Herman
Kruyder Caroline Roodenburg-Schadd Singer Laren | Waanders Uitgevers, Zwolle
Inhoud
Voorwoord
14
Roem en doem
16
Laatbloeier in de Haarlemse bohème (1907-1916)
20
De eerste ‘echte’ Kruyders (1916-1922)
38
Harmonie en demonie (1922-1926)
70
‘Stilte na storm’ (1926-1931)
104
‘Een waarlijk grandioos slotaccoord’ (1931-1935)
128
Beeldvorming (vanaf 1935)
150
Noten
169
Geraadpleegde literatuur
185
Register
188
Voor u! Liefhebber van de moderne kunst in Nederland 14
Sommige publicaties markeren meer dan de voltooiing van een onderzoek; zij vormen een nieuw vertrekpunt voor de waardering van een kunstenaar. Dit boek over het leven en werk van Herman Kruyder is daar een treffend voorbeeld van. Herman Kruyder behoort tot de meest markante persoonlijkheden van de Nederlandse moderne kunst. Zijn oeuvre kenmerkt zich door een grote expressieve kracht en een onmiskenbare eigenheid. Hoewel zijn werk – nadat hij in 1935 overleed – na de Tweede Wereldoorlog met terugwerkende kracht grote erkenning kreeg, is het inmiddels dertig jaar geleden dat zijn werk in Nederland in een museale tentoonstelling te zien is geweest. En nog belangrijker: een integrale studie die zijn artistieke ontwik keling, zijn leven en de receptiegeschiedenis van zijn werk in volle samenhang belicht, ontbrak. Dergelijke studies vragen geduld en vasthoudendheid. Zij ontstaan niet van de ene op de andere dag, maar groeien door jarenlang onderzoek en de bereidheid bestaande inzichten steeds opnieuw te toetsen. Dit boek getuigt van die wetenschappelijke zorgvuldigheid. Caroline Roodenburg-Schadd heeft zich gedurende vele jaren met uitzonderlijke toewijding verdiept in het werk en leven van Herman Kruyder. Dat heeft geleid tot een zorgvuldig gedocumenteerd onderzoek waarin kunsthistorische inzichten, historische bronnen én medische bronnen samenkomen. Met bijzondere aandacht voor de rol en het werk van Jo Kruyder-Bouman (1886-1973). Dit alles kwam tot stand vanuit een zeer omvangrijk referentiekader. RoodenburgSchadd schreef reeds talloze kunsthistorische publicaties,
15
waaronder boeken over de collectie Regnault en het verzamelbeleid van Willem Sandberg voor het Stedelijk Museum Amsterdam en in 2015 de publicatie bij de tentoonstelling van Leo Gestel voor Singer Laren. Met deze achtergrondkennis weet zij de kunstenaar Kruyder als geen ander in zijn tijd te plaatsen. Het resultaat is niet alleen een uitzonderlijk overzicht van Kruyders leven en artistieke ontwikkeling, maar ook een waardevolle bijdrage aan onze kennis van de Nederlandse kunst van de eerste helft van de twintigste eeuw. Ik ben er dan ook van overtuigd dat dit boek een naslagwerk zal zijn voor onderzoekers en kunsthistorici, maar ook voor verzamelaars en iedere liefhebber van de Nederlandse moderne kunst – lees: het publiek van Singer Laren. Dit prachtige boek – fraai vormgegeven door Studio Berry Slok en uitgegeven door Waanders Uitgevers – verschijnt in samenhang met de tentoonstelling in Singer Laren. Samen bieden zij nieuwe generaties de kans om het werk van Herman Kruyder in zijn volle omvang te leren kennen. Hiermee bouwen wij voort op een langere traditie van tentoonstellingen waarin het werk van Herman Kruyder in Singer Laren werd getoond. Voor het laatst in 1994 in de tentoonstelling Expressionisme in Nederland en daarvoor in een overzichtsexpositie in 1980, nagenoeg vijftig jaar geleden. Al vele jaren is een van zijn mooiste schilderijen, Het kalf, op zaal te zien. Dit hoogtepunt is een langdurig bruikleen uit de verzameling Regnault. Kruyder schilderde het werk in 1932 in zijn atelier in Blaricum, op nog geen 3 kilometer afstand van Singer Laren. Door de jarenlange steun aan Kruyder van de in Laren woonachtige verzamelaar Pierre Alexandre Regnault, die in zijn tijd zo’n belangrijke rol speelde voor het kunstklimaat in Laren, Amsterdam en ver daarbuiten, staat Het kalf symbool voor de historische verbondenheid van Kruyder met Laren. Het is een schilderij dat wij koesteren en eer willen aandoen met deze prachtige tentoonstelling. Een project van deze omvang is altijd het resultaat van samenwerking. Mijn bijzondere dank gaat in de eerste plaats uit naar Caroline Roodenburg-Schadd voor haar vasthoudendheid, het enthousiasme en de gedrevenheid waarmee zij dit omvangrijke onderzoek heeft verricht en vertaald naar boek en tentoonstelling. Het enthousiasme van voormalig museumdirecteur Jan Rudolph de Lorm en voormalig conservator Anne van Lienden om het onderzoek van Roodenburg-Schadd zichtbaar te maken, was
