Skip to main content

Het Europa van Isaac Israels

Page 1


IsaacEuropaIsraels Het van

Afb. 1 Zelfportret met bolhoed, 1882
Particuliere collectie

Woord vooraf

Al van jongs af aan wordt Isaac Israels in de Nederlandse kunstgeschiedenis beschouwd als een virtuoos kunstenaar.

Op zestienjarige leeftijd werd hij al onderscheiden voor zijn talenten. Aan aandacht heeft het de kunstenaar dan ook niet ontbroken, niet tijdens zijn leven en ook niet postuum. Toch zijn er nog steeds onderwerpen binnen zijn oeuvre die meer aandacht verdienen. Dat zegt iets over zijn veelzijdigheid. Met deze tentoonstelling en publicatie hoopt het Kröller-Müller Museum dan ook bij te dragen aan meer inzicht in het leven en werk van een van de meest getalenteerde kunstenaars van zijn generatie.

Dat deze tentoonstelling plaatsvindt in het Kröller-Müller Museum is niet onlogisch. Helene Kröller-Müller en haar adviseur Henk Bremmer bewonderden Isaac Israels om zijn scherpe observatie en zijn beheersing van techniek waarmee hij schetsmatig en in korte tijd het karakteristieke van het gekozen onderwerp neerzette. Met 23 schilderijen en bijna 300 tekeningen is zijn werk rijk vertegenwoordigd in de collectie van het Kröller-Müller Museum.

In de woorden van Bremmer:

‘Hij ziet werkelijk, hij kijkt niet zooals de meesten zoo maar eens tegen de dingen aan, en weet men zijn draai te pakken, kan men zich laten leiden door wat hij ons in zijn werk als de door zijn oogen geprojecteerde beelden van de wereld geeft, dan komt men voor een rijk veld van verrassingen te staan.’ [Bremmer z.j., p. 5]

De afgelopen decennia zijn meerdere tentoonstellingen over Israels georganiseerd, onder andere Breitner vs. Israels (2020), Vader en zoon, (2008) en Isaac Israels in de mode (2002), alle in het Kunstmuseum Den Haag. Dat is niet zonder reden, want ook dat museum bezit een rijke verzameling werken van de kunstenaar. Andere recente tentoonstellingen waren Israels in Amsterdam (Stadsarchief Amsterdam, 2012), Israels aan zee (Frans Hals Museum, 2007) en Isaac Israels – Hollands impressionist (Kunsthal Rotterdam, 1999). Ondanks de omvangrijke collectie in het KröllerMüller Museum heeft dit museum slechts enkele tentoonstellingen

aan de kunstenaar gewijd. De laatste keer was Isaac Israels, chroniqueur van het vlietende leven in 1999. De eerste keer was in 1927, toen nog in Museum Kröller op het Lange Voorhout in Den Haag.

Het Europa van Isaac Israels brengt een rijke selectie werken samen uit museaal en particulier bezit. Je ziet schilderijen en zeer gevarieerd werk op papier: aquarel, pastel, krijt en vele schetsboekjes.

Tentoonstellingen als deze zijn alleen mogelijk dankzij de vrijgevigheid van velen en de inzet van experts. Het werk van Israels is niet enkel ruim vertegenwoordigd binnen de Nederlandse musea, maar is ook een geliefd verzamelobject. Ik ben de diverse kunsthandelaren en veilinghuizen dan ook dankbaar voor hun bemiddelende rol bij het traceren van werken waarvan het publiek nu kan genieten, zowel in de tentoonstelling als in de catalogus. Particuliere bruikleengevers hebben hun geliefde werken aan het museum toevertrouwd, waardoor wij het verhaal van Israels’ reizen door Europa kunnen vertellen. Daarmee hebben zij deze tentoonstelling mogelijk gemaakt, waarvoor ik hen zeer erkentelijk ben. Ook musea hebben ruimhartig bruiklenen afgestaan. Mijn dank gaat uit naar de collega’s die dit mogelijk hebben gemaakt.

De tentoonstelling is tot stand gekomen na een idee van conservator Renske Cohen Tervaert. De vormgeving, door Raw Color, maakt van de tentoonstelling een reis door het werk van Israels. De publicatie is uitgegeven door Waanders en fraai vormgegeven door Saiid & Smale. De beeldredactie was in handen van Esther van Maanen. Het resultaat is een kleinood dat ook na afloop van de tentoonstelling zal blijven getuigen van al het werk van conservator en samensteller Renske Cohen Tervaert en conservator in opleiding Julie van Loon, dat heeft geleid tot een waardevolle toevoeging aan de al bestaande kennis over de kunstenaar. De artikelen zijn geschreven door Michael Wintle, Frouke van Dijke, Julie van Loon en Renske Cohen Tervaert. Ik ben hen allen dankbaar voor het delen van hun inzichten over Isaac Israels, die met recht waardevolle toevoegingen zijn aan de al imposante literatuur over de kunstenaar.

