Skip to main content

9789401497640

Page 1

LANNOO’S GROTE ENCYCLOPEDIE VAN

Auteurs Professor Lynne Boddy, dr. Chris Clennett, Wendy Horobin, dr. Sarah Jose, Jo Locke Adviseurs Professor Lynne Boddy, Universiteit van Cardiff; professor Beverly Glover, Botanische tuin van de Universiteit van Cambridge Illustraties Andrew Beckett, Peter Bull, Arran Lewis, Sofian Moumene en KJA Artists


HET PLANTENRIJK Overal waar water, licht en lucht zijn, kunnen bijna altijd planten groeien. Wetenschappers hebben zo’n 400.000 plantensoorten geïdentificeerd, van piepkleine, eenvoudige planten die niet groter zijn dan een rijstkorrel tot de grootste organismen die ooit op aarde hebben geleefd.


16

het plantenrijk

MOSSEN EN LEVERMOSSEN

GEWOON PEERMOS

Sporen­ kapsel

Calyptra

Pohlia nutans Vindplaats: Alle zeven continenten Grootte: Maximaal 8 cm hoog Dit veelvoorkomende mos groeit in zompige bodems, op rotsen en op rottend hout; dat zijn habitats waar weinig aarde is voor grotere planten. Zijn groene sporenkapsels zitten op felrode stengels en verspreiden hun microscopisch kleine sporen als kleine peperstrooiers in de wind.

Sporen van mos zijn piepklein, vaak met een doorsnede van minder dan 0,05 mm.

Roodbruine sporen­ kapsels

Sporen

Kapsel­ stengel

Bladeren

HAARMOS

Polytrichum Vindplaats: Azië, Europa en Noord-Amerika Grootte: Maximaal 30 cm hoog

Knotsvormig sporenkapsel HAARMOS

Levenscyclus van mos De levenscyclus van mossen en levermossen wisselt tussen twee verschillende planttypes: het een maakt geslachtscellen en het ander maakt sporen. Dit heet generatiewisseling en is een kenmerk van alle planten. Bij mossen en levermossen groeit de ene generatie uit de andere, zodat ze op één plant lijken.

Sporen verspreiden zich door de wind.

Sporen­ kapsel

Het sporenkapsel en zijn stengel vormen een aparte plant (sporofyt) die sporen produceert.

Dit veelvoorkomende mos vormt grote kussens vol donkere, spitse bladeren. Die vouwen zich terug tegen de stengel als het droog is, maar spreiden zich uit als het vochtig is. De roodachtige sporenkapsels ontwikkelen zich aan de top van lange stengels. Elk ervan wordt beschermd door een calyptra; bij dit mos lijkt die op een pruik.

Mossen en levermossen De eenvoudigste en oudste types landplant zijn mossen en levermossen. Die verschenen zo’n 480 miljoen jaar geleden. Sindsdien zijn deze plantjes betrekkelijk weinig veranderd. Mossen en levermossen hebben geen echte wortels en geen nerven om water te transporteren. Ze leven dus alleen in vochtige habitats en blijven klein, waarbij ze pollen of kussentjes vormen. Toch zijn ze opvallend taai. Ze produceren geen bloemen en verspreiden zich niet met zaden. In plaats daarvan bereiken ze nieuwe habitats door piepkleine, eencellige deeltjes (sporen) vrij te geven.

PARAPLUUTJESMOS

Marchantia polymorpha Vindplaats: Europa Grootte: Maximaal 10 cm doorsnee, met sporendragende

Bekerachtige structuur bevat kleine knoppen die kunnen uitgroeien tot nieuwe planten.

structuren van maximaal 2 cm hoog De spore groeit uit tot een nieuwe plant met mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen. Sperma (mannelijke cellen) zwemmen naar de vrouwelijke eicellen en bevruchten die. De bevruchte cellen groeien uit tot nieuwe sporofyten.

Mannelijk geslachtsorgaan

Vrouwelijke eicel

LEVENSCYCLUS VAN MOSSEN EN LEVERMOSSEN

Levermossen heten zo, omdat veel types een platte vorm met bladachtige kwabben hebben die op de kwabben van de menselijke lever lijken. Andere levermossoorten lijken heel veel op mossen, hoewel ze alleen in de verte verwant zijn.

Het platte, matachtige lichaam wordt een thallus genoemd.


Varens komen voor op elk continent behalve Antarctica.

Vandaag bestaan er meer dan 10.000 soorten varens.

Varens Net als mossen en levermossen verspreiden varens zich via sporen en produceren ze nooit bloemen of zaden. Ze hebben echter kenmerken die (lever)mossen niet hebben, zoals wortels en nerven. Daardoor kunnen ze groter worden, met grote, vaak geveerde bladeren. Varens zijn een oude groep planten die zo’n 400 miljoen jaar geleden verschenen. Sommige worden zo groot als een boom, terwijl andere piepklein blijven en zich in de schaduw verstoppen. Varens kunnen op drogere plekken overleven dan mossen en levermossen, maar voor hun voortplantingscyclus hebben ze vochtige omstandigheden nodig, omdat varens spermacellen vrijgeven die door het water naar vrouwelijke cellen zwemmen.

HOEFIJZERVAREN

TASMAANSE BOOMVAREN

Adiantum pedatum Vindplaats: Zuid-Amerika Grootte: Maximaal 50 cm hoog

Dicksonia antarctica Vindplaats: Nieuw-Zeeland Grootte: Maximaal 3 m hoogl

Deze kleine varen wordt hoefijzervaren genoemd vanwege de vorm van de bladeren. Die zijn verdeeld in lobben, zodat er een waterval van schijnbaar honderden kleine blaadjes ontstaat. Deze populaire kamerplant doet het goed binnenshuis.

Boomvarens kwamen in het dinosauriërtijdperk veel voor, maar nu alleen nog in vochtige (sub) tropische wouden. De Tasmaanse boomvaren ontwikkelt een soort stam die uit wortels bestaat. Hij groeit langzaam, slechts 2-6 cm per jaar. Omdat de stam uit wortels bestaat, kan hij worden gesnoeid. Als het bovenste deel wordt geplant, groeit het uit tot een nieuwe plant.

