Skip to main content

Acco Uitgeverij - Inkijkexemplaar cursus

Page 1


Geschiedenis van Griekenland

Editie 2024-2025

Hoort er bij deze Acco-cursus een digitale component, dan vind je achteraan de code en werkwijze.

Wettelijk depot: D/2024/0543/322

ISBN: 9789033403897

© Copyright by Acco (Academische Coöperatieve Vennootschap cv), Leuven (België)

Het is verboden om deze uitgave of gedeelten ervan over te nemen of te kopiëren zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor aanvragen tot of informatie in verband met het overnemen en/of gebruik van gedeelten uit deze publicatie, neem je contact op met Acco Learn, Sluisstraat 10, 3000 Leuven (België) – tel. 016/62.80.00 - e-mail: accolearn@acco.be.

Literatuurlijsten, boeken, cursussen, digitale oefeningen en meer: www.acco.be

INHOUD

1. Inleiding ...................................................................................................................1

2. Het geografisch kader: Griekenland en omgeving 8

2.1. De omgeving ............................................................................................8

2.2. De Griekse wereld 10

2.3. ‘Buur’ Macedonië en de Macedonische kwestie…………………. ........14

2.4. Macedonië en de graven van Vergina 17

3. De oudste geschiedenis van Griekenland 21

3.1. Prehistorie, protohistorie en historie ........................................................22

3.2. Sporen van de Pre-Hellenen 25

3.3. De Minoïsche ‘paleis’beschaving ............................................................26

Egeïsche paleisbeschavingen

Vroege antecedenten van de Minoïsche ‘paleizen’

De proto-paleizen of eerste-paleizen periode

De nieuwe paleistijd

Verval en inval van de Grieken: de mono-palatiale periode

3.4. De komst van de Grieken 37

De Europese eenwording begon al in de oertijd

Het ontstaan van het Griekse volk en de Minyïsche keramiek

3.5. De Myceense paleisbeschaving, een eerste hoogtepunt van de Griekse beschaving 40

De hiërarchische piramide

De centra van de Myceense beschaving

De Vroegmyceense periode

De Myceense periode

3.6. Linea ir A en B op de kleitabletten 49

De evolutie naar een lineair schrift

Het Lineair B

3.7. Troje en de Trojaanse oorlog 53

3.8. De Egeïs en het oostelijke Middellands Zeegebied in beroering ............67

4. Het Archaïsch tijdvak, het ontstaan van de polis en de weg naar de democratie ....................................................................................69

4.1. De Dark ages. 70

4.2. De Voorklassieke periode. .......................................................................71

4.3. Het ontstaan van de polis. 74

4.4. Het orakel van Apollo en de Amphyctionie van Delphi. ........................80

Het orakel van Apollo

De Amphyctionie van Delphi

4.5. Uitvindingen en nieuwe sociale klassen. 86

Uitvindingen

Ontstaan van sociale klassen en de klassenstrijd

4.6. Een aristocrat ische polis in beeld: Sparta. 93

Een geïsoleerde ligging

Het heldentijdperk, het ontstaan van Sparta en de binnenlandse politiek

De buitenlandse politiek. Een verhaal van onderwerping

De volksklassen

De staatsinstellingen en een klassenstrijd in mineur

De Spartaanse beschaving en opvoeding

4.7. Een democratische burgerstaat in beeld: Athene. ....................................107

De ‘groot’stad Athene en de streek van Attica

De lange weg naar de democratie of een langdurige klassenstrijd

Hoe ziet de democratie er in Athene uit?

De Atheense agora, wieg van de democratie

4.8. De Griekse wereld in expansie. De Eerste en Tweede kolonisatie 131

Oorzaken van kolonisatie

De Eerste kolonisatie en de bloei van Ionië na de volks - verhuizingen (Klein-Azië)

De Tweede of Grote kolonisatie

Het einde van de kolonisatiebeweging

De betekenis van de kolonisatie

5. De geestelijke eenheid van het Griekse volk ........................................................139

5.1. Taal. 139

5.2. Panhelleense spelen. ................................................................................140

5.3. Godsdienst. 149

6. Het klassieke tijdvak Bloei en ondergang van de polis en de strijd om het leiderschap

6.1. De Perzische oorlogen. ............................................................................154

De groei van de Perzische macht

De Klein-Aziatische Grieken in opstand

De Perzen trekken op tegen Griekenland

6.2. Leiderschap van Athene. .........................................................................165

De toestand in Griekenland na de Perzische oorlogen

De oprichting van de Delisch-Attische Zeebond

Tegenstrijdige strekkingen in de Atheense politiek

De Dertigjarige vrede en het Pericleïsche Athene

De Atheense Acropolis na de Perzische oorlogen

6.3. De Peloponnesische oorlog. 173

Hoe het tot de oorlog kwam

De eerste fase: de Archidamische oorlog

De tweede fase: schijnvrede en indirecte oorlog

De derde fase: de val van het Atheense rijk

6.4. Politieke onmacht in de Griekse wereld (4de eeuw v.C.). ......................184

Het Spartaanse imperium

De Koningsvrede en de tweede Attische Zeebond

De suprematie van Thebe

6.5. Macedonië vult het machtsvacuüm. 188

Opkomst van Macedonië

Philippus verovert het leiderschap

7. Alexander en het hellenistische tijdperk 194

7.1. Alexander de Grote . 195

Zijn persoonlijkheid en plannen

Het epos van de verovering

De organisatie van het rijk

7.2. Van Alexander tot de Romeinen 204

Wat na Alexanders dood?

Begin van de strijd onder de Diadochen

Einde van de strijd onder de Diadochen

De tijd van de Epigonen

7.3. Het Hellenisme of de globalisering van de antieke wereld 206

Selectieve bibliografie

1. INLEIDING

‘De mens’ verscheen wellicht drie miljoen jaren geleden op onze aarde en op grond van recentere vondsten gaan sommigen zelfs tot zes miljoen jaren terug. Dit aanvankelijk zeer primitieve wezen dat zich pas honderdduizend jaren geleden wist op te werken tot de homo sapiens en zo tot onze directe voorouder, is het voorwerp van de ‘prehistorie’.