essentieel voor wat wij nu met het publiek kunnen delen. Speciale dank ook aan de vele bruikleengevers, museaal en particulier. Met bijzondere vermelding van Rijksmuseum, Amsterdam, Stedelijk Museum Amsterdam, Kunstmuseum Den Haag, Van Abbemuseum, Eindhoven, Rijksmuseum Twenthe, Enschede, Groninger Museum, Groningen, Frans Hals Museum, Haarlem, Teylers Museum, Haarlem, Museum Belvédère, Heerenveen, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam en Centraal Museum Utrecht voor hun steun bij de realisatie van deze tentoonstelling met een of meerdere bruiklenen. Veel dank aan conservator Suzanne Veldink voor de inhoudelijke begeleiding van het boek en de tentoonstelling, in een jaar waarin zij nog zo veel meer moois voor Singer Laren realiseerde. Voor het almaar groeiende boek speelde ook Marleen Blokhuis een belangrijke rol als tekstredacteur. En het Team Singer Laren in brede zin ben ik dankbaar voor hun professionele inzet en toewijding aan het project. Zonder de gezamenlijke inspanningen van al deze personen en instanties hadden het boek en de tentoonstelling niet in deze omvang gerealiseerd kunnen worden. De financiële steun voor de realisatie van het boek van Stichting Zabawas, Stichting Jaap Harten Fonds, Gifted Art, Vereniging Vrienden Nieuwe Kunst 1900, Stichting ‘De Gijselaar-Hintzenfonds’ en de Gravin van Bylandt Stichting was onmisbaar en daarmee van grote waarde. Tot slot. Voor mij is het zichtbaar maken van kunsthistorisch onderzoek een van de mooiste aspecten van het museum. Onderzoek geeft kunst nieuwe betekenis en draagt de verhalen over onze (kunst)geschiedenis over aan nieuwe generaties. Deze nieuwe verhalen nodigen ons uit om met een frisse blik terug te kijken in de tijd en helpen ons als samenleving om de toekomst vorm te geven. Ik ben dan ook verheugd dat we het onderzoek van Caroline Roodenburg-Schadd, samen met de tentoonstelling, met een breed publiek kunnen delen. In ons prachtige museum, precies zoals Anna Singer het voor ogen had: een open huis om de kunsten te delen. Doede Hardeman Museumdirecteur Singer Laren
Roem en doem
Inleiding
Roem
17
De expressionistische kunstenaar Herman Kruyder was een tijd lang ‘wereldberoemd’ in Nederland. Dat werd hij vooral ná zijn relatief vroege overlijden – op 53-jarige leeftijd – in 1935. Terwijl Kruyder tijdens zijn leven maar van weinigen waardering voor zijn werk had ondervonden, werden zijn kunst en kunstenaarschap daarna steeds vaker vergeleken met het voorbeeld van Vincent van Gogh, de eveneens jong overledene. Deze had inmiddels grote internationale faam vergaard als geniaal kunstenaar en geestelijk vader van het expressionisme. Toen het expressionisme na de Tweede Wereldoorlog hoogtijdagen beleefde, werd Kruyder naar voren geschoven als de belangrijkste Nederlandse expressionist uit het interbellum. De schilder en kunstcriticus Otto B. de Kat noemde Kruyder in 1955 zelfs ‘een van de belangrijkste, zo niet de grootste Nederlandse schilder van de eerste helft van deze eeuw’, en De Kat was niet de enige. Vele jaren later, na ups en downs in zijn waardering, werd Kruyders reputatie op de tentoonstelling Expressionisme in Nederland in het Singer Museum in 1994 nog eens bekrachtigd door de stelling dat hij ‘de meest voldragen, meest overtuigende exponent van het expressionisme in Nederland’ was. Toch verdampte de roem van Kruyder, in tegen stelling tot die van Van Gogh. Sterker nog, na Kruyders laatste overzichtstentoonstelling in 1996-1997 in Haarlem en Enschede werd in museaal Nederland nog maar sporadisch van hem vernomen. Voor oudere kunstliefhebbers bleef zijn kunst een goed bewaard geheim, maar jongeren moeten de kunstenaar Kruyder nu nog ontdekken. Hoe kwam dit alles, en: wie was Herman Kruyder?
