Verval in schoonheid — schoonheid in verval
Interview door Maite van Dijk (M) met Sam Drukker (S), 12 maart 2026, Amsterdam
M: Sam, we zitten hier in je atelier in Amsterdam, omringd door je eigen werk. En jij zit voor een zelfportret met iets bijzonders in je hand. Tenminste, een schedel is nogal veelzeggend, denk ik. Wil je daar iets over vertellen?
S: Dat zelfportret is gebaseerd op een schilderij van Carel Willink in Kasteel Ruurlo, waar zich een grote collectie van zijn werk bevindt. De eerste keer dat ik het kasteel bezocht, zag ik dat zelfportret van Willink met die schedel in zijn hand, het maakte indruk. En nu mijn werk daar ook komt te hangen, dacht ik: daar wil ik op reageren.
M: Willink is daar nog vrij jong, 36 jaar.
S: Ja dat klopt, dat had ik nog niet eens bedacht. Hij heeft een colbert aan, echt een mooi pak, het is heel glad geschilderd. Ik vind een mooi portret trouwens, maar dat keurige van dat pak vind ik heel intrigerend, in combinatie met die schedel.
Ik dacht meteen ik ga mezelf ook schilderen met een schedel in de hand. Bij mij is de schedel al heel lang een thema, ik vind het een fascinerend voorwerp, dus dat sluit heel erg aan. Maar ik had dat ding nog nooit in mijn hand gehad op een schilderij.
M: Jij hebt op je zelfportret geen pak aan, je bent naakt, op een stropdas na.
S: Een pak draag ik sowieso nooit en al helemaal niet als ik schilder. Ik hou van huid. Maar ik heb mezelf wel een soort stropdas omgedaan.
M: Het krijgt een beetje een Chippendaleeffect daardoor.
S: Haha, het is ook een beetje een knipoog. Die ‘stropdas’ geeft wel kleur aan het geheel. Dat kon ik goed gebruiken.
M: Ik zie hier ook allerlei werken met
schedels, hét symbool voor de vergankelijk heid.
Toegeschreven aan Hercules Seghers (1589-1638), Schedel op een riche l, 1620-1630, olieverf op doek, particuliere collectie
S: Kijk, de schedel is door de jaren heen natuurlijk een ontzettend uitgekauwd onderwerp geworden. Sterker nog, in de populaire cultuur is het heel belangrijk geworden, denk maar aan tattoos, aan de schedel met diamanten van Damien Hirst. Die heeft er een heel ander verhaal van gemaakt. Intussen is het bijna een banale verbeelding van de dood. Ik vond het bijna een ongeloof waardig symbool worden, totdat ik de tentoonstelling van Hercules Seghers in het Rijksmuseum zag. Die fantastische Seghers die zo ontzettend vrij allerlei ‘moderne’ land schappen maakte. Daartussen hing één schilderij van een schedel, zo betoverend mooi dat ik opeens dacht: waarom laat ik me eigenlijk intimideren door al die eigentijdse, vaak materialistische insteek? Dít is de reden waarom je een schedel wil schilderen: gewoon in stilte, maar van een fantastische schoonheid. Ik werd erdoor ontroerd en liep naar huis en toen wist ik: ik ga ook een schedel schilderen.
M: Kun je wat zeggen over het thema van de tentoonstelling, ‘de ouder wordende mens’? Het zit al vroeg in je werk.
S: Eigenlijk was ik me daar nooit zo bewust van en het idee komt ook helemaal niet van mezelf. Het idee is van Peter de Kimpe en Rolf Toxopeus, twee vormgevers die met dat plan kwamen. Zij zeiden: die ouder wordende mens is een groot thema bij jou. Ik heb inderdaad veel oudere mensen geschilderd in mijn leven, omdat ik de mens schilder in alle facetten, in alle leeftijden. Uiteindelijk wil ik zeggen: ik hou me bezig met die ouder wordende mens, maar ik weet natuurlijk drommels goed dat ook mijn tijd begint te dringen.
