Skip to main content

Gevonden Voorwerpen

Page 1

Over estrades, oorlepels en putgalgen


Over estrades, oorlepels en putgalgen

Annemarie Vels Heijn Frans van der Avert Caroline Bunnig Judikje Kiers Epco Runia Fieke Tissink

Waanders Uitgevers, Zwolle


gevonden voorwerpen Bij het schrijven over schilderijen gaat het doorgaans over compositie, kleurgebruik, stofuitdrukking, betekenis van de voorstelling en over de personages. Maar wie kijkt er met aandacht naar de voorwerpen, door de schilder nauwgezet en met liefde weergegeven? Structuur, materiaal, werking. Wat een intense zorg en aandacht zijn er nodig geweest om die voorwerpen zo te verbeelden dat we ze nu nog kunnen herkennen en, meer nog, kunnen koppelen aan de echte voorwerpen die als voorbeeld dienden. Die voorwerpen verdienen een boek, vonden we. We gingen op zoek naar schilderijen met voorwerpen waarvan je je afvraagt: wat is dat en waar werd het voor gebruikt? Vooral de vertrouwde Hollandse schilders uit de zeventiende eeuw hadden onze aandacht, maar ook hun voorgangers en navolgers. Schilderijen die we heel goed kenden, bekeken we met nieuwe ogen. Onze bewondering voor de inventiviteit van de kunstenaar, voor haar of zijn liefdevolle blik, voor het vermogen de voorwerpen zo accuraat weer te geven, groeide met iedere ontdekking. Wij begonnen onze museale loopbaan ooit in het Rijksmuseum. Daar leerden we goed kijken naar schilderijen en wat we zagen zo te beschrijven dat het informatief was, maar dat de fascinatie van het ontdekken voelbaar bleef. Vanuit die gezamenlijke geschiedenis is dit boek ontstaan. Het zoeken naar schilderijen, het selecteren, het onderzoek naar de voorwerpen, het gewaardeerde contact met deskundigen en het beschrijven hebben ons een onvergetelijke, enigszins nostalgische tijd bezorgd. We hopen van harte dat het plezier dat wij aan het maken van dit boek hebben beleefd ook voor onze lezers voelbaar is.


Aalkorf Aderlaten Astrolabium Baken Bakermat Beddenpan Bestekfoedraal Blauw lint Bleekvelden Boekenhoes Boombescherming Breeuwen Chatelaine Citroen Dansmeesterviooltje Emmer Estrade Gebedsnoot Gordijn Goudleer Hijskraan Hor Huik Hylijkmaker Jacobsstaf Jongen in jurk Kaarsensnuiter Kagie Kleermakerstafel Kluwenmandje Lakstempel Linten Morskleed Muizenval Muntgewichtdoos Naaikussen Nautilusbeker Oorlepel Pasglas Pennenkoker Pomander Portefraes Pruikenkam Putgalg Rekenpenning Rinkelbel Rolletje papier Rommelpot Rosmolen Rouwbord Secreet Snotneus Spanraam Spinkruikje Stokbeurs Tellurium Trip Trommelspit Uithangbord Urinaalmandje Valhoedje Varkensblaas Vuurtest Walviskaak


Abraham Storck

Gezicht op het IJ bij Amsterdam, 1648 Rijksmuseum Twenthe, Enschede

AALKORF


Dit gezicht op het IJ was Abraham Storck, geboren en getogen Amsterdammer, vast vertrouwd. Rechts het Bothuisje, ter hoogte van het Damrak in het IJ, waar vis verhandeld werd en ook een levendige plek waar mensen elkaar konden ontmoeten en uitkijken naar de schepen. Een stelsel van steigers verbond het huisje met de vaste wal. Dit was de plek voor handel in allerlei goedkope vis: bot, spiering, aal, schar. Duurdere vis werd verhandeld op de vismarkt op de Dam. Vissersschepen, groot en klein, hebben bij het Bothuisje aangelegd. Het IJ was zeer visrijk door het brakke water, dus vis was goede handel. Verkoopvoorwaarde bij het Bothuisje was dat de vis levend werd aangeleverd en daar hadden schepen voorzieningen voor. Centraal op de voorgrond liggen twee roeibootjes die gevuld zijn met manden. In de ene boot een vrouw in klederdracht, in de andere een man die geconcentreerd vis in een mand gooit.

