

Een eeuw verweven
Marjan Scharloo

Om erkend te worden als rechtspersoon moest de Vereniging koninklijke goedkeuring aanvragen door het voorleggen van de statuten. De goedkeuring kwam op 8 april 1927.
Voorwoord Ten Geleide
Noten
Bijlage 1: Lijst van bestuursleden
Bijlage 2: Overzicht thema's bijeenkomsten, 1926â2025
Bronnen en literatuur
Musea zijn van grote waarde. Ze brengen mensen samen, bieden nieuwe inzichten en inspiratie, zorgen voor herinnering, herkenning en verwondering. Nederland kent honderden prachtige musea, die met hun collecties en tentoonstellingen bijdragen aan het totale verhaal. En al een eeuw lang werken die musea samen en zijn ze verweven met elkaar en met de samenleving.
Toen in 1926 enkele directeuren en hoogleraren besloten om met elkaar in gesprek te gaan, konden zij niet vermoeden dat dit overleg zou uitgroeien tot een krachtige vereniging die vandaag de dag meer dan 500 musea verbindt. De Museumvereniging is in die honderd jaar meegegroeid met de sector en met de uitdagingen van de tijd. Van een klein netwerk naar een collectief dat zich inzet voor kwaliteit en toegankelijkheid, in het besef dat we samen sterker staan.
Een mooi voorbeeld daarvan is de Museumkaart: een kaart die niet alleen deuren opent voor miljoenen bezoekers, maar ook een systeem van wederkerigheid en vertrouwen belichaamt. Jaar na jaar zoeken we de balans tussen betaalbaarheid voor kaarthouders en een eerlijke uitkering aan musea. Het is een instrument dat al decennialang laat zien hoe gedeelde waarden zich vertalen in concrete impact.
De rijke geschiedenis van de Museumvereniging en daarmee van de museumsector, tegen de achtergrond van politiek en maatschappij, was nog niet eerder vastgelegd. Bladerend door dit prachtige boek wordt duidelijk dat we van ver zijn gekomen. Musea hebben een enorme ontwikkeling doorgemaakt en tegelijkertijd blijken sommige dilemmaâs en discussies van alle tijden te zijn.
Het jubileum is ook een moment om stil te staan bij de mensen die deze âeeuw verwevenheidâ mogelijk hebben gemaakt. Bestuursleden die zich met visie en toewijding inzetten, medewerkers en leden die elke dag werken aan het versterken van onze gezamenlijke positie. Hun inzet vormt de motor achter honderd jaar Museumvereniging.
Hoe de wereld er over een eeuw uitziet, is moeilijk te voorspellen. Maar het kan niet anders of musea blijven plekken waar we â op steeds meer manieren â het verleden koesteren en de toekomst verkennen, ook als dat soms schuurt. De Museumvereniging blijft werken aan een toekomstbestendige sector waarmee zoveel mogelijk mensen zich verbonden voelen. Dat doen we samen, want alleen dan kunnen we ervoor zorgen dat musea ook in de komende honderd jaar een bron van inspiratie en inzicht blijven.
Vera Carasso Directeur Museumvereniging
Ten geleide