Levenscyclus van varens

HERTSHOORNVAREN

Platycerium bifurcatum Vindplaats: Australië Grootte: Bladeren maximaal 1 m lang Hertshoornvarens groeien in bomen. Het zijn epifyten, wat betekent dat ze bomen gebruiken als steun. Ze hebben twee soorten bladeren: hartvormige die fotosynthese gebruiken, en langere die sporen maken en de vorm hebben van een hertengewei.

Afrollen Jonge bladeren zijn spiraalvormig als ze zich openen. Ze worden daarom ook wel ‘bisschopsstaf’ genoemd.

Varens hebben een levenscyclus waar twee aparte planten bij betrokken zijn. Sporen worden door de hoofdplant gemaakt. Als een spore ontkiemt, groeit hij uit tot een plantje (gametofyt) dat op een levermos lijkt. Dit plantje produceert mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen. De mannelijke cellen zwemmen door oppervlaktewater naar de vrouwelijke cellen. Na de bevruchting groeit er het eerste blad van een nieuwe varenplant uit en begint de cyclus opnieuw.

MANNETJESVAREN

Dryopteris filix-mas Vindplaats: Azië, Europa en NoordAmerika

Grootte: Maximaal 1,5 m hoog De mannetjesvaren komt veel voor in schaduwrijke gebieden. In de lente groeit er een nieuwe bladerenkrans uit het midden van de plant, waarbij elk blad zich afrolt uit een opgerolde knop.

Sporenkapsel

Sporen gemaakt in kapsels onder bladeren

Spore ontkiemt Nieuwe varen groeit

Gametofyt maakt geslachtscellen Geslachts­ cellen versmelten

Sporen komen vrij in de lucht


Bloeiende planten verschenen zo’n 130 miljoen jaar geleden.

22

De bloem van Cosmos atrosanguineus ruikt naar chocolade.

ROZENFAMILIE

LIPBLOEMENFAMILIE

Rosaceae

Lamiaceae

Vindplaats: Wereldwijd, vooral

Vindplaats: Wereldwijd Aantal soorten: Zo’n 7000

noordelijk halfrond

Aantal soorten: Bijna 5000

Keukenkruiden zoals munt, basilicum, rozemarijn, tijm, oregano en salie behoren tot deze familie. Hun aromatische smaak komt uit olie die wordt afgescheiden door haren op de bladeren om planten­ eters af te schrikken.

De rozenfamilie bevat een scala aan schijnbaar verschillende planten, van appel- en perzikbomen tot aardbeien en veel tuinbloemen. Ze hebben regelmatige bloemen van vijf bloemblaadjes gemeen. Hun zaadbollen kunnen heel verschillend zijn, van de glimmend rode bottels van de hondsroos tot eetbare vruchten, noten en droge, haakvormige zaden. ECHTE SALIE

Vergroeide bloemblaadjes Bloemen van planten in de lipbloemenfamilie hebben vergroeide bloemblaadjes met een lip als steun voor grote insecten zoals bijen.

Bloeiende planten Meer dan drie kwart van alle plantensoorten zijn bloeiende planten. Die planten zich geslachtelijk voort door bloemen, zaden en vruchten te maken. HONDSROOS

Meeldraden Bloemen hebben een centrale massa meeldraden in een spiraal.

Vijf bloemblaadjes Bloemen zijn meestal radiaal symmetrisch met elk vijf bloemblaadjes.

Bloeiende planten verschenen toen dinosauriërs nog over de planeet zwierven. De eerste bloemen leken enigszins op de kegelvruchten van naaktzadigen, maar met felle kleuren om kevers aan te trekken. Het gebruik van insecten om stuifmeel van bloem naar bloem te brengen was een grote stap vooruit in de evolutie van planten en leidde tot een explosie van het aantal soorten. Er zijn nu zo’n 370.000 soorten bloeiende planten bekend, in meer dan 400 families. Dit zijn de grootste families.

VLINDERBLOEMENFAMILIE

KRUISBLOEMENFAMILIE

SCHERMBLOEMENFAMILIE

Fabaceae

Brassicaceae

Apiaceae

Vindplaats: Wereldwijd Aantal soorten: Zo’n 20.000

Vindplaats: Wereldwijd Aantal soorten: Zo’n 4000

Vindplaats: Wereldwijd Aantal soorten: Meer dan 3500

De bloemen van planten in deze familie ontwikkelen zich tot opvallende zaadbollen. Ze hebben meestal vijf bloemblaadjes, met één groot, rechtopstaand bloemblad en de andere die een landings­platform vormen. Bezoekende insecten worden van onderen bestoven met stuifmeel, als hun gewicht op het platform drukt.

Deze familie bevat veel planten die we als groente eten, zoals groene kool, bloemkool en broccoli. De bloemen ontwikkelen zich vaak tot peulen die olierijke zaden bevatten. Sommige daarvan, zoals raapzaad en mosterd, worden daarvoor verbouwd.

De meeste leden van deze familie zijn kleine, niet-houtachtige planten met grote, schermvormige bloemhoofden. De familie bevat eetbare planten, zoals selderij en wortelen, maar ook heel giftige, zoals dollekervel.

Een akkerhommel bezoekt een zaailathyrusbloem.

Door de vier bloemblaadjes zien planten in deze familie eruit als een kruis.

Schermvormig bloemhoofd met veel bloempjes

ZAAILATHYRUS

ERTWENPEUL

WILDE KOOL

WILDE PEEN


Kroos is weinig groter dan een zandkorrel en is de kleinste bloeiende plant ter wereld.

COMPOSIETENFAMILIE

ORCHIDEEËNFAMILIE

Asteraceae

Orchidaceae

Vindplaats: Wereldwijd Aantal soorten:

Vindplaats: Wereldwijd Aantal soorten: Zo’n 28.000

Meer dan 32.000

23

De orchideeën vormen samen een van de grootste families van bloeiende planten. Veel ervan zijn epifyten, wat betekent dat ze op bomen groeien, maar een groot aantal leeft op de grond en heeft een bol om voedingsstoffen in op te slaan. Hun bloemen zijn complex en trekken vaak één specifieke bestuiver aan.

