Skip to main content

TALENT 2: taalschrift B - correctiesleutel

Page 1

C68 M17 Y3

C16 M30 Y7

2 Taalschrift B Correctiesleutel

C100 M76 Y

C68 M17 Y3

3

C70 M20 Y6

C16 M30 Y7


Coördinatie: Cindy Laureyssens Auteurs: Cindy Laureyssens Katrien Van den Daele Pascale Dene Pieter Schouten Met medewerking van: Ides Callebaut

Bij TALENT voor het 2e leerjaar horen volgende materialen: Voor de leerling: Leesboek Taalschriften A, B, C Spellingschrift Projectbundel - Wist je dat? Projectbundel - Van dino’s tot dodo’s Projectbundel - Dat is mooi, niet? Voor de leraar: Handleidingen A, B, C Zorg- en evaluatiemappen A, B, C Correctiesleutels taalschriften A, B, C en spellingschrift Voor de klas: Talentbib 2 Wandplaten Cd- en dvd-box Digitale ondersteuning (zie ook www.talentvoortaal.be/digitaal): Bingel Max Bingel Plus Bingel Start

Fotokopieerapparaten zijn algemeen verspreid en vele mensen maken er haast onnadenkend gebruik van voor allerlei doeleinden. Jammer genoeg ontstaan boeken niet met hetzelfde gemak als kopieën. Boeken samenstellen kost veel inzet, tijd en geld. De vergoeding van de auteurs en van iedereen die bij het maken en verhandelen van boeken betrokken is, komt voort uit de verkoop van die boeken. In België beschermt de auteurswet de rechten van die mensen. Wanneer u van boeken of van gedeelten eruit zonder toestemming kopieën maakt, buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen, ontneemt u hun dus een stuk van die vergoeding. Daarom vragen auteurs en uitgevers u beschermde teksten niet zonder schriftelijke toestemming te kopiëren buiten de uitdrukkelijk bij wet bepaalde uitzonderingen. Verdere informatie over kopieerrechten en de wetgeving met betrekking tot reproductie vindt u op www.reprobel.be. Ook voor het digitale lesmateriaal gelden deze voorwaarden. De licentie die toegang verleent tot dat materiaal is persoonlijk. Bij vermoeden van misbruik kan die gedeactiveerd worden.

© Uitgeverij VAN IN, Wommelgem, 2018

De uitgever heeft ernaar gestreefd de relevante auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Wie desondanks meent zekere rechten te kunnen doen gelden, wordt verzocht zich tot de uitgever te wenden.

Eerste druk 2018 ISBN 978-90-306-8224-0 978-90-306-8209-7 D/2018/0078/92 D/2018/0078/101 Art. 569638/01 569420/01 NUR 191

Coverontwerp: B.AD Covertekening: Brun Croes Lay-outconcept: Springbok Vormgeving en opmaak: Crius Group Tekeningen: Tineke Meirink Tekeningen taalweters: Eric Bouwens Tekeningen Talentbib: Laura Janssens


THEMA

4

Speel goed, speel fout


les 4

Oma heeft talent Ik kan een hoofdstuk van een verhaal navertellen.

1

Lees het hoofdstuk. Een plan

5

10

15

Natuurlijk is elke oma bijzonder. Maar die van mij is ĂŠcht speciaal. Ik wil haar al zo lang op televisie! En op de voorpagina van de krant. Vroeger wist ik niet hoe. Maar nu heb ik een plan. Mijn oma zal beroemd worden. Wees daar maar zeker van! Ik open mijn laptop. Surf naar een website. En schrijf mijn oma in. Morgen ga ik terug bij haar langs. Dan kan ze weer lekker valsspelen. Hoe meer ze oefent hoe beter. Want straks staat ze op een podium. Voor een strenge jury. En een zaal met wel duizend mensen. Daar heb ik net voor gezorgd!

W

het hoofdstuk deel van een verhaal in een boek bijzonder speciaal beroemd bekend de jury mensen die naar optredens kijken en zeggen wat ze goed en minder goed vonden

Thema 4 - les 4

5


2

Over wie gaat de tekst? alleen over Lien alleen over oma over de jury X over Lien en oma

3

Wat weet je over Lien? Er zijn meerdere antwoorden mogelijk. Lien: X

is de kleindochter van oma. is de verpleegster van oma. is de jury van de wedstrijd. is boos omdat oma valsspeelt. X is blij omdat oma valsspeelt vindt haar oma heel grappig. X vindt haar oma heel bijzonder.

4

Waarvoor heeft Lien haar oma ingeschreven? voor een bericht in de krant voor een website X voor een tv-programma

5

Hoe schrijft Lien oma in? door een brief te schrijven X door naar een website te surfen door te telefoneren door een e-mail te sturen

6

Had jij ooit ook zo’n gek plan? Vertel het aan je partner.

7

De oma van Lien is speciaal. Waarom is jouw oma of opa speciaal?

6

Thema 4 - les 4


8

Wat zou jij willen doen? 1 2 3 4 5 6 7 8

Wil ik niet graag. Wil ik graag. Wil ik heel graag.

Dansen in een danswedstrijd Zingen in een zangwedstrijd Meespelen in een tv-quiz Meespelen in een film Meespelen in een reclamespot In het publiek zitten Een tv-show presenteren Een deelnemer zijn in een avontuurlijke wedstrijd

W

9

Doorstreep wat Lien niet wil. Lien wil dat oma in de krant komt. Lien wil dat oma op de website komt. Lien wil dat oma beroemd wordt. Lien wil dat oma de krant koopt.

het publiek mensen die komen luisteren of kijken de deelnemer iemand die meedoet

10 Als je iemand inschrijft voor een tv-show moet je veel informatie geven.

Wat zou je over jezelf vertellen?

Teken jezelf Mijn naam is

.

Mijn leeftijd is

.

Dit is mijn talent:

.

Mijn huisdieren zijn

.

Ik eet het liefste

.

Mijn lievelingskleur is

.

Thema 4 - les 4

7


11 Lees het vervolg.

5

10

W

het spotlicht

“Volgens mij zijn we te laat”, fluistert oma. “De show is al begonnen.” Ze wijst naar de zaal vol mensen. Ze klappen en joelen. “Nee hoor”, zeg ik. “We zijn net op tijd.” En ik duw haar door een zwart doek heen. Recht het spotlicht in. Er staat reeds een tafel klaar. Ik leg er het pak kaarten op.

verstijfd stil als een standbeeld

Hola oma! | Inge Bergh

Oelewapper van de week | Karla Stoefs

Oma blijft verstijfd staan. Even kijkt ze mij met open mond aan. Dan zie ik dat ze het snapt. Zonder aarzelen loopt ze op mij af. Ze haalt een kaart uit mijn neus. “Bah, wat vies!” zegt ze. En, poef, de kaart verdwijnt. Het publiek wordt helemaal gek.

Mijn oma kaart als de beste. Ze verliest geen enkel spel. Niemand kan haar verslaan. Zelfs opa niet! Hoe ze dat doet?

Oelewapper van de week Hola oma! Karla Stoefs | Mark Borgions Inge Bergh | Chris Vosters

Meer lezen? Hola oma, Inge Bergh, Talentbib 2

Ze speelt vals.

15

Elke keer weer. Maar ik heb een plan! Oma zal niet weten wat haar overkomt. Wacht maar af! Dit vergeet ze nooit meer!

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

joelen roepen, juichen, supporteren

2

30/05/17 11:59

12 Jij bent de presentator van de show. Vertel het publiek wat oma komt doen.

Spreektips: Ik praat niet te snel. Mijn stem klinkt luid en vrolijk. Ik laat horen dat ik het leuk vind! Ik oefen met mijn partner.

13 Wat is de eerste truc die oma toont?

Ze haalt een kaart uit haar eigen neus. X Ze haalt een kaart uit Liens neus. Ze maakt van één kaart drie kaarten. Ze verandert een kaart van kleur.

8

Thema 4 - les 4

W

de presentator persoon die een show of programma leidt


14 Hoe ziet het podium eruit? Teken wat ontbreekt.

15 Waarom wordt het publiek ‘helemaal gek’? X

Oma doet een kaart verdwijnen. De presentator kondigt oma aan. De show begint. De neus van Lien verdwijnt. X Oma haalt een kaart uit Liens neus.

16 Hoe denk je dat het verhaal verdergaat?

Thema 4 - les 4

9


17 Waarom fluistert oma: ‘Volgens mij zijn we te laat’? Ze ziet de zaal vol mensen en denkt dat de show al begonnen is. Ze wil niet dat het publiek

haar hoort.

18 Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een hoofdstuk van een verhaal navertellen. Ik kon vertellen welke personen er meedoen in het verhaal. Ik kon vertellen wie de ik-persoon in het verhaal is. Ik kon de vragen over het verhaal beantwoorden.

10

Thema 4 - les 4


les 5

Publiek gezocht Ik kan een uitnodiging maken en ze verzorgd overschrijven.

1

Wat is hier aan de hand?

tis! a r mg

o Ink

deren van in k e d n a A K AT TEGEM ek oekt publi Tv-show z

t2 Klopstraa Studio 1 2020 Kattegem t 16.30 u. 13.30 u. to W

2

Schrijf jullie uitnodiging.

de inkom wat je betaalt om binnen te mogen de uitnodiging kaartje waarmee je iemand op een feest vraagt

Wie?

Wat?

Waar?

Wanneer?

Thema 4 - les 5

11


3

Deel de uitnodigingen uit en vertel erbij: – wat jouw klas van plan is. – wat jullie al hebben gedaan.

4

Wat mag je niet vergeten op de dag van de show? Maak een lijst.

Dit heb je nodig: –

Denk ook hieraan:

–

Hoe vinden de gasten de weg? Zijn er zitplaatsen voor de gasten?

– – –

5

Hoe verliep de les voor jou?  Ik kon een tekst juist overschrijven. Ik kon mijn tekst nakijken en verbeteren. Ik kon beslissen of informatie belangrijk of onbelangrijk is.

12

Thema 4 - les 5


les 7

Speel met mijn kasteel Ik kan rijmwoorden bedenken. Ik kan rijmwoorden vinden in een tekst.

Wat is een rijmwoord? Rijmwoorden lijken op elkaar. Bv.  koek – broek, bang – slang, doos – boos ... Ze hebben vaak dezelfde letters achteraan, maar dat moet niet. Bv.  pauw – mouw, stad – plat, krab – hap ... Je vindt rijmwoorden vaak terug in een gedicht, maar een gedicht moet niet noodzakelijk rijmen.

beer eet peer en haas lust kaas

niets zo leuk als een leuke boot

1

Vul aan met een rijmwoord. 1 Ridder Jaak vecht met een   2 Ridder Joep houdt niet van

.

soep/snoep/troep

3 Ridder Zep rijdt met zijn 4 Ridder Joos is altijd

.

draak

.

step boos

5 Jonkvrouw Min is bang van een 6 Jonkvrouw Griet zingt graag een 7 Jonkvrouw Dee zwemt graag in

. spin

.  .

lied zee

.

Thema 4 - les 7

13


2

a Kies een zin en onderstreep de rijmwoorden. b Begin met die twee woorden een rijmketting. Wie maakt de langste? 1 Ridder Aart rijdt op zijn paard.

5 Ridder Tuur kijkt altijd zuur.

2 Jonkvrouw Bab is echt niet knap.

6 Jonkvrouw Sas draagt een gele jas.

3 Ridder Pol vecht met een trol.

7 Jonkvrouw Anoek leest in een boek.

4 Ridder Kris houdt niet van vis.

8 Ridder Prospeer vecht met een beer.

14

Thema 4 - les 7


3

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon vertellen wanneer een woord rijmt. Ik kon rijmen. Ik kon de rijmwoorden in een tekst aanduiden.