Bij aankomst bij de visafslag droeg je getweeën de vis met mand en al naar boven. Aal (paling) was een van de vissen die veel gevangen en verhandeld werd, daarom werden de manden aalkorven genoemd.

Adriaen van de Venne (1589-1662), Illustratie nr. 87 in het Album van Adriaen van de Venne, 1616. British Museum, Londen

Aalkorf

Zo’n mand, gevlochten van wilgentenen, was een handige manier om vis vers te houden. Je kon bij het vissen de manden aan de zijkant van de boot in het water hangen. En door de smalle openingen was het voor de vis niet mogelijk om terug het IJ in te zwemmen. Hendrik van Hilten (1750-1793), Het Bothuisje in het IJ te Amsterdam, 1769, prent. Rijksmuseum, Amsterdam

Abraham Storck (1644-1708)

Storck, zijn hele leven woonachtig in Amsterdam, schilderde voornamelijk grootse taferelen met schepen onder indrukwekkende wolkenluchten. Hij had veel aandacht voor details, zoals passagiers en toeschouwers. Historische zeetaferelen waren zijn specialiteit. Zijn oudere broer Jacob, met wie hij een atelier deelde, was een schilder van riviergezichten. AALKORF

Miniatuurvismand. Wieringer Eilandmuseum Jan Lont, Hippolytushoef

9


Egbert van Heemskerck

Jacob Fransz en zijn familie in de chirurgijnswerkplaats, 1669 Amsterdam Museum, Amsterdam

ADERLATEN


Stel, je stapt in 1669 binnen bij een chirurgijn, dan is dit wat je te zien kon krijgen. In het midden is de Amsterdamse chirurgijn Jacob Fransz Hercules (ca. 1635-1708) bezig met een aderlating bij zijn broer Thomas. Maar er is nog veel meer te zien in dit woonwerkvertrek: de familie van de chirurgijn, wachtende patiënten, iemand die geschoren wordt en heel wat attributen. Een chirurgijn voerde eenvoudige medische ingrepen uit en was daarnaast vaak kapper. Jacobs vrouw, Anna Jans ter Borch, is rechts geportretteerd, samen met hun kinderen Francijntje en Frans. Oudste zoon Thomas helpt zijn vader en houdt de schaal op om het afgetapte bloed op te vangen. Thomas zal later ook chirurgijn worden, net als zijn vader en diens vader Frans Herculesz. Op het ovale schilderij boven de deur verwijst de afbeelding van de klassieke held Hercules naar hun familienaam. Verder hebben veel voorwerpen in de ruimte te maken met het beroep van Jacob, zoals de grote chirurgijnskast met potten links naast de deur en de kleinere kast links naast het raam, met mesjes, scharen en instrumenten.

Aderlaten

Bij aderlaten bond de chirurgijn eerst de bovenarm af, om daarna met een scherp mesje een sneetje te maken in een ader in de elleboogkom. Het bloed, dat er op dit schilderij in een keurig boogje uitspuit, werd opgevangen in een kom. Vanaf de oudheid werd deze behandeling bij allerlei verschillende ziekten uitgevoerd. De theorie was dat vier lichaamssappen de gezondheid bepaalden – bloed, slijm, zwarte gal en gele gal – en dat deze sappen in balans moesten zijn. Bij ziekte zou de balans verstoord zijn en gold aderlaten als remedie. Met de opkomst van de moderne geneeskunde in de negentiende eeuw werd ook afscheid genomen van deze onhygiënisch uitgevoerde handeling door de chirurgijn. Toch worden er nog altijd aderlatingen uitgevoerd in ziekenhuizen. Niet meer om balans tussen bloed, slijm en gal aan te brengen, maar om heel gericht de hoeveelheid rode bloedcellen of het ijzergehalte in het bloed te verlagen. Egbert van Heemskerck (1634-1704)

Van Heemskerck, opgegroeid en werkzaam in Haarlem, schilderde taferelen uit het dagelijks leven. In dit geval combineerde hij zo’n scène met een familieportret. Dankzij een papiertje op de achterkant van het schilderij, geschreven door een kleinzoon van Jacob en Anna, is bekend welke leden van de Amsterdamse chirurgijnsfamilie hij in 1669 heeft vereeuwigd. In het jaar daarna verhuisde Van Heemskerck naar Londen. Daar kwam hij in grote problemen door een satirisch schilderij van de Engelse koning Karel II. Desondanks zou hij de rest van zijn leven in Engeland blijven wonen.

