Skip to main content

Vrolijke, vrolijke vrienden - Dimitri Verbelen

Page 1

Dimitri Verbelen

Kroniek van een fatale vriendschap — roman —


Dimitri Verbelen

, e k j i l o r V vrolijke vrienden Kroniek van een fatale vriendschap


‘Ik ben een pessimist die noodgedwongen in optimisme gelooft’ – Dimitri Verbelen


I hurt myself today to see if I still feel I focus on the pain the only thing that’s real NINE INCH NAILS (maar zoveel geloofwaardiger in de versie van Johnny Cash) – Hurt –


Op een dag open je de ogen in het volle besef dat je geworden bent wat je absoluut verafschuwt. Eerst lig je nog een beetje verdwaasd in bed zonder echt te beseffen dat er iets fundamenteels veranderd is. Je zweeft nog in de grijze schemerzone tussen de onverteerde nachtmerrie en, vaak nog veel erger, de realiteit van een nieuwe dag. Ergens voel je het toch. Geleidelijk, genuanceerd. Zijn het de kleuren die net iets fletser lijken dan op een doordeweekse dag, of is het gewoon het optische trillen van de lucht, zoals bij een golvende asfaltweg op een veel te hete zomerdag? Terwijl je de slaapprut met geplooide wijsvingers uit je ogen wrijft, sijpelt het besef dan toch zachtjes door, als de eerste kleine druppel van een ongewenst en onvindbaar lek in een waterleiding. En dan, in complete tegenstelling tot zijn aanvankelijke zachte begin, gaan de sluizen open en slaat het je als een reuzegrote vloedgolf zonder enige vorm van genade pal in het aangezicht. Verder negeren is struisvogeliaans in het kwadraat. Je volledige bestaan is verworden tot iets waartegen je je tijdens je hele puberteit krampachtig hebt verzet. De bron van je toenmalige afkeer en misprijzen blijkt nu niet meer of niet minder te zijn dan de kern van je hele bestaan. ‘Proficiat en welkom in de grijze massa van de burgerij!’ roept de dageraad, waarop hij onverzettelijk zijn weg voortzet om de sukkels in de volgende tijdzone met behulp van genadeloze zonnestralen wakker te prikken. Nu dromen ze nog, de onwetenden. Ze proeven de zoete en de zure dromen waarvan ze zich in veel gevallen de smaak niet meer zullen herinneren wanneer de wekker hen bij de lurven grijpt en zonder mededogen opnieuw de echte wereld in katapulteert. De kronkelende hetewijven-lijven en de sneller-dan-ik-lopende-monsters worden voor een paar uur opgeborgen in de laden van het onderbewustzijn om er bij ingevallen duisternis weer uit te kruipen en hun slachtoffers voor de volgende nacht in volledige willekeur uit te kiezen. 7


Ikzelf word weinig uitgekozen het laatste jaar, zowel de hete wijven als de monsters laten mij links liggen tijdens hun nachtelijke strooptochten. Het gebrek aan dromen bekijk ik gelaten als een symptoom, een sinistere uiting van mijn probleem. Een vorm van geestelijke apathie. Het heeft me 33 jaar van mijn leven gekost om het licht te zien. Hoewel het maar een straaltje is, de ondertreffende trap van licht, zo je wilt. Als tiener had ik zoveel dromen en ik durf met meer dan een beetje schaamte toe te geven dat ik er niet echt veel heb waargemaakt. Toegegeven, die motor heb ik uiteindelijk gekocht en ik ben er voorlopig nog niet mee op mijn gezicht gegaan, hoewel de eerlijkheid me gebiedt te bekennen dat voorgaande vooral te danken is aan het feit dat ik er minder kilometers mee afleg dan de gemiddelde rusthuisbewoner met zijn looprekje. Voor de rest van de met veel zorg bij elkaar geklutste wensen moet ik toegeven dat ze nog op de to-dolijst staan. De inkt waarmee ze op het papier van de hoop zijn neergepend, is al wat vervaagd, maar ze zijn er nog. Voorlopig toch. Ik weet nog dat ik als twaalfjarige mijn vader zag thuiskomen om elke dag opnieuw zijn aktetas – zo’n standaard-Samsonite waar je met van die klotestickertjes je initialen op kon kleven – neer te zetten op identiek dezelfde plek als waar hij ’s morgens werd opgepikt voor zijn trip naar de wereld van de hoofdstedelijke bureaucratie. Ik meen me zelfs vaag te herinneren dat je perfect aan de vloer kon zien waar de vier pootjes van het ding zich door de jaren heen hadden ingegroefd, als symbolen voor de krassen op de ziel van zijn drager. Hoe vaak heb ik niet gedacht en met veel bravoure verkondigd dat ik nooit in die wereld terecht zou komen, wat steeds, volledig afhankelijk van de uitingswijze van mijn misprijzende ex-