Thema 4 - les 7

15


les 10

Het geweldigste speelgoed OOIT bedacht! Ik kan ontdekken wat een reclameboodschap me wil vertellen.

1

Bekijk de reclame. 1

‘Ik blaf voor jou!’

Deze hond is zacht en lief.

W

Hij wordt vast je hartendief! Hij blaft, hij plast en houdt van spek.

de hartendief lieverd, schat

Is dat niet helemaal te gek?!

2 3

ranje.

Deze auto is o

Met dit kaart verveel je je Nspel OOIT! eel traag. Hij rijdt maar h ok niet open. De koffer kan o s. k nik Hij kan eigenlij je hem krijgt. ls a ld e st e rg u le Je bent vast te spelen? Wil jij met hem W

ALLEEN of SAM

EN. 1001 spell

4

etjes.

Iedereen kan spelen met deze klei. Je maakt wat je maar wilt. Droogt nooit uit. Wordt nooit vies. Welk idee je ook hebt, met deze klei lukt het!

16

Thema 4 - les 10

teleurgesteld droevig gevoel omdat iets niet is hoe je het graag wou je vervelen niets kunnen bedenken wat je leuk vindt om te doen


a Zet een kruisje als het klopt.

1 Wat in de reclame staat, kan echt. 2 De reclame is overdreven. 3 De tekst rijmt. 4 Als ik dit lees, wil ik spelen. 5 Dit vind ik de leukste prent. 6 Dit vind ik grappig. b Geef sterren aan de reclame. Vertel aan je partner waarom. Kleur:

2

: niet goed

: gewoon

: kan beter

: goed

: fantastisch

Lees de reclame net als op de radio. Zif zaf zoef zel. Deze auto rijdt zo snel. Vlim vlam vroem vreur. Oranje is een mooie kleur. Wiel waal wool wees. Doe je mee met onze race?

Deze auto is oranje. Hij rijdt echt supersnel! De koffer kan open. Wil jij met hem spelen?

W

3

de race wedstrijd

Hoe ging het lezen van de reclame? Geef jezelf sterren. Ik vertel het snel.

Ik maak het leuk met mijn stem.

Ik spreek duidelijk.

Thema 4 - les 10

17


4

Lees de reclame. Los de vragen op. 1

Maken jouw kinderen hun kleren ook steeds vies en vuil? Met dit wasmiddel wordt alles stralend schoon! Het ruikt zelfs naar tulpen!

W

het wasmiddel zeep om kleren te wassen

a Voor wie is deze reclame? X

Voor alle mama’s en papa’s Voor alle juffen en meesters Voor ouders van smeerpoetsen

Waarom denk je dat? b Wat betekent ‘stralend schoon’? Dat er stralen uit de gewassen kleren komen. X Dat het heel erg schoon is. Dat je een zonnebril moet opzetten om ernaar te kijken. c Waar ruikt het wasmiddel naar? Kleur in de tekst en omcirkel op de prent.

18

Thema 4 - les 10


2

Ik heet

Met een gekke pet

Katrijn

en een strikje in het haar, een jurkje met een bloem is ze helemaal klaar! Speel je mee met Katrijn? Jou vindt ze wel fijn!

a Wat ontbreekt bij de pop? Teken het! b Voor wie is de reclame? X

Voor kinderen Voor mensen die een vriend zoeken Voor mensen die willen leren hoe je poppen maakt

3

Eet nu de snoepjes van de natuur. Gezond en niet zuur! Rood, oranje of geel. Kies zelf maar hoeveel.

a Dit is reclame voor: snoepjes koekjes X snoepjes van de natuur b Wat zijn volgens jou snoepjes van de natuur? Fruit en groente zijn snoepjes van de natuur. c Kleur de zin waarin staat hoe ze smaken. d In de reclame lees ik: dat snoepjes gezond zijn. dat snoepjes van de natuur gezond zijn. dat snoepjes van de natuur tomaatjes zijn. X dat snoepjes van de natuur niet zuur zijn. X

Thema 4 - les 10

19


5

Lees de tekst. Geef de mannetjes hun naam en kleur hun trui. Iemand draagt een blauwe trui. Het eerste mannetje draagt een gele trui. Luk staat tussen zijn twee vrienden. De trui van Bart is niet rood. De trui van Jos is geel. Het mannetje in het midden draagt een rode trui.

Bart

Jos

6

Luk

De prijzen vielen weg. Lees en verbind. De klei is het duurste. Een schaar en stoepkrijt kosten evenveel. Het gekleurde papier kost minder dan klei maar meer dan een schaar. De lijm is het goedkoopste.

stoepkrijt

7 euro 20

Thema 4 - les 10

gekleurd papier

5 euro

lijm

3 euro

schaar

3 euro

klei

2 euro


7

De dieren staan netjes in de rij voor een ijsje. Wie staat waar? Kies uit: beer – kip – poes – olifant – hond De beer staat achter de kip en voor de poes. De olifant staat niet achter de poes. De kip krijgt haar ijsje al. De olifant staat tussen de hond en de poes.

1 2

kip

3 4

beer

hond

5

8

olifant poes

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon mijn mening over reclame geven. Ik kon een tekst of filmpje navertellen. Ik kon in één zin zeggen waarover de reclame gaat.

Thema 4 - les 10

21


les 12

Spel met regels Ik kan spelregels schrijven bij een spel dat ik goed ken.

Zo schrijf je spelregels:

W

Stap 1:  Vertel hoe je het spel speelt. Stap 2:  Schrijf het in een goede zin. 1

Zo speel je tikkertje! Kijk naar de prenten. Schrijf stap voor stap op hoe het spel gaat. 1

2

1 Spreek af wie de tikker is. 2 Iedereen loopt weg. 3 De tikker tikt iemand. 4 Die wordt nu de nieuwe tikker.

Ik kijk na! Ik bedacht bij elke prent een spelregel. Ik schreef die in een goede zin.

22

de spelregel afspraak over hoe je een spel speelt

Thema 4 - les 12

3

4


2

Zo speel je 1, 2, 3, piano! Kijk naar de prenten. Schrijf stap voor stap op hoe het spel gaat. 1

2

1, 2, 3, piano!

3

4

Bewogen!

1 Een kind is hem. De anderen staan klaar om te lopen. 2 Het ene kind draait zich om naar de muur en zegt: “1, 2, 3, piano!� 3 Dan staat iedereen heel stil. 4 Als je beweegt, moet je terug naar achter.

Ik kijk na! Ik bedacht bij elke prent een spelregel. Ik schreef die in een goede zin.

Thema 4 - les 12

23


3

Bedenk een regel voor dit spel.

1

2

3

4

4

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een regel bedenken bij een spel dat ik ken. Ik kon een regel zonder fouten overschrijven.

24

Thema 4 - les 12


les 14

Cowboy en indiaan Ik kan de betekenis van een woord vinden. Ik kan de letters van het alfabet opzeggen.

Ik begrijp een woord niet. Hoe los ik dat op? 1 Lees de hele zin. Kun je de betekenis afleiden uit de zin? 2 Splits het woord. Bv.  kartonfabriek = karton + fabriek = een fabriek waar men karton maakt 3 Vraag uitleg aan iemand. 4 Zoek het woord op in een woordenboek of op de computer. 1

Zoek samen de betekenis van deze woorden. Tip: Lees punt 2 uit de taalweter nog eens. knuffelbeer

2

springbal

speelhuisje

zwemband

Vul het alfabet aan.

g

b

c d e

j

k

l

m n o p

r s

t

u

v w

i

f

h q

x y z

Thema 4 - les 14

25


3

4

Bedenk samen voor elke letter een dier. A

bv. aap

N

neushoorn

B

beer

O

olifant

C

chimpansee

P

papegaai

D

duizendpoot

Q

E

ezel

R

rendier

F

fret

S

slang

G

geit

T

tijger

H

hond

U

uil

I

inktvis

V

vis

J

jachtluipaard

W

walvis

K

koala

X

L

lama

Y

M

marmot

Z

zebra

a Kleur de eerste letter van elk stuk speelgoed. b Zet de letters op de juiste plaats in het alfabet.

kraan  auto  lego  zwaard  voetbal  pop  jojo

26

a

B

C

D

E

F

G

H

I

N

O

p

Q

R

S

T

U

v

Thema 4 - les 14

j

W

k

l

M

X

Y

z


5

Voor mijn verjaardag wil ik graag ... Duid aan wat de kinderen bedoelen. Ik wil graag een ding waar je pijlen mee naar een roos moet schieten.

Zij wil graag een: X boog

geweer kanon

Zij wil graag een: skateboard rolschaatsen X fiets

Ik wil graag een ding waarmee ik kan rijden. Soms heeft het lintjes aan het stuur.

Ik wil graag een pottenbakkerswiel. Met een pottenbakkerswiel kun je: rijden X potten in klei draaien bakken

6

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon zelf de betekenis van een woord vinden. Ik kon de letters van het alfabet opzeggen. Ik kwam met mijn partner tot een oplossing.

Thema 4 - les 14

27


les 21

Petje af voor deze woorden Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken.

1

Lees de woorden. Kleur: het woord dat er niet bij hoort. het schoonmaakmiddel

het afwasmiddel

het wasmiddel

de limonade

de zeep

het gevoel

gratis

2

verdrietig

boos

Wat vind jij smerig? Schrijf twee dingen op. smerig

modder

28

Thema 4 - les 21

blij

teleurgesteld


3

Vul aan. Kies uit: beroemd – bijzonder – deelnemer – joelen – verveel me 1 Ik kan niet bedenken wat ik wil doen. Ik 2 Hoera, ik ben de volgende

van de tv-show.

deelnemer

3 Als iedereen mij op televisie ziet, ben ik 4 De mensen roepen, klappen en 5 Dat lijkt me heel speciaal. Dat lijkt me

4

.

verveel me

.

beroemd

als ze mij zien.

joelen

.

bijzonder

Wat hoort erbij? Kies uit: babbelen – smerig – het wrak – het publiek – aanstaren - de race

race

smerig

babbelen

publiek

wrak

aanstaren

Thema 4 - les 21

29


5

Maxim maakte een uitnodiging, maar er staan fouten in! Kleur de fouten. Verbeter op de regel eronder. Afscheidsbrief voor mijn verjaardagsfeest Uitnodiging Woensdag ben ik teleurgesteld. Ik geef een feestje.

jarig

De inkom is duur.

gratis

Kom jij ook? Je zal je niet amuseren.

vervelen

Het wordt heel gewoontjes!

bijzonder

Groetjes van Brecht

6

7

Maxim

Omcirkel het juiste antwoord. 1 Het hoofdstuk is de naam van een boek.

juist / fout

2 Er is veel kabaal als er veel lawaai is.

juist / fout

3 Ik kom misschien, dus ik kom absoluut.

juist / fout

4 Ik speel vals, dus ik volg de spelregels.

juist / fout

Hoe verliep de les voor jou? Ik begreep de woorden uit dit thema en kon ze gebruiken.

30

Thema 4 - les 21


THEMA

5

Proevertjes en proefjes


les 4

De proef van Sila Ik kan de hoofdpersonen uit het verhaal benoemen. Ik kan vertellen wat er in het verhaal gebeurt.

Prie, pra, proefjes! Een proef is een beproeving. Dat is iets moeilijks doen! Ga in het donker lezen of geef een vis een zoen! Refrein Prie, pra, proefjes. Wie heeft het hier goed mis? Het zijn geen foefjes. Weet jij wat een proefje is?

1

Lees deel 1.

5

“Voetballen we nog wat, voor we gaan slapen?” Jef holt al in de richting van de goal. “Yes!” gilt Sila. Ze maakt een koprol in het gras. “Ik heb geen zin”, zegt Berk. “Doe niet flauw!” roept Stan. “Een partij shotten is toch fijn.” Tegen zijn zin geeft Berk een trap tegen de bal. Die knalt met volle geweld tegen het hoofd van Jef. Wie of wat is die?

