Skip to main content

In het diepe duister teaserboekje

Page 1


Siep Hendriks schrijft, illustreert en werkt met cooperative storytelling in de vorm van tabletop role-playing games (o.a. in de D&D-serie Aan Tafel). In 2023 studeerde hij af aan de bacheloropleiding Creative Writing. In al Hendriks’ werk is zijn liefde voor genrefictie duidelijk, compleet met een duister randje.

 Siep Hendriks IN HET DIEPE DUISTER

Only when weak may I carry my true strength.

– The Last of Us Part ii

OUVERTURE 

Het had een gewone avond kunnen zijn. Zonder bloed of doodslag, zonder mogelijke moord. Dat was altijd al het plan geweest. Toen Micah en zijn vrienden dit weekje weg planden om het nieuwe jaar feestelijk in te luiden was er één regel geweest, eentje die er met kop en brede schouders bovenuit stak: je brengt géén werk mee op vakantie. Ze hadden allen toegestemd, met de onuitgesproken kanttekening dat de regel vooral voor Micah in het leven was geroepen.

Ter verdediging van de Ierse rechercheur Micah Ramsey: ditmaal had het werk hém gevonden. Als een mot naar een verandalamp.

‘Ik zweer jullie op m’n moeder dat dit sneller is,’ had John Stevens, de echtscheidingsadvocaat van de bende van ellende, verklaard toen hij voorstelde om een stuk door een rijkere buurt af te snijden, onderweg naar de bar waar hij per se naartoe wilde nu hij toch was meegesleept naar het verboden land. ‘Als we dan toch in Londen zijn,’ was zijn argument, inclusief knipoog. Micah had über-

haupt de oversteek van hun vertrouwde Ierland naar Engeland niet willen maken – iets met fraterniseren met de vijand –, maar Marlowe Wilkes, de logopedist, had volgehouden dat hij de nieuwe cast van Hadestown moest zien op het West End. Zo was Londen onvermijdelijk geworden, en daarmee ook deze rijke buurt. Momenteel waren ze onderweg naar een kroeg voor een middelmatige hamburger en een goed nieuwjaarsfeestje. Het nieuwe jaar inluiden in Engeland, wie had dat ooit gedacht?

Micah probeerde zich te oriënteren via de straatnaambordjes terwijl zijn vrienden kletsten. Ze liepen met z’n drieën over de goed onderhouden stoep; geen brandnetel of bloemetje te zien. Daar moest iemand wekelijks een hogedrukspuit tegenaan zetten. Micah vroeg zich af of dat ook op hersenen zou werken. Het leek hem fantastisch om al het onkruid uit de voegen van zijn brein te kunnen spoelen

‘Alles behalve de u2-cd,’ zei John.

‘Hou op,’ antwoordde Marlowe.

‘Ik zweer het. Kun je het je voorstellen? Alles wat je bezit het raam uit… behalve je fucking u2-cd’s?’

‘Die zou ik als eerste het raam uit gooien,’ grapte Marlowe. De twee gierden het uit. John vertelde wel vaker werkverhalen, maar vanavond was hij in een bijzonder goede stemming. Marlowe ook, bedacht Micah; ze hadden nog geen druppel gedronken, en toch lalden ze al bijna over straat. Niks was zo bedwelmend als een avond in goed gezelschap verkeren, dat bleek maar weer.

‘Mickey!’ riep John met een ietwat theatrale draai van zijn hoofd. Micah haalde zijn neus op bij het horen van de bijnaam. ‘Wat ben je stil. Waar is je vakantiestemming?’

‘Jullie hebben alle vakantiestemming al,’ antwoordde Micah.

Marlowe grinnikte. ‘Heb je geen –’ Verder kwam hij niet. De vrouw viel haast door haar tuinhekje en wankelde voor hen langs, een hand op haar keel. Er liep bloed tussen haar vingers door.

Als hij het moest uitleggen aan hen die niet bij de politie werkten, beschreef Micah het activeren van zijn werkfocus meestal als een blikseminslag. Ineens, elektrisch, alert. Dat was een leugen; het stond altijd aan.

Een rechercheur zijn kostte hem geen moeite. Een mens zijn, dat was de crux.

Direct en met een besliste zwaai van zijn arm werkte Micah zijn vrienden naar achteren. De twee gehoorzaamden. Hun glimlachen waren van hun gezichten afgedropen, tussen de perfect onderhouden voegen van de stoep.

‘Mevrouw? Kunt u me horen? Wat is er gebeurd?’ Micah snelde op de vrouw af. Ze was tegen een straatlantaarn in elkaar gezakt en drukte een bebloede hand slapjes tegen haar keel, terwijl haar andere hand iets tegen haar borst klemde. Micah inspecteerde de schade.

Uit diverse steekwonden gutste bloed, verspreid over haar hals en sleutelbeen. Een keukenmes?

‘Tamara…’ piepte de vrouw. Haar ogen waren ver weggezakt in haar schedel, de pupillen groot en starend. Ze zag hem waarschijnlijk alleen als silhouet.

‘Tamara? Is dat uw naam?’ De vrouw schudde haar hoofd. Haar andere hand, kleurloos, gebaarde naar de open voordeur achter hem. ‘Is Tamara nog binnen?’ De vrouw knikte. Haar lip trilde. Toen stelde Micah de vraag waarop hij liever het antwoord niet wilde horen: ‘Is de persoon die dit heeft gedaan nog binnen?’

De vrouw knikte opnieuw. Micah keek haar even aan, als bevestiging, wellicht om moed te vinden in haar ogen, en stond toen op. ‘John! Heb je een zakdoek?’

‘Ja, ik…’

‘Kom hier en hou druk op de grootste wond! Marlowe! Bel 999!’

‘Ambulance? Politie?’ vroeg de logopedist met de dunne bril.

‘Allebei!’ antwoordde Micah. Ondertussen voelde hij onder de wijde pijp van zijn pantalon – zijn vriendin, Samantha, had hem eindelijk overgehaald zich meer modebewust te kleden, wat over het algemeen resulteerde in gehaakte overhemden met korte mouwen en wijde pantalons waar hij een wapen onder kon verbergen – en checkte het mes in zijn enkelholster. Micah zou nooit meer ongewapend een plaats delict betreden. Hij wierp nog een blik op de vrouw, en toen viel hem het ding in haar schoot pas op. Hij was alleen maar bezig geweest met de wond in haar nek, waardoor hij de Glock 19 in haar andere hand niet had gezien. Deze zat eveneens onder het bloed. Ze had geprobeerd zich te verdedigen. Tegen wie? Voordat hij naar de voordeur snelde pakte hij het wapen van haar over, en knikte haar nog een laatste keer toe. John had het onder controle. Marlowe deed de melding. Er restte nog maar een kleine, nietszeggende taak. Klein en nietszeggend, herhaalde Micah in zijn hoofd terwijl hij het tuinhekje openduwde met zijn voet en de trap naar de voordeur beklom. Zijn oog viel op het bloed op de marmeren treden. Er hing een bordje naast de voordeur:

hier wonen sebastian, tracy, tamara, picket & post!

‘Sebastian?’ probeerde Micah terwijl hij de vestibule betrad. Het huis was ingericht zoals een gezin dat pretendeert nog bij de middenklasse te horen het zou

inrichten: huiselijke, zacht stoffen meubels van beroemde designers, moderne kunst in tweedehandslijsten. Een mandje voor de sleutels. Een schaal met hapjes en een fles ongeopende champagne in voorbereiding op de jaarwisseling. Het zijn net mensen , zei een cynisch stemmetje in Micahs hoofd. Hij negeerde het. ‘Tamara?’

Een geluid, verderop in het huis. Een gepiep, gevolgd door een gebonk. Micah hield zijn pistool voor zich uit en bewoog door de hal. Hij draaide scherp zodra hij de woonkamer betrad, en checkte al zijn dode hoeken. Haast direct moest hij zijn been optrekken om niet op het witte, pluizige hoopje naast de bank te gaan staan. Ben jij Picket of Post, vroeg zijn hoofd. Hij vond het meer een Post. De kat lag in een plasje bloed.

‘Sebastian, ik ben er om je te helpen!’ riep Micah. Normaliter had hij allang aangekondigd dat hij van de politie was, maar hij vermoedde dat de situatie dan alleen maar zou escaleren. Ook was hij in een vreemd land, zonder versterking of jurisdictie. Waarom was hij dan naar binnen gegaan? Was dat niet roekeloos?

Micah sloeg rechts af, in de richting van het geluid. Hij passeerde een keuken met houten kastjes en een zwart-witte tegelvloer, glad van het bloed. Het was allang niet meer te ontwaren wiens bloed. De gang leidde naar een aantal opties: een volgende gang linksaf, een deur rechtdoor, en twee deuren aan zijn rechterhand. De meest rechtse deur stond op een kier. Micah drukte zijn rug tegen de muur ernaast en opende hem verder met zijn schoen. Zijn loafer, nog wel. Als hij deze situatie overleefde had hij een goede reden om te allen tijde praktische schoenen te gaan dragen, ook buiten dienst. De deur kraakte in zijn scharnieren en onthulde een keldertrap. Micah hoorde onderaan een stem fluis-

teren, laag en onmiddellijk, alsof er nooit belangrijkere woorden gesproken waren.

