en houd rekening met de kenmerken van die tekst. In welke volgorde wil je de ‘boodschap’ brengen? Waarmee begin je? Wat staat in het midden? Hoe eindig je? Zorg voor een duidelijke structuur: inleiding – midden (met verschillende alinea’s) – slot (IMS). Maak een schrijfplan en een kladversie, schrijf een en ander op. Aan welke criteria (eisen) moet de taak voldoen? Met welke werkpuntjes uit vorige opdrachten moet jij rekening houden?
24
TRAJECTWIJZER
Tijdens het schrijven 3 Formuleren: schrijven, structureren, herlezen Schrijf je tekst voor de eerste keer uit: houd rekening met je bedoeling, gebruik je voorbereiding. Heb aandacht voor de inhoud: correct, volledig (zeker de kern), duidelijk, gepast? Zorg voor een logische samenhang in de tekst, in de alinea’s en in de zinnen. Formuleer zo duidelijk en volledig mogelijk, zodat je lezers goed weten wat je bedoelt. Denk aan de woordkeuze en het taalregister. Schrijf aandachtig: zo maak je minder fouten en hoef je niet opnieuw te beginnen. Als je iets niet goed geformuleerd krijgt, zoek dan eventueel hulp (bij een medeleerling of de leraar). Herlees geregeld wat je geschreven hebt.
4 Reviseren: nalezen en herschrijven
Lees je tekst kritisch na of laat hem nalezen. Controleer de inhoud, de samenhang, de titel, de opbouw of structuur, de formulering (woorden, zinnen …).
m
nalezen
pl
Na het schrijven
aa
r
uitschrijven
Vraag je af of je je doel kunt bereiken.
ex e
Bekijk kritisch of en hoe je met vorige werkpuntjes rekening houdt. Verbeter waar nodig. herschrijven Herschrijf de tekst die je aan je lezer aflevert. De tekst is: aantrekkelijk – duidelijk – correct – gepast. 5 Verzorgen en publiceren: inhoud – vorm – taalgebruik verzorgen
Wees precies en zorgzaam. Check ook de leestekens en de spelling.
jk
Verzorg je tekst. Die beantwoordt aan de specifieke tekstkenmerken. Vraag je af of je het de lezer gemakkelijk hebt gemaakt om jouw tekst te lezen. Je tekst ga je publiceren: je krijgt een ‘echte’ lezer.
In
ki
publiceren
2 Taalvaardigheden en strategieën
25
Schrijfplan – voorstel 2
hoe Stap 1 Denk na over de communicatieve situatie, over de vragen van het communicatiemodel en over het taalgebruik. • Wat ga je schrijven? • Voor wie schrijf je? Welke gevolgen heeft dat voor je taalgebruik? • …
r
Voor het schrijven
m
Tijdens het schrijven
pl
aa
Stap 2 Bereid de schrijfopdracht voor. • Verzamel informatie: wat weet je al? Wat wil je nog weten? Denk aan de w-vragen. Zoek informatie op in boeken, op het internet … • Selecteer en orden informatie: welke informatie kun je gebruiken? Houd rekening met je bedoeling en je publiek. In welke volgorde breng je die info? Wat vertel je in de inleiding? Welke info komt in het midden? Wat vertel je in het slot? • Maak een kladversie: lees vooraf de criteria aandachtig: aan welke criteria moet je tekst beantwoorden? Waarop zul je beoordeeld worden?
ex e
Stap 3 Denk na over je woordkeuze: probeer enkele goedgekozen tekenende werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden te gebruiken. Zorg voor een correcte spelling. Na het schrijven
jk
Stap 4 Reviseren: lees je tekst goed na of laat hem nalezen. Verbeter waar nodig en herschrijf de tekst dan. Stap 5 Verzorgen en publiceren: je tekst is klaar om hem te laten lezen, om hem ‘ergens’ op te nemen.
ki
Voorbereidend schrijven betekent ook: • schrappen en alleen brengen wat je als boodschap wilt doorgeven; • je informatie opdelen in hoofdzaken en bijzaken; • als voorbereiding een overzicht van de belangrijkste elementen maken.
In
Informatiebronnen raadplegen Als je op zoek gaat naar informatie, dan kun je allerlei bronnen raadplegen via verschillende kanalen: het internet, kranten, tijdschriften, brochures, radioprogramma’s, televisieprogramma’s … Door oriënterend en globaal te lezen zie je snel welke bronnen geschikt zijn en welke niet. Het is belangrijk om na te gaan of de bron betrouwbaar is. Dat doe je door: • na te kijken wie de auteur van de bron is; • te onderzoeken met welke reden de bron gemaakt werd; • na te gaan of de bron recent is en dus niet gedateerd.
26
TRAJECTWIJZER
hoe
hoe Werken met informatiebronnen • Kies een onderwerp en verzamel informatie in betrouwbare bronnen. • Houd de gegevens van de bron (ook titel en auteur) bij om die te kunnen vermelden. • Neem informatie uit een bron niet letterlijk over.
r
hoe
aa
Informatie zoeken
Belangrijke informatie spoor je op:
pl
• Zoek online, via verschillende zoekmachines, of in boeken, bijvoorbeeld in de bibliotheek. • Gebruik de gepaste zoektermen. • Controleer je bronnen (tweede bron, betrouwbaar, recent, tekstdoel …).
hoe
In
ki
jk
ex e
m
• door globaal te luisteren of te lezen en hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden; • door gericht te luisteren of te lezen; • na het lezen of stellen van de vragen waarop je een antwoord wilt.
2 Taalvaardigheden en strategieën
27
Variatie en woordrelaties Zorg voor variatie in het woordgebruik.
pl
aa
r
Hoe breng je een gepaste tekst?
wat
m
Variatie in een tekst maakt die tekst boeiender om te lezen. Het is voor de ontvanger minder saai als je variatie aanbrengt in je zinnen en woorden.
ex e
Je kunt dat doen door na te denken over je woordkeuze. Gebruik bijvoorbeeld woorden met min of meer dezelfde betekenis. Als je synoniemen kent, kan dat je als zender helpen. Denk daarbij na over woordrelaties. Synoniemen zijn woorden met ongeveer dezelfde betekenis. Bv. Mag ik jou mijn felicitaties overbrengen? Zeker, je gelukwensen doen me veel plezier! Antoniemen zijn woorden met een tegengestelde betekenis. Bv. Mijn ouders houden van een klassiek interieur, maar ik verkies een modern interieur.
jk
Vermijd loperwerkwoorden: zoek synoniemen voor woorden zoals gaan, doen, zeggen ‌ Ze zorgen ervoor dat je tekst vlotter en aangenamer leest.
In
ki
Hoe breng je een gepaste tekst?
28
TRAJECTWIJZER
Zorg voor variatie in de zinsbouw: in soorten zinnen en in de opbouw van de zin zelf.
Opbouw van je tekst
pl
aa
r
Breng een duidelijke structuur aan.
m
hoe
Je krijgt een goede tekst als die deze delen bevat:
• inleiding: je kondigt het onderwerp aan: waarover zul je het hebben?
ex e
• midden: je werkt het thema verder uit. Het midden kan bestaan uit meerdere alinea’s die elk een ander deelonderwerp behandelen.
jk
• slot: je sluit de tekst af: je herhaalt de belangrijkste info, je formuleert een advies of je trekt een besluit.
wat
Criteria voor een goede titel
In
ki
Een goede titel … • valt op (heeft een groter lettertype, is vetjes gedrukt); • is kort (lidwoorden en sommige werkwoorden worden dikwijls weggelaten); • wekt nieuwsgierigheid bij de lezer; • vat dikwijls de tekst of alinea samen; • zet de lezer aan om de tekst te lezen; • beklemtoont de woorden die veel informatie geven.
2 Taalvaardigheden en strategieën
29
Teksten
m
pl
aa
r
Kies een gepaste tekst voor de communicatieve context of situatie.
Binnen taal ontdek je een grote variatie aan teksten: elke tekst heeft een eigen doel, structuur of opbouw. Teksten verschijnen zowel digitaal als niet-digitaal.
ex e
Tekstsoort en teksten
wat
Deze tekstsoorten kun je onderscheiden: informatieve teksten (zoals een krantenartikel), emotieve teksten (zoals een gedicht), overtuigende of persuasieve teksten (zoals een reclametekst), ontspannende teksten (zoals een strip), opiniërende teksten (zoals een review), prescriptieve teksten (zoals een instructie) en verhalende of narratieve teksten (zoals een reisverslag of een verhaal).
ki
jk
Er zijn maar enkele tekstsoorten, maar van elke tekstsoort bestaan er verschillende voorbeelden: bv. krantenartikel, gedicht, advertentie, verhaal, strip, cartoon, folder, brief …
In
Tekstdoel en leesdoel
wat
Communiceren doe je niet zomaar. De zender (spreker of schrijver) heeft een doel voor ogen, soms zelfs meer dan een. Hij wil de ontvanger bijvoorbeeld informeren, overtuigen, ontroeren of emotioneren, ontspannen, zijn mening geven, instructies doorgeven … Je spreekt dan over het tekstdoel. Ook de ontvanger leest of luistert met een doel (leesdoel, luisterdoel). De belangrijkste leesof luisterdoelen zijn: genieten of ontspannen, informatie zoeken, begrijpen, een mening kennen, studeren. Sommige teksten hebben meer dan één lees- of luisterdoel. De situatie of context is dan verschillend.
30
TRAJECTWIJZER
Een instructie, een vraag, een opdracht Op school komen vragen, opdrachten en instructies voortdurend aan bod. Hoe je daarmee kunt omgaan, hangt af van welke vraag, instructie of opdracht je krijgt.
wat
Welke instructie krijg je? Moet je een vraag beantwoorden of een opdracht uitvoeren? Een opdracht kan zowel verbaal als non-verbaal zijn. Verbaal betekent met woorden, non-verbaal zonder woorden, bv. iets vergelijken of iets kleuren.
aa
r
Vraagwoorden zijn bv. hoe, wanneer … Instructiewoorden zijn bv. markeer, doorstreep …
pl
Soorten vragen
wat
m
Ja-neevraag = een vraag waarop je enkel met ja of nee kunt antwoorden. Die vraag begint altijd met de persoonsvorm. Bv. Lees jij graag strips van Suske en Wiske?
W-vraag of vraagwoordvraag = een vraag die begint met wie, wat, waar, wanneer, waarom (= w-vraag), de hoe-vraag … Het antwoord op die vraag is uitgebreider dan bij een ja-neevraag. Bv. Waar lees jij het liefst?
ex e
Een meervoudige vraag bestaat uit verschillende vragen of delen. Daarop komen dus ook meerdere antwoorden.
In
ki
jk
Een meerkeuzevraag is een vraag waarbij mogelijke antwoorden gegeven worden waar je het juiste antwoord uit moet kiezen. Soms is er meer dan één juist antwoord.
2 Taalvaardigheden en strategieën
31
Schema’s lezen en maken Een tekst of een schema, een tekst én een schema, lange(re) teksten en overzichtelijke schema’s … Ze helpen je onder andere om de leerstof of de informatie overzichtelijk weer te geven, te verwerken en om te studeren.
wat Het doel van een schema is informeren en zakelijke gegevens visueel/schematisch/ overzichtelijk weergeven.
aa
r
Een schema kan: • tonen uit welke delen iets bestaat; • eigenschappen of kenmerken duidelijk maken (overeenkomsten en verschillen, voor- en nadelen); • ideeën, eigenschappen, losse gedachten voor jezelf of anderen ordenen; • een kringloop van herhalende eigenschappen, gebeurtenissen … beschrijven; • feiten, gegevens in een rij plaatsen.
Soorten schema’s
m
pl
Om een schema te maken kun je de lay-out met verschillende middelen ondersteunen, bv. pijltjes, kleuren, tekeningen of icoontjes …
wat
In
ki
jk
ex e
• Het tabelschema, T-schema of kolommenschema maakt eigenschappen of kenmerken duidelijk (bv. overeenkomsten en verschillen, voor- en nadelen …). • Het waaierschema toont uit welke delen iets bestaat. Elk deel krijgt dan nog verdere informatie. • Het boomschema laat zien uit welke delen iets bestaat. • Een mindmap: mindmapping is een techniek om brainstormideeën, losse gedachten, hoofd- en bijzaken, eigenschappen voor jezelf en anderen te ordenen. • Het cyclisch model beschrijft een kringloop van zich altijd herhalende eigenschappen, verschijnselen, gebeurtenissen … • De feitenketting zet feiten/gegevens in een rij. Als de tijd of chronologie belangrijk is, dan krijg je een tijdlijn.
32
TRAJECTWIJZER
Reclame Je wordt dikwijls met reclame geconfronteerd, op veel verschillende plaatsen. Reclamemakers spelen in op vragen van de ontvangers, roepen nieuwe vragen en behoeften op. Maar denk er zeker over na voor je je laat verleiden.
wat Reclame
r
aa
•
Wat: een vorm van communicatie. Doel: overtuigen; iemand overhalen om iets te kopen of te doen. Kanaal: veelgebruikte media voor reclame zijn: posters op billboards, folders, advertenties op radio en televisie, promotiefilms in de bioscoop, banners op internetpagina’s, advertenties in kranten en tijdschriften. Op vrijwel elk voorwerp kan reclame worden opgenomen, zelfs op kleding, de zijkanten van trams, bussen, taxi’s en auto’s, de achterkant van toegangsbewijzen van grote evenementen … Hoe: allerlei reclametechnieken.
pl
• • •
m
Opbouw reclame
Een slogan of slagzin is een kernachtige, korte zin, vooral gebruikt voor reclame of om een standpunt of mening duidelijk te maken.
b
Een logo is een afbeelding (of enkele letters) waaraan je een merk of bedrijf herkent.
c
De broodtekst is het blok met een grote tekstmassa.
d
De keuze voor een beeld, foto, tekening of illustratie, kleur, formaat en verhouding is belangrijk.
In
ki
jk
ex e
a
wat
2 taalVaaRdIgheden en stRategIeën
33
Reclametechnieken
wat RECLAMETECHNIEKEN OM ONTVANGERS TE OVERTUIGEN OF TE ACTIVEREN
r
Getuigenissen: om de beste kwaliteit van hun product aan te tonen, gebruiken reclamemakers woorden en beelden van gewone gebruikers, experts of allebei. Ook gebruiken ze soms bekende personen.
aa
Associatie: een product koppelen aan aangename dingen om zo naar dat product te laten verlangen. Daarvoor gebruiken ze vaak kinderen, baby’s, leuke momenten en ander vergelijkbaar beeldmateriaal. Slogan: roept de herinnering aan het merk, het product of de dienst op.
m
pl
Spelen met taal, bv. om de slogan te laten opvallen: rijm, verschillende soorten zinnen, aanspreken van de lezer …
ex e
SPELEN MET TAAL
Woorden beginnen met dezelfde letter(s). g Knappe koks kunnen meer met Miele (Miele – elektrische apparaten) Het einde van twee woorden klinkt hetzelfde. g Geschenken doen aan boeken denken (Standaard Boekhandel) Ze gebruiken woorden in hun figuurlijke betekenis. g VTM, zoveel om te delen
jk
Ze herhalen woorden. g Carglass herstelt, Carglass vervangt
ki
Ze verzinnen een nieuw woord, een woord dat nog niet eerder werd gebruikt. g Goede foto’s maken flitssimpel Ze nemen woorden onveranderd over uit een andere taal. g Connecting people (Nokia)
In
Ze spelen met de betekenis, de klank en de schrijfwijze van woorden. g 4 FM Het klinkt tussen ons (‘tussen ons klikken’ en ‘klinken’)
34
TRAJECTWIJZER
wat
De uitnodiging Een goede uitnodiging opstellen is een kunst. De ontvanger moet zich aangesproken voelen en erop willen ingaan.
wat Een uitnodiging is een tekst/kaart/brief … waarmee je iemand voor een bepaalde gelegenheid uitnodigt. Ze heeft meestal twee tekstdoelen: mensen informeren en hen overtuigen. Het hoofddoel is overtuigen.
r
Een uitnodiging richt zich tot een welbepaald publiek. Dat kun je dikwijls afleiden uit de taal (woordkeuze) en het uitzicht (prenten/illustraties).
aa
Een uitnodiging geeft een antwoord op deze vragen. • Wie nodigt uit? / Wie is uitgenodigd? • Waar vindt het feest of evenement plaats? • Wanneer vindt het feest of evenement plaats? • Waarom wordt er gefeest? Wat is de gelegenheid? Wat voor feest of evenement is het? • Wie moet je verwittigen?
pl
Je kunt een uitnodiging overbrengen via verschillende kanalen, bv. post, e-mail, Facebook, sms, affiche … Dat is afhankelijk van de gelegenheid en de doelgroep.
ex e
m
Een goede uitnodiging voldoet aan een aantal criteria. Ze is: • volledig: alle nodige gegevens worden vermeld; • correct: de informatie is correct; je gebruikt de juiste spelling en een degelijke zinsbouw; • gepast: de woordkeuze is aangepast aan het doelpubliek; • duidelijk: iedereen begrijpt de informatie op je uitnodiging; • aantrekkelijk: de kleuren, prenten, foto’s en lay-out zijn aangepast aan het doelpubliek en de gelegenheid.
De brief
De opbouw van een brief beantwoordt aan enkele specifieke regels.
hoe
jk
Een brief bevat een aantal delen en heeft een specifieke opbouw.
ki
Adresgegevens J e vermeldt de adresgegevens van de afzender en van de ontvanger. Die gegevens komen linksboven. Helemaal bovenaan schrijf je de gegevens van de afzender. Daaronder, gescheiden door een witregel, de gegevens van de ontvanger.
In
De woonplaats, de datum W oonplaats en datum, gescheiden door een komma, komen onder de adresgegevens. Ze worden van elkaar gescheiden door een witregel.
De aanhef Dat is de aanspreking van de ontvanger. De aanspreking wordt van woonplaats en datum gescheiden door een witregel. Je schrijft geen komma na een aanspreking. De inhoud D e inhoud van je brief bevat een vraag of een mededeling. Werk met een inleiding, een midden en een slot.
Afsluiting Je formuleert een gepaste slotgroet. Ook na een slotgroet schrijf je geen komma. Je ondertekent de brief met je naam en handtekening. Houd voor het taalgebruik in je brief rekening met de communicatiesituatie. • Aan wie schrijf je de brief? • Wat wil je bereiken?
2 Taalvaardigheden en strategieën
35
Briefsjabloon
ADRESGEGEVENS van de afzender
aa
ADRESGEGEVENS van de ontvanger
r
AANHEF
m
pl
, woonplaats, datum
ex e
ki
jk
AFSLUITING (bedanking en slot)
In
ondertekening
36
TRAJECTWIJZER
INHOUD
Interessante lijsten Verschillende soorten lijsten stellen we op met een welbepaald doel. • Alfabetische lijst
hoe
aa
r
Het is handig om een lijst bij de hand te hebben. Om zaken makkelijk op te zoeken heb je een bepaalde volgorde nodig. Daarom kan het handig zijn als de lijst alfabetisch gerangschikt is.
• Inhoudsopgave
wat
pl
Voor een overzichtelijke lijst van wat in een boek, een krant, een tijdschrift, een cursus, een portfolio … staat, is een alfabetische rangschikking niet op zijn plaats. Dan is het beter een chronologische volgorde te gebruiken.
m
Dat heet dan een inhoudsopgave. Die staat meestal in het begin van het boek, een krant, een tijdschrift, een cursus, een portfolio …
ex e
• Register
wat
In
ki
jk
Als je enkel trefwoorden in een alfabetische volgorde plaatst, dan spreek je over een register. In een atlas vind je dat achteraan. Daar kun je bijvoorbeeld opzoeken op welke bladzijden er een kaart van België staat.
2 Taalvaardigheden en strategieën
37
Argumenteren, debatteren, discussiĂŤren Geregeld geef je je mening, verdedig je die mening, wil je een ander overtuigen van je mening. Wanneer is iets zo? Wanneer vindt men iets zo? Argumenteren gebeurt zowel mondeling als schriftelijk. Een debat en een discussie zijn eerder voorbeelden van mondelinge interactie. Het debat of de discussie
r
wat
aa
In een discussie of debat gaan voor- en tegenstanders met elkaar in gesprek over een bepaalde stelling. Ze stellen hun mening voor en onderbouwen hun standpunt om de tegenstander te overtuigen. Je noemt dat argumenteren. Een moderator of gespreksleider leidt alles in goede banen.
pl
Op het einde van het gesprek volgt een samenvatting of conclusie.
m
Feit en mening – objectief en subjectief
Een feit is iets wat vaststaat of echt gebeurd is.
ex e
Een mening geeft aan wat iemand over iets denkt.
In
ki
jk
Feiten zijn objectief, meningen zijn subjectief.
38
TRAJECTWIJZER
wat
E-mailen of een digitaal bericht sturen Communicatie gebeurt dikwijls digitaal, bijvoorbeeld via e-mail of via een onlineplatform van de school. Soms reageert de ontvanger vrij snel; soms wacht hij voor hij reageert, om na te denken over wat en hoe hij zijn boodschap wil formuleren. Die vorm van schriftelijke interactie leunt soms dicht aan bij mondelinge interactie. Toch houd je best rekening met enkele afspraken.
hoe
r
Een formeel bericht – mailen
aa
Zorg voor een kernachtig onderwerp. Dat hoeft geen zin te zijn. Je kunt al in één of twee woorden weergeven waarover de mail gaat.
Denk na over de situatie of context en beslis of het om een formele of informele mail of een formeel of informeel bericht gaat. Dan weet je ook of de mail of het bericht al dan niet aan een vaste structuur moet voldoen.
pl
Elke mail begint met een correcte begroeting of aanspreking en eindigt met een afsluiting en slotgroet. Een bedanking kan soms ook op zijn plaats zijn. Probeer de boodschap kort en bondig te verwoorden. Overbodige informatie laat je achterwege.
ex e
m
Let ook op spelling en zinsbouw. Vermijd het overtollige gebruik van smileys, emoji en afkortingen.
wat
jk
Netetiquette omvat de gedragsregels die je gebruikt en respecteert als je communiceert via het internet.
hoe
Hoe pas je netetiquette op een correcte manier toe in alle communicatie via het internet? Houd bij het opstellen van een bericht rekening met enkele belangrijke basisregels. Blijf respectvol en beleefd in alles wat je schrijft en meng je niet in discussies van anderen. Lees je berichten goed na. Vermijd spelfouten en gebruik correcte taal. Gebruik geen hoofdletters om iets te beklemtonen; dat komt over als agressief taalgebruik. Respecteer de privacy van anderen; gedraag je bij het schrijven van berichten zoals je zelf ook aangesproken of behandeld wilt worden. Houd een persoonlijk e-mailbericht kort en eenvoudig. Voor een lange mededeling voer je beter een telefoongesprek. Twijfel je of je een bericht wel zou versturen? Zet het klaar en wacht tot de volgende dag om op de knop Verzenden te drukken. Kregen nog anderen hetzelfde bericht? Als je wilt antwoorden, denk dan goed na of jouw antwoord enkel aan de afzender (Beantwoorden) of aan iedereen (Allen beantwoorden) gericht moet zijn. Een mailbericht bevat geen lichaamstaal of intonatie. Wees daarom voorzichtig met een mededeling die je humoristisch bedoelt, maar die door anderen misschien niet zo begrepen wordt.
In
ki
• • • • •
• •
•
2 Taalvaardigheden en strategieën
39
Bloggen/vloggen
wat Een blog of weblog is een plaats op het internet waar iemand geregeld teksten en nieuwtjes plaatst of post. De schrijver of schrijfster van een weblog noem je een blogger of blogster. De bezoekers of lezers van een weblog kunnen onder een blogpost een reactie schrijven.
aa
r
Een vlog is een weblog in videovorm. Zo’n dagboek op het internet bestaat uit videobeelden of filmpjes die door een vlogger of vlogster gemaakt worden.