M: Jij schilderde ook al oude mensen toen je zelf jong was.
Sam Drukker, Zelfportret met schedel , ≥ cat. 2
S: Ja dat klopt, en ik heb in 2012-2013 tien joodse mannen geschilderd, die allemaal tussen de 86 en 102 waren. Dat is echt oud. Dat Minjeproject heeft er misschien voor gezorgd dat ik een beetje in die hoek zit. In eerste instantie ging dit project over overleven. Maar het werkelijke motief zit ’m in het feit dat het verval me fascineert, ook al toen ik veertig jaar geleden een jonge vrouw schilderde.
Een absoluut ideaal gebouwde mens is heel saai, juist waar hij of zij afwijkt, waar imperfecties zitten, daar vind ik het juist mooier worden. En daarin speelt leeftijd een grote rol. Het is toch altijd een combinatie van schoonheid en verval. Dat is een hartverscheurende combinatie. Je denkt dat de schoonheid mooier wordt door het verval, maar het zit ’m ook al in het verval zelf. En daar kwam ik pas achter toen het thema steeds serieuzer werd.
M: Dus eerst zocht je het verval in de schoonheid, en nu de schoonheid in het verval?
S: Tja, de aftakeling en het einde. Dat is natuurlijk één ding, dat het einde in zicht komt als je zelf ouder wordt. Dat is wel iets wat mij bezighoudt, maar de vitaliteit die daar dwars doorheen bestaat, dat is eigenlijk ook heel mooi. Het is enorm aanstekelijk als iemand die heel oud is tegelijkertijd heel vitaal is. Kijk maar naar dat portret van Frieda, dat is die vrouw in die groene jurk, ze is tegen de honderd. Ze zit rustig op een stoel met de handen op de schoot, maar ze heeft een vuur in zich, en een enorme energie in haar ogen.
M: Gaat het jou ook om de kwetsbaarheid van het ouder worden? Om dat vast te leggen? Of is dat minder relevant voor je? Gaat het veel meer inderdaad nog om die levenskracht?
S: Een eerdere tentoonstelling van mijn werk heette ooit Een dunne huid ,
jaren geleden. En dat ging erover dat ik eigenlijk achter de huid wil kijken. Ik hou ook van huid, niet als een marsepeinen korst – hier ben ik even kritisch naar Willink – ik wil die huid juist uit elkaar laten vallen in allerlei kleuren en tonen, zodat hij gaat leven, gaat ademen.
M: Het is inderdaad bijna letterlijk uit elkaar halen; in sommige werken is die huid bijna transparant. Is het schilderen van een jonge huid anders dan een oude huid, technisch gezien?
S: Nee, dat maakt niet uit. Ik zoek de warme en de koude tonen, de dekkende en transparante kleuren: ik onderzoek die beide kanten, die polariteit, en breng dat op het doek weer samen.
M: Terug naar die schedel van Seghers – waardoor kwam dat schilderij zo ongeloof ijk binnen bij jou? En wat heb jij zelf beoogd met je Zelfportret met schedel ?
S: Bij Seghers was het de stilte, de eenvoud, de hyperconcentratie, de liefde; ik heb een foto in mijn telefoon staan om het schilderij altijd even te kunnen bekijken. Mijn eigen werk ziet er natuurlijk heel anders uit, maar gelaagdheid en rijkheid is wel wat ik zoek en dat lukt de ene keer beter dan de andere keer. [Pakt er een schilderijtje van een schedel bij] Kijk, dit is een simpel voorbeeld van een schedel.
M: Is het dezelfde schedel als op het zelfportret?
S: Ja, na mijn eerste serie kreeg ik een schedel van mensen cadeau, die zeiden: alstublieft mijnheer Drukker, ik heb er niks meer aan. Maar kijk, er gebeurt zoveel in dit schilderij, zie je die kleuren? Ik heb er ook met de achterkant van het penseel in gewerkt: het is een en al vitaliteit, zou ik bijna grappen.
