K C O H

1 Koch-documentatie, PA Carel Blotkamp. Mogelijk is dit een afschrift met aangepaste spelling van de in 1938 in opdracht van Jaap Mees uitgevoerde handschriftanalyse, zie Jaap Mees aan Heddy Koch-de Geer, [2 april 1938], RKD 0899/24: ‘Die graphologische beoordeeling was over het handschrift van Pyke.’
Inleiding ‘Een wilskrachtige, enthousiaste, spontane, oprechte persoonlijkheid met een breden kijk. Echter, waarschijnlijk niet vrij van fanatisme. Schrijver lijkt mij erg aan stemmingen onderhevig en zich krachtig te verzetten tegen pessimisme; hierdoor kan hij driftig zijn, bitter en sarcastisch. Het vermoeden ligt voor de hand, dat schrijver vele en ernstige teleurstellingen ondervonden heeft en in enkele opzichten ontmoedigd genoemd moet worden. Zijn nerveuze activiteit en dadendrang wijzen ook in de richting van een neurotische onevenwichtigheid.
Wellicht juist hierdoor en dankzij zijn uitstekende intelligentie, is schrijver in staat veel te presteren. Verdere eigenschappen zijn: strijdlust, impulsiviteit, accuratesse.’1
Deze analyse van het handschrift van Pyke Koch geeft een fascinerende inkijk in de persoonlijkheid van de schrijver. In hoeverre dit grafologische oordeel overeenkomt met de werkelijke aard van de persoon, zal in het vervolg moeten blijken – waarbij echter meteen opgemerkt moet worden dat ook het beeld dat daarin naar voren komt niet de volledige persoon weergeeft. Het is hooguit een benadering van het origineel, met onvermijdelijk enige vertekening, al was het maar omdat niet alle facetten van zijn leven en zijn persoon even uitvoerig gedocumenteerd zijn. Niemands persoonlijkheid is op enig moment volledig te vatten in woorden, niet in die paar woorden van een handschriftanalyse, evenmin in de vele woorden van een monografie. Maar om van deze bijzondere man de meest markante trekken te schetsen in een geschiedenis die verhaalt van ervaringen die diep hebben ingegrepen in zijn leven en prestaties van blijvende waarde in de context van hun tijd plaatst, is geen onmogelijke opgave.
Koch was, om enkele punten aan te stippen zonder nu al in details te treden, inderdaad een wilskrachtige figuur, althans waar het ging om zaken die hem aan het hart gingen. Hij had, zeker op ontspannen momenten, een brede kijk op zijn omgeving, maar hij had ook, zoals iedereen, zo zijn blinde vlekken wanneer hij zich in een kwestie vastbeet of zich onheus bejegend voelde. Zijn gezondheid, zowel lichamelijk als geestelijk, was niet sterk en vaak kon of wilde hij daardoor niet werken. Accuratesse behoort beslist tot de kenmerkende eigenschappen van Koch, in ieder geval accuratesse met betrekking tot zijn werk. Weinig schilders zijn zo pijnlijk precies in hun manier van werken als Koch. Hij was een perfectionist, met alle voor- en nadelen van dien. Een ‘fout’ in een schilderij kon hem jarenlang blijven hinderen. Een enkele keer vernietigde hij een schilderij waar hij al lang aan had gewerkt, omdat het toch niet geheel voldeed aan zijn verwachting. Hij bemoeide zich tot in detail met de inlijsting van zijn werk en met
hoe en waar het moest komen te hangen. Koch schilderde – niet verwonderlijk, gezien zijn manier van werken – bepaald niet veel: er zijn nu 124 schilderijen bekend. Van deze geringe productie achtte hij slechts een selecte groep het waard tentoongesteld te worden. Alleen die werken die hijzelf via tentoonstellingen naar buiten bracht, beschouwde hij als zijn officiële oeuvre. De publieke waardering van zijn kunstenaarschap tijdens zijn leven is op die werken gebaseerd.