De ‘geschiedenis’ begint met ‘de schrijvende mens’, met het ogenblik waarop zich voor het eerst de vaardigheid van het schrift ontwikkelde. Dit gebeurde zowat vijfduizend jaren geleden in Mesopotamië en Egypte.

De geschiedenis wordt conventioneel ingedeeld in een aantal grote perioden:

Oudheid: ca. 3000 v.C. – 476 n.C.

Middeleeuwen: 476-1453

Nieuwe Tijd: 1453-1789

Nieuwste Tijd: 1789 -

Binnen het tijdperk van de Oudheid kunnen op hun beurt verschillende specialisaties onderscheiden worden. De beschavingen in Egypte en Mesopotamië, gekenmerkt onder meer door het schrift, zijn vroeger opgebloeid dan in het westen. Zo werden in het land van de Nijl reeds omstreeks 2500 v.C. de grote piramiden gebouwd.

De Europese component wordt vertegenwoordigd door de beschaving van de Grieken en van de Romeinen. Deze laatste twee beschavingspatronen, die de invloed hebben ondergaan van andere beschavingen en zelf aan de wieg stonden van de westerse cultuur en maatschappij, vormen het voorwerp van de colleges over de Geschiedenis van Griekenland en Rome. Hoe groot de interactie tussen de Griekse en de Romeinse geschiedenis ook geworden is, de eigenheid van beide beschavingen wordt best gerespecteerd, zowel om wetenschappelijke als om didactische redenen.

Geschiedenis omvat alle aspecten van het menselijk verleden. Zowel de politieke kaders als de militaire en diplomatieke gebeurtenissen, zowel de economische en sociale toestanden als het geestesleven, de religieuze verschijnselen en de materiële cultuur moeten in hun ontwikkeling en hun samenhang worden beschreven. Dit alles

kan onmogelijk worden gerealiseerd binnen het bestek van een beperkt aantal collegeuren. De cursussen over Griekenland en Rome in Fase 1 van de opleiding bieden brede overzichten. Voor heel wat deelaspecten van de Grieks -Romeinse beschaving kunnen de studenten een keuze maken uit de ruime waaier aan gespecialiseerde vakken die in de verschillende studiejaren aangeboden worden op Bachelor - en Masterniveau, zoals de colleges over Griekse en Romeinse archeologie en kunst, literatuur en godsdienst, over antieke wijsbegeerte, recht en mentaliteits geschiedenis.

De Griekse geschiedenis kan op verschillende wijzen worden ingedeeld. Een courante indeling die in meerdere handboeken wordt aangenomen, is de volgende:

De oudste geschiedenis van Griekenland: van de oorsprong tot ca. 1100 v.C. Blikvangers in deze vroege periode zijn de Egeïsche paleisbeschavingen: de Minoïsche cultuur (op Kreta) is een hoogtepunt van de Voorgriekse beschaving, terwijl de Myceense cultuur een eerste hoogtepunt is van de Grieks beschaving. Het Trojaanse oorlogsverhaal, een confrontatie tussen de Myceense koningen en het Trojaanse vorstenhuis, is het enige historische feit uit deze periode.

De archaïsche periode: ca. 1100 – 500 v.C.

Tot ontwikkeling komt nu de meest typische Griekse staatsvorm, met name de polis of stadstaat. Athene ontwikkelt zich tot een democratische stad, terwijl Sparta vastroest in een star, aristocratisch regime. Het grote aantal van de vrij zelfstandige stadstaten staat de eenheid van het Griekse volk niet in de weg.

Het meest in het oog springende gebeuren is de grote kolonisatie, de uitzwerming van de Griek en over het hele Middellandse Zeegebied, waarbij tientallen nieuwe stadstaten gesticht worden, voornamelijk in Zuid -Italië en op Sicilië en aan de kusten van de Zwarte Zee.

De klassieke periode: 500-336 v.C.

Dit is de periode van de bloei en het verval van de Griekse stadstaten. Zij worden geconfronteerd met een machtige vijand, het Perzische koninkrijk, dat hun vrijheid en zelfstandigheid bedreigt. Onder de leiding van Sparta en Athene slagen zij erin de aanvallen af te slaan, waarna echter de interne rivaliteiten volop hun rol gaan spelen. Athene neemt het voortouw en domineert met zijn militair bondgenootschap, de Delisch-Attische Zeebond, de politieke scène. Het werkt zich eveneens op tot de

culturele metropool van de Griekse wereld, terwijl ook zijn democratische bestuurlijke organisatie tot voorbeeld strekt. Met het ander machtsblok, Sparta en de Peloponnesische Bond, komt het tot een open oorlog, die Griekenland bijna dertig jaar lang zal verscheuren en Athene tot capitulatie zal dwingen.

Sparta neemt het leiderschap over, tot het op zijn beurt uitgedaagd wordt door Thebe, dat zijn hegemonie slechts gedurende korte tijd weet te handhaven. De verzwakking en interne verd eeldheid van Griekenland creëren ruimte voor de interventie van anderen. Philippus II van Macedonië zal voor een nieuwe orde zorgen door in 338 v.C. de Griekse staten te verslaan en onder Macedonische hegemonie te brengen.

De hellenistische periode: 336 -30 v.C.

Een totaal nieuwe orde wordt tot stand gebracht door de zoon van Philippus II, Alexander de Grote, die zijn vader opvolgt in 336 v.C. en diens tweede politieke ambitie realiseert, de oorlog tegen de Perzen. In minder dan tien jaren verovert Alexander het volledige Perzische koninkrijk, dat zich uitstrekte van de westkust van Klein-Azië tot aan de Indus, met inbegrip van Egypte in Noord -Afrika. Macedonië, Griekenland, Azië en Egypte vormen nu één reusachtig wereldrijk onder het gezag van Alexander.