Een geschiedenis over honderd jaar Museumvereniging kan op honderd verschillende manieren worden geschreven. Het doel van dit boek is een globaal beeld te schetsen van de ontwikkeling die de Vereniging de afgelopen eeuw heeft doorgemaakt. Dat was en is mensenwerk, veelal uitgevoerd door museumdirecteuren naast het leiden van hun eigen museum. De eerste vijftig jaar werden alle activiteiten georganiseerd door de leden zelf. In 1976 kwam er een piepklein bureautje, dat inmiddels is uitgegroeid tot een volwassen organisatie ter behartiging van de belangen van de museumsector. De Vereniging had nooit kunnen worden wat zij nu is zonder een groot gevoel van onderlinge solidariteit, ingegeven door het besef dat de musea samen de Collectie Nederland beheren voor huidige en toekomstige generaties. Met ups en downs wist zij zich aan te passen aan de behoeften van de musea en aan de eisen van de omgeving: een bijzonder veelzijdig krachtenveld.
Beelden zeggen meer dan woorden. In de afgelopen eeuw veranderden de collectiepresentaties van de aangesloten musea totaal. Geleidelijk, heel geleidelijk in sommige gevallen, werden overvolle bergplaatsen in slechte behuizingen omgetoverd tot professionele publieksinstellingen waar iedereen welkom is.
Deze ontwikkeling is te volgen aan de hand van bijna tweehonderd fotoâs die een aantal karakteristieke momenten tonen uit de presentatiegeschiedenis van de Nederlandse musea.
Velen hebben bijgedragen aan de totstandkoming van dit boek. Allereerst wil ik graag de leden van de leescommissie danken die mij op het juiste spoor hielden
en die bovendien zorgden voor verdieping en verrijking van de inhoud. Dit waren Birgit Donker, Rudi Ekkart en Jan Lucassen. Een aantal betrokkenen bij het wel en wee van de Museumvereniging in heden en verleden was op mijn verzoek bereid tot een verdiepend gesprek. Dit waren (in alfabetische volgorde) Irene AsscherÂVonk, Saskia Bak, Bert Boer, Hans Buurman, Willem Bijleveld, Vera Carasso, Hendrik Driessen, Eric Fischer, Erik van Ginkel, Margriet Kapteijns, Carla Keijzer, Pauline Kruseman, DaniĂ«lle Lokin, Annemarie Vels Heijn, Jan Riezenkamp, Marise Voskens en Siebe Weide.
Sarah AlÂDhahir, Letteke Klooster en Dieke Wesselingh zorgden voor een warme begeleiding vanuit het bureau van de Museumvereniging. Pia van de Wiel en Gea Wold hielpen bij het inzien van het VRMÂarchief. De analoge gastvrijheid van de bibliotheken van Museum Boijmans
Van Beuningen, het Maritiem Museum Rotterdam en het Nationaal Archief, en de digitale gastvrijheid van de Boekmanstichting en de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, waren onontbeerlijk voor de samenstelling van de inhoud van dit boek. De samenwerking met beeldredacteur Froukje Holtrop, eindredacteur Michel Hommel en het team van Studio Berry Slok was een groot genoegen.
Fouten in namen en jaartallen zijn welhaast onvermijdelijk bij de samenstelling van een overzichtswerk als dit, ook al is er nog zoveel zorgvuldigheid betracht. Daarvoor zijn bij voorbaat excuses op hun plaats. Het is mijn hoop dat dit boek een startpunt vormt van veel meer publicaties over dit fascinerende onderwerp. De musea en de Museumvereniging zijn het waard!
Marjan Scharloo
Hoe het begon