8


pressie, een monkellachje of een boze blik teweegbracht bij mijn vader. Misschien word ik ooit zelf nog wel eens vader. Wie zal het zeggen? Tijd heeft immers geduld maar kent amper genade. Als ik er goed over nadenk, kan ik me met de beste wil van de wereld echt niet herinneren wat ik, professioneel gezien tenminste, eigenlijk wel wilde worden op die leeftijd. Misschien is dat net de kern van mijn hele probleem. De puberfantasie om F-16-piloot te worden heb ik nooit gehad. Door het noodlot in de vorm van een luchtafweerraket uit het zwerk geplukt worden met enkele tonnen staal rond mijn lijf leek me toen al weinig romantisch. De wens om dokter te worden had ik wel. Die had echter weinig professioneels, laat staan medisch om het lijf. Misschien, en anders dan veel van mijn generatiegenoten, heb ik nooit echt iets specifieks willen worden of doen. Handenarbeid was bijvoorbeeld totaal niet aan mij besteed. En dan druk ik mij nog zeer mild uit. Op jeugdige leeftijd vader helpen met het slaan van nutteloze nagels in een al even nutteloos stuk hout (kinderen moeten immers leren), resulteerde gegarandeerd in een doktersbezoek. Een blauwe vingernagel voor mijzelf of enkele dagen werkonbekwaamheid voor mijn vader waren nooit veraf. Handigheid is een zorgvuldig bedeelde gave, geen kneedbare eigenschap. Het stimuleren van technische vaardigheden en het doorgedreven trainen van mijn oog-handcoördinatie werden dus al snel achterwege gelaten, noch oog noch hand zou het ambitieuze project ongeschonden overleefd hebben. Mijn vader was aanvankelijk van het principe dat je een kind alles moet laten proberen. In dit geval lagen de prijs en het maatschappelijke gevaar echter gewoonweg veel te hoog. De wijzers der verwachting wezen dus wel degelijk in de richting van mijn veronderstelde intellectuele capaciteiten om het te gaan maken in de ‘grotemensenwereld’.

9


Ik zou verdomd niet weten hoe ze die kloterij heden ten dage noemen, maar ik veronderstel dat het principe gelijk gebleven is: een kudde mislukte maar zelfvoldane onderwijzers vergelijkt het studieobject – in dit geval een aan het begin van zijn leercarrière staand kind – op verschillende vlakken met de gemiddelde doorsnede van zijn lotgenoten. Deze in mijn geval meestal niet echt verbijsterende resultaten, werden vervolgens in een wisselvallige curve gegoten en overgemaakt aan mijn ouders, die de bui reeds lang zagen hangen. Mijn persoonlijke veroordeling door de zelfuitgeroepen jury der middelmatigheid was steeds gelijklopend: kennis en intellectuele capaciteiten waren in voldoende mate aanwezig, maar wilskracht en inzet ontbraken al te vaak. Of zoals mijn grootvader het graag op zijn eigen pragmatische manier placht uit te drukken: ‘Hij kan godverdomme meer als goe genoeg, mo’t en komt er ni uit, den tamzak. Achter de vuilkarre zal’t em nog lopen!’ Mijn puberale denkproces over ‘later’ vertoonde twee fundamentele lacunes. Ingevolge mijn aparte wereldbeeld durfde ik al eens uit het oog te verliezen dat mijn IQ allesbehalve wereldschokkende proporties aannam. Ten tweede geloofde ik oprecht niet in het feit dat werken een goede eigenschap was. Nog steeds niet trouwens. Een roeping zou te gepasten tijde wel uit de lucht komen vallen. Deus ex machina à la carte. Ik zou mijn vaders leven nooit overnemen, om de dooie dood zou ik niet in datzelfde miezerige bureau terechtkomen waar hij samen met zijn schijndode collega’s de dagen tot zijn pensioen zat af te tellen. Voor mij geen decor van grimmige, metalen wandkasten, volgestouwd met classeurs die uitpuilen van de nutteloze statistieken, zorgvuldig opgetekend ter onderbouwing van Het Grote Niets.

