Skip to main content

Thuis bij Jan Steen

Page 1


THUIS BIJ JAN STEEN

Op de schilderijen van Jan Steen (1626–1679) lijkt het altijd feest. Er wordt gedanst en gespeeld, muziek gemaakt, gedronken en gelachen. Zijn levendige werken hebben een tijdloos karakter en toveren nog altijd een glimlach op het gezicht van de kijker. In 2026 viert Museum De Lakenhal Jan Steens 400ste verjaardag met een feestelijk overzicht van zijn schilderijen in de tentoonstelling: Thuis bij Jan Steen – 400 jaar leven in de brouwerij

Leiden is de geboortestad van Jan Steen. Hij bracht er de eerste 22 jaar van zijn leven door, volgde onderwijs aan de Latijnse School en bouwde via zijn familie belangrijke contacten op die hem op het pad van het kunstenaarschap brachten. Hoewel Steen in de loop van zijn leven regelmatig verhuisde – hij woonde ook in Den Haag, Delft, Warmond en Haarlem – bleef Leiden een constante. Steeds keerde hij terug naar zijn geboortestad, waar hij ook zijn laatste levensjaren, van 1670 tot en met 1679, doorbracht en in de Pieterskerk werd begraven. In zowel de tentoonstelling als deze publicatie besteden we daarom aandacht aan het belang van de stad en aan de wisselwerking tussen Steen en de vele Leidse kunstenaars met wie hij zich omringde.

Jan Steen was niet alleen een begaafd schilder, maar bovenal een briljante verhalenverteller. Met humor en een scherp oog voor detail verbeeldde hij het alledaagse leven in herkenbare taferelen, waarin nog altijd veel te ontdekken en te lachen valt. Tegelijkertijd schuilt achter die vrolijkheid vrijwel altijd een diepere betekenis. Regelmatig geeft hij kinderen de rol om met veelzeggende gebaren commentaar te leveren op het bandeloze gedrag van volwassenen, die vrijwel altijd het slechte voorbeeld geven. Vaak gebruikt hij zichzelf en zijn grote gezin als model in zijn schilderijen. Hierdoor voelt zijn werk persoonlijk aan, bijna alsof je bij hem thuis bent.

Precies een eeuw geleden werd de verjaardag van Jan Steen ook in Leiden gevierd. Museum De Lakenhal organiseerde toen een grootschalige overzichtstentoonstelling waarvoor schilderijen uit alle hoeken van de wereld naar Leiden werden gehaald. Met ongeveer zeventig werken was dit, en is het nog steeds, de grootste Jan Steen-tentoonstelling ooit. Koningin Wilhelmina trad op als beschermvrouwe en bezoekers stroomden vanuit het hele land toe. Net als nu wilde het museum de Leidse meester in zijn geboortestad eren en de enorme veelzijdigheid van zijn oeuvre laten zien. Het is indrukwekkend om te zien hoe onze voorgangers honderd jaar geleden zo’n ambitieuze tentoonstelling wisten te realiseren.

Anders dan in 1926, hebben we anno 2026 bewust gekozen om alleen schilderijen uit Nederlandse collecties te lenen. Want hoewel veel spectaculaire stukken van Steen zich in het buitenland bevinden, is er een enorme rijkdom aan bijzondere Steens in ons eigen land aanwezig. In museale collecties zoals die van het Rijksmuseum, Museum Boijmans Van Beuningen, Mauritshuis en het Frans Hals Museum. Maar ook in de verzamelingen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en vele particulieren, onder meer dankzij bemiddeling van de Hoogsteder Museum Stichting. Zo hebben we in de tentoonstelling én in dit boek, de sterke collectie Steens uit Museum De Lakenhal kunnen verrijken met bekende publiekslievelingen, maar ook met zelden getoonde werken uit privébezit. Ik ben de bruikleengevers zeer dankbaar voor hun genereuze steun. Ook wil ik graag Gerdien Verschoor bedanken, die het essay schreef, en conservatoren Janneke van Asperen en Lea van der Vinde als samenstellers van de tentoonstelling.

