Skip to main content

Het huis van de kunstenaars_Blader

Page 1


Het huis van de kunstenaars

De schilders van de Jan Steenzolder

Theo de Feyter

Het huis van de kunstenaars

Het huis van de kunstenaars

De schilders van de Jan Steenzolder

Theo de Feyter

Waanders Uitgevers, Zwolle

Inhoud

Inleiding 7

De Pijp

Boheemsch Amsterdam 19

De schilders van de Jan Steenzolder

De periode Leo Gestel 1904-1920

39

De ere-bohemien

De periode Henri Wiessing 1920-1926

73

Terrein van vrijheid

De periode 1926-1946

95

Een paleisje in De Pijp

De periode Kees en Enny Wiessing 1945-1954

143

De ‘geschifte’ Pijp

De periode Willem den Ouden 1954-2004

159

Een nieuwe zolder

De periode Allard Gomperts 2004-2018

205

Epiloog

De periode Theo de Feyter en Roos Gerritse vanaf 2018

221

Appendix De voorwerpen 229

Inleiding

Theo de Feyter, De schaduw, 2026.
Gouache, pastel, 68 x 48 cm.

Toen Roos en ik in 2018 naar de Tweede Jan Steenstraat 80-III verhuisden, was ons al gezegd dat onze nieuwe woning in de Amsterdamse wijk De Pijp een bijzondere plek was: de ‘Jan Steenzolder’, ooit het atelier van Leo Gestel en Jan Sluijters, die er regelmatig hun vriend Piet Mondriaan over de vloer kregen. Voor ons was dat toen niet meer dan een mededeling, een leuk weetje. De woning was in de jaren voor onze komst grondig gerenoveerd en dus sterk veranderd. Hoewel enkele originele elementen behouden waren gebleven, was de sfeer nogal prefab geworden: gipsplaten voorzetwanden en een verlaagd plafond met nepbalken die niets droegen. Er was weinig waardoor je je kon terugverplaatsen in de sfeer van die dagen, het begin van de twintigste eeuw. Een vriendin deed ons het boekje Japi en Bavink en de doorbraak van de moderne kunst van kunsthistoricus Ype Koopmans cadeau, waarin hij de bekende Nescio-personages probeert te koppelen aan bestaande bohemientypen en aan de (ook door Nescio genoemde) Jan Steenzolder, waar zij woonden en bijeenkwamen. In dat boekje zag ik de eerste historische foto’s van onze nieuwe woning. Het waren kiekjes uit 1908, genomen tijdens een feestje in het atelier van Gestel: olielampen, gitaren, tekeningen als een soort behang aan de wand, jongens en meisjes aanminnig tegen elkaar aan geleund. Leuk, interessant zelfs, maar nog steeds niet meer dan dat.

Dat begon te veranderen toen ik in de woning en op zolder in dozen, kisten en koffers allerlei voorwerpen van vorige bewoners aantrof. Bovendien waren er meerdere meubels blijven staan. Hoe kon dat: spullen en meubels van vorige bewoners? Een huurwoning moet bij verhuizing toch leeg worden opgeleverd? Normaal gesproken wel, maar niet in ons geval. Omdat de verhuizing tot stand kwam door woningruil, ging alles in samenspraak met onze voorganger, Allard Gomperts, een tekenaar en kunstschilder. En ook hij had op zijn beurt de woning betrokken door woningruil. Aangezien hij nogal wat meubels en voorwerpen van zijn voorganger had ‘geërfd’, nam ik aan dat de meeste door mij gevonden dingen hadden toebehoord aan die voorganger.

Dat was de schilder Willem den Ouden, die in 1954 op dit adres was komen wonen, aanvankelijk met zijn vriend de graficus Jan Mensinga en al gauw met zijn vrouw Ferry Alink, ook schilder. Weer drie kunstenaars. Later zou blijken dat de verhuizingen al sinds de tijd van Leo Gestel in zulk overleg waren gegaan.