Door de stervormige bloemen zijn leden van deze familie goed te herkennen. Ze hebben allemaal een samengesteld bloemhoofdje dat uit honderden of duizenden piepkleine bloempjes bestaat. Samen lijken ze één bloem te vormen die bestuivers van verre aantrekt. Het zijn vaak kleine, eenjarige planten, maar andere leven lang; sommige soorten zijn bomen. De buitenste blaadjes lijken op bloemblaadjes, maar zijn in feite zelf kleine bloemen.

De bloempjes in het midden zitten op elkaar gepakt in een schijf.

MADELIEFJE

LELIEFAMILIE

GRASSENFAMILIE

Liliaceae

Poaceae

Vindplaats: Wereldwijd Aantal soorten: Zo’n 600

Vindplaats: Wereldwijd Aantal soorten: Zo’n 12.000

Planten uit de leliefamilie hebben ondergrondse bollen waarin ze voedsel opslaan in koude winters of warme, droge zomers. Ze lijken zes bloembladeren te hebben, maar drie zijn dat echt en de andere drie zijn kelkbladeren die eruitzien als bloembladeren. Lelies en tulpen worden al duizenden jaren gekweekt vanwege hun bloemen.

Bloemen van grassen hebben geen bloemblaadjes en gebruiken de wind om stuifmeel te verspreiden. Bij veel grassen zit het meristeem (de plek waar de plant groeit) onder aan de plant. Daardoor blijven de bladeren groeien als de punten worden gegeten door dieren. Dit biedt grassen een voordeel ten opzichte van andere planten in habitats met grazende dieren.

Lange, opvallende meeldraden Alleen de binnenste bloembladeren zijn echte bloembladeren.

Na-aper van wespen De spiegelorchis doet een soort vrouwelijke wesp na die mannelijke wespen aantrekt.

SPIEGELORCHIS

Landingsplatform Bestuivers landen op het onderste deel van een orchideeënbloem (de labellum).

Takken Nieuwe takken groeien vanuit de basis. GESTREEPTE WITBOL

STERBLADIGENFAMILIE Rubiaceae

Vindplaats: Vooral in tropen en subtropen Aantal soorten: Zo’n 13.500 Leden van deze familie hebben bladeren die tegenover elkaar staan en bloemhoofdjes met veel kleine bloempjes. Tot deze familie behoren veel tropische soorten, inclusief koffie. Soorten in gematigde streken zijn onder andere lievevrouwebedstro en kleefkruid, waarvan de plakkerige blaadjes en zaadjes vaak aan de schoenen van wandelaars blijven zitten en die net als koffiebonen cafeïne bevatten.

Bladeren met niet-vertakkende, parallel lopende nerven ROZE LELIE

LIEVEVROUWEBEDSTRO


Reuzenwaterlelie De grootste ongedeelde bladeren ter wereld zijn die van de reuzenwaterlelie uit Zuid-Amerika. Het geheim voor hun grootte en kracht zit in hun nerven. Aan de onderkant van een reuzenwaterlelie zit een netwerk van ribachtige nerven die zijn bedekt met doorns om dieren af te weren. Ze komen vanuit het midden en zijn met elkaar verbonden door dwarsribben die lucht opslaan in blaasjes. Het resultaat is een met lucht gevuld raamwerk dat het gewicht van een volwassene kan dragen, maar alleen als die ligt: het bladweefsel tussen de ribben is dun en scheurt gemakkelijk.


GROEI EN VOEDSEL Alle organismen hebben voedsel nodig. Voedsel biedt de energie die cellen nodig hebben om in leven te blijven, en materialen voor de groei. Dieren voeden zich met andere organismen, maar planten maken hun eigen voedsel met slechts drie ingrediënten: water, lucht en energie uit zonlicht.


46

groei en voedsel

Cuticula Dit laagje waterdichte was beschermt het oppervlak van het blad tegen regen en voorkomt vochtverlies in warm weer. Het is transparant, zodat licht erdoorheen gaat.

De bladeren van de Raphia-palm zijn langer dan een tennisbaan.

BINNEN IN EEN BLAD

Bladgroenkorrels Fotosynthese vindt plaats in deze piepkleine, groene lichaampjes, die in de meeste cellen van een blad zitten. Hier wordt zonlicht gebruikt om suikermoleculen te maken van water en CO2.

Bovenepidermis Dit is de bovenste laag levende cellen. De epidermis produceert de wasachtige cuticula.

Hoofdnerf Dit is de centrale nerf van het blad.

Palissadeparenchym Deze langwerpige cellen zitten vol bladgroenkorrels en vangen veel van het felle zonlicht op dat op de bovenkant van het blad valt.

Sluitcel

Luchttoevoer Aan de onderkant van een blad zitten piepkleine gaatjes (huidmondjes) waar lucht en waterdamp door naar binnen en buiten kunnen. Elk huidmondje heeft twee sluitcellen. Als een plant genoeg water heeft, zetten de sluitcellen uit en gaat het huidmondje open. In warm, droog weer verliezen de sluitcellen water en sluit het huidmondje zich om water te besparen.

Floëem Suiker die in een blad wordt gemaakt, wordt afgevoerd door levende cellen (floëemvaten).

Binnen in een blad Bladeren vangen de energie van de zon, maar zijn meer dan alleen zonnepanelen. Ze gebruiken licht om met fotosynthese voedsel voor een plant te maken uit lucht en water. Er zijn bladeren in allerlei vormen en maten, afgestemd op de omgeving. Ze kunnen breed en plat zijn, zo smal als een naald, dik en vlezig, of hard en geschubd. De overgrote meerderheid is groen, maar sommige bladeren zijn geel, wit, rood, brons of gevlekt. Bijna alle bladeren hebben dezelfde basisonderdelen. Een steel verbindt een blad met de plant. Het breedste deel van een blad is de schijf. In de lengte wordt het blad doormidden gedeeld door de hoofdnerf; die heeft zijnerven die het blad van water voorzien.