ADERLATEN

Set aderlaatmesjes, ca. 1775-1825. Museum de Griffioen, Delft

zie ook: Estrade, Naaikussen, Valhoedje

11


Johannes Vermeer

De astronoom, 1668 Musée du Louvre, Parijs

ASTROLABIUM


Een astronoom, een sterrenkundige, aan het werk. Hij is gekleed in een zijden kamerjas, een ‘Japonsche rock’, die wetenschappers destijds graag droegen. Op tafel staat een hemelglobe, al in 1600 ontworpen door de kaartenmaker Jodocus Hondius. Voor de astronoom ligt een handboek over astronomie, Fondamentale en de grondelijcke onderwysinghe van de Sterrekonst ende beschrijvinghe der Aerden door het Ghebruyck van de Hemelsche en Aerdtsche Globen (1612) van Adriaen Metius. Het boek ligt open bij het begin van hoofdstuk III over sterren. Metius, een grootheid op het gebied van wis- en sterrenkunde, was hoogleraar in Franeker geweest. Kennelijk was zijn werk ruim veertig jaar na dato nog maatgevend. Op tafel, leunend tegen het opgebolde tapijt, ligt een astrolabium, een bijzonder astronomisch instrument. Astrolabium

Een astrolabium is een draagbaar, meestal plat instrument van messing waarop de posities van de belangrijkste sterren zijn weergegeven ten opzichte van de horizon van de waarnemer.

Het bestaat uit een cirkelvormige grondplaat waarop onder andere een uurcirkel is gegraveerd. Op de grondplaat liggen een of meer cirkelvormige platen (timpanen), elk gegraveerd met een spinnenwebachtig lijnenpatroon van hemelcoördinaten. Daarboven zitten nog een uitgezaagde plaat (spin) en een liniaal. Door een timpaan, de spin en de liniaal onderling te draaien, kunnen tijd en posities ingesteld of berekend worden. Een astrolabium was een buitengewoon nuttig instrument: je kon ermee voor elk moment van de dag of nacht de juiste tijd bepalen tot op een paar minuten nauwkeurig. Omgekeerd was het mogelijk om voor iedere willekeurige plaats en tijd de posities van de hemellichamen ten opzichte van de horizon vast te stellen. Ook praktische landmeetkundige problemen, zoals het meten van de hoogte van een toren of de breedte en diepte van een gracht, konden dankzij een astrolabium snel worden opgelost. Johannes Vermeer (1632-1675)

Vermeer woonde en werkte zijn hele leven in Delft. Veel van zijn schilderijen tonen dergelijke interieurs: een raam, een tafel met een tapijt, een schilderij of landkaart aan de wand en een figuur verdiept in zijn of haar bezigheden. Er zijn slechts weinig werken van hem bekend, een dertigtal, maar ze worden gerekend tot de hoogtepunten van de zeventiende-eeuwse Hollandse schilderkunst vanwege de nauwgezette en sfeervolle wijze van uitbeelden. In Delft woonde in Vermeers tijd instrumentmaker Anthony Sneewins (1615-na 1681), die ook astrolabia maakte. Zou Vermeer hem gekend hebben? Mogelijk vormde dit schilderij ooit een paar met Vermeers schilderij van een geograaf (een aardrijkskundige), nu in het Städel Museum in Frankfurt am Main.

ASTROLABIUM

Astrolabium, ontworpen door de Antwerpse instrumentmaker Michiel Coignet (1549-1623), 1601. Rijksmuseum Boerhaave, Leiden

zie ook: Tellurium

13


Jacob van Ruisdael

Een ruige zee bij een havenhoofd, ca. 1650 Kimbell Art Museum, Fort Worth

BAKEN


Gitzwarte wolken pakken zich samen boven een ruige zee. Is het de gevaarlijke Zuiderzee? Hier en daar weet de zon door te breken en de woeste schuimkoppen te verlichten. Hopelijk bereiken de zeilschepen op tijd de haven, voordat het noodweer losbarst. Twee mannen staan klaar op de pier, met lange stokken om de vissersboten veilig binnen te loodsen. Een schip zeilt vóór de wind, in volle vaart, en is er al bijna. Op de kop van het havenhoofd staat een opvallend bouwwerk: een baken. Baken