10

32

“Domoor!” joelt Stan. “Kijk toch uit wat je doet!” “Ach!” Berk lacht geniepig. “Heeft je kleine broer pijn?” Nu wordt Stan nog bozer. Hij stormt op Berk af en geeft hem een duw. Berk valt pardoes op de grond. Dan geeft Stan hem nog een trap tegen zijn schenen.

Thema 5 - les 4

W

de proef test. Je onderzoekt iets om te weten hoe het zit. de beproeving iets heel vervelends dat je meemaakt


15

20

25

“Mafketel”, tiert Sila naar Stan. “Kijk wat je deed!” Berk veegt vlug de tranen uit zijn ogen. “Doe niet flauw”, gromt Stan, “ik schopte toch niet hard.” “Welles” gilt Sila . “Ik zag het goed: je schopte keihard.” “Welnee”, verdedigt Jef zijn broer. “Het was maar een trapje van niets. Dat kan geen pijn doen. Je broer is een doetje. En jij ook!” “Hoe durf je!” Berk balt zijn vuist. “Wij zijn geen doetjes, helemaal niet. Wij kunnen heel wat. En we durven alles.” “Alles?” Jef brengt zijn vinger aan de zijkant van zijn hoofd. “Je bent een beetje gek, zeker? Niemand durft alles.” “En toch zijn we geen doetjes!” Stan knijpt zijn ogen tot spleetjes. “Kunnen jullie bewijzen dat jullie geen watjes zijn?” Knijp je ogen tot spleetjes en lees de zin die Stan zegt hardop. Waarom knijpt hij zijn ogen tot spleetjes?

30

35

40

W

“Tuurlijk kunnen we dat”, zegt Berk. “Hoe?” vraagt Stan. Hij lacht wat vals. “Eh, eh ...” “Ik heb een idee,” roept Jef, “we gaan jullie testen.” Sila kijkt raar. “Testen?” Jef lacht zijn tanden bloot. “Je moet een proef doen.” “Geen probleem,” doet Berk stoer, “we durven alles.” Maar Sila twijfelt. “Welke proef?” “Wacht even”, zegt Jef. Hij trekt zijn broer opzij en fluistert in zijn oor. Stan lacht zijn tanden bloot.

tieren

heel hard roepen

het doetje

bangerik

stoer

als je veel durft

Thema 5 - les 4

33


2

Wie zegt wat? a Schrijf de namen onder de prenten. b Geef de kaders van de namen dezelfde kleur als de kinderen familie zijn van elkaar.

We gaan jullie testen!

Welke proef?

3

4

Sila

Jef

Wij zijn geen doetjes!

Berk

Doe niet flauw!

Stan

Nummer de zinnen in de juiste volgorde. 5

Jef en Stan bedenken een proef.

3

Berk zegt dat Sila en hij geen doetjes zijn.

1

Sila, Jef, Berk en Stan voetballen.

2

Stan en Berk maken ruzie.

4

Sila en Berk moeten van Stan laten zien dat ze geen doetjes zijn.

a Omcirkel het antwoord dat het best past. Bespreek het met je partner. 1 Sila is ... flauw – lief – eerlijk – bang – bazig – saai – vervelend – stom – stoer, omdat 2 Stan is ... flauw – lief – eerlijk – bang – bazig – saai – vervelend – stom – stoer, omdat b Doorstreep het woord dat niet past bij Sila en Stan.

34

Thema 5 - les 4

W

bespreken samen over iets praten


5

Kruis aan. 1 “Yes!” gilt Sila! Dat doet ze omdat: ze geen Nederlands spreekt. ze graag wil voetballen. ze goed kan koprollen. ze de voetbalwedstrijd wint.

X

2 “Mafketel!” tiert Sila tegen Stan. Waarom roept ze dat? Stan noemt haar een watje. Berk wil niet voetballen. Berk en Stan maken ruzie. X Stan schopt tegen de schenen van Berk. 3 Waarom fluistert Jef in het oor van zijn broer? X

De anderen mogen nog niet weten wat de proef is. Hij zegt niets, hij doet alsof. Hij heeft keelpijn en kan niet luid praten. Hij wil een grapje maken.

6

Kleur een zin die vertelt dat: Berk tegen zijn zin voetbalt. Stan begint te vechten. Jef ook met een gebaar zegt dat Sila gek is.

Thema 5 - les 4

35


7

Lees deel 2 van het verhaal. Stan

Durven jullie naar de oude boer gaan?

Sila

Die boer in het dreefje achter het kerkhof?

Berk Yep! 5

Stan

Durven jullie dat, straks als het donker wordt?

Verteller

Berk en Sila knikken volop.

Berk en Sila Ja!

10

15

20

25

Stan

Je moet wel bewijzen dat je er was!

Sila

Hoe dan?

Stan

Je moet een kip meebrengen.

Verteller

De ogen van Berk en Sila worden groot.

Sila

Een kip? Van bij die boer?

Verteller

Stan knikt. Berk en Sila zeggen geen woord.

Jef

En ... Het moet een grijze kip zijn met witte stippen! Dan weten we zeker dat het een kip is van bij die boer! Niemand anders hier in de buurt heeft zulke kippen.

Verteller

Stan grinnikt.

Stan

En? Doen jullie het?

Verteller Berks gezicht klaart meteen uit. Maar Sila kijkt somber. Haar hoofd gaat heel zacht van links naar rechts. Maar Berk doet alsof hij dat niet merkt. En hij geeft Sila een ferme por in haar zij. Berk

We doen het! Zusje, wij kunnen dat! Dat is een fluitje van een cent!” “Je moet een proef doen”, zeggen ze. “In het donker.” “Geen probleem”, doet Berk stoer, “we durven alles.” Maar Sila is er niet gerust in ...

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Geen doetjes? | Moniek Vermeulen

De broers Stan en Jef dagen Berk en zijn zus Sila uit.

Oelewapper van de week Geen doetjes? Karla Stoefs | Mark Borgions Moniek Vermeulen | Laura Janssens

2

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

W

Meer lezen? Geen doetjes?, Moniek Vermeulen, Talentbib 2

30/05/17 11:59

zijn gezicht klaart uit

hij wordt blij

somber

triest

ferm stevig een fluitje van een cent gemakkelijk 36

Thema 5 - les 4


8

Kleur in de tekst de zin die vertelt: waar Sila en Berk naartoe moeten gaan. wat ze moeten meebrengen. wanneer ze moeten gaan dat Sila bang is. dat Berk en Sila de proef gaan uitvoeren.

9

a In het verhaal van Sila is een proef: iets om op te eten. een experiment. een toets. X een moeilijke opdracht.

W

het experiment test in een laboratorium

b Welke proef deed jij al eens? c Vind jij jezelf een doetje? Waarom (niet)?

10 Gaan Sila en Berk de proef echt uitvoeren? Schrijf in drie zinnen hoe ze het oplossen.

11 Maak met drie of vier een groepje. Neem ieder drie praatkaartjes en bespreek:

1 Wie zou jij willen zijn: Jef of Sila? Waarom? 2 Verzin een andere proef voor Sila en Berk. 3 Verzin een proef voor een ander groepje. Zorg ervoor dat de proef spannend maar ook leuk en veilig is. 4 Wissel de proeven uit. 5 Durven jullie de uitdaging aan? Waarom (niet)?

Thema 5 - les 4

37


12 Hoe verliep de les voor jou?

Ik kon de personen uit het verhaal benoemen. Ik kon vertellen wat er in het verhaal gebeurt. Ik kon vertellen hoe de hoofdpersonen zich voelden. Ik las een tekst expressief voor. Ik werkte goed samen met mijn partner.

38

Thema 5 - les 4


les 5

Mmm, een proevertje! Ik kan informatie uit een tekst halen en juist overschrijven.

Prie, pra, proefjes! Een proevertje is eten. De kok heeft het gemaakt. En vond je tong het lekker, dan zeg je: ‘t Heeft gesmaakt!

W

Refrein

het proevertje klein hapje

Prie, pra, proefjes. Wie heeft het hier goed mis? Het zijn geen foefjes. Weet jij wat een proefje is?

1

Vul de recepten aan.

W

STAP 1: Lees het recept. STAP 2: Geef het gerecht een passende naam. STAP 3: Omcirkel of het over een hapje, voorgerecht, hoofdgerecht of dessert gaat. STAP 4: Vul in voor hoeveel personen het is. STAP 5: Kleur de koksmuts:

het recept stappen die je moet volgen om een gerecht klaar te maken het gerecht maaltijd de boodschappenlijst lijst met dingen die je moet kopen noteren opschrijven

als je het gerecht meteen kunt opeten. als je even moet wachten. als je uren moet wachten. STAP 6: Wat moet je kopen? Vul het boodschappenlijstje aan. Tip: Noteer alleen eetbare dingen.

Thema 5 - les 5

39


1

Naam van het recept: wraps (met zalm of ham) Dit is een hapje / voorgerecht / hoofdgerecht / dessert voor 20 personen. cirk

Om

el

Benodigdheden

Boodschappenlijstje

• een snijplank • een mes • een schaar • plasticfolie • tandenstokers • een koelkast

• 4 boterhammen • 1 potje roomkaas • bieslook • 4 plakjes zalm of ham

Zo maak je het: 1 Snijd de korsten van de boterham. 2 Smeer roomkaas op het brood. 3 Snijd bieslook fijn. 4 Strooi de bieslook over de roomkaas. 5 Leg zalm of ham op het brood. 6 Rol het brood op en doe er plasticfolie rond. 7 Doe dat vier keer na elkaar. 8 Zet de wraps een half uur in de koelkast. 9 Doe de plasticfolie weg. 10 Snijd de wraps in schijfjes. 11 Prik er tandenstokers in. Je hebt nu genoeg schijfjes voor 20 vrienden!

W

de benodigdheden spullen die je nodig hebt om iets te maken de wrap rolletje, komt van het Engelse woord voor oprollen

40

Thema 5 - les 5


2

Naam van het recept: aardbeien-ijsjes Dit is een hapje / voorgerecht / hoofdgerecht / dessert voor cirk

Om

6

personen.

el

Benodigdheden

Boodschappenlijstje

• een snijplank • een mes • een weegschaal • een maatbeker • een mixer • 6 ijsvormpjes • een diepvries

• 1 bakje aardbeien • een kwart liter yoghurt • 4 eetlepels suiker

Zo maak je het: 1 Was de aardbeien. 2 Verwijder de steeltjes. 3 Snijd de aardbeien in stukjes. 4 Doe ze in een mixer. 5 Voeg een kwart liter yoghurt toe. 6 Voeg 4 eetlepels suiker toe. 7 Mix alles fijn tot er geen stukjes meer zijn. 8 Giet in de ijsvormpjes. 9 Laat vier uur in de diepvries staan. 10 Je hebt nu zes heerlijke aardbeien-ijsjes. Smakelijk!