‘Ben jij benieuwd? Ik ben zó benieuwd. Denk je dat hij het doet?’

‘Sebastian? Tamara?’

‘We zijn hier!’ riep een mannenstem. Die stem had ook gefluisterd, zojuist.

Micah zette een eerste stap op de houten traptrede.

Deze kraakte niet. ‘Ben je gewapend, Sebastian?’ riep hij. Buiten, ergens in de verte, hoorde hij sirenes loeien. God, wat hoopte hij dat dit een ambulance was, die toevallig in de buurt was geweest op het moment dat Marlowe het alarmnummer belde. Tracy had hulp nodig.

Tamara heeft net zo goed hulp nodig.

‘Ik heb een mes!’ riep Sebastian vanuit de kelder. Ik ook, dacht Micah verbeten. Sebastians stem klonk… opgewekt. Alsof hij Micah de topscores van zijn favoriete golfer meedeelde. ‘Zo dadelijk ga ik Tamara’s keel doorsnijden, en dan kom jij mij volschieten. Recht in de borst, als het goed is. En dan…’

Micah haastte zich van de trap. Hij boog voorover, zelfs voor zijn doen wellicht te roekeloos, maar iets aan de combinatie van de bedreiging en de vrólijkheid in Sebastians stem gaf hem het idee dat hij geen spel speelde.

‘… dan zie ik de sterren weer.’

Micahs mond viel een stukje open. De man die in de kelder stond, enkel verlicht door het zwakke peertje recht boven zijn hoofd, had een natte, bloederige arm om de schouders van een tienermeisje geslagen. Sebastian zag eruit alsof hij in het bloed in de keuken had liggen rollen, als een kind in een zandbak. Hij had een rossige, terugtrekkende haarlijn en droeg de kleren die elke vader draagt, met daaroverheen een roze schort.

Never Trust A Skinny Chef , stond erop, in ooit

witte krulletters. Hij hield een slagersmes in zijn rechterhand; zo’n groot, rechthoekig ding, waar chefs normaal merg en botten mee doorhakken. Is hij een hobbykok? Was, beten Micahs gedachten hem toe. Nu is hij iets anders.

Micah daalde de laatste treden af, zijn pistool gericht op de borst van de man. Natuurlijk, natuurlijk, draaide Sebastian zijn dochter net zo dat ze een schild vormde tussen de rechercheur en haar vader. ‘Wat is er gebeurd, Sebastian? Ging er iets mis vandaag?’

‘Er is niks mis. Alles is goed zo. Alles is… zoals het moet zijn,’ zei de man.

Micah wendde zich tot Tamara. Het meisje, niet ouder dan zestien, met blauwe plukken in haar haar, keek hem met grote ogen aan. Ze zei niets. Er zat een natte plek op haar hoofd. Hij moest haar geslagen hebben. Jezus. ‘Tamara. Ik ga je helpen, oké? Je vader weet niet goed wat hij doet.’

‘Jullie liegen zoveel, wist je dat?’ zei Sebastian. Micah maakte weer oogcontact met de man, en zag tot zijn afschuw dat hij het slagersmes in Tamara’s hals begon te drukken. De huid deukte, maar scheurde nog niet.

‘Waar liegen we over?’ vroeg Micah. Hij had het bloedheet.

‘Ha! Over… ja, over alles! Jullie liegen over jullie gevoelens, over wat je écht wil doen, over nare dingen, over fijne dingen. Ik heb dat nooit begrepen.’

‘Je wil dus zeggen…’ begon Micah. Hij moest hem aan de praat houden. Ondertussen een betere hoek vinden. Hij bewoog langzaam dichterbij, schuifelend langs de muur. Pistool nog altijd geheven. Misschien kon hij zijn schouder raken… ‘Dat jij niet liegt? Nooit?’

‘Liegen is voor mensen,’ grijnsde Sebastian. Het was hoogstwaarschijnlijk een speling van het licht, maar

in het halfdonker van de kelder leek zijn gezicht een vreemde vorm aan te nemen. Leken zijn tanden haast lichtgevend. Zijn ledematen buiten proportie. Lange armen. En die lach, van oor tot oor…

‘En jij bent geen mens?’ vroeg Micah. Nog een stukje dichterbij. Hou hem aan de praat.

Sebastian grijnsde nog breder. Micah had niet verwacht dat dat mogelijk was. ‘Ik ben… ik ben zoveel meer. Ik ga…’

‘De sterren zien?’ maakte Micah af.

‘Heb jij ze ooit gezien?’

‘De sterren? Die ken ik, ja.’

De bloederige vijftiger draaide zijn hoofd, bijna betuttelend. Trok een pruillip. Micah voelde zijn binnenste bevriezen. ‘Nee, ik denk het niet. Ik denk… ik denk dat ik ze aan je moet laten zien.’ Hij hief het mes van Tamara’s keel en haalde het terug, in een harde slag. Een slag die beslist haar hoofd van haar schouders zou bevrijden.

Micah schoot.

Eerst in de rechterschouder, zodat het momentum van de slag verstoord werd. Toen hij van de schok Tamara losliet, die met de handen over haar oren wegdook in een hoek van de kelder, in de borstkas. Eenmaal. Tweemaal. Sebastian bleef glimlachen: die nare, vreselijke, verlichte grijns. Micah voelde het besef tot in de vingers waarmee hij zijn pistool vasthield en afvuurde, opnieuw en opnieuw: dit was niet natuurlijk, dit moest zo snel mogelijk de grond in. Beter nog: het vuur in.

Sebastians lijk stortte ter aarde. Achter zich hoorde Micah het meisje de trap op hollen. Ze zou buiten worden opgevangen. Dat was goed.

Mijn god.

Inspecteur Ramsey schoof het pistool in de band van

zijn pantalon en liep langzaam dichterbij. De poel bloed die uit Sebastians wonden liep deed hem denken aan het inktzwarte water van een meer. Het platteland van Frankrijk met Samantha. Vakanties met zijn ouders. Dit werk loopt overal tussendoor, Micah. Als kwikzilver.

Een bonk, gevolgd door een schuivend geluid, aan zijn rechterhand. Direct draaide hij om, rug naar de muur, een half oog op de trap, hand alweer bij zijn enkel. In de achterste hoek van de kelder stond een rond… ding. Een stalen discus, een halve meter boven de grond. Een groot, rond wielslot bovenop. Een septische put. Micah had hier weleens over gehoord, ook in Ierland; mensen die zich willen losmaken van hun ‘afhankelijkheid van de samenleving’, en vreemd genoeg beginnen met de riolering. Of wie weet was deze man, naast hobbykok, ook hobbyloodgieter geweest. Het geluid was uit die put gekomen. Micah vloekte. Hij zou op de hulpdiensten kunnen wachten – die zouden hier elk moment moeten zijn. Hij zou naar buiten moeten gaan, aan de Engelse politie moeten uitleggen dat als hij er niet was geweest, Tamara waarschijnlijk dood was geweest.

Misschien zit die andere kat daar vast. Wie weet wat die gek heeft gedaan?

Zijn gedachten hadden een punt, en dus pakte hij met twee handen het wielslot en draaide. Het kostte nogal wat kracht – Sebastian had bomen van bovenarmen gehad – maar uiteindelijk gaf het ding mee. Micah sleurde de deksel open… en kreeg direct traanogen van de geur. Hij hoestte, trok de hals van zijn t -shirt over zijn neus en gluurde de put in.

‘Wat de…’

Een lijk in grijs water. De ledematen waren opgezwollen, de huid strakgespannen, alsof het al langer

half onder water had gestaan. Het lichaam droeg een overhemd en lichtbruine broek, had een rossige, terugtrekkende haarlijn, brede bovenarmen, en… kogelwonden. Een in de rechterschouder. Twee in de borst. Micah keek van Sebastian naar dit lijk. Nee, dat kon niet. Maar die identieke wonden… Nee. Dat was simpelweg onmogelijk.

EERSTE BEWEGING

‘De dood van Sebastian Hewitt en zijn tweelingbroer’ – zo is de zaak bekend komen te staan bij de Metropolitan Police. Kun je het geloven? Ze hebben de man in de septische put in het huis van de Hewitts afgeschreven als ‘de tweelingbroer’, enkel omdat het lichaam vergelijkbare dna -kenmerken droeg met dat van Sebastian. Ik heb nergens een rapport gezien over de identieke verwondingen of de waterschade die ook op de benen van de moordlustige Sebastian werd aangetroffen, alsof hij al dagen in een laag water stond. Ik heb zijn gezin geprobeerd te bereiken over een mogelijke tweelingbroer, maar er wordt niet opgenomen als ik bel. Er is hier meer aan de hand, dat weet ik zeker. Alles doet me denken aan Marrow Leigh, en daar word ik nerveus van.

Ik hou niet van nerveus zijn.

– Uit de persoonlijke notities van inspecteur Micah Ramsey, januari ’27

Augustus ’26, Londen

Het was te warm voor een begrafenis. Bloedhitte, bedacht Nina terwijl ze ongemakkelijk ging verzitten op de kerkbank, zich maar al te bewust van het zweet dat aan haar bovenbenen kleefde. Dit is bloedhitte. Ze wist niet of het woord bestond, of het daadwerkelijk verwant was aan ‘bloedheet’, en toch was het er en zat ze er middenin.