Veel zaken die ik vond hadden een duidelijk verband met Den Ouden: pakken met asfaltpoeder, een zak carborundum om lithostenen mee te slijpen, en borstels – materiaal dat nodig is om te etsen en te lithograferen. In het op het noorden gelegen atelier aan de voorkant stonden ooit Den Oudens werktafels en de persen waarmee hij de etsen afdrukte. Ik trof acht pakken volkorenmeel van het merk Primol 1 uit de jaren vijftig aan. Volkorenmeel? Op de zijkant van het pak stond een recept voor plakmeel. Dat verklaarde wel wat, en Den Ouden zelf lichtte nog toe: ‘Dat gebruikte ik om Japans papier op te plakken.’ Ik kon hem zulke dingen gelukkig nog vragen. In april 2025 stierf hij, zevenennegentig jaar oud, een geheugen als een ijzeren pot. Tot zijn overlijden was hij voor mij een belangrijke informatiebron.

Voorts stond er een kamerscherm van gecraqueleerd, rood leer, en een groot houten podium, gebruikt om modellen zich daarachter te laten uitkleden en vervolgens te laten poseren. En een klein kastje uit de jaren dertig met afgesleten zwarte verf. ‘Daar hadden mijn ouders de radio in’, herinnerde Den Ouden zich. ‘Opende je het deurtje, dan kon je hem zien staan.’ In het laatje vond ik oude notitieboekjes en ansichtkaarten van vrienden en collega’s. Dan was er nog een grote hang- en legkast die ik gedemonteerd in het atelier aan de voorkant aantrof. Ook die was oorspronkelijk van Den Ouden geweest, door Gomperts overgenomen, vanwege de renovatie van de woning uit elkaar genomen en daarna zo gelaten. Roos en ik zetten hem weer in elkaar, schuurden hem af, poetsten hem helemaal op en plaatsten hem in de achterkamer. Toen we later foto’s uit de jaren zestig zagen, bleek dat we de kast op precies dezelfde plaats hadden gezet als Willem en Ferry den Ouden. Op de vliering lag een aantal gipsafgietsels: middeleeuwse kraagstenen van een man die een boek laat zien en een slapende hond, een reliëf van een putto, een vrouwenkopje, zo te zien van een achttiende-eeuws beeld, en het kopje van een putto. Een kraagsteen is de ondersteuning van een pilaster, een aan de muur geplakte zuil. Ik ging er van uit dat deze afgietsels van Den Ouden waren geweest. Die had tenslotte op de Rijksakademie in Amsterdam les gegeven en ik had daar zelf in mijn studietijd naar gipsbeelden getekend. Op de putto waren met potlood hulplijnen getrokken om de onderlinge verhoudingen van de lichaamsdelen te verduidelijken. Lesmateriaal, dacht ik.

Ik vond ook voorwerpen die ik niet direct thuis kon brengen. In een bruin kartonnen kokertje zaten vier panoramische negatieven van 10 x 25 cm. Toen

ik ze liet afdrukken bleken het straatbeelden uit Nederlands-Indië te zijn. De fotograaf zei dat ze gezien het formaat met een platencamera gemaakt moesten zijn: het boven- en onderdeel van het vierkante negatief waren afgedekt, zodat dat panoramische formaat ontstond. De foto’s lieten werkzaamheden aan een kanaal zien en een brede dreef met sado’s, de kleine tweewielige karretjes met paard die in Indië dienst deden als taxi. Rechts op de stoep voor de winkels (F.H. Justman Manilla sigaren, K.B. de Beste Confectie) staan mannen in witte tropenpakken en vrouwen in even witte jurken naar de fotograaf te staren.

Een andere raadselachtige vondst was een vierkante koffer van lichtbruin leer. In het binnenste was van met zijde bekleed karton de negatieve vorm van een hoge hoed gemaakt. Een hoedenkoffer. Zo’n gevaarte voor één hoge hoed?