Thema 5 - les 5

41


3

Naam van het recept: salade (met kaas, hesp en ei) Dit is een hapje / voorgerecht / hoofdgerecht / dessert voor cirk

Om

4

personen.

el

Benodigdheden

Boodschappenlijstje

• een snijplank • een mes • een kommetje • een lepel • 4 borden

• een handvol sla • 1 tomaat • een halve komkommer • 1 hardgekookt ei • 1 blok kaas • 1 blok hesp •

mayonaise

•

ketchup

Zo maak je het: 1 2 3 4 5 6

Was de sla, tomaat en komkommer. Snijd de tomaat in kleine stukjes. Snijd de halve komkommer in schijfjes. Pel het hardgekookte ei en snijd het in schijfjes. Snijd kaas en hesp in blokjes. Roer een lepel mayonaise met een lepel ketchup in een kommetje. 7 Leg wat sla op vier borden. 8 Leg er tomaat en komkommer op. 9 Versier met de blokjes kaas en hesp en het ei. 10 Giet er wat saus over. Smullen maar! 42

Thema 5 - les 5


4

Naam van het recept: groentesoep Dit is een hapje / voorgerecht / hoofdgerecht / dessert voor

8

personen.

l

irke

c Om

Benodigdheden

Boodschappenlijstje

• een snijplank • een mes • een dunschiller • een grote pot • een fornuis • een maatbeker • een mixer • een pollepel • 8 soepkommetjes

• 1 ui • 1 prei • 1 paprika • 3 wortels • 1 pastinaak • een blokje groentenboullion • 2 liter water •

peper

•

zout

Zo maak je het: 1 Pel de ui. 2 Was de prei 3 Snijd de paprika in twee en verwijder de zaadjes. 4 Schil de wortels en de pastinaak. 5 Snijd alle groenten in kleine stukjes. 6 Zet een grote pot met wat boter op het fornuis. 7 Voeg de ui toe en roer voorzichtig. 8 Doe er de andere groenten bij. 9 Giet 2 liter water in de pot. 10 Voeg een blokje groentebouillon toe. 11 Laat twintig minuten koken. 12 Mix de groentesoep. 13 Kruid met peper en zout. 14 Vul acht soepkommetjes.

Thema 5 - les 5

43


2

a Maak je eigen recept. Volg het stappenplan. STAP 1: Bekijk de boodschappenlijstjes uit oefening 1. STAP 2: Kleur vijf ingrediënten die je wilt gebruiken. Zorg dat ze bij elkaar passen! STAP 3: Schrijf de ingrediënten over op een kladpapier. STAP 4: Wat wil je ermee klaarmaken? Bespreek met je partner. STAP 5: Bedenk een naam voor je gerecht. Schrijf die op je kladpapier.

W

het stappenplan stappen die je moet doorlopen om een proef uit te voeren het ingrediënt iets dat nodig is om een gerecht te maken: bv. kruiden, groenten, vlees

STAP 6: V ertel in vijf stapjes wat je moet doen om het te maken. Noteer de stapjes op je kladpapier. STAP 7: Leg je recept uit aan een ander duo. STAP 8: Kijk je werk na. Ik kijk mijn recept na! Ik gebruikte vijf ingrediënten. De vijf ingrediënten passen bij elkaar. Ik vertelde in stapjes hoe je het maakt. Ik denk dat het lekker smaakt.

STAP 9: Als je zeker bent dat je een toprecept hebt, schrijf je het over. b Maak een tekening van je gerecht. Noteer in twee zinnen wat je gaat tekenen.

44

Thema 5 - les 5


Mijn toprecept! Naam kok: Naam gerecht: Zo maak je het:

Thema 5 - les 5

45


3

Verzin een lekker dessert! Noteer hoe je het maakt. Kies uit: hagelslag – slagroom – yoghurt – ijs – aardbeien – frambozen – chocolade – koekjes – snoepjes Mijn topdessert! Naam kok: Naam gerecht: Zo maak je het:

4

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de informatie die ik nodig had uit een tekst halen. Ik kon een nieuw recept bedenken. Ik schreef het recept juist, duidelijk en verzorgd over. Ik kon iets beschrijven door te voelen, ruiken, proeven en kijken.

46

Thema 5 - les 5


les 7

Ik proef korte en lange zinnen Ik kan meer vertellen door een zin langer te maken.

1

Kleur telkens: de zin die het meeste vertelt. – De trein vertrekt. – De trein vertrekt om acht uur in het station van Lokeren.

– Heeft iemand mijn blauwe sjaal met hartjes gezien? – Heeft iemand mijn sjaal gezien?

– Ik eet graag. – Ik eet niet graag bloemkool en tomaat.

Wat is een zin? We spreken altijd in zinnen. Zinnen kunnen heel kort zijn, of heel lang. Een zin moet niet lang zijn om een boodschap over te brengen.

Beste Secretarisvogel, Ik woon in het bos en houd veel van brieven schrijven, maar nu vraag ik me af of u eigenlijk ook van brieven schrijven houdt? Groetjes, Eekhoorn

Beste Eekhoorn

,

Ja. Groetjes, Secretarisvoge l

Dit is een zin!

Thema 5 - les 7

47


2

a Antwoord met een korte zin. b Zeg hetzelfde met een lange zin. Wat is je hobby? kort: lang: Wat eet je graag? kort: lang:

3

Schrijf de delen van de zin in de juiste volgorde. Lees hem voor aan je partner. 1 naar zee – Morgen – op kamp – ik – ga Bv. Morgen ga ik op kamp naar zee. 2 het spel – Amina – op de speelplaats – gisteren – won Bv. Amina won gisteren het spel op de speelplaats. 3 lusten – worst – geen – Mijn zus en ik Mijn zus en ik lusten geen worst.

4

Maak met de zinsdelen twee verschillende zinnen. Kies uit: om het plein – een rondje – Marie – loopt zin 1: Bv. Marie loopt een rondje om het plein. / Loopt Marie een rondje om het plein? zin 2: Marie loopt een rondje. / Marie loopt.

48

Thema 5 - les 7


5

a Maak een zo lang mogelijke zin. Kies uit: door de wei – Sila en Berk – gisteren – liepen – als apen – naar de koe – om mama te doen lachen Tip: Je hoeft niet alles te gebruiken. Bv. Om mama te doen lachen liepen Sila en Berg gisteren als apen door de wei naar de koe. b Hoeveel zinsdelen heb je gebruikt?

6

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon goede zinnen bouwen. Ik kon de delen in de zin van plaats veranderen. Ik kon meer vertellen door een zin langer te maken. Ik ontdekte dat korte zinnen minder vertellen dan lange zinnen. Ik werkte goed samen met mijn partner.

Thema 5 - les 7

49


les 10

Spannend, een proefje! Ik kan belangrijke informatie uit een tekst halen.

Prie, pra, proefjes! Een proef doe je in ‘t labo Dat heet ‘experiment’. Je leert iets over stoffen of vindt iets onbekend. Refrein Prie, pra, proefjes. Wie heeft het hier goed mis? Het zijn geen foefjes. Weet jij wat een proefje is?

Volg het stappenplan. Ga geconcentreerd aan de slag. Zo ben je professor voor één dag!

Stap 1: Lees de strip. Stap 2: Vul in wat je gaat testen. Stap 3: Doorstreep de zinnen die niet bij de proef horen of vul het lijstje met benodigdheden aan. Stap 4: Toon je taalschrift aan je juf of meester. Stap 5: Neem het kopieerblad en voer de proef uit. Doe dat stap voor stap. Stap 6: Schrijf op je kopieerblad wat je ziet. Stap 7: Ruim alles op. Stap 8: Schrijf in je taalschrift wat je zag.

50

Thema 5 - les 10


1

W

Voer proef 1 uit. Volg de stappen. Stap 1:  Lees de strip.

drijven op het water blijven liggen

Deze proef gaat over een ei.

Mmm... gaan we een omelet bakken?

zinken onder water gaan, naar de bodem zakken

Nee, de proef gaat over zinken en drijven.

Aha, ik snap het al! Je wilt testen of een ei blijft drijven!

Stap 2: Wat test je met deze proef? Ik test of een ei blijft drijven. Stap 3:  Doorstreep de zinnen die niet bij de proef horen. Wat moet je doen? – Neem een glas met koud water en een glas met lauw water. – Neem een bord en gooi het theezakje erin. – Doe er 3 klontjes suiker bij. – Doe drie soeplepels zout in het glas met lauw water. – Zet het bord even in de diepvries. – Roer goed in het glas met lauw water. – Zet een vergiet klaar in de wasbak. – Leg een ei in het glas met koud water. – Haal het bord uit de diepvries. – Leg het andere ei in het glas met lauw water.

Wat heb je nodig?

Stap 4 tot 7:  Aan de slag! Voer stappen 4 tot en met 7 uit. Vergeet je kopieerblad niet.

Dit heb je nodig: - 2 eieren - een glas met koud water - een glas met lauw water - 3 soeplepels zout

W

lauw tussen warm en koud

Thema 5 - les 10

51


Stap 8: Schrijf op wat je zag.

1 Teken het ei. Wat heb je gezien? Is de proef gelukt?

Koud water Het ei 2 Kun je het zout in het water nog zien?

Lauw water met zout zinkt

.

Het ei

drijft

nee

3 Hoe kom je te weten of het zout nog in het glas is? Ik proef van het water.

2

Voer proef 2 uit. Volg de stappen. Stap 1:  Lees de strip. Help je me met balletjes rollen?

Mmm... Voor de soep?

52

Thema 5 - les 10

Nee, voor een proef. Het zijn balletjes van klei.

Aha, ik snap het al! Je wilt testen of klei blijft drijven!

.


Stap 2:  Wat test je met deze proef? Ik test of klei blijft drijven. Stap 3:  Doorstreep de zinnen die niet bij de proef horen. Wat moet je doen? Wat heb je nodig? – Neem twee handenvol klei. – Neem een schaar en lijm. Dit heb je nodig: – Maak een bal van klei. - een blokje klei – Leg de lijm boven je blaadje. – Maak ook een bootje van klei. - een kom met – Dat doe je door de klei een beetje plat te rollen. water – Leg de schaar onder je blaadje. - een deegrol of – Wissel de schaar en lijm nu van plaats. een fles om de – Neem de bol klei en leg die in de kom met water. klei plat te rollen – Neem dan de boot en leg die in de kom met water. – Kleef de lijmstift aan het blaadje vast. – Wat zie je? Stap 4 tot 7:  Aan de slag! Voer stappen 4 tot en met 7 uit. Vergeet je kopieerblad niet. Stap 8:  Schrijf op wat je zag.

Wat heb je gezien? Is de proef gelukt?

Teken de bol klei en het bootje.

Ik doe de bol klei in de kom. De bol

zinkt

Ik doe het bootje van klei in de kom.  .

Het bootje

drijft

.

Thema 5 - les 10

53


3

Voer proef 3 uit. Volg de stappen. Stap 1: Lees de strip. Kobus, schil jij één mandarijn?

Tijd voor een vieruurtje?

Nee, we testen of een mandarijn met of zonder schil drijft.

Ik denk dat de mandarijn zonder schil drijft. En jij?

Stap 2: Wat test je met deze proef? Ik test of mandarijnen met of zonder schil drijven. Wat denk jij dat er zal gebeuren? De mandarijn zonder schil blijft drijven. De mandarijn met schil blijft drijven. Beide mandarijnen blijven drijven. Beide mandarijnen zinken. Stap 3: Lees de proef. –  Markeer wat je klaar moet zetten. –  Vul het lijstje met benodigdheden aan. Wat heb je nodig? Wat moet je doen? – Pel één mandarijn. – Leg ook één mandarijn met schil Dit heb je nodig: klaar. – Neem een kom met water. - 2 mandarijnen – Leg er de mandarijn zonder schil in. – Leg er de mandarijn met schil in. - een kom - water -

Stap 4 tot 7: Aan de slag! Voer stappen 4 tot en met 7 uit. Vergeet je kopieerblad niet.

54

Thema 5 - les 10


Stap 8: Schrijf op wat je zag. 1 Omcirkel de juiste tekening. Wat heb je gezien? Is de proef gelukt?

2 De mandarijn drijft door: het water

de kom

X de schil

3 Ik vond dit experiment: stom

4

interessant

saai

nuttig

Voer proef 4 uit. Volg de stappen. Stap 1: Lees de strip. Oh, zilverpapier! Maak je iets lekkers?

Nee, ik maak een boot die kan drijven.

Wat ga je daar dan mee doen?

Ik zoek uit hoeveel knikkers er in de boot kunnen voor hij zinkt.