Laatbloeier Kruyder, die het eerste deel van zijn loopbaan in Haarlem, Heemstede en Bennebroek woonde en eind 1926 naar het Gooi verhuisde, was een laatbloeier. Anders dan kunstenaars als Jan Sluijters en Leo Gestel – beiden ook van 1881 – die vanaf 1908 voor een explosie aan modernistische stijlvernieuwingen zorgden, kwam Kruyder pas rond 1917-1918 goed op dreef. Hij was toen inmiddels getrouwd met de kunstenaar Jo Bouman. Na symbolistische voorstellingen van het Bijbelse paradijsverhaal maakte hij stapsgewijs de overgang naar verbeeldingen in een steeds expressionistischer beeldtaal. In deze ontwikkeling werd hij gestimuleerd door de Haarlemse kunsthandelaar J.H. de Bois, die hem
Detail uit Tuin met hond en zonnebloemen (4.13)
van 1918 tot 1926 ondersteunde. Dat was cruciaal. Onder invloed van het werk van in Nederland actieve modernisten als Henri Le Fauconnier, Leo Gestel, Matthieu Wiegman en Gustave De Smet, maar ook van internationale grootheden als de Duitse expressionist Franz Marc en de Parijse Rus Marc Chagall, ontwikkelde Kruyder een expressionistische schilderstijl, waarmee hij het fundament legde voor de rest van zijn oeuvre. Kruyder uitte zich in een uitgesproken poëtische beeldtaal, die echter vol contrasten en extremen zit, soms zelfs binnen één schilderij. De betovering van harmonieuze, lichtdoorstraalde kleuren combineerde hij vaak met schrille dissonanten. Ook in zijn voorstellingen staat het kinderlijk naïeve vaak naast uitingen van angst, schrik of beklemming. Die spanning geeft zijn kunst een grote zeggingskracht.
Psychische aandoening In 1926 kreeg Kruyder voor het eerst een ernstige psychose, een toestand die hem vanaf 1929 steeds vaker overviel – een adequate behandeling met medicijnen bestond destijds nog niet. Na een reis naar Vlaanderen en een verblijf in Zuid-Limburg verhuisden Kruyder en zijn vrouw begin 1927 naar Blaricum, waar ze in een dorpse, maar ook artistieke sfeer terechtkwamen. Kruyder raakte hier nauw bevriend met kunstenaar Leo Gestel en de internationaal georiënteerde kunstverzamelaar P.A. Regnault in Laren. Zij waren het, naast enkele kunstcritici, die hem voluit steunden, ook bij de vele kritische reacties op zijn werk. In hun midden maakte Kruyder deel uit van een groep gemotiveerde verdedigers van het verbeeldende expressionisme, of de kunst van dramatiek of droom, die na 1930 steeds meer terrein verloor aan het opkomende neorealisme. Ondanks de toenemende ziektelast die hij en zijn vrouw ervoeren, bereikte Kruyder in Blaricum een krachtig, nieuw hoogtepunt in zijn oeuvre. In expressieve, fors geschilderde dier- en mensverbeeldingen met een zwaar en fonkelend coloriet gaf hij het diepste van zijn ziel bloot. Naïviteit, maar ook oerdriften, angsten en seksuele spanningen voeren de boventoon. Anders dan vaak is aangenomen zijn deze werken zeker niet alleen uitingen van zijn psychische gesteldheid of van de ‘patiënt’ Kruyder. Integendeel, als kunstenaar was hij zich bewust van zijn ambities en wilde hij zich met deze expressionistische schilderijen nadrukkelijk positioneren in de (inter)nationale kunstwereld.