Hoe bescherm je jouw profiel? Acht tips
m
Voeg niet zomaar iedereen toe. Post niet zomaar alles op je profiel. Bekijk zeker de privacyinstellingen. Gebruik een sterk wachtwoord en houd het geheim. Log uit als je de gebruikte computer verlaat. Geef geen informatie over jouw locatie en post ook niet dat je op vakantie bent. Lees altijd de gebruiksvoorwaarden voor je een profielpagina aanmaakt. Respecteer de privacy van anderen.
ex e
1 2 3 4 5 6 7 8
pl
wat
Hoe maak je een sterk wachtwoord? Acht tips
Een sterk wachtwoord is geheim en mag je aan niemand doorgeven. Gebruik geen bestaand woord of een naam, want dat is gemakkelijk te raden. Gebruik minstens acht tekens voor je wachtwoord. Maak een combinatie van hoofdletters, kleine letters, cijfers en symbolen zoals @, € of !. Gebruik een trucje opdat je je sterke wachtwoord zelf niet zou vergeten. Schrijf je wachtwoord niet op, zodat niemand het te weten kan komen. Wijzig geregeld je wachtwoord. Gebruik verschillende wachtwoorden.
In
ki
jk
1 2 3 4 5 6 7 8
40
TRAJECTWIJZER
wat
Ondersteunende teksten
pl
aa
r
Gebruik een schrijfkader of andere ondersteuning.
• Een PowerPointpresentatie
m
Als je een presentatie brengt of een tekst moet schrijven, kun je ondersteuning gebruiken. Dat kan een spreekbriefje, een presentatie, een schrijfkader … zijn.
hoe
ex e
Aandachtspunten voor een geslaagde PowerPointpresentatie.
jk
• Gebruik een titeldia, een schema als inleiding en bouw dan je midden verder uit. Sluit af met een passend slot. • Plaats niet te veel tekst op één dia: houd je aan de regel van 7 X 7. • Gebruik een voldoende groot en goed leesbaar lettertype. • Kleur is een extra troef. Overdrijf niet met kleuren en ook niet met effecten. • Zorg ervoor dat je PowerPointpresentatie niet overladen is met dia’s. • Controleer je tekst en vooral ook je titels op spelfouten. • Speel je PowerPointpresentatie volledig af en spreek daarbij ook als voorbereiding.
ki
• Een schrijfkader
wat
In
Een schrijfkader biedt al een aanzet voor structuur. Het is een tekst waarvan bepaalde beginzinnen gegeven zijn. Jij vult zelf de zinnen aan, bijvoorbeeld op basis van voorkennis of van wat je geleerd hebt. Het helpt je te formuleren. Met een schrijfkader kun je bij (korte) schrijfopdrachten je gedachten logisch ordenen tot een vlot leesbare en gestructureerde tekst. De mate van steun bij het schrijfkader kan variëren: • je krijgt enkel de beginzinnen; • de te gebruiken vakwoorden zijn ingevuld; • er wordt een mogelijk schema aangereikt. Er bestaan schrijfkaders voor verschillende tekstsoorten en allerlei teksten, bijvoorbeeld een verslag, een vergelijkende tekst, een overtuigende tekst …
2 Taalvaardigheden en strategieën
41
tip De zinnen in het schrijfkader dienen als inspiratie/hulpmiddel. Je hoeft de formuleringen niet letterlijk over te nemen, maar je mag ze aanpassen.
tip Dikwijls moet je het schrijfkader wat aanpassen aan wat je precies wilt vertellen over het onderwerp, afhankelijk van de informatie die je vond en de structuur van je tekst.
Mogelijk schrijfkader voor een instructie
aa
r
g Een eerste stap … g Vervolgens … g Daarna …
pl
g Als volgende stap … g…
g…
ex e
g Ten slotte …
m
g…
Schrijfkader – verslag
Over het onderwerp … wist ik al … Ik heb nu geleerd dat …
Ook heb ik geleerd dat …
jk
Bovendien is …
Iets anders wat ik te weten ben gekomen, is dat …
In
ki
Tot slot heb ik geleerd dat …
42
TRAJECTWIJZER
Schrijfkader – Beschrijving van zaken en begrippen Een … is een … Een kenmerk van … is … Dat betekent dat …
aa
r
Een ander belangrijk kenmerk is … Een … is geen … Schrijfkader – Een oorzakelijke relatie beschrijven
pl
Je wilt uitleggen hoe het komt dat … Als …
m
dan … Daardoor …
ex e
Dan … Dat veroorzaakt … Dus …
Schrijfkader – Vergelijken: overeenkomsten
jk
Hoewel een … en een … verschillend zijn, lijken ze ook op elkaar. Ze hebben bijvoorbeeld allebei …
ki
Een andere overeenkomst is dat een … en een … beide … De … is net zo … als …
In
De …. lijkt op …, want … Tot slot zijn ze allebei …
2 Taalvaardigheden en strategieën
43
Schrijfkader – Uitleg: een tijdsvolgorde beschrijven Ik wil uitleggen hoe … Eerst … Daarna … Vervolgens …
aa
r
Ten slotte …
Schrijfkader – Werkwijze Hoe maak je …
pl
Je hebt nodig: –… –… –…
m
Eerst … Daarna …
Ten slotte …
ex e
Vervolgens …
Schrijfkader – Je mening geven Mijn mening over … is dat …
jk
Ik heb een aantal argumenten. Ten eerste …
ki
Ten tweede … Ten derde …
In
Sommige mensen zijn het niet met mij eens. Zij vinden bijvoorbeeld dat … Hun argument is dat … Ze hebben volgens mij ongelijk, want … Wat ik vind, is dus …
44
TRAJECTWIJZER
Vraag en antwoord
m
pl
aa
r
Hoe zien een vraag en antwoord eruit?
Op school, maar ook daarbuiten krijg je dikwijls met vragen te maken. De goede vraag stellen of een gepast antwoord formuleren ‌ het is belangrijk.
ex e
De relatie tussen de vraag en het antwoord
hoe
Afhankelijk van de soort vraag pas je jouw manier van antwoorden aan. Ontleed de vraag voor je een antwoord formuleert! O Welk vraagwoord/instructiewoord staat er? Hoeveel delen komen er in het antwoord?
jk
V Wat moet zeker in je antwoord komen? Wat heb je nodig om je opdracht uit te voeren?
U F ormuleer het antwoord of voer de opdracht uit.
ki
R Controleer de vorige drie stappen.
In
Vraag bepaalt opbouw van antwoord
hoe
Je antwoord bestaat uit evenveel delen als er vraagwoorden of instructiewoorden zijn. Sommige vraagwoorden hebben een vaste antwoordvorm. De informatie in het antwoord is aan het vraagwoord gekoppeld. Waarom? Waar? Wie? Wanneer?
reden, oorzaak plaats naam/persoon tijdsaanduiding, periode
2 Taalvaardigheden en strategieĂŤn
45
Vragen met en zonder vraagwoord
wat Op een vraag met een vraagwoord geef je een ander antwoord dan ja of nee. Wat kun je allemaal bestellen? Hoe moet je een gaatje in de muur boren? Waar is het ijs het lekkerst?
aa
Veelgebruikte vraagwoorden zijn: wie, waar, wat, waarom, wanneer, hoe, hoeveel ‌
r
Een vraagwoord staat dikwijls vooraan in de zin. Het kan ook een deel van het eerste zinsdeel zijn. Bv. Aan wie heb jij gisteren jouw powerbank uitgeleend?
Een intonatievraag heeft de vorm van een mededelende zin en eindigt met een vraagteken. Door de stijgende intonatie die gebruikt wordt, klinkt de zin als een vraag. Bv. De stortbui heeft voor wateroverlast gezorgd? Jij bent deze morgen naar de kapper geweest?
In
ki
jk
ex e
m
pl
Een vraagwoord kan een vragend voornaamwoord zijn (zoals wie, wat, welke) of een vragend bijwoord (zoals waar, wanneer, hoe).
46
TRAJECTWIJZER
Soorten vragen
wat Je kunt vragen indelen naar de vorm. Ja-neevragen Bv. Konden de soldaten van Napoleon al fietsen?
r
Vraagwoordvragen Bv. Wie waren de uitvinders van de fiets? Andere vraagwoorden: wat, welke, wanneer, hoe, waar …
aa
Meerkeuzevragen Bv. Wanneer werd Napoleon geboren? In de 17de eeuw 18de eeuw 19de eeuw Juist-foutvragen of waar-onwaarvragen Bv. De fiets werd voor het eerst gebruikt in de tijd van Napoleon. J/F
m
Je kunt vragen ook indelen naar de inhoud.
pl
Gesloten en open vragen Bij een gesloten vraag is het antwoord precies voorspelbaar, bij een open vraag niet. Bv. Wanneer leefde Napoleon? (gesloten) Welke eigenschappen zouden de soldaten van Napoleon van pas gekomen zijn? (open)
Kennisvragen (of reproductievragen) Met dit soort vragen kom je iets te weten over iets of iemand. Bv. Wie was Napoleon?
ex e
Belevingsvragen Met dit soort vragen vraag je naar iemands beleving of ervaring. Bv. Heb jij al met een elektrische fiets gereden? Hoe voelde dat?
In
ki
jk
Probleemoplossende vragen Je probeert op basis van wat je weet (een onderzoek) een probleem op te lossen (of in ieder geval hier een bijdrage aan te leveren). Bv. Konden de soldaten van Napoleon al met de fiets rijden? (Je moet eerst onderzoeken of de fiets al bestond toen Napoleon leefde.) Bv. Hoe kan de werkloosheid in deze branche verminderd worden?
2 Taalvaardigheden en strategieën
47
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem Om taalvaardiger te worden is kennis over taal interessant. Die kennis ondersteunt en versterkt jouw taal. Je leert hoe taal en het taalsysteem in elkaar zitten, je leert daarover praten en je past die kennis toe in elke communicatieve context. Daarbij besteed je zeker aandacht aan bijvoorbeeld gepaste taalregisters, aan variatie en aan taalzorg, zowel mondeling als schriftelijk.
3.1
aa
r
Onderzoeken van het taalgebruik en inzicht in het taalsysteem kunnen je ook helpen bij het leren van vreemde talen.
taalVaRIatIe en taalRegIsteRs
jk
ex e
m
pl
Hoe weet je welke taal je wanneer het best gebruikt?
wat
ki
Formeel en informeel en het gepaste register
In
Als zender en ontvanger elkaar goed kennen en elkaars gelijken zijn, spreek je van een informele situatie of context. De geschreven boodschap hoeft dan geen vaste structuur te hebben. De zender kan ervoor kiezen om Standaardnederlands of dialect te gebruiken.
Als zender en ontvanger elkaar niet of niet goed kennen of wanneer een van beiden hoger geplaatst is, spreek je van een formele situatie of context. De geschreven boodschap heeft dan een vaste structuur. De zender gebruikt in een formele situatie of context altijd Standaardnederlands. Denk na over de situatie of context en gebruik zeker in formele situaties het gepaste taalregister: de standaardtaal!
48
TRAJECTWIJZER
hoe Gepaste taal: formeel en informeel Schrijven naar of spreken met een vriend(in) kan heel informeel. Je hoeft je niet aan allerlei afspraken te houden. De taal of de vorm van de boodschap kun je vrij kiezen, het kan in het dialect of in de standaardtaal. Er bestaan ook veel vormen van tussentaal.
aa
pl
Wanneer je een tekst schrijft, houd je o.a. rekening met: • de ontvanger: naar wie schrijf je? • de bedoeling: wat wil je bereiken? • de boodschap: wat wil je vertellen? • het uitzicht van de tekst • de manier waarop je de boodschap brengt.
r
Anders is het als je bijvoorbeeld de leraar of de directeur aanspreekt. Dan houd je je beter aan de strikte omgangsvormen: dat is een formele situatie en dan gebruik je Standaardnederlands.
m
Taalvariëteit: schrijftaal en spreektaal
wat
Taal kan variëren en hangt af van de persoon tot wie jij je richt, de plaats waar jij je bevindt, de bedoeling … of van de communicatieve situatie of context.
ex e
Taal bestaat uit verschillende taalvariëteiten.
Alle taalvariëteiten van het Standaardnederlands die vooral in geschreven teksten voorkomen, noem je schrijftaal. Alle taalvariëteiten die je vooral in de gesproken taal terugvindt, noem je spreektaal.
In
ki
jk
De begrippen ‘schrijftaal’ en ‘spreektaal’, ‘geschreven taal’ en ‘gesproken taal’ worden door elkaar gebruikt. Het onderscheid tussen spreektaal en schrijftaal komt in grote mate overeen met het onderscheid tussen informeel en formeel taalgebruik.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
49
3.2
taalsysteem
pl
aa
r
Hoe zit taal in elkaar? Onderzoek!
m
In taal herkennen we klanken, woorden, zinnen en teksten. Die woorden, zinnen en teksten hebben altijd een bepaalde betekenis.
A kLAnken
ex e
Bij geschreven taal schenken we ook aandacht aan de vorm, bijvoorbeeld aan de zinsbouw, spelling en interpunctie. Voor de gesproken taal is de uitspraak belangrijk.
wat
Een taal bestaat uit klanken. Die klanken schrijf je op als letters. In de Nederlandse taal zijn er klinkers en medeklinkers. Ui, ou/au en ei/ij zijn andere klanken (tweeklanken). Bij het uitspreken van die lettercombinatie hoor je twee verschillende klanken.
jk
Door letters te combineren vorm je een woord. Wanneer je verschillende woorden in een betekenisvol geheel samenbrengt, heb je een zin.
ki
Klanken en letters
wat
In
Zinnen bouw je met woorden. Die zijn op hun beurt samengesteld uit klinkers en medeklinkers die je uitspreekt als klanken. Wat je hoort, is een klank. Wat je ziet en schrijft, is een letter. Er zijn twee soorten letters: 1 klinkers: a, e, i, o, u + y 2 medeklinkers Je schrijft niet altijd wat je hoort! Ons alfabet bestaat uit 26 letters. Het woord 'alfabet' komt van de eerste en de tweede letter uit het Griekse alfabet: alfa en bèta.
50
TRAJECTWIJZER
B Woorden Het zelfstandig naamwoord
wat Voor de meeste zelfstandige naamwoorden kun je een lidwoord zetten. Bv. het verhaal – de stiefmoeder – een heks
r
Een zelfstandig naamwoord (zn) geeft een naam.
aa
‘Een’ is een onbepaald lidwoord en kun je voor bijna alle zelfstandige naamwoorden gebruiken. Bv. een verhaal – een stiefmoeder – een heks
pl
‘De’ en ‘het’ zijn bepaalde lidwoorden. Je gebruikt ‘de’ voor mannelijke en vrouwelijke woorden en ‘het’ voor onzijdige woorden. Bv. verhaal (onzijdig) g het verhaal stiefmoeder (vrouwelijk) de stiefmoeder
m
De keuze van het lidwoord kan een andere betekenis geven aan het zn. Bv. de voetbal (bal) ‒ het voetbal (spel) een vriend (een van de vele vrienden) – de vriend van mijn zus (een specifieke vriend)
tip
Als je het woord door ‘hij’ of ‘zij’ probeert te vervangen, ontdek je het genus.
ex e
Omdat in het Nederlands mannelijke en vrouwelijke woorden allebei het lidwoord ‘de’ krijgen, voelen wij niet altijd goed aan of een woord mannelijk of vrouwelijk is. Het genus van een woord kun je vinden in het woordenboek.
Voor woorden die een persoonlijke naam aanduiden voor iets of iemand (eigennaam), kun je geen lidwoord zetten. Bv. Sneeuwwitje
ki
jk
Het ontkennend lidwoord ‘geen’ duidt op de afwezigheid van iets of op een ontkenning. Bv. Geen mens zal dat geloven.
wat
In
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die een naam geven aan een persoon, dier, zaak of begrip. Bv. de heks – de kat – het hout – de angst Ze kunnen in het enkelvoud of in het meervoud voorkomen. Bv. kruiden – boeken – sprookjes Ze kunnen ook als verkleinwoord voorkomen. Bv. het vrouwtje
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
51
wat Meervoud van een zelfstandig naamwoord De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een meervoud. Bv. de verhalen – de stiefmoeders – de heksen
aa
r
Woorden die een persoonlijke naam (eigennaam) van iemand of iets aanduiden, hebben meestal geen meervoud. Bv. Sneeuwwitje, Zweinstein
wat
Het verkleinwoord van een zelfstandig naamwoord
pl
De meeste zelfstandige naamwoorden hebben een verkleinwoord. Bv. het verhaaltje – het stiefmoedertje – het heksje
m
Woorden die een persoonlijke naam aanduiden van iets of iemand (eigennaam), hebben meestal geen verkleinwoord. Soms zijn die woorden al een verkleinwoord op zich. Bv. Sneeuwwitje – (Hans en) Grietje
In
ki
jk
ex e
Verkleinwoorden gebruik je met een bepaald doel: • om iets kleins aan te duiden; • om aan iets een bepaalde gevoelswaarde te geven: – iets liefs of teders benoemen; Bv. Dag omaatje! – iets speels aanduiden; Bv. Speel je mee tikkertje? – iets verbloemen of meevoelen uiten; Bv. Hij heeft een probleempje. – iets een ironische toon geven. Bv. Onze buur rijdt met een nieuw BMW’tje.
52
TRAJECTWIJZER
Soorten zelfstandige naamwoorden
wat
A Concreet en abstract Er zijn concrete en abstracte zelfstandige naamwoorden. Concrete zelfstandige naamwoorden hebben een duidelijke vorm en inhoud. Ze zijn tastbaar. Bv. de heks – het dorp – het dier – de kranten
aa
r
Abstracte zelfstandige naamwoorden hebben geen duidelijke vorm en inhoud. Ze zijn niet tastbaar. Bv. de rituelen – de hekserij – het plezier – het onderzoek B Soortnaam of eigennaam
Zelfstandige naamwoorden kunnen soortnaam of eigennaam zijn.
pl
Soortnamen duiden een soort aan. Die zelfstandige naamwoorden schrijf je met een kleine letter. Bv. het vrouwtje – de kat – het dorp
C Stofnaam
m
Eigennamen geven een persoonlijke ‘eigen’ naam aan een persoon, dier of ding. Die zelfstandige naamwoorden schrijf je met een hoofdletter. Bv. Kathleen – Halloween
ex e
Stofnamen zijn zelfstandige naamwoorden die een stof/materiaal aanduiden. Ze zijn niet telbaar en hebben dus geen meervoud. Bv. hout – ijzer – wol – ivoor Stofnamen worden dikwijls gebruikt als bijvoeglijk naamwoord, om iets te zeggen over een zelfstandig naamwoord. Bv. een ijzeren staf – een wollen trui
jk
Hoe vorm je het meervoud?
voorbeelden
ki
treinen, boeken, ramen
Waarom? De meeste zelfstandige naamwoorden krijgen in het meervoud -en. Ook -s is een veelvoorkomende meervoudsvorm.
groenten of groentes, perioden of periodes leraren of leraars, appelen of appels
Soms zijn er dubbelvormen en is zowel -(e)n als -s mogelijk.
mogelijkheden gelederen (meervoud van gelid) lammeren, eieren, steden, koeien
Er bestaan ook speciale meervoudsvormen.
vat – vaten, voetpad – voetpaden maar: handvat – handvatten
Een korte klinker wordt soms lang in het meervoud.
geluk jaloersheid rubber vee
Er zijn zelfstandige naamwoorden die geen meervoudsvorm hebben. Je kent het juiste gebruik van die vormen uit het taalgebruik en in de meeste gevallen bieden ze geen spellingproblemen.
In
tekens, twijfels, telefoons
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
53
voorbeelden
Waarom?
zeeman – zeelui/zeelieden
kikvorsmannen, ombudsmannen, barmannen
Het meervoud van beroepsaanduidingen op -man: • -man verandert in -lui/-lieden. De vorm op -lieden is deftiger. • Recentere beroepsaanduidingen vormen hun meervoud meestal op -mannen. Bij woorden uit het Latijn of het Grieks • wordt het meervoud soms mee ontleend; • kun je in vele gevallen ook -s of -en als meervoud gebruiken. Gebruik nooit een dubbele meervoudsvorm (een stapelmeervoud)!
blad: bladen (van een schrift) of bladeren (van een boom) pad: padden (dier) of paden (weg)
Soms geeft een andere betekenis van eenzelfde woord (homoniemen) een ander meervoud.
voorbeelden
Waarom?
Woorden die eindigen op één medeklinker: • bij een lang uitgesproken klinker op het einde van de klankgroep schrijf je een enkele medeklinker; • bij een kort uitgesproken klinker met een medeklinker aan het einde van de klankgroep schrijf je een dubbele medeklinker.
ex e
kat – katten, man – mannen, handvat – handvatten
Dikwijls schrijf je wat je hoort.
m
hond – honden, dier – dieren, geest – geesten persoon – personen, maan – manen
pl
Hoe spel je het meervoud?
aa
r
criterium g criteria datum g data politicus g politici basis g bases criteriums, datums, basissen, crisissen
maar: vonnissen, dromedarissen, secretarissen dreumesen, luiwammesen (wel zessen) viezeriken, perziken (wel ogenblikken = blik) lemmeten (wel sigaretten, korte metten) kieviten (maar gebitten), engelen
jk
reis – reizen, duif – duiven
De slotmedeklinkers -s en -f veranderen meestal in -z en -v. Toch blijft in veel gevallen de -s behouden.
filosofen, biografen, nimfen, paragrafen perspectieven, octaven, statieven
In woorden met Griekse delen blijft de -f behouden. maar: niet in woorden van Latijnse afkomst
ree – reeën, twee – tweeën, fee – feeën knieën, melodieën, epidemieën, drieën bacteriën, traliën of tralies
Woorden die eindigen op twee klinkers: -ee wordt soms -eeën; -ie wordt -ieën (indien klemtoon op -ie) of -iën of -s.
In
ki
pausen, kersen, wensen, koersen, mensen, kousen
ski’s, agenda’s, party’s, papa’s lentes, cafés, dictees, taboes, bureaus, etuis, milieus, discjockeys OCMW’s, gsm’s maar: x’en, sms’en
54
-is wordt altijd -issen Als er geen klemtoon ligt op -es, -ik, -et, -it, -el verdubbelt de medeklinker niet.
TRAJECTWIJZER
Woorden die eindigen op enkele a, i, o, u, medeklinker + y krijgen ’s om een verkeerde uitspraak te voorkomen (de klinker blijft lang uitgesproken). Als er geen verkeerde uitspraak mogelijk is (combinatie van klinkers, doffe e of é, klinker + y), schrijf je geen apostrof. Letterwoorden krijgen ’s, behalve als ze op een s-klank eindigen: dan schrijf je ’en.
Het verkleinwoord voorbeelden
Waarom? Je maakt een verkleinwoord door een achtervoegsel bij het zelfstandig naamwoord te voegen. De meest gebruikte achtervoegsels zijn: -tje, -etje, -je en -pje.
cakeje, jungletje, rendez-voustje
Die regel geldt ook voor vreemde woorden.
s’je, cd’tje, gsm’etje
Verkleinwoorden van afkortingen schrijf je met een apostrof.
jongen – jongetje nieuws – nieuwtje
De -n valt weg bij jongen. De -s valt weg bij nieuws.
weg – weggetje spion – spionnetje bal – balletje lam – lammetje
Soms verdubbel je de eindmedeklinker om de correcte uitspraak van de klinker te bewaren.
auto – autootje villa – villaatje paraplu – parapluutje café – cafeetje
Wanneer het zelfstandig naamwoord eindigt op a, o, u, é, verdubbel je die.
baby – baby’tje, pony – pony’tje taxi – taxietje, ski – skietje
Wanneer het zelfstandig naamwoord eindigt op een medeklinker + -y krijg je ’tje als uitgang; -i krijg je ietje als uitgang.
aa
pl
m
Bij het splitsen val je terug op het grondwoord.
ex e
auto-tje, paraplu-tje, ski-tje, pony-tje
r
potje, bloemetje, boekje, boompje, raampje
koning – koninkje woning – woninkje
ring – ringetje, ding – dingetje vergadering – vergaderingetje
Als bij een verkleinwoord van een zelfstandig naamwoord van Franse oorsprong de eind -e niet uitgesproken wordt, past de spelling zich aan.
In
ki
jk
pralientje, aspirientje (Je zegt niet aspirinetje, maar aspirientje, dus schrijf je ook aspirientje.)