De Griekse cultuur wordt uitgedragen tot aan de Indus en komt in permanente aanraking met de oosterse culturen. De voortijdige dood van de koning doet een machtsstrijd ontstaan tussen zijn generaals, met als gevolg dat het eenheidsrijk uiteenvalt in drie staten met nieuwe, Macedonische dynastieën: Mac edonië zelf, Azië (Syrië) en Egypte. Deze domineren de internationale verhoudingen. De traditionele Griekse stadstaten kunnen weliswaar hun onafhankelijkheid tot op zekere hoogte bewaren, maar zijn definitief vero ordeeld tot een tweederangsrol. De drie grote hellenistische koninkrijken zullen op hun beurt op een tegenstander stoten. Vanaf 200 v.C. verovert Rome praktisch de hele Grieks-hellenistische wereld.

De Griekse wereld in het Romeinse Keizerrijk: 30 v.C. – 395 n.C.

In 30 v.C. lijft Octavianus, de latere keizer Augustus, de laatste nog onafhankelijke hellenistische staat, Egypte, in het Imperium Romanum in. De Griekse gebieden zijn nu alle omgevormd tot Romeinse provincies. Het betekent het einde van de onafhankelijke Griekse politieke geschiedenis. Intussen is echter de Romeinse beschaving zo doordrongen geraakt van de Grieks -hellenistische cultuur dat, cultuurhistorisch gezien,

het hellenisme doorloopt tot nagenoeg het einde van deze periode en nog verpersoonlijkt wordt door keizer Iulianus (361-363 n.C.).

De Griekse wereld in het Byzantijnse Keizerrijk: 395 -1453 n.C.

Na de definitieve opsplitsing van het keizerrijk in een westelijk en een oostelijk gedeelte in 395 n.C. deelt de Griekse wereld in de lotgevallen van het Oost -Romeinse of Byzantijnse Keizerrijk. De hoofdstad Konstantinopel wordt in 1453 ingenomen door de Turken om vervolgens de hoofdstad te worden van het Osmaanse Rijk (Istanbul).

Deze cursus beschrijft de ontwikkelingen van omstreeks de oorsprong tot de hellenistische periode (tot 30 v.C.). Wat daarop volgt, maakt deel uit van de Romeinse en de Byzantijnse geschiedenis.

Dat wat conventioneel de geschiedenis van Griekenland genoemd wordt, bestrijkt een heel wat ruimer geografisch areaal dan alleen maar Griekenland. Het geografisch hart van de Griekse wereld wordt gevormd door de Egeïsche Zee met haar aanpalende territoria: Griekenland, de eilanden en de westkust van Klein -Azië. Door de kolonisatie, de veroveringen van Alexander de Grote en, niet te verwaarlozen, de culturele uitstraling, is geheel het Middellandse Zeegebied en is bovendien Azië tot aan de Indus domein geworden van Griekse geschiedenis.

Het Griekse millennium

“Het millennium van 500 v.C. tot 500 n.C. wordt gedomineerd door de Griekse cultuur. Gedurende nagenoeg 1000 jaar was het Grieks een wereldtaal, te vergelijken met het Engels nu, waarmee een gecultiveerde persoon zonder veel moeite van stad tot stad kon reizen, van Marseille tot Afghanistan: overal kon hij terecht met zijn kennis van de Griekse taal en overal kon hij zich thuis voelen dank zij de gemeenschappelijke Helleense cultuur.”

(naar W. Clarysse, ‘Het Griekse millennium: 500 v.C. tot 500 n.C.’, in Academiae Analecta. Nieuwe reeks 7, Brussel, 2001)

Wat kennen?

De cursief gedrukte paragrafen evenals de bibliografie zijn geen examenstof. De figuren opgenomen in deze cursus kan je kort situeren. De rest van de cursus tekst is examenstof. Op Toledo wordt tijdig aangegeven welke onderdelen mogelijk wegvallen, of verschijnen er eventuele addenda bij deze cursustekst Op Toledo vind je ook de bijhorende powerpoint-presentaties.

De Acropolis, Athene (© K.Vandorpe)

Griekse en andere mythen over het ontstaan van de wereld

Zie L’origine des mythes. Pourquoi l’humanité partage les mêmes histoires , in Les Cahiers de Science & Vie, 147 (aug. 2014), 96p.

1. Egypte: de hemelgodin Noet, die zich over de aarde buigt; 2. Griekenland: de gigantomachie (Pergamonaltaar); 3. Mayacultuur: god van de hemel en god van water ‘boetseren’ samen mensen om goden te eren en blazen leven in dieren & planten

(1: Wikimedia Commons, author: Hans Bernhard, https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Goddess_Nut_1.JPG; 2: author: Wolfgang Sauber, https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Pergamon-Altar_ -_Moira_Giganten_2.jpg; 3. uit: L’origine des mythes , p. 34)

1 Mythes en de supercontinenten Gondwana & Laurasia

(uit: L’origine des mythes , p. 41)

Laurasia: vaak terugkerende elementen

• Schepping wereld & scheiding hemel-aarde (⟺ Gondwana)

• Enkele generaties van goden (met o.a. de gigantomachie)

• Creatie van de mensen door de goden

• Hoogmoed van mensen ⟹ straf

• Nieuwe start

• Ondergang van de wereld (⟺ Gondwana)

Voorbeeld: Griekse wereld

• Chaos, Eros en Gaia-aarde scheppen: hemel & zee & andere goden & vijf

mensenrassen:

• Gouden ras

• Zilveren ras

• Bronzen ras

• Helden ras

• Ijzeren ras: Prometheus steelt vuur van goden ⟹ straf: vrouw Pandora

Meer info in de ppt op Toledo

2. HET GEOGRAFISCH KADER: GRIEKENLAND EN OMGEVING

2.1. DE OMGEVING

Griekenland is de zuidelijkste uitloper van het Balkanschiereiland en ligt in het centrum van de oostelijke helft van de Middellandse Zee. Van Italië is het gescheiden door de Ionische Zee (verwijst naar de mythische Io), van Kreta door de Cretische Zee , tussen het vasteland en het vroegere Klein -Azië (het huidige Turkije) ligt de Egeïsche Zee . Deze laatste benaming verwijst naar de Atheense koning Aegeus, vader van Theseus, die in deze zee sprong om er de dood te vinden (zie verder). De term Egeïs wordt vaak gebruikt in de geschiedenis van het oude Griekenland en verwijst naar het gebied waar de Griekse cultuur lange tijd het meest verspreid was, nl. Griekenland, het westen van het huidige Turkije evenals de ertussen liggende Egeïsche Zee en al haar eilanden (zie verder 4.8, de Eerste kolonisatie) De termen Klein - Azië ( Asia Minor ) en Anatolië verwijzen naar een gebied dat grotendeels samenvalt met het huidige Turkije, op de oostelijke regio's na.