Xyleem Water uit de wortels wordt door dode, buisvormige cellen (xyleemvaten) naar het blad gebracht.

Structuur van een blad Een doorsneeblad heeft aan de boven- en onderkant een beschermend laagje van epidermiscellen. Daartussenin zitten twee lagen cellen waarvan de fotosynthese de hoofdtaak is. Alle cellen in een blad kunnen fotosynthese uitvoeren, maar de bovenste lagen het best omdat zij het felste licht ontvangen.


47 Bladvormen Tuiniers en botanici (plantkundigen) hebben speciale namen voor de vorm van bladeren. Een samengesteld blad bestaat bijvoorbeeld uit een groep deelblaadjes aan een bladsteel, terwijl een enkelvoudig blad gewoon één blad aan een bladsteel heeft.

Bladsteel De steel waarmee een blad aan een stengel zit

ENKELVOUDIG

SAMENGESTELD

Nerf Er loopt een netwerk van nerven door een blad, die water en essentiële mineralen aan- en suiker afvoeren. Samen met de hoofdnerf fungeren de nerven als een soort skelet.

Sponsachtig mesofyl Tussen deze los op elkaar gestapelde cellen zit lucht, waardoor die in een blad kan circuleren en waterdamp en afvalgassen kunnen ontsnappen.

Trichomen Deze haarachtige structuren op bladeren en stengels beschermen de plant tegen planteneters. Ze helpen ook bij het beperken van de verdamping en als isolatie als het vriest.

Onderepidermis Dit is de onderste laag levende cellen. De onderkant van een blad is vaak fragieler dan de bovenkant en heeft een dunnere cuticula.

HANDVORMIG

SPIESVORMIG

HARTVORMIG

CIRKELROND


VOORTPLANTING Planten zorgen op verrassend veel manieren voor nageslacht. Sommige planten gebruiken bloemen voor geslachtelijke voortplanting en maken daarna vruchten om hun zaden te verspreiden. Andere verspreiden miljoenen piepkleine sporen. Veel planten kunnen zichzelf bovendien klonen.


66

voortplanting

BINNEN IN EEN BLOEM

0,04 mm

is de breedte van een gemiddelde stuifmeelkorrel.

Binnen in een bloem Bloemen zijn de meest opvallende delen van een plant. Daar is een goede reden voor: ze moeten bestuivers aantrekken die helpen bij de voortplanting van bloeiende planten. Als je goed kijkt, zie je de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen in een krans van felgekleurde bloembladeren. De mannelijke organen geven een poeder vrij (stuifmeel) met mannelijke geslachtscellen erin. Als dat op het uiteinde van het vrouwelijke geslachtsorgaan van een bloem terechtkomt, versmelten de mannelijke cellen diep in de bloem met de vrouwelijke cellen. Bloemen zijn er in allerlei variëteiten, maar hebben dezelfde basisstructuur.

Stuifmeel Stuifmeelkorrels worden gevormd in de helmknoppen en hechten zich aan bestuivers zoals bijen en vlinders. Stuifmeel dat door de wind wordt verspreid, bestaat uit kleine, ronde korrels. Door dieren verspreide stuifmeelkorrels zijn groter en hebben vaak weerhaakjes of stekels die zich aan het lichaam van een dier vasthechten.

Kersenbloem

Net als de meeste bloemen zijn kersenbloemen hermafrodieten, wat betekent dat ze mannelijke én vrouwelijke geslachtsorganen hebben. In het midden van de bloem zit één vrouwelijk orgaan: de stamper. De basis daarvan is het vruchtbeginsel. Aan het kleverige uiteinde van de stamper zit een stempel die stuifmeel vangt. Rond de stamper zitten de 20 mannelijke organen (meeldraden) van de bloem die stuifmeel produceren. Helmknop Aan het uiteinde van een meeldraad zit een helmknop – een stel lange zakjes met stuifmeel. Ze zijn vaak geel en goed te zien.

Zo zien insecten bloemen Bloemen die door insecten worden bestoven, hebben kleuren die mensen niet kunnen zien. Insectenogen kunnen ultraviolet licht zien, zodat ze de krachtige patronen zien die de bezoekers naar het midden van de bloem dirigeren.

WAT MENSEN ZIEN

WAT BIJEN ZIEN

Helmdraad Deze lange steel houdt de helmknop op de juiste plek voor het verspreiden van stuifmeel.

Meeldraad De helmdraad en helmknop vormen samen één mannelijk orgaan: de meeldraad. Bestuivers strijken langs de meeldraad als ze zich met nectar voeden.


Een stuifmeelkorrel is een microscopisch klein organisme dat sperma (mannelijke geslachtscellen) produceert.

75

procent van de voedselgewassen wordt bestoven door insecten.

67

Stempel De stempel is een landingsplatform voor stuifmeelkorrels en is kleverig om de korrels op hun plek te houden.

Stijl Stuifmeelkorrels groeien door deze lange steel omlaag, zodat de mannelijke geslachts­ cellen de zaadknoppen kunnen bereiken.

Bloembladeren Bloembladeren, de fleurigste, meest opvallende delen van een bloem, trekken bestuivers zoals insecten aan.

Vruchtbeginsel Het vruchtbeginsel beschermt de zaad­ knoppen. Na de bestuiving ontwikkelt het vruchtbeginsel zich tot een vrucht.

Kelkbladeren Deze aangepaste bladeren onder aan de bloem beschermen de kwetsbare interne delen van de bloem als die nog een knop is.

Nectar Een zoete vloeistof die onderin de bloem wordt gevormd om bestuivende insecten aan te trekken.

Zaadknoppen Deze structuren in het vruchtbeginsel ontwikkelen zich tot zaden als de bloem wordt bestoven.

Bloembodem Dit is de onderkant van de bloem.

Stamper De vrouwelijke delen van de bloem vormen samen de stamper.


88

voortplanting

EXPLODERENDE PLANTEN

Onder druk De peul gebruikt vloeistofdruk om te ontploffen. Tijdens het rijpen vult hij zich met vloeistof, waardoor de druk langzaam toeneemt.