M: De tegenpool van wat het uit zou moeten drukken eigenlijk.
Sam Drukker, Frieda , ≥ cat. 27
Sam Drukker, Schedel op tafelblad , ≥ cat. 3
S: Daar ben ik dus helemaal niet mee bezig als ik schilder. Natuurlijk speelt het een rol als je eraan begint, maar daarna is het liefde voor het object. Ik ben er ook niet bang voor.
M: Voor de dood wel?
S: Ik weet niet of ik bang ben, maar de dood is wel altijd zeer nabij geweest voor mij. Ik heb wel altijd het gevoel gehad dat ik de dood naast me heb lopen.
M: Hoe komt dat?
S: Als twaalfjarige had ik dat al. Ik moest daar steeds aan denken, dat de mensen om me heen dood zouden gaan, mijn ouders (ik had een oude vader), of ik zelf. Inmiddels weet ik daar mee om te gaan. Het hoort bij me, maar het biedt ook een soort tegenwicht aan de energie die ik heb – om veel te doen en heel actief te zijn.
M: Dat besef van je sterfelijkheid is misschien een belangrijke reden geweest om kunst te gaan maken. Niet eens zozeer over dit thema, maar in het algemeen.
S: Ja, dat zal vast een rol spelen. Nalaten is wel belangrijk voor mij.
M: En niet alleen als kunstenaar, maar ook als docent, want je geeft bijvoorbeeld les aan de Wackers Academie in Amsterdam.
S: Als je heel jong bent dan ben je superidealistisch. The sky is the limit , je wil die eindeloze verten bereiken. En dat is ontzettend leuk, alles kan ook nog! En ja, dan word je ouder en zie je de beperkingen en vervolgens besef je ongeveer waar je staat. Nog steeds blijft er wel wat te halen, maar dat wordt wel een kleiner gebied, want je weet al van een heleboel dingen: die gaan het niet meer worden. Tegelijkertijd komt daar iets voor terug wat ik heel fijn vind,
en dat is de ervaring. Het is prachtig te merken dat je zo veel hebt meegemaakt en voor veel problemen nieuwe wegen hebt gevonden. Dus of je het nou hebt over het schilderen of over doceren: die kennis en ervaring kan ik doorgeven.
M: Zoals je zei, is ‘de ouder wordende mens’ eigenlijk een thema dat je van buitenaf werd aangereikt – het was niet onmiddellijk iets wat jij in je eigen werk zag. Maar nu je er zo mee bezig bent, heeft het dan een nieuwe betekenis voor je gekregen?
S: In eerste instantie dacht ik: het is wel een beperkt onderwerp, er zijn ook allerlei schilderijen en tekeningen die dan niet in de tentoonstelling zullen komen. Dat vond ik best moeilijk. Maar gaandeweg kun je steeds meer in de breedte kijken, want het is een groot thema. Je kunt bij wijze van spreken een kind daar neerzetten, want dat is het begin van de ouder wordende mens.
M: Ja inderdaad, we zijn ouder aan het worden vanaf het moment dat we geboren zijn.
S: Maar goed, dan is het einde zoek. Dus we hebben ons toch wel beperkt en kunstwerken gekozen met de formulering in het achterhoofd dat het gaat om ‘de mens waarin de tijd een rol speelt en dat die tijd ook zichtbaar is’.
M: We hebben ook heel bewust gekozen voor die schurende, ‘stroeve’ titel, De ouder wordende mens, omdat ouder worden vaak ook iets ongemakkelijks is. Het lichamelijk verval gaat ons allemaal aan, maar het is pas op een gegeven moment echt aanwezig, en leuk is het niet.
S: Het is bijna een soort geuzentitel geworden inderdaad. Bij mijn tentoonstelling in Amstelveen, drie jaar geleden, hadden we verschillende thema’s. Terugkijkend dacht ik: wow, bijzonder dat ik dat voor elkaar heb gekregen.