De noordgrens van het oude Griekenland werd gevormd door een reeks ontoegankelijke bergmassieven met weinig passen. De grens liep van de Acroceraunische bergen (ten noorden van het eiland Corcyra) in het westen tot de Olympusberg (met zijn 2.917 meter de hoogste top van Griekenland) in het oosten. Ten noorden van deze grens woonden de Macedoniërs , die misschien een met het Grieks verwant dialect spraken en waarmee de Grieken nog een zekere verwantschap bleven voelen, evenals de Illyriërs en, meer naar het oosten, de Thraciërs , die zij als “barbaren” beschouwden. De kusten van die landstreken werden pas intensief bereisd ten tijde van de Tweede of Grote kolonisatie. Het moderne Griekenland incorporeert een groot deel van het oude Macedonië in wat vandaag de provincie Macedonië heet, met als metropool Griekenlands tweede grootste stad Thessaloniki.

Het westen is in het begin nog weinig aantrekkelijk. Later (vanaf ca. 750 v.C.) zullen de Grieken Zuid-Italië (= Groot - Griekenland of Magna Graecia ) en Sicilië koloniseren en zelfs tot het uiterste westen van de Middellandse Zee doordringen (zie verder 4.8, de Tweede of Grote kolonisatie).

Europa en Azië

De benamingen Europa en Azië zouden teruggaan op de Fenicische stammen Eureb , “zonsondergang”, en Asu , “zonsopgang”. De Feniciërs waren in de Oudheid een succesvol zeevaardersvolk, met als uitvalsbasis het huidige Libanon. Tijdens hun vaart ging de zon voor hen onder in (Noord-)Griekenland, dat wellicht de naam Europa meekreeg, en ging de zon op in West-Turkije, dat Azië werd genoemd. In een later stadium werden de benamingen Europa en Azië voor grotere gebieden gehanteerd. In de vijfde eeuw v.C. kende men al de werelddelen Azië (met inbegrip van Egypte), Europa en Libië (kusten van Afrika, zonder Egypte).

“Europa is een vrouw”

Al in de Oudheid wordt Europa in verband gebracht met de Fenicische prinses Europa. Zij werd door Zeus geschaakt en naar Kreta gebracht, waar zij moeder werd van de latere “koning” Minos. Zij staat symbool voor de cultuur die van Oost naar West werd overgebracht. Zo is onder meer het alfabet afkomstig van de Feniciërs.

“Toen Zeus Phoenix' dochter Europa zag die samen met nimfen op een weide bloemen aan het plukken was, werd hij verliefd: hij daalde neer, veranderde zich in een stier en uit zijn mond ademde hij krokusgeur. Zo verleidde hij Europa, tilde haar op, bracht haar over naar Kreta en verenigde zich met haar. Dan gaf hij haar ten huwelijk aan Asterion, de koning van Kreta. Zij was zwanger en baarde drie kinderen: Minos, Sarpedon en Rhadamanthys.” (naar een Alexandrijns scholion bij de Ilias 12.292, zie J. De Bie, ‘Europa is een vrouw’, in Hermeneus 64 (1992), pp. 301-314).

Rik Poot (1924-2006), De ontvoering van Europa, Leuven (© K.Vandorpe)

Wereldbeeld van de Griekse geschiedschrijver Herodotus, ca. 450 v.C. (uit: P.H. Gommers, Europe - What's in a name, Leuven, 2001, p. 32)

2.2.

DE GRIEKSE WERELD

De oudste Griekse dichters noemden de bevolking de ‘ Achaeërs’ . Daarna kwam de naam ‘Hellenen’ (en ‘Hellas’ , nog steeds de moderne naam van Griekenland) in gebruik. De Hellenen vormden oorspronkelijk een Griekse stam in MiddenGriekenland, in de streek Achaea Phthiotis, ten zuiden van Thessalië.

De term ‘Grieken’ is dan weer afgeleid van de naam van de Griekse stam van de Graii . De antieke stad Graia werd ten noordoosten van Athene ontdekt. De bewoners koloniseerden al in de 8ste eeuw v.C. het gebied rond Napels, met als gevolg dat de Hellenen in het Westen bekend raakten onder de Latijnse naam ‘ Graeci’

Griekenland onderscheidt zich van de andere twee mediterrane schiereilanden, het Iberische en het Italische, door een aantal karakteristieken die mee het historisch gebeuren hebben beïnvloed.

Het land is zeer bergachtig, met talrijke ingesloten dalen, wat het particularisme in de hand werkte. Nooit hebben er grote verbindingswegen bestaan, zoals bv. in het Perzische of het Romeinse Rijk. De vestiging van een centrale macht wordt praktisch onmogelijk gemaakt omwille van de bergen. De vorming van kleine politieke entiteiten rond een citadel (acropolis) met de huizen aan de voet ervan lag als het ware voor de hand. Anderzijds is het land moeilijk toegankelijk voor vreemde invallers: de bezetting van enkele posities volstaat om elke inval tegen te houden (zie in het bijzonder: de Perzische oorlogen).