Waar een grafoloog voldoende heeft aan klein stukje handgeschreven tekst om het karakter van iemand te ‘lezen’, is om in deze monografie zijn leven en werk in kaart te brengen meer nodig. Er zijn brieven van en over hem bewaard gebleven. Er zijn foto’s en er zijn getuigenissen van mensen die hem gekend hebben. Er is over hem geschreven in kranten, tijdschriften en boeken. Maar hijzelf heeft zich met opzet betrekkelijk weinig uitgelaten over zijn werk en over wat hem als kunstenaar bezighield. Zo probeerde hij eenduidigheid in de interpretatie van zijn werk te voorkomen. Waren sommige collega-kunstenaars open over hun bronnen – een tijdgenoot als Joop Moesman bijvoorbeeld legde zelfs dossiers aan waarin hij per schilderij zijn ‘hulpstukken’ documenteerde2 –, Koch gaf slechts sporadisch zijn voorbeelden prijs, en dan nog alleen in algemene bewoordingen. In 1969 deed hij dat bijvoorbeeld in een brief aan Jan van Geest en in 1981 aan Bram Kempers (hier opgenomen). In beide brieven geeft hij aan wat hij waardeerde in de kunst van anderen. Behalve vriendelijk was dat ook zijn manier om wat hem aan inspiratiebronnen werd toegeschreven en wat er over hem naar buiten kwam, in de door hem gewenste banen te leiden. Van het begin af aan trad hij sturend op in de beeldvorming van zijn kunstenaarschap. Er zijn dus brieven bewaard gebleven, zelfs een behoorlijk aantal, maar er is reden om te veronderstellen dat er nog veel meer documentatie is kwijtgeraakt of kwijt gemaakt.3 Zo moet hij in de jaren dertig talloze brieven
hebben geschreven aan zijn echtgenote Heddy Koch-de Geer en aan zijn weldoeners Emmy en Jaap Mees, maar deze brieven, waarin hij vermoedelijk zijn artistieke en politieke inzichten deelde, zijn volgens de erven Koch en de erven Mees niet meer te vinden. Emmy Mees zou trouwens de brieven van Heddy Koch die betrekking hadden op Koch hebben verscheurd.4 Van brieven aan zijn vriendin Ocky van Boetzelaer weten we dat hij ze zelf vernietigd heeft (nadat hij ze ter inzage had gevraagd).5 Brieven aan collega-kunstenaars zijn sporadisch te vinden in hun persoonlijke archieven; zelf bewaarde hij hun brieven aan hem niet. Zijn persoonlijke perspectief op de keuzes die hij maakte, hadden die keuzes ongetwijfeld meer inzichtelijk gemaakt. Dat perspectief valt nu niet meer te achterhalen, maar in sommige gevallen kan de overgeleverde zienswijze van anderen aanwijzingen bieden. In hoofdstuk 4 worden zo brieven van Emmy Mees aan Heddy Koch-de Geer benut om indirect licht werpen op Kochs leven in de jaren 1934-1940.
Als Koch al eens sprak over zijn doen en laten, liet hij nooit het achterste van zijn tong zien. Interviews met hem zijn op één hand te tellen. Er is dan ook relatief weinig uit zijn mond bekend over zijn innerlijke leven, zijn persoonlijke behoeftes en beslommeringen. Wat wel in de openbaarheid kwam, strookt niet altijd met de feiten. Koch hield ervan om tegenstrijdige uitspraken te doen. Hij was er niet op uit om duidelijkheid te verschaffen over wat hem bezighield en bezig had gehouden, en al helemaal niet om zich daarvoor tegenover anderen te verantwoorden.
Brieven – dat zal na het voorgaande niet als een verrassing komen – vormen ondanks de grote lacunes een belangrijke basis voor deze studie naar het leven en werk van Pyke Koch. De hoogte-, diepte- en keerpunten; de personen en de gebeurtenissen die hier mede richting aan gaven; de persoonlijke drijfveren, interesses en preoccupaties.6 Het was een lang leven – het omspant maar liefst ruim 90
2 Steen 1998, 161.
3 Kochs jongste zus Tops ter Haar maakt bijvoorbeeld in een brief aan Heddy Koch van 17 maart 1964 melding van het doorlezen en opruimen van dozen vol ‘brieven van 30, 40 j’r of nog langer geleden’, RKD 0899/49.
4 ‘alles waar b.v. over P. in gesproken wordt, verscheur ik’, Emmy Mees-van Stolk aan Heddy Koch-de Geer, 9 maart 1938, PA (particulier archief) Erven Koch.
5 Josine (Jo of Kees) van Dam van Isselt aan Heddy Koch, 7 oktober 1974, PA Erven Koch: ‘Ik vraag me af of Pyke juridisch het recht had, zijn brieven aan O. te vernietigen.’
6 Citaten van Koch zijn zo veel mogelijk overgenomen van het origineel met behoud van spelfouten. Koch zet vaak een streepje waar men een punt of komma zou verwachten. Voor de leesbaarheid zijn die streepjes geregeld vervangen door meer gebruikelijke leestekens.
jaren, waarvan 55 werkzame als kunstenaar – en dat brengt met zich mee dat Kochs eigen kijk op wat hij had gedaan of gedacht niet dezelfde is gebleven.
Hoe hij zich op latere leeftijd een bepaalde gebeurtenis of situatie uit zijn eigen verleden herinnerde, komt niet altijd overeen met het beeld dat brieven uit dat verleden van die gebeurtenis en die situatie geven. De latere herinneringen die hij in brieven deelde met zijn zussen Minie, Jo en Tops, in het bijzonder aan hun jeugd in Beek, zijn als weergave van de feiten niet betrouwbaar, maar zijn als verwoording van zijn tijd- en leeftijdgebonden kijk daarop zeker interessant.
Uit zijn brieven komt onmiskenbaar een groot schrijftalent naar voren. Koch schreef graag en goed. Zijn brieven getuigen met rake observaties, doorspekt met humor, van een scherpe geest. Om, naast de informatie die ze bieden, iets van dat talent te laten zien zijn enkele brieven integraal in dit boek opgenomen. Eigenzinnig als hij was, hield hij daarin vast aan de spelling die hij in zijn jeugd had geleerd.