En vervolgens sloeg de schrik om mijn hart, want ik dacht: en nu? Ik weet niet of ik over tien jaar überhaupt weer in de buurt kom... Dat heb ik nooit eerder gedacht. Als je zestig bent, denk je ineens aan die toekomst die beperkt is.
M: Terugkomend op Willink, je beschrijft zijn techniek of verfehandeling van huid als ‘marsepein’. Daar klonk misschien enige kritiek in door; maar hij is ook onderdeel van de tentoonstelling en je verhoudt je wel tot zijn werk. Wat betekent het voor jou om tussen zijn schilderijen te hangen?
S: Die marsepeinen huid bij Willink, dat vind ik inderdaad een puntje van kritiek. Dat is mij te glad. Maar ik heb ook grote bewondering voor zijn werk – sommige portretopdrachten behoren tot zijn allerbeste stukken. Ik zag ooit een schilderij hangen op het ministerie van Onderwijs, dat was echt geweldig. En jij doelt met die marsepeinen huid misschien op dat prachtige portret van Mathilde in een jurk van Fong Leng, dat is natuurlijk een ongeloof ijk schilderij. Alleen al die jurk is zeer de moeite waard. Ik reageer in die zaal met een contrasterend werk. Tegenover Mathilde, een jonge vrouw, zet ik een oude man. En dan niet in de pracht en praal van de kleding, maar juist bloot. Hoe iemand zijn huid draagt, is namelijk veel spectaculairder dan hoe iemand een prachtige jurk draagt.
M: Willink had volgens mij enorm veel plezier in het schilderen van kleding, het weergeven van letterlijk veel verschillende stofuitdrukkingen.
S: Ja, maar het blijft een buitenkant waar ook nog iets achter zit wat misschien heel anders kan zijn. Kleding verhult, mensen proberen met kleding iets te zijn wat ze zouden willen, het verhult altijd iets. Ik schilder het liefst de blote huid.
M: In de tentoonstelling in Ruurlo zitten
schilderijen, maar ook veel tekeningen. Hoe zie jij je tekeningen binnen je werk?
S: Ik teken heel graag en veel. Sterker nog, ik voel me zekerder als tekenaar dan als schilder.
M: Terwijl je toch voornamelijk als schilder wordt benaderd. Zijn je tekeningen persoonlijker, blijven die binnen de muren van je atelier?
S: Nee, ik doe mijn best om die overal te tonen. Alleen op beurzen en in galeries hebben ze meer interesse in schilderijen. Simpelweg omdat die meer geld waard zijn. Maar de waarde van een tekening zit ’m voor mij in de zuiverheid. Daar bedoel ik mee dat eigenlijk alles wat je doet in een tekening, te zien is. Je kan niks verhullen. Ik werk met een ouderwetse kroontjespen, OostIndische inkt en een kwastje met water. Eigenlijk wil ik geen fouten maken, dus het is grotendeels een kwestie van concentratie. Als een tekening goed is geworden, komt dat vaak omdat ik supergeconcentreerd was. En wat ik probeer, is om met minimaal handelen zoveel mogelijk te zeggen.
M: Dus het zit niet alleen in de puurheid van de middelen, maar ook omdat je met heel weinig heel veel wil uitdrukken.
S: Ja, en dat betekent dat je moet kiezen wat je laat zien en wat niet. Ik laat heel veel weg.
M: Als je bijvoorbeeld naar deze tekening kijkt, hoe pak je dat dan aan?
S: Deze man is Lex Kater, een vriend van me. We gaan zitten, ik kijk, ik volg het licht en de lijnen van zijn gezicht. Ik teken de schouder en de arm – dat gaat allemaal heel erg snel. Ik denk dat ik in totaal niet meer dan tien minuten bezig ben met zo’n tekening.
Dan pak ik het natte kwastje en ga ik langs de onderdelen die toon of schaduw hebben. Soms doop ik de kwast
Sam Drukker, Lex , ≥ cat. 33
nog in de inkt: diep of minder diep. Ik heb veel ervaring en denk dat ik het allemaal onder controle heb – hoe het precies uitpakt – maar dat weet je eigenlijk toch nooit. En dat onverwachte is vaak wat een tekening goed maakt. Dus toen ik het oor aan de ene kant te hoog had ingezet, deed ik daarna een nieuw oortje.