Benno Tempel, directeur Kröller-Müller Museum

Cat. 2 Nederlands paspoort Isaac Israels, Den Haag, 9 juli 1919
Haags Gemeentearchief, Den Haag
Cat. 1 Nederlands paspoort Isaac Israels, Den Haag, 15 juli 1920 Haags Gemeentearchief, Den Haag

Isaac Israels, een reiziger

Renske Cohen Tervaert

Op de grenzen van Europa

Spanje en Rusland door de ogen van Isaac Israels

Julie van Loon

Waar paden kruisen

Israels en zijn reislustige kring

Frouke van Dijke

Afb. 2 Jozef en Isaac Israëls aan boord van de Lady Bird, 1883 Haags Gemeentearchief, Den Haag

Isaac Israels en Europa

1877 − 1879

Vanaf 1877 de eerste Europese reizen in familieverband. Naast Parijs en Londen trekken ze door Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en Italië, o.a. in Rome op audiëntie bij paus Pius IX. Vanaf nu elk jaar naar de Parijse Salon.

1885

Samen met Rudolf Steinmetz naar de Belgische mijnstreek Borinage en Charleroi.

1889

Vijf weken Parijs met Frans Erens, vele bezoeken aan beroemde schrijvers en kunstenaars.

1891

In oktober naar Hamburg op visite bij Arij Prins.

1894

Met Jozef Israëls en Erens via Antwerpen, Brussel, Parijs en Avignon naar Spanje. Van San Sebastián, Burgos, Madrid, Toledo, Córdoba, Sevilla, korte oversteek naar Tanger en via Gibraltar naar Granada, Valencia en Barcelona.

1895 − 1899

Bezoeken aan o.a. Parijs, Berlijn en Kassel. Een droomreis naar Rusland gaat niet door.

1900

Parijs met een bezoek aan de wereldtentoonstelling.

1903 − 1913

Steeds langere verblijven in Parijs. Vanaf 1906 een eigen atelier op 9 Boulevard de Clichy (10 rue Alfred Stevens) dat hij tot ca. 1925 aanhoudt. Korte uitstapjes vanuit Parijs naar o.a. Spa, Chartres, Biarritz, Spaans Baskenland, Venetië, Rothenburg en Neurenberg.

1913 − 1914

Verblijf in Londen met eigen atelier op 6 Fitzroy Street. Op 28 juli 1914 start de Eerste Wereldoorlog. Eind 1914 terug in Nederland.

1915

Reist tweemaal naar

Zwitserland met verblijf in Bern en uitstapjes naar Fribourg (Freibourg), Morat (Murten) en de Jungfrau. In juli in Parijs gevolgd door een kort bezoek aan zijn atelier in Londen.

1919 − 1920

Meerdere malen naar zijn ateliers in Parijs en Londen. In de zomer van 1920 een reis naar Kopenhagen en Stockholm samen met Sophie de Vries-Dalberg.

1921 − 1922

In de zomer van 1921 naar Baden-Baden en Berlijn. In oktober 1921 via de havens van Southampton, Genua en Port Said (Egypte) via het Suezkanaal en Colombo (Sri Lanka) naar Nederlands-Indië, waar hij een jaar blijft.

1923

In de zomer in Sankt Moritz en Pontresina.

1924 − 1934

Bezoekt de British Empire Exhibition in Londen. Tot aan ca. 1931 meerdere reizen naar Italiaanse steden als Florence, Venetië en Rome, en de stranden van Viareggio, Lido-Venetië, Rimini, Portorose en het Franse Juan-les-Pins/ Antibes.

Newcastle upon Tyne

Londen

Dover Folkestone Newhaven

Brugge

Calais Antwerpen

Charleroi Borinage Spa Brussel

Parijs

Murten

Pontarlier

Kopenhagen

Gotenburg

Malmö

Gedser Warnemünde Lübeck

Hamburg

Kassel

Baden-Baden Rothenburg

Bern Freiburg

Sankt Moritz

Milaan Aix-les-Bains

Turijn

Burgos

Madrid Aranjuez

Toledo Córdoba

Sevilla Ronda

Gibraltar Cádiz

Algeciras

Granada

Valencia San Sebastian Hondarribia Biarritz

Genua Chartres

Avignon Antibes Juan-les-Pins

Perpignan

Barcelona

Berlijn

Dresden

Stockholm

Wenen Neurenberg München Innsbruck

Pontresina

Portorose Venetië Verona

Viareggio

Florence

Rimini

Napels Pisa

Rome

België

Cat. 3 Fabrieksjongen
met juk, Borinage, 1885
Kröller-Müller Museum, Otterlo

Cat. 4 Landschap met arbeiders, Borinage, 1885

Kröller-Müller Museum, Otterlo

Cat. 5 Bouwplaats met werklieden, Borinage, 1885

Kröller-Müller Museum, Otterlo

Cat. 6 Landschap met boer en kind, Borinage, 1885

Kröller-Müller Museum, Otterlo

Cat. 7 Landschap met vrouwen die de was doen, Borinage, 1885 Particuliere collectie