10


Wel godverdomme, ik kan inderdaad met enige trots van de daken schreeuwen dat ik niet in datzelfde klotekamertje terechtgekomen ben. Ik zit namelijk twee verdiepingen hoger.

11


why do we never get an answer when we’re knocking at the door? because the truth is hard to swallow that’s what the wall of love is for THE MOODY BLUES – Question –


Hoe ik uiteindelijk in deze situatie terechtgekomen ben, is een vraag die ik mezelf al een paar miljoen keer heb gesteld. Waarom stel ik ze dan opnieuw en opnieuw? Ik denk dat ik de behoefte voel om achteruit te kijken omdat datgene wat ik voor me zie vaag geworden is. Hoewel mijn lichaam nog geen uiterlijke tekenen van verval vertoont, voel ik mij geestelijk in staat van ontbinding. Begrijp mij niet verkeerd, het is heus niet zo dat ik iedere ochtend met natte wangen aan de dag begin met de behoefte om een handvol prozac door mijn keelgat te jagen. De wil om een uitweg te vinden is er nog steeds. Meer dan ooit zelfs. Hij knaagt aan de hoeken en de kanten van mijn bewustzijn. Niet met het doel ze op te vreten, neen, gewoon om mezelf wakker te schudden, te sensibiliseren. Ik moet zien uit te vissen hoe ik weer zin kan geven aan mijn bestaan. Waarom zijn mijn enige vrienden op dit moment een aantal overvolle asbakken? Wie of wat doofde het vuur en waarom liet ik het uitdoven? Ik was, zo denk ik toch, gelukkig met mijn uiteindelijk heel makkelijke leventje. Jaren aan een stuk volgde ik een pad, om plots te beseffen dat ik eigenlijk niet meer weet waar ik naartoe wil, waar ik vandaan kom en misschien wel nog veel schokkender: hoe ik in godsnaam op dit godvergeten punt terechtgekomen ben. De enige mogelijkheid om dat te achterhalen is een complete evaluatie van mijn leven. Ik dien uit te zoeken wat deze gordiaanse knoop bewerkstelligd heeft. Ieder aspect van mijn leven moet ik analyseren en een plaats geven. Ooit moet dan toch komen bovendrijven hoe ik hier geraakt ben en hoe ik hier ongeschonden weer weg geraak. Ik moet de paden van mijn verleden bewandelen in de hoop de snelweg van de toekomst te vinden. Ik zou je nu al over ‘De Dag’ kunnen vertellen die dit alles in gang heeft gezet. De dag die een schaduw wierp over alle andere.