Exploderende planten Als het hoogzomer is, knetteren en ploffen planten van bonen tot balsemienen. Die kiezen een explosievere manier om hun zaden te verspreiden. De vruchten van sommige planten zijn geëvolueerd om gewelddadig open te barsten, zodat hun zaden ver weg worden geslingerd. Een explosie is de enige actieve manier waarmee een plant zijn zaden ver kan verspreiden. De zaadhoofden van sommige explosieve planten splijten langs zwakke plekken tijdens het uitdrogen en slingeren hun zaden weg. Bij andere komt er steeds meer vloeistof in het zaadhoofd, die druk veroorzaakt. Als die te groot wordt, barst het zaadhoofd open en schieten de zaden weg.

Zaden worden weggeschoten met wel 95 km/uur en kunnen 6 m wegvliegen.


Een reuzenbalsemien kan in één jaar 600 zaden wegslingeren.

Peulen van de kleine veldkers kunnen zaden met 36 km/uur wegschieten.

Erwtenpeulen

De zaden, sappen en vruchten zijn giftig, waardoor de kans kleiner wordt dat ze door dieren worden gegeten.

Erwten, bonen en andere peulvruchten produceren zaden in peulen. Terwijl de peulen drogen en zich krommen, slaan ze energie op. Na enige tijd splijten de peulen op de naden open. Door het plotselinge vrijkomen van die energie worden de zaden met veel kracht weggeslingerd.

De peul splijt op de zwakke naden open.

Zaden worden weggeslingerd.

Als de druk kritiek wordt, laat de peul los van de stengel. Daardoor ontstaat een gat, waardoor de zaden en het slijm naar buiten worden gespoten.

89

De peul kromt zich tijdens het splijten.

Kruidje-roer-mij-niet Balsemienen komen op het hele noordelijke halfrond en in de tropen voor. Hun zaadpeulen zijn afhankelijk van vloeistofdruk om zaden met een snelheid van wel 43 km/uur weg te slingeren. Eén druppel water kan die explosie al veroorzaken; dat verklaart hun naam.

Springkomkommers Eén vrucht die echt knalt, is de springkomkommer. Als de met zaden gevulde peulen van deze giftige plant rijp zijn, breken ze af en schieten ze weg, aangedreven door een explosieve straal slijm en zaadjes. Rijpe peulen zijn zo gevoelig dat een heel licht tikje de reactie al kan veroorzaken.

Planten­ stengel

De zaden en kleppen worden weggeslingerd.

Zaad

Kleppen splijten open Klep Columella 1. Zaadpeulen Balsemienpeulen bestaan uit vijf kleppen rond een centrale stengel (een columella).

2. Druk opvoeren Terwijl de peul rijpt, vullen de kleppen zich met water, waardoor druk ontstaat, die ze van elkaar begint te duwen.

3. Wegtrekken De kleppen krullen en trekken zich weg bij de columella. Daardoor wordt de peul korter.

4. Explosie De kleppen bereiken een kritieke druk en breken van de columella af. Ze rollen zich op, terwijl de zaden wegvliegen.

Zandkokerboom Deze boom is geen vriendelijke plant: zijn stam en takken zitten vol scherpe, taps toelopende doorns en zijn sap en bladeren zijn giftig. Om zijn zaden te verspreiden ontploffen zijn zaadhoofden met een enorme knal, wat hem de bijnaam ‘dynamietboom’ oplevert. De zaadomhulsels en zaden vliegen alle kanten op en kunnen dieren in de buurt verwonden.

De pompoenvormige zaadhoofden ontploffen als ze uitdrogen.


ECOSYSTEMEN In de natuur zijn alle levende wezens afhankelijk van relaties met andere organismen en de fysieke omgeving. Samen vormen de omgeving en de bewoners ervan een ecosysteem. Planten zijn de belangrijkste leden van elk ecosysteem op het land, omdat ze voedsel en habitats bieden aan andere organismen.


94

ecosystemen

ZO WERKT EEN ECOSYSTEEM

Zo werkt een ecosysteem

WAT IS EEN ECOSYSTEEM?

Geen enkel levend wezen kan in zijn eentje overleven. Elk dier en elke plant is van een gemeenschap van andere levende wezens afhankelijk voor voedingsstoffen, onderdak en andere essentiële hulpmiddelen.

Een ecosysteem bestaat uit alle organismen in een gebied en hun fysieke omgeving. Ecosystemen kunnen zo klein zijn als een vijver of zo groot als een regenwoud. Door ecosystemen te bestuderen leren we begrijpen wat de wisselwerking tussen verschillende soorten is en hoe ze afhankelijk zijn van elkaar. Energie De zon is de energiebron voor bijna alle ecosystemen.

Gemeenschappen van organismen en de omgeving om ze heen worden ecosystemen genoemd. Planten zijn de belangrijkste leden van de terrestrische (op het land voorkomende) ecosystemen op de wereld. Ze bieden beschutting en habitats aan wilde dieren en vormen de basis van de voedselketen door zonlicht op te vangen en om te zetten in voedsel.

BIOMEN Grote delen van onze planeet die worden overheerst door één soort vegetatie, worden biomen genoemd. Woestijnen en tropische regenwouden zijn biomen. Regio’s met een vergelijkbaar klimaat hebben hetzelfde bioomtype. Het tropischeregenwoudbioom komt voor in Zuid- en Midden-Amerika, Afrika en Zuidoost-Azië.

Neerslag Omgevingsfactoren zoals neerslag beïnvloeden welke soorten organismen in een ecosysteem leven.

Gemeenschap De levende wezens in een ecosysteem vormen een gemeenschap. Ze zijn van elkaar afhankelijk voor hulpmiddelen zoals voedsel.

Toendra Laag groeiende heesters, mossen en grassen komen in dit gebied met lange, ijskoude winters en koele zomers voor.