Stap 2: Wat test je met deze proef? Ik test hoeveel knikkers in een boot van zilverpapier kunnen voor die zinkt. Wat denk jij? Hoeveel knikkers kunnen meevaren voor het bootje zinkt? Eén knikker Tussen één en vijf knikkers Meer dan vijf knikkers Dat kun je niet weten. Thema 5 - les 10

55


Stap 3: Lees de proef. –  Markeer wat je klaar moet zetten. –  Vul het lijstje met benodigdheden aan. Wat moet je doen – Vul een kom met water. – Vouw een bootje van zilverpapier. – Zet je boot op het water. – Vul je boot met knikkers.

Wat heb je nodig? Dit heb je nodig: - een kom - water - zilverpapier - knikkers

Een boot maken van zilverpapier? Dat klinkt gemakkelijker dan het is. Je vouwde vast al eens een boot van papier. Maar zilverpapier scheurt sneller dan papier. Is het dan wel een goed idee om van zilverpapier een boot te vouwen? Bootjes van papier kantelen snel als je er iets inlegt. Dat is niet de bedoeling! Zilverpapier is zwaarder dan water. Een bolletje van zilverpapier zinkt. Maar echte boten zijn vaak van staal en die drijven ook. Het geheim voor een goede boot van zilverpapier is dit: W Hoe vlakker je boot is, hoe beter hij drijft. Zorg er dus voor dat de bodem van je boot zo vlak mogelijk is! Hoe groter je boot, hoe meer gewicht hij kan dragen. Dat is logisch. Je kruipt toch ook niet met honderd mensen in één kano? Welk van deze ‘bootjes’ van zilverpapier zal het gemakkelijkste drijven? X

56

Thema 5 - les 10

vlak plat


Stap 4 tot 7: Aan de slag! Voer stappen 4 tot en met 7 uit. Vergeet je kopieerblad niet. Stap 8: Schrijf op wat je zag. 1 Er kunnen Wat heb je gezien? Is de proef gelukt?

2 In een kleinere boot kunnen: meer knikkers. evenveel knikkers. X minder knikkers. 3 Ik vond dit experiment:   stom

5

knikkers in het bootje voor het zinkt.

interessant

saai

nuttig

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een stappenplan gebruiken om een opdracht uit te voeren. Ik kon me aan de afspraken houden. Ik kon vertellen wat ik moest onderzoeken. Ik kon de informatie die ik nodig had uit een tekst halen. Ik werkte goed samen met mijn partner.

Thema 5 - les 10

57


les 12

Doe de proef Ik kan de ontbrekende informatie in een tekst aanvullen.

1

2

Verbind wat bij elkaar hoort.

professor Sofie

Kobus

Sila

smaken

een beproeving

een experiment

Proef 1: Wat is magnetisch? a Vul de benodigdheden aan.   1  een duimspijker 2

een gom

3

een potlood

4  een paperclip 5  een splitpen

1

2

3

4

5

6

7

8

9

6 een magneet 7

een elastiekje

8

een papiertje

9

een sleutel W

58

Thema 5 - les 12

de magneet voorwerp dat dingen van ijzer aantrekt


b Zo voer je de proef uit! Vul het stappenplan aan. 1

2

3

4

Stap 1: Neem de magneet in je hand. Stap 2: Ga met de magneet over de duimspijker. Stap 3: Wat gebeurt er? De magneet trekt de duimspijker aan. Stap 4: Beweeg de magneet over de andere voorwerpen. Wat zie je? Schrijf de voorwerpen in de juiste kolom. Magnetisch Het blijft aan de magneet hangen.

Niet-magnetisch Het blijft niet aan de magneet hangen.

duimspijker

elastiekje

sleutel

papier

paperclip

potlood

splitpen

gom

Stap 5: Wat test je met deze proef?

Ik test welke dingen magnetisch zijn.

Thema 5 - les 12

59


3

Proef 2: Kan peper zwemmen? a Vul de benodigheden aan. 1

2

4

een diep bord

2 water 1

3

peper

4

afwasmiddel

3

b Zo voer je de proef uit! Vul het stappenplan aan. 1

2

3

Stap 1: Giet het water in een diep bord. Stap 2: Doe peper in het water. Stap 3: Doe een beetje afwasmiddel op je vinger. Stap 4: Stop je vinger in het water. Stap 5: Wat gebeurt er met de peper? De peper drijft naar de rand van het bord.

60

Thema 5 - les 12

4


4

Proef 3: Kan papier droog blijven onder water? a Vul de benodigdheden aan. 1

2

1

een kom

2 water 3

papier

4

een glas

3 4

b Zo voer je de proef uit! Vul het stappenplan aan. 1

2

3

4

Stap 1: Giet het water in de kom. Stap 2: Maak een prop van het papier. Stap 3: Stop de prop papier in het glas. Stap 4: Draai het glas om en duw het recht naar beneden in de kom met water. Stap 5: Wat zie je als je het glas weer uit het water haalt? Het papier is nog droog.

Thema 5 - les 12

61


5

Proef 4: Wat is statische elektriciteit? a Lees de proef.

Heb je dit al eens gevoeld? Je raakt iemands hand aan en er knettert iets. Heb je al eens een prik gevoeld als je de auto opent? Heb je je trui al horen knisperen als je hem uittrekt? Dat zijn allemaal voorbeelden van statische elektriciteit. Je kunt ook zelf statische elektriciteit maken. Hoe doe je dat? Als je snel en stevig over een ballon wrijft met een wollen trui, gebeurt er iets. Er springen dan deeltjes van de wol over naar de ballon. Je ziet dat niet met je blote oog, maar de ballon is dan elektrisch geladen. Hou die ballon nu boven het hoofd van iemand met lang haar. Je ziet dan dat de haren naar de ballon toe gaan. Je hebt elektriciteit gemaakt door met de wol over de ballon te wrijven! Dat heet statische elektriciteit. Kleur in de tekst: wat je onderzoekt met deze proef. b Vul de benodigdheden aan. 1 een ballon 2 een wollen trui 3 iemand met lang haar

62

Thema 5 - les 12


c Zo voer je de proef uit! Vul het stappenplan aan. 1

2

3

4

Stap 1: Blaas de ballon op. Stap 2: Knoop de ballon vast. Stap 3: Wrijf de ballon tien keer op en neer over de wollen trui. Stap 4: Houd de ballon boven het hoofd van iemand met lang haar. Stap 5: Wat gebeurt er? Het haar gaat recht omhoog staan. Is je proef gelukt? ja/nee Kun je nog andere voorbeelden geven van statische elektriciteit? Bv. Wanneer je van een glijbaan glijdt.

6

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon de benodigdheden bij een proef aanvullen. Ik kon het stappenplan van een proef aanvullen. Ik kon duidelijk en verstaanbaar vertellen over het experiment. Ik kon het proefje uitvoeren met een zelfgemaakt stappenplan. Ik werkte goed samen met mijn partner.

Thema 5 - les 12

63


les 14

?!. Ik kan zeggen waarom een zin met een punt, vraagteken of uitroepteken eindigt.

1

Lees de strip. 1 Oh nee, stop!

Waarmee moet ik stoppen? 3

4 Nu is ze gestopt.

2 Stop ermee!

a Bij elke tekstballon staat een cijfer. Schrijf dat bij het juiste deel van de taalweter.

Ken ik deze vier soorten zinnen? Eek! Een muis!

Ga weg, muis! Hoe heet jij, muisje?

1

de uitroep

3

de vraag

De muis is weg.

2

b Kleur: de tekstballon die jij het leukste vindt.

64

Thema 5 - les 14

het bevel

4

de mededeling


2

3

Schrijf het juiste leesteken achter elke zin. 1 Help je even ?

5 Zwijg !

2 Ik ga niet mee . of !

6 Mag ik je schaar gebruiken ?

3 Hij weet niet hoe het moet .

7 Deze namiddag bakken we een taart .

4 Nee, nee, nee !

8 Bel de dokter !

Kleur bij de professor en bij Kobus: de tekstballon met de boodschap die jij het leukste vindt.

Het zou fijn zijn mocht je daar niet aankomen.

Zou je daar af willen blijven?

at et d s? h t i kom zout e o o H z oep s e d

De soep smaakt veel te zout!

Blijf eraf!

Daar kom je beter niet aan!

De s zoute oep smaak r dan t gewoo nlijk.

Bah! Vieze soep!

Thema 5 - les 14

65


4

Schrijf het in ĂŠĂŠn zin. a Je wilt dat je buur stopt met fluiten. 1 Vertel dat je het niet leuk vindt. 2 Vraag het vriendelijk. 3 Zeg dat hij moet stoppen. b Je vriendin pakte je koek af. 1 Vertel dat je het niet leuk vindt. 2 Vraag je koek vriendelijk terug. 3 Zeg dat ze moet stoppen.

5

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon het juiste leesteken op het einde van de zin plaatsen. Ik ontdekte dat een leesteken de boodschap van de zin verandert. Ik kon een zin juist lezen door naar het leesteken te kijken.

66

Thema 5 - les 14


les 21

Proefjes met woorden Ik kan woorden uit dit thema verklaren en ze gebruiken.

1

Schrijf het nummer bij het juiste lijstje. 1   benodigdheden

3   experiment

2   boodschappenlijst

4   recept

5   stappenplan

4

Maak een saus van het gehakt en de tomaten. Doe er knoflook door. Strooi er zout en peper over. Kook de spaghetti in tien minuten gaar. 2

pak w aspoe der kip brood plakje s 2 fless kaas en lim onade

Proef met olie en water  1

• drinkglas • water • olie

3

5

Stap 1:  Giet een beetje olie in het glas. Stap 2: Giet er wat water bij. Stap 3: Wacht even. Stap 4: Wat gebeurt er?

Thema 5 - les 21

67


2

Zet de woorden op de juiste plaats. Kies uit: beproeving – doetje – staren – stoer Sam is nergens bang voor. Hij is heel

.

stoer

Maar nu komt hij twee grote honden tegen. De beesten

hem aan.

staren

Sam moet langs de honden. Het is eng. Het is een

beproeving

!

Sam denkt: Ik ben toch geen

.

doetje

Hij haalt diep adem. Hij loopt langs de honden. Ze doen niks!

3

Welk woord hoort bij de prent? Kies uit: somber – het gerecht – de magneet – zinken

4

gerecht

zinken

somber

magneet

Bekijk de prenten. Drijven ze of zinken ze?

drijft X zinkt

68

Thema 5 - les 21

X drijft

X drijft

zinkt

zinkt

drijft X zinkt


5

6

Zoek bij elk woord een rijmwoord uit het thema. Tip: Zoek op je kopieerblad. 1 stroef

de proef

4 beer

noteer

2 boer

stoer

5 beet

de magneet

3 gezegd

het gerecht

6 gauw

lauw

Wat heb je nodig om het gerecht te maken? Maak een boodschappenlijst. Recept: broodje hamburger

Boodschapp

Zo maak je het:

•

hamburge

•

broodjes

•

sla

•

tomaat

•

ketchup

1 2 3 4 5

7

Bak de hamburgers in de pan. Snijd de broodjes doormidden. Leg sla en schijfjes tomaat op de broodjes. Leg daar de hamburger op. Doe er ketchup op.

enlijst rs

Hoe verliep de les voor jou? Ik begreep de woorden uit dit thema en kon ze gebruiken.

Thema 5 - les 21

69


70


THEMA

6

Hoeden en deksels


les 4

Een stom geschenk Ik kan vertellen wat het hoofdpersonage in het verhaal beleeft.

1

Lees deel 1 van het verhaal. Beantwoord de vragen.

