tim bouts
Dagboek dierenarts
van een
4
Inleiding
9
België en Cornwall 1. Suzy 2. Ik ben geen dokter 3. DIY
12 14 18 22
Abu Dhabi 4. Dat is mijn job 5. Sluit de gordijnen
26 29 36
Whipsnade Zoo, Engeland 6. Met de vinger wijzen 7. Near miss 8. Een niet zo plotse dood 9. Code rood 10. Is euthanasie een optie?
41 44 48 54 58 62
Marius
69
11. Verlies is ook winst 12. Damned if you do and don't 13. Daar ga ik voor 14. Zoals het hoort 15. Begrip voor het onbegrip
75 79 84 88 95
Al Wabra Wildlife preservation Qatar 16. Do or die: Spix’ara deel 1 17. Dit kan even pijn doen
99 101 105
Pairi Daiza, België 18. Pandamania 19. Mond-op-slurfbeademing 20. Ze is loops 21. Een klein, roze worstje 22. The last male on earth
108 110 116 123 129 134
Not One More Vet
137
23. Van held naar stroper 24. De Wereld van de Koude 25. Net een echt mensje 26. Ze is out 27. Fashionable disease 28. Nieuwe moeder
142 147 153 157 162 167
De menselijke zoo
172
29. Doodverklaard 30. We hebben slecht nieuws 31. We zijn radeloos 32. Een wereldprimeur: Spix’ara deel 2
175 182 187 194
Praktijk België en consultancy Qatar 33. Deadly easy, easily dead 34. De diepvries zit vol 35. Het klinkt makkelijker dan het is 36. Mensdom, dierenrijk 37. Nog panda’s
198 200 204 208 210 217
Leef nu, niet morgen
221
Dankwoord
225
8
Inleiding Mijn ouders hadden helemaal niets met dieren. We hadden wel een hond en wat kippen, maar daar hield het op. Ik ben het nakomelingetje, ‘het kakkernestje’ zoals ze zeggen in West-Vlaanderen, in een gezin van drie jongens. Stef was de oudste, dan kwam Rob en ik kwam zeven jaar later. Als kind keek ik vooral op naar mijn oudste broer Stef. Hij zat bij de ponyclub in Bocholt en ik deed niets liever dan hem te vergezellen. In de zomer gingen Stef en ik bijna dagelijks naar de boerderij bij Geerits. Stef fietste terwijl ik op het fietsstuur zat, de benen bengelend langs het voorwiel. Op die boerderij heb ik een groot deel van mijn jeugd doorgebracht en dat was een geweldige tijd, de zogenaamde ‘goeie ouwe tijd’. Als we meeaten met de boer, dronken we melk die vers uit de koeltank kwam en aten we soep en daarna onze aardappelen uit hetzelfde bord. Geen gedoe, gewoon de essentie. We hielpen er met verschillende taken, zoals melken, stallen schoonmaken en de dieren voeren, om daarna te spelen en op de pony’s te rijden. Mijn pony was een shetlander die Kirsten heette, en dit was dan ook mijn eerste pony in de ponyclub. Ik was amper vijf jaar, maar de microbe had me al goed te pakken. Zodra Kirsten te klein werd, ging ik verder met Kitty, Elske en Merrie. Ik had een onbezonnen kindertijd, omringd door dieren en vrienden. Thuis breidde ik gestaag het aantal dieren uit: ik kweekte dwerghamsters, gerbils en chinchilla’s. Ik had ook mijn tamme haan, Guust, die me overal volgde. Tot grote wanhoop van de buren. Al van mijn achtste wist ik het heel zeker: ik word dierenarts. Ik heb dan ook nooit meer een ander beroep overwogen. ‘Wat als je het niet aankunt?’ vroeg mijn vader nog. Hij had liever dat ik naar de zeevaartschool ging, iets wat hij vroeger graag gedaan zou hebben. Maar ik klonk vastberaden in mijn antwoord. ‘Dat zullen we dan wel zien. Er is geen andere optie.’ 9