Koch lijkt meer dan eens tot het besef te zijn gekomen dat het leven dat hij leidde of dreigde te gaan leiden, niet het leven was dat hij wilde leiden; misschien zelfs dat de persoon die hij was geworden of dreigde te worden, niet de persoon was die hij wilde zijn; dat de voorstelling van de realiteit waarnaar hij leefde, niet meer spoorde met de realiteit waarin hij zich bevond. Steevast stelde hij het beeld bij en vond hij zichzelf opnieuw uit. Deels gaat het om veranderingen van de persoon zelf – het ouder worden speelt hierin een rol, de context waartegen zijn leven zich afspeelde en de uiteenlopende milieus waarin hij verkeerde met hun specifieke culturele en sociale verwachtingen en codes –, deels om veranderingen van het imago, het beeld dat hij van zichzelf naar buiten wilde brengen.
De hoofdstukindeling volgt grofweg de chronologie van Kochs leven en weerspiegelt zijn verschillende personae – of, als dat te dramatisch is gesteld: zijn verschillende levensfasen
–, die elkaar uiteraard minder abrupt opvolgden dan hier omwille van de compositie van het verhaal wordt gesuggereerd. Uitgelicht worden personen en gebeurtenissen die direct of indirect hun sporen hebben nagelaten in zijn werk, werkzaamheid en leven. Omdat hun relatie met Koch gedocumenteerd is, worden, naast zijn echtgenote Heddy Koch-de Geer, onder anderen naar voren gehaald: jeugdvriend Marinus van der Goes van Naters, mecenas Emmy Mees-van Stolk en verzamelaar Taeke Botke. Ook wordt zijn actieve rol bij het propageren van het fascisme van het Verbond van Dietse Nationaal-Solidaristen en het nationaalsocialisme belicht en de gevolgen daarvan op de korte en lange termijn.
Ik heb niet de pretentie het laatste woord over Koch te hebben geschreven, dat is een onmogelijke opgave. Wat ik heb willen doen in deze monografie is dit: aspecten van zijn leven, en de ontwikkeling daarin, laten zien die licht kunnen werpen op zijn werk en zijn werkzaamheid. Speciale aandacht besteed ik ook aan de vorming van het beeld van de kunstenaar waarin hij een sturende rol had.

Woord van dank
Dit boek zou niet tot stand zijn gekomen zonder de belangstelling en hulp van velen. Ik wil bovenal Carel Blotkamp bedanken. Met Pyke Koch (1972) en de tentoonstellingscatalogus Pyke Koch (1982) en met talloze deelpublicaties heeft hij in belangrijke mate het beeld van Koch, zoals dat nu bekend is, bepaald. Hij stelde mij genereus zijn privéarchief ter beschikking en bevorderde mijn onderzoek, behalve door informatie te verstrekken en zijn mening te delen, vooral ook door zijn morele steun. Peter Koch dank ik voor het delen van zijn herinneringen aan zijn vader en het verlenen van inzage in documenten uit diens nalatenschap. Uit hun vriendelijke medewerking mag overigens niet worden opgemaakt dat zij het altijd eens zijn met mijn conclusies.
Ook Ype Koopmans wil ik graag speciaal bedanken voor zijn bereidheid zijn gedetailleerde kennis van het neorealisme en zijn vertegenwoordigers met mij te delen; Kees van der Geer voor het doorsturen van de bijvangst over Pyke Koch bij zijn onderzoek naar onder anderen Gustave De Smet en Leo Gestel.
Mijn bijzondere dank gaat verder uit naar Andreas Koch. Namens de Pyke Koch Stichting verleende hij toestemming tot publicatie van brieven van zijn grootvader en van brieffragmenten en foto’s die bewaard worden in het Pyke Koch en Heddy Koch-de Geer Archief in het RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis en elders. Een kleindochter van Minie Stärcke-Koch en August Stärcke deed hetzelfde voor het gebruik van brieven, brieffragmenten en foto’s uit de nalatenschap van haar grootouders; in vele gesprekken in haar gastvrije woning bracht zij niet alleen haar oudoom, maar heel haar bijzondere familie tot leven.
Alwie Kicken gaf mij inzage in documenten uit de nalatenschap van Kochs belangrijkste verzamelaar, Taeke J. Botke. Antonia (Toni) van Beek gaf mij kopieën van Kochs brieven aan haar om te gebruiken voor de verslaglegging van mijn onderzoek. Hans Bode-
wes en Heddy Bodewes-Voorhoeve spraken met mij over Kochs relatie met Ernst Voorhoeve en gaven inzage in correspondentie tussen Ernst Voorhoeve en Joris van Severen. Odilia Stokvis-van Boetzelaer gaf mij inzage in Kochs brieven aan haar ouders, Kochs goede vrienden Marguérite (Tuck) barones van Boetzelaer-Bosch van Drakestein en Constant Wilhelm (Tan) baron van Boetzelaer. Elisabeth Mees vulde de informatie over haar grootouders Emmy en Jaap Mees aan met documentatie. Fred van den Berg deelde zijn herinneringen aan Floris Koch, met wie hij sinds zijn jeugd bevriend was. Paul Janmaat deelde zijn informatie over bloemenwinkel ‘Het Duifje’ in Maastricht. Akke Schutte was zo vriendelijk mij door Oudegracht 341 in Utrecht rond te leiden. Aan allen mijn dank. Steun in woord en daad van vrienden en collega-onderzoekers vergemakkelijkten en veraangenaamden het onderzoeks- en schrijfproces aanzienlijk. Ik kan hen allen daarvoor niet genoeg bedanken, in het bijzonder Paul van den Akker, Bert Blaisse, Niels Bokhove, Marja Bosma, Yvonne Brentjens, Frans van Burkom, Peter Cox, Hans Ebbink, Sjarel Ex, Sjoerd van Faassen, Diana Franssen, Ludo van Halem, Yvonne Hamstra, Marijke van der Heijden, Marjan van Heteren, Cees Hilhorst, Akke Houtsma, Geurt Imanse, Kees Keijer, Fransje Kuyvenhoven, Karin Merx, Caroline Roodenburg-Schadd, Peter de Ruiter, Daan Rutten, Patricia van Ulzen, Dieter Vandenbroucke, Frank van der Velden en Gerard van Wezel.