Cat. 8 Landschap met fabrieksgebouw, Borinage, 1885 Kröller-Müller Museum, Otterlo

Duitsland

Cat. 9 Stadsgezicht Hamburg, in Schetsboek XXXI, 1891 Rijksmuseum, Amsterdam
Cat. 10 Gezicht op huizen en een brug, Hamburg, 1891 Particuliere collectie
Cat. 11 Brief van Isaac Israels aan Willem Witsen met schetsen van Hamburg, 30 oktober 1891
KB – nationale bibliotheek, Den Haag

Cat. 12 Frans paspoort van Isaac Israels uitgegeven door de Franse ambassade, Bern, 23 juni 1915 Haags Gemeentearchief, Den Haag

Isaac Israels, een reiziger

RENSKE COHEN TERVAERT

Alla mia cara sorellina Mathilde

De twee reizigers

Twee vrienden trokken wel te moê

Den Hartz in en naar ‘t Rijnland toe.

De een ging, wijl elk fatsoenlijk mensch

Reist;-d’ander drong zijn hartewensch.

En bij hun thuiskomst was ’t aldra

Een bijster vragen voor en na,

Daar neef en nicht graag weten mocht

Wat ze al zoo zagen op hun tocht.

‘Gezien?’ zegt de een en geeuwt daarbij,

‘Niet heel veel raars, gelooft dat mij;

Wat dal, wat berg, den Hartz, den Rijn,

Wat blauwe lucht en zonneschijn.’

Doch de ander, op wiens blij gezicht

Een glans nog van verrukking ligt,

Roept: ‘Berg! – dal! – o! – den Hartz – den Rijn!

Zóó’n blauwe lucht! – zóó’n zonneschijn!’

Ued. Liefhebbende broeder, I.L. Israels.

Den Haag, 12 mei 1876

Het reizen als inspirerend avontuur of als pragmatische bezigheid, deze tegenstelling staat centraal in De twee reizigers van dichter en kinderboekenschrijver Jan Goeverneur (18091889).1 Op 12 mei 1876, een jaar voor zijn eerste grote reis door Europa, schrijft Isaac Israels (18651934) dit gedicht in het poëziealbum van zijn zus Mathilde (1864-1945). Vermoedde de twaalfjarige kunstenaar in de dop toen al dat het reizen zo’n belangrijke rol in zijn leven zou gaan innemen?

In zijn jeugd hoefde Israels niet van huis om een idee te krijgen dat de wereld groter was dan zijn woonplaats Den Haag.2 Zijn thuis was vanaf 1873 het statige woonhuis met het atelier van zijn

wereldberoemde vader, de kunstschilder Jozef Israëls (1824-1911) aan de Koninginnegracht [afb. 1]. Door het gastvrije karakter van zijn ouders liepen ‘uit alle oorden der wereld […] beroemdheden, vorsten, artiesten, letterkundigen, maecenen, bewonderaars’ de deur plat, van koningin Sophie (1818-1877) tot kunstenaars als Thérèse Schwartze (1851-1918) en Edouard Manet (1832-1883).3

Het verlangen om te reizen, fysiek en via de verbeelding, kreeg Israels via zijn moeder Aleida Israëls-Schaap (1843-1894) van huis uit mee. Naast het openstellen van hun huis zag de reislustige Israëls-Schaap het belang van bezoeken aan kunstverzamelaars en belangrijke tentoonstellingen in het buitenland voor het succes van haar man en zij was de aanjager van deze reizen. Haar tweede grote passie was Europese literatuur, met name van Franse en Duitse schrijvers. Ze stimuleerde haar kinderen om zich hier op vroege leeftijd in te verdiepen. Kennis deed je volgens haar op door veel te lezen – niet op school, maar in het echte leven.4

De kinderen Israëls kenden hun klassiekers en waren bedreven in meerdere talen. Volgens zijn beste vriend Frans Erens (1857-1935) las Israels voor zijn zestiende het werk van de dichter en filosoof Dante Alighieri (1265-1321) in het Italiaans en van de roman- en toneelschrijver Miguel de Cervantes (1547-1616) in het Spaans, verstond hij Russisch en kon hij zelfs Horatius in het Latijn opdreunen.5 Voor elke reis die Israels op latere leeftijd ondernam, deed hij een poging om de taal van het land van bestemming te leren. Zo staan er in schetsboekjes van vlak voor zijn vertrek naar Nederlands-Indië in potlood verschillende woordenlijstjes in het Maleis gekrabbeld. Hij ergerde zich eraan ‘dat die taalkwestie bij ons zoo licht wordt opgevat, het is eenvoudig onmogelijk

Afb. 3 Isaac (staand links) en Jozef (zittend) Israëls in Venetië, 1910 Particuliere collectie

om hier te zijn […] als je geen goed Maleisch kent. Dat is hetzelfde praatje dat je in Italië of Spanje met Fransch en in Zweden met Duitsch zoo goed terecht kent [sic!]!’6 Weer thuis probeerde hij te blijven oefenen om de taal niet te verleren.

