INHOUD
Deel I. 1 2 3
Inleiding
11
Voorwoord Een extra raam Verantwoording
13 17 19
Deel II. Journalistieke radio- en tv-teksten
21
1
23 25 26 29 29 30 30 31 33 39 40 40 43 47 47 50 50 53 55 60 61 63 63 64
2
Uitgangspunten 1.1 Programma en taal 1.2 Begrijpelijkheid en toegankelijkheid 1.2.1 Vertel genoeg, maar niet te veel 1.2.2 Redundante informatie stoort zelden 1.2.3 De interesse primeert 1.2.4 Vertaal het nieuws 1.3 Leesbaarheid 1.4 Nieuwsselectie 1.5 Taal 1.5.1 Partijdige taal 1.5.2 Gevoelige taal 1.5.3 Correcte taal 1.5.4 Hoera-stijl 1.6 Radio- en tv-taal als norm Opbouw 2.1 Structuur: de omgekeerde piramide 2.2 Structuur: de modelmethode 2.3 Structuur: first things first 2.4 Structuur: ugly animal 2.4.1 Lelijk hoofd 2.4.2 Lelijk lijf 2.4.3 Lelijke staart 2.5 Bronvermelding
6
3
4
INHOUD
2.5.6 Be good and tell it 2.6 Denkend schrijven 2.7 Schrijven in spreektaal 2.8 Schrijven in luistertaal 2.9 Schrijven in leestaal De Zinnen 3.1 De eerste zin(nen) 3.1.1 Nieuws en relevantie 3.1.2 Vertrekken vanuit het heden 3.1.3 Opvallen en aanspreken 3.1.4 Primair nieuwsfeit 3.2 Het links-rechtsprincipe 3.2.1 Vooropplaatsing 3.2.2 Eindfocus 3.2.3 Vooropplaatsing van plaatsnaam 3.2.4 Volgende zin aanhaken 3.3 Korte zinnen/lange zinnen 3.4 Overbelaste zinnen 3.5 Tangen en wiggen 3.5.1 Tangen vermijden 3.5.2 Tangen gebruiken 3.6 Actieve versus passieve vorm 3.6.1 Passief vermijden 3.6.2 Passief gebruiken 3.6.2.1 De ontvanger voorbereiden 3.6.2.2 Het passieve karakter is net van belang of inherent aan de situatie 3.6.2.3 Passief onderwerp of de handeling benadrukken 3.6.2.4 Zinnen afslanken 3.6.2.5 Misverstanden vermijden 3.7 Directe en indirecte rede 3.8 Genominaliseerde zinnen 3.8.1 Nominalisaties vermijden 3.8.2 Nominalisaties gebruiken 3.9 Positieve zinnen 3.10 ClichĂŠzinnen 3.11 Beeldspraak De woorden 4.1 Moeilijke woorden 4.2 Lange woorden 4.3 Schrijftalige woorden
67 68 77 82 83 88 88 88 89 92 94 95 95 98 100 101 103 105 107 108 111 113 114 115 115 116 117 118 119 120 122 122 125 127 128 130 132 132 135 136
INHOUD
7
4.4 Overtollige woorden 4.5 Loze woorden 4.6 Concrete woorden 4.6.1 Vaagmakers 4.6.2 Passe-partoutwerkwoorden 4.7 Vaktermen – jargon 4.8 Ontleende woorden 4.9 Vertaalde woorden 4.10 Synoniemen 4.11 Namen noemen 4.12 Getallen 4.13 Afkortingen en letterwoorden
137 142 144 147 147 150 154 156 160 163 165 170
Deel II. Journalistieke radioteksten
175
1
2
Auditief medium 1.1 Snel en direct 1.2 Beeldend 1.3 One-to-one 1.4 Vluchtig Radionieuwsteksten 2.1 Radiokoppen 2.2 Intro en lead 2.2.1 Citaat lead 2.2.2 Summary lead 2.3 Parapluteksten 2.4 Spanningscurve en oprolbaarheid 2.5 Commentaartekst 2.6 Inleiden van interviews 2.6.1 Intro met vraag en antwoord 2.6.2 Stem op stem 2.6.3 Parafrase 2.6.4 Stelling 2.7 Bindteksten 2.7.1 Verhelderen en samenvatten 2.7.2 Een nieuwe start 2.7.3 De koninklijke weg 2.8 Kort nieuws
177 177 179 180 184 185 186 187 191 192 195 196 197 199 199 202 203 205 206 206 207 208 209
8
3
4
INHOUD
Teksten voor nieuwsshows en magazines 3.1 Tekstverpersoonlijking 3.2 Verrassen en verbazen 3.2.1 Astonisher lead 3.2.2 Fear lead 3.3 Persoonlijk aanspreken 3.3.1 Direct address lead Teksten voor documentaires en reportages 4.1 Meebeleven is meeluisteren 4.2 Steun vanuit de spreekcel
211 211 213 213 214 216 218 219 219 221
Deel IV. Journalistieke televisieteksten
225
1
227 227 228 230 233 235 236 238 240 242 246 246 247 248 249 252 253 254 255 257 260 260 261 264 265 265 265 268 269 269
2
Visueel medium 1.1 Schrijven vanuit het beeld 1.2 Visualiseren 1.3 Tekst en beeld complementair 1.4 Tekst en levende klank complementair 1.5 Teksten die interpreteren 1.6 Het juiste register 1.7 Het foute register 1.8 De overtreffende trap 1.9 Zwijgen is goud Televisienieuwsteksten 2.1 Intro’s 2.1.1 Journaalintro’s 2.1.1.1 Kort 2.1.1.2 Essentie en relevantie 2.1.1.3 Nieuws toelichten 2.1.1.4 Nauwkeurige tijdsaanduidingen 2.1.1.5 Coherente inhoud 2.1.1.6 Intro als lijm 2.1.1.7 Intro als genreaanduider 2.1.1.8 Flashby lead 2.1.2 Overige intro’s 2.1.2.1 Intro als teaser en toonzetter 2.1.2.2 Intro als kapstok 2.2 Extro’s 2.2.1 Journaalextro’s 2.2.1.1 Extro als reddingsboei 2.2.1.2 Extro als puinruimer 2.2.1.3 Extro als uitsmijter 2.2.2 Overige extro’s
INHOUD
2.3 Televisiekoppen 2.4 Commentaarteksten 2.4.1 Eerst het beeld, dan de tekst 2.4.2 De tekst verheldert het beeld 2.4.3 Intro versus commentaar 2.4.4 Commentaar bij doorlezer 2.5 Duplex en two-shot 2.6 Stand-up 3 Help de kijker 3.1 Personaliseer 3.2 Gebruik metaforen 3.3 Geef niet te veel informatie 3.4 Zeg wat je toont en zult tonen 3.5 Gebruik het juiste taalregister
9
271 272 273 274 276 277 278 281 285 286 289 291 292 297