Jan Steen nodigt uit tot kijken, lachen en meedoen. Zijn wereld is vol leven, vol verhalen en nog altijd vol herkenning. Met deze tentoonstelling en dit boek vieren we zijn veelzijdigheid, zijn verbeeldingskracht en zijn blijvende band met Leiden.

Tanja Elstgeest

Directeur Museum De Lakenhal

De Jan Steen-tentoonstelling van 1926 in Museum De Lakenhal

FEESTEN, FRATSEN EN FONKELING: KIJKEN NAAR HET WERK VAN JAN STEEN

GERDIEN VERSCHOOR

Als je op een zonnige ochtend met de trein aankomt in Leiden, het station verlaat en de Stationsweg in wandelt, heb je er geen idee van. Kantoortorens en woongebouwen steken hoog boven alles uit. Oorverdovend lawaai klinkt vanachter hoge bouwhekken. Fietsers slalommen om elkaar heen, een enkele voetganger trekt een sprintje om de trein nog te kunnen halen. Is dit de stad waar Jan Steen werd geboren, waar de Leidse fijnschilders tot bloei kwamen, de stad waar honderden stillevens, landschappen en kroegscènes de wanden sierden in huizen van gegoede burgers?

Stevig doorlopen dan maar, op zoek naar de sporen van Jan Steen. De singels over, rechtdoor, via de Blauwpoortsbrug en het Kort Rapenburg de Breestraat in. Pas als je dan de eerste straat rechts neemt en halthoudt bij het Brouckhovenshofje, krijg je er gevoel bij: hier, op de Papengracht, zijn alle stadsgeluiden ineens ver weg. Het hofje werd gesticht in 1631–1640 en Jan Steen, als jongetje van tien, woonde hier pal naast, op nummer 16/18. Hij moet de bouwwerkzaamheden hebben gezien. Zijn vader, Havick Janszoon, werd een steenworp verderop geboren, aan de Breestraat op nummer 20, waar zijn ouders een oliemolen hadden. Dat pand bestaat helaas niet meer, en ook het huis aan de Papengracht waar Jan een deel van zijn kindertijd doorbracht, werd van de kaart geveegd – om plaats te maken voor nummer 16A, dat werd gebouwd in 1892. En nu, 400 jaar nadat Jan Steen in Leiden werd geboren, ligt er een omgevallen OV-fiets tegen de gevel. Luidruchtige studenten zeulen met een oude driezitsbank,

1 — Jan Steen, De bestolen vioolspeler, ca. 1670–1672 (detail uit cat. 24)

2 — Jan van Goyen, Gezicht op Leiden uit het noordoosten , 1650. Paneel, 66,5 x 97,5 cm Museum De Lakenhal, Leiden

die ze neerzetten op de hoek met de Schoolsteeg. Uit een plastic tas van Albert Heijn toveren ze een paar biertjes tevoorschijn, voordat ze op hun nieuwe aanwinst neerploffen. Luidruchtig feestend drinken ze elkaar toe.

‘Een huishouden van Jan Steen’, wie kent die uitdrukking niet?

Je ziet het meteen voor je: kinderen die de boel afbreken, mannen die vrouwen onder hun rok grijpen, katten die op tafel dansen.

Maar Steen zou een oeuvre bij elkaar schilderen dat veelzijdiger was dan alleen die olijke taferelen en zijn schilderijen verrassen nog altijd.

