De D I KKE
STINKHOND
Inhoud
Stinkhond gaat naar school
11
Stinkhond op de boerderij
69
Stinkhond naar het circus
147
STINKHOND gaat naar school
Stinkhond gaat naar school Sinds zijn geboorte heeft Stinkhond bijna honderd- zevenenvijftig bedorven worstjes gegeten, drieënhalve liter azijn opgedronken en zichzelf bijna om zeep geholpen met een doos waspoeder. Leest hij dan niet wat er op de verpakking staat? Nee! Stinkhond kan niet lezen! Dus weet hij ook niet wat er in de potjes, blikjes, doosjes en flesjes zit die in zijn vuilnisbak worden gegooid. Maar dat is nu voorbij. Stinkhond gaat naar school! Dat is geweldig nieuws. Hij deelt het meteen met zijn trouwe vriend Plattekat.
13
‘Plattekat, vandaag ga ik leren lezen!’ ‘Wat zeg je nu, Stinkhond?’ ‘Je hoort het goed. Ik mag op proef naar de Drie Botjes-School.’ ‘Hoe is je dat gelukt?’ ‘Ik ben gewoon een bofhond. Alle zwerfhonden van de wijk mochten meedoen aan een tombola. En ik had het winnende lot! Plattekat, dit is mijn kans. Ik word een geleerde hond! Ik krijg vast een lieve juf en een hoop lekkere brokjes.’ ‘Rustig aan, Stinkhond. Je gaat toch niet naar school voor de brokjes?’ Stinkhond doet niet rustig aan. Niets kan zijn enthousiasme temperen. ‘Ik moet een etui hebben en misschien zelfs een gom!’ Maar dan kijkt hij sip en zucht: ‘O Plattekat, wat erg! Ik heb niet eens een schooltas!’
14
Daar weet Plattekat wel raad op. Hij geeft Stinkhond een bijna lege vuilniszak.
‘Neem deze. Stop daar je spullen in.’ ‘Bedankt, Plattekat. Loop je met me mee?’ ‘Ja hoor. Maar dan moet je wel beloven dat je me vanavond voorleest.’ ‘Tuurlijk, Plattekat.’
15
Daar gaat Stinkhond met zijn vuilniszak op zijn rug en een leeg conservenblikje op zijn kop. Zijn vriend heeft nog een paar laatste raadgevingen voor hem: ‘Steek je poot op voor je antwoord geeft, Stinkhond. En luister goed naar de juf.’ ‘Ik ben bang, Plattekat.’ ‘Bang? Waarvoor, Stinkhond?’ ‘Voor het speelkwartier. Ik ben bang dat ik nooit gevonden word als ik verstoppertje speel.’ ‘Denk toch niet aan spelen, Stinkhond! De school is er om te leren.’ Onderweg naar school haalt Stinkhond drie vuilnisbakken overhoop en tilt hij vier keer zijn poot op tegen een lantaarnpaal. Maar dan zijn ze er. ‘Plattekat, zie je dat? Iedereen heeft iets aan tegen de regen! Alle halsbandjes zijn verguld! Ik ben de enige stinkhond hier.’ ‘Wees onze vuilnisbak waardig, Stinkhond’, spreekt Plattekat hem moed in. ‘Ik zal je bij het uitgaan van de school opwachten met warme chocoladebroodjes. Hou je kop fier rechtop en wees verstandig.’
16
DR IE BOTJ ES SC HO OL keft ig ho nder w ijs
LAAT HIER JE BOTJE ACHTER
Stinkhond loopt de speelplaats op. Een basset met een jasje en een opgeschoren poedel steken hem voorbij.
18
‘Hé, maar ik ken jullie toch?’ roept Stinkhond uit. ‘Absoluut niet, vies beest. Wij verkeren in de betere kringen’, antwoordt de basset met het jasje. ‘Maar jij bent helemaal verkeerd’, voegt de poedel er nuffig aan toe. ‘Dat begint hier al goed’, denkt Stinkhond. ‘Maar ik trek het me niet aan. Die verwaande kwasten kunnen de pot op.’ ‘Allemaal twee aan twee in de rij!’ zegt de juf. Arme Stinkhond. Niemand wil naast hem staan. Daar wordt hij verdrietig van. Om zichzelf te troosten haalt hij een opgedroogde bananenschil uit zijn vuilniszak. ‘Dat is verboden’, zegt de juf. ‘Knuffellapjes en sabbeldoekjes zijn niet toegestaan op school.’