13


Maar dat zou te makkelijk zijn. Te snel. De dag die alles door elkaar schudde, was er een van afgrijzen, van diepe pijn en hels verdriet. Maar uiteindelijk was die verschrikkelijke gebeurtenis slechts de katalysator die alles op gang heeft gebracht. Ik leefde in een wereld die ik tot op dit eigenste moment niet volledig kan plaatsen. Een wereld die niet voorbestemd was om de mijne te zijn. Maar ik voelde me er thuis. Was dat dan zo verkeerd? Ik ben er heilig van overtuigd dat ik al veel vroeger op het verkeerde spoor zat. Toeval brengt je in contact met mensen. Dat begint al heel snel in je leven. Op school, in de sportvereniging, in de jeugdbeweging, op een bank in het park. Op elk van die unieke momenten word je met mensen geconfronteerd die je misschien beter nooit had ontmoet. Of ben ik nu te pragmatisch? Schijnbaar toeval maakt vrienden en creëert vijanden. Soms voor het leven. Soms voor het tegenovergestelde. Mijn dag is vreemd begonnen. Normaal gesproken zet de wekker om zes uur ’s ochtends een reeks automatismen in gang. Ik ben nooit een nog-vijf-minuutjes-persoon geweest, ik schakel onmiddellijk over op de automatische piloot die mij blindelings naar de badkamer loodst, waar ik de uiterlijke schijn verzorg die bij mijn collega’s de indruk moet wekken dat ik net zoals hen ben. Weten zij veel. Vandaag niets van dat alles, vandaag krijgt de wekker geen schijn van kans. Deze morgen is mijn emmer overgelopen en ik weet drommels goed wat de druppel was. Vandaag staat de nuchterheid ongeduldig op de deur te kloppen. Vandaag is de dag dat mijn masker afvalt. Niet door toeval, wel door overtuiging. Ik ben het zat om een rol te spelen. De inhoud van mijn emmer schreeuwt om een grondige analyse. Tot op de bodem en nog onwezenlijk veel dieper. 14


Mijn bed, mijn haven. Vroeger toch. Deze ochtend lig ik te woelen zonder de juiste positie te vinden. Slaap is heel ver weg en ik voel me verschrikkelijk moe. In de hoop op positief nieuws keer ik me richting wekkerradio. Ik verwacht ergens stuurloos tussen één en twee uur te dobberen met een zee van rust voor de boeg. Een lichtgroen schijnsel dwingt mij in het gareel van de tijdgebonden realiteit. De sadistische lcd-cijfers geven 05:59 aan. Nog voor de rotzak de kans krijgt me met het nieuwsbericht te overvallen, verkoop ik de wekkerradio een rechtse hoek. Dagen die beginnen met een diepe zucht kunnen nooit goed eindigen. Dat heb ik al te vaak ondervonden. Ik knip het lampje aan. Het licht lijkt vandaag sterieler dan anders, kouder. Het doet me denken aan het licht van een ziekenhuisgang. Ook de kleuren van mijn kamer lijken anders, alsof ik ontwaak in een vreemde wereld. Misschien is dat ook wel zo. Of is dit de echte? De wereld zoals hij hoort te zijn, de uiteengespatte zeepbel? Mensen horen geen asbak op hun nachttafel te hebben, maar ik heb er een. Behoorlijk vol ook. ‘Dit kan onmogelijk gezond zijn’ is de eerste gedachte die door mijn hoofd schiet. Die gedachte is volkomen correct, maar ze gaat over zoveel meer dan alleen maar over een asbak. Een smerige keramieken kom vol peuken als metafoor voor het leven, dat kan tellen als starter. Vandaag is geen dag om te werken. Vandaag is een dag om in bed te liggen en te roken. Veel te veel te roken, hoewel het daar nog ruim te vroeg voor is. De sigaretten zullen me niet helpen om een oplossing te vinden, maar de rook die voor mijn ogen kringelt, dwingt me tot nadenken. Ik maak de bedenking dat blinden niet ten volle kunnen genieten van roken, ze missen de helft van het plezier. Het zichtbare genot van de blauwe mist.