Buitengewoon dankbaar ben ik ook voor de verkregen ‘institutionele’ hulp, in het bijzonder van het Centraal Museum Utrecht (Frederik Markusse, Chantal Perlee en Catrien Schreuder), Dordrechts Museum (Sander Paarlberg), Literatuurmuseum (medewerkers studiezaal), Museum Getty Research Institute in Los Angeles (Virginia Mokslaveskas); Fondation Custodia/Institut Néerlandais in Parijs (Hans Buijs); Kunstmuseum Den Haag (Milly van Houten-de Kom); Museum Boijmans Van Beuningen, Rotter-
dam (Sandra Kisters en Sara Swart); Museum Arnhem (Jelle Bouwhuis); Museum De Fundatie, Zwolle (Kristian Garssen); Museum MORE, Gorssel (Marieke Jooren, Sito Rozema en Evelien Verheij); het Nationaal Archief, Den Haag (Patricia Deiser en David Jacobse); Nijmeegs Katern (Marga Jetten); Oud Utrecht (Jetty Krijnen); RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (Gwen Breedijk, Vicky Foster, en oud-medewerkers Roman Koot, Karin van der Kooy en Lidy Visser); en Stichting Margot van Boldrikfonds (Karin Coopmann).
Voor hun inspanning om de uitgave van dit boek in praktisch-financiële zin te realiseren en voor hun geduld wil ik graag uitgever Marloes Waanders en Stefanie Klerks van Waanders Uitgevers bedanken. Tekstredacteur Lilian Eefting, Leef in tekst, dank ik voor haar zorgvuldig lezen en corrigeren van de tekst. Dankzij Anne Schaufeli en Huub de Lang van Studio026 ligt het boek in deze mooie vorm voor u. Op Peter Cox, die een aanzienlijk deel van Kochs werk heeft gefotografeerd, kon ik ook steeds een beroep doen voor de digitalisering van de documentaire fotografie, veel dank daarvoor.
Verder wil ik Marion Schreurs-Steegh bedanken. Ik mocht haar, destijds student Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit, in 2016-2017 samen met Ton Geerts begeleiden in haar stage bij het RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis. Haar aanvulling van de tentoonstellingsgegevens uit de periode 1995-2017 heb ik hier overgenomen. Jan Don, decaan van de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit, stelde mij in de gelegenheid gebruik te blijven maken van de faciliteiten van de Open Universiteit, waaraan ik van 1 januari 1984 tot 4 juli 2020 verbonden was. Stafleden van het OU-Studiecentrum Eindhoven, Anka Broers, Ekbal Elyoussfi en Petra de Wit-Stijnman, wil ik graag bedanken voor hun altijd warme welkom.
Mijn speciale, liefdevolle dank ten slotte gaat uit naar Francine Rijnders-Sloots (1915-1982), Harry Rijnders (1915-1987) en Hein Rijnders (1949-2002) en, last but not least, naar ‘first reader’ Pieter Thijs en onze lieve jongens Benno en Nico. Aan hen draag ik dit boek op.
1 1 9 9


Jeugd en vormende jaren
1901–1920