M: Dat oude oor blijft ook staan, het maakt deel uit van het eindresultaat.
S: Ja, je kunt het niet uitgummen. En de foutjes zijn in een tekening vaak hele leuke stukken. Als je het expres doet, dan werkt het weer niet, en het moeten er ook niet te veel zijn natuurlijk.
M: Dat werkt inderdaad heel anders in een olieverfschilderij.
S: Op een schilderij kun je alles wat fout gaat op allerlei manieren weer verhullen. Je kunt het wegschrapen, overschilderen, er een hele laag overheen doen, dat ziet niemand later meer.
M: Die spanning in tekeningen, tussen de spaarzame lijnen, is ontzettend mooi. Wanneer is voor jou een tekening goed gelukt? Bewaar je ze allemaal?
S: Ik heb duizenden tekeningen die in schetsboeken zitten; ik teken ook aan beide kanten van het papier. Dat heeft als nut dat ik niet per se ‘een mooie tekening’ hoef te maken van mezelf. Zo’n los vel heeft meer pretentie, in mijn schetsboeken mag ik lekker mijn eigen gang gaan, het mag ook mislukken. En ik ben blij als er echt heel weinig op staat.
M: Veel van de mensen die we op jouw werk zien, ken jij persoonlijk. Je schildert en tekent naar model, maar soms ook heel persoonlijk en intiem, zoals je zelf portretten. We hebben ook een portret van je moeder geselecteerd voor de tentoonstelling – dat is een werk dat wel heel dicht bij jou komt.
Sam
Drukker, Portret Nel Drukker-Bon , ≥ cat. 25
S: Dat is het laatste portret dat ik van haar gemaakt heb. Ik heb het geschilderd op een oud tafelblad. Ik schilder eigenlijk altijd op oude dingen: panelen, bedstukken, schoolborden, plankjes uit de afvalbak van de timmerman enzo; en alle doeken waren ooit dekzeilen of zonnewering of scheepszeilen.
M: En doet dat bestaande materiaal iets met het uiteindelijke beeld?
S: Jazeker. Vroeger op de academie leerde ik om een schilderij voor te bereiden en op te bouwen uit lagen, zoals het hoort, met een grondering en een achtergrond in een bepaalde toon. Maar door bestaande doeken of panelen te gebruiken die al kleur van zichzelf hebben, hoef ik die tonale ondergrond niet meer aan te brengen. Daarnaast reageer ik op vlekken, kleuren of lijnen die op het materiaal zijn achtergelaten.
M: Hoe gaat dat in zijn werk? Je ziet een tafelblad en je denkt: daar ga ik mijn moeder op schilderen?
S: In dit geval stak dat tafelblad uit een afvalcontainer, en ik dacht meteen: wauw, wat fantastisch! Want het is gebruikt door een schilder, er zitten allemaal verfresten en vuiligheid op. Zie je ook die blauwe rand? Dat zat er allemaal al op.
M: Dus een deel van wat we daar zien, is niet van jou.
S: Klopt. Ik ga daar niet mee sjoemelen, dat moet echt zo gevonden zijn, ik mag er van mezelf niks aan veranderen. Het tafelblad stond heel lang op mijn atelier en uiteindelijk bedacht ik dat ik mijn moeder daarop kon schilderen. Ik vond dat juist voor haar portret wel passen, als een soort huiselijk idee. Allemaal om de tafel. Maar ook speelde er visueel mee dat het blad van die witte vlekken heeft –mijn moeder had namelijk heel mooi wit haar op het laatst.
M: Ze heeft vrij spectaculair haar, op het werk.