Vroege reizen

Vanaf 1877 vonden zijn eerste Europese reizen plaats in familieverband. Reizen was met de uitvinding van de op stoom gedreven treinen en boten sneller en goedkoper geworden. Toch bleef het tot in de eerste decennia van de twintigste eeuw vooral weggelegd voor de vermogende klasse, waar de familie Israëls deel van uitmaakte.7 Naast Parijs en Londen trokken ze door Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en Italië. In het vroegst gedateerde schetsboek van de meer dan driehonderd die Israels in zijn leven vol tekende, zijn een aantal indrukken van bijvoorbeeld het Piazza San Marco in Venetië en een berglandschap bewaard gebleven [cat. 74]. De lange treinreizen werden nuttig besteed door veel te lezen. Volgens een binnen de familie overgeleverde anekdote had een van hen het boek in handen, waarna de gelezen pagina’s eruit werden gescheurd, doorgegeven en door de laatste lezer uit het raam gegooid.8 Ook op latere leeftijd hechtte Israels weinig waarde aan een eigen bibliotheek. Zijn boeken ‘vlogen door zijn atelier op goed geluk of soms verschroeid door begin van brand, of dienend als hoofdkussen voor het moede hoofd van een model uit de achterbuurten of als een onderstel voor een bord met een warm gebakken biefstuk. Eenmaal gelezen verdwenen de boeken onnaspeurlijk langzamerhand het een na het ander.’9

De opgedane kennis uit de eindeloze hoeveelheid verslonden boeken kwam goed van pas, ook bij kwajongensstreken. Israels biechtte aan de bevriende letterkundige Albert Verwey (1865-1937) op dat hij tijdens een verblijf in Genua met zijn ouders briefjes uit het raam van zijn hotelkamer had gegooid met een aantal uit zijn hoofd geleerde versregels uit Dantes Inferno In deze regels schold Dante de Genuezen de huid vol en ‘Ietje had het grootste plezier van

de wereld, toen hij een man, waarschijnlijk een oprechte Genuees, een ervan oprapen en lezen zag, en toen met een nijdig gezicht naar boven kijken.’10

Het is dan ook niet vreemd dat een boek de doorslag gaf om zijn eerste reis zonder zijn familie te ondernemen: Germinal van de Franse schrijver Emile Zola (1840-1902), een van de twintig romans uit de Les Rougon-Macquart-serie die in 1884-1885 als feuilleton in het Franse tijdschrift Gil Blas verscheen. Zola stelt hierin op realistische en daardoor choquerende wijze de erbarmelijke omstandigheden van het mijnwerkersleven aan de kaak. Israels was er zo door gegrepen dat hij in 1885 de Belgische mijnstreek Borinage en de grootindustrie van Charleroi met haar glasblazerijen bezocht om het met eigen ogen te zien. Net als veel andere kunstenaars uit die tijd maakte Israels schetsen van de fabrieksarbeiders en mijnwerkers [cat. 3 t/m 8]. Deze reis was een eerste stap om uit de schaduw van zijn dominante moeder en beroemde vader te stappen, op zoek naar een eigen richting in zijn leven en in zijn kunst.

Een eigen weg

In 1887 ging Israels op kamers in Amsterdam en al snel leerde hij de criticus en schrijver Erens kennen. Hun levenslange correspondentie geheel in het Frans is, samen met verschillende biografische schetsen die Erens over zijn boezemvriend publiceerde, een belangrijke bron voor onderzoek naar Israels. De twee vrienden vonden elkaar in hun liefde voor de Franse literatuur. Samen lazen ze boeken, droegen deze om beurten voor als ze bij elkaar over de vloer waren en wezen elkaar op (nieuwe) literatuur. Regelmatig fungeerde Israels als criticus voor Erens’ publicaties. Daarnaast deelden ze een passie voor reizen en gingen ze meermaals samen op pad.