Het baken is een markeringspunt, toen en nu, en helpt de schipper bij het navigeren naar de haven of een doorgang of waarschuwt voor zandbanken of obstakels. In de zeventiende eeuw bestonden er bakens voor dag en voor nacht – zonder en met vuur. Ruisdael schilderde hier een baken met een trappetje. Daarmee kon degene die het baken beheerde naar boven klimmen om bij nacht en ontij een vuur te ontsteken om schepen te waarschuwen. Zo werd

Embleem uit Sinnepoppen van Roemer Visscher, gegraveerd door Claes Jansz Visscher, 1614. Rijksmuseum, Amsterdam Bakens hebben vaak ook een symbolische betekenis. Dit embleem – een plaatje met een praatje – heeft als motto ‘Intelligentibus’: zij die weten. Daarmee worden de ervaren stuurlui bedoeld die tekens op en bij het water herkennen. Of staan de beste stuurlui juist aan wal, zoals op het schilderij van Ruisdael?

het baken een kleine vuurtoren. Maar hier brandt geen waarschuwend vuur en noodweer is duidelijk op komst – was de bakenmeester misschien te laat? Jacob van Ruisdael (1628/9-1682)

BAKEN

Detail uit een prent van Claes Jansz Visscher met een gezicht op Egmond aan Zee, 1615. Rijksmuseum, Amsterdam

Ruisdael was degene die grootsheid en drama aan de Hollandse landschapschilderkunst wist toe te voegen. Hij had een grote productie van meer dan zevenhonderd schilderijen, waarvan honderdvijftig zeegezichten. Die waren vooral bedoeld voor de vrije markt. Het waren geen zeeslagen of havengezichten, maar woeste zeeën met dreigende luchten. Ongetemde natuur, zoals hier, waarin de dramatische wolkenlucht de hoofdrol speelt.

Een grote rookpluim vormt een duidelijk signaal voor de scheepvaart. De vuurkorven met hout of steenkool, geïmporteerd uit Duitsland, werden in de bakens omhoog gehesen. Bij het gebouwtje ernaast is ook een rokend vuur te zien. Hier, bij Egmond aan Zee, is de bescherming van de schepen voor de kust goed op orde.

15


Jan Steen

Kraamvisite, 1668 Hamburger Kunsthalle, Hamburg

BAKERMAT


Een vrolijk gezelschap is op kraamvisite gekomen na een geboorte. En niet zomaar een geboorte: het is een tweeling. De moeder ligt bleek en uitgeput in de bedstee. Oma, die ongetwijfeld bij de bevalling assisteerde, zit ernaast en dommelt wat. Andere vrouwen zitten er gezellig bij, maken grapjes en drinken een glaasje. Dan komt de vader binnen. Hij staat links, met zijn jas nog aan. Het eerste kind heeft hij gezien, maar hij ontdekt nu ook het tweede, want achter hem zit een vrouw die hem aan zijn jas trekt en het kind omhoog houdt. Hij grijpt in wanhoop naar zijn hoofd. Rechts wijst een vrouw naar hem terwijl ze haar vriendinnen lijkt toe te roepen: een tweeling, hij krijgt het druk! Jan Steen vrolijkte het verhaal op met nog meer grappige en dubbelzinnige details, zoals gebroken eieren, een beddenpan en een half voltooide sok die nog op de breinaalden staat. De vrouw die links in een mand zit, lijkt misschien ook een grap van de schilder, maar Steen toont hier iets dat in zijn tijd heel gebruikelijk was: de baker in een bakermat.

Manden van gevlochten wilgentenen werden ook gemaakt voor het vervoer van zieken. Gevelsteen boven het poortje van het Sint-Elisabeths Gasthuis, Groot Heiligland in Haarlem. Foto: Annemarie Vels Heijn

Bakermat

De bakermat was een langwerpige mand waarin de baker, de zeventiende-eeuwse kraamverzorgster, kon zitten. Zo’n mand werd meestal gevlochten van wilgentenen: de lange, rechte scheuten (waterloten) die uit een knotwilg groeien. De baker zat in de bakermat met gestrekte benen, de iets hogere rand van de mand in de rug. Zo kon zij het kind verschonen en inbakeren. De mand stond gewoonlijk bij het vuur, om de baby lekker warm te houden. Op Steens schilderij is de linkerbaby net ingebakerd. Stevig omwikkeld door doeken, zodat de armpjes strak tegen het lijfje gedrukt zitten, vanuit het idee dat de baby zich dan veilig zou voelen. De rechterbaby heeft ook al de rode overdoek om. Op de achtergrond halen twee dienstmeisjes een rieten wieg van zolder om de ingebakerde kindjes in te leggen om samen een slaapje te doen. Jan Steen (1626-1679)