S: Die combinatie van dat vuile wit op het blad pakte mooi uit met het wit van dat haar. Op het moment dat ik haar schilderde zat ze hier in een tehuis; ze was al behoorlijk weggedreven van de wereld. Een van mijn zussen vindt het een verschrikkelijk portret; dat heeft te maken met die steunkousen en die opgezette benen. Maar ik vind dat erbij horen en laat dat dus ook zien. Ze was een heel vitale vrouw toen ze nog goed was, ik heb het dus ook wat onstuimig geschilderd. Misschien speelt ook het feit een rol dat het schilderij voor niemand is gemaakt: ik durfde denk ik meer risico te nemen.
M: Dit is dus echt een familiestuk, ik vind het heel bijzonder dat het in het kasteel mag hangen.
S: Het schilderij blijft inderdaad bij mij en mijn familie. Maar het is ontroerend om haar hier te zien. Ik schilder wel vaker familieleden, maar dit portret is binnen deze tentoonstelling wel extra op zijn plaats.
M: Was het lastig om tot een selectie te komen voor de tentoonstelling? Dat heb je gedaan samen met Peter de Kimpe en Rolf Toxopeus, die we al eerder noemden, en ik ben daar natuurlijk ook deels bij betrokken geweest, maar kun je daar iets over zeggen?
S: Nou, gek genoeg was het niet zo lastig. Met name Peter had al meteen een hele lijst werken geselecteerd via mijn website. Het grappige was dat daar ook portretten bijzaten van mensen die oud leken maar jong waren. Ik heb het heel lang zo gelaten; later is een aantal daarvan vervallen. Gaandeweg kreeg ik het idee om ook het portret van de negen nonnen te selecteren, dat ik ooit in een klooster in Oosterhout heb geschilderd. Dat was een sensationele


gebeurtenis; ik heb hen geportretteerd in een hele mooie ruimte met prachtig licht, bijna hallucinerend, zo mooi. Terwijl ik daar zat te tekenen is er een film gemaakt, die ook op de tentoonstelling is te zien. En zo kwamen er toch steeds meer verrassingen tevoorschijn waar ik in eerste instantie niet aan had gedacht voor de selectie. Bijvoorbeeld ook dat portret van Antonia. Dat was ik helemaal vergeten. Een aantal jaren geleden heb ik deze tachtigjarige Zeeuwse galeriehoudster geportretteerd. Toen zij ophield met haar galerie heeft ze tien of twaalf kunstenaars in den lande gevraagd om haar te portret teren. Naakt. Bijzonder toch?
M: Ze ziet er niet uit als tachtig overigens.
S: Ze was ook een heel vitale en chique dame. Ik heb haar in mijn atelier ontvangen en geportretteerd.
M: Is een ouder model ook anders dan een jong model, om te schilderen bedoel ik?
De interactie tussen kunstenaar en model is wel cruciaal. Je beschrijft zelf dat je als kunstenaar met veel levenservaring nu anders in het leven staat dan vroeger. Dus ook een ouder model brengt die levenservaring mee.
S: Ja, dat is misschien wel waar, maar als ik denk aan de kern van
Sam Drukker, Antonia , ≥ cat. 8
Sam Drukker, Zusters
Sint Catharinadal , ≥ cat. 16
de verhouding tussen schilder en model, dan is dat toch uiteindelijk dat je op een bepaalde manier toch wel een beetje van een model moet houden. En ik bedoel dat geheel ‘in het nette’.
Een jong meisje met een melkwitte huid en rood haar, dat is ongelofelijk mooi, maar ik kan evenzeer genieten van de rimpels van Lex of Antonia, ik zie huid en vind het prachtig, die gladheid én die rimpels. Ik volg vorm, warm, koud, ritme – dat is mijn schildertechniek –dat leg ik vast. Dan loop ik naar achteren en dan zie je rimpels. Ik bedoel, ik ontleed het object dat ik schilder, ik neem afstand van de betekenis om uiteindelijk die betekenis te kunnen weergeven.
M: Je hebt ook een aantal schilderijen in de loop van de tijd herhaald. Een groepsportret van vier vrouwen – die nu allemaal op de tentoonstelling hangen, inclusief de voorstudies en tekeningen.