De oprichting van de Directeurendag op 27 februari 1926 kwam geen moment te vroeg. Al eerder hadden museumdirecteuren en andere betrokkenen samen nagedacht over de grote problemen waarmee de musea kampten, resulterend in een belangrijk rapport dat in 1918 werd gepubliceerd door de Nederlandse Oudheidkundige Bond. Deze organisatie was sinds ruim vijfentwintig jaar de particuliere belangenbehartiger voor het behoud en beheer van Nederlands roerend en onroerend erfgoed. Binnen een jaar waren alle in aanmerking komende museumdirecteuren al lid van de Directeurendag geworden. Na een vliegende start trad er in de loop van de jaren dertig een periode van winterslaap in, die voortduurde tot na de Tweede Wereldoorlog. In 1947 bleek er ruimschoots draagvlak te zijn voor een doorstart in een totaal veranderde museumwereld met een nieuwe generatie museumdirecteuren.
Westerwoldse kamer in het Museum van Oudheden te Groningen aan de Praediniussingel, 1944.
Tentoonstellingszaal van het Stedelijk Museum Alkmaar aan de Breedstraat, 1932.

De musea
De oudste nog steeds bestaande Nederlandse musea stammen uit het laatste kwart van de achttiende eeuw en waren gesticht op particulier initiatief. In Haarlem was Teylers Stichting de opdrachtgever voor een âmusaeumâ voor kunst en wetenschap en in Franeker creĂ«erde Eise Eisinga zijn voor publiek toegankelijk planetarium. Nu niet meer bestaand, maar destijds zeer belangrijk, waren de verzamelingen van kunst en wetenschap van stadhouder Willem V, die in een aantal zalen aan het Buitenhof in Den Haag toegankelijk waren gemaakt. Het doel van dergelijke initiatieven was het bieden van toegang tot de meest actuele kennis en kunst. Zij pasten in het Verlichtingsideaal van volksverheffing, waaronder ook bijvoorbeeld het stichten van openbare bibliotheken en het creĂ«ren van technische opleidingen vielen.
Tussen 1795 en 1813 was Nederland bezet door Frankrijk. In 1808 werd het eerste nationale kunstmuseum geopend in Amsterdam in navolging van de voorbeelden in Parijs. Na de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden werd dit beleid voortgezet en uitgebreid door koning Willem I. Hij stichtte naar Frans voorbeeld een aantal musea, zoals het Rijksmuseum ( 1813 ), het Mauritshuis ( 1822 ) en het Museum van Oudheden ( 1818 ). Vanaf de Belgische opstand in 1830 begon
een periode van stilstand voor de nationale musea, die zoân veertig jaar zou duren.
In de negentiende eeuw ontkiemden in de meeste Nederlandse steden musea op basis van collecties die vaak eeuwenlang op de stadhuizen waren bewaard, meestal een combinatie van kunst en historische voorwerpen. Soms openden lokale genootschappen van kunst en / of wetenschap hun collecties voor het publiek. In toenemende mate raakten welgestelde burgers betrokken bij het stichten van nieuwe musea door schenkingen en nalatenschappen van kunstcollecties of door legaten en erfenissen ( vaak met speciale clausules ) aan de lokale of de nationale overheid. Andere musea hadden een functie als verzameling van referentiemateriaal voor wetenschappelijk onderzoek, zoals de natuurhistorische musea, die meestal verbonden waren aan universiteiten. Het concept museum als plek voor het leren over het eigen verleden of de eigen plaats in de wereld én voor het genieten van kunst, raakte steeds meer ingeburgerd. Aan de inrichting werd nog weinig aandacht besteed en de openingstijden waren vaak nog erg beperkt.
De Nederlandse Oudheidkundige Bond
Het overheidsbeleid ten aanzien van cultureel erfgoed was tot in de twintigste eeuw uitgesproken
âItalianenzaaltjeâ met tekeningen van Renaissance Âkunstenaars achter gordijntjes, Teylers Museum, Haarlem, ca. 1935.

liberaal. Hoe minder regels hoe beter. Met de toenemende bevolking en de industrialisering veranderden de Nederlandse steden en het platteland in sneltreinvaart. Nieuwe infrastructuur, zoals wegen, spoorlijnen en havens, werd aangelegd. Belangrijke historische gebouwen werden afgebroken en dat betrof ook hun interieurs, zoals in kerken. Vernieuwingen op elk denkbaar terrein zorgden voor grote veranderingen in en om het huis, de boerderij of het werk. Met als gevolg dat oude gebruiken en de bijbehorende voorwerpen in hoog tempo verdwenen. De beroemde aanklacht van Victor de Stuers in het artikel âHolland op zijn smalstâ in De Gids ( 1873 ) stelde het totale gebrek aan zorg voor het eigen erfgoed aan de kaak. Het zou nog bijna een eeuw duren voordat de bescherming van monumenten in wetgeving werd vastgelegd. In deze lacune was veel ruimte voor particulier initiatief. Mr.dr. J.C. Overvoorde, archivaris van Dordrecht en secretaris van de Vereniging Oud  Dordrecht, riep in 1898 âalle besturen van oudheidkundige vereenigingen en bekende museumbesturen in Nederlandâ op een overkoepelende vereniging te stichten met als doel samen te werken aan de bescherming van belangrijk erfgoed. 1 Nederland liep behoorlijk achter in Europa op het gebied van de bescherming van en de toegang tot het eigen erfgoed. Erfgoedprofessionals
Schilderijenzaal van het Fries Museum in het Eysingahuis te Leeuwarden, 1935.

