Dankwoord
Dit handboek kon er niet zijn zonder de methodologische kennis en vaardigheden die ik de voorbije twintig jaar heb opgedaan. Het aantal docenten en onderzoekers wiens ideeën en kundigheid mij hierin hebben geïnspireerd en gevormd, is te groot om op te noemen. Ik ben hen geweldig dankbaar voor wat ze me hebben bijgebracht. Ik heb ook heel veel geleerd uit de samenwerkingen met mededocenten. Mijn bijzondere dank gaat uit naar de collega’s met wie ik de voorbije drie jaar voor langere of kortere tijd heb samengewerkt voor het vak Onderzoekstaak in het Schakelprogramma van de Nederlandstalige interuniversitaire master Gender en Diversiteit: Corine Van Hellemont, Eline Huygens, Carine Plancke, An Van Raemdonck, Sigrid Bosteels, Gabriëlle de Pooter, Sara De Vuyst en Nika Looman. Dank ook aan de gastdocenten die de studenten over hun onderzoeksmethoden kwamen vertellen, en het enthousiasme en de energie die zij meebrachten. Met al deze collega’s ervaringen en good practices uitwisselen was van onschatbare waarde voor het tot stand komen van het boek. Het hielp om beter te detecteren en begrijpen welke uitdagingen studenten ervaren en hoe we hen daarin het beste kunnen ondersteunen. In dit handboek hoort ook een woord van dank aan de studenten zelf die ik in de voorbije drie jaar heb mogen begeleiden. Hun vragen, problemen en worstelingen met het ontwerpen van een onderzoek, dagen me telkens opnieuw uit om helderder te verwoorden en probate didactische methoden te ontwikkelen. Dat is onvermijdelijk een work in progress en nooit af, maar ik hoop dat het handboek alvast een handig hulpmiddel voor de studenten kan zijn.
Ik dank de collega’s die dit manuscript, of delen ervan, hebben nagelezen: Gily Coene, Sabrina Vandevelde en Wendelien Vantieghem. Dank voor hun constructieve feedback. Dank ook aan Academia Press, en Isaac Demey, Laure Elyn en Nina Vanhevel in het bijzonder, voor de fijne samenwerking. Speciale dank gaat naar Sabrina Vandevelde, de coördinator van de opleiding Gender en Diversiteit, voor haar warme en kundige ondersteuning en pedagogische tips. Haar sensitieve en empathische aandacht, en niet-aflatende inhoudelijke, praktische, strategische en emotionele arbeid maakten mijn werk een stuk fijner, ondanks de soms moeilijke omstandigheden van de voorbije tijd. Ten slotte gooi ik nog een hartje voor Georgeke, mijn spinnende metgezel tijdens het schrijven. De misplaatste tekens en letters door haar wandelingen over mijn toetsenbord zijn (hoop ik) allemaal weer weggewist.
Inleiding
Dé mens bestaat niet. Mensen hebben heel verschillende ervaringen, afhankelijk van onder andere hun gender, sociale klasse, leeftijd, seksualiteit, nationaliteit, levensbeschouwing, en mentale of fysieke functionaliteit. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar toch is in de wetenschap een universeel mensbeeld vaak het uitgangspunt geweest. Dat mensbeeld maakt abstractie van verschillen, veralgemeent de ervaring van een beperkte groep mensen, en verheft die specifieke ervaring tot de standaard. Onderzoekers in gender en diversiteit breken daar radicaal mee, en stellen diversiteit en pluraliteit centraal. Ze onderzoeken in het bijzonder hoe verschillen ingezet worden in processen van uitsluiting en discriminatie. Dit handboek biedt een leidraad voor het opzetten van zo’n onderzoek. Het handboek vertelt je niet hoe je onderzoek moet uitvoeren. Het gaat wel dieper in op de verschillende fasen die aan de uitvoering voorafgaan. Het wil een aantal handvatten bieden voor het ontwikkelen van een onderzoeksvoorstel, en gaat dus in op hoe je een probleem dat onderzoek verdient, kan identificeren en definiëren, hoe je tot een onderzoeksvraag komt en hoe je een methodologie ontwerpt. Het kan een hulpmiddel zijn voor wie een onderzoeksvoorstel schrijft voor masterproef of doctoraat, maar het kan ook van pas komen bij kleinere onderzoeksoefeningen. Het richt zich in de eerste plaats op schakeljaar- en masterstudenten in gender en diversiteit, maar kan ook waardevol zijn voor bachelor- en masterstudenten van andere opleidingen die een onderzoek willen doen naar ongelijkheid.