In het najaar van 1889 brachten ze samen vijf weken in Parijs door. Ter voorbereiding las Israels van alles. Van boeken over de achttiendeeeuwse Franse geschiedenis door politicus François Guizot (1787-1874) tot de roman Charles Demailly van de gebroeders Edmond (1822-1896)

Afb. 4 Roger Fenton, Zicht op de oostzijde van Trafalgar Square met Morley’s Hotel, ca. 1850

en Jules (1830-1870) De Goncourt, waarin zij de Parijse literaire cultuur, gedreven door roddels en het streven naar sociale status, bekritiseren. Gedurende het verblijf bezochten ze beroemde schrijvers, kunstenaars en andere spilfiguren uit de Parijse kunstwereld, waaronder de schrijver Maurice Barrès (1862-1923) en dichter Stéphane Mallarmé (1842-1898), die hen introduceerde bij kunstenaar Berthe Morisot (1841-1895), kunsthandelaar Theo van Gogh (1857-1891) en zijn vrouw Jo van Gogh-Bonger (1862-1925) met wie Israels na de dood van haar man een lange en tijdelijk intieme vriendschap onderhield. Voor Israels behoorde de bezoeken aan zijn helden, de kunstenaar Odilon Redon (1840-1916) en Zola, tot de hoogtepunten van de reis, al viel volgens Erens de nadere kennismaking met laatstgenoemde tegen. Het veranderde niks aan Israels’ bewondering voor de Franse schrijver. Deze werd de jaren erna alleen maar groter – met name na de publicatie van ‘J’accuse …!’, een open brief aan de Franse president Félix Faure in de krant L‘Aurore in januari 1898 waarbij Zola in de beruchte Dreyfusaffaire opkwam voor de joodse legerkapitein Alfred Dreyfus (1859-1935), die ten onrechte van spionage was beschuldigd.

Na het overlijden van zijn moeder in januari 1894 nodigde Israels Erens uit om een gezamenlijke droom van hem en zijn ontroostbare vader te verwezenlijken: een reis naar Spanje en Noord-Afrika. Reisgidsen, reisbeschrijvingen en kaarten werden voorafgaand aan de reis uitgebreid bestudeerd ‘en zoo reisden wij reeds in onze phantasie over de rivieren en bergen van Spanje tot aan Cadix, tot aan Marokko en naar Tanger, de meest nabij gelegen stad van het donkere Afrika.’11 De reis was een groot succes en een levenslange liefde voor de Spaanse cultuur het resultaat.

Behalve een enkel schetsboek en een paar tekeningen is van deze vroege reizen vrijwel niks terug te vinden in Israels’ oeuvre. Erens stelde in 1900 terecht dat het vreemd is ‘dat deze schilder die zooveel gereisd heeft in Europa, zoo weinig uit andere landen en streken heeft meegebracht, maar slechts Amsterdam in beeld

heeft gebracht.’12 Tot dan toe had de zoektocht naar een eigen stijl en richting in de kunst verlammend gewerkt. Terug in Amsterdam vroeg hij een vergunning aan om op straat te mogen schilderen.13 De inspirerende reis naar Spanje en Noord-Afrika had hem klaargestoomd voor deze nieuwe uitdaging. Het schilderen in de buitenlucht bleek een bevrijding.

Het leven als forens ‘Ik geloof dat ’t mij bevallen zou om geen vast domicilie te hebben, alleen ’t is duur’, schreef Israels in 1897.14 De van nature rusteloze kunstenaar speelde met het idee om zijn leven in Amsterdam in te ruilen voor een forensenbestaan. De motieven van het straat- en nachtleven had hij in Amsterdam uitgeput. Zijn vriendenkring van kunstenaars en schrijvers, de zogenoemde Tachtigers, voelde beklemmend en het artistieke leven in de stad viel hem steeds meer tegen: ‘Soms stoor ik me aan de leegte die hier heerst en ik denk dat ik veel sterker zou zijn als ik wat steun zou krijgen van een gunstige omgeving.’15 Nadat een droomreis naar Rusland, waarvoor hij zijn Russisch aan het bijspijkeren was, niet doorging, vroeg hij zich in 1900 bij een bezoek aan de wereldtentoonstelling in Parijs af of hij niet beter kon blijven. Parijs trok vele Nederlandse kunstenaars, daarin was Israels absoluut niet uniek.16 De stad werkte als een magneet door de uitstekende kunstopleidingen, de grote concentratie handelaren en kunstverzamelaars, maar vooral omdat er nergens ter wereld zoveel kunst te zien was. Maar als migrant in Parijs werd hij ook geconfronteerd met antisemitisme, nationalisme en patriottisme die er, net als in de rest van Europa, hoogtij vierden: ‘Het is waar dat je je hier een vreemdeling voelt. Maar in Nederland is het ook niet veel beter.’17

In 1904 nam Israels definitief het besluit en pakte zijn boeltje op. Hij ruilde zijn Amsterdamse appartement in voor een atelier aan de rue de la Chaussee d’Antin, in de wijk rond de Opéra te midden van de warenhuizen en modemagazijnen. In 1906 verhuisde hij naar 9 Boulevard de Clichy (10 rue Alfred Stevens), een appartement

met atelier gelegen op de zesde verdieping, bereikbaar via een uit honderd treden tellende wenteltrap.