En ook nog bij een begrafenis.

Ze was expres achterin gaan zitten, ver weg van de familie vooraan en zich maar al te bewust dat ze hier niet hoorde. Dat ze geen enkel recht had om hier te zijn.

De katholieke St. Mary’s-kerk aan Primrose Hill was een statig, roodbakstenen gebouw. Het altaar was richting het oosten gebouwd. Dat was, voor zover Nina wist, altijd zo; zo liep je het licht van de Heer in wanneer je de kerk betrad.

Sophie Crane werd momenteel datzelfde licht in gedragen. Haar kist was van zwart, glanzend hout gemaakt. De gouden vignetten op de randen leken het

geheel bij elkaar te houden. Nina voelde tranen in haar ogen prikken. Ze slikte ze ruw weg: hier mocht ze niet om huilen. Zij niet. De kist was klein, want Sophie Crane was jong gestorven.

Operatietafel.

Nina dwong zichzelf te kijken. De kist werd gedragen door vier mannen, elk met hun ogen op het tapijt onder hun voeten gericht. Ze zag gespannen kaken, witte knokkels en rouw in elke rimpel. Een zware deken. Een kleine kist. De stoet bereikte het altaar en zette de kist te midden van een krans kleurrijke bloemen.

Sophie had van kleur gehouden. Nina herinnerde zich een meisje met houten kralenkettingen en felgekleurde haarspeldjes. Zelfs in haar ziekenhuisgewaad was ze nog een regenboog geweest.

Koel staal. Ademhaling stabiel.

Operatietafel.

Achter de kist stond een foto, groot afgedrukt en in een lijst op pootjes. Sophie Crane, met een grote grijns en een papieren verjaardagkroon schuin op haar hoofd.

Nina keek ernaar, zo hardvochtig dat ze een gat in het glas had geboord als dat mogelijk was geweest. Noem het zelfkastijding, noem het boetedoening.

Nina Ellenore Shin was goed in stilzwijgend boete doen. Ze moest wel.

Na de openingswoorden van de pastoor werd de familie naar voren geroepen. Nina zag de mannen die de kist hadden gedragen; broers en ooms, wellicht een vader. Ze zag een vrouw wier zakdoek permanent aan haar neus en mond vastgegroeid leek, met aan haar hand een klein meisje. Een houten kralenketting. Haarspeldjes. Nina wilde overgeven. Ze keek naar Sophies zusje.

Koel staal. Ademhaling stabiel. Eerste incisie.

De volwassenen om de kist leken amper naar de foto van Sophie te kunnen kijken. Alsof het hun te zwaar viel, om te bedenken dat dit kind een paar weken geleden nog in leven was geweest. Is het niet oneerlijk, vroeg een stemmetje, dat zij die jong sterven voornamelijk daarom herinnerd worden, en niet om wie ze waren?

Ben je liever een mens of een tragedie? Wie beslist?

Het kleine meisje leek de enige te zijn die er geen last van had. Ze liep naar de kist en legde er een kleine hand op, alsof het de deur van de hut was waar zij en Sophie in speelden. Toen deed ze haar kralenketting af en plaatste hem op de kist. Hij gleed een stukje, maar bleef liggen. Nina keek er verbouwereerd naar. Ze was de hitte vergeten. Zelfs de operatietafel, al was het maar voor een seconde. Dit meisje had het uitgevogeld. Ze was niet bezig met op de juiste manier rouwen, maar probeerde gewoon nog even bij Sophie te zijn.

Goh.

Ademhaling hoog. Hartslag hoog.

De familie nam weer plaats op de eerste rij, maar niet voordat het meisje nog een blik de kerk in wierp, naar de rest van de gegadigden. Er zaten meer dan honderd mensen, en toch had Nina het gevoel dat het meisje strak naar haar keek. Twee lichtgroene ogen, als sterren aan een verder bewolkte hemel. Lichtjaren ver weg, en toch boorden ze door Nina’s verdediging. Ze weet het.

Ze weet wie ik ben. Ze weet…

Het meisje nam weer plaats naast haar moeder, en het enige waar Nina nog naar kon kijken waren de gekleurde haarspeldjes. Ook toen de pastoor de dienst voortzette. Ook toen de rest van het gezelschap plechtig doch onhandig uit de kerkbanken schuifelde, om een voor een bij de kist te stoppen voor een hand op de deksel, een somber hoofdknikje, en vervolgens een

paar meelevende woorden op de hoop te gooien die de familie al achter zich had verzameld. Nina stond ook op… en liep direct richting de uitgang van de kerk. Zij hoorde niet bij de plechtigheid hiervan. Daar had ze geen recht op. 

‘Met alle respect, maar waarom zou je dat dóén?’

Jessie Nichols, een wervelwind van rode lippenstift en pragmatisme, zette haar espresso martini op het viltje. Wanneer ze haar cocktail neerzette wist je dat het menens was; het liefst deed ze dat de hele avond niet. ‘Hoe haal ik anders m’n quotum?’ zou ze er zelf over zeggen, met een knipoog en een guitig slokje.

‘Ik –’

‘Als je me vertelt dat je het haar verschuldigd was duw ik een koffieboon in je neus.’

Nina zuchtte. Staarde in het goudgeel van haar whisky sour. Het was cocktailavond bij The Carnation, zoals elke woensdagavond. Nina had absoluut nee willen zeggen, maar dat had ze al twee keer eerder gedaan. Ze wilde Jessies furie niet over zich afroepen, als het even kon. En dus: cocktails na een begrafenis. Ze had het nog steeds veel te warm.

‘Ik wilde…’ Nina dacht na. Krabde met haar wijsvinger aan een velletje bij haar duim. Wat wilde ze? De ouders van Sophie Crane condoleren? Het meisje tot leven wekken met een duister ritueel? Haar eigen verwerkingsproces versnellen? ‘Ik wilde het voltooien. Haar tot het einde begeleiden. Er voor haar zijn.’

‘Volgens mij waren er genoeg mensen,’ bromde Jessie in haar glas, dat alweer bijna leeg was. Nina’s cocktail was nog onaangeroerd.

‘Het is niet verboden, toch?’ vroeg Nina toen, giftiger dan ze had gewild.

‘Nee.’

‘Nou dan.’

Jessie zuchtte en stak haar hand op naar de serveerster met de wenkbrauwpiercing. Ze bestelde nog een espresso martini voor zichzelf, en na te lang op de kaart te hebben gekeken en meerdere malen de mening van de serveerster te hebben gevraagd, deed ze er ook een portie uienringen bij. Ze sloot af met een knipoog, waardoor de serveerster bloosde. Jessies knipogen waren nog effectiever dan haar fooien. Nina schuifelde heen en weer op haar stoel. Er waren veel mensen in de bar. Te veel. Het was er benauwd, alsof de hitte van de zon nog residu op hen allen had achtergelaten. Nina wilde slapen, zo lang als maar kon. Dat klonk goed.

‘Hoe is het met Lucas? En z’n vader?’ vroeg Jessie.

‘Over begrafenissen gesproken, bedoel je?’ beet

Nina haar toe. Direct had ze spijt; de vorige interactie was nog enigszins goedbedoeld geweest, maar nu droop er venijn van de woorden af. Nina schudde haar hoofd en zocht oogcontact met Jessie. Dat vond ze; de vrouw tegenover haar, met de twee knotjes op haar hoofd (spacebuns, lichtte ze vaak toe) en de dieppaarse jurk, had een scherpe wenkbrauw opgetrokken en tikte met haar acrylnagels op de tafel. Toch de furie, bedacht

Nina wrang. ‘Sorry,’ zei ze. Jessie bleef haar aankijken. ‘Dat was onnodig. Je probeert me te helpen. Ik ben gewoon moe van alle –’

‘Zware shit?’

‘Zware shit.’ En toen, toen Jessie in plaats van tikken met haar nagels was overgegaan op het pakken van Nina’s hand, en zachtjes met haar duim over de moedervlek begon te wrijven die daar zat, voegde ze eraan

toe: ‘Lucas is elke dag in het hospice. Ze denken dat het over een paar dagen zover is.’

‘Jeetje.’

‘Ja.’

‘Laten we hopen dat het dan minder warm is,’ zei

Jessie met een glimlach. Nina lachte ook – ze kende haar te goed – en hief haar glas. De vrouw tegenover haar, haar beste vriendin en collega bij het Great Ormond Street-kinderziekenhuis, tikte haar verse martini ertegenaan.

Jessie wist dat de tijd was aangebroken om Nina even met rust te laten en begon een verhaal over de man van haar zus, zijn gewoonte om met blote voeten door haar appartement te banjeren, en dat zij beter verdiende. Nina deed haar best om te luisteren – ze bleef aan het velletje langs haar duim pulken: soms bracht een beetje pijn ook focus met zich mee –, maar het gedreun van de mensen om haar heen, de damp van hun lichamen, de hand van Jessie die nog altijd vlak bij de hare lag, het portret van Sophie Crane, het zusje, de kralenketting, het lied dat alsmaar in haar hoofd bleef doordreunen – het vroeg al haar aandacht, een drummen zonder ritme… We hebben geen hartslag meer. Shin, waar ben je? We raken haar kwijt!

Noa! Waar ben je?

We wachten op je!