‘Bedienden zat, in die tijd,’ zei een vriend aan wie ik de koffer toonde droogjes. In plaats van een hoge hoed zat er een bolhoed in. Over de buitenkant van de koffer was als een soort cadeaulint een blauwwitte baan geschilderd met de initialen C.W. Op de zijkanten zaten plakkers van een Haagse bergplaats voor inboedels. En dan was er nog een grote, kartonnen doos met een onttakelde olielamp. Het leek een onontwarbare kluwen kettingen en koperen onderdelen. Onderin glansde een kap van melkwit glas als een oester op de zeebodem. Met veel moeite zette ik hem in elkaar; niets bleek te ontbreken. Het was een grote olielamp zoals je die op foto’s en prenten uit het begin van de twintigste eeuw wel boven tafels ziet hangen en zoals die ook op de kiekjes van de Jan Steenzolder uit 1908 voorkomt.

Zo vond ik veel mooie en raadselachtige voorwerpen, maar ik wist er voorlopig maar één ding mee te doen: ik stelde er stillevens mee samen die ik ging tekenen. Eigenlijk zie ik mijn atelier als één groot stilleven en de ‘nieuwe’ oude voorwerpen voegden zich bij bestaande, waar ik al langer mee werkte. Toch bekeek ik die op de zolder achtergelaten spullen met een bijzondere fascinatie. In mijn tekeningen vertelden ze het verhaal van de geschiedenis van de zolder. Door zorgvuldig met mijn blik, potlood en penseel de oppervlakte met kleuren, stofuitdrukking, lichtreflecties en kleine beschadigingen te volgen, haalde ik die geschiedenis als het ware dichterbij. In mijn tekeningen plaatste ik ze zodanig in de ruimte dat de bewaard gebleven elementen van het interieur, zoals de dubbele, glazen deuren naar de straat, altijd zichtbaar waren. Ook die deuren en andere originele onderdelen beschouwde ik als ‘gevonden voorwerpen’. Ik had het bij die tekeningen kunnen laten – ze legden het verleden van de Jan Steenzolder vast zoals ik het aantrof – maar door het kijken en voelbaar maken van die voorwerpen was als vanzelf een zoektocht begonnen naar de achtergrond en betekenis van de objecten.

Ik ben niet alleen als schilder, maar ook als archeoloog opgeleid. Het vinden en tekenen van de voorwerpen had ook wel iets van een opgraving, zoals ik die in Syrië en Turkije heb gedaan: laag voor laag ga je dieper de tijd in en probeer je de vondsten in een context te plaatsen en hun functie te begrijpen. In het boek van Ype Koopmans vond ik een verwijzing naar de memoires van de journalist Henri Wiessing, Bewegend portret, met een beschrijving van de Jan Steenzolder. Hij bleek daar te hebben gewoond: nog een voorganger! H.P.L. Wiessing (1878-1961) was onder andere hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer, later van de door hem opgerichte De Nieuwe Amsterdammer en zijn leven lang ‘partijloos communist’. In Bewegend portret zocht ik de beschrijving op: ‘Met Rosy woonde en werkte ik nu op de “Jan Steenzolder”, een kartonnen kamers-combinatie, door generaties van artisten in een voormalige hooizolder ingebouwd. In de dagen, waarvan ik spreek, was “het” bewoond door mijn vriend de schilder Leo Gestel, die mij het verheven derde-etage-appartement gemeubeld verhuurde voor een klein prijsje.’1 Wat nu de derde etage is, werd dus ‘zolder’ genoemd en wat tegenwoordig de zolder op de vierde etage is, was eigenlijk de vliering. Uit de memoires concludeerde ik dat Wiessing er van 1920 tot 1926 moest hebben gewoond.