1 Emmy Mees aan Koch, [Florence, september 1938], RKD 0899/24.
2 Stamkaart Koch, Petrus, Franciscus, Christiaan, RAN 1779/1043.
Op een foto van Kochs kamer aan de Oudegracht te Utrecht hangt boven zijn bed een detail van Masaccio’s fresco van de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs. Het zijn hun door verdriet en schaamte getekende gezichten [1.1]. Hij had de reproductie in 1938 gekregen van Emmy Mees, een goede vriendin van hem.1 De afbeelding was hem dierbaar vanwege zijn band met de geefster, maar zij dankt haar prominente plaats in zijn woonen werkruimte ongetwijfeld ook aan de betekenis die de voorstelling voor hem had. Verdreven uit het paradijs, dat was een ervaring die Koch zelf al vroeg had ondergaan. Toen hij naar de middelbare school ging, was die stap vrijwel meteen ook een vertrek uit het ouderlijk huis, weg uit het paradijs van Beek. Aan de ‘uithuisplaatsingen’ die daarop volgden heeft hij, een buitengewoon gevoelig kind, een permanent gevoel van ontworteling overgehouden dat zijn verdere leven zou tekenen. Emmy Mees zal dat zeker
hebben geweten, toen ze hem die plaat gaf. Het ouderlijk huis van Pyke Koch stond in Beek aan de Beeksche Straatweg 244 (nu Rijksstraatweg 123): Villa Mignon. Het staat er nog steeds, in de heuvels in het groen. Piet, naar zijn vader Pieter Frans Christiaan genoemd, werd daar op 15 juli 1901 geboren, een mooi kindje met fijne trekken, stralend blauwe ogen en blonde krullen [1.2]. Drie zusjes waren hem voorgegaan. Minie, de oudste, was op 22 augustus 1888 geboren, in 1891 en 1893 gevolgd door Jo en To [1.3]. Het was een doktersgezin, Piet Koch was huisarts met apotheek aan huis. Hij had geneeskunde gestudeerd in Leiden en zijn academische opleiding daar op zaterdag 12 maart 1887 afgesloten met de verdediging van zijn proefschrift Over den horrelvoet. Op 1 mei van dat jaar was hij zijn dokterspraktijk begonnen.2 Vier maanden later, op 9 september, trouwde hij met Willemien van Leeuwen Boomkamp, een knappe
1.1 Pyke Koch, liggend op bed in zijn atelier, Oudegracht 341 in Utrecht, 1973, foto Jaap Zwart, RKD 0899/178
Boven het bed hangt een reproductie van Masaccio’s koppen van Adam en Eva, een detail van hun verdrijving uit het paradijs in de Brancacci-kapel in Florence. Op de schoorsteenmantel staan links van de spiegel foto’s van Bridget Hubrecht en Floris Koch en rechts een ingelijste reproductie van Zelfportret met zwarte doek [cat. 28]
domineesdochter uit het Noord-Hollandse Zuiderwoude, gemeente Broek in Waterland [1.4].
Willemien Koch was de spil van het gezin. Jo herinnert zich haar als: ‘goed, lief, behulpzaam, verstandig, móói, charmant, geestig, begrijpend, aantrekkelijk en (ongewoon woord in deze tijd …)..kuisch! Ja, dat woord of begrip, komt, bij al haar charmes, altijd bij me op, als ik aan haar denk …’3 Ook Piet, die zich later Pyke zou laten noemen, koesterde dat beeld van zijn moeder. De suggestie van kuisheid die van haar uitging heeft hij vastgelegd in een van zijn zachtste schilderijen, een ‘portret’ van Daphne. Zij is de jonge nimf uit de Metamorfosen van Ovidius, die op de vlucht slaat om aan de grijpgrage handen van Apollo te ontsnappen. Terwijl zij van hem wegrent, verandert ze dankzij tussenkomst van haar vader, de riviergod Peneus, in een laurierboom [1.5]. Hij gaf Daphne de lieflijke trekken van zijn moeder, toen zij nog jong was [1.6]. Zij had, vond hij, ‘nimfen-oogen’.4
Dit zou Koch wel vaker doen, voor zijn schilderijen beelden gebruiken die hij kende vanuit zijn jeugd, op foto’s vastgelegd of in zijn geheugen gegrift. ‘Ja Mienkie,’ schreef hij zijn oudste zus in 1944, ‘wat kùnnen een jong hart en een jong oog, iets eens en voor altijd opnemen, háárscherp, en nooit meer iets van loslaten. Ik zie, trek voor trek, substantie, huid, kleur, démarche, enfin àlles van die menschen van toen.’5 Koch sr. werd door Jo getypeerd als ‘recht-


Jo Planten, ‘Beek..!! … Mignon !!!’, september 1983, kopie PA Erven Koch.
Koch aan Minie Stärcke, [ca 1957], PA: ‘mijn Floris met z’n grootmoeder’s nimfen-oogen’. Floris is Kochs jongste zoon.
Koch aan Minie Stärcke, [december 1944], overgeschreven door Jo Planten, citaat op p. 19, RKD 0899/59.

schapen, weet-begerig, nauwgezet, gewetensvol, zacht in omgang en oordeel; hij had een gróóte liefde en belangstelling voor natuur en letterkunde, kon heel mooi voorlezen […] en sprak goed talen.’6 Koch groeide op in een muzikaal gezin. Zijn moeder speelde piano en citer; zijn oudste zus zong en speelde piano en viool. Zelf speelde hij, naast piano en gitaar, ook viool [1.7]. Toen hij op zijn achtste zijn eerste (halve) viool kreeg, gaf hij, naar het oordeel van Minie, al gauw blijk van talent: ‘Piet, die nu een maand les heeft, – heeft voor moeders verjaardag [15 maart] al heel aardig zijn eerste stukje viool met piano gespeeld. ’t Klinkt zoo moppig, als zoo’n ukje zoo diep ernstig die zwaarmoedige kraaktonen eruit brengt. Toch was het al heel aardig. Hij zal het wel leeren denk ik.’7 Dat was zeker het geval: later overwoog hij zelfs enige tijd om na de middelbare school naar het conservatorium te gaan en van het vioolspelen zijn beroep te maken. Opmerkelijk, gezien zijn latere beroepskeuze, was dat hij toen ook al plezier had in het schilderen. In december 1912 kopieerde hij op elfjarige leeftijd met de waterverf die hij van Sinterklaas had gekregen een stilleven van Derk Wiggers, een vriend van zijn ouders die weleens in Beek kwam schilderen.8 Het resultaat ontlokte zijn moeder het commentaar: ‘’t zag er toch aardig uit, voor zoo’n blaagje dat niets van teekenen kent, en … hij genoot al doende.’9 Het zou niet het enige vroege blijk van zijn interesse in tekenen en schilderen blijven.