Een stom geschenk

5

10

W

“Mag ik naar Sep?” vraagt Konijn. Sep is de beste vriend van Konijn. “Natuurlijk”, zegt mama. “Doe hem vele groeten.” “Neem een wafel mee voor Sep”, zegt papa. Opa zet de hoed op de kop van Konijn. “Zo kan Sep je mooie hoed zien”, lacht hij. Konijn loopt slechtgemutst naar buiten. De hoed is veel te groot en zakt voor zijn ogen. Ik sta voor aap, denkt Konijn. Bam! Konijn knalt tegen een boom. Gelukkig heeft hij zich geen pijn gedaan. “En ik zie niets met die hoed”, moppert hij. Wat een stom geschenk!

slechtgemutst zijn

een slecht humeur hebben

voor aap staan

er belachelijk uitzien

ergens tegen knallen ergens hard tegenaan botsen a Wie is het hoofdpersonage in het verhaal? Konijn b Waarom is het hoofdpersonage slechtgemutst?

W

het hoofdpersonage belangrijkste persoon van het verhaal

Zijn hoed is veel te groot. c Vertel twee dingen over het hoofdpersonage. 1 Bv. Konijn is jarig. Konijn krijgt een hoed voor zijn verjaardag. Konijn is niet blij met 2 zijn geschenk. Konijn heeft een vriend die Sep heet. Hij krijgt een kaartspel van Sep.

72

Thema 6 - les 4


Maar ook over ons!

Wie zijn de personages in een verhaal? Een verhaal gaat altijd over iets of iemand. Dat zijn de personages. Beeld je in:

Dit verhaal gaat over mij!

>> Waar zijn ze?   In het bos, bij grootmoeder ... >> Wat gebeurt er met ze?   Ze verdwalen, ze worden opgegeten ... >> Hoe voelen ze zich?   Bang, boos, blij ...

Ik ben dus het hoofdpersonage.

Hoe meer je je inleeft, hoe leuker het verhaal wordt! Sommige personages zijn belangrijker dan anderen. Erg belangrijke personages noemen we hoofdpersonages.

2

Kleur in de tekst: de zin die zegt wie Sep is. wat konijn meeneemt voor Sep.

3

Wat vindt Konijn vervelend aan de hoed? Hij is voor meisjes. Hij heeft een rare vorm. X

4

Hij is te groot en zakt voor zijn ogen.

Waarom zegt Konijn: ‘Ik sta voor aap’ (regel 12)? Met de hoed lijkt hij wel een aap. Omdat de hoed te groot is, loopt hij als een aap. X

5

Voor aap staan betekent dat je er belachelijk uitziet.

Hoe komt het dat Konijn tegen een boom loopt? Zijn hoed is veel te groot en zakt voor zijn ogen.

Thema 6 - les 4

73


6

Lees deel 2 van het verhaal.

Een prima tafel

5

10

15

“Gelukkige verjaardag, Konijn!” Konijn duwt de wafel in de poten van Sep. Sep neemt een ferme hap en smakt. “Heerlijk, heel lekker. Wil je ook een hap, Konijn?” De buik van Konijn zit bomvol. Konijn schudt zijn kop en kijk boos. “Dus geen spel voor de computer”, zegt Sep. Konijn knikt. Hij kijkt Konijn verdrietig aan. “En ik kan het je ook niet geven. Een game is veel te duur, Konijn. Daar heb ik geen geld voor. Sorry!” Konijn krijgt van Sep een mooi kaartspel. De snoet van Konijn klaart op. Dat is een pak beter dan een stomme hoed. Wat bedoelt Konijn met dat? Vertel het aan je partner.

20

Hij wil dolgraag een spel voor zijn computer. Maar wat een pech! Mama en papa geven hem een trui. Opa komt met een hoed af! Een stomme hoed … Konijn kan wel janken. Maar … Juist die hoed zet het leven van Konijn op zijn kop.

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Een hoed voor Konijn | Brigitte Minne

Konijn is jarig.

“Zin om te spelen?” vraagt Sep. “En of”, zegt Konijn. De vrienden gaan op de grond zitten. “We moeten een tafel, Sep. Anders worden de kaarten vies.” Sep wijst naar de hoed op de kop van Konijn. Konijn vindt dat zo’n leuk idee! De hoed is een prima tafel.

Oelewapper van de week Een hoed Karla Stoefs | Mark Borgions

voor Konijn Brigitte Minne | Marije Tolman

Meer lezen? Een hoed voor konijn, Brigitte Minne, Talentbib 2

En nog niet zo’n klein beetje.

Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

2

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

74

Thema 6 - les 4

30/05/17 11:59

W

de game computerspel

opklaren vrolijk worden


7

a Kleur in de tekst: welk geschenk Konijn graag voor zijn verjaardag wil. b Welk geschenk wil jij graag voor je verjaardag? Teken het hier.

8

a Waarom kocht Sep het droomgeschenk van Konijn niet? Een game is te duur. b Welk geschenk wilde je zelf ooit heel graag, maar kreeg je niet? c Waarom heb je dat geschenk niet gekregen, denk je?

9

Het was te duur.

Het was voor oudere kinderen.

Het was gevaarlijk.

Het was te groot.

Het maakte veel lawaai.

Er was een andere reden.

Kleur de zin die vertelt: dat Konijn geen wafel wil. dat Sep de wafel wel lust. wat ze gebruiken om op te kaarten.

10 a De tekst is:

een tekst met informatie over hoe konijnen leven. echt gebeurd. X

een fantasieverhaal.

b Wat uit het verhaal kan echt gebeuren? Schrijf één ding op. bv. Een game bestaat echt, een konijn loopt tegen een boom ... c Wat uit het verhaal kan niet echt gebeuren? Schrijf één ding op. bv. Een konijn kan praten, een konijn draagt een hoed, konijnen spelen een game ... Thema 6 - les 4

75


11 a Noteer de titels van de twee delen.

Titel 1: Een stom geschenk Titel 2: Een prima tafel b Verzin een nieuwe, passende titel voor elk deel. Titel 1: Bv. Een hoed voor Konijns verjaardag Titel 2: Bv. Een leuk kaartspel, Op bezoek bij Sep ...

12 Neem een post-it en maak zelf een vraag over de tekst.

STAP 1: Gooi met de dobbelsteen. STAP 2: Kijk met welk woord je vraag moet beginnen. Bv. Wat STAP 3: Maak met dat woord een vraag over het verhaal. Bv. Wat wil Konijn voor zijn verjaardag? STAP 4: Schrijf je vraag op de post-it en hang die op het bord. Tip: Zorg dat je zelf het antwoord op je vraag kent.

13 Hoe verliep de les voor jou?

Ik kon vertellen wat het hoofdpersonage in het verhaal beleeft. Ik kon vertellen of het verhaal echt gebeurd is. Ik werkte goed samen met mijn partner.

76

Thema 6 - les 4

W

de titel naam van een boek of een tekst


les 5

Een hoed voor Konijn Ik kan een verhaal juist en verzorgd overschrijven zodat ik het later opnieuw kan lezen.

1

Noteer een antwoord bij elke vraag. Gebruik het stappenplan.   STAP 1:  Lees de vraag. STAP 2:  Overleg met je groep. STAP 3:  Schrijf jullie antwoord op. a Wie komt Konijn tegen? Beschrijf dat dier. Vertel er twee dingen over. b Wat is het probleem? c Hij lost het probleem op door zijn hoofddeksel te gebruiken. Wat doet hij? W

overleggen

samen praten over wat je moet doen

beschrijven

vertellen hoe iets eruitziet

het hoofddeksel

hoed, muts of sjaal. Iets dat je op je hoofd zet.

Deed ik het goed? In ons verhaal: komt Konijn een ander dier tegen. vertellen we twee dingen over hoe dat dier eruitziet. gebruikt Konijn zijn hoofddeksel om het probleem op te lossen. Thema 6 - les 5

77


2

Vul het verhaal van Konijn aan.

Het is een mooie dag. Toch staat Konijn er nog beteuterd bij. Wat moet hij nu toch doen met die hoed? Hij is veel te groot en zakt steeds voor zijn ogen. Ik laat hem hier gewoon liggen, denkt hij. Hij wil net de hoed neerleggen ... W

Deed ik het goed? Ik schreef het verhaal helemaal op. Ik kan het verhaal goed lezen. Iemand anders kan lezen wat ik geschreven heb.

78

Thema 6 - les 5

beteuterd bedroefd omdat iets niet gaat zoals je verwacht


3

Maak een tekening bij het verhaal.

4

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon bedenken hoe een verhaal verdergaat. Ik kon een verhaal juist en verzorgd overschrijven. Ik gebruikte de schrijftips om mijn werk te verbeteren. Ik werkte goed samen met mijn groep.

Thema 6 - les 5

79


les 7

Een enkelvoud en veel meervouden Ik kan zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud en het meervoud plaatsen.

Wat is een zelfstandig naamwoord? Zelfstandige naamwoorden zijn woorden die een naam geven aan personen, dingen, planten en dieren: >> personen >> dingen >> planten >> dieren

boom

papa, directeur, Carlos, juf, Anna ... kast, lijm, deur, schaar ... cactus, eik, roos ... hond, schaap, dinosaurus ...

Wat betekent enkelvoud? Wat betekent meervoud? Aan zelfstandige naamwoorden kun je horen en zien of het gaat om eentje (enkelvoud) of meer dan eentje (meervoud). In de meeste gevallen voeg je s of en toe aan het enkelvoud. Bv.  enkelvoud meisje bed mens

meervoud meisjes bedden mensen

Er zijn ook bijzondere meervouden: Bv.  enkelvoud

meervoud

kind kinderen ei eieren moeilijkheid moeilijkheden koe koeien

80

Thema 6 - les 7


1

Geef de klep van iedere pet de juiste kleur.

enkelvoud

deuren

fee

kat

2

meervoud

petten

jas

mannen

beer

konijn

bevers

varken

roos

eik

ezels

schrift

boer

boeven

hoeden

kind

Vul aan.

enkelvoud (één)

meervoud (meer dan één)

1 bloem

bloemen

2 kat

katten

3 broek

broeken

4 vlinder

vlinders

5 koek

koeken

6 broer

broers

7 hoed

hoeden

8 vogel

vogels

9 pet

petten

10

11

Thema 6 - les 7

81


3

a Maak met je buur een woordslang van personen, dieren, planten en dingen. Elk woord begint met de laatste letter van het vorige woord. Bv. plant, tand, deur, rat ... Tip: Gebruik zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud. hoed

d

b Maak een woordslang met dieren in het enkelvoud. Hoe ver geraak je? Let op! Je mag elk dier maar één keer gebruiken.

4

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon uitleggen wat enkelvoud betekent. Ik kon uitleggen wat meervoud betekent. Ik kon voorbeelden geven van zelfstandige naamwoorden in het enkelvoud. Ik kon voorbeelden geven van zelfstandige naamwoorden in het meervoud.

82

Thema 6 - les 7


les 10

Op bezoek in het hoedenmuseum Ik kan de juiste informatie uit een tekst halen.

1

Zoek je weg in het museum. Stap 1:  Kijk naar de foto’s. Kies er met je partner drie uit. Stap 2:  Schrijf nummer 1, 2 en 3 bij de foto’s. Stap 3:  Lees de teksten. Markeer in de tekst de naam van de hoed.

W

het museum plaats waar je oude of bijzondere dingen kunt bekijken markeren

Stap 4:  Los samen de vragen op. Stap 5:  Al klaar? Kies nog een tekst.

Thema 6 - les 10

83


Tekst 1

5

Wat zeg je? Een kaboutermuts? Nee hoor! Deze muts is al erg oud. Misschien droeg jouw overgrootvader ze wel. Het is een slaapmuts. Je zette ze op als je naar bed ging. In de huizen was toen nog geen verwarming. In de winter kwam de koude binnen door spleetjes en kieren. Met een muts bleef je hoofd toch lekker warm.

a Dit is een

slaapmuts

Je zet ze op als je

.

gaat slapen

.

b Kleur in de tekst: waarom mensen vroeger een slaapmuts droegen. c Deze hoed draag je: om mooi te zijn. als bescherming. zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. om geen haartjes te verliezen. X om het warm te hebben.