JONGE JAREN IN HET RIJKE LEIDEN

Leiden was zeer welvarend toen Jan Steen er ter wereld kwam (afb. 2). Na Amsterdam was het de grootste stad van de Republiek, met een bloeiende industrie (vooral lakennijverheid), een grote groep welvarende bewoners (met de middelen om kunst te verzamelen) en een universiteit die studenten en geleerden uit de hele wereld aantrok. In Leiden werden bovendien opvallend veel kunstenaars geboren: in 1494 Lucas van Leyden, in 1571 Jacob Isaacsz. van Swanenburg, in 1584 David Bailly, in 1596 Jan van Goyen, in 1606 Rembrandt. En zo ging het maar door: Jan Lievens (1607), Gerrit Dou (1613), Jan Steen (1626), Gabriël Metsu (1629),

Frans van Mieris (1635), Pieter van Slingeland (1640), Godfried Schalcken (1643)... Vele andere kunstenaars, soms afkomstig uit het verre Antwerpen of Gent, vestigden zich in Leiden omdat ze werden aangetrokken door het culturele klimaat. Ze kenden elkaar, hadden les van elkaar, concurreerden met elkaar, keken de kunst van elkaar af, en zaten met elkaar in de kroeg te pimpelen. Biografen als Arnold Houbraken (1660–1719) en Jacob Campo Weyerman (1677–1747) legden die kunstenaarslevens vast, vaak aangedikt met grappige anekdotes en sappige roddels. En nu? Schilderijen van Leidse meesters zijn te zien in musea over de hele wereld.

Jan Steen werd in 1626 geboren als oudste zoon van Havick Janszoon Steen en Elisabeth Capiteyns. Na hem volgde nog een aantal kinderen, luisterend naar mooie namen als Wijbrand, Margaretha, Swaentje, Maria, Emerentia, Duifje en Catharina. Omdat vader Havick de brouwerij van zijn familie had overgenomen, leefde het gezin in betrekkelijke welstand. Het waren gouden tijden voor de Leidse brouwers, want tussen 1630 en 1650 verdubbelde de Leidse bierproductie. Bier – met een laag alcoholpercentage – was een eerste levensbehoefte, want het gewone water was zo vervuild dat iedereen bier dronk.

De brouwerij van Havick Steen, ‘De Rode Hellebaert’, waar het gezin ook een aantal jaren woonde, bevond zich aan de Vliet, vlak achter het Rapenburg.

Net als het huis aan de Papengracht is ook De Rode Hellebaert verdwenen – maar als je er vandaag de dag een wandeling maakt, zie je dat de zeventiende eeuw nog altijd heel dichtbij is. Wanneer de jonge Jan de deur uitstapte, kon hij links, achter het Rapenburg, in de verte nog net het dak en een van de torens van de Pieterskerk zien. Hij was bevoorrecht: terwijl veel van zijn leeftijdsgenoten, met name weeskinderen, lange dagen maakten in de lakenindustrie, mocht hij naar de Latijnse school aan de Lokhorststraat. Vanaf De Rode Hellebaert was dat nog geen tien minuten lopen. Kleurstoffen schilderden het water in de grachten soms blauw of rood en onderweg moet het behoorlijk gestonken hebben: de lakenindustrie loosde het afvalwater, dat veel urinezuur bevatte, direct in de grachten. Maar zodra Jan de Latijnse school binnenstapte, kwam hij in een andere wereld terecht. Achter de muren van het gebouw met de karakteristieke trapgevel kreeg hij les in Grieks en Latijn, en in vakken zoals schrijven, geschiedenis, wiskunde, welsprekendheid en logica. Ook tekenen, Bijbelkennis en het lezen van verhalen van onder anderen Ovidius en Cicero behoorden tot het lesprogramma. Dat zou hem allemaal later nog van pas komen.