Van zijn zussen stond Minie het dichtst bij Koch: ‘Wij waren elkaars “voorkeur” uit het nest’, schrijft hij later.10 Zij verliet als eerste het ouderlijk huis: in 1910 trouwde ze en ging in Den Dolder wonen, waar haar man, August Stärcke, als psychiater verbonden was aan de Willem Arntz Hoeve. Zelf was ze in Arnhem opgeleid tot apothekersbediende.11 Jo, die ook als apotheekassistent in de praktijk van haar vader heeft gewerkt, trouwde vier jaar later met huisarts Theo Planten. Zij vestigden zich in de Achterhoek, in Neede. Kochs jongste zus To trouwde in 1920 met de Amsterdamse textielfabrikant Jan ter Haar.
Zoals Minie zijn meest geliefde zus was, zo was haar man, August Stärcke, de favoriete zwager. Meermaals riep hij zijn reactie op de kennismaking met hem op Sinterklaasavond 1908 in herinnering: ‘En ik aarzelde niet de volgende ochtend op de Nutschool toen de juf me vroeg wat mijn grootste cadeau was, met m’n antwoord! … “een groote broer”!’12 Stärcke zou uitgroeien tot een internationaal gerenommeerd Freudspecialist. Hij behoorde, net als zijn jong gestorven broer Johan, tot de vroegste voorstanders van toepassing van


Jo Planten, ‘Beek..!! … Mignon !!!’, september 1983, zie noot 3.
Minie Koch aan Johan Stärcke, 18 maart 1910, PA.
Ongedateerde gespreksnotitie Carel Blotkamp (over het schilderen in Beek), PA Carel Blotkamp.
Willemien Koch aan Minie Stärcke, 17 december 1912, RKD 0899/67.
Koch aan Floris Koch, 16 januari [1970], RKD 0899/283.
Getuigschrift, Arnhem 23 oktober 1906, nr. 334 ‘geviseerd als zijnde werkzaam in de apotheek van Dr P.F.C. Koch te Ubbergen’, PA.
Koch aan Minie Stärcke, oktober 1954, kopie PA. In 1972 brengt hij de kennismaking opnieuw in herinnering, nu in een brief aan zijn zus Jo. Koch aan Jo Planten, [mei 1972], kopie PA.
Cola Debrot (Debrot 1975, 582) merkt naar aanleiding van Kochs schilderij Anna [cat. 20] op: ‘wat zou dr. Stärcke wel over de tapkast als symbool hebben gefluisterd?’ Stärcke dacht bij seksuele symboliek in kunst aan tekens die voortkomen uit het onbewuste van de kunstenaar, waarvan de betekenis doorgaans ook voor de maker verborgen blijft. Als Koch bijvoorbeeld in zijn De rustende slaapwandelaarster [cat. 96] een naaimachine aanbrengt om de met ‘naaien’ verbonden associatie, dan doet hij dat willens en wetens, volkomen bewust dus.
Freuds leer in de psychiatrie in Nederland. Gezien de idolate houding van de jonge Koch tegenover zijn zwager is het aannemelijk dat van de zoveel oudere en rijpere Stärcke enige invloed is uitgegaan op de ontwikkeling van het mens- en maatschappijbeeld van Koch. Diens belangstelling voor een freudiaans geïnspireerde thematiek, zoals die hier en daar in zijn latere schilderkunstige oeuvre te bespeuren valt, is zeker ten dele terug te voeren op gesprekken met zijn zwager.13 In die gesprekken zullen ze het beslist ook weleens gehad hebben over de moderne wes-
14 Zie de inleiding van August Stärcke tot Sigmund Freud, De sexueele beschavingsmoraal als oorzaak der moderne zenuwzwakte, Baarn 1914; Bulhof 1983, 183-190.
15 H. Stärcke-Koch, ‘Terug’, Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift 28 deel 56 (1918), 202; H. Koch, ‘Juninacht’, 46 deel 91 (1936), 414-415.
16 Nieuwe Rotterdamsche Courant, 16 december 1920.
17 Menno ter Braak was bij hun eerste ontmoeting op 20 april 1925 23 jaar oud, Jo Planten bijna 34 en moeder van drie kinderen. Hanssen 2000, 274.