Woorden op -ing krijgen -inkje als de klemtoon van het woord op het deeltje voor -ing valt. De klemtoon valt op -ing zelf: -etje De klemtoon valt niet op het deel net voor -ing: -etje
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
55
Het lidwoord
wat
r
Het lidwoord staat voor een zelfstandige naamwoord of voor een woord dat zelfstandig gebruikt wordt, zoals een werkwoord of bijvoeglijk naamwoord. Bv. Wil jij een workshop over pimpen volgen? De leerling fleurt haar taal op met prachtige beelden. Het zelfgemaakte cadeau vind ik heel leuk. Het hergebruiken van oude spullen zint me wel. De liefste ben jij.
pl
aa
Er zijn drie lidwoorden: de, het en een. De en het zijn bepaalde lidwoorden; een is het onbepaald lidwoord. Als je een bepaald lidwoord gebruikt, wil je een bepaald iets of begrip aanduiden. Bv. Ze gaf hem snel de schaar. (die ene schaar) Met een onbepaald lidwoord zeg je niet over welk voorwerp of begrip het precies gaat. Bv. Ze gaf hem snel een schaar. (om het even welke schaar) Het bepaald lidwoord het wordt gebruikt bij onzijdige zelfstandige naamwoorden (het-woorden).
m
Bij vrouwelijke en mannelijke zelfstandige naamwoorden en bij meervoudsvormen van zowel het-woorden als de-woorden gebruik je het bepaald lidwoord de.
ex e
Het ontkennend lidwoord geen duidt op de afwezigheid van iets of op een ontkenning. Bv. Geen mens zal dat begrijpen.
tip
In
ki
jk
namen van cijfers en letters: de-woorden, bv. de w, de zeven namen van rivieren en bergen: de-woorden, bv. de Leie namen van sporten en spellen: het-woorden, bv. het voetbal namen van talen: het-woorden, bv. het Engels namen van windrichtingen: het-woorden, bv. het westen verkleinwoorden: het-woorden, bv. het hondje woorden voor vruchten, bomen en planten: de-woorden, bv. de appel, de berk, de krokus
56
TRAJECTWIJZER
Het bijvoeglijk naamwoord Functie en plaats
wat
Het bijvoeglijk naamwoord kan voor het zelfstandig naamwoord staan in de zin. Bv. Ze hebben prachtige kostuums aan.
r
Het bijvoeglijk naamwoord (bn) is een woordsoort die iets over een zelfstandig naamwoord vertelt. Het geeft meer informatie. Het maakt een tekst vollediger, maar ook mooier en kleurrijker. Bv. het levende museum
aa
Het kan ook achteraan in de zin staan. Het is dan een deel van het naamwoordelijk gezegde. Bv. Ze zijn erg origineel.
pl
Soms wordt een voltooid deelwoord gebruikt als bijvoeglijk naamwoord. Bv. het verkochte beeld
m
Verbuiging
wat
ex e
Soms moet je het bijvoeglijk naamwoord verbuigen: je voegt dan een ‘e’ toe aan de grondvorm. Bv. de prachtige kostuums Je verbuigt het bijvoeglijk naamwoord NIET als het voor een het-woord staat in het enkelvoud, behalve na het, dit, dat of een bezittelijk voornaamwoord. Bv. een kleurrijk standbeeld MAAR: dit kleurrijke standbeeld
jk
De trappen van vergelijking
wat
ki
Om zaken met elkaar te vergelijken worden de trappen van vergelijking gebruikt. Je geeft ermee aan hoe sterk een bepaalde eigenschap aanwezig is.
In
• de stellende trap (knap) • de vergrotende trap (knapper) grondwoord + er • de overtreffende trap (knapst) grondwoord + st Om de trappen van vergelijking te vormen van een voltooid deelwoord dat gebruikt wordt als bijvoeglijk naamwoord, voeg je ‘meer’ (vergrotende trap) of ‘meest’ (overtreffende trap) toe aan het grondwoord.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
57
Het voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord
wat
r
Voltooide deelwoorden kunnen gebruikt worden als bijvoeglijk naamwoord bij een zelfstandig naamwoord. Als een voltooid deelwoord bijvoeglijk wordt gebruikt, wordt het verbogen zoals een gewoon bijvoeglijk naamwoord. Bv. De arbeiders hebben de weg verbreed. vd De verbrede weg is ondertussen al in gebruik. bn zn
pl
aa
De vorm van zo’n bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord komt niet altijd overeen met de persoonsvorm van de verleden tijd. Bv. Hij verbreedde de weg. Het is nu een verbrede weg. pv (ovt) bn
m
Het bijwoord
wat
ex e
Bijwoorden (bw) zijn woorden die meer informatie geven over een werkwoord, een ander bijwoord, een bijvoeglijk naamwoord en een hele zin. Bv. Ze juichten vrolijk. (vrolijk bepaalt het werkwoord ‘juichen’ nader) Dat vind ik een bijzonder knap jeugdboek. (bijzonder bepaalt het bijvoeglijk naamwoord ‘knap’ nader) Dat vind ik een heel erg interessant verschil. (heel bepaalt ‘erg’ (ook een bijwoord) nader) Misschien zie ik een verschil. (misschien bepaalt de hele zin nader) Bijwoorden kunnen deze informatie aangeven:
• een graad (niveau): heel, zeer, nogal, enigszins, hartstikke … Bv. Is er heel veel verschil tussen jongens en meisjes?
jk
• een plaats/richting: waarheen, hier, elders, ginds, opzij, daar, waar, hier … Bv. H et geheime dagboek ligt daar. Ze bewaarde haar geheime tekeningen elders.
In
ki
• een tijd: wanneer, morgen, vandaag, gisteren, binnenkort, onlangs, altijd, nu … Bv. W anneer vertrekt de trein, vandaag of morgen? Je zult me altijd vragen blijven stellen.
tip Een bijvoeglijk naamwoord zegt alleen iets over een zelfstandig naamwoord. Een bijwoord kan over verschillende woordsoorten iets zeggen.
tip Als een bijwoordelijke bepaling uit één woord bestaat, dan is dat woord een bijwoord.
58
TRAJECTWIJZER
Het voorzetsel
wat
Voorzetsels hebben altijd dezelfde vorm. Bv. Ik keek door het sleutelgat. Ik ken hem door en door. Uitgezonderd: ter ere van … / ten tijde van … (overblijfsels van oude naamvallen)
r
Een voorzetsel kan nooit een zinsdeel zijn.
aa
Sommige voorzetsels worden achteraan geplaatst (achterzetsels). Bv. Hij viel door de mand. (voorzetsel) Hij liep de tuin in. (achterzetsel)
pl
Voorbeelden van voorzetsels voor, achter, naast, in, op, door, over, uit, boven, onder, om, tegen, aan, binnen, buiten, langs, tijdens, sinds, bij, tot, zonder, met, behalve, naar, na, via, per, te, tegen, volgens …
tip
In
ki
jk
ex e
m
Bij sommige werkwoorden hoort een vast voorzetsel Bv. houden van, vastklampen aan, hopen op …
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
59
Het voornaamwoord • Voornaamwoorden helpen o.a. storende herhalingen te voorkomen. • Ze verwijzen naar een zelfstandigheid en behoren dus tot de verwijswoorden. • Ze worden ingedeeld op basis van datgene waarnaar ze verwijzen of volgens hun gebruik. Er zijn acht verschillende voornaamwoorden.
verwijst naar …
voorbeelden
pl
soort voornaamwoord
aa
r
Hoe zijn de verschillen in voornaamwoorden bepaald? • Er is naar de zinsbouw gekeken: sommige voornaamwoorden konden in een zin de hele naamwoordsgroep vervangen. • Er is ook gekeken naar welke vormen van voornaamwoorden er in verschillende situaties gebruikt werd. Zo werden voor het onderwerp van de zin andere vormen gebruikt dan voor lijdende en meewerkende voorwerpen. • Iets anders waarnaar gekeken werd, is de afstand tot iets. Het aanwijzend voornaamwoord maakt bijvoorbeeld gebruik hiervan: er wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘deze’ en ‘die’ en tussen ‘dit’ en ‘dat’.
persoonlijk
een persoon, ding of dier
bezittelijk
de bezitter
aanwijzend
iets aanwijsbaars
wederkerend
het onderwerp in de zin
Hij verveelt zich. Je vergist je.
wederkerig
wederkerige relatie
Zij vervelen elkaar. Ze verdedigen elkaar.
vragend
een vraagzin
wie, wat, welke
betrekkelijk
een (betrekkelijke) bijzin die aan de hoofdzin gebonden is
die, wie, dat, wat
iets onbepaalds
het, men, (n)iemand, (n)iets, alles, iedereen, enig, elk, zeker, menig, wat
jouw, mijn, zijn, ons, jullie, hun
m
die, dat, deze, dit, zo’n, zulk(e), degene, diegene
ex e
onbepaald
ik, zij, wij, het, jullie, zij, mij, jou, haar, ons, hun
1 Het persoonlijk voornaamwoord
wat
ki
jk
Persoonlijke voornaamwoorden verwijzen naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken. Ze vervangen andere woorden en zorgen voor variatie of afwisseling. Een tekst wordt daardoor vlotter en aangenamer om te lezen: de vervelende herhalingen zijn er niet meer. Bv. De atleet wint de sprint. Bovendien loopt de atleet een wereldrecord. g De atleet wint de sprint en bovendien loopt hij een wereldrecord.
In
Bv. De ploegdokter loopt naar de geblesseerde speler en de ploegdokter verzorgt de geblesseerde speler. g De ploegdokter loopt naar de geblesseerde speler en hij verzorgt hem. De vetgedrukte woorden zijn persoonlijke voornaamwoorden. Het persoonlijk voornaamwoord kan als onderwerp of als voorwerp voorkomen.
60
TRAJECTWIJZER
PERSOONLIJK VOORNAAMWOORD persoon
als onderwerp
als ander zinsdeel (voorwerp)
enkelvoud
ik Bv. Vandaag ga ik zwemmen.
mij/me Bv. Marthe heeft mij zien zwemmen.
2
enkelvoud vertrouwelijk
jij/je
jou/je
enkelvoud beleefd
u
u
enkelvoud mannelijk
hij
hem
enkelvoud vrouwelijk
zij/ze
haar/ze
enkelvoud onzijdig
het
het
1
meervoud
wij/we
ons
2
meervoud vertrouwelijk
jullie
meervoud beleefd
u
meervoud
zij/ze
3
aa
3
r
1
jullie/je u
ze/hen
pl
tip
m
‘Het’ is alleen een persoonlijk voornaamwoord als het een apart zinsdeel is en verwijst naar een persoon, een groep personen, voorwerpen of onzichtbare zaken. Bv. Nu het huis is uitgebrand, wordt het afgebroken.
tip
‘Hen’ gebruik je als lijdend voorwerp en na een voorzetsel.
ex e
‘Hun’ gebruik je nooit als onderwerp, maar uitsluitend als een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel.
tip
2 Het bezittelijk voornaamwoord
wat
jk
Bezittelijke voornaamwoorden geven aan dat iets het bezit is van iemand of aan iemand toebehoort. Bv. Mijn zus verkocht haar fiets aan haar vriendin.
ki
Een bezittelijk voornaamwoord kan zelfstandig (alleen) of bijvoeglijk (bij een ander woord) in de zin voorkomen. Bij zelfstandig gebruik staat er een lidwoord voor.
persoon
BEZITTELIJK VOORNAAMWOORD bij een zn
zelfstandig
enkelvoud
mijn fiets/boek
de/het mijne
2
enkelvoud vertrouwelijk
jouw fiets/boek
de/het jouwe
enkelvoud beleefd
uw fiets/boek
de/het uwe
enkelvoud mannelijk
zijn fiets/boek
de/het zijne
enkelvoud vrouwelijk
haar fiets/boek
de/het hare
enkelvoud onzijdig
zijn fiets/boek
de/het zijne
1
meervoud
onze fiets (de fiets) ons boek (het boek)
de/het onze
2
meervoud vertrouwelijk
jullie fiets/boek
die van jullie
meervoud beleefd
uw fiets/boek
de/het uwe
meervoud
hun fiets/boek
de/het hunne
In
1
3
3
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
61
tip Vergelijk: Is dat mijn fietssleutel? (mijn = bezittelijk voornaamwoord) Die fietssleutel is van mij. (mij = persoonlijk voornaamwoord)
tip
tip
Houd rekening met het verschil tussen jou en jouw en tussen u en uw. Bv. Dat boek is van jou. Het is dus jouw boek. Die auto is van u. Het is dus uw auto.
aa
r
Gebruik nooit twee keer het woord jullie na elkaar. Bv. Hebben jullie je boeken? jullie jullie
tip
pl
Niet elke uitdrukking van een bezit is een ‘echt’ bezit. Bv. Mijn trein had deze morgen weer veel vertraging.
m
3 Het aanwijzend voornaamwoord
Het aanwijzend voornaamwoord wijst aan waar iets of iemand is. Het kan bijvoeglijk (bij een ander woord) of zelfstandig (alleen) voorkomen.
ex e
Een aanwijzend voornaamwoord kan in plaats van een lidwoord voor een zelfstandig naamwoord staan. Het verwijst dan naar het zelfstandig naamwoord. • Bij de-woorden gebruik je altijd die of deze. • Bij het-woorden gebruik je altijd dat of dit. Ook de afstand bepaalt welk aanwijzend voornaamwoord je het best gebruikt. de-woorden
dichtbij
deze/dit
verderaf
het-woorden die/dat
jk
Een aanwijzend voornaamwoord kan zelfstandig in een zin voorkomen. Je kunt er dan een zelfstandig naamwoord achter zetten. Bv. Die auto kan sneller rijden dan deze (auto).
ki
Een aanwijzend voornaamwoord kun je dus zowel zelfstandig als niet-zelfstandig gebruiken. Bv. Waar zit die ezel? (niet zelfstandig) Waar zul je die vinden? (zelfstandig)
In
Welk aanwijzend voornaamwoord gebruikt wordt, hangt af van of het zelfstandig of nietzelfstandig gebruikt wordt en van het woord waar het bij hoort. niet-zelfstandig gebruikt enkelvoud
bij het-woorden
dit, dat, zo’n, zulk, zulk een
bij de-woorden
deze, die, zo’n, zulke, zulk een
meervoud
deze, die, zulke
zelfstandig gebruikt enkelvoud meervoud
62
TRAJECTWIJZER
bij het-woorden
dit, dat, datgene, hetgene
bij de-woorden
deze, die, degene, diegene deze, die, degene(n), diegene(n), zulke(n)
wat
4 Het wederkerend voornaamwoord
wat
Sommige werkwoorden hebben een (verplicht) wederkerend voornaamwoord bij zich. Het wederkerend voornaamwoord komt alleen voor in combinatie met een wederkerend werkwoord.
aa
Ook de vorm ‘wederkerend voornaamwoord + zelf’ wordt tot de wederkerende voornaamwoorden gerekend.
r
Bv. zich aanpassen, zich verzetten, zich vergissen, zich afvragen, zich bekommeren om, zich bemoeien met, zich haasten, zich inbeelden, zich verheugen op … Bv. Hij herinnert zich de mooie momenten samen. g zich herinneren
persoon enkelvoud
ik herinner me
2
enkelvoud vertrouwelijk
je herinnert je/jou
enkelvoud beleefd
u herinnert zich
enkelvoud mannelijk
hij herinnert zich
enkelvoud vrouwelijk
zij herinnert zich
3
m
1
pl
WEDERKEREND VOORNAAMWOORD
het kind herinnert zich
meervoud
wij herinneren ons
2
meervoud vertrouwelijk
jullie herinneren je
meervoud beleefd
u herinnert zich
meervoud
zij (de leerlingen) herinneren zich
3
ex e
enkelvoud onzijdig 1
tip
jk
Niet alle werkwoorden met ‘zich’ hebben een verplicht wederkerend voornaamwoord. Bv. de werkwoorden wassen, scheren, bezeren. Vergelijk: Hij scheert zich. n De boer scheert het schaap.
ki
5 Het wederkerig voornaamwoord
wat
In
Het wederkerig voornaamwoord is elkaar. Het verwijst naar meer personen. Het geeft een wederkerige relatie aan.
Ook woorden die van elkaar zijn afgeleid, zoals mekaar en elkander, worden wederkerige voornaamwoorden genoemd. Bv. We hebben mekaar al lang niet meer gezien.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
63
6 Het vragend voornaamwoord
wat
Een vraagwoord kan een vragend voornaamwoord zijn zoals wie, wat, welke, wat voor (een). Het vragend voornaamwoord informeert naar meer bijzonderheden over een zelfstandigheid. Het kan bijvoeglijk (bij een ander woord) of zelfstandig (alleen) voorkomen.
aa
r
Bv. Welk boek heb je gelezen? (bijvoeglijk) Wie heb je al uitgenodigd? (zelfstandig) Wat plan je verder nog? (zelfstandig)
tip
7 Het betrekkelijk voornaamwoord
pl
Niet alle vraagwoorden zijn vragende voornaamwoorden. Bijvoorbeeld de vraagwoorden waar, wanneer en hoe zijn vragende bijwoorden.
m
Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar een woord dat er vlak voor staat of een woordgroep die er vlak voor staat. Wat ervoor staat, noem je het antecedent. Na een het-woord volgt dat. Bv. Het geschenk dat ik kreeg voor mijn verjaardag was een echte verrassing.
ex e
Na een de-woord volgt die. Bv. De bagage die niet mee was met de vlucht, werd later naar het hotel gebracht. Als het antecedent een meewerkend voorwerp is, wordt wie gebruikt. Bv. De jongen (aan) wie een glaasje water werd gegeven, is ondertussen weer wat beter. Is het antecedent het onbepaalde woord alles, niets, iets, al of is het een volledige zin of een overtreffende trap? Dan volgt wat als betrekkelijk voornaamwoord.
In
ki
jk
Bv. Er was niets wat ik niet lustte. Hij schonk alles wat hij bezat aan een goed doel. Al wat hij kon doen, was gewoon beschikbaar zijn. Bij een volgend bezoek aan de stad vonden we nog iets wat we nog niet hadden gezien. Te veel suiker eten is niet gezond, wat iedereen wel beseft. Het beste wat ons kon overkomen, was dat we opnieuw een ritje mochten maken.
64
TRAJECTWIJZER
wat
8 Het onbepaald voornaamwoord
wat
aa
Voorbeelden van onbepaalde voornaamwoorden: alle(maal), alles, andere(n), elk, het (het regent), ieder(een), iemand, iets, niemand. Bv. Alles wat je hier ziet, heeft Mette zelf geknutseld. Iedereen zal vannacht een slaapplaats hebben.
tip
‘Het’ is een onbepaald voornaamwoord als het niet naar iets verwijst, maar de tijd, het weer of een sfeer aangeeft. Bv. Het is zeven uur, het sneeuwt buiten en daardoor is het extra gezellig binnen.
m
Het werkwoord
tip
pl
‘Je’ is een onbepaald voornaamwoord wanneer het ‘men’ betekent. Bv. Vandaag kun je (kan men) beter geen plastic flessen meer kopen.
r
Een onbepaald voornaamwoord verwijst niet – zoals andere voornaamwoorden – naar een specifieke persoon of zaak, maar naar iets algemeen. De term ‘onbepaald’ geeft aan dat het aantal of de identiteit van iets of iemand niet nader aangeduid wordt.
wat
ex e
Een werkwoord is een woord dat een werking (of handeling) of een toestand aangeeft. Het speelt in de zin een belangrijke rol: zonder werkwoord is een zin meestal niet volledig. Bv. Hij komt met de trein naar school. De onvervoegde vorm van het werkwoord, de infinitief, eindigt meestal op -en. Die vorm vind je in het woordenboek. Bv. Hij komt g komen (infinitief)
jk
De stam krijg je door de infinitief – (e)n te nemen. Bv. werken g stam: werk
ki
Een vervoegde vorm van het werkwoord kan de persoonsvorm (pv) zijn. Die pv komt in persoon en getal overeen met het onderwerp. Dat betekent: • als één persoon een handeling uitvoert of een toestand meemaakt, dan staan onderwerp en persoonsvorm in het enkelvoud; • als meer dan één persoon een handeling uitvoert of een toestand meemaakt, dan staan onderwerp en persoonsvorm in het meervoud.
In
Enkelvoud en meervoud noem je het getal. Bv. Hij speelt piano. Ze spelen verstoppertje. Een andere vorm van het werkwoord is het voltooid deelwoord. Bv. Ze hebben verstoppertje gespeeld. Een vervoegd werkwoord geeft aan in welke tijd een zin staat, wanneer een gebeurtenis zich afspeelt. We spreken over de (onvoltooid of voltooid) tegenwoordige, verleden of toekomende tijd. Soorten werkwoorden komen in de volgende jaren aan bod. Voor de vervoeging van het werkwoord kijk je op p. 90-91. Meer over de tijden van het werkwoord vind je op p. 95.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
65
Het telwoord
wat
De woorden die iets te maken hebben met tellen, noem je telwoorden. Bv. Op 24 februari word jij 13 jaar. Ken je het eerste album van Willy Vandersteen?
aa
r
Het hoofdtelwoord Hoofdtelwoorden geven een aantal of nummer aan. • Bepaalde hoofdtelwoorden zijn getallen als vijf, miljoen, drieëntwintig. Ook beide is een bepaald hoofdtelwoord; het duidt altijd een tweetal aan. • Onbepaalde hoofdtelwoorden zijn veel en weinig en hun trappen van vergelijking (veel – meer – meest en weinig – minder – minst).
Spelling van het telwoord
m
pl
Het rangtelwoord Rangtelwoorden geven de rangorde of plaats in een reeks aan. Bv. Hij eindigde op de derde plaats, maar zijn vriend op de eerste! • Bepaalde rangtelwoorden geven een duidelijke plaats in een reeks aan. • Onbepaalde rangtelwoorden geven een minder precieze plaats in een reeks aan. Het zijn woorden als laatste, middelste, hoeveelste en zoveelste.
hoe
In
ki
jk
ex e
Deze hoofdtelwoorden schrijf je in één woord: • alle hoofdtelwoorden tot en met duizend Bv. eenentwintig, zevenenveertig, achtennegentig, tweehonderdvijftig • alle veelvouden van honderd en duizend die gevormd worden met een hoofdtelwoord tot honderd of met een veelvoud van honderd Bv. driehonderd, zestienhonderd, vijfenzestighonderd; zevenduizend, vierennegentigduizend, vijfhonderdduizend
66
TRAJECTWIJZER
C Zinnen Een zin brengt een boodschap
aa
r
Een zin is een deel in het communicatieproces waarmee de zender met een boodschap de ontvanger wil informeren, ontroeren, overtuigen, amuseren, zijn mening overbrengen (opiniëren), een instructie geven … Een zin bestaat uit één of meer woorden die één geheel vormen. Bv. K om! Komen jullie onmiddellijk hier? Ze komen morgen. Morgen gaan we naar Brugge en zullen daar de school bezoeken. De jongens moeten meteen komen omdat de trainer hen nodig heeft.
Soorten zinnen
wat
m
Elke zin eindigt met een leesteken.
pl
Een zin heeft een bedoeling: iets meedelen, iets vragen, iets bevelen of uitroepen. We spreken van een mededelende zin, een vragende zin (of vraag), een uitroepende zin (of uitroep) en een bevelende zin (of bevel).
Na een mededelende zin komt een punt (.). Bv. Peking Express is een avonturenprogramma.
ex e
Na een vraag komt een vraagteken (?). Bv. Is Peking Express een avonturenprogramma?
Na een uitroep of een bevel komt een uitroepteken (!). Bv. Beleef mee het avontuur van Peking Express!
jk
Enkelvoudige en samengestelde zinnen
wat
ki
Ik zal vanavond zeker naar de training gaan. Zaterdag is er een wedstrijd. Gebruik geen bestaand woord of een naam. Dit is makkelijk te raden. Dat zijn enkelvoudige zinnen.
Ik zal vanavond zeker naar de training gaan, want zaterdag is er een wedstijd. Gebruik geen bestaand woord of een naam omdat dit makkelijk te raden is. Dat zijn samengestelde zinnen.
In
Twee enkelvoudige zinnen kunnen met een verbindingswoord (voegwoord) of een leesteken (komma, dubbele punt, puntkomma) met elkaar verbonden worden. Deze verbindingswoorden (voegwoorden) worden dikwijls gebruikt: en, maar, of.