Augustus ’26, Londen

Nina kwam pas in het donker thuis, toen het huis aan Tappesfield Road al sliep. Het had een lichtblauwe voordeur – een kunstwerk van Nina en Emma, inclusief de verfspetters op de buitenmuur ernaast. ‘De charme van handwerk,’ had Nina gegrapt toen Lucas die had opgemerkt.

Het huis, gekocht met het kleine beetje spaargeld en een stukje erfenis van Lucas’ moeder, had in Nina’s hoofd één doel, al vanaf het moment dat ze voor het eerst de krakende drempel overstapte: het zou het allerbeste huis worden om in op te groeien. Een met klimop langs de muur aan de zijkant. Een trampoline in de achtertuin, gezond gras eromheen. Een tuintafel. Een bank waar je lekker in kon wegzakken. Emma’s lengtes gemarkeerd op de deurpost naar de keuken. Geen geschreeuw, geen scherven op de grond. Het perfecte thuis.

Zachtjes sloot ze die woensdagavond de deur. De koperen hendel viel in het slot. De klik echode even door het halletje, maar er leek niemand wakker om het te

horen. Zo stilletjes als ze kon legde Nina haar sleutels in het daarvoor bestemde mandje, hing ze haar jas aan de haak naast de kleine paarse van Emma (met konijntjes) en trok ze haar schoenen uit. Weer moest ze aan het verhaal over Jessies zwager denken; ‘Goorteen’, had ze hem na nog twee martini’s en een Salmari-shotje genoemd. Daar hadden ze zo hard om gelachen dat Nina de restanten ervan nog steeds om haar mondhoeken voelde. Een restje geluk, bedacht ze. Dat moest ze opschrijven, want zo vaak kwam dat niet voor.

De vermoeidheid van de dag, de week, de weken ervoor, daalde opnieuw op haar neer als een zwaartedeken. Ze liet haar ogen langs de foto’s glijden die in het halletje waren opgehangen. Familievakanties, vrienden, ouders. Emma. Even gluurde ze de woonkamer in; Lucas had nog weleens de gewoonte om op de bank in slaap te vallen. De donkerrode bank was leeg. De dekentjes waren zelfs opgevouwen.

‘Mama?’

Nina schrok, en draaide direct om richting het geluid. Ze wist niet goed waarom ze was geschrokken; ze had niks fout gedaan. Ze mocht hier zijn, en toch voelde ze zich permanent op haar hoede.

‘Hé, Emmie. Heb ik je wakker gemaakt?’

Emma knikte, één duim in haar mond. De warrige staartjes boven op haar hoofd stuiterden heen en weer. Ze werden bij elkaar gehouden door kleurrijke haarspeldjes. Nina kon wel huilen. Voorzichtig liep ze de tapijten trap op, tot ze op de trede kon gaan zitten waar Emma stond. Het meisje kwam naast haar zitten en leunde met haar hoofd tegen Nina’s bovenarm, nog altijd sabbelend op haar duim. Ze droeg vandaag haar lichtblauwe pyjama. Die met de vliegertjes.

‘Waar droomde je over?’

‘Een stekelmuis.’

‘Een wat?’

‘Een stekelmuis!’

‘Een muis met stekels? Als een egel?’ vroeg Nina. Ondertussen sloeg ze een arm om haar dochter heen en wiegde haar zachtjes heen en weer.

Weer knikte Emma.

‘Is papa thuis?’

‘Slaapt.’

Nina grimaste; had Lucas wel goed op hun dochter gelet? Daar hadden ze in de eerste weken na haar zwangerschap – nog een periode waar ze liever niet aan herinnerd werd – een flinke ruzie over gehad. Nina had benoemd dat Lucas meer betrokken zou kunnen zijn.

Lucas had haar een controlfreak genoemd. Dat was het eind van de discussie geweest; ze waren beiden nog niet uitgepraat, maar wisten dat meer zeggen ook kon betekenen dat je te veel zei.

Haar gespannen schouders verzachtten zodra ze Emma’s kamertje betrad; Lucas lag te slapen, ja, maar weggezakt in de mosterdgele fauteuil in de hoek van de slaapkamer. Er lag een versleten editie van Rupsje Nooitgenoeg open op zijn schoot.

Met de restwarmte van Emma nog dicht bij zich stopte ze het meisje opnieuw in. Emma pakte direct Prik de pluchen wortel erbij, en rolde zich op zoals alleen zij dat kon. Nina hurkte bij haar bed en veegde een lok haar van Emma’s hoofd. Haar knie knakte. Ze keek naar haar dochter. Kuiltjes in de wangen. Nieuwsgierige ogen. Diepbruine ogen.

We raken haar kwijt! Shin!

Even was het niet Emma onder de donkerrode sprei. Even was het een ander meisje, een met een houten kralenketting en een narcosemasker om haar gezicht

gebonden. Een schokkend, tierend lichaam, tegengehouden door de armen van twee verpleegkundigen en een dokter. Gehoest. Bloed in het narcosemasker. Een doodsreutel. Sophie.

‘… thuis voor het eten.’

Nina sprong op en struikelde naar achter. Ze stootte met haar heup tegen Emma’s bureau, hard, waardoor er een pijnscheut door haar lichaam schoot en er een fotolijst omver kletterde. Emma zat binnen een halve seconde rechtop in bed, en keek haar moeder met nerveuze ogen aan. Nina voelde opnieuw tranen prikken bij het zien van die blik.

‘Hé, wat is er?’

Lucas. Lucas stond naast haar.

‘Niks, sorry. Ik schrok van je,’ bekende ze. Beter een halve waarheid dan niets, toch?

‘Wat zei je?’ vroeg ze terwijl ze Emma’s fotolijstje weer rechtop zette, boven op de roze placemat. Er zat een foto in van Emma en Rudy, haar beste vriend op school. Sproeten als een sterrenstelsel.

‘Ik ben morgen op tijd thuis voor het eten. Ik ben eerder klaar, dus kan eerder naar pap,’ zei Lucas terwijl hij haar passeerde met een afwezige hand op haar heup en naar het bed van zijn dochter liep. Hij gaf zowel Emma als, op haar aanmoediging, Prik een kus op hun kruin, en stopte haar opnieuw in. Toen draaide hij zich naar Nina en glimlachte.

Weekjes glimlachte ze terug.

‘Ga je mee?’ Lucas stak zijn hand naar haar uit. Ze bekeek hem terwijl ze zijn hand aanpakte en zich mee liet voeren; de sterke kaaklijn, de speelse manier waarop z’n haar om z’n oren heen krulde. Zijn ‘zijn’ is zo moeiteloos. Hoe zou dat voelen? Moeiteloosheid?

‘Slaap lekker, Emmie,’ zei Lucas. Nina draaide bij de

deur nog even om en gaf haar dochter een voorzichtige knipoog. Emma, onder de dekens tot haar ogen, glimlachte. De nervositeit was allang weer uit haar gezicht verdwenen. Je doet het goed, probeerde een stemmetje in Nina’s hoofd. Ze is bezorgd. Ze is niet bang. Je doet het goed.

Nina knipte het licht uit, zuchtte diep en lang – het soort zucht waarmee je je longen volledig wil legen, hopende dat alle zwaarte meedrijft – en volgde Lucas hun slaapkamer in. Veel woorden of aanrakingen wisselden ze niet.

Iets minder dan vier meter. Nina keek de volgende ochtend over de rand van het raam op de tweede verdieping van hun woning, dat uitkeek op een strakblauwe lucht, de achtertuin en die van de achterburen. De rozen zagen er dorstig uit, zelfs van deze hoogte.

Zou ik m’n benen breken, vroeg de versie van haar die er al vrede mee had gesloten.

Zou het pijn doen, vroeg bange Nina – die had veel te zeggen, de laatste tijd.

Haar tenen omklemden de rand van het raamkozijn. Het slaapkamerraam was hoog genoeg om er volledig in te staan, perfect omlijst als het onderwerp van een schilderij. Ze hield zich met één hand vast aan de houten rand, de andere losjes langs haar lichaam. Langs de plek op haar heup, die inmiddels blauw werd door Emma’s bureau. Emma sliep nog. Lucas was al naar zijn werk. Nina stond in het raam. Drie meter tachtig, zo hoog meende ze dat het was. Ze stond hier niet elke ochtend – sterker nog, voor het incident met Sophie Crane een paar weken geleden had ze hier al maanden

niet gestaan, en ook niet in een ander raam –, maar het begon aan te tikken. Telkens vochten diezelfde drie vragen om aandacht in haar hoofd, als klauwen die steeds scherper werden, de woorden alsmaar zoeter.

Zou ik m’n benen breken? Zou het pijn doen?

Zou het helpen?

Noa!

‘Mag ik bij Rudy slapen?’

Nina keek om. Emma stond in de deuropening van de slaapkamer, door een deurpost omlijst net als haar moeder, maar minder in gevaar. Ze droeg haar pyjama nog; Nina zou haar zo helpen met in bad gaan, aankleden en haar naar school rijden. Ze was, ergens achter in haar hoofd – in het deel dat nog licht gaf – bezig met welke haarstijl Emma vandaag zou willen. Vlechtjes waren de laatste tijd een favoriet. Nina weigerde nogmaals naar beneden te kijken, naar de grond die haar riep. Ze weigerde om haar kind te laten denken dat het niet goed ging met haar moeder. Emma mocht zich nooit zorgen maken om haar ouders; ouders waren de rotsen in de branding, niet andersom. Voor zover Nina er iets over te zeggen had, was haar kans om publiekelijk te lijden vergaan na de bevalling. Ze zou zichzelf nog liever breken dan dat ze Emma met iets opzadelde. ‘Ik zal even met papa overleggen, oké?’ zei ze tegen haar dochter terwijl ze naar haar toe liep en een kus op haar hoofd drukte. Emma giechelde en duwde iets in Nina’s hand; het was Prik. Zijn groene kruin raakte alsmaar meer versleten. Zelfs de wortel brengt offers voor dit kind, bedacht ze met een weke glimlach. Kon zij dat ook nog? Emma dartelde al zingend de badkamer in.

De werkdag bij het Great Ormond Street-kinderziekenhuis voelde als een motregen in de zomer; subtiel on-

vergeeflijk. Wat je jezelf ook voorhoudt, je wordt nog steeds kletsnat. Nina deed haar werk grotendeels op de automatische piloot; ze zat, op aanraden van Jessie, nog in het herintegratieprogramma voor medische professionals die een traumatische ervaring onder werktijd hebben meegemaakt – door collega’s werd dit liefkozend ‘Teddybeer-tijd’ genoemd – en haatte elke seconde. Het was een blijk van kwetsbaarheid, van zwakte. Het onthullen van een open wond.

Tijdens haar lunchpauze kwamen er collega’s bij haar zitten die haar normaal gesproken enkel groetten in de gangen, met een hoofdknikje en soms een schuine glimlach. Ditmaal waren het Lisa en Polly, twee verpleegkundigen die er pas een paar weken werkten. Ze droegen blauw oogpotlood en praatten over niet-westerse literatuur. Het was wederom te warm voor medeleven.

Nina hield het twintig minuten vol voordat ze naar het dak van het ziekenhuis vluchtte, waar Jessie haar vond.

‘Eindelijk frisse lucht,’ zei haar vriendin met het perfect opgemaakte gezicht. Ze had de knotjes van gisteravond verruild voor een paardenstaart, en de rode lippenstift voor eyeliner in dezelfde kleur. Jessie was goed in make-up – én in doen alsof ze niet precies wist wat er met Nina aan de hand was.

‘Yep,’ antwoordde Nina, haar adem nog altijd in haar keel. Bij aankomst had ze haar paniekaanval nog maar deels kunnen bedwingen, door haar nagels in het vel van haar handpalmen te drukken en over de rand van het dak te kijken. ‘Heerlijk.’

Jessie stak een sigaret op. Haar versleten aansteker toonde een cartoon van Betty Boop, al miste ze inmiddels een oog. Nina draaide zich terug naar de rand van het dak. Naar de grond, meters onder hen.

‘Je weet dat je langer met verlof mag.’

De woorden staken. Beten als een zuuroplossing.

‘Dat weet ik.’

‘Waarom doe je dat dan niet? Dat zouden –’

‘Als je nu Emma en Lucas noemt spring ik van het dak af.’ Voor zover Jessie wist maakte Nina een grapje – voor zover Nina wist ook, toch? –, maar het zeggen maakte het toch ineens verstarrend echt, en Nina deed een onwillekeurige stap terug van de dakrand.

‘Prima. Maar… jezus, Nines, elke idioot met ogen kan zien dat je dit niet trekt.’

Iedereen ziet het. Emma ziet het. Je faalt.

‘Ik moet gewoon weer aan het werk. Het echte werk, niet de Teddybeer-onzin.’

‘De Teddybeer-onzin is er om –’

Nina draaide zich om naar Jessie, die op een betonnen blok was gaan zitten met haar benen over elkaar.

Ze blies chagrijnige sigarettenrook door haar neusgaten. ‘Omdat ze me niet vertrouwen. Omdat ze me als instabiel zien.’

‘Nina, er is een –’

Iets in Nina’s blik, iets wat ze daar niet bewust in had gestopt, deed Jessie stilvallen. Nina voelde het razen; de woede die ze normaal gesproken al net zo diep wegstopte als haar verdriet. Waar haar verdriet tegen de wanden van haar binnenste schraapte, sliep haar woede spinnend. Tot hij dat niet deed. Tot nu.

‘Ja? Durf je het? Of moet ik het doen?’

Jessie keek haar alleen maar aan. Ze deed Nina denken aan een gebarsten theekopje. Zo’n porseleinen ding met bloemetjes in het glazuur.

‘Er is een kind dood.’

‘Maar niet dóór jou,’ zei Jessie meteen. Ze stond op, haar sigaret vergeten op het steen. ‘Door een ongeluk-

kige samenloop van omstandigheden. Kom op, dit is een van de eerste dingen die ze ons leren.’

‘Ach,’ blafte Nina.

‘Of denk je van wel?’ vroeg Jessie toen. Ze zette een stap dichterbij en legde haar hand op Nina’s arm. Kippenvel sprong omhoog. ‘Denk je dat het jouw schuld is?’

Als Nina Shin op dat moment oogcontact had durven maken met Jessie – als ze niet, intrinsiek en vurig, had geloofd dat ze het niet verdiende –, was alles wellicht anders geweest. De woorden daarna hadden zó simpel kunnen zijn. Het gaat niet goed met me.

Zou het helpen?

Nina sprak niet. Verliet het dak. Zette haar werkdag voort met een stalen glimlach en bittere vingers. Jessie liet haar met rust. Dat was het beste.

De voordeur van het huis aan Tappesfield Road opende met een bekend gekraak en Nina wist direct dat er iets niet klopte. Ze voelde het als onzichtbare handen op haar schouders, die haar zachtjes doch beslist vooruit duwden. Haar tong was een velletje schuurpapier.

Wat is dit?

Er kwam muziek uit de keuken. Nina keek op haar horloge. 18.24. Lucas was nog bij zijn vader in het hospice, en Emma zou nu boekjes aan het lezen zijn met Jamie, de babysitter die sliste. Die er op dinsdagen en donderdagen was. Er kwam muziek uit de keuken. Nina stopte. Luisterde. ‘… You know the preacher like the cold… He knows I’m gonna stay…’ Ze herkende het jarenzestignummer als ‘California Dreamin’’, maar zou niet weten van wie het ook alweer was. Waren het niet…

Dat maakt niet uit! Waar is Emma?

‘Jamie?’ Nina sloot de voordeur, sleutels tussen vingers geklemd. De naam schalde door de smalle hal. ‘Emmie?’

Nina omklemde de deurpost met haar linkerhand en keek de keuken in. Emma. Emma zat op een barkruk aan het kookeiland, dit keer in haar roze pyjama met aardbeitjes, haar voetjes wiebelend op de muziek. Twee vlechtjes in haar haren, precies zoals Nina het deed.

Zoals ze het die ochtend níét had gedaan. Jamie was nergens te bekennen. In plaats daarvan stond er een onbekende man achter het aanrecht. Zijn rug was naar

Nina toe gekeerd, maar ze zag nog net de vierkante kaak, het deels opgeschoren donkere haar en gespierde armen onder opgerolde mouwen. Hij had haar schort omgeknoopt en was druk met de wok in de weer. Haar wok. Haar schort. Háár keuken.

Haar dochter.

Holy shit.

‘Emma, lieverd? Mama heeft je even nodig,’ zei Nina, al kwam het er meer piepend uit dan ze had gewild. Emma draaide zich verschrikt om, haar gezichtje asgrauw. Nina begreep het maar al te goed, en zag de angst die zij binnenhield afgetekend op haar dochters gezicht – tot Emma iets deed wat niet bij die emotie paste; ze sprong snel van de barkruk en haastte zich naar de man bij het fornuis.

Nee. Emma. Ga daar weg!

‘Papa, wie is dat?’

De man draaide zich om en pakte Emma’s hand – Nina stelde zich in een flits voor dat ze een vleesvork in zijn gehoorgang begroef –, en keek Nina aan met een argwanende blik, eentje waar ze van wilde kokhalzen.

‘Komt goed, Emmie. Mevrouw, bent u oké? Bent u verdwaald?’

Een moment of twee kon Nina niks uitbrengen. Haar stem stokte in haar keel, zo hard dat het voelde alsof iemand een splinterend stuk hout in haar strot had gehamerd.

Dat gezicht. Ze kénde dat gezicht. De scherpe neus, de ietwat asymmetrische wenkbrauwen. De donkere ogen, die al zo melancholisch hadden gekeken toen ze op vijftienjarige leeftijd hun ouderlijk huis hadden verlaten…

Nee. Dit was een onbekende. Een onbekende man in haar huis, met de hand van háár dochter vast. Even keek Nina van de man naar Emma, en toen viel haar oog opnieuw op hun handen. Haar kleine handje, omklemd door die van deze… vreemdeling? Bekende? Indringer. Interloper.

Blindelings greep Nina naar het eerste wat haar handen vonden. De kandelaar was een erfstuk van Lucas’ oma en lag zwaar in haar hand. Genoeg om deze indringer mee bewusteloos te knuppelen en haar dochter te redden.

‘Pap!’

Emma’s stem klonk angstiger, waar hij eerst enkel nerveus was geweest. Het was als een tweede dolk in Nina’s hart. Je dochter is bang voor je. Zie je wel? Je hebt het voor elkaar. Gefeliciteerd, hier heb je een bos bloemen en levenslange vervreemding. Het duizelde haar.

Maakte haar boos, en diepgeworteld bang. Wat ís dit?

‘Ga m’n huis uit,’ siste Nina, de kandelaar boven haar hoofd geheven. De vreemdeling hield zijn vrije hand omhoog in een gebaar van overgave. Olie siste in de wok.

‘Mevrouw,’ begon de vreemdeling, maar Nina zette een vastberaden stap dichterbij. De man hield snel zijn mond… en stapte beschermend voor Emma – iets waar Nina zo mogelijk nog bozer van werd.

‘Wat is dit? Wie ben jij? Waarom ben je in mijn huis?’

De vreemdeling schraapte zijn keel en legde zijn vrije hand op zijn hart. ‘Dit is Emma, ik ben haar vader. Wij wonen hier. Waar woont u?’

‘Híér, verdomme!’ In een opwelling sloeg Nina de kandelaar tegen het kookeiland. Een scherf natuursteen vloog door de lucht. Emma gilde.

‘Kunnen we iemand voor u bellen?’

Nina begroef haar vrije hand in haar haren. Haar hele schedel bonkte, en ze rukte aan een handjevol haarzakjes om maar enigszins bij zinnen te blijven. Werd ze gillend gek? Was dit hoe waanzin begon, op een donderdagavond in je keuken?

‘God, als ze die kruising bij High Road niet snel fiksen, ga ik er zelf staan met een schep en –’ Lucas kwam de hoek om, zijn gehaakte sjaal (nog een projectje van Nina en Emma) nog om zijn nek gewikkeld en zijn jas nog aan, en bevroor in de deuropening. ‘Wat –’

‘Deze mevrouw is verdwaald. We moeten haar helpen, denk ik,’ zei de vreemdeling, zijn lichaam nog altijd beschermend voor dat van Emma.

Nina brieste van frustratie en trok een lok haar uit haar hoofd. Ze draaide zich naar Lucas, die diezelfde mengeling van angst en verwarring op zijn gezicht droeg. Erger nog: hij herkénde haar niet. Waarom herkende hij zijn vrouw niet?

‘Lucas,’ begon Nina, waardoor haar man enkel achteruitdeinsde, ‘ik ben het. Nina. Je partner. Ik weet niet wie deze… man is, ik weet niet wat dit is, maar –’

‘Is dit een grap?’ Lucas’ toon was verrassend ijzig; de angst was uit zijn gezicht gelekt en had plaatsgemaakt voor een kille furie die ze zelden had gezien. ‘Ben je hier om ons belachelijk te maken? Nou?’

‘Lucas…’ zei de vreemdeling, met zo veel sympathie

om de woorden gewikkeld dat Nina haar kandelaar nog strakker vastgreep.

‘Ga ons huis uit. Hij vroeg het lief. Ik niet,’ zei de man voor haar, ooit de Lucas op wie ze op haar vijfentwintigste verliefd werd. Nu enkel een man met een slordig gehaakte sjaal en ijskoude ogen. Nina zocht naar hem, in de lijnen rond zijn mond en ogen, en vond niks. Verwoed draaide ze zich om en zette ze een stap richting Emma. ‘Emma, lieverd. Alles komt goed. Mama is er. Alles komt –’

De greep om haar pols was er een die ze al lang niet meer had gevoeld, en nog nooit van deze hand. Ze kon zich de naïeve, jeugdige belofte herinneren dat Lucas haar nooit op deze manier zou aanraken. Nooit hardhandig.

‘Emma! Nee, laat me los! Klootzak! Dat is míjn dochter!’ Nina haalde uit met de kandelaar, maar de beweging was al verslapt tegen de tijd dat die Lucas’ gezicht vond, en hij sloeg het ding makkelijk weg. De ijzeren greep om haar pols verstevigde, en Lucas begon haar het halletje door te slepen. Langs foto’s waar ze niet meer op stond. Weg van de vreemdeling in de keuken. Weg van Emma. Emma. Nina wilde enkel naar haar dochter kijken, voor zo lang als het kon, maar iets trok haar oog als een magneet naar het gezicht van de vreemdeling. Later zou ze zichzelf vertellen dat ze het zich had verbeeld, al was het om nog de slaap te kunnen vatten… maar toen ze de keuken uit werd gesleept zag ze een glimlach op het gezicht van de indringer. Een lach van oor tot oor, onnatuurlijk breed en haast lichtgevend.

Augustus ’26, Londen

De zachte aard van Lucas Teller-Shin zorgde ervoor dat hij Nina niet al te hard van het trapje naar de voordeur duwde, al kwam ze nog steeds gemeen op haar ellebogen in het grind terecht. Direct keek ze om, verwilderd en verward. Haar man – haar ex-man, wellicht? – torende boven haar uit, enkel verlicht door een straatlantaarn, zijn oogkassen zwart als inkt.

‘Als je terugkomt bel ik de politie.’

‘Lucas –’

‘Rot. Op.’ Lucas draaide zich al half om en leek zich toen te bedenken. Plotseling denderde hij het trapje af, naar haar toe. Nina krabbelde overeind en deinsde terug. Lucas, de man die ze al jaren kende en toch ineens niet meer, hield zijn hand naar haar uit. Ze keek hem aan. ‘Geef me je sleutel,’ zei hij kil.

‘Het is –’

‘Je hebt jezelf binnengelaten. Ik weet niet hoe je eraan komt, ik weet niet wie je bent, maar laat ons met

rust. Mijn man verdient dit niet, en mijn dochter al helemaal niet. Begrepen?’

Nina gunde het zichzelf nog één keer om hem goed in de ogen te kijken. Deze man was zijn hele leven een makke accountant en zelfverklaard feminist geweest, en toch had hij niet geschroomd om een waarschijnlijk mentaal instabiele vrouw hardhandig zijn huis uit te werken. Zo ken je iemand, en zo niet, fluisterde een stemmetje haar toe. Nee. Dit was een uitzonderlijke situatie. Ze moest gewoon…

Wat moest ze?

Nina legde haar huissleutel in de handpalm. Het donkergroene metaal glom in het straatlicht. De Nijntje-sleutelhanger knipoogde als altijd. Even keek Lucas naar de sleutel, verbouwereerd – ze zag de radertjes in zijn hoofd bijna draaien.

‘Hij heeft dezelfde sleutelhanger, of niet? Je man? Er is hier iets vreemds aan de hand, Lucas, ik en hij –’

Ze was te ver gegaan. Ze zag het direct. Lucas sloot zijn handpalm en stapte van haar weg. Een ader boven zijn oog klopte onderhuids. Ja, hij zag dat er iets vreemds aan de hand was, maar…

… maar jij weet beter dan de meeste mensen dat iemand eerst voor de logische optie gaat. De mens is ontzettend goed in het ontkennen van het onverklaarbare; liever een vreemde verklaring dan geen.

‘Ga.’

‘Ik ga,’ zei Nina resoluut, haar handen geheven alsof hij een pistool op haar richtte. Ze struikelde bijna over het tuinhekje en liep over de stoep weg van het huis. In haar poging niet om te kijken beet ze haar onderlip kapot. Het bloed smaakte suikerzoet.

Wat is hier in hemelsnaam aan de hand?

Tranen stroomden over Nina’s wangen terwijl ze links afsloeg en Tappesfield Road achter zich liet. Het was alsof haar benen haar vanzelf droegen. Ze moest wel. Het laatste wat ze wilde, het laatste wat ze mocht doen, was Emma bang maken – en dat had ze al gedaan. Ze mocht het niet erger maken. Het zoet van eerder mengde zich met zout terwijl de tranen haar mond in stroomden. Ze moest blijven lopen. Ze moest iets doen wat ze haatte.

Nina Shin moest om hulp vragen.

Het duurde toch zeker twee of drie straten lang voordat Nina uiteindelijk in elkaar zakte, haar handen tegen haar borstkas gedrukt, haar knieën op de vochtige stoeptegels. Haar ademhaling gierde door haar lijf, onbedwongen als een woestijnstorm, en ze klauwde met haar vingers in haar haren en langs de huid van haar nek, om maar ergens grip op te krijgen. Het lukte niet.

O, jezus. Zou ze Emma ooit nog zien? Zou ze ooit ontwaken uit deze nachtmerrie? Was dit het einde van haar leven? En , zei een venijnig stemmetje toen, is dat niet precies wat je wilde? Nee. Niet zo. Niet dít.

Er was een… Ja, een indringer. Er was een indringer in haar huis. Dat was er aan de hand. Iemand die er op de een of andere manier in was geslaagd om haar man en kind ervan te overtuigen dat hij háár rol had ingenomen. Nee; dat hij die rol altijd al had gespeeld. Dat zij… nooit had bestaan? Haar brein kraakte pijnlijk bij de gedachte eraan, en toch dacht ze enkel aan die lach. Die vreselijke, lichtgevende lach. Die van een indringer.

Een monster.

Ze had hulp nodig. Met trillende handen viste ze

haar smartphone uit haar broekzak. Nina scrolde door haar contacten en belde zonder aarzeling. De telefoon ging over.

‘Hallo, met Jessie!’

‘Jess, godzijdank. Er is iets mis, ik –’

‘Sorry, wie is dit?’