Griekenland was in de Oudheid meer bebost dan nu. Door het veelvuldig gebruik van hout voor de verwarming, de woningbouw, de scheepsbouw, ging het ontbossingproces in sommige gebieden steeds verder. Athene was voor de noden van zijn scheepsbouw aangewezen op invoer van hout uit Macedonië.

De rivieren zijn bergstromen met een zeer ongelijk debiet, vooral omdat er 's zomers veel minder regen valt dan in de winter: de meeste drogen 's zomers uit, het gras verschroeit en veeteelt op grote schaal is niet mogelijk. Bronnen en putten zijn schaars: daardoor zal de bevolking zich gemakkelijker op sommige punten concentreren. De weinige rivieren die het hele jaar door water hadden, waren bijna alle onbevaarbaar.

De rotsachtige bodem bood weinig mogelijkheden voor de landbouw. De landbouwgrond, die slechts één vijfde van de totale oppervlakte bestreek, werd bijna uitsluitend aangetroffen in de valleien. Ook de weidegrond was schaars en eerder

geschikt voor kleinvee (geiten, schapen) dan voor runderen en paarden. Het voedingsprobleem bij overbevolking bracht de economische zelfstandigheid in het gedrang en was mede oorzaak van de kolonisatie.

Het oude Griekenland is onderverdeeld in landstreken, zoals Arcadië, Laconië, Attica, etc. (zie de atlas). Bepaalde van deze toponiemen leven nog verder in de moderne namen van de Griekse provincies en districten , zoals de huidige provincie

Thessalia

De landbouwproducten

De belangrijkste producten waren naast graan (dat in de meeste streken de concurrentie niet kon aangaan met het goedkope graan uit andere streken en gedeeltelijk werd ingevoerd):

• Wijn Het Neolithicum bood de nodige randvoorwaarden om de tamme wijnstok ( vitis vinifera sativa) te ontwikkelen. Wijn zou de meest voorkomende vorm van alcohol in de oudheid worden, maar zou nooit zijn associatie met goden en aristocratische kringen verliezen. De vroegste wijn werd gedronken in de hooglanden van het Oude Nabije Oosten: in Transkaukasië, op de uitlopers van het Zagros -gebergte ten oosten van de rivieren de Tigris en de Eufraat, en op de plateaus van het Taurusgebergte in het oosten van Turkije. Van daaruit verspreidde de wijnbouw zich naar het zuiden van Mesopotami ë en Egypte rond 3500-3000 v.C. en was tot de Griekse wereld doorgedrongen in Mycee nse tijden, ca. 1700-1200 v.C. (nl. via Minoïsch Kreta , waar de systematische wijnproductie is begonnen in de eerste paleizen-periode, ca. 1925 v.C.). De geografische expansie van de wijnbouw in de Griekse archaïsche, klassieke en hellenistische periode kwam overeen met de verspreiding van de Griekse cultuur. Sommige variëteiten (bv. van de eilanden Chius, Lesbus, Thasus) werden uitgevoerd. In de archaïsche periode (ca. 1100-500 v.C.) was wijnbouw wijdverbreid in het oostelijke Middellandse Zeegebied. In de epische verhalen van Homerus (ca. 800 v.C.) wordt een wijngaard “zwaar van de trossen zwarte druiven, prachtig, van goud” beschreven op het beroemde schild van Achilles ( Ilias 18.561-572). Aristoteles' leerling Theophrastus (ca. 371-287 v.C.) geeft voor het eerst een overzicht van het wijnbouwproces in de Griekse wereld Volgens Plinius de Oudere (AD 23-79; Naturalis Historia 17.199) leverden de wijnstokken die langs bomen groeiden, de beste wijnen. Wijnbouw was/is vrij arbeidsintensief.

Wijnoogst, Egyptisch Thebe, 1500 v.C. (uit: C. Singer et al. A History of Technology , 1954, Fig. 185)

▪ Olijven. Olijven werden zowel voor de voeding, de verlichting als de lichaamsverzorging aangewend. De olijfolie uit Attica had een goede reputatie. Deze olijventeelt was een kwetsbare plek, omdat de olijfboom slechts na vele jaren een maximumrendement bereikt: de vele invallen van vreemde legers die Attica heeft gekend, brachten dan ook aanzienlijke schade toe aan deze tak van de landbouw.

Olijvenoogst, Attica, ca. 520 v. C., British Museum 1837,0609.42 (Wikimedia Commons, PD)

Overal is de zee gemakkelijk bereikbaar. Vooral de Oostkust is diep ingesneden en bezet met havens en haventjes, in het bijzonder de Saronische golf. Aldus waren de Grieken meer afgestemd op het oosten terwijl Italië meer westwaarts was georiënteerd. Reeds t.t.v. de antieke dichter Homerus (ca. 800 v.C.) is de zee de grote verbindingsweg: hij spreekt over ‘de vochtige wegen ’ (bv. Ilias 1.312). Van op iedere Griekse berg is de zee te zien en op de Egeïsche zee heeft men overal land in het zicht. De zeevaarder kon zich dan ook zonder navigatiemiddelen als kompas en kaarten oriënteren. De eilanden van de Egeïsche zee liggen verspreid, als stenen in een riviertje, van de Griekse kust tot de kust van Klein -Azië: een overtocht is als een reeks overtochten met een veerpont. De Grieken noemen de zee ‘pontos’, verwant aan het Latijnse ‘pons’, ‘brug’ (zie ook het Franse woord) .

De zee zorgde voor de eenheid in de Egeïsche wereld op cultureel gebied. Het belang van de zee zal verder nog blijken bij de studie van de kolonisatie en het economische leven in het algemeen. Het klimaat is zacht: de mensen leven meestal buiten en hebben weinig behoefte aan opgesmukte huizen. Volksvergaderingen en gerechtshoven kwamen te Athene bijeen onder de blote hemel. Het zonlicht in deze streken is helder en de lucht is droog. In de literatuur komt een

De stoa van Attalus (II), Atheense agora (foto K.Vandorpe)

gepassioneerde liefde voor het zonlicht tot uiting. De mensen zochten wel verkoeling in de vele stoa's.