Het handboek is anders dan andere scriptiegidsen in haar aandacht voor de specificiteit van onderzoek in gender en diversiteit. Naast algemene onderzoeksvaardigheden wordt ingezoomd op theoretische en methodologische uitgangspunten van onderzoek in gender en diversiteit. Hoewel ik in dit handboek ruimte heb gemaakt voor verschillende manieren waarop aan onderzoek kan worden gedaan naar gender en diversiteit, is het boek zeker niet volledig of allesomvattend. Het handboek legt de nadruk op kritisch-filosofische benaderingen eigen aan de geesteswetenschappen of humanities, waarbij begrijpen en interpreteren centraal staan. Het is in het bijzonder gevormd door de disciplines waarin ik ben opgeleid, met name sociolinguïstiek en antropologie, en de daaraan verbonden wetenschapsfilosofische overtuigingen. Het handboek reflecteert ook mijn achtergrond in de genderstudies (waarvoor ik persoonlijk liever de term
‘feministische studies’ hanteer), en dekt minder de andere wetenschappelijke tradities die vormen van ongelijkheid bestuderen. Het is ook gestuurd door mijn voorkeur voor kwalitatieve methodologie en in het bijzonder kleinschalige, auto-etnografische methoden. Het handboek heeft minder affiniteit met de wetenschappelijke methoden uit de sociale wetenschappen, waarbij aantonen en verklaren centraal staan. Voor wie een meer sociaalwetenschappelijke aanpak beoogt, is een aantal Nederlandstalige handboeken beschikbaar, zoals dat van Roose & Meuleman (2021) en dat van Mortelmans (2013). Deze boeken bieden een degelijke introductie tot sociaalwetenschappelijke methodologie, maar hebben weliswaar geen specifieke focus op onderzoek in gender en diversiteit.
Wat maakt onderzoek in gender en diversiteit uniek?
Een antwoord formuleren op deze vraag is minder eenvoudig dan het lijkt. Onderzoek in gender en diversiteit is immers een multi-, inter- en intradisciplinair veld dat het kruispunt tussen gender en andere vormen van diversiteit of ongelijkheid centraal stelt. Er zijn onder andere sociologen en antropologen, filosofen en moraalfilosofen, communicatiewetenschappers en politicologen, psychologen en (ortho)pedagogen, geschiedkundigen en archeologen, taalkundigen en sociolinguïsten, literatuurwetenschappers en kunstwetenschappers, rechtswetenschappers en criminologen, sociaal geografen en architectuurwetenschappers, medische en paramedische wetenschappers, en economen en bedrijfskundigen die aan gender- en diversiteitsonderzoek doen. Niet al die onderzoekers hebben dezelfde theoretische basis als uitgangspunt, noch gebruiken ze dezelfde methoden. Onderzoekers in gender en diversiteit zijn het zelfs niet noodzakelijk eens over hoe de werkelijkheid vorm krijgt en hoe we die kunnen kennen. Ze hebben ook heel verschillende methodologische uitgangspunten, en gebruiken uiteenlopende, zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeksmethoden. Het antwoord op de vraag wat onderzoek in gender en diversiteit uniek maakt, kan dan ook alleen beantwoord worden met deze grote diversiteit in gedachten.