Waar hij in Amsterdam aanvankelijk onder invloed van de Franse literatuur van Charles Baudelaire (1821-1867), de De Goncourt-broers en Zola het straatleven en de volkse Amsterdammer als onderwerp had gekozen, was hij in Parijs – mede na een introductie in de modewereld –steeds mondainere onderwerpen gaan schilderen. In tegenstelling tot Zola die in zijn roman Au bonheur des dames de impact toont van de moderne warenhuizen op de maatschappij, met name op de rol van de vrouw, en de sociale veranderingen die deze nieuwe commerciële wereld teweegbracht, spreekt er geen maatschappelijke kritiek uit Israels’ figuurstukken.

Hij gaf een naturalistisch beeld, kijkend door een positieve bril, van Parijzenaren flanerend in het Bois de Boulogne, zich amuserend in het bruisende nachtleven van Montmartre of bij de paardenrennen in Longchamp en winkelend in een van de vele modehuizen [cat. 24, 27 en 33].

Jozef Israëls bezocht Isaac regelmatig in Parijs van waaruit ze tripjes ondernamen, bijvoorbeeld via Biarritz naar het Spaanse Baskenland. Hun laatste gezamenlijke reis vond plaats in 1910. Toen vergezelde Isaac samen met zijn zus en zwager de 86-jarige kunstenaar naar de Biënnale van Venetië om de zaal met 37 schilderijen en vijf tekeningen ter ere van Jozef Israëls te bezoeken [afb. 3]. 18 Op 12 augustus 1911 overleed zijn vader. Het huis met atelier aan de Koninginnegracht liet Jozef na aan Isaac. De deur van zijn ouderlijk huis bleef voor iedereen openstaan, ook in Isaacs afwezigheid.

Het overlijden van zijn vader leidde een onrustige fase in. Alhoewel Isaac tot 1925 minimaal twee tot drie keer per jaar in zijn Parijse atelier te vinden zou zijn, had de Franse hoofdstad voor hem afgedaan. Een nieuwe stad lonkte, omdat ‘Parijs voor mij al te veel tot het verleden behoort om er nog te kunnen ademen. Londen is misschien niet zo vijandig en gesloten als Parijs, maar misschien komt dat gewoon omdat ik hier geen zes trappen hoef te lopen!’19

Een atelier in Londen ‘Is de mens eigenlijk wel gemaakt om altijd op dezelfde plek te blijven wonen en verlies je dan niet het scherpe zicht op de dingen?’, schreef Israels in mei 1913 uit Londen.20 Hij had net zijn intrek genomen in Morleys’ Hotel op de kruising van Trafalgar Square en de Strand [afb. 4]. Vanuit zijn appartement schilderde hij meermalen het drukke plein met zijn typerende fonteinen [cat. 48] Al snel vond hij een studio op 6 Fitzroy Street, een straat vol ateliers. Londen begon zich op kunstgebied steeds meer te meten met Parijs. Israels was onder de indruk van de stad en vond de Engelsen een ‘aangenaam volk dat […] vrij was van de Franse arrogantie’.21

Het was niet zijn eerste bezoek aan Londen. In mei 1897 logeerde hij een week in het Buckingham Temperance Hotel op de Strand. Hij adviseerde Erens om er niet heen te gaan zonder goed Engels te spreken of zeer chique connecties te hebben, ‘anders geloof me, dan is het absoluut niets.’22 De in het Engels geschreven brief aan verzamelaar Maria Drucker-Fraser (1886-1944), zeer zeker een chique connectie, met zelfportret in rokkostuum toont dat hij zich er prima wist te redden [cat. 56]

Net als in Amsterdam en Parijs had hij – in dit geval zelfs koninklijke – toestemming nodig om op straat en in de parken te werken [cat. 13]. Essentieel voor een kunstenaar die het liefste buiten schilderde en voor wie ‘de lucht van het atelier’ verdovend werkte.23 Regent Street, Piccadilly Circus, het plein voor de Royal Exchange met de mensenmassa’s, de verkeerschaos door een wirwar van paarden, koetsen, auto’s en omnibussen volgeplakt met reclame, de bobbies (en in 1920 zelfs policewomen24) die als ware dirigenten orde in deze chaos schiepen – de metropool inspireerde hem [cat. 47 t/m 52]. ‘Maar je kunt ook overdrijven, en als je met gebogen hoofd over straat loopt, zodat je niet opkijkt omdat je weet dat je bij elke blik een meesterwerk ziet, dan ben je misschien wel dicht bij een plotselinge beroerte!!!’25 In tegenstelling tot de chaos schilderde hij ook op plekken waar de Londenaren hun ontspanning zochten, waaronder Hyde Park waar hij vooral

< Cat. 13 Vergunningen voor het schilderen van publieke gebouwen en Koninklijke Parken, Londen, juni 1914 Haags Gemeentearchief, Den Haag