constateerden een groot gebrek aan visie, kennis en geld bij politiek en overheid om zorgvuldig om te gaan met historische monumenten en voorwerpen. De Nederlandse Oudheidkundige Bond werd officieel opgericht in Amsterdam in 1899. Musea, archieven, bibliotheken, de Vereniging Rembrandt en lokale oudheidkundige verenigingen die een rechtspersoon waren, en verder leden van commissies van beheer van een museum of een vereniging zonder eigen rechtspersoonlijkheid, konden lid worden. Opvallend in deze tijd is de veel voorkomende combinatie van stadsarchivaris en museumdirecteur, die wijst op de oorspronkelijke functie van het samen bewaren van documenten en belangrijke historische voorwerpen, vaak ten stadhuize. Met de ontwikkeling van de rol van musea om voorwerpen op een esthetische en begrijpelijke manier te presenteren en het publiek centraal te stellen begonnen de functies van archivaris en museumdirecteur in de jaren twintig van de vorige eeuw uit elkaar te groeien. Eén van de laatste gecombineerde functies was die van archivaris en museumdirecteur van Zuid  en Noord  Beveland in Goes, bekleed door Louis Abelmann tussen 1968 en 1990 De Bond fungeerde met wisselend succes als pressiegroep bij de dreigende afbraak van gebouwen, het dempen van grachten of de verkoop van bijzondere
De Rijtuigenzaal in het Rijksmuseum met sleden en rijtuigen die in 1931 werden overgedragen aan het Nederlands Openluchtmuseum.


objecten uit gemeentelijk of kerkelijk bezit. Eén van de eerste acties in 1899 was gericht op het voorkomen van de sloop van de Nieuwezijds Kapel aan het Rokin in Amsterdam, overigens zonder succes. Wél succesvol was het protest tegen het plaatsen van een telefooninstallatie op het dak van de Sebastiaansdoelen in Den Haag ( 1902 ), en het pleidooi voor het behoud van het raadhuis te Jisp ( 1903 ). Vele tientallen jaren bleef de Bond ageren tegen de sloop van stedelijke infrastructuur en gebouwen. Een belangrijk wapenfeit was het maken van beschrijvingen van monumentale gebouwen per provincie. Voor het eerst werd daarmee in kaart gebracht welke gebouwen belangrijk erfgoed waren en dus bescherming behoefden in een nog te schrijven monumentenwet.
Museumbeleid
Naast het lobbyen voor een monumentenbeleid zette de Bond zich actief in voor het ontwikkelen van een museumbeleid door de overheid. Vanaf 1912 onderzocht
een speciale commissie van de Bond hoe te komen tot verbetering van het museale bestel. Deze commissie organiseerde discussiebijeenkomsten over een lange reeks van stellingen. Het resultaat werd beschreven in een drietal brochures, getiteld Over hervorming en beheer van onze musea ( 1918 ), waarin voor het eerst de taak en de missie van de musea werd omschreven. Bij de presentatie van het rapport bestond de commissie uit culturele zwaargewichten: Samuel Muller, rijksarchivaris en gemeentearchivaris Utrecht ( voorzitter ), Cornelis Hofstede de Groot, kunsthistoricus en schilderijenverzamelaar, Adriaan Pit, directeur Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst, Jan Veth, buitengewoon hoogleraar kunstgeschiedenis Rijksacademie Amsterdam en Willem Vogelsang, hoogleraar kunstgeschiedenis in Utrecht. Secretaris was Hendrik Enno van Gelder, directeur Dienst Kunsten en Wetenschappen in Den Haag. In verschillende hoofdstukken kwamen de volgende onderwerpen aan bod: âI. Reorganisatie onzer