15


Hoe lang rook ik nu al? Dat moet ondertussen toch al zo’n zeventien jaar zijn. Ik geloof dat ik inderdaad zestien was toen ik voor de eerste keer van de verboden vrucht proefde. Zeventien jaren die in rook zijn opgegaan, dat zijn dik zesduizend dagen. Laten we dan maar direct zesduizend pakjes nemen, ik moet toch ergens een gemiddelde vinden en details interesseren me niet. Wetende dat ik in het prille begin van mijn verslaving minder rookte dan nu, en rekening houdend met mijn jaarlijkse poging tot stoppen, zou het zoiets moeten zijn. Ik wil niet weten hoeveel me dat gekost heeft. Geld moet rollen. Of in mijn geval: in rook opgaan. Uiteindelijk kan het mij ook geen zak schelen dat ik rook, eigenlijk zou ik me geen leven zonder sigaretten kunnen voorstellen. Op dit moment is paffen het enige waar ik nog een beetje genot schijn uit te scheppen. Mijn sigaretten zijn mijn troostende schouders, mijn hobby, mijn vrienden. Ik steek zuchtend de tweede vriend van de dag op en zuig zijn vriendschap diep in mijn longen. Ik heb geen zin om mijn baas te bellen en te verwittigen dat ik er vandaag niet zal zijn. Ze kunnen eventjes mijn rug op. Het feit dat ik niet uit bed stap om me aan te kleden staat nu onwrikbaar vast, dat voel ik aan iedere tegendraadse vezel die samen met mij wakker is geworden. Ik kijk naar het plafond en wil de planken tellen, maar er zijn al lang geen planken meer. Alles is glad en wit gestukt. Het ouderlijke huis ligt al lang achter mij. Misschien moet ik proberen te lezen, dat hielp vroeger. Het lijkt zo ongelooflijk lang geleden. Tegenwoordig begin ik aan boeken om ergens halverwege mijn draad en mijn interesse kwijt te raken, waardoor ze onder mijn bed belanden met een afgescheurd stukje karton van een sigarettenpakje als bladwijzer. Zo ergens tussen bladzijde 60 en 70. Onder mijn bed bevindt zich de bibliotheek van de apathie. De gave of de wil om

16


mij te verliezen in een verhaal ben ik ergens onderweg verloren. Misschien heeft de nuchterheid mij ingehaald. Misschien liep ik ook helemaal niet hard genoeg, wie weet. Ik heb geen zin om te lezen. Ik heb zin om te liggen, te roken. Ik wil nadenken en mezelf zielig vinden. Is het even gepermitteerd? In een halfslachtige poging om zo weinig mogelijk as over de rand te duwen, prop ik de peuk voorzichtig in de overvolle asbak, om onmiddellijk een nieuwe sigaret op te steken. Welke sadist speelt er met de draadjes waar ik aan bengel? Heb ik gisteren dan echt zoveel gedronken? Aangezien mijn hoofd aanvoelt alsof er zonet een spijkerbom in ontploft is, ben ik geneigd te denken van wel. Hoewel ik in mijn jeugd serieus wat pinten kon verzetten, heb ik er nooit een gewoonte van gemaakt om thuis te drinken. Tot nu. Whisky dan nog wel. De drank die mij altijd al nostalgisch of agressief scheen te maken en waarvan ik weet dat hij, in tegenstelling tot mijn derde sigaret, nooit een goede vriend zal worden. Op sommige dagen heb je gewoon slechte vrienden nodig. Het is nu op de kop af zeven weken geleden dat ze vertrokken is en het enige wat ze achterliet, was een stukje papier met het bedrag dat ik haar verschuldigd was voor de helft van de inboedel. Sorry, dรกt en een hoop extra plaats in de kleer- en de boekenkast. Wat ik je nu al met mijn hand op mijn hart kan verzekeren, is dat mijn huidige neiging tot zelfverwaarlozing niets te maken heeft met het feit dat ze haar boeltje heeft gepakt. Daarmee zou ik haar net iets te veel eer verschaffen. Net zoals zij nood had aan vers vlees in haar bed, heb ik nood aan meer plaats in het mijne. Eigenlijk heeft ze me een plezier gedaan door haar benen gewillig te spreiden voor de eerste de beste geile lul die zich door haar doorgaans fragiele persoonlijkheid wist te rammen. Toegegeven, ze kon tenminste een enigszins