Afb. 5 Isaac Israels met Sophie de Vries-Dalberg op het Rådhuspladsen in Kopenhagen, 1920 Haags Gemeentearchief, Den Haag

bij Rotten Row werkte, de ontmoetingsplaats voor welgestelde Londenaren die er te paard flaneerden [cat. 53 t/m 55]. Ook ging hij regelmatig naar Richmond nabij Londen, gelegen in een bocht van de Thames, een favoriete plek voor het beoefenen van punting. Deze traditionele activiteit, waarbij de punter met een lange stok een platbodemboot voortduwt, was tot in de jaren twintig een belangrijk motief in zijn Londense werk [cat. 57 t/m 59]

Reizen gedurende WOI

Op 28 juli 1914 brak de Eerste Wereldoorlog uit. Kort na elkaar mengden verschillende Europese mogendheden zich in de strijd. Ondanks dat Nederland neutraal bleef, leek het erop dat Israels (in ieder geval tijdelijk) gestrand was in Londen. Op 10 augustus ontving hij van het Nederlands consulaat in Londen een laissez-passer, een tijdelijk reisdocument om naar het Europese continent te kunnen terugkeren [cat. 46]. Twee redenen weerhielden hem er in eerste instantie van om te vertrekken. Hij had sinds zijn verhuizing naar Parijs een zogenoemde forensenstatus, wat een belastingvoordeel opleverde. Dit betekende dat hij niet langer dan negentig dagen per jaar in Nederland mocht verblijven. Een andere reden noemde hij in een interview op 5 mei 1915 aan kunstcriticus Grada Marius (1854-1919): ‘Ik heb wel eens gedacht dat de grootste “eer”, om zo te zeggen, voor het huis [aan de Koninginnegracht], en zelfs voor het oude atelier zou zijn als ik er zelf ging wonen en zelfs werken. Maar dat gaat toch eigenlijk niet. Daarvoor heeft alles daar te veel zijn eigen karakter en bepaald doel gehad.’ 26 De doorslag gaf het intrekken van de vergunningen om op straat te schilderen; kort daarna waagde hij de oversteek naar Nederland.

‘Moet je gek zijn om op dit moment op reis te gaan? Dat vraag ik me tevergeefs af, want de mens is zo dom en onverbeterlijk.’27 Mede omdat hij zijn forensenstatus wilde behouden toog Israels ondanks zijn twijfels eind december 1914 en nogmaals in april 1915 via Duitsland naar het neutrale Zwitserland. Hij genoot van zijn verblijf in Bern, waar hij in de verte de toppen van de Alpen

zag glinsteren ‘als fantastische en grandioze wolken’.28 Hij maakte een uitstapje met de trein via de in 1912 geopende Jungfraubahn naar de top van de Jungfrau. Vanaf het station Jungfraujoch, nog altijd het hoogstgelegen spoorwegstation van Europa, verwonderde hij zich over de ‘bijna onbegrijpelijke berglandschappen, zoals maanlandschappen. Je verliest het gevoel voor afstand. Het lijkt alsof je iemand kunt zien lopen op die kometen die in werkelijkheid kilometers ver weg zijn. Je ziet wolken uit de valleien onder je opstijgen. Het is echt “De Aarde”!’29 Op advies van Erens bezocht hij de nabijgelegen steden Fribourg (Freiburg) en Morat (Murten), beide gesitueerd op de Frans-Duitse taalgrens. De vele schetsboekjes en de verkooptentoonstelling van werk uit Bern, Fribourg en Londen die in het najaar van 1915 in Amsterdam bij zijn galerie Frans Buffa & Zonen werd gehouden, getuigen van een uitzonderlijk productieve periode.

Ondertussen vroeg hij zich in toenemende mate af hoe het met zijn atelier en zijn kennissen in Parijs was. Op 23 juni 1915 kreeg hij na veel moeite een paspoort van de Franse ambassade in Bern om via de grensovergang bij Pontarlier naar Parijs te reizen [cat. 12]. Mogelijk zijn eerste, want aan het begin van de twintigste eeuw waren er niet veel mensen in bezit van een paspoort.30

Van de levendige stad was weinig over en Israels schreef gedesillusioneerd aan Grada Marius: ‘Ik geloof niet dat het mogelijk is in oorlogvoerende landen te werken. Zij tolereeren neutralen maar eigenlijk hebben zij er toch het land aan. Best te begrijpen ... Het is wel een vreemd Parijs nu, haast zonder vreemdelingen, zonder theater, alle café’s ’s avonds half elf potdicht en straten donker.’31

Na Parijs hoopte hij ook zijn Londense atelier weer te zien: ‘Ik hoop dat ik van hieruit naar Londen

kan gaan, wat naar verluidt niet gemakkelijk is. We zullen wel zien.’32 Op 5 augustus nam hij de boot naar Folkestone, maar was twee weken later alweer terug in Nederland waar hij zijn intrek nam in zijn ouderlijk huis aan de Koninginnegracht.