Al rond 700 v.C. liet de Griekse dichter Hesiodus zich lyrisch uit over de warme Griekse zomers: Wanneer de distel bloeit, de schreeuwende cicade gezeten in een boom verspreidt zijn schrille lied, aanhoudend, met zijn vleugels, als de hitte afmat –in die tijd zijn de geiten 't vetst, de wijn het best, de vrouwen 't vurigst, maar – pas op – de mannen 't zwakst, want Sirius doet hoofd en knieën hun verdrogen, hun lichaam schrompelt door de hitte. Dan wens ik je een schaduwplekje bij de rotsen, wijn uit Biblos, een brood van gerstemeel met meel gekneed en melk van geiten die geen jongen zogen en het vlees van runderen in het bos geweid, nog zonder kalveren, en ook van eerstgeboren bokjes; drink erbij de fonkelende wijn, gezeten in de schaduw, in 't hart verzadigd van het voedsel, je gezicht recht naar de frisse bries van Zephyrus gericht. (Hesiodus, leerdicht Werken en Dagen, verzen 582-594; vertaling: W. Kassies 20022)

Vandaag wordt het grillige Griekse landschap alom bewonderd. Sinds de romantiek krijgt de natuur steeds meer menselijke gevoelens toegedicht. Maar de schoonheid van het Griekse landschap werd door de antieke schrijvers niet expliciet geprezen. Zij ervaarden het landschap anders; hun visie was religieus getint: zij zagen overal goden in het landschap en brachten opvallende natuurelementen steeds in verband met de godenwereld. Zo werd de Olympusberg, met de hoogste top van het land en altijd in nevel gehuld ( zie foto (© K.Vandorpe)), gepromoveerd tot de woonplaats van de goden. De opvallende Atheense acropolis is de plaats waar Athena en Poseidon streden voor het bezit van de stad.

2.3. ‘BUUR’ MACEDONIË EN DE MACEDONISCHE KWESTIE

We staan even stil bij een belangrijke buur van het oude Griekenland: het oude Macedonië was een aparte staat, volledig gescheiden van het oude Griekenland. De grens ligt dichtbij de meest bekende Olympusberg, de hoogste berg van Griekenland (2.917m) (de naam Olympus werd gebruikt voor vele bergen in Griekenland). Aan de voet van de berg ligt de stad Dion, de ‘stad van Zeus’, die je als de religieuze hoofdstad van Macedonië kan beschouwen. De eigenlijke hoofdstad van Macedonië was tot ca. 400 v.C. Aegae, daarna Pella.

Het oude Macedonia is gesticht door Perdicc as I in de 1ste helft van de 7de eeuw v.C. en nam zijn defin itieve vorm aan in de 5de eeuw v.C. onder Alexander I, een voorvader van Alexander de Grote.

Het is belangrijk het oude Macedonië te onderscheiden van wat Macedonia vandaag de dag is. Deze vergelijking laat ons toe om in te pikken op gebeurtenissen van de jaren 1990, de zogenaamde Macedonische kwestie.

Het huidige Macedonia is 1. in eerste instantie een geografisch gebied op de Balkan: het zuidelijk deel (= dat gebied komt grotendeels overeen met het oude Macedonië) behoort tot het moderne Griekenland, het noordoostelijk deel tot Bulgarije en het noordwestelijk deel tot het vroegere Joegoslavië.

2. De meest noordelijke provincie van het huidige Griekenland heet eveneens Macedonia, met als hoofdstad Thessaloniki.

3. Het meest zuidelijke deel van het vroegere Joegoslavië is een zelfstandige republiek geworden (met als hoofdstad Skopje). Het wou in 1991 internationale erkenning krijgen en wou zich hierbij de Republiek van Macedonia noemen.

Griekenland protesteerde heel heftig tegen het gebruik van de naam Macedonia voor de republiek van Skopje. De Grieken zelf noemen de nie uwe staat: de ‘Former Yugoslav Republic of Macedonia’ of FYROM. De Grieken verdachten het nieuwe Macedonia er namelijk van dat het de Griekse provincie Macedonia op termijn wou veroveren om uiteindelijk één groot Macedonia te vormen. Voorheen al had Tito gesproken over een groot Macedonia, dat o.a. ook de Griekse provincie Macedonia zou omvatten; als hij Grieks Macedonia had kunnen inlijven bij Joegoslavië, dan had hij een directe

doorgang naar de Egeïsche zee.

Volgens de Grieken heeft de republiek niet het recht om zich Macedonia te noemen.

▪ Het is inderdaad zo dat de kern van het oude Macedonia (met de r eligieuze en politieke hoofdsteden: Dion, Aegae (huidige Vergina) en Pella ) grotendeels samenvalt met wat nu de Griekse provincie Macedonia is. Het is enkel het meest zuidelijke deel van de republiek van Skopje dat tot het oude Macedonia behoorde. Het grootste deel valt dus samen met Grieks Macedonia en nog een klein deel ligt nu in het zuidwesten van Bulgarije.

▪ Ook de graven met de familieleden van Alexander de Grote (zie verder) bevinden zich op Grieks grondgebied.

▪ Volgens een aantal specialisten, weliswaar vaak Griekse specialisten, zou het Oudmacedonisch een Dorisch (dus Grieks) dialect zijn en ze halen daar ook bewijzen voor aan. Er zijn wel nog maar heel weinig opschiften uit het oude Macedonië gepubliceerd.

▪ NB: de Grieken hebben – als een duidelijk signaal - in 2009 Alexander de Grote verkozen tot grootste Griek.

De inwoners van de republiek van Skopje van hun kant beweren dat de oude Macedoniërs (de stam van de ‘Makednoi’) geen Grieken waren en dat het Macedonisch geen Grieks dialect was.