S: Ja, dat zijn vier vriendinnen die ik allemaal geschilderd heb als model, los maar ook als groep. De eerste keer toen ze rond de 20-30 jaar oud waren, als individueel model. En nog een keer gezamenlijk, toen ze allemaal kinderen hadden gekregen en rond de veertig waren. En vorig jaar zei er eentje: zullen we nog een keer poseren? En dat vond ik geweldig, dat hebben ze gedaan. Ze zijn nu dus ongeveer 60-70, even oud als ik. Nou ja, het was nog sensationeler dan de vorige keer, maar tot mijn schrik is hun veroudering niet zo te zien eigenlijk. Er zijn stemmen die zeggen dat ik het niet kan zien of ik het niet wil zien. Maar dat geloof ik niet zo.
M: Omdat ze zo dicht bij je staan?
S: Ik weet het niet – blijkbaar is er iets niet goed gegaan. Op het moment van dit interview ben ik er nog steeds mee bezig, dus ik weet niet wat het gaat worden. Ik zie hen niet als bejaarden. Dat woord alleen al. Afschuwelijk. Ik schrik daarvan.
M: Dat is misschien wel logisch, want dan zou je jezelf ook zo moeten zien. Iedereen wordt wél ouder, je krijgt rimpels, of een buikje, of je ziet dat je een kind hebt gekregen, maar in essentie voel je jezelf niet anders of ouder. Terugkomend op dat proces van het vastleggen van de ouder wordende mens – heeft dat misschien ook iets te maken met ons idee van schoonheid? Natuurlijk over de waardering van schoonheid, maar ook over kracht van schilderkunst of van de verbeelding. Hoe je door middel van verf of inkt het verval en die ouderdom kunt overstijgen en daar een nieuwe betekenis aan kunt geven.
S: Ja, ik denk wel dat dat klopt. Maar deze tentoonstelling over de ouder wordende mens is niet maatschappelijk – ik bedoel dat de maatschappij niet relevant is voor mijn werk. In mijn werk is eigenlijk alles om die mens heen weggelaten, de omgeving is er als het ware afgeknipt en doet er voor mij niet toe. Het is alleen het menselijke wat overblijft, en wat mij vooral interesseert.
M: Botten en huidplooien.
S: En natuurlijk ziel en geest. Misschien is het werk door die beperking – zonder context – juist ook tijdlozer.
M: Het gaat over het mens zijn eigenlijk.
S: Ja, en daarmee kom je misschien ook het dichtst bij de jeugd.
M: Als museum dachten we in eerste instantie nog: moeten we deze tentoonstelling wel maken terwijl we juist ook op zoek zijn naar een jonger publiek? Maar je werk is inderdaad tijdloos en het gaat over schoonheid, verval en (im) perfectie, iets waar jongeren ook mee bezig zijn. In die zin zou je het toch een maatschappelijk thema kunnen noemen, omdat het ons doet nadenken over hoe wij denken over ons menszijn in de huidige maatschappij.
Sam Drukker, Vier vrouwen , ≥ cat. 66
S: Ik moet nu denken aan mijn vader. Hij was van 1909, dus ik heb altijd een hele oude vader gehad en die ging op een gegeven moment een spijkerbroek dragen. Dat was echt zo gek. Maar je groeit dus mee met je leeftijd én met de maatschappij. Het is misschien een beetje provocatie van mij om te roepen dat mijn werk helemaal niets maatschappelijks heeft, maar de mens – in al zijn blote puurheid of pure blootheid –staat bij mij voorop. En hoe ik op dit moment naar die mens kijk, zegt misschien ook iets over deze tijd. De ouder wordende mens houdt op te bestaan bij de dood. Van mijn vader maakte ik heel voorzichtig wat tekeningen toen hij was overleden. Ik wilde deze er toch graag bij hebben.
Sam Drukker, Doodsportret van mijn vader, ≥ cat. 61