Ik startte de studies dierengeneeskunde in 1994 in Gent en slaagde gelukkig dat eerste jaar. In mijn laatste jaar moest ik kiezen tussen het behandelen van rundvee, industriedieren zoals varkens en kippen, paarden, of kleine huisdieren Ik koos voor rundvee, in de overtuiging dat dit me zou voorbereiden op werken met grote wilde dieren, wat altijd mijn ultieme doel was. Vooral door mijn vader, die zelf jaren in het Midden-Oosten had gewoond en gewerkt, ontwikkelde ik een passie voor reizen. Ik mocht twee en een halve maand doorbrengen in Vietnam voor mijn proefschrift over parasitologie. Die reis naar Vietnam was mijn eerste reis buiten Europa en mijn eerste ervaring met soloreizen, een enorm avontuur dat in het begin gepaard ging met een enorme cultuurshock. Ik woonde er bij de lokale bevolking en ik maakte deel uit van hun dagelijkse leven. Ik heb met hen gewerkt en tijd doorgebracht met hun gezinnen. Dat was enorm verrijkend. Hoe overweldigend die ervaring ook was in het begin, het bleek een van de meest memorabele ervaringen in mijn leven te worden. Ik kan me nog steeds de geuren, de drukte en de mensen in Vietnam herinneren. Toen ik afgestudeerd was, begon ik mijn carrière op de afdeling Heelkunde en Anesthesiologie voor grote huisdieren in Gent, met een specialisatie in anesthesie. Ik wist ondertussen dat ik zoo-dierenarts wou worden en dat anesthesie daarbij heel belangrijk was. Voor die opleiding tot zoo-dierenarts ging ik verder studeren in Londen, in de Royal Veterinary College en London Zoo, waar ik een jaar lang een intensieve opleiding volgde. Tijdens die opleiding begon ik te groeien als dierenarts en ik was uiteindelijk een van de eerste Belgen die zich specialiseerde in de zorg voor dieren in dierentuinen. Ik kreeg de kans om te werken aan diverse onderzoeksprojecten en mijn kennis te verdiepen. Van Londen ging het uiteindelijk naar andere landen en op die manier is de hele wereld een beetje mijn werkplek geworden. Ik ging naar Abu Dhabi om de dood van honderden gazelles te onderzoeken, naar Whipsnade Zoo in Engeland waar ik voor mijn leven vreesde bij een aanval van een chimpansee, ik leerde in Al 10
Wabra Wildlife Preservation in Qatar de Spix’Ara kennen, de meest bedreigde papagaaiensoort die ik samen met anderen zou redden van het uitsterven en ik zou een orang-oetan-baby proberen te reanimeren in Pairi Daiza in België. Onder andere, want met twintig jaar ervaring is het moeilijk om te kiezen welke verhalen me juist het meest zijn bijgebleven. Bovendien ben ik niet enkel zoo-dierenarts, maar werkte ik de voorbije twaalf jaar ook als zoölogisch directeur. Zo leerde ik dat een zoo leiden gelijkstaat aan mensen leiden. Die intermenselijke relaties zijn nog heel wat anders dan de omgang met dieren. Toch kan ik zeggen dat ik mijn management deed zoals een dierenarts: er is een probleem, een diagnose en een oplossing. Voor anderen is die aanpak misschien te pragmatisch, maar voor mij werkte het. En bovenal is er ook mijn eigen verhaal, dat van mijn gezin, mijn vrouw en drie kinderen die mijn wereld zijn. Marie is me vanaf dag één gevolgd, Jonah was één maand oud toen hij verhuisde naar Abu Dhabi, Jef werd twee jaar later geboren aan het begin van de Whipsnade-periode en Laura-Marie werd nog drie jaar later in Engeland geboren. In zekere zin heeft Kirsten de shetlandpony mij van de boerderij in Bocholt naar die hele wereld gebracht, van kleine jongen naar zoo-dierenarts. Het was een spannende rit en onderweg heb ik veel geleerd en diverse projecten mogen uitvoeren. Als ik terugkijk op die rit, weet ik dat die passie voor dieren altijd al in me zat. Het is mijn roeping en mijn levenswerk om voor al die prachtige wezens te zorgen en bij te dragen aan hun welzijn. Ondertussen weet ik ook dat dierenarts zijn meer is dan enkel voor dieren zorgen, het is ingewikkelder dan dat. Er is het management van populaties, onderzoek, natuurbehoud, er zijn de moeilijke beslissingen die genomen moeten worden als er bijvoorbeeld een dier ontsnapt, er is het ethische vraagstuk of euthanasie een optie is of niet. Daarnaast is een zoo zelf meer dan een collectie dieren. Het is een heel raderwerk, het is een concept. Het is een wereld op zich, die het verhaal van de natuur vertelt.
11
2002-2004: België en Cornwall, Engeland Na mijn studies in Londen keerde ik tijdelijk terug naar de faculteit Diergeneeskunde in Gent. Dit wisselde ik af met weekendwerk in een dierenartspraktijk van bevriende dierenartsen: deels in Limburg waar ik vandaan kom, deels in Picardië in Frankrijk. Ondertussen was ik zo gebeten door wilde dieren dat ik constant op zoek was naar mogelijkheden om daarmee te werken. Op een dag vond ik de perfecte jobaanbieding in Newquay in Cornwall: een gemengde praktijk die ook verantwoordelijk was voor Newquay Zoo, een kleine zoo, maar wel een zoo met enkele interessante diersoorten zoals fossa’s en kinkajous. Ik nam Marie mee om een weekendje op prospectie te gaan en we werden beiden dadelijk verliefd op de prachtige natuur in Cornwall. Boven op een klif aan Polly Joke Beach, met als enige getuige een wilde zeehond in de Atlantische Oceaan onder ons, ging ik op mijn knie en vroeg ik Marie ten huwelijk. Gelukkig zei ze ‘ja’, maar niet voordat ik haar tien keer had moeten verzekeren dat ik geen grap maakte. Toen we weer thuiskwamen van dat weekend had ik dus niet enkel een nieuwe job, maar ook een verloofde. We trouwden al snel en trokken de dag na ons huwelijk naar onze nieuwe thuis, een plek op elf uur rijden en varen van België, helemaal in het Zuidwesten van Engeland.
12
De tijd die we in Cornwall beleefden, was een prachtige periode. Als pasgetrouwd koppel konden we onze wittebroodsweken beleven op een van de mooiste plekken op aarde. Bijna dagelijks gingen we wandelen over de kliffen langs de kust met ons tweetjes en met onze hond Bongo, genoemd naar een slaginstrument en een antilope. Met Maries achtergrond als muzikante en die van mij als dierenarts, zou er zo zeker geen discussie over de naam ontstaan. Op professioneel vlak heb ik enorm veel bijgeleerd in Cornwall. Het was mijn eerste ervaring met kleine huisdieren zoals honden en katten, maar ik heb er ook mijn eerste dierentuinervaringen kunnen opdoen in Newquay Zoo.
13
1. Suzy
D
e motor van de wagen ronkt, terwijl ik druk in de weer ben met enkele landkaarten. Ik probeer ze plat te strijken op mijn bovenbenen om zicht te krijgen op mijn locatie, maar de ruimte tussen het stuur en mijn bovenlijf is beperkt. Het enige wat ik zie zijn groene vlekken, oftewel de Franse velden waarin ik me bevind. Ik ben hier verzeild omdat ik in het weekend praktijkervaring opdoe bij een West-Vlaamse dierenarts die al meer dan twintig jaar in Frankrijk woont en werkt, in Saint-Quentin, een stad in het Noord-Franse Picardië, halverwege tussen Parijs, Rijsel en Brussel. Als ik niet in Bocholt bijwerk bij een andere dierenarts, breng ik het weekend hier door en logeer ik boven de praktijk. Het werk dat ik hier kan doen is een mooie aanvulling op mijn specialisatie anesthesie én het laat me toe een centje bij te verdienen, want die specialisatie is geen vetpot. Op dit moment word ik verwacht bij Jacques, een Franse boer die een oproep heeft gedaan voor een ziek kalfje. Ik gooi geënerveerd de landkaarten op de passagiersstoel en rijd op goed geluk verder. Na een tijdje nader ik de boerderij waar ik moet zijn. Jacques staat me al op te wachten. ‘Je weet welk ras het is?’ vraagt hij. ‘De Blonde d’Aquitaine?’ gok ik. Waar België fier is op het Belgisch witblauw, is dat in Frankrijk de Blonde d’Aquitaine. Het zijn mooie elegante runderen, met een fijne huid en hoorns. ‘Ze staan bekend om hun uitstekende vlees’, zeg ik erbij, om joviaal te doen. ‘En om hun agressief karakter’, knipoogt de boer. Hij leidt me naar de stallen en het valt me op dat de boerderij geen moderne indruk geeft, integendeel. Het komt allemaal wat vies en vuil over. We komen terecht in een donkere stal, ter grootte van een keuken, met stro en dikke metalen baren waar je tussendoor moet kruipen om de stal binnen te gaan. ‘Daar ligt het kalfje.’ Jacques knikt naar een hoek van de stal, terwijl 14
de moederkoe in de andere hoek rustig ligt te herkauwen. Het kalfje ligt daar, roerloos. Ik ga de stal binnen, kniel neer bij het kalfje en til het kopje op. Dit dier kan ik onmogelijk nog redden, denk ik. Maar ik moet en wil het wel proberen. Ik overloop de differentiaaldiagnose: jong kalfje, drie dagen oud, zware diarree: E. coli, rota of coronavirus, cryptosporidium of coccidia. Deze differentiaaldiagnose wordt er op de universiteit ingepompt. Gezien de leeftijd is E. coli het meest waarschijnlijk, want de virussen komen rond negen à tien dagen oud voor, cryptosporidium rond de twee weken en coccidia eerder bij kalfjes van enkele maanden. Sluitend is dit niet, maar toch besluit ik om een behandeling voor E. coli te starten. Ik neem een huidplooi in de nek vast en die blijft gewoon rechtop staan in plaats van weer vlak te worden. Ik open de mond van het kalfje en duw met mijn vinger op het roze tandvlees dat wit wordt: ‘1…2…3…4…5…6’, tel ik. Normaal mag het maximaal drie seconden duren voor het witte tandvlees om weer roze te worden, maar hier duurt het dubbel zo lang. Dit kalfje is extreem uitgedroogd. De oren en mond voelen ook koud aan en de thermometer leest 33.5°C., ook nog onderkoeld dus. Het is noodzakelijk om een warm infuus met antibiotica toe te dienen en daarna onderhuids ook nog vloeistof. Met moeite vind ik de halsader en ik breng een katheter in. Ik sluit de vloeistof aan en start de therapie. De hele tijd blijft het kalfje liggen, roerloos, zonder te reageren. ‘Ik kom morgen terug’, leg ik uit aan de boer. ‘Geef me sowieso wel even een update over hoe het gaat. Zeker als het zou mislopen, dat ik niet de hele rit voor niets maak…’ Ik verwacht snel een telefoontje met slecht nieuws, maar dat blijft uit. Jacques laat niets van zich horen. De volgende dag rijd ik terug tussen de Franse velden, ditmaal zonder verkeerd te rijden, en zoek ik het kalfje op. Hopelijk leeft het nog. ‘Fantastisch!’ roept Jacques me toe bij aankomst. ‘Ik weet niet wat je gedaan hebt, maar dat kalf is erbovenop!’ Het enthousiasme van Jacques is misschien een beetje overdreven, maar het kalfje heeft wel degelijk vooruitgang geboekt. Het staat op15
nieuw recht en reageert alert op onze aanwezigheid. Ook de moeder kijkt ons nieuwsgierig aan. ‘Waw’, zeg ik meteen. Het is me gisteren niet opgevallen hoe indrukwekkend de moeder is, zelfs met afgezaagde hoorns. ‘Dat is Suzy’, knikt Jacques. ‘Een van mijn beste en mooiste koeien.’ Hij leidt me de stal binnen om mijn werk te doen, maar wanneer ik het kalf vastneem, schrikt het. Het begint te loeien naar de moeder, waarop die enorme koe zich naar mij draait en zonder aarzelen op me afstormt. Voor ik kan reageren, geeft ze me een kopstoot en duwt ze me omver. Met een harde klap val ik op de grond. ‘Miljaar!’ hoor ik de boer roepen, terwijl ik hem vanuit mijn ooghoek door de dikke tralies zie vluchten. ‘Godverdomme’, denk ik.
Met mijn armen voor mijn gezicht en bovenlijf probeer ik snel weer recht te krabbelen, maar Suzy geeft me opnieuw een kopstoot. En opnieuw. Ze blijft op me inbeuken, recht op mijn borstkas, en ik kan geen kant meer op. Ik ben doodsbang en probeer me te beschermen tegen dit geweld, maar ik denk dat ik hier niet meer levend uitkom. Bij iedere stoot word ik banger en banger en de seconden lijken uren te duren… Laat het maar gauw gedaan zijn. ‘Ik kom!’ hoor ik de boer opeens roepen. Hij loopt de stal weer binnen, met in zijn hand een dikke metalen staaf. ‘Allez!’ brult hij, terwijl hij met die staaf op Suzy begint te slaan. Met resultaat, want Suzy wordt afgeleid en zet enkele stappen achteruit, waardoor ik eindelijk kan vluchten. Op handen en voeten kruip ik door de tralies. Mijn hele lijf doet pijn. Ik laat me op mijn rug vallen wanneer ik veilig ben en dan verlies ik het bewustzijn. ‘Tim? Tim, ça va?’ Ik open mijn ogen en ben enigszins gerustgesteld dat het Jacques is 16
die boven me hangt en niet langer Suzy. Meteen voel ik opnieuw de pijn in mijn lijf. Mijn borstbeen en mijn ribben zijn er erg aan toe. ‘Je hebt geluk gehad’, zegt Jacques. Hij kan zijn opluchting zelf niet verstoppen. ‘Suzy is de meest agressieve koe die ik heb. Die hoorns zijn niet voor niets afgezaagd…’ Ik schud mijn hoofd en probeer me recht te zetten. ‘Dat kalf moet wel nog steeds behandeld worden…’ kreun ik. ‘Niet voor ik Suzy verplaats’, zegt Jacques droog. Wat later laat ik mezelf met veel moeite op de autostoel zakken. Ik wil zuchten, maar zelfs dat doet pijn. Alles doet pijn. In plaats van rechtstreeks naar de dierenarts te rijden, maak ik een tussenstop bij het ziekenhuis. Daar onderga ik zelf de nodige onderzoeken en krijg ik het verdict: geen gebroken ribben en geen klaplong. Wel kneuzingen en heel veel pijn. Maar vooral de gedachte dat deze job meer risico’s inhoudt dan ik voordien dacht. Als jonge, pas afgestudeerde dierenarts ken je geen angst en denk je dat je de hele wereld aankan, maar een voorval zoals dit zet je met de voetjes op de grond. Opeens ben je sterfelijk en besef je dat één verkeerde handeling je hele leven kan omgooien. Wanneer ik ’s avonds laat terug thuiskom bij de dierenarts, kijkt die me verbaasd aan. ‘Vanwaar kom jij?’ ‘Vanonder Suzy’, kreun ik met een verkrampt gezicht. ‘Suzy!’ lacht hij. ‘Die ken ik. De gevaarlijkste koe uit de omstreken!’
17
2. Ik ben geen dokter
‘H
ij heeft moeite met ademhalen.’ De oudere dame klinkt bezorgd wanneer ze de kooi met daarin haar papegaai op de onderzoekstafel zet in de praktijk in Newquay in Cornwall. Haar man deelt die bezorgdheid, dat merk ik aan zijn instemmende knik. Met veel zorg haalt de dame de papegaai uit de kooi. De man geeft hem een kusje op zijn snavel. Dit dier is graag gezien, dat is duidelijk. Jeff, de papegaai zelf, kijkt nieuwsgierig rond, maar ik hoor inderdaad dat zijn ademhaling verstoord is. Veel mensen beseffen het niet, maar het onderzoek van een ziek dier begint al zodra dat dier en zijn baasje binnenkomen. Elke stap en elk stukje informatie is namelijk een stukje van de puzzel die ik als dierenarts probeer te leggen in de zoektocht naar wat er mis is met het dier. En wat de oplossing kan zijn. ‘We zullen eens kijken’, zeg ik geruststellend. Zoals steeds begin ik eerst met een anamnese waar ik vervolgens mijn differentiaaldiagnose op baseer. Dat is een soort standaardondervraging van de eigenaars waarmee ik meer te weten wil komen over het dier, de huisvesting, de voeding en het probleem. De klacht ken ik in dit geval al, maar hoelang houdt die klacht al aan? Is de papegaai al eerder ziek of behandeld geweest? Hoe is het eet- en drinkgedrag? Eet hij veel zonnebloempitten? Hoe preciezer de baasjes kunnen antwoorden op die vragen, hoe beter we kunnen bepalen waar het probleem zou kunnen liggen. Vervolgens kijk ik onder andere naar de houding, de conditie en het gedrag van het dier, om daarna over te gaan tot een algemeen onderzoek. In dit geval focus ik me op de ademhaling, waarbij ik let op de frequentie, het type en het ritme van die ademhaling. Ik check ook of er witte plaques aanwezig zijn in de neusgaten van de papegaai. Zulke plaques komen voor bij Hypovitaminose A, een ziekte die onder andere ontstaat wanneer vogels gevoerd worden met uitsluitend zadenmengsels, vooral zonnebloempitten. Ik check of er witte 18
vlekken in de mond aanwezig zijn, iets wat we vaak vaststellen bij een parasitaire of schimmelinfectie. ‘De neus en mond zien er al goed uit’, zeg ik na die controle. Tegelijk denk ik aan de papegaaienziekte, ook wel psittacose genoemd. Die ziekte wordt veroorzaakt door de bacterie Chlamydophilla psittaci en na besmetting treedt er vaak verminderde eetlust op, uitdroging, diarree en ontsteking van oog- en neusslijmvliezen. Wat dus kan leiden tot ademhalingsproblemen, zoals bij deze papegaai. Bij een vroege diagnose kan de ziekte echter goed bestreden worden met behulp van antibiotica. ‘Ik ga even een swab nemen van de slijmvliezen’, leg ik uit. De dame en heer knikken instemmend. Als hun Jeff er uiteindelijk maar beter van wordt. ‘Ik denk namelijk aan chlamydia. Dat is nu heel lastig voor het beestje, maar met een antibioticakuur kunnen we hem daar wel van verlossen.’ Ik stuur het koppel naar huis met Jeff en een voorschrift voor doxycycline en zeg hen dat ze moeten terugkomen wanneer er geen beterschap komt. Enkele dagen later krijg ik van het lab de bevestiging dat mijn vermoeden juist was: de papegaai heeft sterk positief gereageerd op chlamydia. Om de eigenaars te verzekeren dat we de juiste behandeling gestart zijn, bel ik hen even op. De dame neemt de telefoon op. Ze klinkt vermoeid. ‘Dokter…’ zegt ze, een aanspreking die me altijd doet lachen, want ik ben geen dokter, alleszins geen humane arts. Maar nu hoor ik een krak in haar stem. ‘Jeff is beter, maar mijn man… Hij is in het ziekenhuis opgenomen met heel zware longproblemen. Ze denken dat hij kanker heeft, maar voorlopig vinden ze niets…’ Terwijl de dame haar verhaal doet, begint mijn radertje te werken. Die man heeft ademhalingsproblemen en ze vinden niets. Tijdens hun consultatie heb ik hem kusjes zien geven aan de papegaai. Die papegaai heeft chlamydia en dat is dan weer een zoönose, een infectieziekte die van dier op mens kan overgaan. Mensen met minder weerstand zijn vatbaarder voor infectieziekten in het algemeen, maar dit geldt dus ook voor zoönosen. Deze risicogroep wordt in de litera19
tuur samengevat als ‘YOPI': Young, Old, Pregnant, Immunosuppressed oftewel jonge kinderen, ouderen, zwangeren en immuungecompromitteerden. ‘Mevrouw…’ vraag ik voorzichtig. ‘Mag ik met uw toestemming naar de behandelende arts van meneer telefoneren? Ik kan misschien helpen…’ Wat later heb ik de arts aan de lijn. ‘Als ik mag…’ zeg ik voorzichtig. ‘Meneer zijn papegaai ondergaat een behandeling voor chlamydia en het kan een mogelijke denkpiste zijn om ook meneer te testen op deze zoönose. De problemen kunnen dan verholpen worden door een antibioticakuur.’ ‘U mag…’ hoor ik de arts zeggen. ‘Maar als ik mag: u heeft geen recht van spreken als dierenarts. Ik onderzoek en behandel mijn patiënten, mensen, op de best mogelijke manier. Dus een dierenarts moet mij niet vertellen hoe ik dat beter wel of niet doe. Bedankt voor uw telefoontje, dokter Bouts. Tot ziens.’ Verbaasd en ook wel boos leg ik de telefoon neer. De reactie van die arts is overdreven, maar het toont wel het verschil aan tussen een dierenarts en een humane arts. Een dierenarts denkt continu trans-species, wij zijn het gewend om naar verschillende diersoorten te kijken. We beschouwen de mens dan ook gewoon als diersoort, al is het dan misschien de meest domme van de primaten. Mens en dier kunnen nooit helemaal apart van elkaar gezien worden, dat bewijzen overdraagbare ziektes. Als er een ziekte overgaat van dier op mens, willen we dan ook weten hoe dat komt. Gebeurt het via de ademhaling, via de uitwerpselen, via voorwerpen of zijn er nog andere opties? Bij een zoönose proberen we een eerste besmettingsbarrière in te stellen: handen ontsmetten, handschoenen en mondmaskers dragen, contact vermijden enzoverder. In die zin staan dierenartsen enigszins in voor de bescherming van de samenleving, vandaar ook de controles bij de invoer van dieren of bij slachthuizen. Er moest maar eens iets mislopen: de wereld kan snel op zijn kop staan. Spijt van mijn telefoontje heb ik niet, ik zou mijn job niet goed doen als ik de arts niet op de hoogte zou brengen van de feiten en van mijn vermoeden. Het is alleen spijtig dat hij het niet wil horen en 20
zijn eigen eer belangrijker vindt dan zijn patiënt. Ik laat het rusten en enkele weken later zie ik dat Jeff opnieuw op de planning staat. Mevrouw én meneer stappen met een glimlach de consultatieruimte binnen. ‘En?’ vraag ik benieuwd. Dat de papegaai beter zou worden, wist ik. Maar meneer… ‘Jeff lijkt weer kerngezond’, zegt de dame. ‘En ik voel me net zo’, lacht de man. Zijn blik zegt genoeg. ‘Het ging echt niet goed met me, maar op een bepaald moment zijn de dokters op een andere behandeling overgestapt en ben ik helemaal hersteld.’ ‘Bedankt, dokter’, zegt de dame. Daarop is het mijn beurt om te glimlachen. ‘Ik ben geen dokter, hoor.’
21