Toen ik in de geschiedenis van het pand dook, kwam ik in die vroegste periode al gauw tal van bekende namen tegen die er op de een of andere manier mee zijn verbonden: niet alleen Leo Gestel en Jan Sluijters, maar ook Piet Mondriaan, Gijs Jacobs van den Hof, John Rädecker, Mommy Schwarz, Else Berg en nog vele anderen. Ik durfde niet te hopen dat uit deze periode voorwerpen waren overgeleverd. Maar op mijn vraag of de gipsen voorwerpen en de olielamp oorspronkelijk aan hem toebehoorden, antwoordde Willem den Ouden: ‘Nee, dat lag en stond er allemaal toen ik daar kwam. Die spullen kunnen alleen maar van Gestel zijn geweest.’ Met die voorwerpen zou ik dus op de diepste en oudste laag in mijn opgraving zijn gestuit. Den Oudens stelligheid over de herkomst van de voorwerpen had als reden dat hij zelf als bewoner niet alleen deze voorwerpen, maar ook tekeningen en schilderijen aantrof, die met zekerheid aan Gestel en Schwarz konden worden toegeschreven – inmiddels zijn ze opgenomen in museumcollecties. Volgens beschrijvingen had Gestel zijn ruimte ingericht met exotische bric-à-brac, wandkleden, Spaanse affiches, divans, quasi-Marokkaanse bijzettafeltjes, gordijnen van plafond tot vloer, en nog veel meer – iets daarvan is op de foto’s uit 1908 te zien. Zelf liep hij rond in een oosterse, zijden kamerjas en op marokijnen muilen. Ik kon me goed voorstellen dat de gipsafgietsels daar feilloos tussen pasten.

Het is een illuster rijtje kunstenaars dat ik hierboven noemde. Gestel, Sluijters en Mondriaan waren in de jaren nul van de twintigste eeuw de artistieke avant-garde van Nederland. De Jan Steenzolder fungeerde in de verhalen

min of meer als het hoofdkwartier van het luminisme, een vooruitstrevende richting die veel beroering teweegbracht in het heersende kunstklimaat. Of de voorstelling van de zolder als hoofdkwartier klopt, zullen we nog zien. Aan verhalen met betrekking tot de atelierwoning is intussen geen gebrek. Feestjes en verkleedpartijen, waarvan de schilder Mommy Schwarz de gangmaker was geweest, de telkens weer gememoreerde romantische armoede; het zijn verhalen die Den Ouden nog tot in de jaren vijftig op het terras van café Reijnders hoorde vertellen, onder andere door Germ de Jong, tijd- en bentgenoot van Gestel. Ook de beeldhouwer John Rädecker was zo’n door legenden omweven figuur. Hij zou door een paar beeldhouwers van de Jan Steenzolder van de straat zijn geplukt en opgenomen in hun atelier. De verhalen zijn de resten van het bohemienleven, geassocieerd met de Jan Steenzolder, maar ook met De Pijp als buurt, die door sommigen wel het quartier latin van Amsterdam werd genoemd. Her en der in kunstenaarsbiografieën en tentoonstellingscatalogi lees je die verhalen nog steeds en ook ik zal ze hier weer vertellen, zij het in andere versies.

Maar wat is er eigenlijk gebeurd tussen 1926 en 1954, nadat Henri Wiessing vertrok en voordat Den Ouden kwam? Die periode was voor mij aanvankelijk een zwart gat. Ik zocht contact met de familie van Henri in de hoop te weten te komen wie zijn opvolger was geweest en misschien ook wel om foto’s van het interieur te zien. Ik had geluk, want ik trof een familiestichting met een website aan en een actief familielid, Frans van den Born, die optrad als archivaris. Hij vertelde me dat niet alleen Henri, maar ook diens broer Kees op de Jan Steenzolder heeft gewoond. Maar uit de woonkaarten in het Amsterdams Stadsarchief bleek vervolgens dat Kees pas vanaf 1946 officieel hoofdbewoner was. Er bleef dus nog steeds een groot gat van 1926 tot 1946 over. Mijn zoektocht door het Stadsarchief en het archief van de familie Wiessing zouden die ‘donkere middeleeuwen’ langzaam ophelderen. Ik vond in het Stadsarchief voor die periode geen duidelijke hoofdbewoner. Wel duikt in brieven en kaarten regelmatig Herre de Vos, zanger, liedjesschrijver en vriend van Gestel op, die een soort beheerder lijkt te zijn geweest. Hij komt al voor op de foto’s uit 1908. Daarop zit hij, met mandoline, naast Leo Gestel. Hij was er dus al vroeg bij. Mijn vermoeden dat Henri Wiessing ondanks zijn verhuizing de ruimte in de Tweede Jan Steenstraat was blijven huren, werd bevestigd door een brief van zijn broer Kees aan de eigenaar uit de late jaren dertig. Daaruit blijkt dat Henri nog altijd het huurcontract ondertekent, terwijl Kees de Jan Steenzolder gebruikt als woning, postadres en opslag. Kees is dan al jaren de zeer gewaardeerde directeur van auteursrechtenorganisatie Buma-Stemra.