17


toonbaar exemplaar uitgekozen hebben om mijn eigenwaarde niet al te zeer te deuken, maar op lange termijn bekeken moet ik hem eigenlijk dankbaar zijn. Ik ben blij dat ze weg is. Ze was mijn immer opgetrokken handrem. Het ontstaan van een relatie gaat altijd gepaard met het partiĂŤle overlijden van twee persoonlijkheden. De dood van die relatie brengt dan weer het omgekeerde met zich mee: de wedergeboorte van het individu. Geboren worden is een traumatische ervaring. Vergeet dat romantische gewauwel over in zachtheid ter wereld komen op een schapenwollen vachtje. Geboorte is bloederig en pijnlijk. Het is een vieze bedoening. Het is de gezellige warmte loslaten voor een sprong vanuit het geborgen donker naar het agressieve licht. Het is een noodzakelijk kwaad om te leven. Eindelijk te leven! Ik denk dat ik gemaakt ben om alleen te zijn. Ik apprecieer gezelschap ten zeerste, maar ik denk steeds in het enkelvoud. Ik wil niet in de schijnwerpers staan maar ik wil ze ook niet meer bedienen. Tijd om mijn eigen kaars op een kandelaar te plaatsen. Goh, een vierde sigaret in bed is echt wel decadent, maar het voelt goed. Het voelt natuurlijk en ik lijk te ontspannen. Mijn besluit staat vast en ik heb me in lange tijd niet meer zo overtuigd gevoeld. Ik ben klaar voor een trip door mijn leven, een wandeling met nicotine aan het handje.

18


every generation blames the one before and all of their frustrations come beating on your door MIKE & THE MECHANICS – The Living Years –


Mocht je moeder er een gewoonte van maken om je dagelijks, enkel gehuld in een fluorescerende string, teelballensoep met bouillon van rotte vissenkoppen te serveren, dan zou je daar figuurlijk gesproken geen graten in zien. Je ouders kneden als eersten je wereldbeeld. Wat zij doen is de norm. Ik veroordeel daar trouwens niemand voor. Ik stel gewoon vast dat er in mijn leven enkel tomatensoep met balletjes op tafel kwam. In huis werd alles door moeder gladgestreken, van de kleinste zakdoek tot de grootste ruzie. Moeder genas levensbedreigende schaafwonden op de knie, louter door de medicinale toepassing van een overdadige dosis toverspeeksel. Mijn pa van zijn kant stond altijd klaar voor ongevraagde hulp bij huistaken en mentaal oplapwerk na een verloren vechtpartij op de speelplaats. Slechts één keer meen ik mij de zinderende hand van mijn verwekker te herinneren. Het was de dag dat ik zijn splinternieuwe horloge, een cadeau van mama dat behoorlijk wat geld had gekost, vanuit het raam van mijn kamer aan de natuurkundige wet van de zwaartekracht had onderworpen. We waren tijdens die periode op school heel intensief bezig geweest met proefondervindelijk onderwijs. Onze toenmalige leraar, een man met een roeping én een visie – altijd een gevaarlijk combinatie – moedigde ons hevig aan om zelf actief te experimenteren met de wetten van de natuurkunde. We dienden onszelf uit te dagen om lerend te ontdekken, om als het ware zelf te ervaren wat de wetenschappelijke pioniers ooit hoogstpersoonlijk mochten ondervinden. De zwaartekracht won mijn gekozen uitdaging met voorsprong van het horloge en sir Isaac Newtons appel kwam in de vorm van mijn vaders rechterhand in volle snelheid op mijn wang terecht. De enige proefondervindelijke conclusie die ik trok, was dat de Zwitsers misschien wel prat mogen gaan op hun globaal erkende precisie, maar dat er op het gebied van de schokbestendigheid nog heel wat werk aan de winkel was. Het experiment betekende het einde van mijn sluimerende interesse in de wetenschap. 21