18 Tops ter Haar aan Heddy Koch, 17 maart 1964, RKD 0899/49.
19 Jo Planten, ‘Beek..!! … Mignon !!!’, september 1983, zie noot 3.
20 Koch aan Minie Stärcke, ca 22 augustus en 16 september 1967, PA.
21 Koch aan Jo Planten, [zomer 1984], RKD 0689.
22 Koch aan Minie Stärcke, [22 november 1944], PA.

terse maatschappij. Stärcke zal niet onder stoelen of banken hebben gestoken dat die naar zijn mening door en door verziekt was, niet in de laatste plaats door beknotting van de libido (met name door het instituut van het monogame huwelijk).14
Met Theo Planten of Jan ter Haar had hij voor zover bekend geen speciale band, niet als kind en ook niet als volwassene. Wel zou Jan ter Haar hem aan het begin van zijn carrière steunen door het controversiële Urinoir te kopen [cat. 13]
Eenmaal getrouwd concentreerden de zussen zich, zoals toen nog vanzelfsprekend was, op hun gezin, maar dat belette hen niet hun talenten – op bescheiden schaal – naar buiten te brengen. Zo wist Minie twee van haar gedichten in het chique algemeen culturele Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift gepubliceerd te krijgen.15 Jo bracht in 1920 haar vertaling uit van O Mensch! van de Oostenrijkse schrijver Hermann Bahr.16 Tegenwoordig geniet zij nog enige bekendheid als ‘muze’ van schrijver en criticus Menno ter Braak, die verliefd op haar was.17
To, die zich later Tops noemde, haalde in de jaren twintig de vaderlandse pers met een compleet ander talent: zij was sportief en tenniste in de jaren twintig op nationaal niveau, net als haar echtgenoot. Toen zij op latere leeftijd terugblikte, constateerde zij hoe ‘intens verschillend’ de drie zussen waren en dat met name zij een totaal andere jeugd en leven dan Minie en Jo had gehad.18
Mignon, het paradijs in Beek Villa Mignon lag op een steenworp afstand van de grens met Duitsland [1.8]. Het huis viel op door zijn zachtroze kleur. Jo heeft het in 1983 uitvoerig beschreven: op de begane grond lag, van voren gezien links, een salon-suite, met verder naar links achter twee glazen schuifdeuren een aangebouwde tuinkamer [1.9].19 Rechts lag de huiskamer met daarachter de eetkamer [1.10]. Ook de praktijkruimte met een spreekkamer, wachtkamer en apotheek lag in het rechterdeel van het huis. Het meubilair was zwaar en donker, de stoffering overdadig. Op de bovenverdieping bevonden zich zes slaapkamers en op de zolder van het huis nog eens twee, een grote boven de tuinkamer en een kleinere aan de andere kant van het huis. Piet sliep een tijdlang op de kleine zolderkamer; op de grote sliepen de twee volwassen dienstboden. Zij zorgden voor het huishouden; een ‘loopmeisje’ deed boodschappen en bracht medicijnen weg.
In Kochs herinneringen aan het leven in Beek neemt het huis geen prominente plaats in, wel de tuin rond het huis. Wanneer hij niet kan slapen, reconstrueert hij deze tot in alle details: ‘alle boomen, alle planten, perken enz.’ Het is zijn manier ‘om nachtelijke zwartgalligheden mee te verdrijven’.20 Nog in 1984 – hij is dan 83 – schept hij er plezier in zijn herinnering aan de tuin te delen met de dan 93-jarige Jo: ‘Duizende beelden hebben we beide waargenomen, de tuin, de Zomeravonden – met het theeblad onder de beuk of ook wel achter in de tuin bij de mispel – met de zachte geluiden van het snuiven van koeien in de dalende schemer. Àlles weet ik nog –de gele pruimen, de reine claude, de perenboomen rondom die plek waar we croquetten – de seringenstruiken – de, haast liggende, vijgenpeer boom (10 peren per jaar). – de schuurtjes – de croquet boogjes en, natuurlijk de groote bruine beuk – waar, iets lager, onder,: een vaste tuintafel was, waar we op zomermiddagen en avonden, thee dronken [1.11] Àlles weet ik nog precies.’21 Steeds wanneer hij of een van zijn zussen het in hun brieven heeft over de plaats waar ze hun jeugd doorbrachten, is het met weemoed naar die gelukkige tijd. Om het gemis het hoofd te bieden roepen ze in hun brieven momenten van hun gezamenlijke gelukkige tijd weer op. ‘Is het goed’, vraagt hij zich eind 1944 af, ’om ergens, ver in je verleden zoo’n plek gelukzalige zon te hebben, zoo’n paradise lost?’22 1.7


1.8 Villa Mignon, aan de Beeksche Straatweg (nu Rijksstraatweg) in Beek, fotoalbum 1944, p. 1, RKD 0899/175, Koch noteerde:
‘dit huis werd in het laatst van de vorige eeuw door mijn ouders gekocht.
- Ik werd er in 1901 geboren. z.o.z. - voor dien tijd hadden mijn ouders in twee andere huizen in ons dorp, (Beek bij Nijmegen) gewoond n.l. Walburg, en Stokkenhof. Beide werden later pensions.
Ons huis, “Mignon”, was in een doffe licht-rose teint geschilderd met lichtgrijze omlijstingen

van deuren en ramen, het had okergele store’s, behalve juist aan de ramen der kamers die op deze photo’s goed te zien zijn. Dit stuk van het huis werd n.l. door mijn ouders bijgebouwd spoedig nadat ze het huis hadden gekocht.
Op de hoeken stonden hooge boomen; een populier, een bonte iep en een bruine beuk.
- voor ons huis, aan de overzijde van de weg, begon de beboschte heuvel, er achter het vlakke land (d.w.z. achter onze tuin) “het laag” (weilanden, met kleine dorpen en alleenstaande hoeven), wat zich uitstrekte tot aan de rivier.