Vooral voor de opslag van de spullen van Kees Wiessing is de Jan Steenzolder belangrijk geweest. Hij was jurist, had in Indië een verzekeringsbedrijf

opgericht en was daarmee schatrijk geworden. In 1926 keerde hij uit Nederlands-Indië terug met huisraad, kleding en een grote verzameling Chinees porselein en Indische meubels. Aanvankelijk werd dat allemaal in Den Haag opgeslagen, later in Amsterdam, maar in de late jaren dertig werd alles uit verspreid liggende pakhuizen naar de Jan Steenzolder overgebracht en daar opgeslagen en verzekerd. Het zou kunnen verklaren waarom voorwerpen die aan Gestel toebehoorden al die tijd hebben overleefd: ook zij waren als het ware opgeslagen.

Nu werden de initialen op de hoedenkoffer mij duidelijk: C.W. staat voor Cornelis Wiessing, Kees’ geboortenaam. En de stickers van het opslagbedrijf duidden er op dat de hoedenkoffer was meegekomen uit Indië en net als de andere spullen in Den Haag was opgeslagen. Ik begreep nu ook de foto’s met Indische straatbeelden. Die moeten wel van Kees zijn geweest. Het zouden beelden kunnen zijn van Weltevreden, de chique, Europese wijk van Batavia, waar Wiessing en zijn vrouw woonden.

Hoe meer ik vond en hoe meer ik begreep, des te meer begon de geschiedenis voor me te leven. Ik had nu voorwerpen van bijna alle bewoners van de Jan Steenzolder gevonden. Alleen van Henri ontbraken tastbare herinneringen. Maar ook daar zou verandering in komen. Allard Gomperts, onze directe voorganger, had me eens verteld dat hij kisten en koffers had gezien met allerlei voorwerpen en kleding uit Indië, maar dat die op een duistere manier waren verdwenen. ‘Misschien wel gestolen tijdens de renovatie van de woning.’ Pech gehad, dacht ik, niets meer aan te doen. Ik vertelde dit verhaal aan een goede vriend van Willem den Ouden: ‘Maar ze zijn kwijt’, zei ik. ‘Jammer.’ ‘Dat weet ik nog zo net niet,’ antwoordde de vriend. Hij herinnerde zich dat hij, toen in 2016 de renovatie van de woning voor de deur stond, had geholpen een aantal kisten en koffers te verslepen, die Den Ouden wel zo lang voor Gomperts wilde opslaan. Beide waren het daarna klaarblijkelijk vergeten of hadden het zo gelaten. ‘Het zou zomaar kunnen dat die nog steeds bij Willem thuis in Varik staan.’

Zou dat inderdaad zo zijn? Dan was er een nieuwe bron voor de geschiedenis van de Jan Steenzolder aan te boren. Toen ik de vraag aan Den Ouden voorlegde, zei hij meteen: ‘Ja, die staan buiten onder een afdak.’ Buiten?! Ik hield mijn hart vast. Van kisten en koffers die jaren buiten staan, is meestal niet veel over. Maar dat afdak bleek een verlenging van het rieten dak van zijn oude boerderij te zijn en een brede galerij te vormen, mogelijk voor het bergen van hooi. Van de ene hooizolder naar de andere hooiopslag. Twee grote scheepskisten en vier reiskoffers stonden tegen de muur van de boerderij. Kurkdroog.