Boreaal woud Deze wouden worden overheerst door altijdgroene naaldbomen die gedijen in koele zomers en winters met veel sneeuw. TOENDRA BOREAAL WOUD WOESTIJN TROPISCH GRASLAND TROPISCH REGENWOUD GEMATIGD GRASLAND

Gematigd loofbos Loofbomen verliezen elke herfst hun bladeren. Deze bossen kennen vier seizoenen. De winters zijn zachter dan in boreale wouden.

Gematigd grasland Grassen overheersen regio’s die te warm en droog zijn voor bossen, maar regen­ achtiger dan woestijnen.

GEMATIGD LOOFBOS GEMATIGD ALTIJDGROEN BOS

Tropisch regenwoud Het hele jaar warm en nat weer zorgt ervoor dat veel plantensoorten in tropische regenwouden groeien.

Tropisch grasland Deze graslanden hebben een lang, droog seizoen waarin bomen slecht gedijen. Lange grassen overheersen het land.

Woestijn Woestijnen zijn de droogste regio’s op aarde. De enkele planten en dieren die daar leven, moeten overleven op heel weinig water.

Gematigd altijdgroen bos Op het zuidelijk halfrond kennen gematigde bossen meestal geen vorst in de winter. Bomen behouden hun bladeren en groeien het hele jaar.


Regenwouden zijn de oudste terrestrische ecosystemen op aarde.

Slechts zo’n 10 procent van de energie op een trofisch niveau wordt doorgegeven aan het volgende niveau.

VOEDSELKETENS

ENERGIEPIRAMIDE

Alle organismen hebben energie nodig om te overleven. Een voedselketen laat zien hoe energie van het ene levende wezen in een ecosysteem wordt overgedragen aan een ander. De verschillende stadia in een voedselketen worden ‘trofische niveaus’ genoemd.

Deze piramide laat de energie zien Tertiaire consumenten die in organismen op elk trofisch niveau is opgeslagen. Energie gaat verloren (vooral als warmte) als Secundaire ze door de voedselketen gaat. consumenten Verloren energie in dode materie of afval wordt door reducenten gebruikt. De Primaire voedingsstoffen die zij consumenten opnemen, worden terug gestopt in de bodem en atmosfeer. Producenten

Producent Planten en algen zijn producenten. Ze gebruiken zonne-energie om via fotosynthese voedsel te maken. PLANTEN

Primaire consument Dieren die planten eten (herbivoren) zijn primaire consumenten. Als ze eten, wordt de energie die planten hebben gevangen overgedragen naar hun lichaam. KONIJN

Secundaire consument Dieren die andere dieren eten (carnivoren) zijn secundaire consumenten. In een ecosysteem zitten minder carnivoren dan herbivoren.

95

Verloren energie

Lichtenergie

KLIMAAT EN SEIZOENEN De plantensoorten die in een ecosysteem groeien, zijn heel afhankelijk van het klimaat. Rond de evenaar is het het hele jaar warm. Dichter bij de polen moeten planten lange, koude winters verdragen, als er minder zonlicht is en de bodem kan bevriezen. Planten die winters met vorst kunnen overleven, worden winterhard genoemd. Degene die dat niet kunnen, worden niet-winterhard genoemd.

Regio’s bij de polen hebben koele zomers en winters met vorst.

UIL

Tertiaire consument Tertiaire consumenten zijn dieren die primaire en secundaire consumenten eten. Veel voedselketens hebben een heel kleine populatie van tertiaire consumenten.

De regio rond de evenaar is de warmste en krijgt het hele jaar veel zonlicht. Gebieden tussen de polen en de evenaar hebben een gematigd klimaat zonder extreme seizoenen. AARDE

Noordpool­cirkel

WOLF

Steenbokskeerkring

Kreeftskeerkring

Evenaar

Zuidpoolcirkel

RELATIES IN ECOSYSTEMEN Elk ecosysteem kent een web van relaties tussen verschillende soorten. Bij sommige relaties hebben beide partners baat, zoals insecten die nectar krijgen voor het bestuiven van bloemen. Andere relaties zijn schadelijk voor de ene partner maar goed voor de andere.

BLOEM

Mutualisme Een bloem wordt bestoven door een bij, waardoor ze zaad kan maken, en de bij krijgt daar nectar voor.

BIJ

BLADLUIS

PIMPELMEES

Parasitisme Een sap zuigende bladluis haalt voedsel uit haar gastheerplant, maar die wordt daardoor beschadigd.

Roofdieren Roofdieren zijn dieren die op andere dieren jagen en die eten. Hun slachtoffers worden ‘prooi’ genoemd.

ZOMERLINDE

RUPS

BERK

Concurrentie Twee bomen die dicht bij elkaar groeien en strijden om licht en voedings­stoffen, waardoor ze allebei minder goed groeien.

EIK


MENSEN EN PLANTEN Toen mensen ontdekten hoe ze eetbare planten konden verbouwen, betekende dat de geboorte van de beschaving. Daarna hebben we duizenden plantensoorten leren verbouwen en de helft van het woeste land op de wereld omgezet in landbouwgrond. Onze groeiende bevolking is nu een bedreiging voor wilde planten.


132

mensen en planten

Een kool bestaat voor 91 procent uit water.

VOEDSEL UIT PLANTEN

Voedsel uit planten

ZADEN

Delen van planten Niet alle delen van planten zijn eetbaar. Afhankelijk van de soort eten we verschillende delen, zoals bladeren, wortels, stengels, vruchten of zaden. Van sommige planten zijn de bloemen zelfs eetbaar. Plantaardig voedsel bestaat uit drie hoofdgroepen als we kijken naar welk deel BLADEREN we eten: granen (graszaden), fruit (zoete vruchten) en groenten (de rest, inclusief vruchten die niet zoet zijn).

Planten zijn cruciaal voor onze overleving. Ze geven ons zuurstof om in te ademen en materialen om mee te bouwen, en ze maken ons voedsel. Alles wat we eten, is op de een of andere manier afkomstig uit planten. Het grootste deel van ons eten komt rechtstreeks van planten in de vorm van fruit, groenten en granen zoals tarwe en rijst. Dierlijk voedsel zoals vlees en zuivelproducten is afkomstig van dieren die hun voedingsstoffen uit planten halen. Mensen consumeren een enorm scala aan planten, maar slechts een klein aantal vormt het grootste deel van ons eten. Vergeleken met dierlijk voedsel is plantaardig voedsel minder rijk, maar gezonder. De productie van plantaardig voedsel kost ook minder energie per maaltijd en levert minder schade op aan het milieu dan de productie van dierlijk voedsel.