De waarheid ligt wellicht ergens tussenin. De Macedoniërs zijn waarschijnlijk in oorsprong een Griekse stam, verwant met de Griekse stam van de Doriërs; overblijfselen van taal, politieke inrichting, go dsdienst, zeden wijzen mogelijk in deze richting. Maar beïnvloed door en versmolten met de plaatselijke bevolking (Illyriërs en Thraciërs) leefden ze afgesloten van de overige Grieken, die hen min of meer als barbaren beschouwden, en ontwikkelden een eigen cultuurgoed. Ze kenden de polis met haar geschreven wetten niet en hadden geen deel aan de cultuurgoederen die de zedelijke eenheid van het Griekse volk vormden. De Macedonische taal vertoont een zekere verwantschap met het Grieks, maar het blijft onduidelijk of het om een Grieks dialect gaat of niet.

Sinds het einde van de 5de eeuw v.C. interesseerden de Macedonische vorsten zich voor de Griekse cultuur en gingen zich zelfs als Grieken beschouwen: ze werden door Grieken opgevoed (Alexander had Aristoteles als leraar), spraken Grieks, namen deel aan de Olympische spelen, … In de 4de eeuw v.C. mengden ze zich soms in de

zaken van de nabijgelegen Griekse regio Thessalië en uiteindelijk kreeg Philippus II, vader van Alexander de Grote, zelfs de controle over Griekenland.

Er zijn dus duidelijk aanwijsbare banden tussen oude Grieken en oude Macedoniërs, maar of we zo ver mogen gaan om hen als een ‘Griekse stam’ te beschouwen, valt sterk te betwijfelen.

Hoe is het probleem van de naamgeving geëvolueerd? De nieuwe republiek noemde zich aanvankelijk officieel de Republiek van Macedonia, de Grieken gebruik ten de naam FYROM. Elders is een tijdlang met de steun van bondgenoten van Griekenland de naam FYROM naar voren geschoven, maar in de praktijk sprak men steeds meer van ‘(de Republiek van) Macedonië’ of van ‘(FYR) Macedonië’. Griekenland heeft, aanvankelijk zonder succes, in 2010 een nieuw voorstel gelanceerd: ‘ Republic of North Macedonia’ Dit voorstel werd op 16 juni 2018 opnieuw gelanceerd door de premiers van Griekenland en van de Republiek van Macedonië, nl. Tsipras (die eerst een motie van wantrouwen moest overwinnen) en Zaev, en werd kort daarna door de parlementen van beide landen goedgekeurd. De nieuwe republiek heet dus voortaan NoordMacedonië en kan nu de EU -toetredingsonderhandelingen voortzetten zonder protest van de Grieken. Zo is er een einde gekomen aan de al 27 jaar aanslepende ruzie over de naam.

Kaart 1. Het oude Macedonië.

Kaart 2. FYR Macedonië. Na de Tweede Wereldoorlog werd Joegoslavië een communistisch land op federale basis (met zes deelrepublieken, o.a. Servië en Macedonië) onder de leiding van Tito. Onder de Servische president Slobodan Milosevic breekt de republiek Slovenië het eerst los (zomer 1991), gevolgd door Kroatië, waartegen de Servische minderheid van deze republiek in opstand komt. De oorlog die daarop volgt, slaat over op BosniëHerzegovina. Deelrepubliek Macedonië scheurt zich eveneens af en wil in 1991 internationale erkenning krijgen. In april 1992 wordt het nieuwe Joegoslavië opgericht (met de republieken Servië en Montenegro), met later problemen in Kosovo (provincie in Servië).

2.4. MACEDONIË EN DE GRAVEN VAN VERGINA

In de hele discussie rond wie er aanspraak kon maken op de naam ‘Macedonia’, spelen de graven van Vergina een belangrijke rol. Het moderne Vergina ligt in de Griekse provincie Macedonië en is waarschijnlijk te identificeren met Aegae, de hoofdstad van het oude Macedonië tot ca. 400 v.C.; na 400 v.C. werden er nog steeds koningen begraven. In 336 v.C. liet Philippus ter ere van het huwelijk van zijn dochter Cleopatra [niet te verwarren met zijn echtgenote Cleopatra ] spelen organiseren, maar hij werd in het theater van Aegae vermoord (wellicht door toedoen van zijn ex -vrouw Olympias, die daarna Philippus' kersverse echtgenote Cleopatra en haar kind Europe liet ombrengen). Alexander liet zijn vader cremeren en begraven en had de intentie later een enorme piramide op het graf te bouwen. Zover zou het niet komen.

In 1977 werd in Vergina een van de meest opzienbare vondsten van de eeuw gedaan. M. Andronikos ontdekte er onder een reusachtige grafheuvel (diameter van 110m, hoogte van 15m) drie monumentale graven: het zogenaamde graf van ‘Philippus II’, dat van ‘Persephone’ en dat van ‘de prins’. Als het graf van de grote Philippus II, na zijn zoon Alexander de Grote de belangrijkste vertegenwoordiger van het oude Macedonische koningshuis, op modern Grieks grondgebied werd aangetroffen, dan was dat een duidelijk bewijs dat enkel Griekenland aanspraak kon maken op de naam Macedonië.

Maar gaat het wel om het graf van Philippus II? Hier volgt een beschrijving van de graven die door Andronikos ontdekt werden. Graf I heeft de eenvoudigste constructie.

Het is een rechthoekige ruimte met een plat dak en zonder deur. De begrafenis vond plaats langs het dak. Graven II en III hebben een meer geavanceerde constructie met ee n tongewelf en een toegangsdeur en hebben twee kamers, een hoofdkamer en een voorkamer. Ieder graf werd na zijn constructie bedekt met een eigen kleine grafheuvel.

Na de constructie van Graf III werden de drie graven bedekt met een gemeenschappelijke grafheuvel. In de grote grafheuvel trof men een groot aantal steles aan die afkomstig waren van andere graven en als opvulmateriaal dienst moesten doen.