Na de Latijnse school kon Jan zich inschrijven aan de Leidse universiteit en dat deed hij in november 1646 (afb. 3). Wat was zijn toekomstbeeld? Wilde hij een studie voltooien, of had hij zich vooral ingeschreven omdat hij als student vrijgesteld werd van belasting op bier en wijn, en niet zou worden opgeroepen voor de schutterij? Zijn studententijd duurde niet lang, want nog geen anderhalf jaar later, op 18 maart 1648, trad hij als meester-schilder toe tot het recent opgerichte Leidse Sint-Lucasgilde. Om dat te kunnen doen, moet hij al les hebben gehad van andere schilders. Volgens zijn biografen had Steen lessen gevolgd bij Nicolaus Knüpfer in Utrecht, bij de uit Leiden afkomstige Jan van Goyen en bij Haarlemmer Adriaen van Ostade, maar jammer genoeg zijn hierover geen archiefstukken bekend. Hoe het ook precies is gegaan: met zijn inschrijving bij het gilde legde Jan Steen de basis voor zijn loopbaan als kunstenaar.

3 — Hendrick van der Burgh, Promotieoptocht aan de Leidse universiteit , ca. 1650 Doek, 74,5 x 61 cm. Rijksmuseum, Amsterdam, in langdurig bruikleen aan Museum De Lakenhal

Jan Lievens, Jongeman die een

1625.

SCHILDERSVONK

Hoe kwam Steen op het idee om kunstenaar te worden? Waarom ging hij niet bij zijn vader in de zaak, die hem het bierbrouwen had geleerd? Speelde de plotselinge crisis in de Hollandse brouwindustrie een rol? Zagen zijn ouders een getalenteerde schilder in hem, moedigden familieleden hem aan, of had iets anders de schildersvonk in hem doen ontbranden? De jonge Steen werd omringd door lieden uit de kunsten en wetenschappen: een van zijn oudooms was schilder en goudsmid, enkele ooms waren gepromoveerd in de geneeskunde en zijn tante Marijtje was getrouwd met boekverkoper Joost Lievens de Rechte, die een boekhandel had aan het Rapenburg. Deze oom Joost was de oudste broer van de schilder Jan Lievens (bevriend met Rembrandt), die mogelijk ook bij de familie Steen over de vloer kwam (afb. 4). Een andere interessante figuur was oom Dirck Steen, die in 1633 was overleden en zijn grote bibliotheek aan de familie had nagelaten.

4 —
viool stemt , ca.
Doek, 95 x 76 cm. Museum De Lakenhal, Leiden

5 — Jan Steen, Bijbellezend paar, ca. 1650 (detail uit cat. 3)

Het is onbekend wat of wie Jan Steen heeft aangespoord om het penseel ter hand te nemen. Maar kort na zijn inschrijving bij het gilde ging hij aan de slag in het Haagse atelier van de landschapsschilder Jan van Goyen – en werd prompt verliefd op Van Goyens dochter Margaretha (Grietje). Gelukkig waren ze beiden katholiek en in 1649 traden ze met elkaar in het huwelijk. Kort na hun trouwen sc hilderde Steen zichzelf en Grietje in Bijbellezend paar (afb. 5, cat. 3). Zijn leven lang zou hij de gewoonte blijven koesteren om zichzelf en zijn dierbaren in zijn schilderijen te laten figureren. Met Grietje kreeg hij zeven kinderen die de volwassen leeftijd bereikten: Thaddeus, Eva, Constantinus, Havick, Johannes, Catharina en Cornelis. De gezichten van de kleine Steentjes kennen we – het is zeer waarschijnlijk dat Steen voor schilderijen als Het Sint-Nicolaasfeest en Kinderen leren een poes dansen zijn eigen kinderen als model inzette (afb. 6 en 7, cat. 17 en 23).

6 — Jan Steen, Kinderen leren een poes dansen, ca. 1660–1679 (detail uit cat. 23)

Jan van

Het jonge echtpaar vestigde zich in Den Haag, waar de Van Goyens vanuit Leiden naartoe waren verhuisd. In deze nieuwe omgeving nam Steens ontwikkeling als kunstenaar een vlucht. In tegenstelling tot Van Goyen, die gespecialiseerd was in landschappen, probeerde Jan Steen van alles uit: genrestukken (over het dagelijks leven), historiestukken (over Bijbelse en mythologische verhalen), een enkel stadsgezicht, wintergezichten en landschappen. Landschap met een zandweg toont duidelijk dat Steen het werk van zijn schoonvader had bestudeerd. Hij had goed gekeken naar de manier waarop die luchten, bomen, en de zanderige grond schilderde en liet op de voorgrond net als Van Goyen kleine figuurtjes optreden (afb. 8). In Steens vroegste genrestukken met dansende boeren herkennen we ook de invloed van zijn andere vermoedelijke leermeester, de Haarlemse Adriaen van Ostade (cat. 2).