Behalve want en omdat zijn er nog andere verbindingswoorden (voegwoorden) die een zin in een zin aangeven, bijvoorbeeld: wanneer, als, zoals, terwijl, zodra, voordat, voor, nu, toen, nadat, zolang als, totdat, zodat, doordat, opdat, sinds, waardoor, tenzij, hoewel, alsof, dat …
Voor de verbindingswoorden (voegwoorden) maar en want schrijf je een komma. In een vlot geschreven tekst vind je variatie: zowel enkelvoudige als samengestelde zinnen komen aan bod.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
67
Hoe herken je een enkelvoudige of samengestelde zin?
hoe
Onderzoek de werkwoorden in de zin(nen). Hoeveel verschillende groepen werkwoorden vind je in de zin? Eén groep (wwg – werkwoorden in nwg) betekent een enkelvoudige zin, meer dan één groep betekent een samengestelde zin.
aa
Bv. Het meisje wandelde op straat en ging dan het huis binnen. wandelde / ging binnen = twee groepen (wwg’s) g samengestelde zin Bv. Omdat het bleef sneeuwen, werd de wedstrijd afgelast. bleef sneeuwen / werd afgelast = twee groepen (wwg’s) g samengestelde zin
r
Bv. Hij zal koffie en thee halen. zal halen = één groep (wwg) g enkelvoudige zin
pl
Nevenschikking en onderschikking
wat
m
Van een samengestelde zin met nevenschikking kun je twee gelijkwaardige zinnen maken zonder dat de woordvolgorde verandert. Bij een samengestelde zin met onderschikking kun je dat niet. nevenschikking: gelijkwaardige zinnen worden aan elkaar gevoegd voegwoord of leesteken
ex e
zin 1
Mensen met slechte bedoelingen kunnen dan toegang krijgen tot je onlineaccounts.
en
zin 2
(ze kunnen) in jouw naam ongepaste dingen posten.
Mensen met slechte bedoelingen kunnen dan toegang krijgen tot je onlineaccounts en (ze kunnen) in jouw naam ongepaste dingen posten.. onderschikking: bijzin is ondergeschikt aan de hoofdzin; er is een zin in een zin
jk
bijzin
Als je met deze acht tips rekening houdt,
hoofdzin
kun je veilig gebruikmaken van sociale media.
ki
Als je met deze acht tips rekening houdt, kun je veilig gebruikmaken van sociale media.
In
Bij een samengestelde zin met nevenschikking kun je twee vragen stellen. Bij een samengestelde zin met onderschikking kun je dat niet. nevenschikking
vraag 1 Kunnen mensen met slechte bedoelingen toegang krijgen tot je onlineaccounts? vraag 2 Kunnen ze in jouw naam ongepaste dingen posten?
68
TRAJECTWIJZER
onderschikking slechts één vraag Kun je veilig gebruikmaken van sociale media als je met deze acht tips rekening houdt?
Actieve of passieve zinnen?
wat
Een zin is passief als het onderwerp van de zin de handeling niet uitvoert. Het onderwerp ondergaat de handeling of de actie. Bv. De appel wordt door de jongen gegeten. Het bericht werd verstuurd.
Een zin is actief als het onderwerp de handeling uitvoert. Bv. De jongen eet een appel.
aa
Wat er gedaan wordt, noem je de handeling van de zin. Wie of wat de handeling uitvoert in een passieve zin is het handelend voorwerp. Vooraan bij het handelend voorwerp staat altijd het voorzetsel ‘door’.
r
De persoonsvorm van een passieve zin is altijd het werkwoord worden of zijn, of een vervoegde vorm ervan.
pl
In een actieve zin staat geen handelend voorwerp. De persoonsvorm is een ander werkwoord dan worden. Om spanning en actie in een verhaal uit te drukken zal een auteur voor actieve zinnen kiezen.
m
Gebruik een passieve zin als je de handeling wilt beklemtonen, niet de handelende persoon. Als je veel passieve zinnen na elkaar gebruikt, wordt de boodschap minder persoonlijk. Hoe meer passieve zinnen je gebruikt, hoe groter ook de kans dat de formulering omslachtig wordt. Het is daarom aan te bevelen om in teksten niet te overdrijven met passieve zinnen. Wanneer mag of moet je zin lijden of een passieve zin zijn?
ex e
1 Als het niet belangrijk is wie iets doet of heeft gedaan. Bv. Het nieuwe boek van Guy Didelez werd massaal gekocht. 2 Als je niet weet wie iets doet of heeft gedaan. Bv. Er werd aan de noodrem getrokken.
jk
3 Als je de nadruk wilt leggen op de handeling. Bv. Je bestelling wordt morgen geleverd.
tip
In
ki
Een zin met een nwg kan niet passief gemaakt worden: er zit geen actie in.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
69
Bouw van een zin
wat
Een zin is een betekenisvolle boodschap en bestaat uit zinsdelen. Bv. Teken kunnen de ziekte van Lyme veroorzaken. Als je die zin nader bekijkt, vind je over wie of waarover iets gezegd wordt (het onderwerp) en wat er over dat onderwerp gezegd wordt: de rest van de zin. Bv. Teken kunnen de ziekte van Lyme veroorzaken.
aa
r
Stel je deze vragen. • Welke woorden zeggen wat het onderwerp doet, wat ermee gebeurt? Dan spoor je het werkwoordelijk gezegde (wwg) op. Bv. Teken kunnen de ziekte van Lyme veroorzaken. Welke woorden zeggen hoe, wie of wat het onderwerp is of wordt? Dan vind je het naamwoordelijk gezegde (nwg) (nwg). Bv. Het verhaal is niet waar.
•
Welke woorden zeggen wat, aan wie of voor wie iets is of doet? Met die vraag leer je de voorwerpen ((lv en mv en andere voorwerpen) benoemen. Bv. Teken kunnen de ziekte van Lyme veroorzaken. De fabrikant geeft rolstoelen weg aan bejaarde mensen of gehandicapte kinderen.
•
Welke woorden zeggen wanneer, waar, hoe, waarmee, waardoor iemand iets doet OF wanneer, waar, waarmee, waardoor iemand iets is of wordt? Met die vraag zoek je in de zin naar meer informatie, naar de bepalingen. Bv. Sir Charles Chaplin overleed in zijn slaap op Kerstmis 1977.
ex e
m
pl
•
Woordgroep en zinsdeel
wat
jk
Een woordgroep is een eenheid die meer omvat dan een woord en minder dan een zin. Een rij woorden die zomaar zonder verband achter elkaar staan, vormt geen woordgroep. Bv. Sierlijke reigers surfen af en toe mee met logge nijlpaarden.
ki
Een zinsdeel bestaat uit één woord of een woordgroep; de woorden hebben een nauwe band met elkaar in de zin. Bv. De fabrikant geeft rolstoelen weg aan bejaarde mensen of gehandicapte kinderen.
In
Deze voorbeeldzin bestaat uit vier zinsdelen (het onderwerp, het werkwoordelijk gezegde, het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp) en uit vijf woordgroepen.
70
TRAJECTWIJZER
tip Soms vallen het aantal woordgroepen en het aantal zinsdelen samen.
Zinsdelen onderzoeken •
Het onderwerp
wat
Het onderwerp (o) is een zinsdeel dat voor de betekenis van de zin echt belangrijk is. Het geeft aan over wie of waarover in de zin iets gezegd wordt. Bv. Intussen verdwijnen Bo's vriend Senne en zijn moeder op een mysterieuze manier.
r
Hoe zoek je het onderwerp? Stel de juiste sleutelvraag: ‘Waarover of over wie wordt er in deze zin iets gezegd?’
m
pl
aa
Kenmerken 1 Het onderwerp kan bestaan uit een woord of een woordgroep. 2 Het onderwerp staat meestal juist voor of achter de persoonsvorm (pv). 3 Het onderwerp komt overeen in persoon en getal met de pv. 4 Het onderwerp begint niet met een voorzetsel. Bv. Sams flauwe grapjes, zijn enorme relativeringsvermogen en zijn kleine verrassingen vrolijken Janne op. Maar ze brengen haar ook in verwarring.
tip
ex e
Als je dikwijls hetzelfde onderwerp schrijft, kun je die herhaling vermijden door een verwijswoord of synoniem te gebruiken.
wat
Als het onderwerp in het enkelvoud staat, staat de persoonsvorm ook in het enkelvoud. Als het onderwerp in het meervoud staat, verandert de pv ook naar het meervoud. Dat verschijnsel heet congruentie.
Het gezegde
jk
•
wat
ki
Werkwoordelijk gezegde en naamwoordelijk gezegde
In
Het deel waarin je verneemt wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt, noem je een werkwoordelijk gezegde (wwg). Bv. Columbus ontdekte Amerika. g Het betekenisverband met het onderwerp is een doen-relatie. Het deel waarin verteld wordt hoe, wie of wat het onderwerp is of wordt, noem je een naamwoordelijk gezegde (nwg). Bv. Hij is een bekende ontdekkingsreiziger. g Het betekenisverband met het onderwerp is een zijn-relatie. Er is altijd een persoonsvorm (pv). Dikwijls wordt die met andere woorden of werkwoorden aangevuld.
3 taal, taalgebRuIk en taalsysteem
71
wat Bouw van het werkwoordelijke gezegde (wwg): de delen Hoe kan een wwg samengesteld zijn? De hond blaft.
(b) pv + infinitief (inf)
De hond zal niet blaffen.
(c) pv + voltooid deelwoord (vd)
De hond heeft de hele nacht geblaft.
(d) pv + te + inf
De hond stond aan de poort te blaffen.
(e) pv + aan het + inf
De hond was de hele nacht aan het blaffen.
(f) pv + wederkerend voornaamwoord (wed. vn.) + inf
De hond kan zich niet beheersen.
(g) pv + inf + inf
De hond is blijven blaffen tot ze kwam.
(h) pv + vd + inf
De hond zou de hele nacht geblaft hebben.
pl
aa
r
(a) persoonsvorm (pv)
De hond zou de hele nacht geblaft kunnen hebben.
(i) pv + vd + inf + inf
De hond voelt echt met zijn baasje mee.
m
(j) pv + afgescheiden deel van de pv (ad pv)
Hij gaat voor zijn hond door het vuur.
ex e
(k) pv + (rest) werkwoordelijke uitdrukking (ww. uitdr.)
Bouw van het naamwoordelijk gezegde
jk
Het naamwoordelijk gezegde (nwg) bestaat uit een werkwoordelijk deel en uit een naamwoordelijk deel: de werkwoordsvormen van zijn of worden of … (ook blijken, blijven, lijken, schijnen kunnen de verbinding maken met het onderwerp) + een naamwoord (zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord). Hoe kan een nwg samengesteld zijn?
ki
(a) pv + naamwoordelijk deel van het nwg (b) pv + naamwoordelijk deel van het nwg + vd
Disneyfilms zijn altijd succesvol geweest.
(c) pv + naamwoordelijk deel van het nwg + inf
Zijn films zullen kaskrakers blijven.
(d) pv + naamwoordelijk deel van het nwg + inf + inf
Nieuwe Disneyfilms zouden even geliefd kunnen worden.
In 72
Die film is een succes.
TRAJECTWIJZER
wat
De werkwoordelijke eindgroep
wat
r
De werkwoordelijke eindgroep is de opeenvolging van werkwoordsvormen aan het eind van een hoofd- of bijzin. De persoonsvorm van een hoofdzin maakt nooit deel uit van de werkwoordelijke eindgroep.
Hoe vorm je de werkwoordelijke eindgroep?
aa
hoe
Bij het schrijven van een tekst plaats je het belangrijkste werkwoord of het hoofdwerkwoord (infinitief of voltooid deelwoord) bij voorkeur vooraan of achteraan in de werkwoordelijke eindgroep. Bv. Je zou ooit naar Australië willen reizen. Mijn vriend zou gisteren zijn knotsgekke gebeurtenis aan mij verteld hebben.
•
Schrijf niet-werkwoordelijke elementen altijd vlak voor de werkwoordelijke eindgroep. Bv. Ik zou er nooit aan gedacht hebben. Ik zou er nooit aan hebben gedacht.
•
Zoek de bijzinnen in een samengestelde zin. Bv. Als je niet lacht, wil ik je mijn droom vertellen.
•
Plaats de persoonsvorm van de bijzin achteraan en let op de juiste overeenkomst met het onderwerp van die bijzin. vertelt Bv. Ik geloof de droom die hij me vertelt.
ex e
m
pl
•
tip
In
ki
jk
In de werkwoordelijke eindgroep kunnen de hulpwerkwoorden beter bij elkaar blijven. Het voltooid deelwoord staat ervoor of erachter. In de gesproken taal staat het voltooid deelwoord meestal voorop, in geschreven taal staat het soms achteraan.
tip
Let op het verschil tussen een werkwoordelijk gezegde (woordgroep en zinsdeel waartoe de persoonsvorm behoort) en een werkwoordelijke eindgroep (woordgroep zonder de pv).
3 taal, taalgebRuIk en taalsysteem
73
De voorwerpen • Het lijdend voorwerp (lv)
wat
Werkwoorden met een onderwerp en een lijdend voorwerp
aa
r
Werkwoorden die je kunt combineren met iets/iemand (naast het onderwerp) kunnen een lijdend voorwerp bij zich krijgen. Bv. iemand doet iets, iemand helpt iemand, iemand vergeet iets of iemand, iemand vervoert iets of iemand Bv. Papa Lina helpen
wat
pl
Wat? Sommige werkwoordelijk gezegdes hebben een aanvulling nodig. Dan kun je IETS of IEMAND bij het werkwoord aanvullen: dat zinsdeel noem je het lijdend voorwerp (lv). Bv. Het meisje helpt haar oma. Ze maakt de lunch klaar. (iemand helpen – iets klaarmaken)
ex e
m
Waaraan herken je dat voorwerp? 1 Het is een zinsdeel dat bij bepaalde werkwoordelijk gezegdes kan of moet voorkomen. Het heeft dan een sterke verbinding met het werkwoord. 2 Het komt alleen voor bij een wwg dat een aanvulling nodig heeft om de boodschap te verduidelijken. 3 Het kan vervangen worden door iets/iemand. 4 Het begint nooit met een voorzetsel (in, met, op, uit …). 5 Een werkwoord kan maar één lijdend voorwerp hebben. 6 In een enkelvoudige zin komt altijd maar één lijdend voorwerp voor. Het lijdend voorwerp kan het enige voorwerp van de zin zijn, maar het kan ook gecombineerd worden met andere voorwerpen.
jk
Hoe is het opgebouwd? Het lijdend voorwerp (lv) bestaat uit één woord, een woordgroep of een zin. Bv. Zij helpt hem. Zij helpt de nieuwe buurman. Zij helpt de oude man die op de hoek van de straat woont.
In
ki
Hoe zoek je het lijdend voorwerp? Onderzoek of het werkwoordelijk gezegde een aanvulling nodig heeft met IETS of IEMAND. Wat/wie … (werkwoord + onderwerp)? Bv. Wat koopt hij? g iets kopen: een boek g Hij koopt een boek. Wie helpt zij? g iemand helpen: de oude man g Zij helpt de oude man.
74
TRAJECTWIJZER
• Het meewerkend voorwerp (mv) Sommige werkwoorden kun je combineren met meer dan twee zinsdelen. Naast het onderwerp en het lijdend voorwerp is er bijvoorbeeld ook een meewerkend voorwerp. Bv. iemand geeft (aan) iemand iets, iemand belooft (aan) iemand iets, iemand toont (aan) iemand iets, iemand vertelt (aan) iemand iets Bv. Mama Sterre koek geven
wat
aa
r
Wat? Sommige gezegdes krijgen naast een lijdend voorwerp een tweede zinsdeel als aanvulling. Het geeft aan op wie (of wat) de werking zich richt. Wie ontvangt er iets, wie verneemt iets, van wie wordt iets afgenomen … Je kunt het werkwoord, dat dikwijls een vorm van communicatie of een of andere interactie uitdrukt, aanvullen met AAN IEMAND of VOOR IEMAND.
m
pl
Je noemt zo’n aanvulling bij het werkwoordelijk gezegde of het naamwoordelijk gezegde een meewerkend voorwerp (mv). Bv. Julie en Dimitri gaven een verjaardagsgeschenk aan hun vader. ( iets geven aan iemand) Ze gaven hem een verjaardagsgeschenk. Bv. Ze vroeg aan hem hoe laat het was. ( iets vragen aan iemand) Ze vroeg hem hoe laat het was. Bv. De buurvrouw beloofde een nieuwe auto voor haar zoon. ( iets beloven voor iemand) Ze beloofde haar zoon een nieuwe auto.
jk
ex e
Waaraan herken je dat voorwerp? 1 Het is een zinsdeel. 2 Het komt voor bij een wwg of nwg om de boodschap te verduidelijken met de aanvulling AAN of VOOR IEMAND. 3 Het kan met aan of voor beginnen, meestal kun je aan of voor weglaten. Soms verandert de woordvolgorde daardoor. 4 Het verwijst over het algemeen naar een persoon die als tegenspeler van het onderwerp optreedt en in die zin aan de handeling ‘meewerkt’. 5 Het kan vervangen worden door aan/voor iets/iemand. Hoe is het opgebouwd? Het meewerkend voorwerp (mv) bestaat uit één woord, een woordgroep of een zin.
In
ki
Hoe zoek je het meewerkend voorwerp? Het meewerkend voorwerp duidt de persoon aan die iets/niets ontvangt. (interactie) Het meewerkend voorwerp duidt ook de persoon aan met wie gecommuniceerd wordt. Voor of aan wie + onderwerp en wwg of nwg …? Welke woorden zeggen aan wie of voor wie iemand iets is of doet?
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
75
• Het voorzetselvoorwerp Sommige werkwoorden kun je combineren met meer dan twee zinsdelen. Naast het onderwerp en het lijdend voorwerp is er bijvoorbeeld ook een voorzetselvoorwerp. Bv. iemand bedankt iemand voor iets, iemand beschuldigt iemand van iets, iemand of iets herinnert iemand aan iets, iemand dwingt iemand tot iets
wat
r
Het voorzetselvoorwerp komt voor bij een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde. Het is een zinsdeel dat nauw verbonden is met (het) werkwoord(en) / de woorden in het werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde.
aa
Het begint altijd met een vast voorzetsel. Dat voorzetsel ‘zit vast’ aan het werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde. Je kunt niet zomaar een ander voorzetsel kiezen zonder de betekenis van de boodschap te veranderen.
m
• Het handelend voorwerp
pl
Het gaat om een vaste uitdrukking met een figuurlijke betekenis. Stel je de vraag of het voorzetsel een letterlijke of figuurlijke betekenis heeft. Bv. Hij wacht geduldig op zijn vriendin. Miro is gek op chocolade met hazelnoten.
wat
jk
ex e
In passieve zinnen komt soms een zinsdeel voor dat begint met door. Dat zinsdeel wordt het handelend voorwerp of ook wel door-bepaling genoemd. Het komt overeen met het onderwerp in de actieve zin. Vergelijk: Evelien De Vlieger heeft dat boek geschreven. Dat boek is geschreven door Evelien De Vlieger. Het handelend voorwerp komt lang niet in alle passieve zinnen voor. Soms is het noodzakelijk, maar in andere zinnen kan of moet het achterwege blijven. Bv. D e brand werd snel geblust. Er zijn dit jaar maar weinig huizen gebouwd.
ki
• De bijwoordelijke bepaling
wat
In
Bepalingen zijn zinsdelen die extra informatie geven aan de ontvanger, dikwijls over wanneer, hoe, waarom, waar … iemand iets doet. De bepaling is een zinsdeel (woord of woordgroep) dat minder nauw met het werkwoord verbonden is dan zinsdelen zoals het onderwerp en voorwerpen (bv. lijdend en meewerkend voorwerp). Ze kan makkelijker wegvallen dan die andere zinsdelen. Een zin kan meer dan één bepaling bevatten.
De bijwoordelijke bepaling geeft meer uitleg over de ‘context’. Het zinsdeel bepaalt wanneer, waar, hoe, waarmee, hoe dikwijls … iets gebeurt. Bv. Thuis keek hij altijd te lang naar televisie. (een woord) Ouders staan elke dag vroeg op. (een woordgroep) Als ze ziek is, blijft ze lang in bed. (een woordgroep met pv)
76
TRAJECTWIJZER
hoe
aa
r
Bepalingen zijn zinsdelen die bijkomende informatie geven bij het wwg en nwg, maar die weggelaten kunnen worden. Je vindt die bepalingen door het antwoord te zoeken op deze vragen: Waar + wwg/nwg + o? g bijwoordelijke bepaling (bwb) Vanwaar Wanneer Hoe Hoelang Hoever Waarom Waardoor Waarmee
pl
Bv. W AAR flitste de politie gisteren de bestuurder van een bromfiets? g in de buurt van de school = bijwoordelijke bepaling WANNEER flitste de politie de bestuurder van een bromfiets in de buurt van de school? g gisteren = bijwoordelijke bepaling HOE luisterde de jongen naar de berisping? g aandachtig = bijwoordelijke bepaling
ex e
m
restbepaling g bijwoordelijke bepaling Een restbepaling geeft geen antwoord op de vorige vragen, is geen ander zinsdeel … en bestaat dikwijls maar uit één woord. Bv. ook, niet, slechts, wel, zeker, misschien
• Het tussenwerpsel
wat
jk
Tussenwerpsels staan los van de rest van de zin waar ze in staan. Ze kunnen als zelfstandige uitroep optreden. Bv. Hallo! Toe maar! Tss.
In
ki
Ook veel andere woorden kunnen zo gebruikt worden, bijvoorbeeld Luister! en Binnen!, maar die kunnen ook als zinsdeel gebruikt worden, bijvoorbeeld in Kom binnen! en Luister goed! In die voorbeelden zijn het geen tussenwerpsels.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
77
D Teksten Als je informatie wilt verwerken, moet je bronnen kunnen raadplegen, moet je inzicht hebben in soorten teksten. Als je tot zinvolle communicatie wilt komen, moet je goed kunnen lezen en luisteren, en moet je je schriftelijk en mondeling goed kunnen uitdrukken in een grote variatie van teksten. Dan is het belangrijk dat je weet hoe teksten opgebouwd zijn, welke tekstdoelen er bestaan …
aa
r
Ook omgaan met nieuwe media en met nieuwe technologieën vraagt veel van je talige competenties: die teksten hebben dikwijls specifieke kenmerken. Om te tweeten, WhatsAppen en sms’en moet je bijvoorbeeld beknopt en creatief kunnen schrijven, om een bericht in te spreken op je smartphone moet je duidelijke instructies kunnen formuleren …
Tekstopbouw Delen van een tekst
pl
titel of kop tussenkop of tussentitel illustratie of beeld inleiding of lead (bv. bij een krantenartikel) – midden en slot alinea of tekstblok
ex e
Titel en tussentitels
m
• • • • •
wat
wat
jk
Een titel (of kop) … • staat boven een tekst; • geeft aan waar de tekst over gaat; • valt op door een ander of groter lettertype; • is meestal de kortste samenvatting van de zakelijke tekst; • beantwoordt aan enkele criteria: hij is kort, wekt nieuwsgierigheid, zet aan tot lezen en legt de klemtoon op de meest informatieve woorden.
ki
Elke tekst begint met een titel. Soms zijn er tussentitels (of tussenkopjes). Die staan boven een deel van de tekst en geven aan waarover dat deel gaat.
In
De hoofdgedachte of het centrale thema
hoe
Een tekst gaat ergens over. Dat is het onderwerp van de tekst. Dikwijls is dat onderwerp in één woord te benoemen. Het belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt, is de hoofdgedachte of het centrale thema van een tekst. Wat de schrijver over het centrale thema vertelt, vind je in de hoofdpunten van de tekst. Dat zijn dus alle inhoudelijke elementen die ondersteunend zijn voor die hoofdgedachte. Om het onderwerp en de hoofdgedachte te vinden, kun je de tekst het best globaal lezen. Daarvoor lees je de tekst niet volledig, enkel in grote lijnen. Lees zeker het begin (inleiding) en het einde (slot) van de tekst. Bestudeer ook de titel en bekijk de structuur, de illustraties en de tekstopmaak of lay-out.
78
TRAJECTWIJZER
De alinea
wat De tekstdelen of tekstblokjes noem je alinea’s. Je kunt een alinea herkennen aan deze aspecten.
aa
r
• Elke goed opgebouwde alinea heeft een kernzin met daarin de belangrijkste gedachte (kerngedachte) van die alinea. • In een alinea staat die kernzin voor- of achteraan. • Dikwijls is er een witregel tussen twee alinea’s. • Soms springt de eerste regel in. • De laatste regel is meestal niet helemaal volgeschreven.
hoe
wat
ex e
m
pl
Zo herken je een alinea: • er is één kerngedachte of kernzin per alinea; • die kerngedachte staat voor- of achteraan in een alinea; • dikwijls is er een witregel (blanco tekstregel) tussen twee alinea’s; • soms springt de eerste regel in; • de laatste regel is meestal niet helemaal volgeschreven.