Focus op de kunst
De Eregalerij van het Rijksmuseum werd onder directeur Frederik Schmidt Degener aangepast aan de nieuwste inzichten op het gebied van museuminrichting die hij in Berlijn had leren kennen. Daartoe behoorde het combineren van kunst en kunstnijverheid uit dezelfde periode in één ruimte, maar zonder de bijbehorende historische voorwerpen. De zaal werd zoveel mogelijk van zijn oorspronkelijke kerkachtige karakter ontdaan. Een groot deel van de uitbundige decoratie op de muren werd wit overschilderd. De hoogteverschillen tussen het âmiddenschipâ en de âkapellenâ aan weerszijden verdwenen, evenals de gordijnen en draperieĂ«n. De nieuw geĂŻnstalleerde grote kasten met porselein verzachtten de overgang tussen de middenzaal en de zijvertrekken en zorgden voor een optische verdeling van de centrale ruimte. Het theatrale karakter van Cuypersâ ontwerp, met een zichtlijn naar de Nachtwacht als een soort altaar, was zo in 1926 geschiedenis geworden.
De Porseleinzaal van het Princessehof in Leeuwarden, 1933.

Rijksmusea, II. Handleiding voor het beheer onzer plaatselijke historische musea, III. De opleiding van onze museum  directeuren en IV. Museum  stellingenâ. Daarna hief de commissie zichzelf op, maar de Bond ging door met lobbyen, mĂ©t resultaat.
Het net opgerichte ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ( OKW ), onder leiding van minister J. Th. de Visser ( CHU ) installeerde in 1919 de Rijkscommissie voor het Museumwezen, die eerst twintig en later 22 leden kende, onder wie dertien museumdirecteuren, drie hoogleraren kunstgeschiedenis, een verzamelaar, een architect, een archivaris en een schrijver. Het geheel stond formeel onder leiding van een topambtenaar van het ministerie. 2 In het eerste rapport van de commissie uit 1921 werd een groots vergezicht voor de toekomst geschetst met onder andere twee nieuwe nationale musea, één gericht op kunst en één op de nationale geschiedenis. De nationale collecties zouden herverkaveld moeten worden. Het was de wens van de commissie een rigoureuze scheiding aan te brengen tussen de presentaties van de kunstcollecties en die van de ( Nederlandse ) geschiedenis. Daarvan kwam om verschillende redenen niets terecht. Er was geen geld beschikbaar en de bestaande musea wilden hun topstukken niet afstaan aan de nieuwe instellingen. Het voorstel om
een Rijkscommissie voor de Musea in te stellen, die de minister zou adviseren, werd wel overgenomen, maar de bevoegdheden waren veel minder vergaand dan in het voorstel.
EĂ©n van de meest verstrekkende gedachten in het rapport was dat de musea van de nationale, regionale en lokale overheden samen de âCollectie Nederlandâ beheerden, ook al kwam de term zelf pas veel later in zwang. Als consequentie van deze gedachte werd opgemerkt dat de âinnerlijke samenwerkingâ tussen de beherende instellingen essentieel was om âde bloei onzer verzamelingenâ te bevorderen. 3
Bij de discussies over de stellingen over musea, gehouden tijdens de vergaderingen van de Bond, was het zaadje geplant dat musea niet alleen de bewaarplaats waren van kunst en historische voorwerpen, maar dat deze ook op een aansprekende manier gepresenteerd zouden moeten worden aan het publiek. Dat betekende dat de museumzalen niet langer tot de nok toe gevuld zouden moeten zijn met voorwerpen van uiteenlopende betekenis, als een soort chaotisch open depot. Zeer invloedrijk in deze discussie was kunsthistoricus Schmidt Degener, die eerst in Museum Boijmans ( 1909 ) en later in het Rijksmuseum ( 1921 ) presentaties van kunst en kunstnijverheid maakte op basis van esthetische gronden, waardoor het publiek
1 Hoe het begon
De Tuinzaal met speciale klapstoelen in het nieuwe gebouw van Museum Boijmans te Rotterdam, geopend in 1935.