Ik herkende de kisten onmiddellijk. Ze hadden dezelfde blauwwitte band als de hoedenkoffer, die als een lint om de hele kist heen was geschilderd. Ook de initialen waren nog vaag zichtbaar, maar stickers van een opslagbedrijf ontbraken. Toen ik de inhoud bekeek, bleek tenslotte overduidelijk dat ze van Kees Wiessing moesten zijn geweest. In de twee scheepskisten zat een volledige tropengarderobe: pantalons, colberts, smokingvesten en de typische, uniformachtige jasjes met hoge, opstaande kraag, zogenaamde toetoeps. Alles in het wit en alles in uitstekende staat; in slechts een enkel stuk zat het weer. In de koffers vond ik verder brieven, boeken en allerlei voorwerpen, al dan niet gebroken. Ik laadde alles in de auto en bracht het terug naar de Jan Steenzolder. Daar bekeek ik het in alle rust.

Tussen de snuisterijen, brochures en oude kranten (een paar uit 1950 en 1952 – Kees heeft dus in de jaren vlak voor zijn verhuizing nog in de koffers gekeken), vond ik ook brieven van familieleden, vrienden en zakelijke relaties. Ze dateerden allemaal uit de laatste periode van Kees’ verblijf in Indië en de paar jaar na zijn terugkeer. De voor mij belangrijkste vondst betrof brieven van zijn broer Henri Wiessing, de vroegste uit 1925, toen Henri nog op de Jan Steenzolder woonde, en de laatste uit 1928 verzonden vanuit zijn nieuwe woonplaats Blaricum. Het bundeltje brieven is het enig tastbare dat op de Jan Steenzolder van hem rest. Komen in de andere brieven van familieleden aan Kees vooral typische familiezaken voor (gezondheid, ziekte, visites, hypotheekperikelen, enzovoorts), in die van Henri worden ook de roerige Indische politiek van de jaren twintig en andere actuele zaken, zoals de oprichting van de Van Heutsz-monumenten in Amsterdam, Batavia en Atjeh besproken. Het geeft een goed beeld van wat hem interesseerde en waartegen hij in opstand kwam. De twee broers vertegenwoordigden verschillende standpunten ten aanzien van de toekomst van de kolonie: Henri stond achter de Indonesische nationalisten die naar onafhankelijkheid streefden, Kees was voor liberale hervormingen met behoud van het koloniale systeem. In een later hoofdstuk zal ik er aan de hand van de brieven nader op ingaan.

Wat is er eigenlijk in de woning zelf behouden gebleven van de oude toestand? Niet veel. Op instigatie van Allard Gomperts waren bij de renovatie de glazen deuren aan de voorkant, een wandkast en een deur in de keuken met mooi geëtst glas niet weggesloopt. Hij had aangegeven bovendien de plafondbalken zichtbaar te willen laten, maar daar had de woningbouwvereniging die de opdracht tot de renovatie had gegeven geen kans toe gezien. Het waren zware balken van ongeveer 25 centimeter breed. Langs sommige liepen trekstangen om de wijkende muren bijeen te houden. Tijdens de renovatie was een aantal vervangen door ijzeren balken. ‘Dat is toch geen gezicht’, had de opzichter gezegd. Er was een

nieuw plafond tegen de oorspronkelijke balkenlaag gemonteerd waar vervolgens een massa dunne balkjes, die niets droegen, tegenaan was geschroefd. ‘Kijk,’ had dezelfde opzichter trots gezegd, ‘een nieuw balkenplafond!’