Wat is een sleutelwoord (kernwoord)?
Een sleutel opent deuren. Wie een deur opent, ziet wat erachter zit. Zo gaat het ook met sleutelwoorden: ze geven de lezer toegang tot het onderwerp en de hoofdgedachte van de tekst of de alinea.
wat
ki
jk
Je vindt de sleutelwoorden dikwijls in de eerste en/of laatste zin van een alinea. Samen met de andere woorden vormen ze de kernzin van de tekst. Die zin vertelt je waarover het in de tekst zal gaan.
Alinea’s en kernzinnen
In
De tekstdelen noem je alinea’s. Een tekst bestaat meestal uit verschillende alinea’s. Korte teksten, zoals een nieuwsbericht, kunnen ook uit slechts één alinea bestaan.
Alinea’s hebben een bepaalde opbouw. Ze bestaan uit de kerngedachte (of kernzin) en een uitleg of uitwerking ervan. De kernzin van de alinea bevat de hoofdgedachte. Meestal is de eerste of de tweede zin van de alinea de kernzin. Soms is het de laatste zin. Alinea’s worden met elkaar verbonden door verwijswoorden en signaalwoorden.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
79
Signaalwoorden en verwijswoorden
wat
Signaalwoorden geven een signaal dat er een bepaald verband bestaat tussen zinnen of delen van zinnen, maar ook tussen alinea’s.
aa
r
Verwijswoorden verwijzen terug naar iets wat al vernoemd is of wijzen vooruit naar iets wat kort daarna komt. Ze voorkomen dat dezelfde woorden herhaald worden. Verwijswoorden kunnen voornaamwoorden zijn zoals hij, haar, ons, het, die, deze of bijwoorden zoals erin, daartussen, waarop, nu, daar, dan, zo.
Signaalwoorden geven verbanden aan
Signaalwoorden
pl
wat
Woorden die verbanden in de tekst tussen de alinea’s of de zinnen aanduiden, noem je signaalwoorden.
ex e
m
Voorbeelden van die woorden in een chronologische structuur: eerst, daarna, vervolgens, dan, nu, later, nadien, toen, eerst, ten slotte, terwijl, vroeger, in 1682, de 15de eeuw, 7 jaar later, twee maanden eerder, voor, voordat, tot, terwijl, zolang, sinds, in het begin, intussen, een jaar later, op 25 december … Die woorden geven een chronologisch verband aan.
• Vergelijkend tekstverband
wat
jk
In een tekst met een vergelijkend tekstverband brengt de schrijver over een bepaald onderwerp gelijkenissen en verschillen aan. Bv. Kon ik maar voetballen zoals die getalenteerde speler. Rugby is in vergelijking met voetbal een veel ruwere balsport.
ki
Signaalwoorden: zoals, evenals, als, alsof, of, gelijk (schrijftaal), dan, evenzeer, evenzo, eveneens, idem, dat komt overeen met, dat lijkt op, dat is te vergelijken met, in vergelijking daarmee, op dezelfde wijze is, een vergelijkbare situatie is, dat is in overeenstemming met, een gelijksoortig geval doet zich voor bij, de overeenkomsten zijn opmerkelijk
In
• Tegenstelling of verschil
Tegenstelling of verschil Als je wilt zeggen dat twee dingen verschillend zijn, kun je dat doen met een tegenstelling of verschil. In een tekst staan dikwijls tegenstellingen of verschillen. Je kunt dat zien aan deze signaalwoorden: maar, toch, hoewel, ondanks, echter, niet, in tegenstelling tot en het tegenovergestelde.
80
TRAJECTWIJZER
wat
Oorzaak-gevolg of reden-gevolg
wat
In een tekst kun je aangeven dat er iets gebeurt (gevolg) en waardoor dat gebeurt of waarom dat gebeurt (oorzaak of reden).
aa
Bv. Het is al weken aan het regenen. Daardoor is de rivier buiten haar oevers getreden. Oorzaak: Het is al weken aan het regenen. Gevolg: De rivier is buiten haar oevers getreden. g Aan het woord ‘daardoor’ kun je zien dat het om een oorzaak en gevolg gaat.
r
In een tekst staan dikwijls zinnen met een oorzaak/reden en gevolg. Je kunt dat zien aan deze signaalwoorden: omdat, doordat, door, want, daarom, hierdoor, daardoor, namelijk en zodat.
Zakelijke tekst
m
Opbouw van en verbanden in een tekst
pl
Bv. Sien is dolgelukkig, omdat ze voor de Blind Auditions geselecteerd is. Reden: Ze is voor de Blind Auditions geselecteerd. Gevolg: Sien is dolgelukkig. g Aan het woord ‘omdat’ kun je zien dat het om een reden en gevolg gaat.
wat
ex e
Een zakelijke tekst heeft een vaste opbouw.
Die bestaat uit een inleiding met het hoofdonderwerp of centrale thema. In de volgende alinea’s (het midden) wordt dat hoofdonderwerp uitgewerkt. De alinea's zijn met elkaar verbonden door signaalwoorden. Die signaalwoorden verraden dikwijls de structuur van een tekst. Ze duiden bijvoorbeeld een logische volgorde of oorzaken en gevolgen aan.
ki
jk
In de laatste alinea, die je het slot noemt, wordt meestal het hoofdonderwerp herhaald of je leest er een besluit of een goede raad.
wat
Opbouw van een tekst
In
1 Een tekst wordt dikwijls in een chronologische volgorde geschreven. Dat wil zeggen dat de tekst opgebouwd is volgens de tijd. Tijdsaanduidingen zoals een datum, woorden als morgen, vorige week … en woorden als ten eerste, vervolgens, daarna, ten slotte … duiden die volgorde aan. 2 Een tekst wordt ook structureel geordend: titels, tussentitels … 3 Zakelijke teksten zijn meestal opgebouwd met een inleiding, een midden en een slot. De inleiding trekt de aandacht van de lezer en vertelt kort waarover de tekst handelt. In het midden volgt de verdere uitwerking. Daarin vind je de boodschap van de tekst. Het slot dient om de tekst gepast af te ronden. Soms wordt de belangrijkste informatie kort herhaald; dikwijls bevat die slotzin een conclusie.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
81
Tekststructuren herkennen
wat
Om de tekststructuur in een tekst te herkennen lees je eerst de inleiding aandachtig. Soms wordt daar al prijsgegeven rond welke structuur de tekst werd opgebouwd.
aa
r
Als de tekst geen inleiding heeft of als de inleiding geen info over de structuur biedt, ga je op zoek naar signaalwoorden in de tekst. Op basis van die signaalwoorden kun je de tekststructuur bepalen.
Verschillende tekststructuren
wat
Er zijn verschillende tekststructuren.
pl
Een tekst is dikwijls opgebouwd volgens een bepaalde structuur. Het ontdekken van die structuur kan je helpen om de tekst te begrijpen en een schematische voorstelling van de tekst te maken.
m
• opsommende structuur De schrijver van de tekst wil een aantal zaken oplijsten en er uitleg bij geven. De schematische voorstelling van de tekst ziet er dan uit als een lijstje. Je somt de sleutelwoorden (of hoofdpunten) op en je laat de uitleg weg. Mogelijke sleutelwoorden: ten eerste, ten tweede, ook, en, ten slotte …
ex e
• chronologische structuur De schrijver wil iets vertellen in volgorde van tijd. Wat eerst gebeurde, vertelt hij eerst. Wat later gebeurde, komt ook later in de tekst voor. Mogelijke signaalwoorden: eerst, daarna, vervolgens, dan, ten slotte … • vergelijkende structuur De schrijver wil in zijn tekst twee of meer zaken met elkaar vergelijken. Mogelijke signaalwoorden: in vergelijking met, vergeleken met, zoals, net als …
jk
• oorzaak-gevolgstructuur De schrijver wil met zijn tekst uitleggen hoe iets komt (oorzaak) en waartoe iets leidt (gevolg). Mogelijke signaalwoorden: daardoor, waardoor, als gevolg …
ki
• beschrijvende structuur De schrijver wil met zijn tekst iets of iemand beschrijven. Hij geeft een antwoord op de w-vragen. Bij die structuur horen geen specifieke signaalwoorden.
In
Een tekst bevat niet altijd één duidelijke structuur. Soms wordt een tekst in zijn geheel opgebouwd rond een bepaalde structuur, maar vind je in de afzonderlijke alinea’s nog andere structuren terug.
82
TRAJECTWIJZER
Zoek de juiste volgorde in een tekst. Soms is de volgorde in een tekst zoek of moet je een eigen tekst opnieuw of anders opbouwen. Hoe pak je dat het beste aan?
hoe OVUR Lees de tekst oriënterend en globaal. Waarover gaat de tekst? Wat is volgens jou de titel van de tekst? Wat verwacht je te lezen?
r
• • •
•
pl
•
Lees elke alinea intensief, duid de sleutelwoorden en kernzinnen aan. Bedenk welke alinea de tekst zou kunnen inleiden. Welke alinea geeft aan waarover de tekst zal gaan en vertelt de hoofdzaken? Welke alinea zou de tekst kunnen afsluiten? Die verwijst naar de inleiding, de titel, het hoofdonderwerp of zorgt voor een besluit. Die alinea rondt het geheel af. Welke alinea’s vormen het midden? Let op de signaalwoorden, ze duiden dikwijls de volgorde aan door een verband aan te geven: een chronologisch verband (Wat komt er eerst in de tijd?), een oorzaak-gevolgverband, een opsommend verband of een vergelijkend verband.
m
• •
aa
OVUR Zoek de juiste volgorde van de alinea’s.
OVUR Maak de juiste volgorde zichtbaar.
Schrijf de titel en tussentitels bij de tekst en nummer eerst de alinea’s. Markeer in de alinea’s de signaalwoorden die een vergelijkend verband aangeven. Zet de alinea’s in de juiste volgorde.
ex e
• • •
OVUR Even checken!
Lees de tekst hardop in de juiste volgorde en ga na of er een logisch verband ontstaat. Zo niet, pas de tekst opnieuw aan.
Zoek de gepaste tekst!
In
ki
jk
•
3 taal, taalgebRuIk en taalsysteem
83
1 De instructie
wat
r
Een goede instructie: • begeleidt de luisteraar of lezer door alle stappen van de taak die hij wil uitvoeren; • moedigt hem aan om een handeling of taak zorgvuldig uit te voeren; • legt duidelijk uit waarom hij een bepaalde handeling zo moet uitvoeren en niet anders; • bevat enkel belangrijke/nodige informatie.
Een instructie geven
aa
hoe
Bouw een instructie op rond verschillende delen: een inleiding, de benodigdheden, een stappenlijst en soms een tip. Gebruik de imperatief. Maak bevelende zinnen.
Een goede instructie schrijven
m
pl
Illustraties maken je instructie niet alleen aantrekkelijk voor de gebruiker, ze zorgen er ook voor dat hij de informatie sneller kan verwerken.
hoe
ex e
Wil je als schrijver je lezer ertoe aanzetten om jouw instructie uit te voeren? • Zoek een passende titel. • Som alle benodigdheden op. • Zet de stappen in de juiste volgorde. • Voeg signaalwoorden toe in je zinnen om de juiste volgorde duidelijker aan te geven.
jk
De taal in de instructie
hoe
Als je als schrijver je lezer ertoe wilt aanzetten om jouw instructie nauwkeurig uit te voeren, gebruik je bevelende zinnen. Daarin gebruik je dikwijls de imperatief.
ki
Breng afwisseling in de woordkeuze en vervang de loperwerkwoorden ‘doen’ en ‘maken’ door tekenende, betekenisvolle werkwoorden.
In
Signaalwoorden in een instructie
hoe
Om de zinnen vloeiend met elkaar te verbinden gebruik je signaalwoorden. Die woorden geven het signaal dat er bv. iets opgesomd wordt. Eerst, daarna, vervolgens, als volgende stap, aansluitend, ten slotte … zijn voorbeelden van signaalwoorden die aangeven dat er verschillende stappen na elkaar komen of opgesomd worden. In een instructie geven die signaalwoorden duidelijk aan in welke volgorde de stappen komen.
84
TRAJECTWIJZER
2 Het pictogram
wat
r
Een pictogram is een eenvoudige en makkelijk te herkennen afbeelding die de plaats van tekst inneemt. Het is een vorm van beeldtaal die iedereen begrijpt, welke taal je ook spreekt (universeel taalgebruik). Je hebt heel weinig tijd nodig om deze snel herkenbare beelden te lezen of te begrijpen. Daardoor worden ze op veel plaatsen en in veel situaties gebruikt.
aa
3 De mindmap
wat
Een mindmap maken
m
pl
Een mindmap is een gestructureerde voorstelling van een aantal gegevens. Op een tekening die er als een kaart (map) uitziet, worden gedachten (mind) over een onderwerp voorgesteld. Vanuit een kernidee vertrekken verschillende pijlen. Vandaaruit vertrekken weer nieuwe ideeën, zodat het geheel er als een boomstructuur uitziet.
hoe
In
ki
jk
ex e
• Start met je mindmap in het midden en werk naar buiten toe. • Handig is ook om je blad papier horizontaal te leggen. Dat biedt een goed overzicht. • Gebruik kleuren. Elk onderwerp kan een andere kleur krijgen. Zo onderscheid je de hoofdtakken nog duidelijker van elkaar. • Werk niet met volzinnen, maar gebruik pijlen die woordgroepen met elkaar verbinden of verbanden aanduiden. • Gebruik signaalwoorden, beelden of symbolen die voor jou handig zijn om nadien informatie uit je geheugen op te roepen.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
85
4 Het telefoongesprek Hoe telefoneer je op een correcte manier? als je opgebeld wordt
als je zelf belt Je krijgt de persoon aan de lijn. Stel jezelf altijd voor. Vraag eventueel met wie je spreekt als je dat niet weet.
Eindig met een passende slotzin. ‘Tot ziens.’ ‘Graag gedaan.’
r
Vertel je boodschap of stel je vraag. Als je verkeerd verbonden bent, excuseer je dan. ‘Excuseer, meneer/mevrouw, ik heb me waarschijnlijk vergist.’ ‘Neemt u mij niet kwalijk, ik ben verkeerd verbonden.’
Eindig met een passende slotzin en leg als eerste de hoorn neer. ‘Dank u voor de informatie. Tot een volgende keer.’
ex e
5 Het verslag
‘Met Vergauwe.’ ‘Spreek ik met …?’ ‘Met Eloise Vergauwe.’ ‘Kan ik … even spreken, alstublieft?’ ‘Goeiemorgen (…), met Robbe Stoffels.’ ‘Kunt u me verbinden met …, alstublieft?’
m
Als degene naar wie gevraagd wordt er niet is, kun je drie dingen doen: – Verbind door. ‘Blijf even aan de lijn, ik verbind u door.’ – Vraag of jij de boodschap kunt aannemen. ‘Nee, hij/zij is er niet. Kan ik een boodschap aannemen? Ik noteer … Dank u. Ik herhaal even wat ik noteerde.’ – Vraag of hij/zij kan terugbellen. ‘Nee, hij/zij is er niet. Kunt u straks (…) eens terugbellen?’
Wens je iemand anders te spreken, vraag dan naar hem/haar.
aa
‘Hallo’ gebruik je alleen als je geen goede ontvangst hebt en wilt weten of de ander jou nog hoort.
pl
Neem op en stel je vriendelijk voor. ‘Met Lucas Vandamme.’ ‘Goeiemorgen (…), met Bouchra Ammar.’
wat
Een verslag is een stukje tekst dat een gebeurtenis op een correcte en objectieve manier weergeeft. Bijvoorbeeld een concert, een optreden, een wedstrijd, een ongeval, het bezoek van een belangrijk persoon.
jk
Een verslaggever of correspondent brengt dikwijls vanaf de plaats van de gebeurtenis verslag uit.
wat
ki
Boekverslag Een recensie geeft een beoordeling van een boek, film, toneelstuk, game, maar bijvoorbeeld ook van een toestel. Naast enkele objectieve elementen geeft de zender ook zijn eigen mening. Een boekverslag is een voorbeeld van een opiniërende tekst.
In
Sfeerverslag Bij een optreden, een festival of een grote sportgebeurtenis heerst een bepaalde sfeer. De zender beschrijft die sfeer in zijn verslag. Naast een aantal objectieve elementen komen er ook meningen in voor. Een sfeerverslag is een mengvorm van een informatieve en opiniërende tekst. Nieuwsverslag Zo’n verslag vind je onder andere in de krant. Ook op een nieuwssite komen zulke korte of uitgebreidere verslagen voor; daar wordt het nieuws heel snel geüpdatet. Een nieuwsverslag is een voorbeeld van een informatieve tekst.
6 Meer teksten De e-mail, de brief, het debat of de discussie … Meer teksten vind je bij de taalvaardigheden.
86
TRAJECTWIJZER
E Betekenissen Betekenis ontstaat door de woorden zelf, maar dikwijls ook door de manier waarop iemand die woorden gebruikt of door de tekst waarin ze voorkomen. Hoe geef je als lezer of luisteraar zelf betekenis aan de taal die je leest of hoort? Het is interessant om daar even bij stil te staan. Is dat ook de betekenis die de schrijver of spreker bedoelde? Waardoor ontstaan er soms verschillen tussen de bedoeling en de interpretatie? Waarin zitten de nuances? Homoniem
aa
‘Recht’ en ‘verband’ hebben minstens twee verschillende betekenissen. Andere voorbeelden: licht, kan, haar, arm, gerecht …
r
wat
pl
Homoniemen zijn woorden die er hetzelfde uitzien of op dezelfde manier worden uitgesproken, maar verschillen in betekenis.
m
Woordrelaties
wat
ex e
Synoniemen zijn woorden met ongeveer dezelfde betekenis. Bv. Mag ik jou mijn felicitaties overbrengen? Zeker, jouw gelukwensen doen me veel plezier! uitzicht = panorama meteorologie = weerkunde grafsteen = tombe
jk
Antoniemen zijn woorden met een tegengestelde betekenis. Bv. Mijn ouders houden van een klassiek interieur, maar ik verkies een modern interieur. spontaan n berekend meedogenloos n hartelijk symmetrisch n asymmetrisch
Woordleerstrategieën
In
ki
Om de betekenissen van woorden te achterhalen kun je verschillende strategieën inzetten. Meer uitleg over die woordleerstrategieën vind je bij 1 Communicatie en strategieën op p. 7.
3 Taal, taalgebruik en taalsysteem
87
4 Spelling en interpunctie
hoe
Je geeft altijd aandacht aan je spelling. Je schrijft een hoofdletter aan het begin van de zin. Je schrijft een leesteken op het einde van de zin. Je gebruikt een spellingchecker om schrijffouten op te sporen. Je kijkt de werkwoorden extra na. Je leest je tekst hardop: misschien ontdek je nog slechte zinnen of spelfouten.
jk
• • • • • •
m
aandaCht VooR spellIng
ex e
4.1
pl
aa
r
Hoe schenk je voldoende aandacht aan spelling?
hoe
In
ki
Twijfel je aan de juiste schrijfwijze van een woord? • Raadpleeg een woordenboek of zoek online op http://woordenlijst.org. • Zoek de spelregel op in het leerwerkboek of de Trajectwijzer. • Werk op de juiste manier met de spellingchecker. • Onthoud woorden die een welbepaalde spelregel volgen.
Gebruik de spellingchecker van Word Hoe je met de spellingchecker werkt, ontdek je in het instructiefilmpje op diddit bij het lesmateriaal van Traject Nederlands. Ga aan de slag met de suggesties: g rood onderstreept: spellingfout g groen onderstreept: fout tegen de ‘grammatica’
88
TRAJECTWIJZER
Soms helpen de suggesties van de spellingchecker niet, bv. bij fout aaneenschrijven, als de eerste of laatste letters niet juist zijn … • Wanneer je een tekst wilt typen in een Worddocument is het handig om de spellingcontrole of spellingchecker aan te zetten. • Telkens wanneer je een fout typt, wordt die met een rood kronkellijntje onderstreept. • Je kunt ook kiezen voor ‘controleren’ en daarna ‘spelling- en grammaticacontrole’ aanklikken. Je tekst wordt dan gecontroleerd en jij kunt je fouten verbeteren.
r
Let op: de spellingchecker geeft niet alle fouten aan. Het is dus belangrijk om ook zelf goed op je spelling te letten en je tekst goed na te lezen.
aa
Denk na over de spelling
De tegenwoordige tijd
m
Werkwoorden spellen
pl
Spelling bekijken kan bijvoorbeeld met dit ezelsbruggetje: hole@dokola.dt. ho = hoofdletters toevoegen, horen hoe je het woord schrijft le = leestekens nakijken, nalezen wat je geschreven hebt do = doffe klanken opzoeken ko = na korte klanken verdubbelen la = lange klanken enkel dt = werkwoorden checken
wat
ex e
De tegenwoordige tijd is in de meeste talen de meest gebruikte werkwoordstijd. Zinnen in de tegenwoordige tijd (tt) beschrijven iets wat nu of in de toekomst gebeurt.
jk
De tegenwoordige tijd drukt een situatie uit die – op het moment van spreken aan de gang is; – in de (heel) nabije toekomst plaatsvindt; – in het verleden begonnen is en tot nu voortduurt; – op het moment van spreken afgerond is. Bv. Ik werk in de supermarkt. Jij fietst straks naar school. De kleuters luisteren al tien minuten aandachtig naar het verhaal. Ze scoren nog net voor het eindsignaal!
In
ki
De overeenkomst of congruentie tussen het onderwerp en de persoonsvorm in een zin is hierbij belangrijk: ze komen overeen in persoon en getal.
4 Spelling en interpunctie
89
Hoe spel je de persoonsvorm? Je vervoegt het werkwoord door te vertrekken van wat je hoort. Gebruik daarvoor dit schema:
wat
Enkelvoud en meervoud worden het getal genoemd. Je vervoegt het werkwoord door te vertrekken van wat je hoort. Daarvoor kun je volgend werkwoordschema gebruiken:
r
Is het een pv?
nee
aa
ja Zoek het onderwerp en de pv. onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) 2e persoon enkelvoud
3e persoon enkelvoud
1e/2e/3e persoon meervoud
ik
jij/je/u
hij/zij/ het …
wij/jullie/ zij …
STAM
STAM + t
STAM + t
STAM + en
geen klankverandering
klankverandering
STAM + de(n)
Schrijf wat je hoort.
STAM + te(n)
Let op! Hoor je d/t achteraan? Luister naar de wij-vorm.
m
MAAR … jij/je na pv: STAM
onvoltooid verleden tijd (ovt)
Schrijf wat je hoort.
Bv. de vergrote foto, de verbrande vinger, gelopen, de uitgeputte jongen …
pl
1e persoon enkelvoud
Hoor je d/t achteraan? Verleng. OF Luister naar de laatste klank voor de -en van de infinitief (kijkletter).
Twijfel je? Denk aan het werkwoord spelen of werken. Daar hoor je wat je moet schrijven. jij speelt speel jij
hij speelt
jij werkt werk jij
zij werkt
wij spelen
ik speelde
ex e
ik speel
ik werk
jullie werken
zij werkten
PERSOONSVORM
jk
ONDERWERP
kijkletter = letter van 't kofschip t andere letter d Bv. gewerkt, gespeeld
ki
Of je redeneert op deze manier:
wat
ENKELVOUD
Ik fluister
je/jij = stam + t Als het onderwerp achter de persoonsvorm staat, dan schrijf je de stam.