Heel af en toe was er wat commotie in huis, bijvoorbeeld toen mijn zus en ik cowboy en indiaantje speelden zonder dat mijn zus daarvan door mij op de hoogte was gebracht. We werden door onze ouders regelmatig gewezen op de familiale plicht om van elkaar te houden en soms probeerden we dat ook echt. We luisterden gespeeld aandachtig naar het zoveelste hopeloze sermoen van pa en ma. Vervolgens onthoofdde ik de lievelingsbarbie van mijn zus en liet zij op mysterieuze wijze mijn favoriete Suske & Wiske-album verdwijnen. Mijn vijf jaar oudere zus, met wie ik amper nog contact heb, heeft me verder nooit geïnteresseerd. Haar schijndode man Dirk en hun oliedom kijkende tweeling boeien mij zo mogelijk nog minder. Ze wonen met hun vieren, als waren het figuranten voor een reclamespotje van chocopasta, in een gerenoveerd herenhuis te midden van de Vanderkinderestraat te Ukkel. ‘Een huis met een ziel’, zoals ze het noemen. Het is een situatie waar zowel het gezin als Ukkel blij mee is. Geen burgers die zo stipt hun vuilniszakken buitenzetten als zij. Bij een occasioneel bezoek bezoedel ik hun dure matten met mijn goedkope schoeisel – dat merk ik aan hun blik. Geen haar op mijn hoofd dat het ook maar overweegt om mijn schoenen uit te trekken, dat zou ik beschouwen als capitulatie aan de bourgeoisie. Dirk, het wettelijk en kerkelijk aan mijn zus verbonden stuk pekelharing, schijnt een boekhoudkundig genie te zijn. Zijn bankrekening vertoont, in tegenstelling tot de mijne, een aanzienlijk aantal nullen tussen het eerste cijfer en de komma. Na amper twee glazen châteauneuf-du-pape (ook al heeft er een leproze malarialijder met een blaasontsteking in gepist, voor een mindere naam pakt hij niet uit) is hij zo zat als een kanon en produceert hij eindeloze monologen over het culturele voordeel van een leven in de hoofdstad van Europa. Ik verdenk hem er stiekem van te masturberen met The Financial Times in de hand. Iets wat ik

22


hem na een paar jaar met mijn kwezel van een zus zelfs niet kwalijk zou nemen. Hun ondertussen zeven jaar oude eeneiige tweeling Margot & Céline is gespecialiseerd in het gebruik van woorden die ze zelf amper begrijpen en het dragen van couturekleding die ze op bovennatuurlijke wijze nooit lijken te kreuken. Hoe twee ego’s van dergelijke omvang ooit samen in één ei hebben gepast, is zowel mij als de medische wereld nog steeds een raadsel. Mijn zus kan ik niets ten laste leggen wat mijn gemoedstoestand betreft. Dat zou hoogst kortzichtig en vooral oneerlijk van me zijn. We zijn in totale desinteresse voor elkaar op- en uit elkaar gegroeid en we vinden dat allebei best zo. Onze band gaat niet verder dan een gemeenschappelijke achternaam op een paspoort van een land dat het zelf niet al te goed meer weet, en zal het hopelijk zo lang mogelijk uitgestelde overlijden van onze ouders dan ook niet overleven. Ik ga er maar gelaten van uit dat God in een sporadische bui van ironie onze levens heeft verstrengeld en dat het eigenlijk allemaal best wel grappig was bedoeld. Scheppers hebben tenslotte ook recht op hun verzetje. Mijn grootvader van vaderszijde heb ik nooit gekend. Daar besliste een in Duitsland geboren boerenzoon met een Mausermachinepistool in de hand anders over. Het enige wat ik ooit van hem zag, waren enkele vergeelde soldatenfoto’s en een paar postume medailles die ze voor mijn part rectaal mogen terugbezorgen aan de vaderlandse afzender. Wat er eervol is aan een opgedrongen martelaarschap, heb ik nooit kunnen vatten. Grond dient om patatten in te planten, niet om bloederige grenzen door te trekken. Zijn eenzaam achtergebleven vrouw voedde haar twee zoons, van wie er eentje voorbestemd was om mijn vader te worden, eigenhandig op tot kloeke mannen. Samen met die vorming sijpelde een met vooroordelen en pijn-