BAKERMAT

Hedendaagse replica van een bakermat. Nationaal Vlechtmuseum, Noordwolde

zie ook: Beddenpan

Steen werkte in Delft, Leiden en Haarlem en specialiseerde zich in komische voorstellingen. Vaak deed hij dat door rommelige huishoudens te schilderen, met losbandige volwassenen en kinderen die kattenkwaad uithalen. Die lawaaiige voorstellingen zijn zo beroemd dat ‘een huishouden van Jan Steen’ een gevleugelde uitdrukking is geworden. Zijn schilderijen geven een prachtig beeld van interieurs van de gegoede Hollandse burgerij in de zeventiende eeuw, hoewel het er in de regel veel netter en opgeruimder zal zijn geweest. 17


Pieter de Hooch

De moeder, ca. 1663 Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie. Foto: Christoph Schmidt

BEDDENPAN


Is dit de moeder, de min of de baker? Waarschijnlijk de moeder, ze draagt immers een jasje dat met kostbaar bont is afgezet – een welgestelde dame, de vrouw des huizes. Ze rijgt haar lijfje weer dicht nadat ze het kind heeft gevoed. Of maakt ze het lijfje juist open? Haar blik is gericht op het kind in het rieten wiegje dat voor haar staat. Ook de hond kijkt toe. De bedstede maakt duidelijk dat in deze kamer ook geslapen wordt. Het is het huis van een gegoede familie, met een hoog plafond en marmeren vloer. Door de open deur is een volgende ruimte te zien waar een ander kind naar buiten staat te kijken. Hier stroomt het daglicht naar binnen door de open buitendeur en verlicht de achterste ruimte. Ook in de kamer voor komt het daglicht binnen, subtiel via de bovenste helft van het raam, waardoor de koperen beddenpan het licht mooi reflecteert.

kwam schroeiplekken in de lakens. Na de ronde ging de warme turf terug in de haard of in de doofpot en werd de beddenpan weer opgehangen. En dan snel naar bed! Pieter de Hooch (1629-1684)

Dergelijke interieurs, zorgvuldig gecomponeerd volgens de regels van het perspectief, met doorkijkjes naar achterliggende vertrekken, zijn typerend voor het werk van De Hooch. Rond 1660 was hij van Delft naar Amsterdam verhuisd. Daar werden zijn interieurs steeds grootser en luxueuzer. Dat viel in de smaak bij zijn klanten, de welgestelde Amsterdammers die zich konden herkennen in zijn schilderijen met fraaie huizen. Dit schilderij dateert uit zijn eerste jaren in de hoofdstad en herinnert nog enigszins aan zijn Delftse, iets soberdere stijl.

Beddenpan

In zeventiende-eeuwse huizen kon het ’s winters flink koud zijn en ook toen was het geen pretje om in een ijskoud bed te kruipen. Daar werd iets op gevonden: de beddenpan of bedstoof, waarmee de bedden voorverwarmd konden worden. Het is een ronde metalen bak – meestal van koper – met een scharnierend deksel aan een lange koperen of houten steel. Het deksel is geperforeerd, vaak in een mooi patroon. In de bak gingen smeulende blokjes turf. De gaatjes zorgden voor toevoer van zuurstof waardoor de turf bleef smeulen en maakten ook dat de pan genoeg warmte afgaf. Soms gingen in plaats van turf hete stenen in de pan. Dat was veiliger, want smeulende turf leverde brandgevaar op. Voor het naar bed gaan liep de huisvrouw of dienstmeid met de beddenpan langs alle bedden. De pan werd onder de dekens gestoken en aan de steel heen en weer bewogen om de ergste kou uit bed te verdrijven. Het bewegen voor-

zie ook: Jongen in jurk

BEDDENPAN

Koperen beddenpan, 18de eeuw. Zuiderzeemuseum, Enkhuizen

19


Pieter Claesz

Stilleven met haringen, brood, kazen en rookgerei, 1624 Museum Prinsenhof, Delft, bruikleen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

BESTEKFOEDRAAL


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Gevonden Voorwerpen by uitgeverijdekunst - Issuu