7 — Jan Steen, Het Sint-Nicolaasfeest , ca. 1665–1668 (detail uit cat. 17)

8 —
Goyen, Duinlandschap met figuren , 1632 Paneel, 33 x 54,5 cm. Museum De Lakenhal, Leiden, in langdurig bruikleen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (NK-collectie)

9 — Jan Steen, Wintergezicht , ca. 1650 Paneel, 66,7 x 97,5 cm. Slot Skokloster, Bålsta

10 — Jan Steen, De dorpsbruiloft , 1653 (detail uit cat. 7)

De schilderijen van Steen vonden meteen een geïnteresseerd publiek, ook buiten de landsgrenzen. Al in 1650 werd een boerenbruiloft naar Denemarken gestuurd om daar te laten verkopen, en een jaar later werden op een veiling in Den Haag vier werken van Steen verworven voor de Zweedse veldmaarschalk Karl Gustav Wrangel. Een van die panelen, een Wintergezicht waarin allerlei figuren met elkaar staan te kletsen, hun schaatsen ombinden en zich al schaatsend op het ijs wagen, bevindt zich nu in het slot Skokloster in Zweden (afb. 9).

Een paar jaar later schilderde Steen De dorpsbruiloft – een werk van een heel andere orde (afb. 10, cat. 7). Hier voert hij veel meer personages ten tonele. Een grote groep boeren, burgers en buitenlui verwelkomt (met tamboer en bazuingeschal!) samen met de bruidegom de nieuwbakken bruid (bruidskroontje op het hoofd, de ogen zedig neergeslagen). Linksvoor wordt een bozig peutertje door zijn zusje opgetild – een citaat uit een prent van

11 — Rembrandt, De pannenkoekenbakster, 1635 Ets, 106 x 77 mm. Rijksmuseum, Amsterdam

Rembrandt. Daarmee liet Steen zien dat hij goed op de hoogte was van het werk van zijn beroemde tijdgenoot (afb. 11). Ook in andere werken zijn mooi gekozen citaten uit met name de prenten van Rembrandt te ontdekken.

In 1654 raakte Jan van Goyen in de financiële problemen en dat trof ook het gezin van Jan en Marietje. Gelukkig schoot vader Havick Steen te hulp door een brouwerijtje te huren aan de Oude Delft in Delft. Met het bierbrouwen kon Jan min of meer in het onderhoud van zijn gezin voorzien. Hij schilderde in deze periode weinig. De Eerste Engelse Zeeoorlog was net afgelopen, met een economische crisis tot gevolg – en dus ook malaise voor de kunstmarkt. Toch maakt hij in deze periode een van zijn beroemdste werken: Adolf en Catharina Croeser, bekend als ‘De burgemeester van Delft en zijn dochter’ (afb. 12). Dit werk laat de vele schilderstalenten zien die Steen inmiddels

12 — Jan Steen, Adolf en Catharina Croeser, bekend als ‘De burgemeester van Delft en zijn dochter’, 1655

Doek, 82,5 x 68,5 cm. Rijksmuseum, Amsterdam

had ontwikkeld: de portretten van de rijke korenhandelaar Adolf Croeser en zijn dochter Catharina, de verfijnde manier waarop hun kleding is geschilderd, het boeket bloemen links in de vensterbank, het penseelwerk van de bomen op de achtergrond en de lucht erboven, de architectuur van de Oude Kerk. Voor de bedelende vrouw en haar kind liet Steen zich opnieuw door een ets van Rembrandt inspireren, maar voor de omgeving hoefde hij alleen maar de deur uit te stappen: vader en dochter Croeser woonden tegenover zijn brouwerij. Helaas lukte het Steen niet om een succes van de brouwerij te maken, en hij keerde naar Leiden terug. In 1658 betaalde hij weer contributie aan het Leidse Sint-Lucasgilde.