Je/jij fluistert MAAR fluister jij
hij, zij (enk), het = stam + t
Hij fluistert / zij fluistert / het kind fluistert
In
ik = stam
MEERVOUD
90
wij = stam + en (infinitief)
Wij fluisteren
jullie = stam + en (infinitief)
Jullie fluisteren
zij (mv) = stam + en (infinitief)
Zij fluisteren
TRAJECTWIJZER
De verleden tijd
wat
Iets wat in het verleden gebeurde, staat in de verleden tijd. Je kunt aan een zin in de verleden tijd bijvoorbeeld het woord ‘gisteren’ of ‘toen’ toevoegen. Iets wat vandaag of in het heden gebeurt, staat in de tegenwoordige tijd. Aan die zin kun je bijvoorbeeld het woord ‘nu’ toevoegen.
r
1 De verleden tijd heeft dezelfde klank als in de infinitief. STAM + DE(N) of STAM + TE(N)
ik/jij/hij/u antwoordde, voorspelde, duidde aan, raadde wij/jullie/zij antwoordden, voorspelden
Voor wie toch een regel wil: Je gebruikt de uitgang ‘-te’ als de stam eindigt op een medeklinker (kijkletter) van ’t kofschip of ’t fokschaap. In alle andere gevallen gebruik je de uitgang ‘-de’.
m
hij wachtte, werkte, kefte, kuste, juichte, hoopte
aa
wij/jullie/zij wachtten, wasten, hoopten
Er zijn maar twee verschillende uitgangen: de enkelvoudsuitgang en de meervoudsuitgang. Meestal is er geen probleem bij de keuze van ‘-te’ of ‘-de’. Niemand zegt bv. ‘ik werkde’ of ‘ik opente’. Je hoort dat het ‘werkte’ en ‘opende’ moet zijn.
pl
ik /jij/hij/u wachtte, waste, stichtte, hoopte
ex e
hij opende, speelde, wandelde, groeide hij beleefde, verhuisde
Let op bij werkwoorden zoals beleven/ verhuizen.
jk
De stam is beleev/verhuiz (v en z zijn hier de kijkletter). Dus krijgen ze volgens de regel de uitgang ‘-de’ in de verleden tijd ondanks het feit dat je hier ‘f’ en ’s’ schrijft (letters van ‘t kofschip).
2 De verleden tijd heeft een andere klank dan in de infinitief.
ki
Veel werkwoorden hebben in de verleden tijd een andere klank dan in de infinitief. Bv. vergeten – vergat, kijken – keek, lezen – las
In
ik/jij/hij/u keek, liep, las, at, nam, bad, bood, bond … wij/jullie/zij keken, liepen, lazen, aten, namen, baden, boden, bonden …
4 Spelling en interpunctie
Er worden voor de hele vervoeging in de verleden tijd maar twee verschillende vormen gebruikt: de enkelvoudsvorm en de meervoudsvorm.
91
De toekomende tijd
wat
Wat in de toekomst gebeurt, kun je met een tijdsaanduiding in de toekomst aangeven of je gebruikt de toekomende tijd. Die tijd herken je aan het werkwoord ‘zullen’. Dat werkwoord kan op verschillende manieren vervoegd worden.
aa
r
Bv. Volgende week vertrekt ze naar zee. (‘volgende week’ = tijdsaanduiding in de toekomst) Ik zal het morgen aan mijn ouders vragen. Zou hij het morgen nog wel weten?
Het voltooid deelwoord
wat
De werkwoordsvormen gewerkt, geopend, gespeeld, gelezen zijn geen persoonsvormen.
pl
Die andere vorm van het werkwoord is het voltooid deelwoord (vd). In een zin met een voltooid deelwoord staat meestal ook een persoonsvorm. Die pv helpt het voltooid deelwoord. Daarom wordt die persoonsvorm ook het hulpwerkwoord genoemd.
m
Een voltooid deelwoord herken je hieraan: • het eindigt op -t of -d, onregelmatige vormen dikwijls op -en of -n; • het begint dikwijls met ge-, behalve als het werkwoord al begint met be-, her-, ont-, ver- …
ex e
De vorming van het voltooid deelwoord: • het voltooid deelwoord eindigt op -d of -t (bv. gewerkt, geopend): schrijf de uitgang -d of -t en luister daarvoor naar de verleden tijd (werkte - opende); • het voltooid deelwoord eindigt op -en/-n (bv. gevonden, gelezen, gebakken, gegaan): je kent de vervoeging of zoekt die op in een woordenboek of woordenlijst.
In
ki
jk
In een zin waarin je een hulpwerkwoord en een voltooid deelwoord terugvindt, wordt de voltooide tijd gebruikt.
92
TRAJECTWIJZER
Sommige werkwoorden hebben moeilijke of onregelmatige vormen. voltooid deelwoord
gelastte af
afgelast
bederven
bedierf
bedorven
blazen
blies
geblazen
brouwen
brouwde
gebrouwen
dragen
droeg
gedragen
druipen
droop
gedropen
ervaren
ervoer
ervaren
eten
at
gegeten
graven
groef
hangen
hing
heffen
hief
helpen
hielp
hijsen
hees
jagen
joeg/jaagde
klagen
kloeg/klaagde
krimpen
kromp
kunnen
kon, konden
gekund
lachen
lachte
gelachen
meten
mat
gemeten
pluizen (pluisjes afgeven)
pluisde
gepluisd
aa
afgelasten
gegraven
gehangen geheven
geholpen
pl
gehesen gejaagd
geklaagd
m
gekrompen
pluizen (uitrafelen)
ploos
geplozen
prijzen (prijskaartje)
prijsde
geprijsd
prijzen (loven)
prees
geprezen
rekte
gerekt
reed
gereden
rook
geroken
schold
gescholden
schond
geschonden
schenken
schonk
geschonken
scheppen (zand)
schepte
geschept
scheppen (maken)
schiep
geschapen
scheren (rakelings langs gaan)
scheerde
gescheerd
scheren
schoor
geschoren
schrikken
schrok
geschrokken
slaan
sloeg
geslagen
slagen
slaagde
geslaagd
spijten
speet
gespeten
steken
stak, staken
gestoken
stelen
stal, stalen
gestolen
stofzuigen
stofzuigde
gestofzuigd
treffen
trof
getroffen
uitpluizen
ploos uit
uitgeplozen
vangen
ving
gevangen
varen (schip)
voer
gevaren
rekken rijden ruiken schelden
In
ki
jk
schenden
4 Spelling en interpunctie
r
verleden tijd
ex e
infinitief
93
verleden tijd
voltooid deelwoord
verborg
verborgen
verliezen
verloor
verloren
vernissen
verniste
gevernist
verrekken
verrekte
verrekt
verstuiken
verstuikte
verstuikt
vliegen
vloog
gevlogen
vouwen
vouwde
gevouwen
vriezen
vroor
gevroren
waaien
waaide/woei
gewaaid
willen
wilde/wou
wreken
wreekte
zeggen
zei/zegde
zuigen
zoog
zweefvliegen
zweefvliegde
zwellen
zwol
zwemmen
zwom
zweren (etteren)
zweerde/zwoor
zweren (plechtig beloven)
zwoer
zwerven
zwierf
aa
verbergen
r
infinitief
gewild
gewroken gezegd
gezogen
pl
gezweefvliegd gezwollen
gezwommen gezworen
ex e
m
gezworen
gezworven
tip
In de verleden tijd en bij een voltooid deelwoord kun je NOOIT ‘dt’ hebben!
De imperatief
wat
jk
In een bevelende zin staat geen onderwerp. Het werkwoord is dan geen persoonsvorm, maar een imperatief. Die schrijf je zoals de stam. Bv. Spreek met twee woorden! Antwoord als ik iets vraag!
ki
De imperatief van het werkwoord ‘zijn’ is wees. Bv. Wees maar niet bang.
In
Soms staat er wel een onderwerp in een bevelende zin. Het werkwoord is dan een persoonsvorm. Die schrijf je zoals in de tegenwoordige tijd. Bv. Komt u maar binnen, mevrouw. Rijdt u maar naar binnen, meneer. Opgepast bij wederkerende werkwoorden! Bv. Verbrand u niet, mevrouw. (u is geen onderwerp) Verbrandt u zich niet, mevrouw. (u is wel onderwerp)
94
TRAJECTWIJZER
De gepaste tijd kiezen
hoe
Hoe weet je dat de zinnen zich in die bepaalde tijd afspelen? De persoonsvorm (pv) geeft de tijd weer voor ‘nu’ en ‘toen’. Het werkwoord zullen (de pv) en de infinitief geven ‘straks’ weer. Hoe noem je die tijden?
r
verleden tijd – tegenwoordige tijd – toekomende tijd
Je voegt een bepaling in de zin toe. Bv. nu, toen, straks, gisteren, vandaag, morgen, volgende week …
aa
Hoe kun je de tijd op een andere manier in een zin/boodschap weergeven?
pl
tip
m
Je kunt ook de tegenwoordige tijd gebruiken om een handeling in de toekomst uit te drukken. Bv. Morgen kom ik wel even langs.
ex e
Om de toekomende tijd uit te drukken kun je ook het werkwoord gaan gebruiken. Bv. Ik ga een stukje fietsen. Het gaat regenen.
wat
De onvoltooide tijd geeft aan dat wat door het nwg of wwg uitgedrukt wordt nog aan de gang is, dus nog niet voltooid is. Het is van onbeperkte duur, een gewoonte. Bv. Onze buur bouwt een nieuw kippenhok. (= hij is het nu nog aan het bouwen) Hij vertrouwt niemand.
jk
De voltooide tijd duidt aan dat wat door het nwg of wwg uitgedrukt wordt al af of gedaan is, dus voltooid. Bv. Onze buur heeft een nieuw kippenhok gebouwd.
In
ki
In het Nederlands spreek je over: • de onvoltooid tegenwoordige tijd • de onvoltooid verleden tijd • de onvoltooid toekomende tijd • de onvoltooid verleden toekomende tijd • de voltooid tegenwoordige tijd • de voltooid verleden tijd • de voltooid toekomende tijd • de voltooid verleden toekomende tijd
ott ovt otkt ovtkt vtt vvt vtkt vvtkt
Ik drink. Ik dronk. Ik zal drinken. Ik zou drinken. Ik heb gedronken. Ik had gedronken. Ik zal gedronken hebben. Ik zou gedronken hebben.
In een verhaal gebruikt de schrijver of verteller vooral een onvoltooide tijd. Over de ovtkt, vtkt en vvtkt leer je meer in de volgende leerjaren.
4 spellIng en InteRpunCtIe
95
Werkwoorden die uit het Engels ontleend zijn
hoe
Werkwoorden die uit het Engels ontleend zijn, volgen dezelfde regels als de regelmatige werkwoorden. Voor de pv in de tegenwoordige tijd gebruik je stam + uitgang. Voor de pv in de verleden tijd gebruik je ’t kofschip. Voor het vd gebruik je ge + stam + d/t.
m
pl
aa
r
Let op • De stam vind je door het Engelse werkwoord te nemen en to weg te laten. • Als de stam op een klinker eindigt, is de uitgang -de(n) voor de verleden tijd en -d voor het voltooid deelwoord. Bv. shampooën (to shampoo) stam: shampoo verleden tijd: shampoode vd: geshampood • Soms is de Engelse afkomst nog wel herkenbaar, maar is de uitspraak vernederlandst. Dan volgt het werkwoord volledig de Nederlandse spelling. Bv. googelen (to google) stam: googel verleden tijd: googelde vd: gegoogeld Bv. scoren (to score) stam: scoor (dubbele oo, niet ‘score’) verleden tijd: scoorde vd: gescoord
ex e
Verdubbelen, verenkelen of gewoon schrijven
hoe
Zo moet je verdubbelen (bv. vissen). Hak het woord in klankgroepen. Klankgroep = wat je hoort als je een woord in stukjes zegt. Bv. m(o)/der – p(o)/ten
jk
Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een korte klank? Schrijf dan één klinker en twee medeklinkers. Bv. modder
ki
Dus: Ik luister naar het einde van de klankgroep. g Ik hoor een korte klank. g Ik schrijf één klinker en twee medeklinkers. Bv. potten
Zo moet je verenkelen (bv. apen). Hak het woord in klankgroepen.
In
Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een lange klank? Schrijf dan één klinker en één medeklinker. Bv. dr(oo)/men g dromen
Dus: Ik luister naar het einde van de klankgroep. g Ik hoor een lange klank. g Ik schrijf één klinker en één medeklinker. Bv. p(oo)/ten g poten
96
TRAJECTWIJZER
Zo schrijf je gewoon. Hak het woord in klankgroepen. Pas de regel toe op de laatste klank van elke klankgroep. Hoor je op het einde van de klankgroep een andere klank? Schrijf het woord dan gewoon. Bv. blijven
r
Dus: Ik luister naar het einde van de klankgroep. g Ik hoor een andere klank. g Ik schrijf gewoon. Bv. flinke boetes
aa
Moeilijke gevallen dubbele ee op het einde van een woord
goochelen, loochenen
dubbele oo voor een ch
sluw, schaduw
enkele u voor een w in gesloten lettergreep
slaatje, parapluutje
dubbele klinker in verkleinwoorden van woorden die eindigen op een ongedekte klinker
Je schrijft een hoofdletter:
m
Hoofdletters
pl
fee, zeepaard, meenemen
wat
ex e
• bij het eerste volledige woord van een zin: Bv. In Peking Express liften acht koppels door Aziatische landen. Acht koppels liften door Azië. ’s Morgens vertrekken de duo’s al heel vroeg.
jk
• bij eigennamen: – namen van personen Bv. Ella Leyers, Min Hee Bervoets – aardrijkskundige namen en hun samenstellingen en afleidingen, talen en dialecten Bv. Azië, Laos, Aziatische, Chinees – namen van zaken: bedrijven, kranten, tijdschriften, gebouwen, feesten … Bv. Peking Express, Unesco, Angkor Wat
ki
• uit respect: officiële aanspreektitels, namen van God, heiligen … Bv. Zijne Majesteit de Koning, God
In
Je schrijft geen hoofdletter: • als iets anders dan de plaatsnaam wordt bedoeld Bv. moezelwijn, een bordeaux • bij windstreken Bv. noorden, zuiden • bij samenstellingen en afleidingen van feesten Bv. kerstvakantie, paasnacht • bij tijdsaanduidingen Bv. oktober, ijstijd • bij historische perioden en/of kunststijlen Bv. middeleeuwen, postmodernisme • bij officiële aansprekingen als de eigennaam achter de titel komt of als een functie wordt bedoeld. Bv. koningin Paola, de premier
4 Spelling en interpunctie
97
4.2
Interpunctie Leestekens op het einde van de zin
wat
r
Je gebruikt een leesteken om de lezer bij het lezen te ondersteunen, te laten zien waar hij bijvoorbeeld beter pauzeert, om de bedoeling van de zin te verduidelijken: iets meedelen, iets vragen, iets bevelen of uitroepen.
Na een mededelende zin komt een punt (.). Bv. Peking Express is een avonturenprogramma. Na een vraag komt een vraagteken (?). Bv. Is Peking Express een avonturenprogramma?
Leestekens binnen de zin
m
pl
Na een uitroep of een bevel komt een uitroepteken (!). Bv. Beleef mee het avontuur van Peking Express!
aa
Elke zin eindigt met een leesteken.
wat
ex e
Je gebruikt ook leestekens in een zin om de lezer bij het lezen te ondersteunen, om te laten zien waar hij bijvoorbeeld beter pauzeert. Een komma kan, naast een kleine pauze, ook de structuur van de zin verduidelijken. Een dubbelpunt of dubbele punt geeft aan dat er nog iets volgt. Een puntkomma of kommapunt houdt het midden tussen een punt en een komma en combineert twee zinnen tot één langere zin. Er is een nauwe band tussen beide. Na een puntkomma schrijf je geen hoofdletter.
In
ki
jk
Aanhalingstekens geven aan dat een uitspraak, een zin, een citaat … letterlijk weergegeven wordt.
98
TRAJECTWIJZER
1 De komma duidt een kleine pauze aan en verduidelijkt de structuur van de zin. voorbeelden
Waarom?
Je had dat niet moeten doen, maar nu is het te laat.
na een korte pauze
In die zak zitten appelen, peren, citroenen, sinaasappelen en tussen de delen van een opsomming (behalve voor kiwi’s. en/of ) tussen bijvoeglijke naamwoorden bij hetzelfde zelfstandig naamwoord
Rocco, de zoon van de buren, speelt voetbal.
voor en achter een verduidelijking, een tweede naam
Terwijl ik telefoneerde, ging de deurbel.
tussen twee persoonsvormen in een samengestelde zin
Je kijkt zo triestig, Lucy. Lucy, waarom kijk je zo triestig? Zeg, Lucy, ben je zo ontgoocheld?
voor of/en achter een aanspreking
Bah, dat lust ik niet! We hebben gewonnen, hoera!
voor of/en achter een tussenwerpsel
Ze was erg laat, maar ze miste de trein niet.
voor maar en want
Zij is arts, hij werkt op de rechtbank.
tussen zinnen van een samengestelde zin die niet door een voegwoord (zoals en, of …) verbonden worden
m
pl
aa
r
Wil je een rode, blauwe of groene trui? Onze kat had een zachte, zwarte pels. Hij had een grote, zwartharige hond.
2 Het dubbelpunt is een rustteken dat aantoont dat er nog iets volgt. voorbeelden
voor een eindaanhaling
ex e
Ze antwoordt: ‘Ik weet het echt niet.’
Waarom?
voor een spreekwoord
Einstein zei: ‘Logica brengt je van A naar B. Verbeelding brengt je overal.’
voor een citaat
Hij doorkruiste vier landen: Duitsland, Oostenrijk, Italië en Slovenië.
voor een opsomming
We mogen niet meer schaatsen op de vijver: het dooit.
voor een verklaring
jk
Er hing een poster in de klas met het oude spreekwoord: ‘Rust roest.’
ki
3 Een puntkomma of kommapunt houdt het midden tussen een punt en een komma. Het verschil tussen een komma en een puntkomma is meestal ook te horen: voor een komma gaat de zinsmelodie iets omhoog, voor een puntkomma (en vooral voor een punt) iets omlaag.
voorbeelden
Waarom? tussen twee gelijkwaardige zinnen
Voor de vergadering van volgende week moet hij: – zijn collega's uitnodigen; – een vergaderzaal reserveren; – de agenda opmaken.
In puntsgewijze opsommingen als de delen van de opsomming zinsdelen zijn (meestal met een werkwoord erin). Het laatste lid krijgt een punt. Achter de delen in opsommingen als die met een kleine letter beginnen.
In
We hebben een mooie zomer gehad; vooral augustus was heerlijk zonnig. Beginnen jullie maar alvast; door het drukke verkeer ben ik wat later.
4 Spelling en interpunctie
Sluit net als de punt een mededeling af, maar maakt tegelijkertijd duidelijk dat er een directe band is met hetgeen volgt.
99
4 Aanhalingstekens
wat
Als je de woorden die iemand zegt niet letterlijk wilt weergeven of citeren gebruik je geen aanhalingstekens. Bv. J eroen zei dat hij zijn opdracht aardrijkskunde niet heeft afgewerkt. Zopas vertelde mijn zus mij dat ze vanavond met vriendinnen op stap gaat.
r
Als je de woorden die iemand zegt wel letterlijk wilt weergeven of citeren, dan plaats je dat citaat tussen aanhalingstekens. Wat tussen die aanhalingstekens staat, noem je de aanhaling. Er zijn drie soorten aanhaling.
aa
Eindaanhaling De letterlijk weergegeven woorden staan op het einde van de zin, na een dubbelpunt. Het eindleesteken maakt dan deel uit van het citaat. Bv. De winkelbediende zei: ‘Als u nog een tweede artikel koopt, krijgt u korting.’ De dame vroeg: ‘Kunt u mij even een handje helpen?’
m
pl
Beginaanhaling De letterlijk weergegeven woorden staan in het begin van de zin. Een punt achteraan het citaat valt weg en wordt vervangen door een komma, buiten de aanhalingstekens. Een vraagteken of uitroepteken blijft altijd binnen de aanhaling. In dat geval mag de komma na de aanhaling weggelaten worden. Bv. ‘Neem gerust nog een extra taartje’, zei mijn oma. ‘Ben je er nu al?’(,) vroeg mijn tante.
ex e
Onderbroken aanhaling Als de aanhaling opgesplitst wordt, spreken we van een onderbroken aanhaling. Leestekens die tot de letterlijk geciteerde tekst behoren, staan binnen de aanhalingstekens, anders staan ze erbuiten. Bv. ‘Verdorie,’ riep mijn vriend plots, ‘ik ben mijn zwembroek vergeten!’ ‘Jonas gaat naar huis,’ zei de studiemeester, ‘want hij voelt zich erg ziek.’ ‘Zowel vandaag als morgen’, vertelde mijn opa, ‘bouwen we verder aan de boomhut.’
In
ki
jk
Bedoel je iets ironisch? Dan kun je die woorden ook tussen aanhalingstekens plaatsen. Bv. We kregen op het einde van de les nog een ‘cadeautje’! (Je bedoelt: een vervelende taak.) Toen hij dat grapje voor de zevende keer vertelde, vond iedereen het ‘erg leuk’. (Je bedoelt: vervelend.)
100
TRAJECTWIJZER
Afkortingen Als je (snel) notities neemt, gebruik je weleens afkortingen. Je kunt eigen afkortingen gebruiken, maar er zijn ook ‘afgesproken’ afkortingen. Begrijp je de afkortingen? Hoe spel je die op een correcte manier? Soms staat er een punt na de afkorting, soms niet …
wat Een afkorting is een verzamelnaam voor woorden die niet volledig geschreven worden.
r
De juiste schrijfwijze van officiële afkortingen kun je opzoeken in het woordenboek.
naam
verkorte schrijfwijze van woord dat of woordgroep die je vervangt door volledige woorden
symbolen
schrijfwijze
voorbeeld
met punt(en)
p. bv. H.K.H.
(inter)nationaal vastgelegde schrijfwijze voor begrippen
zonder punt(en)
g km EUR
initiaalwoorden
woorden die je als een reeks van letters uitspreekt
zonder punt(en)
hiv btw
letterwoorden
woorden die je als een ‘woord’ uitspreekt
zonder punt(en)
aids vip
zonder punt(en)
info horeca airco
m
ex e
verkortingen
pl
(echte) afkortingen
aa
‘Eigen’ afkortingen kun je gebruiken als je (snel) notities wilt nemen.
woord(groep) waarvan een of meer woorddelen weggelaten worden
jk
Tekens in woorden
wat
Tekens in woorden (woordtekens) helpen je om woorden vlot en correct te lezen en uit te spreken. Er zijn verschillende soorten.
ki
Hulptekens 1 Het koppelteken, bv. vanille-ijs, Brussel-Zuid 2 De apostrof, bv. villa’s, James’ gast 3 Het trema, bv. ideeën, officiële (maar wel officieel)
In
Uitspraakteken 4 Het accent(teken), bv. crème, maîtresse
Afkortingsteken 5 d.w.z. (dat wil zeggen)
4 Spelling en interpunctie
101
Het koppelteken
hoe
Je gebruikt een koppelteken om leesverwarring te voorkomen. 1 Bij leesverwarring door klinkerbotsing Bv. gala-avond, ski-instructeur
aa
3 Bij samenstellingen met cijfers, letters, symbolen of een afkorting Bv. 3-daagse, B-elftal, &-teken, sms-bericht
r
2 Bij samenstellingen met de voorvoegsels niet-, ex-, non-, oud- en bijnaBv. niet-Europees, ex-minister, non-actief, oud-strijder, bijna-ongeval
4 Bij samenstellingen met gelijkwaardige delen Bv. studiemeester-opvoeder, Nederlands-Vlaams
5 Bij Engelse woorden waarvan het tweede deel een voorzetsel is dat met een klinker begint Bv. black-out, hold-up
pl
6 Bij samengestelde aardrijkskundige namen en hun afleidingen Bv. Oost-Vlaanderen, Zuidwest-Vlaams
7 Bij uitgebreide samenstellingen met gelijkwaardige delen of woordcombinatie Bv. zwart-witfoto, staakt-het-vuren
De apostrof
ex e
m
8 Bij weggelaten woorddelen Bv. bus- en vliegreizen, op- en afrit
Je gebruikt een apostrof om het lezen makkelijker te maken. 1 Bij verkleinwoorden van zelfstandige naamwoorden die eindigen op -y Bv. lolly’tje, baby’tje
ki
jk
2 Bij het meervoud (of de bezitsvorm) van zelfstandige naamwoorden die eindigen op een klinker (a, e, i, o, u of y) Bv. cavia’s maar: dames portfolio’s maar: cafés ski’s maar: bureaus Eli’s boek (het boek van Eli) Zorro’s paard (het paard van Zorro)
In
3 Bij bezitsvormen die eindigen op een sisklank Bv. J ames’ microfoon (de microfoon van James) Aziz’ smartphone (de smartphone van Aziz)
4 Bij afleidingen van letterwoorden en cijfers Bv. e en sms’je (een korte sms) een 60+’er (een zestigplusser) 5 Om aan te geven dat er letters zijn weggelaten Bv. ’ s Morgens eet ik graag muesli. (Des morgens) Ik gaf hem m’n sleutel. (mijn)
102
TRAJECTWIJZER
hoe
Het trema
hoe
Het trema gebruik je om leesverwarring te voorkomen. Plaats het trema bij het begin van een nieuwe lettergreep. Bv. smeuïg, naïef
beëindigen
beoefenen
patiënt
dieet
poëzie
paella
diëtist
duet
genieën
geniaal
1 dubbele i Bv. glooiing, verfraaiing
m
2 Latijnse woorden op -eum en -eus Bv. atheneum, Zeus
pl
Je gebruikt geen trema in deze speciale gevallen.
r
geen leesverwarring mogelijk financieel
aa
leesverwarring mogelijk zonder trema financiële
Het accent
ex e
3 Franse woorden op -ien en -ienne Bv. opticien, Parisienne
hoe
In veelgebruikte woorden uit het Frans schrijf je alleen een accent op de e: é, è of ê. Bv. een comité, een frêle meisje
jk
Bij vernederlandste woorden krijgt de -e in de eerste lettergreep geen accent. Bv. een eclair, de tweede etage De vrouwelijke vormen van woorden op -é schrijf je met -ee. Bv. een logé (mannelijke gast), een logee (vrouwelijke gast)
ki
Op woorden die echt nog Frans aanvoelen, blijven de accenttekens staan. Bv. een déjà-vu, een tête-à-tête
In
Een accentteken kun je ook gebruiken om een woord of een deel van een woord te beklemtonen. Bv. Het is voor ééuwig! Hij heeft slechts één boek gelezen.