Naar Noord-Europa

Door het aanhoudende wantrouwen tussen de Europese mogendheden peinsde men er niet over om de grenscontroles en de paspoortplicht na de oorlog af te schaffen. Naast het paspoort zelf was het ook nodig om voorafgaand aan een reis visa aan te vragen. Israels’ paspoort – uitgegeven op 9 juli 1919, elf dagen na ondertekening van het Vredesverdrag van Versailles – toont de benodigde stempels en zegels om zich naar en door België, Frankrijk en Engeland te kunnen bewegen om zijn inmiddels gangbare rondje langs zijn ateliers te maken [cat. 2]

Een jaar later vroeg hij opnieuw een paspoort aan [cat. 1]. Hij wilde een reis van een aantal weken naar Scandinavië maken, mits hij een visum kon krijgen voor Zweden.33

Op 20 augustus nam hij de trein via Bentheim naar de haven van Warnemünde, voer met de ferry naar Gedser in Denemarken, om zijn weg te vervolgen naar Kopenhagen. Hoewel hij op voorhand dacht dat de Deense hoofdstad saai zou zijn, vond hij de oude zeventiende-eeuwse stadsdelen indrukwekkend.34 Hij schetste onder meer de Verlosserskerk in Christianshavn met zijn herkenbare spiraalvormige toren en het Kongens Nytorv (Nieuwe Koningsplein) met het ruiterstandbeeld van koning Christiaan V (16461699) [cat. 70 t/m 72]. Hier verbleef hij tien dagen, maar niet alleen. Op een bewaard gebleven foto gemaakt op het Rådhuspladsen (Raadhuisplein) poseert hij samen met zijn vriendin Sophie de Vries-Dalberg (1879-1931) [afb. 5], die een nog grotere passie voor reizen had.35 Isaac rept in zijn correspondentie geen woord over haar aanwezigheid, maar het is goed mogelijk dat ze hem naar Zweden vergezelde.

Met een vroege ferry naar Malmö, gevolgd door een lange treinreis arriveerde hij op 31 augustus om ongeveer half tien ’s avonds in

< Cat. 14 Studie van Edouard Manets

‘La Parisienne’, in Schetsboek XXXV, 1920 Rijksmuseum, Amsterdam

Afb. 6 Edouard Manet, La Parisienne, 1883 Nationalmuseum Stockholm

Stockholm.36 Hij overnachtte in het luxueuze Grand Hotel Royal, geopend in 1874 en daarmee het eerste hotel in Zweden dat zich kon meten met de gerenommeerde hotels in continentale stijl in Europa. Hij genoot van de restaurants en schreef op komische wijze over zijn avonturen in de Zweedse badhuizen: ‘Enfin: reizen is niet onvermakelijk soms.’37 In het Nationalmuseum bestudeerde hij onder andere De samenzwering van Claudius Civilis van Rembrandt van Rijn (1606-1669) en La Parisienne van Manet [cat. 14, afb. 6]. De gastvrijheid van de Scandinaviërs maakte de grootste indruk en hij was ‘zelfs een beetje verliefd geworden op deze landen, want sinds deze reis vind ik andere landen, zoals Frankrijk en Engeland, niet meer zo interessant.’38 Israels vond de taalbarrière het ingewikkeldst: ‘Toch leer je snel Deens en Zweeds lezen. Het spreken is erg moeilijk.’39 Hij was er graag langer gebleven, ‘maar daar ik mijn schildersboeltje in Londen heb staan en ‘t daar ook nu nog goed is om wat te werken ga ik daar morgen – over Göteborg – heen’.40

Na zijn Scandinavische avontuur ervaarde hij het leven in Den Haag als eentonig en mogelijk voelde hij zich ook eenzaam. De Vries-Dalberg had zich in een volgend avontuur gestort en was ‘vanuit Rome met een Italiaanse expeditie naar Centraal-Afrika vertrokken om op leeuwen te jagen!’41 Hij zocht afleiding in Parijs en Londen, en bracht in de zomer van 1921 samen met de in Curaçao geboren arts en kunstverzamelaar Michel Alvarez Correa (1875-1934) een bezoek aan het Duitse kuuroord Baden-Baden. In oktober stuurde hij ansichtkaarten uit Berlijn en Wannsee, waar hij mogelijk zijn goede vriend de kunstenaar Max Liebermann (1847-1935) opzocht die aan de oever van de Wannsee een villa had laten bouwen.42

Een avontuur buiten Europa

Op 56-jarige leeftijd ondernam Israels zijn meest avontuurlijke reis. In 1914 opperde hij aan Erens het plan om naar Nederlands-Indië (het huidige Indonesië) te gaan.43 Het idee om naar Java te gaan vond zijn oorsprong in zijn vaders enthousiasme over de vierdelige publicatie Java,

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Het Europa van Isaac Israels by uitgeverijdekunst - Issuu