84

Thema 6 - les 10

W

de bescherming iets dat ervoor zorgt dat je veilig bent. Met een helm bescherm je je hoofd.


Tekst 2 

5

Deze muts ken je vast en zeker. Ze bestaat al heel lang. Dit hoofddeksel wordt gedragen door een kok. Sommige mutsen zijn gemaakt van stof, andere uit papier. Zo weet je wie er kookt in het restaurant. Maar dat is niet de enige reden om een koksmuts te dragen. Door de muts komen er geen haren of zweetdruppels in het eten. Jij wilt toch ook geen haar in je soep?

a Dit is een

koksmuts

b Wie draagt dit hoofddeksel?

 . een kok

c Waarom draag je een koksmuts? Geef twee antwoorden. Zo weet je wie de kok is. Zo komen er geen haren of zweet in het eten. d Wat mag de kok voor jou klaarmaken? e Dit hoofddeksel draag je: om mooi te zijn. als bescherming. X zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. X om geen haartjes te verliezen. om het warm te hebben.

Thema 6 - les 10

85


Tekst 3 

5

10

Nee, dit is geen politiepet of een pet van de brandweer. Er staat een posthoorn op. Dat is een soort toeter. Het is dus de pet van een postbode. Lang geleden konden maar weinig mensen lezen en schrijven. Veel post was er dus niet. De post werd naar de stad gebracht met een koets. Als hij eraankwam, blies de postbode op de posthoorn. De mensen konden dan hun brief ophalen. Ze konden er ook een meegeven voor iemand anders. Nu brengt de postbode de post naar je huis.

a Dit is de pet van een

postbode

 .

b Wat is post? Bespreek het met je partner. c Hoe wisten de mensen dat de post er was? De postbode blies op de posthoorn. d Waarom was er vroeger niet veel post? Er waren toen niet veel mensen die konden lezen of schrijven. e Naar wie stuurde jij al eens een brief met de post? f Dit hoofddeksel draag je: om mooi te zijn. als bescherming. X zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. om geen haartjes te verliezen. om het warm te hebben.

86

Thema 6 - les 10


Tekst 4

5

10

Profwielrenners droegen vroeger een f ietshelm zoals op de foto. In de wielersport is een helm allang verplicht. Dat betekent dat je hem moet dragen. Ook als je dat niet leuk vindt. Want als je valt, kun je gewond raken. Dan moet je hoofd goed beschermd zijn. Een f ietshelm moet goed zitten. Hij past als je één vinger tussen de helm en je voorhoofd kunt steken. De helm mag namelijk ook niet te vast zitten. Verder moet hij stevig zijn en tegen een stootje kunnen.

a Dit is een

fietshelm

.

b In de wielersport moet je een helm dragen: dat is c Als je beroep wielrennen is, ben je een

verplicht

profwielrenner

.

.

d Wanneer past je helm? Als hij strak zit. X Als je één vinger tussen je helm en je voorhoofd kunt steken. Als je hem mooi vindt. e Fietshelmen zien er nu anders en een stuk steviger uit. Teken de jouwe. f Draag jij een helm? Waarom (niet)? Bespreek het met je partner. g Dit hoofddeksel draag je: om mooi te zijn. X als bescherming. zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. om geen haartjes te verliezen. om het warm te hebben.

Thema 6 - les 10

87


Tekst 5

5

10

Dit is koningin Mathilde. Zij woont in een paleis. Ze draagt een tiara. Dat is een soort diadeem of kroon gemaakt uit goud. Hij is versierd met diamanten. Op deze tiara staan wel tweehonderd diamanten! Natuurlijk is een tiara erg veel geld waard. Een prinses of koningin draagt soms een tiara. Dat doet ze natuurlijk niet als ze in de tuin gaat werken. Een tiara zet ze alleen op voor een belangrijk feest. Zo’n tiara is soms meer dan honderd jaar oud. Koningin Mathilde kreeg deze tiara van een vroegere koningin van België.

a Wat is de naam van deze kroon? Dit is een tiara. b Wie draagt een tiara? een prinses of een koningin c Waarom is een tiara heel duur? Hij is gemaakt van goud en versierd met diamanten. d Dit hoofddeksel draag je: X

om mooi te zijn. als bescherming. zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. om geen haartjes te verliezen. om het warm te hebben.

88

Thema 6 - les 10

W

het paleis huis van een koning of koningin


Tekst 6

5

10

15

Dit hoofddeksel draag je met carnaval in een carnavalstoet. Zo’n hoed heet een steek. ‘Prins carnaval’ herken je aan de mooiste steek. Zijn steek heeft de meeste en langste fazantenveren. Sommige veren zijn bijna een meter lang. Wil je zelf prins carnaval worden? Daar zijn regels voor. Je moet 17 jaar of ouder zijn. Je moet in het dorp of de stad wonen. Iemand van buiten het dorp of de stad mag dus niet meedoen. De mensen moeten jou de meeste stemmen geven. Dat gaat zo. Tijdens de verkiezingsavond mogen de mensen stemmen op de persoon die zij als prins willen. Wie de meeste stemmen krijgt, mag een jaar prins carnaval zijn. Hij gaat mee met de stoet of optocht en is baas van het feest!

a Hoe heet deze carnavalshoed?

W

de optocht stoet van mensen die plezier maken. Soms zijn ze verkleed en rijden er versierde wagens mee.

een steek

b Maak van de hoed een echte prins carnavalhoed. c Een ander woord voor stoet is

.

optocht

d Je kunt niet zomaar prins carnaval worden. – Je moet – Je moet

17

jaar of ouder zijn.

in het dorp of de stad

– De mensen moeten op jou

stemmen

wonen.  .

e Zou jij graag in een carnavalstoet willen meestappen? Waarom (niet)? Bespreek het met je partner. f Waarin zou jij je verkleden? g Dit hoofddeksel draag je: X

om mooi te zijn. als bescherming. X zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. om geen haartjes te verliezen. om het warm te hebben.

Thema 6 - les 10

89


Tekst 7

5

10

Is dit wel een hoofddeksel? Ja, hoor. Het is een operatiemuts. Een dokter die gaat opereren, zet ze op. Zo’n dokter heet een chirurg. De muts is heel belangrijk. De chirurg opereert soms uren aan een stuk. De muts houdt dan haren en zweet tegen. Zo komen die niet in de wonde van een ziek persoon terecht. De muts is vaak groen. De kleren van de chirurg ook. Groen brengt rust. Als de chirurg een kind opereert, kiest hij een leukere muts. Die heeft dezelfde vorm, maar er staan bijvoorbeeld diertjes op.

a Dit is een

operatiemuts

.

b Wat is een chirurg? Dat is een dokter die opereert. c Geef twee redenen waarom een chirurg een operatiemuts draagt. 1 De muts houdt zweet tegen. 2 De muts houdt haartjes tegen. d Waarom is de muts groen? Die kleur brengt rust. e Ben jij al eens geopereerd? Waarom was dat nodig? f Dit hoofddeksel draag je: om mooi te zijn. X als bescherming. zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. X om geen haartjes te verliezen. om het warm te hebben.

90

Thema 6 - les 10


Tekst 8

5

10

Dit is een ridderhelm. Een ridder was vroeger in dienst bij een kasteelheer. Hij moest het kasteel en zijn bewoners beschermen. Soms moest hij ook oorlog voeren. Bij het vechten, droeg hij een harnas en een helm. Hij had ook een zwaard, een schild en een lans. Dat is een lange speer. Ridders konden goed paardrijden. Als er feesten waren op het kasteel werd er soms een tornooi gehouden. Twee ridders vochten dan tegen elkaar. Ze probeerden de andere ridder van zijn paard te duwen met een lans. De winnaar kreeg een zak met goud of een zoen van de prinses.

a Dit is een

ridderhelm

W

het harnas ijzeren pak dat een ridder beschermt het tornooi wedstrijd met paarden

.

b Verbind.

harnas

lans

c Een ridder werkte voor een

schild

kasteelheer

zwaard

.

d Schrijf twee taken van een ridder op. Hij moest het kasteel en zijn bewoners beschermen. Hij moest soms oorlog voeren. e Hoe heet een wedstrijd tussen ridders? f Waarmee reed een ridder?

een tornooi

een paard

g Dit hoofddeksel draag je: om mooi te zijn. X als bescherming. zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. om geen haartjes te verliezen. om het warm te hebben. Thema 6 - les 10

91


Tekst 9 

5

Hier zie je nog een pet. Er staan vleugels op getekend. Het heeft dus iets met vliegen te maken. Misschien kun je al raden van wie ze is? De persoon met deze pet draagt er ook een blauw pak bij. Op de mouw staan gouden streepjes: 1, 2, 3 of 4 stuks. Hoe meer streepjes je hebt, hoe belangrijker je bent. Wie een pilotenpet draagt, moet goed kunnen zien en mag niet kleurenblind zijn.

a Dit is een

pilotenpet

 .

b Welk vervoermiddel past bij dit beroep?

een vliegtuig

c Wanneer zat jij daar al eens in? Vertel erover aan je partner. d Welk deel van je gezicht moet haast perfect in orde zijn? je ogen e Waarom moet je zo goed kunnen zien? Je moet alles vanuit het vliegtuig goed kunnen herkennen, ook de kleuren. f Hoe kun je zien wie de kapitein of de baas is? Je kunt dat zien aan de gouden streepjes die op zijn of haar mouw staan. Hij of zij heeft de meeste streepjes. g Dit hoofddeksel draag je: om mooi te zijn. als bescherming. X zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. om geen haartjes te verliezen. om het warm te hebben.

92

Thema 6 - les 10


Tekst 10

5

10

Misschien zag jij al eens een indiaan in een f ilm. Bij de indianen noem je de baas het opperhoofd. Je werd niet zomaar opperhoofd of stamhoofd. Daarvoor moest je de meeste veren of pluimen verzamelen in je leven. Die veren moest je verdienen. Een pluim kreeg je pas als je iets goeds of moedigs had gedaan voor de indianenenstam. De veren waren van een adelaar, dat is een reuzegrote vogel. Met al die veren werd een hoofdtooi gemaakt. Indianen leven nu nog, maar dragen andere kleren. Voor een groot feest dragen ze nog wel een hoofdtooi.

a Hoe heet het hoofddeksel van een opperhoofd? een hoofdtooi b Van welke vogel komen de veren van een hoofdtooi? Die komen van een adelaar. c Kleur in de tekst: een ander woord voor ‘baas van de indianen’. een ander woord voor ‘een groep indianen die samen leven’. d Jij verdient vast ook een pluim. Schrijf hier iets goeds of dappers dat je al eens deed. e Dit hoofddeksel draag je: X

om mooi te zijn. als bescherming. X zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. om geen haartjes te verliezen. om het warm te hebben.

W

een pluim verdienen/geven tegen iemand zeggen dat die iets goed kan, er mooi uitziet ...

Thema 6 - les 10

93


Tekst 11 

5

10

Dit is wel een heel gekke hoed. Er hangt een sluier aan. Die sluier heet een kapruin. Deze hoed dient niet om je te verstoppen. Het is de hoed van een imker. Een imker is iemand die met bijen werkt. Meestal heeft hij een aantal bijenkorven of bijenkasten. De bijen halen nectar uit de bloemen. Die nectar brengen ze naar de bijenkast. Ze maken er honing van. De imker haalt de honing uit de kast. Maar bijtjes steken al eens. Daarom beschermt de imker zich met een kapruin. Die is wit, want daar worden bijen rustig van.

a Dit is een

kapruin

 .

b Hoe heet iemand die met bijen werkt? een imker c Kleur in de tekst: wat de bijen uit de bloemen halen. d De imker draagt een kapruin omdat hij geen e De kapruin is

wit

want daar worden bijen

steek

van de bijen wil.

, rustig

van.

f Ben jij al eens gestoken door een wesp of een bij? Bespreek het met je partner. g Dit hoofddeksel draag je: om mooi te zijn. X als bescherming. zodat iedereen weet wie je bent of wat je doet. om geen haartjes te verliezen. om het warm te hebben.

94

Thema 6 - les 10


Tekst 12

Wie is Robin Hood?

5

10

15

We weten niet of Robin Hood echt heeft bestaan. Er werden wel verhalen over hem verteld die de hele wereld kent. Robin Hood leefde in Engeland. Hij hielp de arme mensen in zijn streek door rijken te overvallen en hun geld te roven. We weten dus ook niet zeker welke hoed Robin droeg. Een groen hoedje met een veer? Of had hij een kap over zijn hoofd? In Engeland noem je een kap: ‘hood’. Op een dikke tak van een eikenboom zat Robin Hood. Hij hield zich schuil tussen de takken en de bladeren. Hij had een pijl en boog in zijn hand. De bandietenleider floot naar zijn vrienden en weer kwam er een regen van pijlen op de koets van de prins neer. ‘Onthoud het goed: dit woud is van mij!’ riep hij. De prins en zijn mannen vluchtten weg. Ze werden uitgelachen door de bandieten. ‘We hebben weer een mooie buit!’ riep een van ‘de vrolijke volgelingen’. ‘Wat gaan we met het geld doen?’ ‘Ik weet nog wel enkele arme families die wat geldstukken kunnen gebruiken!’ riep Robin hem vrolijk toe.

a Welk soort hoed droeg Robin hood?

een kap of hood

b Teken zijn hoed op de lege plek in de kast op pagina 83. c Robin Hood was een boef, maar ook een held. Leg dat uit. Hij was een boef, want hij roofde geld van de rijken. Hij was een held, want hij hielp de arme mensen. d Teken wat de buit in dit verhaal zou kunnen zijn.

Thema 6 - les 10

95


2

Wat vond je van de teksten? Ga terug naar pagina 83. Kleur daar het passende duimpje.

3

Ik maak zelf een infokaart voor in het hoedenmuseum. STAP 1:  Kies een hoed uit het hoedenmuseum van de klas. Verklap aan niemand welke hoed je koos. STAP 2:  – Hoe heet je hoed? – Hoe ziet de hoed eruit? – Waarvoor gebruik je de hoed? STAP 3:  Laat raden welke hoed je koos!

Dit hoofdde

ksel is een  .

4

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon goed overleggen met mijn partner over welke tekst we kozen. Ik kon de juiste informatie in de tekst vinden. Ik kon de tekst in mijn eigen woorden navertellen. Ik werkte goed samen in groep.

96

Thema 6 - les 10


les 12

Kom naar onze mega-hoedenshow Ik kan een goede aff iche met de juiste informatie erop maken.

1

Bekijk de aff iches. Overleg met je partner of ze goed zijn. W

Affiche 1

Affiche 2

SCHOOL DE BLOESEM ORGANISEERT OP ZONDAG 16 MAART

GOOCHELSHOW

de aff iche poster die vertelt waar en wanneer er een show, toneelstuk of concert plaatsvindt

Affiche 3

send, bruisend bruisend, brui

animatie

inkom 3 euro

plezier

Kinderruilbeurs

ZAAL DE SCHUUR

14 u.

VAARTWEG 1, PUTTE

Sporthal Bonheiden

za 13 juli  d 4, Lint    Paalsteenvel g   extra parkin   zaal ‘forum’

voorzien  k en ijs

an   terras met dr

Inkom gratis

Op de aff iche staat:

vanaf 13 u.

Op de aff iche staat:

Op de aff iche staat:

wat er gebeurt. Er staat een titel op de aff iche. wanneer het gebeurt. om hoe laat het begint. waar je moet zijn. hoeveel je moet betalen.

wat er gebeurt. Er staat een titel op de aff iche. wanneer het gebeurt. om hoe laat het begint. waar je moet zijn. hoeveel je moet betalen.

wat er gebeurt. Er staat een titel op de aff iche. wanneer het gebeurt. om hoe laat het begint. waar je moet zijn. hoeveel je moet betalen.

De aff iche ziet er leuk uit. Ik kan alles goed lezen.

De aff iche ziet er leuk uit. Ik kan alles goed lezen.

De aff iche ziet er leuk uit. Ik kan alles goed lezen.

Thema 6 - les 12

97


2

Maak zelf een aff iche. a Schrijf de informatie over. Wat? Wanneer? Om hoe laat? Waar? Hoeveel kost het? Andere: b Bedenk een titel voor jullie aff iche. c Controleer jullie aff iche. Op onze aff iche staat: wat er gebeurt. Er staat een titel op de aff iche. wanneer het gebeurt. om hoe laat het begint. waar je moet zijn. hoeveel het kost. Onze aff iche ziet er leuk uit. Wij kunnen alles goed lezen.

98

Thema 6 - les 12


3

Maak een presentatie voor de hoedenmodeshow. STAP 1:  Kies de hoed die jij zult dragen. STAP 2:  Wat wil je over de hoed vertellen?

W

de modeshow show waarin bijvoorbeeld mooie kleren of een mooie hoed getoond worden

STAP 3:  Schrijf op: – Wie of wat stel je voor? – Hoe ziet je hoed eruit? – Waarvoor wordt hij gebruikt? – Wat is er speciaal aan je hoed? Hier zie je ons model: (naam) Hij/zij draagt een

4

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon informatie juist en volledig overschrijven. Ik hield rekening met de mening van een ander. Ik kon een aff iche bespreken en zeggen wat er (minder) goed aan is. Ik werkte goed samen met mijn partner.

Thema 6 - les 12

99


les 14

Wat is een eigennaam? Ik kan van een zelfstandig naamwoord zeggen of het een eigennaam is of niet.

1

Schrijf hier je naam en familienaam.

Wat is een eigennaam? Hoe heet jij?

Noor?

Finn!

We hebben allemaal een eigen naam. Die schrijven we met een hoofdletter. Ook dieren, dingen of plaatsen hebben soms een eigen naam. Die eigennamen schrijven we ook met een hoofdletter. Bv.  Mijn hond heet Bas. Die mannetjes zijn van Playmobil. Ik woon in de stad Brussel. Eigennamen zijn dus zelfstandige naamwoorden.

2

a Onderstreep in elke tekst de dieren, personen, planten en dingen (zelfstandige naamwoorden). b Kleur in de teksten: de eigennamen. Tekst 1 Midden in de tuin staat een roos. Een haas huppelt erheen. ‘Ik ben Hector!’ roept het haasje. ‘Mijn naam is Roosje’, zegt de bloem. Tekst 2 Ik ben Siemen. Ik woon in de Hogeweg in Mechelen dicht bij de rivier de Dijle. Ons huis maakte ik na met blokken van Lego. Mijn mama geeft een applaus.

100

Thema 6 - les 14


Tekst 3 Dit zijn mijn dieren. Dit is Knabbel, het konijn. Daar loopt Zwartje, mijn poes. Onze hond heet Max. O ja, we hebben ook een vis. Hoe hij heet? We noemen hem gewoon Vis. Tekst 4 Madelief woont in Antwerpen, dicht bij een vijver. Rond de vijver groeit riet. Madelief heeft ook een vriendin die Riet heet. De poes van Riet heet Minoes. Minoes houdt van madeliefjes.

3

a Schrijf de zelfstandige naamwoorden bij de juiste hoed. – Bij de hoed van de clown: alle eigennamen. – Bij de toverhoed van Mil: alle andere zelfstandige naamwoorden. Kies uit: Heylen – Aalst – roos – Ruben – hoed – juf – Beukenlaan – paard – Roos – maan b Bedenk nog drie woorden bij elke hoed.

roos

Heylen

hoed

Aalst

juf

Ruben

paard

Beukenlaan

maan

Roos

Thema 6 - les 14

101


4

Vul in. Let op: gebruik enkel eigennamen! Jan woont in Hij woont in de Zijn beste vriend heet Hij heeft een kat die

5

op nummer 5.  . heet.

Zijn hond heet

.

Binnenkort gaat Jan op reis naar

.

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon zelfstandige naamwoorden in een tekst aanduiden. Ik kon eigennamen herkennen en benoemen. Ik kon mijn eigen naam met een hoofdletter schrijven.

102

.

Thema 6 - les 14


les 16

Ik schrik me een hoedje Ik kan een gedicht spannend laten klinken door er geluiden bij te maken.

1

Lees het stappenplan. STAP 1:  Spreek af wie het gedicht voorleest. – Oefen het een paar keer hardop. – Gebruik de groene tips. STAP 2:  Spreek af wie de geluiden maakt. – Kies één of twee geluiden. – Oefen met de anderen. – Welk geluid moet eerst? – Gebruik de blauwe tips.

2

Lees het gedicht en volg de aanwijzingen.

W

je een hoedje schrikken heel hard schrikken

Hoedje

Het eerste geluid begint. De geluiden klinken zachtjes.

Stt... Ik hoor iets in de gang. Wacht even. De geluiden worden een beetje luider.

De deur gaat langzaam open ... Wacht even. Lees wat sneller en luider: Ik ben een beetje bang! Lees bijna fluisterend: Ik durf niet weg te lopen ... Hap naar adem. Ik zie ... De geluiden stoppen.

Een klein, wit voetje. Wacht even. Ah poes, ik schrok me een hoedje!

3

Hoe verliep de les voor jou? Ik kon een gedicht spannend laten klinken door er geluiden bij te gebruiken.

Thema 6 - les 16

103


les 21

Petje af voor deze woorden Ik kan woorden uit dit thema verklaren en gebruiken.

1

a Kleur: het woord dat er niet bijhoort. gebouwen

het museum

het paleis

de school

het park

b Vul twee woorden in. hoofddeksels

de pet

2

de helm

Bekijk de prent.  a Wat zie je?

Het toneelstuk

een aff iche – een museum – een modeshow b Wat staat in blauwe letters? Omcirkel het juiste antwoord. het hoofddeksel – de titel – de optocht c Kleur op de prent: de naam van het hoofdpersonage.

Suza

en de toverhoed wordt gespeeld op 9 mei in basisschool De Triangel. Het begint om 2 uur.

104

Thema 6 - les 21


3

Wat zie je op elke afbeelding? knallen – beteuterd – de titel – de modeshow

Oelewapper van de week | Karla Stoefs Een deksels geschenk | Brigitte Mine

Robin gaat vaak naar bompa. Hij is oud en woont in een tehuis. Bompa was vroeger kok. Robin is ook gek op koken. Hij bakt voor bompa en kookt soep. Op een dag heeft Robin een deksels plan. Hij wil bompa de verrassing van zijn leven bezorgen.

beteuterd Haal meer uit dit boek! Ga snel naar bingel.be.

5

Karla Stoefs | Mark Borgions Brigitte Mine | Richard Verschraagen

titel

modeshow

knallen

2

Th 1_Oelewapper van de week_COVER.indd Alle pagina's

4

Oelewapper de week Een deksels van geschenk

30/05/17 11:59

Hoe zeg je het anders? voor aap staan

Je hebt een heel slecht humeur.

slechtgemutst zijn

Je schrikt ergens heel hard van.

je een hoedje schrikken

Je ziet er heel raar uit.

Kleur: twee woorden die er niet bij horen.

de auto

de ridder het harnas de f iets

de helm

het schild

Thema 6 - les 21

105


6

Beschrijf de kleren jij nu aanhebt. Bv.: Ik draag een rood vest met een rits en blauwe letters. Ik heb en en ook nog

7

Hoe verliep de les voor jou? Ik begreep de woorden uit dit thema en kon ze gebruiken.

106

Thema 6 - les 21

 .


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
TALENT 2: taalschrift B - correctiesleutel by VAN IN - Issuu