met meer aandacht naar de beste stukken zou gaan kijken. Hij was geĂŻnspireerd geraakt door de visie van Wilhelm Bode, die in Berlijn het Kaiser Friedrich Museum onder handen had genomen. Schilderijen en kunstnijverheid, zoals tapijten en meubels, werden daar in samenhang gepresenteerd op een esthetische wijze, met voldoende ruimte voor elk object. De niet geselecteerde ( historische ) voorwerpen verhuisden naar een nieuw soort ruimte: het museumdepot.
Nieuwe musea
Het beleid van de rijksoverheid ten aanzien van de musea blonk niet uit in slagvaardigheid, ondanks de adviezen van de zelf geïnstalleerde Rijkscommissie. De langdurige economische crises van de jaren twintig en dertig en de bezuinigingspolitiek van de kabinetten Colijn, zorgden voor forse ingrepen in de toch al beperkte museale activiteiten. Bijzonder was dat er in de zomer van 1935, midden in de crisistijd, wél twee gemeentelijke musea bij kwamen, met moderne gebouwen waarin de nieuwste inzichten over daglicht en technische installaties waren toegepast. In Rotterdam was in Museum Boijmans gekozen om de collectie over de geschiedenis van de stad achter te laten in het oude gebouw en het nieuwe gebouw uitsluitend te wijden aan de verzamelingen
Tentoonstelling Oranje en de Garde in het Oranje Nassaumuseum te Den Haag, 1935.

van kunst en kunstnijverheid. In Den Haag was de historische collectie wél meeverhuisd naar het nieuwe Gemeentemuseum.
Een uitzondering op de malaise bij het Rijk was de opening van enkele musea die op particulier initiatief werden gesticht, waarvoor OKW uiteindelijk wel de exploitatie op zich nam. Dit gold voor het KröllerMĂŒller Museum in Otterlo, gebouwd op initiatief van het echtpaar Kröller MĂŒller, dat zijn collectie moderne kunst in 1938 aan de Staat der Nederlanden schonk. Het Rijksmuseum Twenthe werd gesticht in EnschedĂ© in 1930 dankzij een grote financiĂ«le bijdrage van de textielfamilie Van Heek. Het Nederlandsch Openluchtmuseum werd in 1912 gesticht op initiatief van luitenant kolonel Hoefer, die zich ernstig zorgen maakte over het verdwijnen van traditionele Nederlandse landschappen en dorpen en de daarbij behorende cultuur. De inspiratie hiervoor had hij opgedaan in ScandinaviĂ«. Het Nederlandse museum opende in 1918 aan de rand van Arnhem met enkele kleine huizen. Deze musea werden opgericht in gebieden zonder bestaande rijksmusea en zo werd de basis gelegd voor een meer geografische spreiding van het nationaal cultuurbezit.
De lokale overheden lieten zich in de jaren twintig en dertig niet onbetuigd. In 1939 werden bijna zeventig