- De heuvel met z’n beekje, ravijnen, boschjes
op een enkele plek onderbroken door glooiende akkers, was het voornaamste speelgebied van mijn jeugd. Maar ook de weilanden achter de tuin waren gedurende lange perioden onuitputtelijke bronnen van avontuur en pleizier, want er waren kalveren, veulens, koeien en paarden die we kenden, en namen gaven, en de “onzen” noemden, er waren tallooze sloten en slootjes die we afdamden en waaruit we katvischjes (stekelbaarsjes) bij honderden vingen met een oude emmer; en als ’s winters, wat vaak gebeurde, alles blank stond dan reden we er schaatsen op de groote ijsvlakte.’



1 Ubbergen, uit Jacob Kuyper, Gemeente-atlas van Nederland, naar officieele bronnen bewerkt, deel 2, Leeuwarden [1867], uit Van Boldrik 1981, afb. 84
2 Kiefte de postbode, en Piet Koch, circa 1910, Archief Taeke J. Botke
3 Afscheid van burgemeester Jhr. Jan Dommer van Poldersveldt, burgemeester van Beek (Ubbergen) van 1893 tot 1917, uit Van Boldrik 1981, afb. 138 Dommer wordt omringd door ambtenaren van de gemeentesecretarie en het politiekorps, van links naar rechts: G.T. van Boldrik, secretaris en ontvanger, J. Nauta Andrea, volontair, A.H. de Goey, ambtenaar, H.W.A. baron van Westerveldt Sandberg, ambtenaar van de burgerlijke stand, J.N. Hermsen, bode, en de veldwachters J.H. Gerbrands (Ubbergen), H. Awater (Kekerdom), J.P.M. de Man (Ooij), J. van Vendeloo (Beek) en F. Kluitmans (Leuth-Kekerdom).
‘Je boek heeft me heel veel van vroeger in de herinnering gehaald en ook m’n herinneringsbeelden weer eens verduidelijkt’
Pyke Koch aan Margot van Boldrik, Utrecht 15 juni 1981
Koch haalt in juni 1981 nog enkele herinneringen op aan het leven in Beek.1 De aanleiding hiervoor is het verschijnen van Ubbergen hoog & laag van verleden naar heden van dorpsgenoot Margot van Boldrik (Bussum 1981). Voor de toelichting op haar beeldverhaal van kenmerkende locaties [1], gebeurtenissen en personen uit de omgeving van Beek en Ubbergen had zij geput uit herinneringen van (oud-)Beekenaars, ook uit die van Koch.2 In zijn brief van 15 juni 1981 staat hij stil bij enkele markante dorpsfiguren.
Het is verleidelijk sommigen van hen terug te vinden in zijn schilderijen. Koch putte voor zijn voorstellingen uit allerlei bronnen, krantenfoto’s, film-stills, reproducties van kunstwerken, literatuur, maar ook uit zijn herinneringen – aan zijn geboortehuis en zijn bewoners, aan de imposante figuren en gebeurtenissen in zijn jeugd in Beek. Zij zijn in zijn geheugen gegrift en op foto’s vastgelegd. De toon van de brief is informeel. Hij signeert zijn brief met ‘Piet Koch’, zoals de Beekse dorpsgemeenschap hem kende.
Beste Margot, je boek (mijn hartelijke complimenten) heeft me heel veel van vroeger in de herinnering gehaald en ook m’n herinneringsbeelden weer eens verduidelijkt. Die menschen die ik me zoo heel duidelijk voor oogen kan halen omdat ze op mij als kind de sterkste indruk gemaakt hebben, dat waren: ‘Toon de wegwerker’ met zijn houten been, een lieve goeie kerel die geduldig jaar in jaar uit op het lange traject Nijm – Ubbergen de paardenvijgen stond – of liever liep – op te vegen met z’n lange ‘heibessem’. Hij kon op de tram stappen zonder de minste risico dat hij zijn kaartje zou moeten betalen. Dat deed, als om wedstrijd, een van de menschen die in zijn buurt op het balcon stonden (hij ging nooit zitten v.w. het been!) Ik zie zijn gezicht nog voor me. Op een goeie dag had hij een groot verband dwars over zijn neus: hij had op een paard moeten passen en was door dat slecht gehumeurde exemplaar in zijn neus gebeten.
Dan is daar Kiefte de postbode met zijn O beenen en roodgeaderde gezicht [2]. Dan de lange Hermsen, koetsier van burgem Jan Dommer v. P.3 die hielp ‘zatte kerls’ in het hok onder het gemeentehuis te douwen. Ik zag het eens als kind gebeuren en was als in een nachtmerrie bevangen. Vendeloo is prachtig te zien op die groepsphoto [3] 4 Als kinderen maakten we elkaar aan het schrikken met ‘daar hedde Vendeloo’. Maar nog banger waren we voor het toen niet zeldzame verschijnsel van een dronken man. Als er een riep: ‘daar komt een zatte kerl’ dan vlogen we als verschrikte musschen alle kanten op.
De doodgraver v/h R.K. kerkhof zie ik nog voor me – mager, hard gezicht met donkere oogen (+ 55 jaar). Bij een open graf wat hij juist begon dicht te gooien stond een heel oud moedertje te huilen (voor zoover ze dat nog kon), en zei ‘hij kriegt toch wel een krans in den hemel’? Hij: ‘as ’t an mien lijt wel twee’! – – – Toen scharrelde ze weer weg.
Wat een pracht photo van de oude Groothuzens! die ik me ook nog duidelijk herinner al was ik heel jong toen ze stierven [4]