23


lijke feiten voorgekauwde haat voor alles wat Duits was in hun bloed. Intraveneus, sluimerend en subtiel. Een haat die mee aan de basis lag van het feit dat ik nooit het Zwarte Woud van dichtbij of van veraf heb gezien en dat ik al zestien was toen ik voor het eerst, na lang aandringen van moeder, zuurkool at. Dat sauerkraut eigenlijk via migrerende Mongolen naar Europa kwam, speelde daarbij geen enkele rol. Grootmoeder stierf voor ik me een blijvend beeld van haar kon vormen. De weggevallen redenen van haar bestaan – er bleef niemand meer over om voor te zorgen en ze hield niet van omgekeerde rollen – werden samen met haar uitgevaagd en ze stierf met een glimlach op haar lippen. Het enige wat van mijn grootouders overblijft, is een graf waar ze samen wormen tellen maar dat ik, beschamend genoeg, nooit bezoek. Verder rest ons, rechts aan de ingang van de kerk, grootvaders uitgehakte naam op een van zure regen doordrongen oorlogsplaquette, waarop hij samen met al die andere onfortuinlijke kerels het lokale bataljon van het wereldwijde leger der nutteloosheid vormt. Het enige wat ze nog bevechten zijn de onverschillige blikken van allen die het ‘waarom’ reeds lang vergeten zijn. Een of andere wereldvreemde dorpsheemkundige met een heilige missie niet te na gesproken. Mijn grootouders van moederszijde hebben nooit bestaan. Dat wil zeggen: toch niet voor mij. Het enige wat ze mij nalieten, was de verplichting om eens per jaar ‘de namis te hunner ere bij te wonen’. Wat ik dan ook één keer heb gedaan.

24


Geniet van gratis verzending bij aankoop van ‘Vrolijke, vrolijke vrienden’ via www.lannooshop.com/vrolijkevrienden

De actie is enkel geldig via deze link van LannooShop tot en met 29/9/2015, zolang de voorraad strekt. Het boek wordt u toegestuurd bij verschijning. De korting wordt automatisch toegekend zodra u een exemplaar aan uw winkelmandje toevoegt.


Ik zou mijn vaders leven nooit overnemen, om de dooie dood zou ik niet in datzelfde miezerige bureau terechtkomen waar hij samen met zijn schijndode collega’s de dagen tot zijn pensioen zat af te tellen. Voor mij geen decor van grimmige, metalen wandkasten, volgestouwd met classeurs die uitpuilen van de nutteloze statistieken, zorgvuldig opgetekend ter onderbouwing van Het Grote Niets. Wel verdomme, ik kan inderdaad met enige trots van de daken schreeuwen dat ik niet in datzelfde klotekamertje terechtgekomen ben. Ik zit namelijk twee verdiepingen hoger.

Vrolijke, vrolijke vrienden

vertelt op een onweerstaanbaar grappige, maar tegelijk vlijmscherpe manier hoe één middag strafstudie een sneeuwbaleffect van onafwendbare gebeurtenissen in gang zet.Wat begint als een onschuldige zomer met iets te veel kwajongensstreken, zal het leven van vier vrienden jaren later voor altijd veranderen. Terwijl je nog zit te grinniken om de banaliteit van het dagelijkse leven, sleurt Dimitri Verbelen je onverbiddelijk mee de afgrond in.

Dimitri Verbelen is schrijver,

‘omdat het hem aan talent ontbreekt om gitaar te spelen’. Hij is de man achter de populaire Facebookpagina ‘Vrolijk relativerende liga ter bestrijding van azijnpis en verzuring’. Vrolijke, vrolijke vrienden is zijn eerste roman. www.lannoo.com

9 789401 425698


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Vrolijke, vrolijke vrienden - Dimitri Verbelen by Uitgeverij Lannoo - Issuu