STENGELS

BLOEMEN

VRUCHTEN

WORTELS

ESSENTIËLE VOEDINGSSTOFFEN De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) beveelt mensen aan om minstens vijf porties fruit en groenten per dag te eten, in totaal zo’n 400 gram. Plantaardig voedsel is rijk aan alle belangrijke voedingsstoffen die we nodig hebben om gezond te blijven: koolhydraten, eiwitten, vetten en vezels. Ze bevatten ook essentiële vitaminen en mineralen. Koolhydraten Koolhydraten, zoals suiker en zetmeel, geven ons lichaam energie, maar overvloedige hoeveelheden kunnen gewichtstoename, tandbederf en ziekten zoals diabetes veroorzaken. Ze zitten in elk plantaardig voedsel. Wortelgroenten en granen bevatten het meeste zetmeel, terwijl vruchten veel suiker bevatten.

RIJST

SUIKERRIET

ZOETE AARDAPPEL

LINZEN

KIDNEYBONEN

SOJABONEN

Eiwitten We hebben eiwitten nodig om ons lichaam op te bouwen, te repareren en in leven te houden. We kunnen geen eiwitten opslaan, dus hebben we een constante aanvoer nodig. Dierlijk voedsel zoals vlees en kaas bevat veel eiwitten, maar dat geldt ook voor de zaden van planten, vooral uit de vlinderbloemenfamilie, waartoe linzen, bonen en pinda’s behoren.

CASHEWNOTEN

Lipiden Ons lichaam heeft lipiden (vetten en oliën) nodig om celwanden en hormonen te maken en om energie op te slaan. Meestal zijn vetten uit plantaardig voedsel gezonder dan die uit dierlijk voedsel. Noten en zaden zijn een goede bron van gezonde vetten. Ze bevatten ook omegavetzuren, die beschermen tegen hartziekten. AVOCADO

Vezels Dat zijn koolhydraten die alleen in plantaardig voedsel zitten. We kunnen vezels niet verteren, maar ze zijn toch belangrijk voor onze gezondheid. Ze helpen de spijsvertering en beschermen ons tegen hartziekten, bepaalde soorten kanker en sommige vormen van diabetes.

LIJNZAAD

OLIJFOLIE

WANDOES

ZWARTOOGBONEN

BROCCOLI

AMANDELEN

KIKKERERWTEN

VOLKORENBROOD


Ongeveer de helft van alle voedselenergie ter wereld is afkomstig uit slechts drie gewassen: tarwe, maïs en rijst.

De eerste geteelde aardappels werden 7000 jaar geleden verbouwd in Peru, Zuid-Amerika.

DRINKBARE PLANTEN We eten planten niet alleen, maar we maken er ook drank van. Twee favoriete dranken (thee en koffie) zijn afkomstig van planten. Sappen worden gemaakt door vruchten of andere delen van planten uit te persen, en alcoholische dranken worden gemaakt met gist (een zwam) om suiker uit planten te fermenteren.

KOFFIEBESSEN THEEBLADEREN

THEE

Thee Gedroogde bladeren van de theeplant trekken in heet water en leveren deze verfrissende warme drank op. Thee bevat cafeïne, een stof die het zenuwstelsel stimuleert.

Miljarden tonnen gewassen worden elk jaar verbouwd om te voldoen aan de vraag naar voedsel voor mensen en vee. Granen zoals tarwe en rijst vormen een derde van het totale gewicht van verbouwd plantaardig voedsel. Suikerriet is echter het gewas waar het grootste gewicht van wordt verbouwd.

WARME CHOCOLADEMELK

Cacao Van de bonen van de cacaoboom worden chocolade en cacaopoeder gemaakt. Dat kan worden gemengd met melk of warm water om een warme chocoladedrank te maken.

10%

12%

Land­ oppervlak

SINAASAPPEL

SINAASAPPELSAP

Sinaasappel Het populairste sap ter wereld komt uit de vruchten van sinaasappelbomen. Die bestaan niet in het wild, maar zijn een gekweekte hybride die is gemaakt door mandarijnen met pomelo’s te kruisen.

GERSTPLANT

Groenten Oliehoudende gewassen Fruit 24%

Wortels en knollen Anders

PERCENTAGE VAN HET TOTALE GEWICHT VAN GEWASSEN DIE IN 2018 WERELDWIJD WERDEN VERBOUWD

29% land

71% oceaan

71% bewoonbaar land 29% onbewoonbaar land

Bewoonbaar land

Wereldwijde aanvoer van calorieën

COLA

Suikerriet en suikerbiet

LANDBOUW EN HET MILIEU

Landbouw­ grond

KOLANOTEN

33%

11%

46% landbouw

53% natuurlijke ecosystemen 1% steden en dorpen

Kola Hoewel kola niet meer als ingrediënt wordt gebruikt, geeft de kolaplant uit Afrika cola zijn naam. Andere planten die in cola zitten, zijn onder andere sinaasappel, limoen, lavendel, kaneel, koriander, nootmuskaat en vanille.

Granen

9%

Door de groei van de wereldbevolking is het landbouwareaal ook toegenomen, waardoor natuurlijke habitats zijn verdwenen. Zo’n 46 procent van het bewoonbare land op aarde wordt nu voor landbouw gebruikt. Als de bevolking blijft groeien, moeten we duurzamere manieren vinden om voedsel te produceren. Aard­ oppervlak

CACAOPEULEN MET BONEN

1%

PRODUCTIE VAN GEWASSEN

KOFFIE

Koffie Koffie is de grootste rivaal van thee en wordt gemaakt van de geroosterde en gemalen bonen (bessen) van de koffieplant. Hij bevat veel meer cafeïne dan thee.

133

77% voor vee

82% uit dierlijk voedsel 18% uit plantaardig voedsel

23% voor gewassen

Landgebruik Een hectare landbouwgrond voor het verbouwen van gewassen voedt 15 keer meer mensen dan een hectare waarop vee wordt gehouden. Dat komt doordat de meeste voedselenergie die tijdens de fotosynthese in planten wordt opgeslagen, verloren gaat als hij via de voedselketen naar dieren gaat. Klimaatverandering De moderne landbouw draagt bij aan klimaatverandering door de uitstoot van broeikasgassen methaan (uit vee), stikstofoxide (uit kunstmest) en CO2 (uit machines). Als weerpatronen veranderen, kunnen sommige delen op de wereld te warm worden voor standaardvoedselgewassen zoals maïs (links).

BIER

DRUIVEN

Gerst Van dit graan wordt bier gemaakt. Het wordt met gist gebrouwen; die voedt zich met suikers in de korrels en produceert alcohol.

WIJN

Druiven Wijn wordt gemaakt door geplette druiven met gist te mengen. Die produceert alcohol uit de suikers in de vruchten.

Landbouw binnen In de toekomst worden er misschien meer gewassen binnen of in broeikassen verbouwd, waar boeren de temperatuur, de hoeveelheid licht en de hoeveelheid water, voedingsstoffen en CO2 die planten krijgen, onder controle kunnen houden. Bij verticale landbouw worden gewassen in rekken boven elkaar verbouwd; dat levert een grotere oogst op dan traditionele landbouw.


HET ZWAMMENRIJK Zwammen zijn planten noch dieren en vormen een van de belangrijke rijken van het leven. Zwammen zijn grote recyclers in de natuur en veranderen organisch afval in nuttige voedings­ stoffen die andere organismen kunnen gebruiken. Net als dieren en planten zijn sommige zwammen gevaarlijk of zelfs dodelijk.


158

het zwammenrijk

ZO VOEDEN ZWAMMEN ZICH

Mensen gebruiken gist al minstens 5000 jaar.

Broodschimmel Rhizopus is één zwammensoort die zich met brood voedt.

Penicillium Plekken groene of blauwe schimmel op brood worden veroorzaakt door een zwammensoort die Penicillium heet.

Zo voedt gist zich Gisten zijn zwammen die (een deel van) hun leven leiden als eencellige organismen. Veel gisten halen energie uit het afbreken van suiker en produceren daarbij CO2-gas en alcohol. De CO2-bellen kunnen worden gebruikt om brood te laten rijzen, en de alcohol om bier en wijn te maken.

Brooddeeg rijst omdat de gist die erin zit CO2-bellen produceert.

Zo voeden zwammen zich Zwammen kunnen zelf geen voedsel maken. In plaats daarvan nemen ze voedsel op dat door andere organismen is gemaakt. Als we voedsel eten, verteren we dat in onze maag en darmen. De grote moleculen in voedsel worden door spijsverteringsenzymen afgebroken tot kleinere die worden geabsorbeerd en gebruikt voor energie en groei. Zwammen verteren voedsel buiten hun lichaam. Ze groeien als een netwerk van piepkleine draden (hyfen) in voedsel. Die scheiden spijsverteringsenzymen in het voedsel af en absorberen daarna de kleine moleculen die vrijkomen als het voedsel wordt afgebroken. Elke organische stof die door dieren, planten of micro-organismen is gemaakt, kan zo door zwammen worden afgebroken.

Hyfen groeien door het brood en verteren het onderweg

Beschimmeld brood Brood is een ideaal voedsel voor Rhizopus, een snelgroeiende zwam die broodschimmel veroorzaakt. De hyfen van Rhizopus groeien het brood in en verteren het met enzymen. Na enkele dagen begint de zwam sporen te maken. Duizenden piepkleine sporeachtige structuren groeien op het oppervlak en bedekken het brood met een donzige, grijze schimmel.


De oesterzwam kan sommige plastics afbreken als hij probeert ze te eten.

Sporendoosjes Rhizopus maakt sporen in piepkleine, ronde kapsels (sporangia). Die worden zwart tijdens het rijpen.

Sommige zwammen kunnen mieren besmetten en hun hersenen overnemen terwijl ze zich met ze voeden.

159

3. Zetmeel verteren De enzymen knippen de lange zetmeelmoleculen in brood in kleinere stukjes: suikermoleculen.

2. Enzymen afscheiden De jonge hyfen scheiden spijsverteringsenzymen af (rood) in het brood. 1. Hyfen Hyfen zijn lange ketens zwammencellen. Door hun draadachtige vorm hebben ze een groot oppervlak om voedsel efficiënt te absorberen.

4. Absorptie Suikermoleculen zijn klein genoeg om te worden geabsorbeerd door hyfen. Ze leveren energie en de bouwstoffen die de zwam nodig heeft om te groeien.

Mycelium (zwamvlok) Hyfen groeien uit tot een samenhangend netwerk: een mycelium ofwel zwamvlok.

Ecologische rollen Zwammen kunnen verschillende posities innemen in voedselketens: als consumenten van levend materiaal of als reducenten van dood materiaal. Ze spelen een heel belangrijke rol in alle ecosystemen, omdat ze voedingsstoffen terugbrengen in de bodem, waardoor planten die weer kunnen gebruiken.

Reducenten Organismen die dood organisch materiaal en afval afbreken, heten ‘reducenten’. Dergelijke zwammen kunnen zich voeden met hele dode organismen of met delen, zoals bladeren, huid, vacht, veren en poep.

Parasieten Parasieten zijn organismen die op of in andere levende organismen leven en zich daarmee voeden en meestal schade veroorzaken. De peer-jenever­ besroest is een parasiet op peren­ bomen en veroorzaakt rode blaren op bladeren als hij sporen produceert.

Partners Veel zwammen vormen een nuttig partnerschap met andere organismen. Zo geven algen in korstmossen voedsel dat door fotosynthese is gemaakt aan de zwammen, en die leveren minerale voedingsstoffen, water, fysieke steun en bescherming aan de algen.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401497640 by Uitgeverij Lannoo - Issuu