Toch kunnen we ondanks die grote en complexe verscheidenheid een aantal gemeenschappelijke kenmerken onderscheiden. Dit handboek heeft als uitgangspunt de studie van gender en diversiteit die gender hanteert als een analytische categorie en een kritisch perspectief, maar steeds gekoppeld (in meer of mindere mate) aan de analyse van andere assen van ongelijkheid. Een belangrijke gemene deler is dus een focus op de relatie tussen gender en andere vormen van diversiteit zoals etniciteit, seksuele oriëntatie, socio-economische status, leeftijd, functiebeperking en levensbeschouwing. Onderzoek in gender en diversiteit is erop gericht in- en uitsluitingsprocessen in kaart te brengen en te begrijpen, en te zoeken naar mogelijkheden tot herstel. Het brengt in allerlei maatschappelijke vraagstukken een focus op verschil en ongelijkheid binnen
en wil ‘vooruitgang bieden in het recht doen aan verschillen tussen mensen, ofwel aan diversiteit’ (Spierings, 2010, p. 33). Met deze focus verleggen ze de blik van het centrum naar de marge, en problematiseren en ontkrachten ze universaliserende stellingen. Bovendien beschouwt onderzoek in gender en diversiteit sociale categorieën als concepten die analyse vereisen, en niet als inherente verschillen tussen mensen, verschillen die al a priori vastliggen. Onderzoek in gender en diversiteit bevraagt hoe categorieën (zoals gender, klasse, ras/etniciteit) vorm krijgen, hoe ze gerepresenteerd worden in discours en in culturele handelingen en producten, welke mechanismen bijdragen aan het reproduceren van de verschillende categorieën, en welke machtsongelijkheden ze voortbrengen (Järviluoma et al., 2003). Onderzoek in gender en diversiteit legt patronen en mechanismen bloot die zonder een specifieke aandacht voor verschil onderbelicht of zelfs volledig buiten beeld kunnen blijven, en genereert daarmee belangrijke nieuwe kennis.
Genderstudies hebben hun wortels in vrouwenstudies, dat zich als een academisch veld begon te ontwikkelen sinds eind jaren 1960 (zie bijvoorbeeld Bird, 2003; Boxer & Stimpson, 2001; Tobias, 1978). In vrouwenstudies lag de nadruk heel sterk op de moeilijkheden waarmee vrouwen kampen in een patriarchale samenleving die aan mannen in het algemeen meer macht geeft dan aan vrouwen. Vrouwenstudies waren sterk vervlochten met het feministisch activisme en vertrokken vanuit een kritiek op de gangbare academische kennisproductie. Een groeiende groep (veelal vrouwelijke) wetenschappers bekritiseerde de geldende wetenschappelijke kennis die werd voorgesteld als neutraal en universeel, maar die volgens hen vertekend was door een eenzijdig ‘mannelijke’ blik. Ze wierpen op dat vrouwen veronachtzaamd werden in de wetenschappelijke kennisproductie als object van onderzoek (de bezorgdheden en bezigheden van vrouwen werden doorgaans niet interessant genoeg gevonden), maar ook als subject van studie (er waren op dat moment nog heel weinig vrouwelijke onderzoekers, en als ze er al waren, bleef hun werk vaak onzichtbaar).
Aan universiteiten in verschillende delen van de wereld werden vakken en studieprogramma’s opgericht waar vrouwenstudies werden onderwezen. Ook in Nederlandstalig België werd, weliswaar pas in 1994, een Voortgezette Academische Opleiding Vrouwenstudies ingericht (aan de Universiteit Antwerpen), die tien jaar later alweer werd opgedoekt omdat er niet langer subsidies werden vrijgemaakt voor het programma.1 Internationaal werden intussen heel wat vrouwenstudiesprogramma’s omgedoopt tot genderstudies. Deze naamsverandering had te maken met een toenemende roep om aandacht voor
1 https://www.sophia.be/wp-content/uploads/2019/04/25-jaar-Sophia-1.pdf, geraadpleegd op 14.06.2022.
andere genderposities dan enkel die van vrouwen. De naamswijziging werd weliswaar met gemengde gevoelens onthaald, om diverse redenen (zie bijvoorbeeld Richardson & Robinson, 1994). Er werd gevreesd dat de term ‘gender’ de aandacht zou verplaatsen van de onderdrukking van vrouwen naar genderdiversiteit. Het zou ook een minder politieke term zijn die de wortels van het vakgebied in de feministische strijd doet vergeten en ondermijnend werkt voor de solidariteit tussen vrouwen (zie bijvoorbeeld Evans, 1990). De term ‘genderstudies’ werd ook vaak om strategische redenen gebruikt, juist om associatie met feminisme te vermijden, om op die manier kritieken af te wenden als zou de discipline activistisch en daarom vooringenomen en onwetenschappelijk zijn. Voorstanders van de naamsverandering wijzen op het meer inclusieve karakter van de term ‘genderstudies’, die naast vrouwenstudies ook mannenstudies, queer- en seksualiteitsstudies insluit (zie bijvoorbeeld Tonkens, 1995). De naam genderstudies zou ook meer ruimte laten voor de verstrengeling van gender met onder andere klasse, leeftijd, functiebeperking, ras/etniciteit en religie.2 Bij de oprichting in 2014 van de interuniversitaire master in het vakgebied door de vijf Nederlandstalige Belgische universiteiten werd eveneens gekozen voor de term ‘gender’, weliswaar gekoppeld aan de term ‘diversiteit’. Met ‘gender en diversiteit’ wilde de opleiding haar theoretische basis in de genderstudies benadrukken en tegelijk wijzen op haar intersectionele visie en openheid voor andere theoretische benaderingen van diversiteit. Thema’s en benaderingen in onderzoek in gender en diversiteit zijn divers, en bevinden zich doorgaans op het raakvlak van verschillende onderzoeksvelden en soms zelfs verschillende disciplines. Genderstudies zijn geworteld in feministische theorie, maar zijn ook vervlochten met onder andere queer studies, critical race studies, migratiestudies, crip en disability studies, religiestudies en ageing studies. Dit handboek neemt voor de studie van diversiteit deze onderzoekstraditie als uitgangspunt.
Om een idee te geven van de rijkdom en diversiteit aan thema’s en benaderingen in onderzoek in gender en diversiteit, geef ik hierna een aantal voorbeelden van recent onderzoek in dit multidisciplinair onderzoeksveld. Het is werk van beginnende onderzoekers dat telkens andere vormen van ongelijkheid analyseert. De onderzoekers werken binnen verschillende disciplines en (kennis) theoretische kaders en hanteren verschillende onderzoeksmethoden.
Emma-Lee Amponsah
Zwartheid, culturele media en collectieve identiteiten in België
Diepte-interviews, analyse van kritische persoonlijke verhalen
Emma-Lee is alumnus van de interuniversitaire master Gender en Diversiteit.
Ze haalde haar doctoraat in de Communicatiewetenschappen in 2023 (UGent).
2 https://www.sophia.be/nl/sophia-2/sophia-vzw/visie-op-genderstudies/, geraadpleegd op 06.08.2022.
De rol van hedendaagse media in de identiteit van personen die zich als zwart identificeren in België stond centraal in het doctoraatsproject van Emma-Lee. Met deze focus bevond haar onderzoek zich op het kruispunt van black studies, cultural studies en memory studies. Ze onderzocht de sociaalhistorische, politieke en symbolische relatie tussen zwarte mensen in het huidige postkoloniale tijdperk. Tegelijk bekeek ze hoe digitale, institutionele en creatieve mediatechnologieën verbindingen tussen mensen mogelijk maken en beïnvloeden. Emma-Lee wilde weten hoe haar participanten collectieve identiteiten ontwikkelden en er betekenis aan gaven in het licht van sociale structuren die hen marginaliseren. Haar studie steunde op diepte-interviews waarin de geleefde ervaringen van zwarte personen centraal stond. Vanuit een zwart feministisch en dekoloniaal kennistheoretisch kader nodigde ze zwarte personen uit om hun eigen ervaringen tijdens de interviews kritisch en analytisch te benaderen. Op die manier wilde ze ook van het onderzoek zelf een collectief proces maken.
Gabriëlle de Pooter
Intimiteit op latere leeftijd:
het subversieve gebruik van plaats en ruimte door 50+-vrouwen
Participerende observatie, interviews en creatieve technieken
In 2021 startte Gabriëlle een doctoraatsonderzoek (vakgroep Talen en Culturen, UGent) als alumnus van de interuniversitaire master Gender en Diversiteit.
Gabriëlle gaat uit van de volgende onderzoeksvraag: op welke ‘tegendraadse’ manieren maken oudere heteroseksuele vrouwen gebruik van zogenaamde ‘onsexy’ ruimtes? Haar onderzoek staat op het kruispunt van gender, seksualiteit en leeftijd, en kijkt hoe deze sociale categorieën vorm krijgen in interactie met de fysieke ruimte. Haar probleemstelling stoelt op twee hiaten. Het eerste hiaat is inhoudelijk. Er is in de sociale geografie al sinds een tiental jaar aandacht voor seksualiteit, maar nog maar weinig vanuit een intersectioneel perspectief. Vooral het kruispunt van seksualiteit en oudere leeftijd is nog bijzonder weinig onderzocht. Bovendien hebben geografen in seksualiteitsstudies een voorkeur voor expliciet seksuele ruimtes, en blijven ‘onsexy’ ruimtes vaak buiten beeld. Door hun aanwezigheid worden ruimtes waarin oudere vrouwen vertoeven vaak vanzelf ‘onsexy’ en oninteressant bevonden voor onderzoek naar seksualiteit. Het tweede hiaat situeert zich op theoretisch gebied: hoewel het onderzoek van geografen steeds vaker bouwt op theorie rond materialiteit in plaats van sociale constructies, heeft het tot nu weinig gebruikgemaakt van feministische theorie rond materialiteit. Gabriëlle wil met haar studie bijdragen aan de theoretische wisselwerking tussen geografie en feministische theorieën over materialiteit. Ze gebruikt een etnografische onderzoeksmethodologie, met
participerende observatie, ‘niet-gestructureerde’ interviews en wandelinterviews.
Joke D’Heer
Berichtgeving over vrouwelijke politici in Vlaamse nieuwsmedia
Kwantitatieve inhoudsanalyse en diepte-interviews
Joke haalde een master in de Communicatiewetenschappen (UGent). In 2023 rondde ze haar doctoraat in datzelfde vakgebied af (UGent).
Joke onderzocht de berichtgeving in Vlaamse nieuwsmedia vanuit een intersectioneel feministisch perspectief. Haar onderzoek situeerde zich binnen de velden journalism studies en feminist media studies, en benaderde journalistiek als een cultureel product. De studie wilde in het bijzonder weten of en hoe nieuwsberichtgeving de dominante sociale ordes bestendigt en institutionele normen zoals witheid en mannelijkheid reflecteert. Jokes focus was drievoudig. Ze keek naar (1) de manier waarop deze normen tot uiting komen in journalistieke rapportering over vrouwelijke politici, (2) wat de ervaringen zijn van vrouwelijke politici, en (3) hoe politieke journalisten reflecteren over identiteit en hun eigen positie in berichtgeving. Ze deed dit aan de hand van kwantitatieve inhoudsanalyse en diepte-interviews. Doel was dieper te kijken dan tot dan toe in onderzoek gebeurde naar hoe identiteit onderhandeld wordt in nieuwsberichtgeving over vrouwelijke politici, terwijl ze ook rekening hield met verscheidene machtsfactoren. Het onderzoek had de politieke opzet om sociale normen die vrouwelijke politici benadelen bloot te leggen en aan te kaarten.
Irma Emmery Circulaire economie: zelfgeorganiseerde en duurzame circulaire praktijken
Interviews, participerende en gewone observatie, narratieve analyse, veldwerknotitieanalyse
Irma is alumnus van de master Gender en Diversiteit en begon een doctoraatstudie in 2020 aan het Centrum voor Duurzame Ontwikkeling (UGent).
Er wordt steeds meer ingezet op een zogenaamde ‘circulaire economie’ (CE), waarbij grondstoffen en energetische waarde (meer) in de kringloop worden gehouden om afval en verspilling tegen te gaan. Ook in wetenschappelijk onderzoek wordt CE algemeen gezien als een belangrijke strategie om de klimaatdoelstellingen te halen. Nochtans bekritiseert een groeiend aantal onderzoekers de blinde focus op energie-intensieve recycling en op ‘groene groei’ – het idee dat we onze economieën materieel ‘lichter’ kunnen maken, terwijl we economisch blijven ‘groeien’. Ecofeministische onderzoekers bijvoorbeeld wijzen
erop dat CE immers weinig of niets verandert aan de toenemende economische ongelijkheid en uitbuiting van mens en natuur waarop de kapitalistische economie is gestoeld. Bouwend op ecofeministische lenzen kijkt dit onderzoek naar alternatieve en écht duurzame circulaire praktijken die burgercollectieven en non-profitorganisaties vandaag al naar voren schuiven. Deze initiatieven zijn immers nog relatief weinig onderzocht. Irma gebruikt kwalitatieve interviews alsook participerende en gewone observatie in coöperatieven. Haar analyse van de interviews, veldnotities en fotomateriaal ontrafelt de theories of change in de verhalen van de participanten, waarin zorgwerk, decommodificatie, sociale rechtvaardigheid en herverdeling centraal staan.
Eline Huygens
De geleefde ervaringen van jonge katholieke vrouwen
Interviews en participerende observatie
Eline behaalde in 2023 haar doctoraat aan het Onderzoekscentrum voor Cultuur en Gender (UGent), met al een MA Geschiedenis en een MA Conflict and Development op zak, beide behaald aan de UGent.
Eline onderzocht hoe (jonge) rooms-katholieke vrouwen hun weg zoeken tussen religieuze tradities, gebruiken en voorschriften enerzijds, en de seculiere samenleving anderzijds. Ze onderzocht in het bijzonder hoe religieuze overtuigingen en aspiraties invloed hebben op de interpretaties, ervaringen en praktijken van deze vrouwen met betrekking tot liefde, intieme relaties en seksualiteit. Daarmee vult ze een belangrijk hiaat in seksualiteitsstudies, waar religie vaak onderbelicht is, én in religiestudies, waar doorgaans weinig aandacht is voor seksualiteit. Haar studie situeerde zich in het onderzoeksveld van gender en religie, en vertrok vanuit een theoretisch en methodologisch perspectief op geleefde religie, i.e. hoe religiositeit in het leven van alledag wordt beleefd. Ze werkte met etnografische interviews bij vrouwen die zich als katholiek identificeren en actief zijn in de katholieke kerk in Vlaanderen/België. Ze maakte gebruik van feministische theorie, genderstudies en religiestudies om de geleefde realiteit van deze katholieke vrouwen te theoretiseren. Op die manier trachtte ze met dit project de vele creatieve en soms tegenstrijdige manieren waarop de agency van deze vrouwen zich manifesteert, te ontrafelen. Met haar studie formuleerde ze eveneens een kritiek op de heersende dominante (seculiere) vertogen over intieme relaties en seksualiteit.
Sibo Kanobana
Taalpolitiek in tewerkstelling van beveiligingsmedewerkers in Brussel
Etnografie (participerende observatie, interviews en formele conversaties)
Sibo rondde in 2022 zijn doctoraat af aan de vakgroep Vertalen, Tolken & Communicatie (UGent). Hij haalde eerder een master in de Vergelijkende Cultuurwetenschappen (UGent).
Sibo focuste op het verband tussen de tweetaligheidsvereiste en raciale ongelijkheid op de Brusselse arbeidsmarkt, en in het bijzonder in beveiligingswerk in het openbaar vervoer. Daarmee bevond zijn studie zich op het kruispunt van critical race studies en de sociolinguïstiek van taal, ‘ras’ en werk. Hij deed achttien maanden etnografisch veldwerk, met participerende observatie onder beveiligingsmedewerkers in opleiding en op het werk in metrostations in Brussel, en interviews en formele gesprekken met managers, trainers en trainees. Kandidaten voor de functie zijn overwegend mannen van kleur, met een goede kennis van het Frans, maar weinig of geen taalvaardigheid in het Nederlands. Sibo onderzocht het spanningsveld tussen de vereiste kennis van het Nederlands en de hoge investeringen die daarmee gepaard gaan voor werkzoekenden, werkgevers en overheid (de opleiding houdt bijvoorbeeld vijftien weken voltijdse lessen Nederlands in), en de nagenoeg afwezigheid van het Nederlands op de werkvloer. Tweetaligheid lijkt hier te worden ingezet om de raciale ongelijkheid op de arbeidsmarkt te wettigen. De studie van Sibo beschreef hoe de betrokken mannen door deze structuren navigeren. Zo vond hij dat ze Nederlands-Franse tweetaligheid gebruiken om de spanning te overbruggen tussen hun positie als geracialiseerde en gecriminaliseerde minderheid, en hun ambitie legitieme, tweetalige bewakers van de sociale orde te worden.
Amal Miri
Huwelijksmigratie, moederschap en integratie
Etnografisch onderzoek en actieonderzoek
Amal Miri verdedigde in 2021 haar doctoraat in de Gender en Diversiteitstudies (UGent). Ervoor haalde ze een master in de Sociologie (UAntwerpen).
Migrantenvrouwen worden in de context van huwelijksmigratie vaak beschouwd als passieve slachtoffers die gered, versterkt of onderwezen moeten worden. In het publieke debat in Vlaanderen wordt vaak geïnsinueerd dat ze door hun echtgenoten, familie en/of religie worden tegengehouden of beperkt om te integreren en deel te nemen aan (reguliere) inburgering en cursussen Nederlands. Hun persoonlijke keuzes om moeder te worden, worden vaak als extra belemmering beschouwd in hun inburgeringstraject. Amal merkte op dat
de ervaringen van die vrouwen in migratiestudies al te vaak zijn genegeerd. Ze wilde deze kennislacune opvullen door enerzijds de gegenderde representaties en beleidsvisies over huwelijksmigratie te bestuderen, en anderzijds geleefde ervaringen en verlangens van vrouwen te documenteren, met een bijzondere aandacht voor hun affectieve betrokkenheid als moeders. Door middel van participatieve methoden en diepte-interviews onderzocht ze hoe Marokkaanse migrantenvrouwen vroeger en nu door de sociale en institutionele structuren navigeren. Zo deed ze bijvoorbeeld diepte-interviews en groepsgesprekken met recent aangekomen Marokkaanse migrantenmoeders in het kader van hun deelname aan een lokaal inburgeringsprogramma, en met eerstegeneratiemoeders van Marokkaanse komaf na collectieve vertoningen van de documentaire Toen Ma naar Mars vertrok.
Hannelore Van Bavel
Koloniale continuïteiten in discoursen rond ‘vrouwelijke genitale verminking’
Etnografie (participatieve observatie, diepte-interviews en archiefonderzoek)
Hannelore is een alumnus van de interuniversitaire master Gender en Diversiteit, en haalde daarvoor een master in de Sociologie (UGent). Ze rondde in 2020 een doctoraat af aan de vakgroep Anthropology and Sociology aan het SOAS, University of London.
Hannelore onderzocht verhalen omtrent zogenaamde ‘vrouwelijke genitale verminking’ (VGV). Ze legde de veranderingen in de loop van de voorbije eeuw bloot in de anti-VGV-campagne, en had in het bijzonder aandacht voor hoe koloniale verhoudingen daarin worden bestendigd. Ze onderzocht wie vorm kon geven aan het VGV-discours, wiens stemmen worden genegeerd, en wat de gevolgen daarvan zijn. Met het concept traveling theory (Said, 1983), richtte Hannelore zich niet alleen op de vraag welke stemmen weggelaten worden, maar vooral ook op hoe ze weggelaten worden. Bovendien stelde ze zich de vraag wat er gebeurt wanneer we die stemmen wel insluiten. De geografische focus van haar onderzoek was Kenia, en was gebaseerd enerzijds op archiefonderzoek naar documenten van Britse kolonialisten en missionarissen, en anderzijds op participerende observatie bij anti-VGV-organisaties, internationale conferenties, en bij Keniaanse gemeenschappen die vrouwenbesnijdenis praktiseren.