Vergadering van 22 dames en heren
Ondanks het ontbreken van overheidsbeleid stond niets de musea in de weg zelf te beginnen met de uitvoering van een aantal praktische voorstellen uit het rapport van de Rijkscommissie. Daarom nam het bestuur van de Bond het initiatief om een extra vereniging te stichten voor de musea, waarvan directeuren, conservatoren en andere inhoudelijke specialisten lid konden worden. 6 Met de toenemende activiteiten op het gebied van monumentenzorg en archeologie in Nederland werd de actieradius van de Bond gewoon te groot.
De ingestelde voorbereidingscommissie stuurde een speciaal gedrukte circulaire rond om de belangstelling onder de museumdirecteuren te peilen. Het doel van de nieuwe vereniging, die kortheidshalve Directeurendag werd genoemd, zou zijn om museumbelangen te behartigen en onderling te bespreken, nieuwe musea geteld die sinds 1918 waren gesticht, vaak in een samenspel tussen particuliere weldoeners en gemeenten. âDe toevloed van nieuwe musea stijgt bijna angstwekkendâ, vond Clara Engelen, directeur van Museum Zutphen in het Bulletin van de Nederlandse Oudheidkundige Bond. Zij stelde dat men de culturele betekenis van plaatselijke verzamelingen steeds meer ging beseffen en wees het toegenomen aantal lokale bodemvondsten daarvoor als één van de redenen aan. Zij maakte zich zorgen over de âverzamelwoedeâ die overal in Nederland leidde tot de opkomst van nieuwe plaatselijke musea omdat zij verwachtte dat de lokale betrokkenheid niet voor de lange termijn zou gelden. 4 Over de inrichting van deze musea schreef ze: âNog steeds is er de neiging om te veel te exposeren en âalles te laten zienâ; er wordt te weinig bedacht, dat een museum noch een antiquiteitenzaak, noch een galanteriewinkel isâ. 5
Stedelijk Museum Middelburg, gevestigd op de bovenzaal van het stadhuis, ca. 1935.
Tentoonstelling over Java op de Afdeling Volkenkunde van het Koloniaal Instituut in Amsterdam, 1934.

âzoowel van wetenschappelijken en technischen, als van algemeenen aardâ. Dat zou gebeuren op bijeenkomsten en op andere passende manieren. Het was de bedoeling om kennis en informatie uit te wisselen over praktische zaken, zoals museale presentaties, verlichting, beveiliging, conserverings  en restauratietechnieken en het herkennen van vervalsingen. In de circulaire werd expliciet vermeld dat er geen rechtstreekse samenwerking met de Bond zou bestaan, behalve dat het Jaarboek van de Bond zou dienen als communicatiemiddel voor verslagen en artikelen. De Bond werd dan ook niet genoemd in de statuten van de Directeurendag.
Op zaterdag 27 februari 1926 togen drie dames en negentien heren museumdirecteuren en kunsthistorici naar Den Haag om de Vereeniging van Directeuren van Nederlandsche Musea op te richten en daarmee was de Museumvereniging geboren. Onder hen waren de directeuren van het Rijksmuseum voor Volkenkunde, het Rijksprentenkabinet, het Fries Museum, het Scheepvaartmuseum, Museum de Lakenhal, het Openluchtmuseum en Museum Zutphen. De voorzitter van de Bond, prof. van der Pluym van de Rijksacademie, was ook aanwezig. Onder andere H. E. Van Gelder, de bijzonder invloedrijke directeur Gemeentelijke Dienst voor Kunsten en Wetenschappen in Den Haag, stuurde een
steunbetuiging. 7 Opvallend was dat de grootste kunstmusea in het begin nog niet vertegenwoordigd waren. Niet alle musea werden uitgenodigd voor het lidmaatschap. Alleen directeuren of conservatoren van âdie musea of verzamelingen, welke wetenschappelijk geordend zijn of zullen worden en waarin voorwerpen worden bewaard die door menschenhand zijn vervaardigd en kunst of historische waarde bezittenâ, konden lid worden. Opvallend is dat musea met verzamelingen op het gebied van geologie en natuurhistorie werden uitgesloten, evenals anatomische collecties. Bibliotheken en archieven hadden eigen organisaties en mochten daarom ook geen lid worden. WĂ©l deelnemen konden professoren en lectoren, uitsluitend in de kunstgeschiedenis en de archeologie. Deze beperking was ingegeven door de vrees dat het aantal âechteâ museummensen anders in de minderheid zou zijn. 8
Eischen en plichten van een modern museum
De oprichtingsbijeenkomst vond plaats in een museum dat niet meer bestaat: het Archeologisch Museum Scheurleer aan de Carnegielaan 12 in Den Haag. Dat was niet toevallig, omdat de eigenaar van dit particuliere museum, C. W. Lunsingh Scheurleer, tot eerste voorzitter werd gekozen. Secretaris werd de