13 — Jan Steen, Het oestereetstertje, ca. 1658-1660

Paneel, 20,4 x 15,1 cm. Mauritshuis, Den Haag

DE LEIDSE FIJNSCHILDER-TIJD

Terug in Leiden richtte Steen zich weer volledig op zijn werk als kunstenaar. De korte periode dat hij in Leiden en Warmond verbleef, wordt wel de ‘Leidse fijnschilder-tijd’ van Jan Steen genoemd. Veel werken uit deze periode vallen op door de verfijnde detaillering en soms ook door thema’s die dicht bij de fijnschilders liggen. Het later beroemd geworden Oestereetstertje is daar een sprekend voorbeeld van (afb. 13).

In deze tijd ontstond ook het schilderij Bakkersechtpaar Arent Oostwaard en Catharina Keizerswaard (cat. 8). Bakker Arent, zijn bakkersmuts nog over zijn lange haren getrokken, en zijn vrouw Catharina bieden hun broden, beschuitbolders en krakelingen aan. Het jochie achter Arent is Thaddeus, Steens oudste zoon. Hij blaast op een hoorn ten teken dat er weer vers brood is aangerukt. Daarmee weet Steen zelfs in dit sprekende portret

14 — Susanna van Steenwijck-Gaspoel (toegeschreven aan), Gezicht op de Lakenhal te Leiden , 1642 Doek, 65,3 x 66,1 cm. Particuliere collectie

een klein verhaal te vertellen. Dat deze voorstelling niet ver afstaat van de werkelijkheid, zien we terug in een schilderij van de Lakenhal waarop helemaal links in beeld een andere Leidse bakker met net zo’n kraampje én hoorn is vastgelegd (afb. 14).

Om onduidelijke redenen bleef Steen maar een jaar of twee in Leiden. Omstreeks 1660 verhuisde hij alweer, naar het nabijgelegen Warmond, waar hij een huis betrok aan de huidige Jan Steenlaan. Daar schilderde hij De hoenderhof, waarin hij Jacoba Maria van Wassenaer portretteerde (afb. 15). Het mooi geklede en fijn geschilderde meisje dat een lammetje melk te drinken geeft, de boertige knechten, de verzameling raak geschilderde vogels, het doorkijkje naar het kasteel: Steen toverde opnieuw al zijn talenten uit de hoge hoed. Zijn opdrachtgever zal er bijzonder verguld mee geweest.

15 — Jan Steen, Portret van Jacoba Maria van Wassenaer, bekend als 'De hoenderhof' , 1660 Doek, 106,6 x 80,8 cm. Mauritshuis, Den Haag

16 — Jan Steen, ‘Soo gewonne, soo verteert’, 1661 (detail uit cat. 10)

SPETTEREND EN SPRANKELEND

Kort na zijn Warmondse avontuur was Steen in Haarlem te vinden, waar hij in 1661 lid werd van het Sint-Lucasgilde. Het zouden zijn meest productieve jaren worden, waarin spetterende en sprankelende doeken ontstonden. Het leek wel alsof De hoenderhof aanzet had gegeven tot ambitieuzer werk: de schilderijen werden groter van formaat, bewoond door nog meer personages die zich vaak nog uitbundiger gedragen, met parelende verhalen. Zijn penseelvoering werd losser en vrijer – misschien omdat hij voor zijn schilderijen grotere doeken gebruikte, maar hij liet zich vast ook inspireren door zijn Haarlemse tijdgenoten, die in vergelijking met de Leidse

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook