De dood van Boudewijn
‘Heengegaan via de deur van het hart’
21 juli 1993. De lucht is grijs, het regent. Boudewijn, in het uniform van luitenantgeneraal schouwt de militaire parade, even traditioneel als de bijbehorende ‘drache nationale’. Voor de middag, bij het verlaten van de basiliek van Koekelberg na het Te Deum, hebben de koning en de koningin de tijd genomen om de menigte te begroeten. En zoals elk jaar sinds 1964 heeft royaltyfan Huguette Huart de gelegenheid aangegrepen om Boudewijn een boeket bloemen te overhandigen.1 De volgende dag vertrekt de koning naar zijn vakantieverblijf in Motril, aan de Middellandse Zee. Daar is het dat hij sinds 1966 verpozing en herbronning zoekt. Daar ontvangt hij zijn vele neven en nichten en soms ook kinderen van andere staatshoofden. Op foto’s en films uit die dagen van ontspanning is te zien hoe hij toneelspeelt, danst, zich vermaakt en geniet van de zee. Zijn vakantieoutfit contrasteert sterk met het legeruniform of het driedelige pak dat hij draagt bij de uitoefening van zijn functie. Zijn standbeeld dat daar later is opgericht, kijkt uit over de zee en toont hem in hemd, pantalon en slippers.
De koning is nog steeds niet beneden
Negen dagen na aankomst heeft de koning nog steeds niet gejogd. ‘Hij zei dat hij niet in conditie was en eerst weer op krachten moest komen’, herinnert zich Joseph Van den put, die sinds 1985 zijn ordonnantieofficier is. Voor de middag gaat Van den put samen met hem inkopen doen in Motril: ‘De koning wilde zijn telescoop weer op het terras plaatsen, maar er ontbraken wat spulletjes en die hebben we gevonden. Rond 12 of 13 uur, in elk geval nog voor het middagmaal, waren we terug. Hij vroeg me om alles samen met hem naar boven te dragen.’ De kolonel ziet hem halverwege de trap naar zijn bureau plots stoppen en verstijven. Na het overlijden van de koning heeft hij gedacht dat Boudewijn op dat moment ‘iets moet hebben gevoeld’.2
Voor zijn vertrek naar de winkel had de koning samen met enkele neven en nichten van de koningin deelgenomen aan een gebedsketting voor een ziek familielid waarvoor de datum meer dan een maand tevoren was vastgelegd. In zijn spirituele dagboeken schrijft hij:
‘31 juli 1993, feest van de heilige Ignatius. Om middernacht is er een gebedsketting voor [X] begonnen. Ik sta ingepland tussen 9 en 10 uur in de ochtend, en dat is best handig. Kom in mij bidden, Heilige Geest. Ik voel me dor en moe. Mama, ik ga zonder al te veel moeite naar u toe, ik zal in geloof proberen aan uw voeten te gaan zitten, heel dicht bij u. Draag me in het gebed voor [X] en in de aanbidding van de Vader. Ik draag u al mijn zwakte en zwaarte op… Ik smeek U, Jezus, geef mij Uw vrede, Uw vreugde, Uw liefdesvuur. Mag ik U, Heer, ook vragen om me te doen volharden bij het schrijven van mijn dagboek en het leren van Duits?’3
Het zijn Boudewijns laatste geschreven woorden. Hij schreef ze op zijn sterfdag. De vorige aantekening in zijn dagboek dateert van 20 mei, dus van bijna tweeënhalve maand eerder. Duits wilde hij leren, omdat hij als staatshoofd alle Belgen in hun moedertaal wilde kunnen aanspreken. Maar hij is ‘moe’ en wil gaan uitrusten bij Maria (de ‘Mama’ uit zijn tekst). Koningin Fabiola is in de ketting om 17 uur aan de beurt, maar ze komt te laat, omdat ze net heeft vernomen dat haar kokkin er niet zal zijn voor de receptie die ze gaat geven, en daarvoor nog snel een oplossing moet vinden. Wanneer ze om 17.15 uur de kapel binnenkomt, zo vertelt ze, ziet ze Boudewijn daar zitten. Hij had gemerkt dat zijn vrouw te laat was. Hij geeft haar een tekst over hemelse vreugde te lezen.4
Dertien jaar na de feiten kon die getuigenis niet meer worden geverifieerd, maar zeker is dat de koning soms de dood voelde naderen. Hij is in de weken hiervoor verschillende keren onwel geworden, maar tijdens zijn officiële werkzaamheden probeert hij dat te verbergen. Na zijn operatie had Boudewijn aan Wilfried Martens gezegd: ‘Ik ben op.’ Volgens Martens betekende dat dat de vele problemen die de koning in de loop van 43 jaar had moeten overwinnen, hem intellectueel uitgeput hadden en bedoelde Boudewijn dus eigenlijk: ‘Ik ben mentaal op.’5 Dat zal wel, maar de koning was ook fysiek ‘op’.
Veel wijst erop dat hij zich voelde ‘wegzakken’. ‘Na zijn tweede operatie had hij veel pijn’, vertelt Pierre Harmel, met wie Boudewijn zich ook in de laatste maanden van zijn leven nog steeds sterk verbonden voelde.6 Op 19 juli 1993 wordt hij door Boudewijn opgebeld. Hoe kon hij weten dat het de laatste keer was dat hij de koning zou horen? Met bijna gebroken stem vertelt hij hier later over: ‘Hij was
fysiek op. Hij had geen energie meer. Hij zei me niet met zoveel woorden dat hij ging sterven, maar voor mij voelde dat gesprek als een afscheid. Hij voelde dat het bergaf ging.’7 Suenens had een soortgelijke ervaring. Uit teksten van de koning hierover die de kardinaal opnam in een boek over hem, blijkt dat deze ‘de dood voelde naderen’.8 Al op 4 januari 1972 had de koning geschreven: ‘Om 6 uur word ik wakker met hartritmestoornissen. Omdat ik niets anders te doen had en niet opnieuw de slaap kon vatten, dacht ik aan de dood, die misschien niet veraf meer is, en aan de liefde van God.’ Toen hij tijdens het weekend van 9 tot 12 juli 1982 in Liechtenstein in een zwembad dook, kreeg hij ernstige hartkloppingen.9 Op 18 juli 1987 schreef hij in zijn spirituele dagboeken: ‘Geef me dat ik mijn dood met vreugde en in vrede kan aanvaarden.’10 Op 15 mei 1989:
‘Ik voel me volkomen krachteloos. Bij de minste inspanning denk ik dat mijn hart gaat ontploffen. Heer, U weet dat ik U liefheb en dat ik weet dat alle kruisen tekenen van Uw liefde zijn. Alstublieft, Jezus, geef me dat ik deze dagen in vreugde mag beleven. Soms voel ik dat de dood naderbij komt en ik zou willen dat ik me daar geen zorgen over maakte. Ik weet dat ik in Uw handen ben, dat U me liefhebt. Heiligen kunnen vreugdevol lijden; ik bied U mijn onvermogen aan, mijn niets.’11
Zijn voormalige kabinetschef André Molitor bevestigt dat: ‘De laatste twee jaren leefde Boudewijn op wilskracht.’12 De hertog van Miranda, een neef van de koningin die sinds 1984 haar privésecretaris was, was bij Boudewijn toen deze bij zijn hartoperatie in Parijs tussen leven en dood zweefde, en vertelt hierover dat ‘de koning altijd positief bleef en ironisch deed over de vele draden om hem heen en de weldaden van de wetenschap’. Maar toen Boudewijn zijn kamer verliet om naar de operatiekamer te gaan, gebeurde er iets sterks: hij pakte de hand van zijn aangetrouwde neef en kuste die, waarop de neef die van de koning kuste. Grinnikend zei Boudewijn: ‘Javier, is dit niet een beetje belachelijk?’ ‘Op dat moment en op die manier’, vertelt de hertog, ‘zei hij me dat hij misschien zou sterven.’13
Voor de vorst op 22 juli 1993 naar Motril vertrok, had hij aan sommige medewerkers en aan Fabiola nog afscheidsgeschenken gegeven. Generaal Wilfried Van Kerckhove, op dat moment zijn privésecretaris, vertelt nog iets anders dat op een soort voorgevoel kan wijzen: ‘In de week voor 21 juli 1993 legde Boudewijn een reeks bezoeken af die hij lang had uitgesteld. Hij kwam met name bij mij thuis voor een barbecue die al twee jaar gepland stond. Hij is niet lang gebleven. Toen hij weer thuis was, belde hij me op. Hij leek trots op zijn timing, maar vertrouwde me ook toe dat hij uitgeput was.’14 Het hoeft allemaal niet te betekenen dat Bou-
dewijn bij zijn vertrek naar Motril de hete adem van de dood in zijn nek voelde. De schok van zijn overlijden kan tot interpretaties a posteriori van sommige van zijn woorden of daden hebben geleid. Wel zeker is dat hij zijn krachten aanzienlijk voelde afnemen. Twee of drie dagen voor zijn dood zag Teresa Parladé Soto, een vriendin van de familie, hem op het gazon rond villa Astrida in Motril plotseling halt houden en reageren op een hevige pijn in zijn linkerarm, om vervolgens verder te lopen. ‘Achteraf vroeg ik me af of hij toen geen hartaanval had gehad.’15
We keren terug naar 31 juli. Voor het avondeten gaat de koning naar het dakterras van de villa. Hij trekt zich daar graag terug om te lezen, te mediteren of vanuit het kleine observatorium dat hij er had laten installeren, naar de sterren te kijken. Wanneer Fabiola een belletje luidt om hem voor de maaltijd naar beneden te laten komen, reageert hij niet onmiddellijk, maar dat gebeurt wel vaker, dus is ze niet ongerust. Boudewijn had trouwens gezegd dat zijn gasten in zulke gevallen al zonder hem aan tafel mochten gaan. Maar aan het einde van de maaltijd is hij nog steeds niet naar beneden gekomen. Fabiola gaat naar boven.16 Ze denkt dat hij in zijn studeerkamer is, maar staat voor een gesloten deur. Tot zover niets bijzonders, want het gebeurt wel vaker dat Boudewijn de deur van binnenuit op slot doet als hij met rust gelaten wil worden. Dat hij niet antwoordt wanneer ze aanklopt, is wel onrustwekkend. Ze gaat naar het kantoor van Joseph Van den put. ‘De enige andere toegang tot de studeerkamer’, vertelt de ordonnantieofficier later, ‘is de brandladder van de patio naar het terras, vanwaar je dan naar de studeerkamer kunt.
De koningin vindt het dom van zichzelf dat ze daar niet eerder aan had gedacht en klimt vliegensvlug, en nog voor mij, de ladder op. Zij is het dus die de koning ontdekt, terwijl ik vlak achter haar sta.’17
De koning zit met ontbloot bovenlijf – hij draagt alleen een zwembroek – op een witte plastic stoel, met een boek. Hij lijkt te slapen, maar door de kleur van zijn gezicht begrijpt Van den put meteen dat ze te laat komen: hij is al even dood en is niet meer te redden. Ontzet slaakt Fabiola een luide gil: ‘Baudo!’ Beneden kijken de nichtjes verschrikt op.18 Met de hulp van Fabiola trekt Van den put de koning zijn gele T-shirt aan. Op aandringen van de koningin past hij nog kunstmatige beademing en hartmassage toe. De koningin lost hem af. Ze blijft ‘rustig, onvoorstelbaar rustig’.19 Van den put beseft dat hij een dokter moet verwittigen en doet daarvoor een beroep op Frans Verellen, Boudewijns trouwe chauffeur. Hij beseft ook dat hij ‘Brussel’ moet verwittigen. Hij is zeker dat de koning overleden is, maar vraagt zich af wie het overlijden van een koning der Belgen vaststelt, of hij dat is, of dat het niet beter door een dokter gebeurt... Wanneer hij Jean-Pierre Bovy opbelt, de ordonnantieofficier die in Brussel stand-by is, is er nog geen dokter in de villa gearriveerd. Dus zegt Van den put aan zijn collega dat
de koning een zware hartaanval heeft gehad. ‘Is hij overleden?’ is de onmiddellijke reactie van Bovy. ‘Dat kan ik niet bevestigen,’ antwoordt Van den put, ‘maar het is ernstig, ik wacht op hulp.’20 Wanneer de huisarts en daarna de cardioloog Carlos Aguado Hernández arriveert, kan deze alleen de fatale afloop vaststellen. Van den put belt Bovy opnieuw op, nu om hem te zeggen dat het overlijden medisch is vastgesteld.21 Hij bevestigt dat daarna in een gesprek met baron Jacques, Grootmaarschalk van het Hof.22
Jacques van Ypersele, kabinetschef van de koning, is na de eerste oproep van Van den put aan Bovy op de hoogte gebracht en verwittigt alle regeringsleden. De auto van vicepremier en minister van Justitie Melchior Wathelet staat al klaar om de volgende ochtend met vakantie te vertrekken wanneer hij verneemt dat de koning een zware hartaanval heeft gehad. Premier Jean-Luc Dehaene krijgt hetzelfde te horen terwijl hij in het stadion van Club Brugge een match bijwoont. Omdat hij na de voetbalwedstrijd Jacques van Ypersele niet meer kan bereiken om preciezere informatie te krijgen, keert hij spoorslags naar huis terug. Bij aankomst in Vilvoorde vertelt zijn dochter hem dat er telefoontjes zijn geweest van Jacques van Ypersele, Melchior Wathelet, Louis Tobback, Willy Claes… Hij begrijpt meteen dat de situatie zeer ernstig is. Louis Tobback, de socialistische minister van Binnenlandse Zaken, is de eerste die hem bevestigt dat de koning overleden is – op de dag af 43 jaar na het besluit van Leopold III om hem zijn bevoegdheden over te dragen.
Prins Albert wordt nog dezelfde avond in Villa Romarin, zijn buitenverblijf in het Zuid-Franse Châteauneuf-Grasse, opgebeld door admiraal André Pauwels. Die vertelt hem dat zijn broer ‘onwel’ is geworden en dat hij maar beter zijn schoonzus kan opbellen. Dat doet hij meteen. Hij zegt haar dat hij vernomen heeft dat zijn broer onwel is geworden en vraagt haar hoe hij het nu maakt. ‘Onwel? Maar hij is dood!’23 De klap kon niet harder aankomen.
Kort na het overlijden, nog voor de media er ruchtbaarheid aan hebben gegeven, ontstaat er beroering voor villa Astrida. De koning is een bekende figuur in Motril, een stadje met iets meer dan 50.000 inwoners. Omdat de politiecommissaris verwacht dat er snel ‘vips’ zullen arriveren, gaat hij zelf ter plaatse.24 Rond 23.45 uur verneemt Michel Konen, hoofdredacteur van het tv-journaal van de RTBF, via een van zijn correspondenten wiens vrouw voor een Spaans mediabedrijf werkt, dat Boudewijn overleden is. Hij beseft dat de komende dagen zwaar zullen zijn. Persbureau Belga publiceert kort voor middernacht een eerste communiqué.25 Van den put ontvangt talrijke telefoontjes, met name van prins Albert en van prins Filip, aan wie hij de omstandigheden van het overlijden beschrijft.26
Om middernacht roept premier Dehaene het kernkabinet (de vicepremiers en hijzelf) bijeen. Het overlijden van de koning kwam voor hem als een ‘complete verrassing’.27 Toen hij Boudewijn op 21 juli verliet, had hij de indruk dat deze goed van zijn operaties hersteld was.28 Op 21 juli 1992 had de koning in zijn toespraak naar aanleiding van de nationale feestdag immers gezegd, verwijzend naar zijn hartoperatie: ‘Uw blijken van sympathie waren overtalrijk; zij hebben mij diep getroffen. Nu de artsen mij opnieuw een uitstekende gezondheid hebben bezorgd, zal ik u, met groot genoegen, nog vele jaren kunnen dienen.’29 Op 2 juni al was hij voor het eerst na zijn operatie weer in het openbaar verschenen – op een finaleavond van de Koningin Elisabethwedstrijd. Op de vergadering van de kern, waarop ook de kabinetschef van de koning aanwezig is, wordt de organisatie van de uitvaart besproken. Dehaene vraagt aan zijn eigen kabinetschef en aan Jacques van Ypersele om het Belgisch Staatsblad uit 1934 op te zoeken waarin de regelingen beschreven staan voor de uitvaart van koning Albert I, de vorige koning der Belgen die als regerend monarch overleden is.30 Nu is de zaak complexer, want Boudewijn is in het buitenland overleden.
En natuurlijk gaat het al snel over de opvolging. Gezien de vroegtijdige dood van de koning zijn alle leden van de kern het erover eens dat de grondwettelijke orde moet worden gerespecteerd. Het is Louis Tobback die dat zegt, maar de anderen vallen hem onmiddellijk bij. Voor de premier is het duidelijk dat de regering prins Albert niet kan suggereren om niet de volgende koning der Belgen te worden: zoiets moet uit de koker en het hart van de prins zelf komen.31 Daarop verlaat Dehaene even de vergadering om prins Albert op te bellen. Die zegt, maar niet zonder enige aarzeling, dat hij beschikbaar is en vraagt wat de Belgen daarvan zouden denken. Later verklaart Albert II: ‘Dehaene antwoordt me in zijn geheel eigen stijl: “Wat de mensen daarvan denken, kan ons niets schelen! We denken dat het het beste is om de grondwettelijke orde te respecteren.”’32 Prins Albert had de kwestie in 1992 al besproken met zijn broer, met wie hij een zeer hechte band had. De prins en de kern bekijken de zaak dus door dezelfde bril, de premier hoeft niet als kingmaker te fungeren. De prins wijst de premier er ook op dat zijn zoon, prins Filip, nog niet getrouwd is. Dehaene schrijft dat Albert zichzelf ziet als een overgangskoning die na enkele jaren zal aftreden, maar de prins wil niet dat dat al openbaar wordt gemaakt. Aan het einde van dat korte gesprek stelt Dehaene voor om er een nachtje overheen te laten gaan en pas de volgende dag, zondag 1 augustus, in Motril definitief te beslissen.33 Prins Albert wil daar inderdaad de mening van koningin Fabiola vragen. Hij heeft bevestiging nodig. Groothertog Henri van Luxemburg vertelt dat Albert ook de mening van zijn zus, Josephine Charlotte, heeft gevraagd: ‘In de avond van 31 juli belt Albert met mijn moeder. Hij aarzelt
nog wat. Wanneer hij zegt dat hij naar Motril wil gaan, antwoordt mijn moeder: “Ja, dat moet je doen, je moet daarheen en je moet de opvolging van onze broer aanvaarden.”’34 Toen prins Albert zijn zus op de hoogte bracht van het overlijden van hun broer Boudewijn, zou Josephine Charlotte volgens haar oudste dochter, prinses Marie Astrid, hem hebben geantwoord: ‘Voor ik flauwval: nu ben jij het hoofd van de familie en je moet naar Motril gaan (…) om je broer op te halen.’35
Volgens kardinaal Danneels was ‘Albert II hierop niet voorbereid, en koningin Paola nog minder. Ze hadden nooit gedacht dat ze koning en koningin zouden worden.’36 Inderdaad, toen prins Albert op 30 juni vanuit Salzburg een ansichtkaart naar zijn broer en schoonzus stuurde, kon hij niet vermoeden welke schok hem een maand later te wachten stond. En koningin Paola vertelt over de situatie: ‘Boudewijn stond heel dicht bij mijn man, hij was niet alleen zijn broer, maar ook zijn beste vriend en raadgever. Het nieuws van zijn dood kwam zo plots! We waren kapot van verdriet en moesten die onverwachte situatie het hoofd bieden.’37 De kern beseft dat de onzekerheid over de troonopvolging niet te lang mag duren en dat er ten laatste op zondagavond 1 augustus een communiqué moet zijn.
‘De kerel die het land bijeenhield’
De kern is pas in de vroege uurtjes afgelopen. Om 1.24 uur wordt het officiële communiqué vrijgegeven.38 Nog tijdens de nacht komen sommige mensen voor het koninklijk paleis hulde brengen aan de overleden vorst. Op vragen van de RTBF antwoordt een taxichauffeur dat Boudewijn ‘de kerel [was] die het land bijeenhield’. Een jongeman die rond 3.30 uur uit een dansclub is gekomen, antwoordt dat zijn vrienden vlak daarvoor het nieuws hadden vernomen en dat ze daarop de boel hebben afgesloten. Een schokgolf gaat door het land. De 24 uur van Francorchamps wordt na 15 uur rijden afgevlagd. De RTBF zendt continu klassieke muziek uit, met tussendoor nieuwsflitsen. In Gent wordt de geplande parade van de Koninklijke Postharmonie op de Kouter afgelast. Overal hangen vlaggen halfstok. In Vlaanderen worden foto’s van de koning in etalages geplaatst.39 Gedurende de hele dag van 1 augustus vervangen RTBF, RTL-TVI, BRTN en VTM hun uitzendschema door een mix van nieuwsbulletins, documentaires en portretten. Gemeenten openen rouwregisters… Om 7 uur in de ochtend is er op RTBF een eerste extra uitzending van het tvjournaal. Presentator Jacques Bredael heeft niet de tijd gehad om een zwarte das te vinden en het wordt hem kwalijk genomen dat hij geen gepaste kleding draagt. De hele dag door uiten Belgen hun gevoelens in korte straatinterviews. ‘Hij was als een vader,’ zegt een vrouw, ‘voor mij is het nu gedaan met België.’ Zij is niet
de enige voor wie de verbijstering gepaard gaat met angst over de toekomst van het land: je hoort die zondagochtend op het Paleizenplein dingen als ‘Ik ben bedroefd’, ‘De koning verenigde alle krachten van ons land’, ‘Ik hoop dat de Belgen verenigd blijven’, ‘Hij hield het land bijeen’ en ‘We zijn ontredderd (…). Dit kan het separatisme aanwakkeren en het land uiteen doen vallen.’40
Vanuit het buitenland stromen de rouwbetuigingen binnen: van koning Juan Carlos, president Mitterrand, de Franse minister van Buitenlandse Zaken Alain Juppé en diens voorganger Roland Dumas... Jacques Delors, voorzitter van de Europese Commissie, spreekt van een man met een luisterend oor, een ‘scherp denker’ en een ‘levensvoorbeeld’.41 Een maand later preciseert hij in Paris Match: ‘In het hart van de koning was een schat verborgen. Het was zijn geheim en dat geheim had een naam: liefde. Liefde voor de Belgen, voor de naaste en dus voor het leven.’42 Voor president Frederik Willem de Klerk van Zuid-Afrika heeft ‘de koning het Belgische volk in zijn lange regeerperiode met grote waardigheid gediend en genoot hij veel respect in Europa en de rest van de wereld’. Voor Catherine Lalumière, secretaris-generaal van de Raad van Europa, ‘belichaamde de koning als weinig anderen de grondslagen van Europa: verzoening van de volkeren, gehechtheid aan gezonde morele waarden en een grote verantwoordelijkheidszin’. Tijdens het angelus op het Sint-Pietersplein spreekt paus Johannes Paulus II geëmotioneerd over ‘een voorbeeldige koning’.43
In de vroege ochtend van 1 augustus is er in de Wetstraat 16 een buitengewone bijeenkomst van de ministerraad. Verschillende ministers zijn aangeslagen. Willy Claes en Melchior Wathelet kunnen hun emoties niet verbergen. Miet Smet pinkt een traan weg.44 Dehaene, Wathelet, de kabinetschef van de koning en de Grootmaarschalk van het Hof vliegen daarna naar Motril. Jacques van Ypersele helpt de premier bij het opstellen van het communiqué dat hij later die middag op televisie zal voorlezen. Op de luchthaven van Granada worden ze opgewacht door de chauffeur van de koning. Volgens de grootmaarschalk is de man nog zo ‘overmand door verdriet’ dat hij – tot hun grote ongerustheid – slingerend over de weg rijdt.45 In Motril worden ze ontvangen door de koningin, die volgens Wathelet ‘zeer waardig’46 en volgens Dehaene sterk, hyperactief en bijzonder spraakzaam is.47 ‘Met haar typische moed bracht ze ons naar de kamer van de koning’, herinnert Wathelet zich.48 Wanneer Dehaene het op het bed opgebaarde lijk groet, valt hem op dat het gezicht van de koning ‘zeer sereen’ is.49 En wanneer de koningin hen rondleidt door de villa, treffen hem de eenvoud en soberheid waarmee zij en de koning leefden.50 Zelfs het meubilair is zeer eenvoudig, vooral in hun slaapkamer. Daarna praat de koningin uitvoerig over het verloop van de vorige avond. Als minister van Justitie moet Wathelet de dood van de koning formeel vaststellen.
‘Een verrassende opvolging’
In Motril ontmoeten de premier en de vicepremier ook een prins Albert die ‘sterk onder de indruk’ is en is overgekomen uit Châteauneuf-Grasse. Hij bevestigt hen definitief dat hij beschikbaar is, maar zegt wel dat hij weinig ervaring heeft, waarop Dehaene antwoordt dat hij er meer heeft dan prins Filip.51 Koningin Fabiola is bij het gesprek betrokken en zegt dat de koning zou hebben gewild dat zijn broer hem opvolgde en dat ‘de familie nu verenigd moet blijven’.52 Albert II vertelt hierover later:
‘Bij aankomst in Motril bracht de koningin me naar mijn broer. Ik was getroffen door Boudewijns glimlachende gezicht. Na samenspraak met de koningin heb ik aan Dehaene bevestigd dat ik ermee instemde om Boudewijn op te volgen. Ik heb eraan toegevoegd dat ik de indruk had dat ik de laatste koning der Belgen zou zijn.’53
Boudewijns privésecretaris Van Kerckhove, die in de vroege ochtend in het vliegtuig was gestapt dat prins Albert naar Granada moest brengen en nu aanwezig is bij het gesprek tussen koningin Fabiola, premier Dehaene, minister Wathelet en prins Albert, zal later vertellen dat er eensgezindheid was over de broer van de koning. Daarbij schetst hij ook de sfeer: ‘In het vliegtuig was Albert weinig spraakzaam. We waren aangeslagen. We vonden het allemaal zo onvoorstelbaar. De koningin betreurde dat er geen arts ter plaatse was geweest, omdat in zo’n situatie elke seconde telt.’54 Al was de koning, zoals we eerder zagen, al dood toen Van den put en Fabiola hem op het terras vonden.
Nu de beslissing over de opvolging definitief is, dringt Dehaene er bij de prins op aan dat hij zelf zijn zoon inlicht: dat moet niet iemand van buiten de familie doen.55 Hij weet dat de zaak gevoelig ligt, omdat op dat moment velen denken dat prins Filip zijn oom zal opvolgen. Wilfried Martens, die tot 1992 Boudewijns premier was, denkt die zondag via de radio vanuit Kenia, waar hij op reis is, te kunnen aankondigen dat Filip de nieuwe koning der Belgen zal zijn. Hij wist immers dat Boudewijn zich in normale omstandigheden door zijn neef opgevolgd zag worden. Diezelfde zondag schrijft de ambassadeur van Frankrijk in Brussel om 13 uur aan zijn minister van Buitenlandse Zaken dat ‘de machtsuitoefening’ prins Albert ‘niet echt lijkt aan te trekken’ en dat diens zoon ‘de meest plausibele en goed voorbereide opvolger’ is.56 En enkele uren later kondigt Dehaene aan dat prins Albert de zesde koning der Belgen zal zijn… ‘Een verrassende opvolging’, kopt Le Soir de volgende dag.57 In de ochtendeditie zien Paul Vanden Boeynants en Wilfried Mar-
tens nog steeds prins Filip zijn oom opvolgen. Diezelfde dag corrigeert de ambassadeur van Frankrijk zijn bericht van de vorige dag, met daarbij de bedenking dat de keuze voor prins Albert zijn zoon de kans laat om een gezin te stichten zonder dat de pers alles van nabij volgt.58 Dat element heeft inderdaad een belangrijke rol gespeeld. We zetten alles op een rijtje.
Historicus Jean Stengers schrijft terecht dat prins Filip door koning Boudewijn bij het leven van het land werd betrokken. ‘Hij vergezelde zijn oom op talloze manifestaties. De media en vooral de televisie hadden – uiteraard met het goedvinden van het paleis – nadrukkelijk zijn portret geschetst en verslag gedaan van zijn activiteiten. Hieruit werd vrij algemeen afgeleid dat koning Boudewijn hem als opvolger voorstelde.’59 In 1990 had prins Filip zijn oom vergezeld bij Blijde Intredes die deel uitmaakten van de viering van diens 60ste verjaardag en zijn 40 jaar op de troon. Op 13 september 1986 schreef Boudewijn in zijn dagboeken dat hij Filip zag als degene die hem ‘normaal gesproken ooit zou opvolgen’.60 Maar Martens noch de media wisten wat wij hier intussen al vermeld hebben, namelijk dat de koning in 1990, toen de abortuskwestie hem bijna tot aftreden noopte, zijn broer hiervan op de hoogte had gebracht en hem daarbij had gezegd dat hij hem in dat geval zou moeten opvolgen. Boudewijn wilde niet dat Filip zou moeten doormaken wat tien jaar lang zijn eigen lijdensweg was geweest (als koning had hij het veel moeilijker gehad om een levenspartner te vinden dan als prins). In 1992 had Boudewijn naar aanleiding van zijn hartoperatie en de nasleep ervan te kennen gegeven dat hij er in crisissituaties, zoals een vroegtijdige dood, de voorkeur aan gaf om door zijn broer te worden opgevolgd.61 Als Boudewijn later was gestorven, zou Albert waarschijnlijk hebben plaatsgemaakt voor zijn zoon. Dat was ongetwijfeld ook wat Boudewijn zelf voor ogen had. In 1993 is de kwestie in de koninklijke familie niet volledig uitgeklaard: enerzijds komt Boudewijns overlijden onverwacht, anderzijds heeft de overledene blijkbaar nooit met zijn neef gepraat over de mogelijkheid dat diens vader hem in zo’n geval zou opvolgen. Daarom aanvaardt Albert de taak pas nadat Fabiola hem in Motril heeft verteld dat haar man in situaties als deze hem als opvolger wilde.
In zijn memoires schrijft Dehaene dat hij vermoedt dat prins Albert zijn zoon heeft verwittigd, dat hij niet weet hoe deze heeft gereageerd en dat de koninklijke familie ‘steeds sereen en eensgezind’ optrad.62 Voor prins Filip was het een bijzonder moeilijke situatie. Hij is die zaterdagavond 31 juli nog maar net in Bourgondië aangekomen wanneer ze hem laten weten dat zijn oom overleden is. Hij drinkt een kop koffie en maakt rechtsomkeer. Om 6 uur in de ochtend is hij in het paleis in Brussel, waar Jacques De Kimpe, zijn ordonnantieofficier, hem staat op te wachten. Beiden zijn kapot van verdriet en vallen elkaar huilend in de armen. De Kimpe:
‘De prins was er kapot van. Voor hem was Boudewijn een monument en een gids. Zijn heengaan was een regelrechte ramp. Daar dacht hij op dat moment aan, niet aan een eventuele troonsopvolging. Ik heb nooit een prins gezien die hierover een telefoontje verwachtte, al was dat volgens de media wel het geval.’63
Boudewijn had zijn neef weliswaar onrechtstreeks te verstaan gegeven dat hij hem zou opvolgen in een niet-nabije toekomst of als de overgang kon worden voorbereid, maar op dit moment werd prins Filip gewoon niet om zijn mening gevraagd. De Kimpe, die de beslissing over de opvolging zelf via de media moest vernemen, is van mening ‘dat de prins niet erg verrast was toen hij hoorde dat zijn vader ermee instemde om de grondwettelijke orde te respecteren’.64
Voor Filip had dat voor- en nadelen. Enerzijds had hij zo meer tijd om een gezin te stichten en zich politiek, economisch, universitair en militair beter op zijn taak voor te bereiden dan al zijn voorgangers. Zelfs zijn vader voelde zich in 1993 onvoldoende voorbereid. Waarschijnlijk had Filip op dat moment hetzelfde gevoel. In elk geval had het paleis geen concreet plan voor zo’n voorbereiding na Filips studies aan Stanford University. Anderzijds heeft de niet-ingeloste verwachting dat hij zijn oom zou opvolgen, jarenlang gezorgd voor gissingen over het soort koning dat hij zou worden en naar de redenen waarom hij nog geen koning was geworden. Het gerucht dat Filip Boudewijn zou opvolgen, was ook voor Albert nadelig, want het kon de indruk wekken dat hij niet de natuurlijke opvolger was, ook al liet de Grondwet hier niet de minste twijfel over bestaan. Dat Albert bij de eedaflegging op 9 augustus begon te trillen, voedde dan weer speculaties over een mogelijke zenuwziekte, terwijl het was veroorzaakt door droefheid na het overlijden van zijn broer en vrees voor de last die op zijn schouders werd gelegd. Terug naar zondag 1 augustus in Motril. De koningin nodigt Dehaene en Wathelet uit voor een snelle lunch en daarna voor een moment van gebed bij de kist van de koning.65 Vervolgens deelt ze hun haar wensen voor de begrafenis mee: het hoofdaccent moet daar niet op rouw maar op hoop liggen, en niet-officiële figuren moeten de kans krijgen om te spreken over onderwerpen die de koning na aan het hart lagen. De premier vraagt haar hierover contact op te nemen met Louis Tobback, die als minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is voor de organisatie van de plechtigheid.66 De regering wil een periode van nationale rouw afkondigen tot 7 september, de 63ste verjaardag van de koning, maar de koningin vraagt om die periode drastisch in te korten: tot 8 augustus, de dag voor de eedaflegging van Albert II.67 Direct na de lunch ontmoet Dehaene de koning en de koningin van Spanje, die Fabiola samen met Javier Solana, de Spaanse buitenland-
minister, hun steun komen betuigen. Daarna keert hij met het regeringsvliegtuig naar België terug. Wathelet en van Ypersele nemen ’s avonds het vliegtuig dat het stoffelijk overschot van de koning naar België brengt.
Rond 18.30 uur is Dehaene weer in de Wetstraat 16, voor een vergadering met het voltallige kabinet. De meeste ministers reageren verrast wanneer hij aankondigt dat prins Albert zijn broer zal opvolgen. De premier neemt vervolgens een boodschap op waarin hij de bevolking van het overlijden op de hoogte brengt, hulde brengt aan de overledene68 en aankondigt wie hem zal opvolgen: ‘We moeten ons achter prins Albert, zijn grondwettelijke opvolger, scharen, van wie wordt verwacht dat hij diens werk in dezelfde geest zal voortzetten.’69 Gezien het belang van de zaak had zijn woordvoerster geweigerd de boodschap live uit te zenden. Gelukkig maar, want in de Nederlandse versie was Dehaene vergeten de passage over de opvolging voor te lezen!70 Nog iets anders wijst erop dat de tekst haastig is opgesteld: Dehaene zegt dat de koning ‘in zijn laatste nieuwjaarstoespraak’ had gezegd dat hij de Belgen ‘nog vele jaren’ hoopte te dienen, maar dat het lot er anders over had beslist – maar die zin komt uit Boudewijns toespraak op de nationale feestdag van 1992.
‘Een Belg in dienst van alle anderen’
Terug naar Motril en de repatriëring van het stoffelijk overschot. Koning Juan Carlos en koningin Sofía brengen prins Albert bij zonsondergang persoonlijk naar de luchthaven van Granada.71 Ze staan Fabiola terzijde terwijl de kist in het vliegtuig wordt geladen – het vliegtuig waarmee Boudewijn tien dagen eerder naar Motril is gekomen – en hem een laatste eerbetoon op Spaanse bodem wordt gebracht. Het is de eerste keer sinds het overlijden van haar man dat de koningin voor de camera’s verschijnt. Ze draagt een zonnebril. Tijdens de vlucht wordt over de begrafenis gesproken.72 Het moment waarop in Melsbroek zes soldaten hun schouders onder de kist zetten die net uit het vliegtuig komt, is ‘heel emotioneel voor alle aanwezigen’, schrijft Dehaene in zijn memoires.73 Prins Filip, prinses Astrid, prins Lorenz, groothertog Jean, groothertogin Josephine Charlotte, prinses Paola en alle leden van de regering staan aan de voet van het vliegtuig. De koningin groet hen een voor een. Ook vijf regeringsleiders, vijf parlementsvoorzitters, een aantal rechterlijke en militaire gezagsdragers en de burgemeester van Melsbroek zijn naar de militaire luchthaven gekomen.
Laurette Onkelinx, op dat moment minister-presidente van de Franse Gemeenschap:
‘Natuurlijk heb ik het eerste vliegtuig genomen en ben ik samen met al mijn collega’s het stoffelijk overschot gaan verwelkomen. Ik zie nog voor me hoe een buitengewoon waardige koningin Fabiola (…) de aanwezigen troostte, zoals ik ook het beeld niet kwijtraak van de geëmotioneerde menigte die hem voor het koninklijk paleis hulde kwam brengen.’74
Wanneer de koningin Willy Claes, de socialistische minister van Buitenlandse Zaken, de hand drukt, spreekt ze hem enkele woorden toe. Claes wenst haar sterkte toe en daarop zegt zij, zoals hij later vertelt:
‘“Weet u, hij hield van u.” En ik kan u zeggen dat dat wederzijds was. Ik had en heb veel respect voor wijlen koning Boudewijn: decennialang was hij voor de Belgen een vaderfiguur. Hij zag zijn functie als een roeping. Van de morgen tot de avond dacht hij aan België en zijn bewoners.’75
Dehaene groet op zijn beurt alle aanwezige leden van de koninklijke familie. Wanneer hij prins Filip de hand drukt, bedankt deze hem voor alles wat hij heeft gedaan. Dehaene leidt hieruit af dat de prins het eens was met de beslissing aangaande de troonsopvolging.76 Hoewel 1 augustus een zondag is, verschijnen er die dag al extra dagbladedities. Krantenventers verkopen ze op het Paleizenplein. Het is allemaal zo snel moeten gaan dat La Libre Belgique haar editie verkeerdelijk dateert op ‘zondag 2 augustus’. De krant prijst het plichtsbesef en de hartelijkheid waarmee de overledene zijn functie uitoefende en schrijft dat Albert heel waarschijnlijk ten gunste van zijn zoon aan de troon zal verzaken. Le Soir heeft die dag ook een extra editie van acht pagina’s en komt de volgende dag zelfs met een 32 pagina’s dikke gratis extra editie. In Vlaanderen zijn er op 1 augustus minder extra edities. Het Volk en Gazet Van Antwerpen publiceren er elk een van acht pagina’s. Nog diezelfde zondag wordt de kist overgebracht naar het Kasteel van Laken. Langs de Haachtsesteenweg applaudisseren duizenden mensen bij het voorbijkomen van de lijkwagen. Aan het kasteel staat een grote groep mensen de stoet op te wachten. Op 2 augustus besteden de kranten opnieuw veel pagina’s aan de gebeurtenis. De commentator van L’Echo schrijft dat Boudewijn ‘rechtvaardig, wijs (…) [en] geliefd’ was. La Libre Belgique kopt: ‘De Belgen zijn allemaal wees’. La Province heeft het over ‘een koning om van te houden’. De commentator van Le Soir schrijft onder de titel ‘Het verdriet van België’:
‘[De koning was] ver van de praal en de fratsen van hoven en paleizen soms tot in het extreme de belichaming van luisterbereidheid, plichtsbesef, belang-
stelling voor maatschappelijke problemen en zorg voor de meest kwetsbaren (…). De laatste bezoeken van de koning golden straatvegers, metroreizigers en supermarktklanten. Zijn laatste strijd betrof de netwerken van vrouwenhandel. De emotionele eerbetuigingen die hem nu worden gebracht, getuigen van de warmte die deze schijnbaar gereserveerde koning uitstraalde.’
Vers l’Avenir kopt: ‘Dood van een dierbare’. L’Echo schrijft onder de titel ‘Een eenheidskoning’ dat Boudewijn ‘een Belg in dienst van alle anderen’ was, ‘begaan met de onafhankelijkheid van Belgische bedrijven’, dat ‘zijn menselijke kwaliteiten worden geprezen in talloze getuigenissen van zowel gewone burgers als politici’ en dat zelfs deze laatsten ‘unaniem lovend over hem zijn’.77 Dat laatste klopt ook.
PRL-voorzitter Jean Gol heeft het over zijn ‘buitengewone menselijke kwaliteiten’. PS-voorzitter Philippe Busquin beschrijft hem als ‘verantwoordelijk, luisterend en plichtsgetrouw’. Volgens Jacky Morael van Écolo verliest België ‘een voorbeeld van luisterbereidheid en toenadering, iemand die begreep dat de samenleving nood had aan verandering’78 en heeft Boudewijns ‘aanwezigheid veel radicalere ontwikkelingen voorkomen’.79 De SP betuigt ‘haar diepe respect voor de belangrijke rol van de koning als bruggenhoofd naar alle Belgen toe’ en voor ‘zijn grote sociale gevoeligheid’. De CVP looft zijn ‘medeleven met mensen in nood en gewone mensen, zijn tolerantie’. PS-mandataris Laurette Onkelinx benadrukt ‘de menselijkheid, de morele gestrengheid en het plichtsbesef van de koning’.80 PSC-voorzitter
Gérard Deprez verklaart voor de microfoon van de RTBF:
‘Mijn moeder werd in het ziekenhuis opgenomen op het ogenblik dat hij in Saint-Luc was voor zijn operatie. Hij liet me weten dat hij voor haar bad opdat zij zou herstellen (…). En sindsdien vroeg hij me telkens wanneer ik hem zag, hoe het met haar ging. Hij is dus een man die ondanks al zijn verantwoordelijkheid toch belangstelling voor u heeft op persoonlijk vlak.’81
Mia De Vits, algemeen secretaris van het ABVV, looft ‘de betrokkenheid van de koning bij maatschappelijke problemen’. François Janssens, voorzitter van die socialistische vakbond, brengt hulde aan Boudewijns ‘vermogen om te luisteren, (…) zelfs naar mensen met wie hij van mening verschilde’ en besluit ‘geemotioneerd’: ‘Hij kende je zorgen zo goed, was zo geïnteresseerd in je problemen en luisterde zo aandachtig dat je je bij het weggaan afvroeg: “Ben ik dan zo belangrijk?”’82 Voor oud-premier Pierre Harmel had de koning ‘zijn hele leven aan een heilige zaak gewijd: het geluk van zijn volk. Hij was de katalysator die iedereen aanzette om zichzelf te overtreffen.’ De socialist Guy Spitaels, op dat moment mi-
nister-president van de Waalse regering, vindt dat de koning ‘terecht een buitengewoon iemand wordt genoemd. Zijn aandacht voor anderen was uitzonderlijk, en je voelde dat het uit zijn hart kwam.’83 Vlaams minister-president Luc Van den Brande, die het in januari van dat jaar nog met de koning aan de stok had gehad, en zijn vicepresident, de socialist Norbert De Batselier, publiceren een geëngageerd communiqué. Daarin betuigen zij:
‘[hun] diepste respect voor de overleden vorst en voor zijn betrokkenheid bij wat mensen meemaken. Zijn belangstelling voor de leefwereld van de jongeren, voor wetenschap en cultuur, voor het gezin en voor maatschappelijke problemen en zijn moedige inzet voor tolerantie en solidariteit zullen bij de Vlaamse regering voor immer de herinnering nalaten aan een groot vorst, die dicht bij zijn volk stond.’
De voorzitter van de Vlaamse Raad (het huidige Vlaams Parlement), de socialist Louis Vanvelthoven, zegt zelfs: ‘In de geschiedenis van Vlaanderen was een koning nooit zo geliefd en de monarchie zo onbetwist als tijdens zijn regeerperiode.’84 Oud-premier Paul Vanden Boeynants is duidelijk:
‘[Boudewijn] dacht meer aan de eenvoudige mensen dan welke politicus ook, mijzelf inbegrepen. Hij deed dingen die je raakten. Na mijn “vakantie” met Patrick Haemers heeft hij een halfuur met mij gebeld. Na een zware operatie van mijn vrouw belde hij me om de twee dagen. Dit verlies is verschrikkelijk. (…) Alsof iemand uit mijn familie overleden is (…). Mettertijd is de schuchtere prins en daarna de jonge koning Boudewijn een heel grote koning geworden.’85
In augustus 1995 zegt voormalig socialistisch minister Alain Van der Biest: ‘Menselijker dan hij zul je ze niet snel vinden! De koning stelde zich zo bescheiden op dat zijn houding voor sommigen iets anders dan bescheidenheid leek.’86
‘Moed, mevrouw de koningin!’
Aanvankelijk is de Vlaamse pers ‘gematigder, afstandelijker’.87 Toch is in het editoriaal van de acht pagina’s tellende extra editie van Gazet Van Antwerpen van 1 augustus sprake van een ‘waardevol man’ en een ‘geliefd vorst’, en bevat deze editie talloze reacties van lezers die door het nieuws zijn aangedaan.88 In de dagen daarna zijn de columnisten onder de indruk van de omvang van de volksemotie. Die van
De Standaard ziet hierin een uitnodiging aan de politieke wereld om ‘beter werk te leveren’. Volgens Het Volk wensen de honderdduizenden Belgen die ‘van deze bijzondere man afscheid hebben genomen of nog zullen nemen’, dat zijn politieke testament – zijn oproep tot ‘federale burgerzin’ in zijn laatste 21 juli-toespraak –wordt uitgevoerd.89 Op 2 augustus wijdt De Standaard acht pagina’s aan de dood van de koning. Hoewel wordt herinnerd aan enkele incidenten, zoals de handdruk met José Happart of het ontbieden van Luc Van den Brande, is de algemene toon uitgesproken positief en is de conclusie dat de populariteit van de koning zelfs in Vlaanderen blijft stijgen. De columnist schrijft zelfs dat de koning zoals uit veel van zijn toespraken blijkt, de afgelopen jaren het proces van de institutionele evolutie van het land op een intelligente manier heeft begeleid. Op 7 augustus, de dag van de begrafenis, wijdt Het Belang van Limburg onder de titel ‘Dank u, Sire’ twaalf pagina’s aan Boudewijn.90 Wanneer Albert II twee dagen later de eed aflegt, wijdt De Standaard vier pagina’s aan de gebeurtenis.
Op woensdag 4 augustus worden de stoffelijke resten van Boudewijn overgebracht naar het paleis in Brussel. Die ochtend schrijft de redactie van La Dernière Heure in een brief aan de koningin, bedoeld als een ‘getuigenis van genegenheid en bewondering’: ‘U [Boudewijn en Fabiola] was een voorbeeld van liefde, goedheid en toewijding, en u zult dat blijven, omdat de hele bevolking dat verlangt – vooral de gewone mensen, de misdeelden: zij hopen dat u in de toekomst net zo dicht bij hen zult blijven als in het verleden.’91 De mensen staan in dichte drommen langs de weg. Wanneer de stoet even halt houdt aan de Congreskolom en het graf van de Onbekende Soldaat, lijkt de koningin ‘aangeslagen maar sterk’.92 Volgens een journalist put ze haar bewonderenswaardige moed uit haar geloof.93 Er wordt een minuut stilte gehouden, er klinken kanonschoten en het publiek applaudisseert discreet, zoals het op zulke momenten past. Dat iemand dan dwars door die ingetogenheid ‘Moed, mevrouw de koningin!’ schreeuwt, geeft onverholen weer dat het verdriet van de koningin ook het verdriet van het volk is. Tijdens de rest van het parcours wordt de lijkwagen begeleid door 130 ruiters van de Koninklijke Escorte te Paard. Het ritmische hoefgetrappel geeft een soort rust.
‘Als tien miljoen Belgen willen komen…’
De enorme media-aandacht speelt in op de intense emotie van het volk en versterkt die mogelijk nog, al plaatst Claude Javeau, hoogleraar sociologie aan de ULB, daar toch kanttekeningen bij. In een artikel in Le Soir van 7 augustus stelt hij dat de schokgolf die door de bevolking gaat, ‘geen oppervlakkig, door de media
gegenereerd fenomeen is: de pieken in de kijkcijfers voor tv-uitzendingen en de krantenoplagen weerspiegelen een diepe verwachting van het publiek. Ik wil best geloven dat de pers het fenomeen versterkt, maar ze dringt de mensen niet iets op wat ze niet willen horen of zien.’94 De redacties worden overspoeld door lezersbrieven. De extra edities volgen elkaar in snel tempo op. Sommige mediaverantwoordelijken schrijven zelf naar de koningin. VTM-directeur-generaal Leo Neels schrijft haar op 4 augustus dat hij zich dankbaar en trots de warme, ‘hartelijke en integere’ persoonlijkheid van de koning herinnert en tijdens een audiëntie diep getroffen was door diens ‘vriendelijkheid en deskundigheid’.95 RTL-topman JeanCharles De Keyser schrijft dat ‘de vorst (…) altijd is overgekomen als een goed en rechtvaardig, maar vooral authentiek mens’.96
Belgische vlaggen aan de gevels, herdenkingsstickers op auto’s en vanaf 17 augustus een speciale postzegel: de overleden koning is alomtegenwoordig. Voor de kist in het Salon van de Denker in het paleis in Brussel heeft Fabiola een hartvormige krans van witte rozen neergelegd, met op het lint eroverheen de woorden ‘Aan de man van mijn hart’. Al in de nacht van 4 op 5 augustus komen mensen vanuit alle hoeken van het land naar het paleis om de koning een laatste groet te brengen. Er zijn er die aan Le Soir vertellen dat ze om 1.30 uur in de ochtend vanuit de provincie Luik vertrokken zijn, uit dankbaarheid voor de steun die de koning hen tijdens de overstromingen van 1988 heeft geboden.97 Wanneer het hek aan het Paleizenplein zoals gepland om 7.30 uur wordt geopend, staan er volgens de politie al 4000 mensen te wachten. Door de massa’s mensen die de eerste speciale treinen kort daarna aanvoeren, staat de staart van de wachtrij binnen de kortste keren aan de Zavel. Oud-strijders van de twee wereldoorlogen mogen als eersten de laatste eer bewijzen aan het hoofd van de strijdkrachten. Een van hen vertelt dat hij bij de plotse dood van koning Albert I in 1934 het gevoel had een vader te hebben verloren en nu het gevoel heeft dat hij een zoon verliest.
De menigte op het Paleizenplein zwelt onstuitbaar aan: niet veel later staan de laatsten in de rij aan het Justitiepaleis, 1,3 km verderop. Voor hen wordt het uren wachten onder een brandende zon. Per uur kunnen maar 7000 mensen de koning groeten. De veiligheids- en hulpdiensten zijn overbelast. De situatie wordt kritiek. Wanneer de minister van Binnenlandse Zaken poolshoogte komt nemen, vraagt een journalist hem of dit nu geen ‘janboel’ is. Antwoord van de minister: ‘Als tien miljoen Belgen willen komen, (…) wat wilt u dan dat we nog meer doen?’ De toestroom is zo buiten verwachting dat rond de middag een noodplan in werking wordt gesteld. Er staan op dat moment 50.000 tot 100.000 mensen voor en rond het paleis te wachten. Volgens de NMBS hebben die donderdag 110.000 tot 120.000 mensen gebruikgemaakt van speciaal hiervoor ingelegde treinen, kinderen onder
de twaalf jaar, die gratis mogen reizen, niet meegerekend.98 De brancardiers hebben hun handen vol: er worden ongeveer 400 mensen afgevoerd, maar geen van hen is er erg aan toe.99 Er was aangekondigd dat het paleis om 23 uur zou sluiten, maar er wordt beslist het nog tot een eind in de nacht open te houden. Rond 22 uur geeft de politie opdracht om een nadarhek te plaatsen achter de laatsten die waarschijnlijk nog voor 3 uur in de ochtend naar binnen kunnen. Degenen die erachter staan en soms al vier uur wachten, worden verzocht de volgende dag terug te keren.100
De koningin wil zich onder de menigte mengen om de wachtenden te danken en te steunen,101 maar er wordt haar aan het verstand gebracht dat dat gevaarlijk en dus onmogelijk is. Daarom verschijnt ze omstreeks 17 uur en opnieuw omstreeks 23 uur op het balkon, met opgeheven gevouwen handen ten teken van dank –waarvoor ze applaus krijgt. De langere openingstijd en het verbod om voor de kist even halt te houden doen de rijen niet slinken. Dat de stroom mensen om 3 uur afgebroken wordt om het lichaam van de koning te kunnen verzorgen, leidt tot veel ontgoocheling…
Op de voorpagina van zijn middageditie van 5 augustus heeft Le Soir het onder de titel ‘Een immense menigte’ over ‘een ongekende geestdrift’. De volgende dag is dat laatste niet weg te branden uit de kranten. Le Soir wijdt er opnieuw zijn voorpagina aan, nu onder de titel ‘Een mensenzee’. Het Nieuwsblad kopt: ‘Totale overrompeling’,102 besteedt zeven pagina’s aan het fenomeen en schrijft dat uren in de rij staan niets voorstelt als je het vergelijkt met wat koning Boudewijn heeft gedaan. Het Volk heeft tien extra pagina’s en kopt op de voorpagina: ‘Ja, Sire, er zijn nog Belgen’103 en boven zijn editoriaal: ‘Het volk heeft Boudewijn beter begrepen dan de politici’. Voor La Libre Belgique ‘wilde iedere Belg erbij zijn’.104 Met ‘immense stoet rouwenden omkranst paleis’ houdt De Standaard het soberder. De volkstoeloop op het Paleizenplein haalt ook de buitenlandse pers. In Amsterdam besteedt De Volkskrant er zijn voorpagina aan onder de titel ‘Het is het beste bewijs dat we allemaal Belgen zijn’. In Rotterdam kopt het Algemeen Dagblad op de voorpagina ‘Chaos bij eerbetoon Boudewijn’ en boven een katern binnenin ‘Boudewijn is het waard, het was een goed mens’. Le Figaro heeft het op zijn voorpagina over de ‘unitaire geestdrift van België’.105 En Le Républicain Lorrain becommentarieert op zijn cover het ‘diepe verdriet van de Belgen’.106
Diezelfde 6de augustus is het opnieuw drummen op het Paleizenplein. Scouts delen water uit en staan de hulpdiensten bij. De koningin groet de menigte weer vanaf het balkon. Toenmalig justitieminister Melchior Wathelet vertelt dat de regering wist dat de koning zeer geliefd was, maar dat het feit dat een half miljoen Belgen ‘geduldig en ingetogen stonden aan te schuiven, de stoutste verwachtingen overtrof’.107 Dat het vakantie en mooi weer was, dat het overlijden van een zo lang
regerende koning iets uitzonderlijks is en dat het onzeker was hoe dit voor het land zou uitdraaien, het zal allemaal tot de volkstoeloop hebben bijgedragen. De kranten wijden in hun weekendeditie van 7-8 augustus opnieuw meerdere pagina’s aan de koning, met name aan de voorbereiding van het laatste afscheid. La Dernière Heure kopt boven een grote foto van de koning op de voorpagina: ‘We hielden van u’.108 Op 7 augustus publiceert Le Monde een cartoon van Plantu: Vlamingen en Franstaligen staan voor het koninklijk paleis in aparte rijen aan te schuiven en bewenen bij het verlaten van het paleis aan de andere kant samen hun koning.
Boudewijns voormalige kabinetschef André Molitor drukte twee weken later hetzelfde uit toen hij aan een vriend zei: ‘Met zijn dood heeft [Boudewijn] bij wijze van spreken zijn land een laatste dienst bewezen.’109 Toen prins Albert in Motril samen met Dehaene en Wathelet voor het stoffelijk overschot van zijn broer stond, vreesde hij dat hij de laatste koning der Belgen zou zijn. ‘En de premier vreesde dat ook,’ vertelt Albert daarover zelf, ‘maar die mensenmassa op straat in Brussel heeft ons verrast en moed gegeven.’110
In het teken van de hoop
Intussen bereiden de vier televisiekanalen van het land een gezamenlijke verslaggeving over de uitvaartplechtigheid voor. Dertien buitenlandse kanalen zullen de uitvaart live uitzenden.111 In de geïmproviseerde perszaal in het Brusselse Congrespaleis worden 500 journalisten verwacht. Alleen al TF1 stuurt vijf teams.112 Staatshoofden en regeringsleiders van over de hele wereld komen naar de hoofdstad. Prins Filip verwelkomt de keizer van Japan en zijn vrouw, koning Juan Carlos en koningin Sofía en andere gekroonde hoofden. Willy Claes verwelkomt onder meer de Rwandese president Juvénal Habyarimana en de Franse president François Mitterrand en diens vrouw Danielle. Koningin Elizabeth van Engeland wordt vergezeld door haar man, de hertog van Edinburgh, die ongewild een glimlach op enkele gezichten tovert; hij draagt namelijk het Grootlint in de Luipaardorde, niet het Grootlint in de Leopoldsorde – zijn diensten hebben de hoogste Zaïrese orde verward met de hoogste Belgische orde. Aanvankelijk lijkt de Amerikaanse delegatie wat zwak. De Verenigde Staten kunnen vicepresident Al Gore niet sturen: die moet in de VS blijven omdat de stemming over de Senaatsbegroting zeer nipt zal zijn en de Democraten alle stemmen nodig hebben, inclusief de zijne. Daarom beslist president Clinton om zich te laten vertegenwoordigen door Walter Mondale, vicepresident van voormalig president Jimmy Carter, maar dat valt in diplomatieke kringen niet in goede aarde: de ambassadeur van Frankrijk spreekt van een
‘faux pas’,113 Le Soir van een ‘affront’ en een ‘wereldwijde polemiek’.114 Op het laatste moment wordt beslist dat voormalig president Gerald Ford (met wie Boudewijn een vertrouwensband had) met Mondale meekomt en de delegatie leidt.
De begrafenis wordt bijgewoond door 45 staatshoofden en regeringsleiders. Ter vergelijking: ondanks de schokgolf die door de wereld ging toen John F. Kennedy werd vermoord, kwamen voor zijn begrafenis ‘slechts’ negentien staatshoofden, onder wie koning Boudewijn, naar Washington.115 De begrafenis wordt bijgewoond door 38 staatshoofden:116 één keizer (Akihito van Japan), zes koningen of koninginnen (Margrethe II van Denemarken, Beatrix van Nederland, Harald V van Noorwegen, Juan Carlos van Spanje, Elizabeth II van het Verenigd Koninkrijk en Carl Gustaf XVI van Zweden), één groothertog (Jean van Luxemburg), twee regerende vorsten (Hans-Adam van Liechtenstein en Rainier III van Monaco), één emir (sjeik Jaber III al-Ahmad al-Jaber al-Sabah van Koeweit), 25 presidenten (Sali Berisha van Albanië, Alija Izetbegovič van Bosnië en Herzegovina, Zjeljoe Zjelev van Bulgarije, Melchior Ndadaye van Burundi, Glafkos Klerides van Cyprus, Richard von Weizsäcker van Duitsland, Hosni Moebarak van Egypte, Mauno Koivisto van Finland, François Mitterrand van Frankrijk, Árpád Göncz van Hongarije, Mary Robinson van Ierland, Vigdis Finnbogadóttir van IJsland, Ezer Weizman van Israël, Oscar Luigi Scalfaro van Italië, Franjo Tudjman van Kroatië, Alpha Oumar Konaré van Mali, Censu Tabone van Malta, Thomas Klestil van Oostenrijk, Lech Wałęsa van Polen, Mário Soares van Portugal, Juvenal Habyarimana van Rwanda, Milan Kučan van Slovenië, Michal Kováč van Slowakije, Václav Havel van Tsjechië en Adolf Ogi van Zwitserland), één gouverneur-generaal (Ramon John Hnatyshyn van Canada) en één kapitein-regent samen met haar co-regent (Patrizia Busignani en Salvatore Tonelli van San Marino). De koningen van Jordanië, Marokko, Nepal en Thailand worden vertegenwoordigd door hun kroonprinsen, en ook leden van de koninklijke families van Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten wonen de dienst bij. Ook de volgende regeringsleiders, ministers en parlementsvoorzitters zijn aanwezig, soms terwijl hun land al door hun staatshoofd vertegenwoordigd is: de premiers van Zweden, Nederland, Griekenland, Luxemburg, Tunesië, Oeganda en Tsjaad; de vicepresidenten van Guinee-Bissau en Zambia; de vicepremiers van Rusland en Oekraïne; de ministers van Buitenlandse Zaken van Denemarken, Cyprus, Kroatië, Qatar, Kameroen, Angola, Cambodja, Algerije, Chili, Ivoorkust, Nigeria, Congo-Brazzaville, Niger, Guinee, Gabon, Senegal, Slovenië, Bulgarije, Burundi, Rwanda, Egypte, Swaziland, Kenia, Gambia, Kirgizië, de Seychellen, Brunei en Togo; de viceministers van Buitenlandse Zaken van Rusland, Albanië, Jordanië en Tsjaad; een staatssecretaris van Polen; een minister uit elk van de volgende landen: Bosnië, Marokko, Armenië, Benin, Indo-
nesië, Botswana, de Centraal-Afrikaanse Republiek, de Comoren en Turkije; de parlementsvoorzitters van Bosnië en Herzegovina en van Zuid-Afrika; de voorzitter van de Senaat van Roemenië. Ook tien internationale instellingen sturen een vertegenwoordiger, onder wie voorzitter Jacques Delors van de Europese Commissie, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de directeur-generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en de secretarissen-generaal van de OESO en de Benelux. VN-secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali moet op het allerlaatste moment verstek laten gaan ‘om te kunnen deelnemen aan dringende vergaderingen in New York’,117 maar zijn vrouw is er wel; op 3 augustus heeft hij koningin Fabiola een persoonlijke boodschap gestuurd waarin hij Boudewijn niet alleen ‘een koning die zijn volk grenzeloos toegewijd was’ noemt, maar ook ‘een wereldburger die opkwam voor vrede en ontwikkeling’.118
De paus laat zich vertegenwoordigen door zijn staatssecretaris, kardinaal Angelo Sodano. Drie presidenten zijn niet welkom: Slobodan Milošević van Servië, Mobutu Sese Seko van Zaïre (dat wordt vertegenwoordigd door Mgr. Monsengwo) en Saddam Hoessein van Irak.119 Verder zijn er oud-presidenten aanwezig (van de VS, Tanzania en Maleisië), een oud-premier (van Zuid-Korea) en parlementsleden en diplomaten uit maar liefst 94 landen. Dat hoge aantal internationale vertegenwoordigers is hoogst uitzonderlijk. Een van de meest opgemerkte aanwezigen is koningin Elizabeth II: in haar 70-jarige regeerperiode heeft ze slechts één begrafenis in het buitenland bijgewoond – deze. Hetzelfde geldt overigens voor keizer Akihito van Japan. Ook opmerkelijk is dat François Mitterrand wordt vergezeld door Simone Veil, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en voorvechtster van de abortuswet in Frankrijk.
Op de dag van de begrafenis lopen de koningin, de koninklijke familie en de meeste gekroonde hoofden achter de kist, die in een rouwstoet van het koninklijk paleis naar de kathedraal van Sint-Michiel en Sint-Goedele wordt gebracht. Als teken van hoop is de koningin in het wit gekleed. Om 9.56 uur laten Alpha Jets in de lucht een zwart-geel-rood spoor na. Ze worden gevolgd door een F-16-formatie. Musea, bibliotheken, zwembaden en de meeste winkels zijn gesloten. Warenhuizen zijn wel open; het personeel draagt er rouwkleding. De Supercupmatch tussen Anderlecht en Standard wordt uitgesteld.120 Duizenden mensen volgen de plechtigheid op een groot scherm op de Grote Markt. Anderen staan in dichte drommen voor de kathedraal. In tegenstelling tot de vorige dagen laten velen de extra treinen voor wat ze zijn en volgen ze de plechtigheid thuis op tv.
Zoals in De Standaard te lezen stond, wordt president Ford niet door de ordedienst herkend en moet hij zijn uitnodiging tonen om de kerk binnen te komen. Het dient gezegd dat het organiseren van de begrafenis op logistiek, protocollair
en veiligheidsgebied een enorme klus was. Een dag eerder was er al een valse noot. De buitenlandse delegaties waren uitgenodigd om de koning in het koninklijk paleis de laatste eer te komen betuigen. Op de verdieping werden ze verwelkomd door stagiairs-diplomaten. Zoals de Japanse etiquette het wil, arriveert de keizer van Japan vroeger dan afgesproken. De stagiairs zijn niet op de hoogte gebracht van dat Japanse gebruik en kijken verschrikt op wanneer een kamerdienaar hen komt vertellen dat de keizer van Japan moederziel alleen onderaan de grote trap staat. Een van die stagiairs, een zekere Vincent Houssiau, kon toen niet vermoeden dat hij jaren later kabinetschef van koning Filip zou zijn…
En nog dit: uit respect voor Boudewijns inzet voor dialoog met andere geloofsovertuigingen en religieuze en filosofische stromingen zijn ook hun vertegenwoordigers uitgenodigd. In de kathedraal zitten de presidenten en regeringsleiders, onder wie Václav Havel, François Mitterrand, Helmut Kohl, Lech Wałęsa, Luigi Scalfaro en Mário Soares, achter de gekroonde hoofden. Mitterrand zit pas op de vierde rij. Fabiola vindt dat niet kunnen – tenslotte hadden haar man en de president van Frankrijk een vertrouwensband en konden ze op een diep niveau met elkaar praten – en laat hem daarom op het daaropvolgende diner naast zich plaatsnemen.
En welke muziek moet tijdens de plechtigheid worden gespeeld? De koning hield van Bach, dus diens muziek zou van de partij zijn, maar een uitvoering door José Van Dam valt bijna in het water, omdat deze daarvoor een generale repetitie in de opera van Wenen zou moeten missen. Zelfs een interventie van de Belgische minister van Buitenlandse Zaken bij de Oostenrijkse bondskanselier brengt aanvankelijk geen zoden aan de dijk. Het is de dirigent van het operaorkest die Van Dam de mogelijkheid biedt naar Brussel te komen: hij verschuift op eigen initiatief de datum van de generale.121
De liturgie staat in het teken van ‘glorie en hoop’. De homilie van kardinaal Danneels, primaat van België, maakt indruk. Verschillende kranten drukken ze integraal af. Op de sterfdag van de koning is Danneels een retraite in Rwanda aan het preken. Hij zou daar normaal nog een week blijven, maar keert onmiddellijk naar België terug. Voor het uitschrijven van de homilie had Danneels naar eigen zeggen maar anderhalf uur nodig. Vooraf had hij Boudewijns voormalige kabinetschef André Molitor verzocht om hem wat herinneringen aan de figuur van de koning te sturen, maar de spirituele inhoud is helemaal van hemzelf.122 De homilie begint als volgt:
‘Sommige koningen zijn meer dan koningen, ze zijn de herders van hun volk. Ze regeren niet alleen, ze hebben lief en zijn bereid daarvoor hun leven te geven. Zo was koning Boudewijn. Hij had lief. Zijn politiek inzicht had diepe
wortels in zijn hart, zijn vakmanschap kwam voort uit de kracht van zijn liefde. Hij bestuurde vanuit zijn hart. (…) Daarin sloeg hij alle vreugde en smart van zijn land en zijn volk op. Deze man droeg in zich een ongehoorde warmte, een bijna onvoorstelbaar vermogen tot luisteren en empathie.’
Verder luidt het:
‘De dood van de koning heeft in ieders hart het kostbaarste wakker gemaakt. Paradoxaal genoeg heeft deze week van rouw ons beter gemaakt (…). [Lijden en verdriet] waren zijn metgezellen vanaf zijn vroegste jeugd. Ze zijn nooit weggegaan, maar ze hebben hem rijper gemaakt, veranderd, een zeldzaam vermogen tot medelijden geschonken. Ze hebben zijn hart vermalen zoals de molenaar de tarwe maalt om er goed brood voor de mensen van te maken. Maar heeft hij door zijn wonden niet de onze genezen?’
En verwijzend naar de abortuskwestie:
‘Voor hem was het geweten absoluut: het was de stem van het diepste in de mens en de stem van God. Hij heeft het altijd gevolgd en durfde daarvoor zijn eigen belangen en het koningschap op het spel te zetten. Dat is de prijs van het mens-zijn, dacht hij.’123
Boudewijn heeft een groot deel van zijn fysieke en mentale gezondheid aan zijn volk opgeofferd. In 2008 zegt Danneels dan ook dat herderschap en offerbereidheid de koning het best karakteriseren:
‘Hij is zowel herder als offerlam. Hij aanvaardt het lijden niet op een stoïcijnse, maar op een spirituele manier. Kritiek en onbegrip van anderen deden hem deelnemen aan het lijden van Christus. De kinderen die hij niet had, verving hij door België. Mooi voorbeeld van de overdracht van de ouderliefde van het afwezig gebleven kind op anderen, in dit geval: op alle Belgen. Hij had hen lief en bracht voor hen dezelfde offers als een vader voor zijn kinderen.’124
Terug naar de uitvaart. Als voormalig primaat van België is kardinaal Suenens concelebrant. Na het bidden van het Onzevader, waarbij alle leden van de koninklijke familie elkaar de hand geven, verrast hij iedereen door zonder voorafgaand overleg met kardinaal Danneels te verklaren: ‘Laat het geheim van de koning een geheim blijven. Er komt een dag waarop de wereld deze dimensie zal kennen.’
‘Ik kom uit Manilla. Wie kan ons helpen nu mijn vriend dood is?’
De religieuze plechtigheid in de kathedraal gaat verder met een hulde van zes mensen uit het maatschappelijk middenveld aan een koning die zich heeft ingezet voor de sociaal zwakkeren en de eenzamen, de daklozen en de immigranten en voor kinderen die bedreigd of misbruikt worden. ‘De uitvaart van de koning: zijn waarden in de schijnwerper’ kopt Le Soir. 125 Fabiola heeft voormalig Koninklijk Commissaris voor het Migrantenbeleid, Paula D’Hondt, uitgenodigd om te komen getuigen over de strijd tegen vrouwenhandel. Infectioloog Nathan Clumeck van het Universitair Ziekenhuis Sint-Pieter in Brussel looft ‘de tederheid, het medeleven en de aandacht’ van de koning voor aidspatiënten (aids was in 1993 nog steeds moeilijk te behandelen). ‘De koning’, zegt hij, ‘wist de juiste woorden te vinden, woorden van geloof in het leven en hoop voor de toekomst, eenvoudige en oprechte woorden die recht uit zijn hart kwamen en daardoor zelfs de diepste wanhoop verzachtten.’ Julos Beaucarne zingt in het Frans over hoop, Will Tura doet dat in het Nederlands. De koning was sterk geraakt door het feit dat Beaucarne de moordenaar van zijn vrouw vergeving had geschonken.126 Beeldhouwer Max van der Linden zegt dat God ‘geen abstractie is’, maar ‘het gezicht van een kind, de geur van een zomeravond, de verwondering van gedeelde liefde’.127 Het getuigenis van journalist Chris De Stoop slaat in. De auteur van een boek over vrouwenhandel vertelt dat de koning hem daartoe aangemoedigd heeft met de woorden ‘We binden hiertegen samen de strijd aan’ en dat vrouwenhandel voor de koning ‘een plaag van onze tijd was. Hij ging de strijd aan, omdat niemand anders dat deed.’ Terwijl hij aan het woord is, staat Luz E. Oral, een slachtoffer van prostitutie, naast hem. Zij moet na hem in het Engels het woord nemen, maar is overmand door emotie. Chris de Stoop leest haar tekst in haar plaats. In de kerk kun je nu een speld horen vallen:
‘Wie kan ons helpen nu mijn vriend dood is? Ik kom uit Manila. Mijn familie is straatarm. Mij was een goede baan in Europa beloofd, maar we zijn door Belgen in de prostitutie gedwongen. We hebben gehuild, geweigerd, maar niemand kon ons helpen, er was geen uitweg. (…) Toen ik probeerde te vluchten, werd ik door de politie gearresteerd. Vorig jaar heeft de koning ons in Antwerpen bezocht. We waren met vijf meisjes. We huilden opnieuw, maar het waren niet dezelfde tranen. De koning nam me bij de arm en luisterde. Hij was geschokt. Er zijn hier te veel slachtoffers (…). Allemaal zochten ze in het Westen een beter leven. Allemaal zijn ze bedrogen en behandeld als objecten.
Maar de koning heeft ons verdedigd. Hij was een echte koning. Ik noemde hem mijn vriend. Wij hebben onze vriend verloren. Nu huilen we opnieuw.’128
Precies op dat moment zoomen de camera’s in op koningin Elizabeth. Ze is zichtbaar verrast en onder de indruk. Dankzij de moed van Luz E. Oral ontdekken tientallen miljoenen tv-kijkers hoe en hoezeer de koning tegen vrouwenhandel vocht. Op 28 oktober 1992 had hij in een onopvallende Peugeot zo goed als incognito (samen met slechts twee medewerkers) in Antwerpen een bezoek gebracht aan Payoke, een vzw die slachtoffers van vrouwenhandel bijstaat. Paula D’Hondt, die er op dat moment ook bij was, noemde hem in dit verband ‘visionair’129 en vertelt dat hij ‘in de nauwe kamertjes’ luisterde naar het verhaal van de aanwezige prostituees. ‘Hij kende de problematiek’, gaat ze voort. ‘Hij had Chris De Stoop gelezen. Maar hij was daar om een bijna politiek statement te maken. Hij wilde (…) laten zien dat ze er niet alleen voor stonden. Bij ons vertrek leek hij erg bedroefd. Wat hij me zei, kwam neer op: blijf deze verachtelijke daden luid en duidelijk aanklagen, mevrouw, het zijn geen jonge vrouwen, het zijn kinderen.’130 Luz E. Oral was een van de ‘kinderen’ die hij daar ontmoette. Toenmalig Kamervoorzitter Herman Van Rompuy vertelt in 2008 dat de koning eind jaren 1980 aan de Koning Boudewijnstichting had gevraagd om het probleem van vrouwenhandel en seksuele uitbuiting in kaart te brengen: ‘In die tijd durfde (bijna) niemand dat onderwerp aan te snijden. Vanuit zijn diepmenselijkheid was hij zijn tijd ver vooruit.’131 En Boudewijn was iemand die de daad bij het woord voegde. Op 18 december 1975 zei hij al: ‘Het zijn vrouwen die op het einde van het internationaal jaar dat aan hen werd opgedragen, wellicht ondervinden dat er veel over hen werd gesproken, maar weinig voor hen werd gedaan.’132 In zijn kerstboodschap van 1992 stelde hij andermaal ‘wantoestanden’ aan de kaak:
‘Die staan volop in de actualiteit, omdat moedige mensen ze aan het licht brachten, zoals het schandaal van de vrouwenhandel, een nieuwe vorm van slavernij en racisme, internationaal georganiseerd door een echte maffia, die onverbiddelijk bestreden moet worden. Zopas werd een parlementaire onderzoekscommissie opgericht om het probleem aan te pakken. Ik ben ervan overtuigd dat zij goed werk zal leveren.’133
Om het probleem te bestrijden wendde hij ook zijn invloed aan tijdens audiënties met de bevoegde ministers. Zo staat op 21 april 1991 in zijn dagboeken: ‘De belangrijkste punten van de week waren de voorbereiding van het gesprek met [Justitieminister] Wathelet over ethische en maatschappelijke problemen. Pros-
titutie, slavernij van derdewereldvrouwen in België, het vluchtelingenprobleem in ons land…’134 Blijkbaar had hij op 9 juli 1993, drie weken voor zijn dood, nog met binnenlandminister Louis Tobback over vrouwenhandel gepraat.135 Soms was hij verbaasd over het gebrek aan respons vanwege staatshoofden die het probleem bijzonder aanbelangde – omdat ze die etterende wond in hun eigen land niet onder ogen wilden zien of omdat die handel een belangrijke bron van inkomsten was.136 De verbazing van het paleis betrof ook de traagheid waarmee in België zelf maatregelen werden genomen om ‘dingen te veranderen’.137
Santo subito?
Sinds de dood van koning Boudewijn speculeert de binnen- en buitenlandse pers over de opening van een zaligverklaringsproces. Le Soir zinspeelt er al op 9 augustus 1993 op. La Meuse-La Lanterne kopt vier dagen later: ‘Boudewijn op weg naar heiligheid?’ en citeert in het betreffende artikel uitgebreid uit de preek van Danneels, maar voegt er wel aan toe dat de kardinaal tegen overhaasting is, al was in de Italiaanse pers een bericht verschenen dat hij de opening van zo’n proces had gevraagd. In dat artikel staat ook te lezen dat de Congolese Mgr. Monsengwo in het rouwregister in de kerk van Laken had geschreven dat Boudewijn ‘van de machtsuitoefening een weg naar christelijke heiligheid had gemaakt’ en legt de vicaris-generaal van het aartsbisdom Mechelen-Brussel uit dat de procedure niet kan beginnen voor er minstens vijf jaar is verlopen.138 Ook Le Monde oppert de mogelijkheid van een onmiddellijke zaligverklaring.139
In zijn homilie had kardinaal Danneels de koning inderdaad een ‘herder’ en een ‘voorbeeld voor zijn volk’ genoemd140 en gezegd dat de historici van zijn regeerperiode zijn geheim zouden ontdekken, namelijk ‘God, die hij waanzinnig liefhad en door wie hij bemind werd. Onder het bladerdak van zijn openbare activiteiten vloeide een rustige verborgen bron: zijn leven in God. Bidden, dagelijks de eucharistie vieren, het evangelie lezen, Maria liefhebben, boete doen: die geheime bronnen voedden de stroom van zijn leven. (…) In elk mensengezicht ontwaarde hij het gezicht van Christus.’ Als zovele anderen wees hij daarna op Boudewijns aandacht voor de behoeftigen, om vervolgens uit te roepen:
‘Gelukkig het volk dat zo’n koning heeft om het bij leven te besturen en zo’n engel om er na zijn dood over te waken (…). Wij zouden ontroostbare wezen zijn als we niet wisten dat God ons in plaats van een koning een voorspreker (…) en beschermer van België heeft gegeven (…). U die zo lang in de kapel
in het Kasteel van Laken hebt gebeden, staat nu voor de troon van het Lam. Niet uw taak, maar uw plek is veranderd.’
De kardinaal had ei zo na ‘Santo subito!’ uitgeroepen… Het zal nog vaak zover komen, maar er komt nooit iets in beweging. Dat neemt niet weg dat iemand als Mgr. Eduardo Herrera Riera, bisschop van het Venezolaanse Carora, in 1996 schreef: ‘Para mí el rey Balduino es un santo’ (‘Voor mij is koning Boudewijn een heilige’).141 In 1998 neemt La Libre Belgique de vijfde verjaardag van het overlijden van de koning te baat om de vraag opnieuw op te werpen.142 Ook de aartsbisschoppen van Mechelen-Brussel na Godfried Danneels nemen een afwachtende houding aan. In een brief van Johannes Paulus II aan kardinaal Danneels, verstuurd naar aanleiding van de tiende verjaardag van Boudewijns overlijden in 2003, wordt de koning een ‘menselijke, morele en spirituele’ persoonlijkheid genoemd en drukt de paus de wens uit dat ‘zijn leven van dienstbaarheid, geworteld in een diepe relatie met God en gegrondvest op essentiële waarden’, de Belgen aanzet om ‘in zijn voetsporen te treden om te vechten voor een steeds rechtvaardiger en broederlijker samenleving, met respect voor de waardigheid van de menselijke persoon’.143 Stanisław Dziwisz, de voormalige privésecretaris van de paus, over de houding van deze laatste tegenover de koning:
‘Tijdens zijn bezoek aan België in 1995 wilde de Heilige Vader bidden bij het graf van de koning. Hij week daarvoor af van het programma en deed dat samen met de koningin. (…) De onverwachte dood van de koning en de omstandigheden waarin deze plaatsvond, maakten grote indruk op hem. Hij was overtuigd van Boudewijns heiligheid.’144
In 2008 wijdt De Standaard een artikel aan de mogelijke heiligverklaring (in Blankenberge zou een non op miraculeuze wijze van kanker genezen zijn), waarin erop gewezen wordt dat niet eens het proces tot zaligverklaring is ingezet.145 In 2018 schrijft La Libre Belgique dat de homilie van kardinaal Danneels in 1993 weliswaar het debat heeft geopend, maar dat er 25 jaar later van een proces nog steeds geen sprake was; had Danneels naar aanleiding van de twintigste verjaardag van Boudewijns overlijden overigens niet zelf verklaard: ‘Het zal gebeuren wanneer God het wil. Standbeelden op pleinen en altaren in kerken zijn slechts de buitenkant van heiligheid. God heeft die al veel eerder gezien’?
Pas op 29 september 2024 zet paus Franciscus de stap: nadat hij de vorige dag bij het graf van de koning in de crypte van Laken heeft gebeden, zegt hij aan het einde van het angelus in het Koning Boudewijnstadion tot grote verbazing van
de tienduizenden gelovigen die daar verzameld zijn: ‘Ik heb u iets te vertellen. Bij mijn terugkeer in Rome zal ik de zaligverklaring van koning Boudewijn in gang zetten: moge zijn geloof een lichtend voorbeeld zijn voor regeringsleiders. Ik vraag de Belgische bisschoppen zich hiervoor in te zetten.’146 In het vliegtuig dat hem terug naar Rome brengt, antwoordt hij op een vraag van een RTBF-journalist:
‘De koning is moedig geweest: hij heeft een dodelijke wet niet ondertekend en is afgetreden. Dat vergt moed! Dat vergt lef en daadkracht! De omstandigheden waren bijzonder, zijn daad was een boodschap. En hij deed het ook, omdat hij een heilige was. Deze man is een heilige en het zaligverklaringsproces zal doorgaan, omdat hij me daarvan het bewijs heeft geleverd.’147
Op 17 december 2024 voegt hij de daad bij het woord: het dicasterie voor de Heiligverklaringen opent het proces door een gewone historische commissie in te stellen, wat de normale werkwijze van de Heilige Stoel is om een onderzoek volgens de regels van de kunst te openen.
Een zaligverklaring is een uitsluitend katholiek eerbetoon. De koning wordt ook op andere manieren in binnen- en buitenland eer bewezen. In België worden pleinen, parkjes, straten, lanen, steenwegen en bruggen naar hem genoemd, onder meer in Hasselt, Bergen, Manage, Floreffe, Gent, Blankenberge, Genk, Courcelles, Anhée, Bassenge, Eigenbrakel, Namen, Edingen, Oupeye, Welkenraedt, Terhulpen, Leuven, Zwevegem, Lommel, Kuurne, Menen, Ham-sur-Heure-Nalinnes, Ohey, Hamois, Sint-Agatha-Berchem, Lontzen, Vilvoorde, Machelen, HouthalenHelchteren, Hoei, Charleroi, Kasteelbrakel, Louvain-la-Neuve en Perwez. Het nationale stadion in Brussel draagt sinds de renovatie in 1995 zijn naam. Op hetzelfde moment is voor het aanpalende metrostation een naamsverandering doorgevoerd. In Jette is er een Koning Boudewijnpark met een bronzen buste van de vorst. Toen voor de Brusselse kathedraal een standbeeld voor hem werd opgericht, kreeg het vlakbij gelegen parkje zijn naam. Andere standbeelden van de koning zijn te vinden in Ukkel, Aalst en Gent. In Plombières is een toren naar hem genoemd. Verder wordt zijn naam ook gegeven aan woonzorgcentra (in Brussel bijvoorbeeld), een boom (in Kelmis), een UCL-auditorium (in Sint-Lambrechts-Woluwe), een hogeschool in Henegouwen (met vestigingen in Bergen, Charleroi, La Louvière, ’s Gravenbrakel en Jolimont) en athenea, scholen en colleges (Lommel, Oostkamp,148 Jemeppe-sur-Sambre, Fosses-la-Ville, Schaarbeek en Spa). In het buitenland zijn er twee ziekenhuizen, een in Senegal en een in Congo, die zijn naam dragen. De avenue Roi-Baudouin in Kinshasa is nooit van naam veranderd. Ook in Italië en Spanje zijn pleinen en straten naar hem vernoemd.
‘Koning Boudewijn was een symbool. Hij wordt een mythe’
Na de uitvaartplechtigheid is er de begrafenis in de koninklijke crypte in de OnzeLieve-Vrouwekerk in Laken. Wanneer de rouwstoet op weg daarheen in Schaarbeek voorbij de Koninklijke Sint-Mariakerk trekt, wordt de koning geëerd door de plaatselijke, grotendeels Noord-Afrikaanse migrantengemeenschap, die weet dat de koning met hen begaan was.149 Wanneer aan het einde van de begrafenis alleen nog de naaste familie in de crypte aanwezig is, doet de last die prins Albert op zijn schouders voelt drukken, hem voor de kist van zijn broer uitroepen: ‘Help mij!’ ‘Dat was zeer indrukwekkend’, aldus Paul Lanneau, hulpbisschop van MechelenBrussel later.150 En de koning geworden Albert herinnert zich dat hij en grootmaarschalk Jacques als enigen in de crypte zijn gebleven toen de kist in de sarcofaag werd geplaatst. ‘Ik heb dikwijls aan mijn broer gevraagd om mij te helpen’, vertelt hij. ‘Ik heb zelfs eens aan een minister gezegd dat mijn broer over mij waakte. Ik geloof dat Boudewijn mij heeft geleid. Hij heeft voortdurend over mij gewaakt, daar bestaat geen twijfel over.’151
Op 7 augustus om 13.30 uur rolt bij Le Soir een extra editie van de persen over het ‘gesublimeerde verdriet’ tijdens de begrafenis. Normaal gesproken verschijnen van deze Brusselse krant 1,8 miljoen exemplaren per week. Sinds het overlijden van de koning is dat aantal opgelopen tot 4,2 miljoen. Deze extra editie heeft een oplage van 320.000 exemplaren (bij die van maandag 9 augustus gaat het om 520.000 exemplaren).152 In de editie van 7 augustus wijst de hoofdredacteur van de krant op het internationale gewicht van Boudewijn: het is ‘alsof het imago van België in het buitenland in wezen wordt overgebracht door de persoon van de koning’. En terugkijkend op de afgelopen week schrijft hij: ‘Belgen uit alle hoeken van het land en alle lagen van de bevolking hebben hulde willen brengen aan de kwaliteiten van een man die zich inzette voor solidariteit en vrede. Koning Boudewijn was een symbool. Hij wordt een mythe.’153
Voor haar extra editie van 7 augustus grijpt de krant La Libre Belgique terug naar het ‘Heengegaan via de deur van het hart’ van de kardinaal. Op zondag 8 augustus komt Le Soir met een nieuwe extra editie. Op maandag 9 augustus wijdt Het Laatste Nieuws 28 pagina’s aan de begrafenis, met op de voorpagina de kop ‘Hart vol Hoop’.154 In zijn negen extra pagina’s van diezelfde dag heeft De Standaard het over een ‘indrukwekkende plechtigheid (…), die aangrijpt en verbaast’. In een lovend artikel somt de columnist van de krant alle valabele redenen op waarom de Belgen een koning erkentelijk mogen zijn die, vooral in de loop van de afgelopen tien jaar, tot ‘een mens van uitzonderlijk gehalte uitgegroeid is’, iemand die niet vanaf een
ontoegankelijke troon alleen tot de machtigen van deze wereld sprak, maar zijn paleis verliet om de mensen tegemoet te gaan die daar het meest nood aan hadden. Dus, besluit de columnist, was Boudewijn tegelijkertijd ontvanger en zender van boodschappen, schonk het volk hem vertrouwen, was hij iemand die luisterde en anderen van harte het woord verleende en was ‘de voorbije dagen’ overduidelijk gebleken dat veel Belgen ‘in Vlaanderen, Wallonië en Brussel op [hem] aangesloten en afgestemd waren’.155
Op 11 augustus gaat Le Soir nader in op de emoties die het overlijden van de koning ook bij de Vlamingen losmaakt, want ‘die zijn des te opmerkelijker als je er rekening mee houdt dat de laatste woede-uitval van koning Boudewijn – de berisping van Luc Van den Brande voor diens confederalisme-uitspraken – in het noorden van het land veel opschudding veroorzaakte’; trouwens, in Vlaanderen zelf ‘hebben waarnemers de nadruk gelegd op het aanhoudende contrast tussen de afwijzing van de politieke klasse door de burger en de enorme golf van sympathie die er rond de persoon van koning Boudewijn is ontstaan’.156 Voor premier Dehaene zijn de uitvaartmis en de getuigenissen erna een ‘ontroerende ervaring’ en is Fabiola ‘een sterke vrouw, die moed en kracht put uit een diep geloof in de verrijzenis, voor wie de dood geen scheiding is, maar een tussenstap naar de verrijzenis en de gemeenschap der heiligen’.157 Ook socialistisch parlementslid en toekomstig Senaatsvoorzitster Anne-Marie Lizin is onder de indruk van de uitvaartmis. In een brief aan de koningin looft ze haar voor de ‘uitzonderlijk diepe betekenis’ die Fabiola eraan had weten te geven:
‘Slechts enkele aanwezige staatshoofden zouden in staat zijn om hun volk met zo’n schitterende waardigheid te doen nadenken over racisme en mensenhandel. Wij zullen van levensbeschouwing blijven verschillen, maar u verdient het, mevrouw, om gefeliciteerd te worden voor de manier waarop u deze zaterdag de koningin bent geweest van een volk dat trots is op u.’158
Over de persoon van de koning Boudewijn die hij ongeveer één keer per jaar ontmoette toen hij voorzitter van de Europese Commissie was, zei Jacques Delors in 2016:
‘Ik herinner me hem als een diepmenselijk man, die het lijden voor anderen niet uit de weg ging en bijzonder opmerkzaam was. Hij leed mee met de armen en leed onder het vooruitzicht van een opdeling van België. Je begrijpt hem niet als je geen rekening houdt met die door en door christelijke ervaring van het lijden.’
Delors is ook sterk getroffen door de strijd van de koning om vrouwen uit de prostitutie te halen. ‘Als ik mensen ontmoet die mijn meerderen zijn,’ zo laat hij daarop volgen, ‘wil ik die heel graag ontmoeten en van hen leren. Hij was een opmerkelijk man. Boudewijns uitstraling reikte over heel Europa. Alle staatshoofden en koningen hadden veel achting voor hem. Hij was een ongelooflijk man, een grote meneer.’159
Tussen 8 en 13 augustus 1993 brengen nog 50.000 Belgen in de crypte van Laken een laatste hulde aan de koning.160 Een jaar later defileren 22.000 Belgen voor de trappen van het koninklijk paleis, ter nagedachtenis aan de koning.161