4 Spelling en interpunctie
103
5 Artistieke en creatieve taal
lIteRatuuR Een boek kiezen • • • •
Leesplein Winob Pluizuit Ik haat lezen
m
Informatie over boeken en boekentips via websites • Kinder- en jeugdjury Vlaanderen • De boekenzoeker • Pluizer • Lezen voor de lijst
pl
5.1
aa
r
Hoe word je ‘literair competent’?
ex e
Je vindt natuurlijk ook veel informatie in de bib.
jk
Deze informatie over een boek wordt dikwijls gegeven: • titel • uitgeverij • auteur • korte inhoud • cover • waarom je dit boek zou moeten • leeftijdscategorie lezen
• • • •
aantal pagina’s jaar van uitgave reacties van lezers een score
wat
Een boek lezen en verwerken Je leeservaring verwoorden, verbeelden of creatief verwerken. Daarbij de gepaste woorden gebruiken. Nadenken over de personages (hoofdpersonage en andere), verhaallijn, tijd, plaats/ruimte en gebeurtenissen.
ki
•
In
•
Fictie – non-fictie
wat
Bij fictie speelt een verhaal zich vooral af in de fantasie van de auteur of van de lezer/luisteraar. Het is grotendeels een verzonnen verhaal. Bv. romans, strips, korte verhalen, sprookjes, videogame, poëzie Bij non-fictie gaat het om informatieve teksten en beelden die werkelijkheid zijn. Het handelt over feiten. Bv. kranten, tijdschriften, woordenboeken, reisgidsen, studieboeken, documentaires
104
TRAJECTWIJZER
Jeugdliteratuur – genres
wat
Jeugdliteratuur is literatuur die speciaal voor jongeren geschreven is. Die boeken gaan dikwijls over onderwerpen die jongeren erg aanspreken. Afhankelijk van het thema van het boek kun je verschillende genres onderscheiden. Voorbeelden van genres
r
• Het hier-en-nu-verhaal speelt zich af in onze tijd; alle gebeurtenissen zijn uit het leven gegrepen.
aa
• Het historisch verhaal speelt zich af in een bepaalde periode in het verleden en gebruikt op een geloofwaardige manier elementen uit die tijd.
• Het oorlogsverhaal gaat over oorlog en de gevolgen ervan op mensen en hun omgeving. • Het fantasieverhaal is volledig verzonnen. Er komen dikwijls magische wezens in voor of gebeurtenissen die niet echt kunnen gebeuren.
pl
• Het sciencefictionverhaal speelt zich af in de toekomst of in een tijd waarin de wetenschap al ver vooruit is. Andere planeten, ruimtewezens en tijdreizen zijn items die geregeld aan bod komen. • Het griezelverhaal zorgt voor een hoge dosis spanning en gaat over zaken die ons schrik aanjagen, zoals geesten, monsters, zombies …
m
• Het dierenverhaal is een verhaal waarin dieren een hoofdrol spelen. Dikwijls krijgen ze menselijke eigenschappen aangemeten.
• Het detectiveverhaal is een verhaal waarin een moord, verdwijning of andere misdaad opgelost moet worden.
ex e
• Het sprookje is een verhaal waarin een held voor een probleem komt te staan en dat moet oplossen. Het begint dikwijls met de woorden ‘Er was eens …’ en eindigt met ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’. Het is een verhaal met wonderbaarlijke elementen en wezens uit de verbeelding: toveren, kabouters, sprekende dieren of planten … Ook verhalen rond sprookjesfiguren (prinsen, prinsessen, heksen …) vallen onder dit genre. • In het avonturenverhaal hebben de gebeurtenissen een uitgesproken avontuurlijk karakter. Het zijn spannende verhalen waarin de actie centraal staat.
jk
• Het fantasyverhaal is een verhaal dat zich afspeelt in een denkbeeldige wereld waarin meestal een zoektocht en/of een strijd tussen goed en kwaad centraal staat. Magische en mythologische figuren en elementen spelen een opvallende rol. • Het humoristisch verhaal is een verhaal met veel komische gebeurtenissen of figuren. De schrijver wil je aan het lachen krijgen.
In
ki
In een verhaal van een bepaald genre kunnen ook elementen uit andere genres voorkomen.
5 Artistieke en creatieve taal
105
Informatie over het boek
wat De titel van een boek vertelt niet onmiddellijk waarover het verhaal gaat. Het doel van een titel is om de lezer nieuwsgierig te maken, zodat hij het boek wil lezen. De auteur zoekt een sprekende titel en het beeld op de cover vertelt iets meer over de inhoud, bv. over een gebeurtenis, een personage …
aa
r
Een krantenkop bijvoorbeeld geeft duidelijk aan waarover de tekst gaat. Bij zakelijke teksten wil de titel informeren en is de titel dikwijls de kortst mogelijke samenvatting van de tekst.
Het thema
wat
m
De recensent – de recensie
pl
Een ander woord (synoniem) voor onderwerp is thema. Het thema van een boek is datgene waarover dat boek vooral gaat en waar het verhaal rond geschreven is.
wat
ex e
Een recensent beoordeelt een bepaald werk, bijvoorbeeld een boek, een film, een game … In een recensie lees je onder andere over de inhoud en de thema’s van het werk, de opbouw van het verhaal, bepaalde keuzes die de auteur maakte. Bij een boek zal de recensent zeker ook een uitspraak doen over het taalgebruik van de auteur. Die recensies worden gepubliceerd, vooral online.
jk
Een ander geeft zijn mening …
wat
In een recensie of review van een boek geeft de schrijver naast feiten ook zijn mening.
ki
Als de auteur van de review tot de uitgeverij van het boek behoort, zal het zijn doel zijn om de lezers te overtuigen om het boek te kopen en te lezen. Deeltjes van een recensie of review vind je dikwijls ook op de cover van het boek zelf. Een koper of lezer krijgt zo nog eens een bevestiging en een stimulans om het boek te kopen en te lezen.
In
Als lezer moet je kritisch omgaan met die commentaren. Wat is het doel van de commentaar? Wie heeft die geschreven, wie is de zender?
106
TRAJECTWIJZER
Meer weten voor je het boek leest?
hoe
Bestudeer de ‘buitenkant’ van het boek. De cover van een boek vertelt al iets over het verhaal. Alhoewel een auteur natuurlijk niet te veel wil verklappen met de cover. De uitgever probeert de voorkant van het boek zo aantrekkelijk mogelijk te maken: een mooie foto, een tekening, een raadselachtige afbeelding …
aa
r
Het achterplat of de flaptekst op de achterkant maakt je meestal meer duidelijk. Belangrijk is natuurlijk om de lezer net voldoende, maar niet te veel informatie te geven. Het doel van die tekst is om de lezer zin te laten krijgen om dat boek te lezen.
Een verhaal samenvatten
hoe
m
pl
Om een verhaal samen te vatten ga je eerst op zoek naar de sleutelwoorden. Die vind je door een antwoord te zoeken op de w-vragen. wat Wat is er gebeurd? (verhaallijn) wie Wie beleefde iets? (personages) Waar vond de gebeurtenis plaats? (ruimte) waar wanneer Wanneer gebeurde er iets? (tijd)
In
ki
jk
ex e
Afhankelijk van het verhaal kunnen er nog andere vragen beantwoord worden, bijvoorbeeld waarom, hoe … Daarna gebruik je de sleutelwoorden om je verhaal in enkele zinnen samen te vatten. Details laat je weg.
5 Artistieke en creatieve taal
107
Criteria voor een ‘goed’ boek Het verhaal …
1 is realistisch.
2 is aangrijpend.
3 vertelt over hoe mensen vroeger leefden.
4 is gefantaseerd.
Het kan zich werkelijk (in de realiteit) afspelen.
Het ontroert je, verovert je hart.
Het geeft je een nieuwe kijk op het verleden.
De gebeurtenissen zijn verzonnen, soms onmogelijk.
5 spoort je aan om na te denken over bepaalde omstandigheden, gebeurtenissen of over het gedrag van mensen.
De opbouw …
6 zorgt dat je snel snapt waarover het verhaal gaat.
7 is chronologisch.
Het verhaal begint …
8 met een duidelijke voorstelling van de personages en de omstandigheden.
9 midden in een actie. Stilaan wordt duidelijk wie, wat, wanneer, waar en hoe alles verloopt.
De personages …
10 komen echt tot leven.
11 zijn herkenbaar.
Alles loopt gelukkig weer goed af!
Tijdens het lezen …
pl
14 met een open einde.
Misschien wil je wel huilen.
Je kunt als lezer zelf verder verzinnen hoe het afloopt.
15 blijven veel gebeurtenissen je verrassen. Het verhaal blijft spannend.
16 raad je anderen het boek spontaan aan.
In
ki
jk
Na het lezen …
108
TRAJECTWIJZER
Je kunt jezelf gemakkelijk met een personage vergelijken (identificeren).
13 met een triestig einde.
ex e
12 met een happy end.
De schrijver vertelt het verhaal zoals het gebeurde.
m
Het lijkt wel alsof je ze werkelijk kent. Het verhaal eindigt …
aa
r
Het onderwerp (thema) …
Geef je mening of voorkeur over het boek.
hoe
aa
r
Formuleer je voorkeur en gebruik daarvoor een ik-boodschap. g Ik vind … omdat … g Ik onthoud … g Ik ervaar (luister)boeken als … g Ik verkies … omdat … g Ik …
hoe
m
pl
Ik las het boek met deze titel … en van deze auteur … g Het boek gaat over … g Ik vind het boek … g Als ik aan het boek denk, denk ik aan … g Als ik het boek in vijf woorden zou moeten samenvatten, kies ik …
ex e
De hamvraag
wat
De hamvraag is de belangrijkste vraag. Op die vraag weet je als lezer niet meteen het antwoord. Het gaat over zaken die je wilt weten, die je eigenaardig, raadselachtig, onbegrijpelijk, onduidelijk of raar vindt in een verhaal.
jk
De hamvraag beantwoorden
hoe
ki
De antwoorden op de hamvraag vind je niet letterlijk in het verhaal. Maar je kunt er wel over nadenken en discussiëren. Als lezer stel je die vragen eigenlijk spontaan tijdens het lezen zelf.
In
Een verhaal lezen en interpreteren
hoe
1 Stel jezelf vragen tijdens het lezen. 2 Kies een hamvraag. 3 Bespreek je hamvraag met anderen. 4 Formuleer een (voorlopig) antwoord op je hamvraag. 5 Verantwoord je antwoord voor jezelf en anderen.
5 Artistieke en creatieve taal
109
hoe Tijdens, voor of na het lezen van een boek kun je met vragen aan de slag.
ex e
m
pl
aa
r
Mogelijke vragen: • Wat verwachtte je te lezen? • Hoe heb je het hoofdpersonage ervaren? • Wat vond je leuk, mooi, goed aan dit boek? g Wat is je opgevallen? g Waar had je meer over willen lezen? • Wat vond je niet leuk aan dit boek? g Waren er stukken die je vervelend vond? g Heb je stukken overgeslagen? Welke? g Als je het boek niet uitgelezen hebt, waar ben je dan opgehouden met lezen? Waarom daar? g Wat was er moeilijk of onduidelijk? • Wat vond je vreemd? g Was er iets dat je nog nooit in een boek bent tegengekomen? g Was er iets dat je totaal verraste? g Waren er dingen die niet klopten? g Zag je bepaalde patronen of verbanden? g Was er iets dat telkens terugkwam in het verhaal?
wat
De verhaallijn in een boek beschrijft wat het personage in het begin, tijdens het verhaal en op het einde meemaakt. Als de gebeurtenissen verteld worden in de volgorde zoals ze plaatsvonden, dan spreek je over een chronologisch verhaal. De chronologie van het verhaal kan echter doorbroken worden door een flashback of een flashforward.
jk
Een flashback beschrijft op een uitgebreide manier iets wat zich eerder afspeelde. Op die manier krijg je als lezer meer informatie en kun je bepaalde dingen uit het verhaal verklaren. De spanning kan worden opgewekt door geleidelijk aan wat informatie prijs te geven. Zo komt de lezer beetje bij beetje te weten hoe iets heeft geleid tot een situatie die hij al kent.
In
ki
Een flashforward geeft de lezer informatie over wat er verderop in het verhaal zal gebeuren. Een auteur kan op die manier ook spanning opwekken, want de lezer weet al wel hoe iets zal aflopen, maar nog niet op welke manier dat zal gebeuren.
110
TRAJECTWIJZER
Spanning opbouwen
wat
De cliffhanger Een cliffhanger is een techniek uit de film- en televisiewereld, maar wordt ook gebruikt in verhalen, boeken en toneelstukken. Een verhaal van bv. een serie of aflevering, film of boek eindigt op een moment waarop de spanning het grootst is. Bovendien is het niet duidelijk hoe het afloopt.
aa
r
Op dat moment is het verhaal nog niet afgerond en blijft de kijker of lezer met een onbevredigd gevoel achter. Hij is erg nieuwsgierig naar het verdere verloop. En dat is meestal in een volgende aflevering of een volgend hoofdstuk te zien of te lezen.
Spanningstechnieken
pl
De term ‘cliffhanger’ betekent letterlijk: iets wat over een rotswand bungelt en de afgrond of de zee in dreigt te tuimelen.
wat
m
Een verhaal wordt spannend als de auteur iets verborgen houdt, iets (voorlopig) verzwijgt. Die onwetendheid roept vragen op en net op die vragen wil je een antwoord krijgen. Daarom lees of kijk je verder.
ex e
Een schrijver of regisseur kan op verschillende manieren spanning in een verhaal brengen. Dit zijn enkele voorbeelden van spanningstechnieken.
In
ki
jk
1 Vertellen over een geheim of raadsel dat beetje bij beetje onthuld wordt. 2 Bewust belangrijke informatie verzwijgen. 3 Het verhaal vertragen: de afloop van een situatie niet meteen vertellen, maar uitvoerig beschrijven of in beeld brengen. 4 Personages in een enge of gevaarlijke situatie plaatsen. 5 Het verhaal in een griezelige of gevaarlijke omgeving laten spelen. 6 Het verhaal op een spannend moment afbreken (cliffhanger). 7 Een onverwachte wending in het verhaal stoppen. 8 Verwachtingen en vermoedens wekken door aanwijzingen over de afloop te geven. 9 Een informatievoorsprong geven: de lezer of kijker iets vertellen wat de personages niet weten.
5 Artistieke en creatieve taal
111
Camerastandpunt en beeld
wat
In een film kan spanning gecreëerd worden door het camerastandpunt of perspectief. Dat is het oog van de kijker. Normaal gesproken staat de camera altijd op ooghoogte van degene die gefilmd wordt.
r
Bij een kikvorsperspectief bevindt het oogpunt zich onder het onderwerp. Je hebt dus een laag camerastandpunt, waardoor je onderwerp groter of langer lijkt. Bij kikvorsperspectief lijkt het alsof degene die gefilmd wordt domineert over de kijker. Het maakt van een personage een machtig en sterk persoon.
m
pl
aa
Een vogelperspectief is juist het tegenovergestelde. Het oogpunt bevindt zich boven het onderwerp. Er is een hoog camerastandpunt, waardoor het onderwerp kleiner lijkt en de horizon hoger in beeld zit. Bij vogelperspectief lijkt het alsof de kijker domineert over degene die gefilmd wordt. Het maakt van een personage een nietig en zwak persoon.
kikvorsperspectief
vogelperspectief
ex e
Bij een close-up wordt een deel van het onderwerp heel erg sterk naar voren gehaald. De rest van de omgeving wordt genegeerd; alleen het onderwerp wordt sterk ingezoomd in beeld gebracht. Een close-up focust bijvoorbeeld op de gelaatsuitdrukking van een personage of op een belangrijk detail. Een totaalbeeld wil een zo groot mogelijk overzicht van de omgeving geven. Het vertraagt de film, wat ook voor spanning kan zorgen.
jk
Meer over het in beeld brengen en beeldelementen vind je op p. 14.
ki
Het stripverhaal
wat
In
Het stripverhaal (ook beeldverhaal of strip genoemd) is een van de oudste vormen van literatuur. Het wordt gevormd door een aantal afbeeldingen die samen een verhaal vormen. Een stripverhaal wordt gemaakt door een striptekenaar en een scenarioschrijver. Als er tekst is, wordt die mee in de tekeningen verwerkt. De tekeningen zijn minstens even belangrijk als de tekst en bevatten essentiële informatie: je kunt het verhaal niet begrijpen zonder de tekeningen. In strips worden dikwijls tussenwerpsels gebruikt. Een tussenwerpsel is een uitroep die buiten de normale zinsvolgorde staat. Het kan voor of na een zin worden gezet, zonder dat de zinsvolgorde verandert (inversie). Imitaties van geluiden, begroetingen, vloeken en scheldwoorden, uitroepen van ontkenning, bevestiging, vreugde, twijfel, spijt, afkeuring, aansporing, om aandacht te krijgen … kunnen als tussenwerpsel worden gebruikt. Bv. o, o ja, tja, ach, och, bah, au, aha, hé, hè, oei, oeps, oké …
112
TRAJECTWIJZER
hoe Hoe lees je een strip? Een stripfiguur spreekt en denkt; dat lees je in spreek- of gedachteballons. In stripverhalen worden geluiden weergegeven aan de hand van klanknabootsingen of onomatopeeën: een bom die ontploft wordt BOEM!, een persoon die slaapt wordt zzzzz … Grafische tekens verduidelijken de beelden en het verhaal: close-up, bewegingen …
r
Striptaal is niet alleen kort en bondig, maar dikwijls ook origineel en vernieuwend. Ze leunt nauw aan bij de spreektaal. Tussenwerpsels krijgen daarin dikwijls een plaats.
aa
Informatie door de verteller komt in een apart tekstkader, bv. over een andere tijd, een andere periode …
pl
Beeldtaal
wat
m
In mondelinge en schriftelijke communicatie gebruik je beeldtaal. Je gebruikt beelden om jouw boodschap krachtig weer te geven of kleur te geven. Dikwijls gaat het niet over wat je precies zegt, maar wel over wat je bedoelt: de boodschap achter de boodschap. In die beeldtaal druk je uit wat je voelt, hoe jij erover denkt, hoe iets voor jou aanvoelt …
ex e
In literaire teksten wil de schrijver gevoelens in woorden en zinnen vertalen, zodat de lezer leest hoe angstig, gelukkig … het personage is. Daarom gebruikt een schrijver beeldtaal. Hij wil het beeld dat hij voor zichzelf maakte, delen met de ontvanger, de lezer of luisteraar. In beeldtaal lijkt het alsof er een foto gemaakt wordt, bijvoorbeeld van wat het personage voelt. Je ziet het beeld, de ‘foto’, voor je als je de tekst leest of beluistert. Bv. Het veroorzaakte een lawine in het hoofd van Ish.
In
ki
jk
Een schrijver brengt beeldtaal met woorden; een cameraman, fotograaf, beeldend kunstenaar … verwerkt dat al in zijn beelden. Het is aan de kijker om die taal te begrijpen, erover na te denken en zich af te vragen wat de beelden vertellen, welk effect de maker ermee wilde bereiken. Beelden onderzoeken en daarbij nadenken over allerlei beeldelementen is belangrijk: beïnvloedt licht, kleur, de kadrering … wat je waarneemt, voelt, denkt …? (zie ook p. 14)
5 Artistieke en creatieve taal
113
Het toneel
wat
Een toneelauteur is iemand die tekst schrijft voor een toneelstuk. In een toneeltekst wordt de tekst van de verteller en de verschillende personages weergegeven. Soms wordt er per personage een andere kleur gebruikt. Wat de verschillende personages moeten doen, staat meestal tussen haakjes en in cursieve druk.
m
Genieten van gedichten
pl
aa
r
Een toneelregisseur is iemand die het toneelstuk vormgeeft en organiseert. Hij moet bij het vormgeven met heel wat elementen rekening houden: • de toneeltekst: moet goed geïnterpreteerd worden, zodat de betekenis van het stuk tot zijn recht komt; • het decor: de decorstukken moeten ervoor zorgen dat het publiek (onmiddellijk) ziet waar het stuk zich afspeelt; • de rekwisieten/attributen/props: enkele goedgekozen rekwisieten kunnen ervoor zorgen dat het publiek een bepaalde situatie beter begrijpt. Dat kunnen dingen zijn die de spelers vasthouden of dingen die op het toneel geplaatst worden.
wat
ex e
Iedereen beleeft poëzie op een eigen, persoonlijke manier. Wat voor de ene een mooi gedicht is, is dat daarom niet voor de andere. Iedereen heeft zijn eigen criteria om te bepalen of een gedicht in de smaak valt. In een gedicht schept de auteur een bepaalde wereld en sfeer waarmee hij de lezers iets wil vertellen. Die boodschap kan heel duidelijk zijn of verpakt in symbolisch taalgebruik.
jk
Gevoelens uiten bij poëzie
Dat kan via deze woorden die gevoelens aangeven.
In
ki
angst – verdriet – bezorgd – dankbaar – enthousiasme – eenzaam – frustratie – haat – gekwetst – geluk – gestresst – hoop – jaloezie – kwaad – knorrig – luchtig – machtig – meevoelend – moedeloos – moedig – onbezorgd – ongelukkig – onverschillig – opgejaagd – opgelucht – schuchter – sympathiek – teleurgesteld – tevreden – timide – treurig – trots – uitgelaten – verlegen – verliefd – vernederd – verontwaardigd – verrast – waardeloos – wanhopig – weemoedig – zelfverzekerd
114
TRAJECTWIJZER
hoe
De taal van poëzie
wat
Een gedicht bestaat uit versregels of verzen. Een tekstblokje noem je een strofe. De taal in een gedicht is heel beeldend. Bv. Je bent een boomgaard, eigenlijk, waarvan ik graag de vruchten pluk …
r
De dichter maakt gebruik van associaties. Associëren betekent verbanden leggen en daardoor op nieuwe woorden komen. Bv. lente zon natuur groen …
aa
In een gedicht vind je soms ook alliteraties of beginrijmen. Dat zijn woorden met dezelfde beginklanken. Bv. vrolijke vrienden
Creatief omgaan met taal
ex e
Het rijm
m
5.2
pl
In sommige gedichten rijmen de laatste woorden van een vers met elkaar. Dat noem je een eindrijm.
wat
Je spreekt van rijm als twee woorden in de beklemtoonde lettergrepen een gelijke klank hebben. Rijm speelt een belangrijke rol in gedichten en wordt daarom als een stijlfiguur beschouwd. Als je een gedicht van meerdere regels leest, ontdek je er soms een bepaald rijmschema in.
jk
Soorten rijm
wat
ki
Rijm is overeenkomst in klank in beklemtoonde lettergrepen bij niet te ver uiteenstaande woorden. Er zijn verschillende soorten rijm:
In
• alliteratie of beginrijm: de eerste klank(en) van beklemtoonde lettergrepen van woorden die bij elkaar staan, rijmen op elkaar. Bv. D e koelies kermen op de zwarte kaden Onder de Zuidchinese zomerzon, Met plompe zak of zware ton beladen Eenzelfde zang van Sjanghai tot Kanton. (J.J. Slauerhoff) • assonantie of klinkerrijm: alleen de klinkers van de beklemtoonde lettergrepen rijmen op elkaar, niet de daaropvolgende. Bv. Dromen komen … • eindrijm: rijm aan het eind van de versregels.
5 Artistieke en creatieve taal
115
Soorten poëzie lezen en ontwerpen Techniek 1: Krantenknipsels Knip vijf woorden uit de krant. Verdeel die woorden over drie versregels. Vul aan met eigen woorden en vorm zo een kort gedicht. Voorbeeld
jouw
spannend e
r
Zonder
Lichtpuntjes
aa
onmisbare lach geen
vóór mijn ogen
Naar: Jeugd en Poëzie
pl
Techniek 2: Gatengedicht
In het gedicht ontbreken woorden. Je kunt die zelf kiezen en aanvullen.
ex e
m
Mama Mama belt met iemand van haar werk en legt een knoop in mijn sjerp. Mama wacht op een kaartje van de kassier en haalt mijn snoep uit het papier. Mama praat met papa terwijl ze in mijn ogen kijkt. Mama kan altijd overal alles tegelijk.
jk
F. Adam, ‘Mama’. Uit: Als de bomen straks gaan rijden. De Eenhoorn, 2011.
Techniek 3: Voorwerpgedicht
In
ki
Denk aan een voorwerp dat je als geschenk zou kunnen geven aan een goede vriend(in). Hoe ziet dat voorwerp eruit? Wat valt op? Wat doe je ermee? Schrijf zo veel mogelijk woorden (associaties) op een blad papier. Onderstreep in kleur de woorden die je het mooist vindt. Gebruik die woorden om een kort gedicht te schrijven. Voorbeeld
116
TRAJECTWIJZER
Jij krijgt van mij een roos. Ik strik ze in een doos. Ze glanst rood en voelt zo zacht. Een doosje liefde dat op je wacht.
Techniek 4: Stiftgedicht
m
pl
aa
r
Kies enkele woorden in een bestaande tekst. Omcirkel ze en maak de tekst die errond staat onzichtbaar met een stift.
Techniek 5: Allitereren
www.noto.onilee.nl/wordpress
ex e
Vertrek bijvoorbeeld met de letter ‘L’. Noteer zo veel mogelijk (minstens 20) alliteraties met die letter. Gebruik verschillende woordsoorten: zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden … Kies daarna twee woorden uit de lijst en voeg die samen tot de titel van het gedicht. Misschien kun je wel een gekke, humoristische of absurde combinatie maken. Schrijf onder de titel één lange zin waarin je zo veel mogelijk van de opgelijste woorden gebruikt. Waar nodig mag je die zin ook aanvullen met nieuwe woorden. De zin moet niet realistisch zijn, maar wel grammaticaal correct, en hij moet bij je titel passen. De zin moet vier versregels lang zijn. Je zult dus voegwoorden en/of komma’s moeten gebruiken.
In
ki
jk
Voorbeeld met de letter ‘K’ krullen – krat – kroezel – kruiden – kroon – kramp – kriskras – kraag – kraan – kraai – kraaien – kraken – kraakbeen – kranig – kraakhelder – kraaloog – kraam – kraamafdeling – kraanvogel – krabbelen – krab – kracht – krachteloos – krachtdadig – kraken – krenterig – kramp – krankzinnig – kranig – krans – krap – kramp – krassen – krater – krekel – kreeft – krengen – kletteren – kreten Krullende kreten Een kranige krab en krenterige kreeft kruipen met kraaloogjes samen in een krat, krachtig kraaien ze krankzinnig kriskras krullende kreten.
Techniek 6: Van een woord tot een gedicht Schrijf in het midden van een blad het woord ‘liefde’. Elke deelnemer zegt om de beurt een woord dat te maken heeft met liefde en dat begint met een letter uit dat woord (L – I – E – F – D – E). Zoek per letter een woord. Wanneer je alle woorden gevonden hebt, maak je twee of meer zinnen waarin je al die woorden verwerkt (uitgezonderd het beginwoord ‘liefde’).
5 Artistieke en creatieve taal
117
Voorbeeld Beginwoord: poëzie Aan de oever van de vijver zat een egel te dromen. Hij wilde mee met eend, weg, naar verre oorden. Hij had nog nooit de zee gezien. En wilde met een inktvis praten.
r
Naar: P. Meersman / Creatief Schrijven vzw / lesmap ‘Slam
aa
Techniek 7: Visuele poëzie
Bij visuele poëzie krijg je een vermenging van taal en beeld, een collage van woorden. Het beeld doet iets met die taal, met die woorden en hun inhoud: beeld en taal vormen samen een nieuwe eenheid. De combinatie maakt het gedicht expressiever.
pl
Visuele poëzie wil de vormelijke en beeldende kwaliteiten bewuster gebruiken. Bij zulke gedichten kun je meestal aan de vorm al zien waarover ze gaan.
In
ki
jk
ex e
m
Hoe pak je dat aan? Brainstorm eerst over een aantal ‘dankbare’ onderwerpen die zich makkelijk in een beeld laten vatten, bijvoorbeeld vuur, regen, zon, golven, een gebouw … • Kies een onderwerp en ga ermee aan de slag. • Om het schrijven vlotter te laten verlopen kun je bijvoorbeeld eerst een woordspin over het gekozen onderwerp maken. • Schik de woorden of zinnen zo op het blad dat de vorm herkenbaar wordt.
P. van Ostaijen, Bezette stad
Pauline Van Wierst
Meer gedichten vind je in Traject Nederlands 1 en 2.
118
TRAJECTWIJZER
Beeldspraak
wat
Het woord of de uitdrukking moet je niet letterlijk nemen, maar is gekozen op grond van een overeenkomst of een andere relatie met wat bedoeld wordt. Bij beeldspraak is er dus sprake van een ‘beeld’ en het ‘bedoelde’.
aa
Dikwijls zijn als-vergelijkingen clichés of vaste uitdrukkingen. Bv. zo zacht als boter, eerlijk als goud …
r
• vergelijking (met als): vorm van beeldspraak die berust op de overeenkomst tussen een beeld en dat wat met dat beeld bedoeld wordt. Bij een vergelijking worden beeld en object met elkaar verbonden door het woord (zo)als. Bv. De bus rijdt als een kamer door de nacht (M.Vasalis)
pl
• metafoor: het ‘bedoelde’ wordt niet vermeld, alleen het beeld wordt genoemd. Bv. het bloedend vuur, het hete blozen tot oud oktobergoud vergloeid (H. Marsman, De zomer en de late rozen)
ex e
Letterlijk – figuurlijk
m
Metaforen komen niet alleen in de literatuur voor: veel uitdrukkingen zijn metaforen. Bv. de eerste viool spelen, over het paard getild zijn, de draak met iets steken, iemand bij de neus nemen, door het oog van de naald kruipen …
wat
jk
Bij figuurlijk taalgebruik betekent een woord, woordgroep, zin niet precies wat er staat; je moet de betekenis niet letterlijk nemen. De auteur gebruikt een figuur (beeld) om iets duidelijk(er) te maken. Figuurlijke taal wordt dikwijls gebruikt om iets mooi te laten klinken, om te overdrijven … Het is een vorm van beeldspraak. Bv. Ze wonen in het hart van de stad. Nu komt de aap uit de mouw, nu zullen we het weten.
In
ki
Bij letterlijk taalgebruik is wat er staat echt bedoeld zoals je het leest, hoort … Bv. Hij werd aan zijn hart geopereerd.
5 Artistieke en creatieve taal
119
taal en taalgebRuIk
ex e
6.1
m
pl
aa
HOE BRENG JE TAALGROEI IN KAART?
r
6 Taalgroei in kaart
Lees de uitspraken over taal en taalgebruik. Als je volledig akkoord gaat met de uitspraak, kleur je de vier vakjes. Kleur drie vakjes als je ermee akkoord gaat, twee vakjes als je eraan twijfelt en ĂŠĂŠn vakje als de uitspraak voor jou niet echt geldt. 1 Je denkt na over je taalgebruik.
jk
8 Taal zorgt ervoor dat jij jezelf kunt zijn.
In
ki
7 Het taalgebruik, de woordkeuze in teksten en gedichten boeit je.
2 Je houdt van woorden, zinnen, je moedertaal. TAAL gebruiken
6 Je vindt figuurlijk taalgebruik leuk, uitdagend.
5 Je past je taalgebruik aan de communicatiesituatie aan. Wat ben je over jouw taal en taalgebruik te weten gekomen?
120
TRAJECTWIJZER
3 Taal helpt je om je gevoelens te uiten.
4 Taal is enkel nodig om iets te begrijpen, te leren, te doen.
6.2
Vordering taalvaardigheden Na elk deel denk je na over wat vlot gaat en wat nog extra training vraagt. Breng die zaken samen in deze tabel. dit gaat vlot
dit vraagt training
jouw acties
aa
r
1
pl
2
m
3
ex e
4
ki
6
jk
5
In
7
8
9
6 Taalgroei in kaart
121
Specifieke groei per taalonderdeel Ook per vaardigheid of bij een specifiek onderdeel van het taalsysteem kun je bijhouden wat vlot gaat en wat nog extra training vraagt. Duid aan voor welk onderdeel je deze fiche invult. luisteren en kijken lezen spreken
interactie (mondeling en schriftelijk) taalsysteem dit gaat vlot
m
2
ex e
3
ki
jk
4
5
In
6
7
8
9
122
jouw acties
pl
1
dit vraagt training
aa
r
schrijven
TRAJECTWIJZER
6.3
Vordering literatuur: welk traject legde je af tijdens de eerste graad? Ontdek welke lezer je bent. Markeer in de tabel waarom je leest. Je bent een
Je kunt op je traject
Waarom lees je?
nog meer etappes afleggen
Je leest omdat het moet en je hebt weinig (positieve) leeservaringen. Je leest traag en moet door anderen gestimuleerd worden om te lezen. Je leest het liefst over je eigen leefwereld en leeftijdgenoten.
BELEVENDE LEZER
nog drie etappes afleggen
Je leest om je te amuseren en hebt een beetje leeservaring met één of twee genres. Je hebt sterke behoefte aan tips; je neemt geen risico. Je bent geïnteresseerd in een eigen leefwereld en belevenissen van leeftijdgenoten. Je hebt ook interesse in de fantasiewereld.
ONTDEKKENDE LEZER
nog twee etappes afleggen
m
pl
aa
r
BEGINNENDE LEZER
jk
ex e
Je leest om je eigen wereld te verkennen. Je bent (redelijk) gemotiveerd om boeken te lezen en je wilt wel eens een ander genre proberen. Je bent nieuwsgierig naar jongeren die al wat ouder zijn. Je kunt je verplaatsen in verschillende situaties en personages.
nog een etappe afleggen
Je leest om aan het denken te worden gezet. Je bent een goed gemotiveerde lezer en geïnteresseerd in sociaal-maatschappelijke onderwerpen (bv. armoede, samenleven in een andere tijd …), psychologische onderwerpen (bv. verlies verwerken, verslaving …) en soms ook filosofische onderwerpen (bv. de zin van het leven, hoe dachten mensen vroeger over het bestaan …). Je gebruikt boeken om de wereld en het leven verder te ontdekken.
even uitrusten na de extra etappe
Je leest om jezelf intellectueel uit te dagen. Je leest veel en gevarieerd, en op een relatief hoog niveau. Je zoekt ‘moeilijke’ onderwerpen op; je wilt in nieuwe werelden doordringen en die begrijpen. Je hebt oog voor de vorm. Je kunt een boek kritisch lezen en reflecteert graag op de inhoud van het verhaal: je gaat makkelijk een gesprek op niveau aan over het boek.
In
ki
REFLECTERENDE LEZER
VERDIEPENDE LEZER
6 Taalgroei in kaart
123
7 Schooltaalwoorden
m
pl
aa
r
Welke schooltaalwoorden ken je al?
bezig zijn met iets
aankruisen
er een kruisje voor plaatsen
aanschouwen
zien, bekijken
absorberen
opslorpen, opzuigen
accentueren het alternatief
ex e
aan de slag zijn
markeren, onderstrepen, beklemtonen een andere mogelijkheid, een keuzemogelijkheid
de analyse – analyses/analysen
het onderzoek, de ontleding
het argument
wat je gebruikt om je bewering te staven, kracht bij te zetten
associëren
samenvoegen, koppelen, een verbinding maken, een verband zien echtheid
beknopt
kort
bespreken
spreken over, beoordelen
het citaat – citaten citeren
de letterlijk weergegeven woorden die iemand gezegd of geschreven heeft letterlijk de woorden weergeven die iemand gezegd of geschreven heeft
het concept conceptueel
het plan, ontwerp; het begrip
concluderen de conclusie
besluiten het besluit
conform
overeenkomstig met, gelijk aan, passend
consequent de consequentie
duidelijk, rechtlijnig het gevolg
constructief
opbouwend, vormend, waarmee je iets kunt doen
de definitie
samenvattende omschrijving van de kenmerken van een begrip, zodat het niet met een ander verward kan worden, begripsbepaling
discussiëren
van gedachten wisselen over iets met iemand
de diversiteit
de verscheidenheid
de editie
de versie, aflevering; druk, bv. van een boek, een krant
elimineren
verwijderen, uitschakelen
In
ki
jk
de authenticiteit authentiek
124
TRAJECTWIJZER
duidelijk, zonneklaar; ook: vanzelfsprekend iets wat als vanzelfsprekend beschouwd wordt
evolueren
ontwikkelen, veranderen
expliciet
heel uitdrukkelijk, heel duidelijk (n impliciet)
expressief
met veel gevoel, levendig
fixeren op iets
strak aankijken, de blik of aandacht vast op iets richten
functioneren
werken
het fundament funderen/fundamenteel
ondergronds, ondersteunend deel van gebouw, dat waarop iets steunt, basis
gedateerd
niet recent, verouderd
gunstig
positief, goed, voordelig
de hypothese – hypothesen/ hypotheses
een veronderstelling die je wilt bewijzen
imiteren
nabootsen
impliciet
(stilzwijgend) eronder begrepen (n expliciet)
improviseren
spreken zonder voorbereiding
in zicht zijn
te verwachten
individueel
afzonderlijk, persoonlijk
inkleuren
kleur toevoegen aan een tekening
het instructiewoord
een woord dat aangeeft wat je moet doen
het instrument
een tool of hulpmiddel; wat gebruikt wordt om een doel te bereiken, gereedschap ‌
interactief
onderling samenwerkend
intrigeren introduceren de kritiek kritisch labiel lokaliseren
aa
pl
m
ex e
interpreteren
r
evident de evidentie
uitleggen, betekenis geven aan fascineren, boeien voorstellen
een opmerking over iemand of over het werk van iemand grondig beoordelen op positieve en negatieve kanten onevenwichtig, wankel, onbestendig bepalen waar iets zich bevindt
weinigzeggend werkwoord dat in veel zinnen past
markeren
aanduiden met een markeerstift
memoriseren
uit het hoofd leren
de mening
hoe jij denkt over een bepaalde zaak
ki
jk
het loperwerkwoord
zonder woorden
noteren
opschrijven
omcirkelen
een cirkel rond iets tekenen
origineel
oorspronkelijk, als eerste gemaakt, van niemand overgenomen
de productiviteit de productie/productief/ produceren
voortbrengende of scheppende kracht
reconstrueren
opnieuw opbouwen met de gegevens die je hebt
registreren
inschrijven, opnemen in een register; ook: opmerken, waarnemen
reviseren
een tekst beter maken op basis van commentaar/feedback
scanderen
iets in lettergrepen uitroepen
scannen
snel nakijken, aftasten
selecteren
kiezen
situeren
vaststellen op welke plaats of in welke tijd iets thuishoort
In
non-verbaal
7 Schooltaalwoorden
125
een model
specifiek
iets speciaals doen/op iets speciaals gericht
stabiel stabiliseren
standvastig, duurzaam, bestendig n labiel stabiel, duurzaam, onveranderlijk maken
stimuleren
aanmoedigen
systematisch
stelselmatig; ook: geordend, volgens een vast of logisch patroon
de term
een woord dat in een bepaald vak een duidelijke betekenis heeft
typeren
kenmerkend zijn voor iemand/iets
de variant
een vorm die enigszins van de gewone afwijkt
variëren
veranderen, wisselen, wijzigen
de variëteit
verscheidenheid, afwisseling
verantwoorden
uitleggen waarom je iets doet
verbaal
met woorden
visualiseren de visualisatie/visueel
iets (bv. een gedachte) in beeld omzetten, aanschouwelijk maken
waarnemen
kunnen zien, horen, ruiken …
zicht krijgen op
een kijk hebben op, kunnen overzien
aa
pl
m ex e jk ki
In 126
TRAJECTWIJZER
r
het sjabloon – sjablonen
Register intensief lezen 16 intensief luisteren 12, 15 interpunctie 98 intonatie 19, 21 intonatievraag 46
E effect 6 eigennaam 53, 97 eindgroep 73 e-mail 39 enkelvoud 65, 90 enkelvoudige zin 67
r
aa
G gebeurtenis (in verhaal) 104 genietend lezen 16 genietend luisteren 15 genres 105 genus 51 gesloten vraag 47 gespreksregels 20 getal 65, 90 gezegde 71 globaal lezen 16 globaal luisteren 10, 15
jk
ki
In
C camerastandpunt 14 centrale thema 17, 78 chronologische structuur 80 cliffhanger 111 communicatiemodel/ communicatiepuzzel 5 congruentie 71 context 6, 8 cover 108 cyclisch model (schema) 32 D debat 38 dialect 48, 49 Register
K kadrering 14 kanaal 6 kennisvraag 47 kernwoord 79 kernzin 79 kikvorsperspectief 14, 112 klank 50 klinker 50 kolommenschema 32 koppelteken 102 kritisch lezen 16 kritisch luisteren 12, 15
pl
F feit 38, 106 feitenketting 32 fictie 104 figuurlijk 119 flaptekst 107 flasback 110 flashforward 110 formeel 39, 48, 49
J ja-neevraag 31, 47 jeugdliteratuur 105 juist-foutvraag 47
ex e
B bedoeling 6 beeldelement 14, 112 beeldgeletterd(heid) 13 beeldspraak 119 beeldtaal 113 belevingsvraag 47 betekenis 87 betrekkelijk voornaamwoord 64 betrouwbaar(heid) 26 bevelende zin 84 bezittelijk voornaamwoord 61 bijvoeglijk naamwoord 57 bijwoord 58 bijwoordelijke bepaling 76 bijzaak 12 bloggen 40 boodschap 5 boomschema 32 brief 35 broodtekst 33
dialoog 20 discussie 38 doel 6
m
A aanhaling 100 aanhalingsteken 98, 100 aanwijzend voornaamwoord 62 accent 103 achterplat(tekst) 107 actieve zin 69 afkorting 101 alinea 29, 79 alliteratie 115 antoniem 28, 87 antwoord 45 apostrof 102 argumenteren 38 articulatie 19, 21 associatie 115 assonantie 115
H hamvraag 109 handelend voorwerp 76 homoniem 87 hoofdgedachte 17, 78 hoofdletter 97 hoofdzaak 12 hulpwerkwoord 92 I imperatief 84, 94 I-M-S (inleiding, midden, slot) 17, 20, 29, 81 infinitief 65 informatiebron 9, 26 informatieve tekst 30 informeel 39, 48, 49 inhoudsopgave 37 inleiding 17, 20, 29, 81 instructie 31, 84
L leesdoel 15, 30 leesopdracht 16 leesstrategie 15 leestekens 98 letter 50 letterlijk 119 lidwoord (bepaald, onbepaald, ontkennend) 51, 56 lijdend voorwerp 74 lijst 37 literatuur 104 logo 33 loperwerkwoord 85 luisterdoel 11, 15 luisterhouding 10 luisterstrategie 11, 15 M mannelijk 57 medeklinker 51 meerkeuzevraag 31, 47 meervoud 53, 55, 65, 90, 91 meervoudige vraag 31 meewerkend voorwerp 75 mening 38, 106 metafoor 119 midden 17, 20, 29, 81 mindmap 32, 85 moderator 38
127
jk
ki
In
R recensie (recensent) 106 reclame 33 reclametechnieken 34 register 37, 48 reviseren 25 rijm 115 ruimte (in verhaal) 104 S samengestelde zin 67 schema 32 schooltaalwoord 124 schrijfdoel 15 schrijfkader 41 schrijfplan 24
128
TRAJECTWIJZER
r
aa
T taalvariëteit 49 taalverwantschap 9 tabelschema 32 tegenwoordige tijd 89 tekstdoel 30 tekstopbouw 78 tekstsoort 30 tekststructuur (opsommend, chronologisch, vergelijkend, oorzaak-gevolg, beschrijvend) 82 tekstverband (vergelijkend, tegenstellend, oorzaak-gevolg, reden-gevolg) 80, 81 telefoongesprek 86 telwoord 66 tempo 19, 21 thema 106 tijd (voltooid, onvoltooid) 65, 95 tijd (verhaal) 104 titel 29, 78 toekomende tijd 92 toneel 114 totaalbeeld 112 trappen van vergelijking 57 trema 103 T-schema 32 tussentaal 49 tussentitel 78 tussenwerpsel 77, 112
ex e
P passieve zin 69 personage 104 persoonlijk voornaamwoord 60 persoonsvorm 65, 71, 90 persuasieve tekst 30 pictogram 85 plaats (in verhaal) 104 poëzie 114 PowerPointpresentatie 41 prescriptieve tekst 30 probleemoplossende vraag 47 profiel 40 publiceren 25
V variatie 28 verbaal 31 verbuiging 57 verdubbelen 96 verenkelen 96 vergelijking 119 verhaallijn 104, 110 verkleinwoord 52, 55 verleden tijd 91 vers 115 verslag 86 verwijswoord 80 vloggen 40 vogelperspectief 14, 112 voltooid deelwoord 57, 65, 92 voltooide tijd 92, 95 volume 19, 21 voorlezen 22 voorleestechnieken 21 voorvoegsel 8 voorzetsel 59 voorzetselvoorwerp 76 vraag 31, 44 vraagwoord 46 vraagwoordvraag 31, 46 vragend voornaamwoord 64 vrouwelijk 56
pl
O objectief 38 onbepaald voornaamwoord 64 onderschikking 68 onderwerp (tekst) 17 onderwerp (zin) 71 onregelmatig werkwoord 93 ontspannende tekst 30 ontvanger 6 onvoltooide tijd 95 onzijdig 56 open vraag 46 opiniërende tekst 30 oriënterend lezen 16 oriënterend luisteren 15 overtuigende tekst 30 OVUR 6
schrijftaal 49 signaalwoord 80 situatie 6, 8 slagzin 33 sleutelwoord 79, 107 slogan 33 slot 17, 20, 29, 80 soortnaam 53 spanning(stechnieken) 111 spelling 88 spellingchecker 88 spreekdoel 15 spreekplan 19 spreektaal 49 stam 65 Standaardnederlands 48, 49 standaardtaal 48, 49 stofnaam 53 stripverhaal 112 strofe 115 studerend lezen 16 studerend luisteren 15 subjectief 38 synoniem 28, 87
m
N naamwoordelijk gezegde 70, 71, 72 narratieve tekst 30 netiquette 39 nevenschikking 68 non-fictie 104 non-verbaal 31 notities nemen/noteren 13
U uitnodiging 35
W waaierschema 32 waar-onwaarvraag 47 wachtwoord 40 wederkerend voornaamwoord 63 wederkerig voornaamwoord 63 werkwoord 65, 89, 93 werkwoordelijk gezegde 70, 71 werkwoordelijke eindgroep 73 woord 50, 51 woordbouw 8 woordenboek 9 woordfamilie 9 woordgroep 70 woordleerstrategie 73 woordrelatie 87 Z zakelijke tekst 17, 81 zelfstandig naamwoord 51 zender 6 zin 50, 67, 70 zinsdeel 70 zinsbouw 70 zoekend lezen 16 zoekend luisteren 12, 15