Het werk van een rasschilder
Eerst besmuikt, in roddels tijdens zijn leven, maar vooral openlijk na zijn dood, werd gespeculeerd over de vraag of Kruyder een ‘pathologisch geval’ was en of zijn werk al dan niet als kunst serieus moest worden genomen. Soms werd zelfs gesteld dat Kruyder, anders dan Van Gogh, ook tijdens, of rond, zijn psychoses schilderde en dat dit in zijn werk te zien was. In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw ontstond steeds meer een consistent, dominant beeld van Kruyder als een wat schuwe, zeer teruggetrokken levende kunstenaar die nauwelijks in contact met de kunstwereld zou staan en zijn werk in isolatie maakte. Sommigen zagen zijn kunst als ‘dictaat van het onderbewuste’. Daarbij werd er meestal van uitgegaan dat hij met zware depressiviteit kampte en suïcidaal was. Van dit beeld was ten slotte ook de tentoonstelling Herman Kruyder. Gedoemde scheppingen in 1996-1997 doortrokken. In 2006 is het onderzoek naar Kruyder nieuw leven ingeblazen door Carel Blotkamp, destijds hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij publiceerde een belangrijke vondst: de ziektegeschiedenis van Kruyder blijkt in 1946 – geanonimiseerd – als uitgebreid beschreven casus te zijn opgenomen in een psychiatrisch handboek. Die nieuwe informatie leverde, met hulp van psychiaters van nu, een meer op waarheid berustende analyse van zijn ziekte op dan de veelal sterk gekleurde aannames van vroeger, alhoewel een betrouwbare diagnose natuurlijk nooit gesteld kan worden zonder de persoon in kwestie in levenden lijve te hebben gezien. Volgens deze casus kreeg Kruyder op latere leeftijd last van terugkerende psychoses, maar had hij geen last van restverschijnselen en functioneerde hij tussentijds normaal. Nu meer over zijn ziektegeschiedenis bekend was geworden, werd het volgens Blotkamp tijd om ‘het imago van Kruyder als de tragische kunstenaar wiens werk doortrokken is van smart’ te nuanceren. In dit boek wil ik Kruyder en zijn werk met een frisse blik bekijken en ’zuiveren’ van de vele, soms duidelijk gedateerde of door zijn ‘imago’ achteraf bepaalde ‘hineininter pretaties’ die kunstcritici, collega’s en anderen erop hebben losgelaten. Hoe zijn schilderijen precies geduid moeten worden blijft grotendeels ongewis, bij het ontbreken van enige toelichting van Kruyder zelf, en laat ik graag aan de lezer zelf over. Principieel is het ook juister om als kunst historicus niet het pad op te gaan van de psychologische of psychiatrische duiding, maar bij de eigen leest te blijven. Het is tijd om vooral naar Kruyders kunsthistorische rol te kijken. Het boek neemt de lezer mee in zijn fascinerende ontwikkeling en de al even verrassende receptiegeschiedenis van zijn werk. Daarbij komt ook aan bod hoe we nu, in de eenentwintigste eeuw, naar zijn schilderijen kijken.
Het geschilderde oeuvre van Kruyder is weliswaar klein, circa 170 schilderijen, maar de intensiteit van veel individuele stukken is groot en het geheel bevat een bijzondere reeks hoogtepunten. Daarnaast maakte hij rond 150 uitgewerkte tekeningen, pastels en aquarellen en ruim 800 kleinere tekeningen, compositieschetsen en studies, aangevuld met een tiental bladen grafiek en stukken toegepaste kunst. Lastig is echter dat Kruyder zijn werk zelden heeft gedateerd. De schilderijen zijn op basis van stijl nog vrij goed in te delen, maar de tekeningen, die zowel in stijl als techniek een grote variatie laten zien – en toch altijd onmiskenbaar van Kruyder zijn – laten zich moeilijk ordenen. De chronologie is tot nog toe – net als bij Van Gogh – gekoppeld aan de woonplaatsen van de kunstenaar: Haarlem, Heemstede, Bennebroek en Blaricum (met een zeer klein deel Amsterdam). Deze indeling heb ik grotendeels gehandhaafd – zie de hoofdstukindeling – en hier en daar nader gepreciseerd. Behalve zijn soms lastig te duiden voorstellingen vormen ook Kruyders radicale stijlovergangen en stilistische variaties een obstakel voor zijn waardering door het publiek – zijn herkenbaarheid wordt er niet door vergroot. Het is, kortom, boeiend werk waar moeilijk greep op is te krijgen. Maar Kruyder is ook een echte schilders-schilder, en zijn werk een lust voor de liefhebber. Niet voor niets is hij vaak omschreven als een rasschilder met een betoverend kleur gebruik en veel variatie in zijn behandeling van de verf. Van uiterst dun geschilderde, transparante verftoetsen en -streken tot dik opgebouwde, soms als ‘brokaat’ omschreven oppervlakken – op elke centimeter van het doek is veel te ontdekken. De afbeeldingen in dit boek illustreren dat. Wie ze goed bekijkt, komt dicht bij Kruyder.
18
Doem
0.1 Herman Kruyder, Zelfportret, ca. 1932, olieverf op doek, 59,8 x 48,8 cm, Frans Hals Museum, Haarlem
1907–1916 Haarlem
Laatbloeier in de Haarlemse bohème