19
Stinkhond zuigt dan maar op zijn duim. De andere hondjes werpen hem spottende blikken toe.
Maar ook in het leven van een stinkhond gebeuren soms leuke dingen. Een jonge labrador met een vacht die glanst als zijde, zegt: ‘Ik hou van kinderen. Ik hou vast ook wel van honden met schurft. Kom bij mij staan.’ ‘Dank je, maat’, antwoordt Stinkhond. ‘Ik zal helemaal vooraan zitten zodat ik de juf goed hoor’, neemt Stinkhond zich voor wanneer hij de klas binnenloopt. Helaas is de eerste rij al bezet door een netjes geborstelde buldog, een goedgeklede teckel en een sint-bernardshond die nog niet helemaal wakker is. ‘Niet erg. Ik ga wel vlak bij de radiator zitten.’ Stinkhond heeft het warm, zo warm dat het plastic van zijn vuilniszak ervan smelt. Zelf valt hij in een diepe slaap.
21
22
Les: parasieten herkennen ‘Stinkhond! Naar het bord!’ schreeuwt de juf. ‘Is het al ochtend?’ vraagt Stinkhond zich af wanneer hij wakker schrikt. ‘O ja, dat is waar ook. Ik zit op school. Wat een geluk, de juf heeft me opgemerkt! Misschien krijg ik een koekje als goed begin van de dag?’ Maar de juf denkt niet aan koekjes. ‘Vandaag leren we het verschil tussen een vlo en een luis. We leren ook andere parasieten herkennen.’ ‘Wat eng!’ denkt Stinkhond wanneer hij vooraan gaat staan. ‘Wie heeft er al eens een hond met schurft gezien?’ vraagt de juf.
23
‘Met zulke beesten gaan wij niet om’, zegt de opgeschoren poedel. ‘Wij komen niet in slechte buurten’, voegt de basset eraan toe. ‘En jij, Stinkhond? Ken jij ze?’ ‘Kunt u de vraag herhalen, alstublieft?’ ‘Ik vroeg: ken jij een schurfthond?’ Dat is een moeilijk woord. Stinkhond denkt na. ‘Als ik “ja” zeg en dat antwoord is fout, zet de juf me in de hoek met een ezelsmuts op mijn hoofd’, piekert Stinkhond. ‘Nee’, zegt Stinkhond. ‘Dat hondenras ken ik niet.’ Iedereen lacht.
‘Dat moet het goede antwoord zijn’, denkt Stinkhond opgelucht. ‘Kijk naar die vacht! Wat afgrijselijk om te zien! Ruik die stank! Walgelijk!’ zegt de juf met een vertrokken gezicht. ‘Kom dichterbij, schatjes. Kom dichterbij en kijk naar een hond uit de goot.’ ‘Juf, ik zie hem niet’, zegt Stinkhond. ‘Basset, breng me een spiegel.’ Stinkhond bekijkt zichzelf van alle kanten. De staart van een sardientje plakt in de haren op zijn snuit. ‘Krijg ik nu een goed cijfer?’ vraagt Stinkhond met netjes opgestoken poot. ‘Hemel, wat is dat dier stom!’ zucht de juf. En tegen de klas zegt ze: ‘Vooruit, honneponnetjes. Zeg wat je ziet.’ ‘Een mat!’ roept de sint-bernard. ‘Een dweil!’ keft de poedel. ‘Een badmatje!’ joelt de cocker. ‘Een arme hond’, mompelt de labrador.
25
‘Wie had het lef om dat te zeggen?’ brult de juf. ‘Ik’, zegt de labrador zacht. ‘Het is verkeerd om zo gemeen tegen Stinkhond te doen. Ik heb van mijn mama geleerd dat je nooit iemand mag uitlachen. Zelfs niet als het een lelijke, domme en vieze schurfthond is.’ ‘Tja, je bent nu eenmaal een labrador’, zegt de juf neerbuigend. ‘Het vriendje van zwakken en zielenpoten. Besef je wel hoe wreed de wereld is? Jij onbeschaamde vlerk! Weet je niet hoe jij je moet g edragen als je niet zelf gepest en verstoten wilt worden? Kom hier, breng me je schrift.’
26