De raampartij aan de voorkant bestond uit naar binnen slaande deuren met ruitvormige sponningen. De deuren gaan niet goed dicht en er komt veel tocht doorheen, maar Roos en ik koesteren die ramen als iets waar kunstenaars al een eeuw lang doorheen kijken. Thijs Wiessing, een zoon van Henri uit zijn eerste huwelijk, die in het begin van de jaren twintig enige tijd bij zijn vader woonde, heeft een beschrijving van de Jan Steenzolder gegeven zoals hij er in die tijd uitzag. Hij zegt dat het atelier vroeger een hooizolder was geweest ‘met (nu glazen) pakhuisdeuren’. Dat zijn dan de deuren die er nog steeds zijn. Het interieur was nog volledig dat van Gestel, schrijft hij vervolgens. Dat komt overeen met wat Henri zegt in zijn memoires, namelijk dat hij de ruimte gemeubileerd van Gestel overnam. Het atelier zelf lijkt Thijs nogal donker om in te werken, hetgeen ik kan beamen – het is zelfs nog donkerder dan voorheen door de volledig volgroeide bomen voor het huis. Honderd jaar geleden stonden die er nog niet. Desondanks natuurlijk ook iets om te koesteren.

De keuken is nieuw met een formica aanrecht, ventilatiesysteem en een zogenaamd klap-kiepraam met lelijke, brede kunststof sponningen. Die zijn gemaakt voor dubbel glas, maar dat is, waarschijnlijk uit zuinigheidsoverwegingen, achterwege gelaten. De wandkast, aangebouwd tegen een planken tussenmuur, is oorspronkelijk. Die hele wand is oorspronkelijk en nu met kast en al door Roos bordeauxrood geschilderd. Ook de glazen deur tussen keuken en achterkamer is een oud element, hoewel hij oorspronkelijk ergens anders zat. Er zouden, net als door de ramen in het atelier, generaties kunstenaars doorheen hebben gekeken, ware het niet dat er een palmenmotief in een art deco-kader in het glas is geëtst, dat het grotendeels ondoorzichtig maakt.

Mijn reconstructie van de bewoners van de Jan Steenzolder ziet er nu als volgt uit:

1904-1920 Leo Gestel en andere kunstenaars en hun partners

1920-1926 Henri Wiessing en Rosy de Sterke

1926-1946 Henri Wiessing is de huurder, maar zijn broer Kees, zijn vriendin Bammy en Herre de Vos wonen er. Henri en zijn kunstenaarsvrienden blijven de zolder gebruiken als pied-à-terre en postadres.

1946-1954 Kees Wiessing en Enny Diephuis

1954-2004 Willem den Ouden en Ferry Alink en enkele vrienden

2004-2018 Allard Gomperts

vanaf 2018 Theo de Feyter en Roos Gerritse

Dit boek is chronologisch ingedeeld, aan de hand van deze perioden en de ermee verbonden namen. Maar achter die namen gaan anderen schuil: partners, onderhuurders en gebruikers die er tegelijkertijd hebben gewoond en gewerkt en hun stempel hebben gedrukt. Ik heb de vondsten op de zolder aangevuld met onderzoek in de archieven van Gestel, de Wiessings, Den Ouden en nog vele anderen. Samen met de voorwerpen en de brieven vertellen ze het verhaal van de Jan Steenzolder: van de artistieke avant-garde waarmee het begon, van een eigenwijze en intelligente journalist en hoofdredacteur die deze kunstenaars aan zich wist te binden voor zijn weekblad, van discussies over de Indische politiek, van een eigengereide Buma-directeur die zich bewoog in kringen van de gevestigde burgerij en gearriveerde kunstenaars, van het naoorlogse debat over de ‘figuratieven’ en de ‘abstracten’, dat het kunstklimaat in die jaren bepaalde, en ten slotte van een atelier dat na al die tijd nog steeds wordt bewoond en gebruikt door kunstenaars.

Maar het begint bij een in onbruik geraakte hooizolder in de Amsterdamse wijk De Pijp aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Het huis van de kunstenaars_Blader by uitgeverijdekunst - Issuu