▪ Graf I, het ‘graf van Persephone‘, had prachtige wandschilderingen, zoa ls de schaking van Persephone (= Kore) door Pluto (= Hades). Het graf werd volledig leeggeroofd, op, onder meer, een aantal beenderen na (van een vrouw van ca. 25 jaar, van een pasgeboren baby en van een grote man (mogelijk een grafrover)) =

graf van ?Cleopatra, laatste vrouw van Philippus II, en hun dochter Europe. Probleem: de lichamen waren niet gecremeerd, in tegenstelling tot wat de antieke bronnen hierover berichten

▪ Graf II (zie kleine figuur) is het meest beroemde graf, met een marmeren deur, een voorkamer met een marmeren sarcofaag die een gouden kist of larnax bevatte, en een hoofdkamer, eveneens met een sarcofaag en gouden kist of larnax. Op het deksel van de gouden kisten staat een zestienpuntige Macedonische ster afgebeeld, het embleem van het Koningshuis (zie grote figuur). In beide kisten werden beenderen teruggevonden, gehuld in een purperen doek. Het gaat om een man van 40 à 50 jaar oud (dode uit de hoofdkamer) en een vrouw van 20 à 30 jaar oud (dode uit de voorkamer). Daarnaast trof men een schild aan in een toestand van ontbinding en verschillende paren beenplaten. Bij één ervan (zie figuur volgende pagina) is de linker beenplaat 3,5 cm korter dan het rechter exemplaar. We weten dat Philippus II kreupel was nadat hij door een speer in zijn dij verwond was, en dat hij nog een andere wonde had opgelopen aan het scheenbeen. Vandaar de suggestie dat het hier om het graf van Philippus II zou gaan. Wel ging het om verwondingen aan zijn rechterbeen. Een reconstructie van de schedel van de dode man van Graf II toonde aanvankelijk aan dat hij een litteken had boven het rechteroog; we weten dat Philippus II zijn rechteroog verloor toen hij door een pijl getroffen werd, opnieuw een argument om Graf II aan Philippus II toe te kennen. Maar meerdere onderzoekers betwijfelen of er wel degelijk een litteken te zien is aan het rechteroog van de dode man van Graf II. In het graf werden ten slotte nog een aantal heel fijn uitgewerkte ivoren hoofdjes van enkele centimeters groot teruggevonden, mogelijk afbeeldingen van Alexander, van zijn vader (zie figuren volgende pagina) en van zijn moeder. De

beeldjes maakten wellicht deel uit van het meubilair.

▪ In Graf III werd een zilveren urne met een gouden krans ontdekt, met de beenderen van een jongeman van 12 à 16 jaar, wellicht Alexander IV, zoon (°323 v.C.) van Alexander de Grote en Roxane. Omdat hij aanspraak kon maken op de troon van zijn vader, werd de jonge Alexander vergiftigd door toedoen van generaal Cassander, die de troon voor zichzelf opeiste.

▪ Er is nog een Graf IV gevonden, dat zich niet onder de grote grafheuvel bevond. Het behoort met grote zekerheid toe aan Eurydice, moeder van Philippus II. Nieuw onderzoek (Science 288, april 2000 ) toonde aan dat de man van Graf II eerst enkele maanden begraven was vooraleer hij gecremeerd werd en een definitieve begraving kreeg. Deze vaststelling en andere argumenten we zen eerder in de richting van Philippus III, een halfbroer van Alexander de Grote. Dit zou een anticlimax zijn: Graf II blijkt niet toe te behoren aan een illustere vertegenwoordiger van het Macedonische koningshuis, maar aan diens zwakzinnige zoon.

Ook de resultaten van het Science-artikel worden nu in vraag gesteld en bekende onderzoekers zoals Ian Worthington (2008) pleiten opnieuw voor Philippus II als eigenaar van Graf II.

Vorige pagina, kleine foto: Graf II (uit: M. Andronicos, Vergina. The royal tombs , Athene, 1984, pp. 98-99); grote foto: larnax van Philippus II (Wikimedia Commons, PD).

Deze pagina, foto links: beenplaten van verschillende lengte (Andronicos 1984, p. 187); foto midden: ivoren beeldje van Philippus II (Andronicos 1984, p. 127); foto rechts: ivoren beeldje van Alexander (Andronicos 1984, p. 128)

Amyntas III x Eurydice

Philippus II x Olympias x Philinna x Cleopatra

Alexander III de Grote

Philippus III

Alexander IV Herakles

Europe

In 2008 en 2009 zijn nieuwe graven ontdekt in Vergina, die als een nieuw mysterie worden voorgesteld. Het gaat om graven van leden van het hof, die vreemd genoeg aangelegd zijn onder de agora, het hart van de stad. De urnen werden simpelweg in de aarde begraven en niet in een graftombe. De sporen wijzen in de richting van Herakles, een (bastaard)zoon (°327 v.C.) van Alexander, en zijn moeder Barsina, een Perzische prinses en minnares van Alexander, die, na het huwelijk van Alexander met Roxane, de koning heeft verlaten en met haar zoon in Pergamon is gaan wonen. Moeder en zoon werden vergiftigd door toedoen van generaal Cassander , omdat Herak les aanspraak kon maken op de troon van zijn vader.

Uit vrees dat Herakles, zoon van Alexander, bijna 14 jaar oud, in aanmerking zou komen voor de troon van Macedonia onder invloed van zijn vaders naam, beval Cassander in het geheim om hem te doden, samen met zijn moeder Barsina, en dat hun lichamen privé in de aarde zouden begraven worden uit vrees dat de moord zou verraden worden bij een normale begrafenis.

(Naar Justinus, Epitome van Pompeius Trogus, 15.2)

Uit haat vernietigde Cassander de hele familie van Alexander tot het bittere einde. Olympias gaf hij over aan de moegetergde Macedoniërs, die haar stenigden; en de zonen van Alexander (Herak les bij Barsina en Alexander (IV) bij Roxane ), liet hij vergiftigen. (Naar Pausanias 9.7)

Generaal Cassander, die de moorden liet plegen in de periode 311 -309 v.C., werd uiteindelijk koning van Macedonië in 306, maar stierf een kleine tien jaar later door waterzucht.

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Acco Uitgeverij - Inkijkexemplaar cursus by Uitgeverij Acco - Issuu