Nina’s net nog zo rappe ademhaling stokte in haar keel. Toch zette ze door. ‘Nina.’ Ze aarzelde even. ‘Nina Shin. Van het Great Ormond. Je collega en vriendin,’ voegde ze er nog aan toe, en liet een veelbetekenende stilte vallen. Als Jessie haar ook niet zou herkennen, zou het noemen van hun gezamenlijke werkplek alles enkel erger maken, en toch moest ze het proberen. Jessie zou haar niet vergeten zijn.

‘Is dit een grap?’ Diezelfde kilte die ze bij Lucas had gehoord kwam nu uit Jessies keel. Die walgende, vermangelde toon. Nina snapte er niets van. Toen ze vergat te antwoorden ging Jessie door: ‘Ik weet dat er veel mis is met mensen, maar dit slaat alles. Je belt mij nooit meer en laat mijn vrienden met rust, of ik kom je opzoeken, ja? Mijn man is politieagent.’ Jessie hing zonder op antwoord te wachten op. Als zoiets technologisch mogelijk was geweest, had Nina na die tirade spuug van haar wang moeten vegen. Mijn man is politieagent. Dat was niet zo; dat was de verdediging die Jessie Nichols gebruikte tegenover enge mannen. Tegen creeps.

Nina liet haar telefoon uit een klamme handpalm glijden. Het ding kletterde met het schermpje naar beneden op een groezelige tegel. Ze had het amper door. De lauwwarme augustuslucht omvatte haar, en ze probeerde te focussen op haar ademhaling. Niet op de paniek, of de blik in Emma’s ogen, of de foto van Sophie Crane. Niet op het bijtende schuldgevoel dat zich nog steeds als een inktvlek in haar verspreidde.

Ze overwoog nog een keer kort om haar ouders te bellen – en had de vage hoop dat haar vader zou opnemen, die toch zeker acht van de tien keer de lieve, redelijke ouder bleek –, maar dat was ook een soort zelfmoord, en niet het soort waar ze klaar voor was.

Toen spuugde ze een druppel speeksel op de stoep, raapte haar gebarsten telefoon op en liep door, met haar handen diep in haar zakken.

Écht weten waar ze naartoe ging deed Nina niet – haar kordate wandeling had als hoofddoel ‘weg’. Weg van Tappesfield Road. Weg uit deze nachtmerrie. Toen ze uiteindelijk tot haar eigen verrassing bij het Queens Road Peckham-metrostation aankwam, besloot ze dat het een logische volgende stap was, voor zover die nog bestonden. Ze scande haar Oysterkaart, maar er gebeurde niets. Nina haalde het ding nogmaals langs de scanner naast het poortje. Geen geluid. Het poortje bleef dicht. Terwijl er een kleine orkaan in haar binnenste raasde bekeek ze het plastic kaartje; was de code vervaagd, of de chip defect? Zat er een barst in?

Of word je langzaam uitgewist, zodat de vreemde man in jouw keuken je plaats kan innemen?

Nina deinsde achteruit, de Oysterkaart in haar hand geklemd. De scherpe randjes drukten in de huid van haar vingers. Ze liep totdat ze met haar rug tegen een muur botste en opnieuw schrok. ‘Rustig,’ mompelde ze tegen zichzelf terwijl ze omdraaide om zich te oriënteren, ‘rustig blijven. Nadenken.’ Ze haalde diep adem, maar haar hervonden rust bleek van korte duur. Klaarblijkelijk stond ze voor een mededelingenbord op de betegelde muur, met een plexiglazen bescherming in een

metalen frame. Er hingen een paar verouderde flyers in. Advertenties voor een hondenkapper en een indiefolkband en een oproep voor bloeddonatie van de nhs . De rest van het bord was leeg, en door de zwarte achtergrond zag Nina de weerspiegeling van het station in het glas, inclusief die van haarzelf.

Of: wat ervan over was.

Ze zag haar donkere haren, in de war van de worsteling met Lucas en haar eigen handen. Ze zag haar donkerrode hoodie, die veel te dunne nek en de oren waar je de dichtgegroeide gaatjes nog nét in kon zien. Ze zag de plek waar haar gezicht had moeten zitten.

Haar spiegelbeeld had geen gezicht. Nina sloeg een hand voor haar mond, en zag haar spiegelbeeld een hand heffen naar de lege, beige vlek omkranst door kaak en haarlijn. Uitgewist. Alsof een kunstenaar nogmaals over haar gelaatstrekken heen geschilderd had omdat hij niet tevreden was met zijn werk. Weg. Weg. ‘Jezus…’ ontsnapte er uit haar mond. Ze zette een paar stappen weg van het mededelingenbord. Het spiegelbeeld met het lege gezicht deed haar na. En dat niet alleen: er stonden meer figuren om haar heen. Allerlei formaten en lichaamstypen. Allemaal zonder gezicht.

Nina draaide zich in het wilde weg om; het zwakke tllicht onthulde een leeg metrostation. Ze keek opnieuw in de spiegel. Tientallen mensen met lege gezichten, enkel zichtbaar in het plexiglas, staarden haar aan. Sloten haar langzaam in.

In een vlaag van paniek nam Nina een aanloop en sprong ze over het toegangspoortje het station in, beide handen op de scanpaaltjes voor steun. Ze landde aan de andere kant en holde naar het dichtstbijzijnde metrospoor. Er rolde net een metro de halte binnen, inclusief het klaaglijke gejammer van koper en staal. De

Southern-lijn richting London Bridge. Prima. Blijven bewegen. Zonder zichzelf de kans te geven om na te denken stoof Nina naar binnen.

We wachten op je!

Noa!

De digitale klok op het schermpje in de metro gaf 20:53 aan. De trein begon te rijden. Nina zakte als een hoopje in elkaar op een stoel in een vierzits bij het raam.

De bekleding rook naar stof en… zilt, vreemd genoeg. Niet het vreemdste van deze dag.

‘We gaan het uitvogelen,’ mompelde ze met gesloten ogen tegen zichzelf. Deels omdat ze wilde proberen haar lichaam te kalmeren, deels omdat ze niet per ongeluk haar weerspiegeling in het metroraam wilde zien.

‘We komen hier wel uit,’ probeerde ze nogmaals tegen zichzelf. Haar gedachten grapten terug: Gister dacht je nog dat stiekem dood willen het ergste gevoel ter wereld was. Dat was kinderspel, blijkt nu!

Voorzichtig, bang dat ze eveneens zou verdrinken in het donker achter haar oogleden, opende Nina haar ogen en keek ze de coupé rond. Deze was leeg. Of zat er iemand op de allerlaatste stoel, vlak bij de deur? Ze zag een bruinleren puntschoen en de zoom van een grijze pantalon. Puur toeval, probeerden haar gedachten, maar paranoia was inmiddels onder haar huid gekropen. Het licht in de coupé flikkerde uit. Dat gebeurde soms, wanneer de metro over een oneffenheid in het spoor reed, of wanneer er een flinke ondergrondse wind opstak. Metro’s waren wispelturige wezens.

Toen het licht weer aansprong was de puntschoen weg. Of, nee – Nina keek nogmaals de coupé rond en vond hem opnieuw; een paar stoelen dichterbij, nu in dezelfde rij als waar zij zat. De lichten doofden opnieuw. Nina hapte naar adem. Zou het dan nooit stoppen?

Het licht flikkerde opnieuw.

De figuur was weg. Daadwerkelijk weg. Nina stond in haar pure verwarring even op en keek de hele coupé rond, waarbij ze zelfs een blik wierp op de weerspiegeling in het raam. Daar zag ze een metro vol lege gezichten. Snel keek ze weg. Het licht viel opnieuw uit en gehaast nam ze weer plaats. Ze rook opnieuw de muffe, zilte bekleding. Het licht sprong aan.

De man met de puntschoenen zat tegenover haar en las een krant. Hij leek ergens in de veertig; zijn lange, krullende haar was doorspekt met grijs en de rimpels in zijn gezicht wezen op levenservaring, wellicht wijsheid, mogelijk verdriet. Hij droeg een grijs pak en een donkere overjas. En er was een geur. Vruchtensap, of frambozen? Nee. Bramen. Wilde bramen.

Even las de man geruisloos zijn krant. Nina keek hem verbouwereerd aan. De coupé was leeg geweest, hij was weg geweest. Pas toen hij zijn krant opvouwde en naast zich op de stoel legde besefte Nina weer dat ze met een ander levend wezen te maken had; een dat haar bestaan erkende. De man sprak.

‘Ben je bekend met de sciencefictionserie Star Trek?’

Nina werd met stomheid geslagen door die vraag, en door het zacht-Amerikaanse accent waarmee hij gesteld werd. Dat moest van haar gezicht af te lezen zijn, want de man grinnikte – een frustrerend charmant geluid voor een man van middelbare leeftijd – en zette zijn verwarrende kruisverhoor voort. ‘In die serie worden de personages, wanneer ze klaar zijn met hun missie op een vreemde planeet, omhoog gestraald naar hun ruimteschip. Wellicht heb je de inmiddels klassieke leus “Beam me up, Scotty! ” weleens gehoord?’

Er was niet veel anders dat Nina Shin op dat moment wist te doen, dus knikte ze.

‘Dit is het interessante: wanneer de personages worden geteleporteerd komen zíj niet terug. De machine deconstrueert hun lichaam en geest en maakt een perfecte kopie. Eigenlijk zijn er dus honderden, zo niet duizenden versies van de bemanning van de Enterprise. Mijn vraag aan jou,’ zei hij terwijl hij het ene been over het andere sloeg, naar haar toe boog en haar indringend aankeek, ‘bestaat er nog wel een origineel en zo ja, maakt het uit?’

‘Sorry, ik kijk niet zoveel televisie,’ was het antwoord dat Nina uit haar mond hoorde komen. Direct wilde ze zichzelf veroordelen omdat ze niets beters wist uit te brengen, maar ze besloot dat ze zich eerst opnieuw moest oriënteren, voor de zoveelste keer die avond. Ze stond op, nog altijd met wankele knieën, en begaf zich naar de automatische schuifdeur die deze coupé scheidde van de volgende. ‘Ik… Een vriendin wacht op me in de volgende coupé,’ zei ze over haar schouder. Haar eigen standaardsmoes tegen engerds in het openbaar vervoer.

‘Zie je de lach nog voor je?’ vroeg de man. Nina verstijfde. Als een blikseminslag verscheen het beeld van de lach weer voor haar; de indringer, de grijns van oor tot oor, opgerekt door onzichtbare vingers. Lichtgevende tanden. Ze probeerde het van zich af te schudden, maar het leek op haar netvlies gebrand. De deur voor haar schoof open met een mechanische zucht. Ze liep er niet doorheen. ‘Wat?’

‘Bij mij duurde het een dag of twee voordat ik hem niet meer telkens zag wanneer ik m’n ogen sloot,’ zei de man. Terwijl Nina behoedzaam omdraaide en haar plaats bij het raam weer innam, zette hij voort: ‘Nu zie ik hem zo af en toe. Komt-ie even op bezoek.’ De man

keek haar kalmpjes aan. Er zat een bepaalde zachtheid in zijn gezicht. Een oud litteken op zijn bovenlip.

‘Hoe weet u daarvan?’

‘Dacht je dat jij de enige was? Dat zou wel heel tragisch zijn,’ zei de man.

Nina voelde tranen in haar ogen springen. Ze knipperde ze weg, zo goed en zo kwaad als het ging. Ze besefte vaag, als een déjà vu, dat ze niet nog een poging zou doen om van de man weg te komen – misschien wel nooit meer. ‘Hoe… Wie… Nee, wacht even.’ Twee seconden drukte Nina haar vingertoppen tegen haar oververmoeide slapen en sloot ze opnieuw haar ogen. Als de man er nou zou zitten wanneer ze haar ogen weer opende – als ze niet tegen een lege metrostoel aan het praten was, tot aan haar kin in een psychose – zou ze hem een plezier doen en het gesprek met hem aangaan, hoe absurd ook. Nina opende haar ogen. De man zat er nog, met diezelfde lieve glimlach. Het littekentje krulde mee.

‘Ja?’ vroeg hij speels.

Nina knikte en sloeg haar armen over elkaar. Ze was altijd al een gezonde scepticus geweest, en nu de aanvankelijke schok begon af te nemen – voor nu – wilde ze er vooral het fijne van weten. ‘Is het een gevalletje massahallucinatie, zoals mensen die een slaapverlammingsdemoon delen? Of zoals ooggetuigenissen van bovennatuurlijke wezens die op den duur op elkaar gaan lijken, niet omdat ze dat in eerste instantie deden, maar omdat ons collectief geheugen enorm krachtig is? Of word ik voor de gek gehouden en staat er een cameraploeg achter die deur?’

De man leek haar pleidooi serieus te overwegen. ‘Zou je je comfortabeler voelen als een van die dingen waar was?’

‘Nee,’ antwoordde Nina. ‘Niets kan dit comfortabel maken.’

Voordat hij opnieuw op haar reageerde haalde de man met het grijzende haar en de puntschoenen een klein Tupperware-bakje uit zijn binnenzak. Hij opende het felgroene dekseltje – de geur van wilde bramen vulde de coupé – en hield het bakje naar haar uit. ‘Braampje?’

‘Nee, dank u.’

‘Meer voor mij,’ zei hij simpelweg. Hij duwde het een-na-laatste ‘braampje’ in zijn mond en likte uitgebreid zijn duim af. Toen vroeg hij: ‘Je gelooft dus niet in het bovennatuurlijke?’

Beelden schoten langs haar geestesoog, alsof iemand een bijzonder gemene diaprojector had aangesloten. De glimlach van de indringer. Sophie in Emma’s bed. De spiegelschimmen. ‘Tot voor kort niet,’ zei ze slapjes. De metro rammelde over het spoor.

‘Tot voor kort,’ herhaalde de man, elk woord proevend. ‘En wat is er veranderd?’

Even dacht ze na. Nina Shin had dan misschien wel de ergste avond van haar leven achter de rug, ze was nog altijd een dochter van haar vader. Scherp geslepen, had hij altijd gezegd. Als een mes, had Nina er later aan toegevoegd. ‘Is dat niet waarom u hier bent?’ vroeg ze aan haar onbekende reisgenoot. Het was Nina’s beurt om de man indringend aan te kijken, op zoek naar een teken van ontregeling; het vertrekken van een oogspier of mondhoek, of een onwillekeurig krabben achter het rechteroor. De man glimlachte beleefd.

‘Is dat zo?’

‘Luister,’ zei Nina, een korte blik werpend op de krant op de lege stoel en de kop op de voorpagina – geweldsincidenten in het verenigd koninkrijk bereiken een nieuw hoogtepunt –, ‘als

u hetzelfde heeft meegemaakt als ik, of iets vergelijkbaars, dan weet u dat mijn mentale gesteldheid aan een zijden draadje hangt. Ik heb geen tijd voor spelletjes. Als u me kan helpen, top! Zo niet, ga dan alstublieft uw krant ergens anders lezen.’ Opnieuw wreef Nina over haar slaap, waar een volhardende hoofdpijn was ontstaan. Een seconde of twee kneep de man zijn ogen samen.

Toen antwoordde hij met een tevreden knikje: ‘Punt gemaakt.’

Nina stak haar hand uit. Ze had in elk geval haar scherpe tong nog. De man pakte hem aan. ‘Nina Shin.’

‘Lester Wells.’

‘Hallo, Lester,’ zei Nina met haar eigen halve glimlach, eentje die ze niet volledig onder controle had. De naam leek een bezwering; nu ze zijn naam kende voelde ze gelijk een vertrouwen rondom de man – de nette man met het bramenbakje en hetzelfde noodlot als zij. Een verwantschap, wellicht?

De metro minderde vaart. Nina keek op het bord en de schrik sprong opnieuw haar keel in; ze waren toch zeker twee haltes gepasseerd en ze had de metro niet eens voelen stoppen. Er waren geen nieuwe mensen hun coupé binnengekomen. Hè?

‘Hier stappen we over,’ zei Lester, waarna hij zijn krant van de stoel raapte en onder zijn arm stak, en zich met besliste tred naar de deuren begaf.

Nina twijfelde.

Het was een monsterlijke avond geweest. Ze was alles kwijt.

Glimlach. Operatietafel. Bloed in het masker. Het raamkozijn. Indringer. Noa!

‘Ze wachten op je,’ zei Lester vervolgens. Dit schudde Nina uit de draaikolk die haar binnenste geworden

was. De metrodeuren schoven open. london bridge , stond er op de betegelde wand. Ze volgde Lester de metro uit.

LEES VANAF 22 APRIL VERDER IN

LEES OOK VAN SIEP HENDRIKS

‘Nederland is duidelijk een talentvolle horrorschrijver rijker.’ **** VN Detective & Thrillergids

‘Dit boek is fantastisch. Voordat we slapen is mijn boek van 2025.’ Thrillerlezers.nl

‘Een dijk van een debuut, gruwelijk en lieflijk ineen. Moordzuchtig, sinister, cynisch, maar vooral erg goed.’ ThrillZone.nl

In het diepe duister

Het leven van Nina Shin verandert voorgoed wanneer ze thuiskomt en ontdekt dat ze is vervangen. In haar eigen keuken staat een vreemde man – een onbekende, die tóch akelig vertrouwd aanvoelt – die haar plek in het gezin heeft ingenomen. Haar vrienden, familie, zelfs haar echtgenoot… Niemand herkent haar meer. Binnen enkele minuten wordt Nina uit haar eigen leven verdreven en zwerft ze verloren door de straten van Londen.

Als ze Lester Wells ontmoet, een excentrieke Amerikaan en oprichter van het mysterieuze Bureau Randzaken, wordt haar duidelijk dat ze niet de enige is. Iedereen die zich bij het Bureau heeft aangesloten is vervangen en er komen steeds meer mensen bij. Ze proberen al jaren te achterhalen wie of wat deze indringers zijn – én hoe ze te bestrijden.

Nina sluit zich aan, vastbesloten antwoorden te vinden. Maar terwijl ze onderdeel wordt van het team en steeds dieper in de duistere kanten van Bureau Randzaken duikt, begint ze zich af te vragen of Lesters missie wel kans van slagen heeft. Want wie ben je nog als iedereen jouw herinnering heeft losgelaten? En wie kan je worden als de wereld je is vergeten?

Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook