Skip to main content

9789401495578

Page 1

ANTON HOREWEG

Gedragsproblemen in de klas Basiswerk voor preventief werken met jongeren


Gedragsproblemen in de klas, volledig herziene editie 2024 D/2024/45/111 – 978 94 014 9557 8 – nur 840 Vormgeving cover: Margo Togni Vormgeving binnenwerk: Crius Group © Anton Horeweg & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2024 Uitgeverij LannooCampus maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag verveelvoudigd worden en/of openbaar gemaakt, door middel van druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Uitgeverij LannooCampus Vaartkom 41 bus Postbus 23202 3000 Leuven 1100 DS Amsterdam België Nederland www.lannoocampus.com


DISCLAIMER VAN DE AUTEUR Een boek over gedragsproblemen en stoornissen. Daardoor is dit boek op het eerste gezicht misschien niet wat het lijkt, want het gaat eigenlijk over de leraar en zijn handelen. Het woord ‘stoornis’ zit verweven in ons taalgebruik. Veel mensen zijn daar niet blij mee. Ze willen af van een onnodig stigma en bedachten de term ‘neurodiversiteit’. Dat begrip heeft nog geen eenduidige inhoud en of je die diversiteit zoals met het woord bedoeld wordt kunt duiden, is maar de vraag. Bovendien kan uiteindelijk ook dit woord een negatieve connotatie krijgen. Het woord ‘stoornis’ vertelt over een verstoorde ontwikkeling in vergelijking met anderen. Het gedrag van de leerling wijkt sterk af van wat ‘we’ de norm vinden, bovendien belemmert het gedrag de leerling in zijn dagelijks leven. Deze norm is bedacht door de maatschappij en verandert altijd. Je zou door de groepering rond stoornissen kunnen veronderstellen dat dit boek de leerling tekortdoet. Het gaat immers niet meer over de leerling, maar de leerling in vergelijking met anderen en dat doet geen recht aan het individu. Ik heb hiermee geworsteld en doe dat nog. Waar het mij namelijk om gaat, is dat leraren leerlingen helpen een fijne, leerzame schooltijd te hebben. Dat wil ik voor alle leerlingen. Het gebruik van termen als ‘stoornis’ zet kinderen echter in een apart hokje. Dat zou niet erg zijn als we er positief mee omgingen (we denken immers allemaal in hokjes, zo krijgen we grip op de wereld). De praktijk wijst echter nogal eens iets anders uit. We vergelijken leerlingen dus constant met anderen. Als we dat proberen minder te doen en meer te kijken naar welke onderwijsbehoefte of begeleidingsvraag deze leerling heeft, is het woord ‘stoornis’ of het woord ‘neurodiversiteit’ wellicht overbodig. In al mijn boeken leg ik uit dat de omgeving iets moet doen, laten of aanpassen, om alle leerlingen tot leren te brengen. Op school is ‘de omgeving’ meestal de leraar. Die kijkt samen met de leerling wat helpend kan zijn. Voor de volledigheid, daarbij moet je de beperkingen van ons onderwijs voor lief nemen. Er is te weinig geld en er zijn te weinig docenten. Misschien


6

GEDR AGSPROBLEMEN IN DE KL A S

moet de organisatievorm anders of moeten we het curriculum veranderen. Wellicht moet het hele onderwijs anders, maar je hebt die leerling nu in de klas en je moet hem nu lesgeven. Het enige wat je kunt (en moet) doen, is een belangrijke opgave: Je moet reflecteren op je eigen handelen, je moet in gesprek met leerlingen (en ouders), je moet samen kijken wat nodig is en de voorwaarden scheppen die binnen jouw mogelijkheden of die van de school mogelijk zijn. Als je dat doet, kijk je voorbij aan ‘de stoornissen’ en zie je de leerling. De handreiking in dit boek, die nog gegroepeerd zijn als ‘stoornissen’, worden dan denkrichtingen en dat was altijd al het doel. En de leerling? Die wordt weer gewoon een jongere en ook dat was altijd al het doel.


INHOUD Voorwoord

13

Inleiding: Gedragsproblemen in de klas

15

Hoofdstuk 1: Gedragsproblemen in de klas

21

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 1.8

Probleemgedrag 22 De rol van de leraar 28 Andere preventieve maatregelen 36 Als er tóch gedragsproblemen voorkomen 48 Het probleemgedrag is hardnekkig. Wat kan ik nu nog proberen? 61 Straffen 62 Het probleemgedrag is ‘onoplosbaar’ 64 Samenvatting 65

Hoofdstuk 2: adhd 67 2.1

2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

adhd bestaat niet. Of toch wel? De maatschappelijke discussie in vogelvlucht Comorbiditeit De overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs (secundair onderwijs) Wat kun je doen in je klas? adhd en leren adhd en verslaving Samenvatting: wat kun je doen?

67 78 80 84 91 99 100


8

GEDR AGSPROBLEMEN IN DE KL A S

Hoofdstuk 3: add : aandachtstekort zonder hyperactiviteit (adhd-presentatie overwegend onoplettend)

103

Hoofdstuk 4: Autismespectrumstoornis (ass)

123

Hoofdstuk 5: Oppositionele stoornis en gedragsstoornis

163

Hoofdstuk 6: Problematische gehechtheid

185

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

add en dsm-5 Wat kun je doen in je klas? add en leren add en middelengebruik Samenvatting

Kenmerken Wat kun je doen in je klas? Autismevriendelijk en toch gaat het nog (regelmatig) mis Gameverslaving Samenvatting

103 111 114 119 120

123 134 155 158 159

Kenmerken van odd 164 Comorbiditeit 166 Risicofactoren 166 Kenmerken van cd (conduct disorder of gedragsstoornis) 169 Wat kun je doen in je klas? 171 Conflicten 177 Gevolgen 179 Verwijzen en externe hulp 182 Samenvatting 183

Gehechtheid en problematische gehechtheid Wat zie je in de klas? Wat kun je doen in je klas? Uitspelen van school en thuis Aanpak binnen de school Samenvatting

185 192 195 206 207 207


Inhoud 9

Hoofdstuk 7: Aces en trauma’s

209

7.4 7.5 7.6 7.7

213 214 216 227 228

7.1 7.2 7.3

Kenmerken Wat zie je in de klas? Waarom is het belangrijk traumagerelateerd gedrag te onderkennen? Wat kun je doen in je klas? Kindermishandeling Valkuilen Samenvatting

209 211

Hoofdstuk 8: Angst- en stemmingsstoornissen

231

Hoofdstuk 9: Faalangst

255

8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6 8.7 8.8

9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 9.6 9.7 9.8

Angststoornissen Sociale fobie Selectief mutisme Gegeneraliseerde angststoornis Obsessief-compulsieve stoornis (of ocs) Posttraumatische stressstoornis (ptss) Depressie bij jongeren Samenvatting

Kenmerken Twee soorten cognitieve negatieve faalangst Oorzaken Wat bedenken deze leerlingen allemaal? Wat zie je in de klas? Gedragsproblemen door faalangst Wat kun je doen in je klas? Samenvatting

232 235 238 241 243 246 246 253

255 258 259 261 261 263 264 270

Hoofdstuk 10: Syndroom van Gilles de la Tourette 273 10.1 10.2 10.3 10.4 10.5

Kenmerken Wat zie je in de klas? Wat kun je doen in je klas? Tourette of gedragsprobleem? Samenvatting

273 277 279 284 285


10

GEDR AGSPROBLEMEN IN DE KL A S

Hoofdstuk 11: dcd (Developmental Coordination Disorder) 11.1 11.2 11.3 11.4 11.5 11.6 11.7

Kenmerken Comorbiditeit Wat zie je in de klas? Gevolgen op sociaal en emotioneel gebied Wat kun je doen in je klas? Huiswerk Samenvatting

287

288 290 291 294 295 299 299

Hoofdstuk 12: nld (Non-verbal Learning Disability) 301 12.1 12.2 12.3 12.4 12.5

Kenmerken Wat zie je in de klas? Wat kun je doen in je klas? Samenwerken met ouders Samenvatting

301 303 305 311 312

Hoofdstuk 13: Hoogbegaafdheid en probleemgedrag

315

Hoofdstuk 14: Agressie

333

13.1 13.2 13.3 13.4 13.5 13.6 13.7

14.1 14.2 14.3 14.4 14.5 14.6

Kenmerken Dubbel bijzonder Sociale en emotionele ontwikkeling Wat zie je in de klas? Profielen van begaafdheid Wat kun je doen in de klas? Samenvatting

Kenmerken Oorzaken Soorten agressie Wat kun je doen in je klas? Relationele agressie Samenvatting

316 318 322 323 326 328 330

333 334 338 341 349 355


Inhoud 11

Hoofdstuk 15: Pestgedrag

357

Hoofdstuk 16: TOS: Taalontwikkelingsstoornis

379

Hoofdstuk 17: Leerlingen uit de binnensteden en straatcultuur in je klas

389

15.1 Kenmerken 15.2 Een aantal feiten 15.3 Oorzaken 15.4 Vormen van pesten 15.5 Een hardnekkig probleem 15.6 Pesten nader uitgelegd: de rollen 15.7 Wat zie je in de klas? 15.8 Wat kan (moet) de school doen? 15.9 Wat kun je doen in je klas? 15.10 Antipestprogramma’s 15.11 Samenvatting

16.1 16.2 16.3 16.4 16.5 16.6 16.7 16.8 16.9

17.1 17.2 17.3 17.4 17.5 17.6

Prevalentie Comorbiditeit Signalering Wat zie je in de klas? Hulp nodig, maar er niet om kunnen vragen Motivatie Wat je niet moet doen in de klas Wat kun je doen in de klas? Samenvatting

Hoe ontstaat het: wat gebeurt er buiten je klas? Wat zie je in de klas? Wat kun je doen in de klas? Conflicten Taalgebruik Samenvatting

358 359 360 363 369 369 370 371 372 376 377

380 380 380 381 383 383 384 384 387

391 392 393 398 399 400


12

GEDR AGSPROBLEMEN IN DE KL A S

Hoofdstuk 18: Executieve functies

401

Eindnoten

417

Literatuur

467

Register

477

18.1 18.2 18.3 18.4 18.5 18.6

Kenmerken Hoe ontwikkelen executieve functies zich? Wat zie je in de klas? Wat kun je doen in de klas? Tot slot Samenvatting

402 402 405 413 414 414


VOORWOORD

Waarde lezer, Als u dit leest heeft u mogelijk het boek Gedragsproblemen in de klas van Anton Horeweg op internet al gekocht, staat u lekker ouderwets in een boekwinkel in het boek te bladeren of heeft u het net opgepakt van de leestafel op school. In alle gevallen wil ik u van harte uitnodigen om het boek ook echt te gaan lezen. Het is zeer de moeite waard! Ik word regelmatig benaderd door uitgevers en auteurs met de vraag of ik een voorwoord of pakkende, uitnodigende oneliner wil schrijven bij een nieuw boek. Vaak bedank ik daarvoor beleefd, maar in dit geval heb ik eigenlijk direct toegezegd daar graag op in te willen gaan. Niet alleen omdat ik de auteur ken en zijn grote inzet voor en bijdragen aan de professionele ontwikkeling van leraren bijzonder waardeer, maar vooral ook omdat het boek de leraren (en andere professionals) in het voortgezet onderwijs direct aanspreekt en ondersteunt. Juist het voortgezet onderwijs wordt in de vakliteratuur over het pedagogisch en didactisch handelen van de leraar, over leerlingenzorg, speciale onderwijszorg en passend en inclusief onderwijs slecht bediend. Ik verwacht daarom dat het boek in een grote behoefte voorziet. Ik zei het hiervoor al, het is goed dat het boek er is. Ik vind bovendien dat het boek biedt wat de schrijver belooft. Het is vlot en duidelijk geschreven vanuit een goed format en richt zich op toepassing van kennis en ervaring voor de onderwijspraktijk en de leraar in het bijzonder. Bovendien is de gebruikswaarde voor de klassenpraktijk groot zonder dat het geheel verworden is tot een receptenboek. Tijdens het lezen wordt de lezer, direct en indirect, aangezet om na te denken over het eigen handelen en over zijn of haar rol als leraar en pedagoog. Zeker, de schrijver had ook andere wegen kunnen bewandelen door bijvoorbeeld nog uitgebreider in te gaan op manieren om gedragsvraagstukken in de klas en daarmee samenhangende handelingsverlegenheid van leerkrachten te analyseren of op de wijzen waarop ondersteuning voor leren en onderwijzen leraren kan helpen bij hun professionele ontwikkeling.


14

GEDR AGSPROBLEMEN IN DE KL A S

Maar je kunt niet alles in één boek optekenen en door in te gaan op nog meer onderwerpen zou je het doel wel eens voorbij kunnen schieten. Ik ben zeer gelukkig met de gemaakte keuzen en beveel het boek dan ook van harte aan. Niet alleen voor zittende leerkrachten in het voortgezet onderwijs, maar eveneens voor leraren in opleiding en hun opleiders. Het boek biedt toegevoegde waarde voor (aankomende) leraren die geconfronteerd worden met en zich (verder) willen verdiepen in gedragsvraagstukken in het voortgezet onderwijs en het realiseren van meer inclusieve leeromgevingen. Het boek blijft ook smaken naar meer en de schrijver kennende gaat dat er vast van komen. Juist in deze tijd, waarin van scholen voor voortgezet onderwijs verdere zorgverbreding wordt gevraagd nu de landelijke overheid inzet op het toewerken naar inclusief onderwijs, zijn goede publicaties die bijdragen aan inzicht en vakmanschap van groot belang. Prof. drs. Dolf van Veen Nederlands Centrum Onderwijs en Jeugdzorg Platform Naar Inclusiever Onderwijs


INLEIDING

GEDRAGSPROBLEMEN IN DE KLAS

‘Je ontdekt dat er altijd wel íets werkt, maar niets altijd.’

Passend onderwijs. We zijn er al een aantal jaren aan bezig. Hoewel we met zijn allen regelmatig worstelen met ‘hoe passend onderwijs vorm te geven’ gaan er ook zaken goed. Zo zijn veel collega’s zich gaan verdiepen in de achtergronden van hun leerlingen. Zo blijken sommige leerlingen een ontwikkelingsstoornis te hebben, of zoals je steeds vaker kunt lezen: er blijkt sprake te zijn van neurodiversiteit. Het kan ook zijn dat de leerling een gedragsprobleem heeft. 16% van de jongeren in het basisonderwijs (en 18% in het vo) heeft zo’n probleem.1 Je krijgt hoe dan ook te maken met het gedrag van de leerling. Wachten met handelen tot er een eventuele diagnose is gesteld, is niet zinvol. Leraren hebben de taak om met hun vakmanschap en alle (soms helaas beperkte) middelen, een zo optimaal mogelijke leeromgeving te scheppen. Dat is geen geringe opgave, omdat een leraar in het voortgezet onderwijs de leerlingen natuurlijk niet de hele dag in de klas heeft. Noodgedwongen moet de leraar in het voortgezet onderwijs soms zaken overlaten aan de mentor (klastitularis), leerlingbegeleider of zorgcoördinator. Toch heb je als leraar die leerling in jouw klas. Dit boek reikt daarom kennis aan om vast zelf aan de slag te gaan. Kennis over wat adolescenten beweegt die niet het vermogen hebben rustig naar je les te luisteren (vaak in letterlijke zin). Wat ze missen, wat ze nodig hebben. En hoe de school, de zorgcoördinator, de leerlingbegeleider, de mentor en natuurlijk de leraren kunnen handelen om leerlingen die het lastig hebben, te ondersteunen. De bevindingen in dit boek zijn gebaseerd op uitgebreide (wetenschappelijke) bronnen en good practice uit de klassenpraktijk. Om te bekijken of het


16

GEDR AGSPROBLEMEN IN DE KL A S

boek aansloot bij de dagelijkse praktijk lazen bij de oorspronkelijke uitgave een zestal collega’s uit het secundair onderwijs mee als critical friends. Ik denk dat dit boek absoluut een bijdrage kan leveren aan het beter ondersteunen van (neurodiverse) adolescenten bij wie het leren niet altijd vanzelf gaat. De leerlingen die niet stil kunnen zitten, de leerlingen die eigenlijk niets durven, de leerlingen die zo hun best doen, maar toch niet voor elkaar krijgen wat er gevraagd wordt. De leerlingen van wie na verloop van tijd wordt gezegd dat ze ‘lui, ongemotiveerd en opstandig’ zijn. Vaak blijkt er achter dat gedrag gewoon een onzekere, aan zichzelf twijfelende jongere te zitten, die zich vertwijfeld afvraagt waarom de dingen op school zo hopeloos misgaan. Een leraar die dat begrijpt, kan veel bereiken bij deze leerlingen. Om les te kunnen blijven geven in een klas waarin (misschien wel steeds meer) zorgleerlingen zitten die de nodige ondersteuning behoeven, is dit boek geschreven. ‘Wat kan ik doen in de klas?’ is de kernvraag die iedere leraar zich wel eens stelt. Dit boek geeft je antwoorden op die vraag. Antwoorden die je morgen in je klas kunt gebruiken. Helder uitgelegd, geschreven op de dagelijkse klassenpraktijk. Dit herziene boek staat wederom vol praktische handreikingen waarmee je morgen al van start kunt gaan. Over dit boek In het eerste hoofdstuk wordt het verschil tussen een gedragsprobleem en een ontwikkelingsstoornis uitgelegd (tegenwoordig wordt overigens steeds vaker gesproken van ‘neurodiversiteit’). Er wordt ingegaan op het belang van een preventieve aanpak en hoe je die dan in je klas praktisch vorm kunt geven. Er wordt een duidelijk appel gedaan op leraarvaardigheden. De leraar maakt het verschil; niet alleen bij leren, maar ook bij (het voorkomen van) ‘lastig’ gedrag. De kern van dit boek is dan ook het eerste hoofdstuk, dat geheel ingaat op preventief werken. In de andere hoofdstukken komen diverse ontwikkelingsstoornissen aan bod. Elk hoofdstuk is verdeeld in handige stukjes, die snel zoeken mogelijk maken. Om er een aantal te noemen: Wat zijn de kenmerken van deze stoornis? Hoe vaak komt de stoornis voor? Wat zie je in de klas? En een heel belangrijke: wat kun je doen in de klas? In elk hoofdstuk krijg je handreikingen en ideeën over wat je zou kunnen doen om leerlingen te ondersteunen die met problemen kampen. Want die ondersteuning is vaak hard nodig. Daarmee schep je ook voor deze leerlingen de mogelijkheid om gewoon te


INLEIDING 17

leren en hun mogelijkheden te benutten. Besef dat er niet één juiste aanpak is en dat effectiviteit afhangt van veel factoren. In dit boek spreek ik over adolescenten. Ik gebruik hierbij de beschrijving zoals Jelle Jolles die noemt in zijn publicaties.2

Vroege adolescentie: van 10 tot 12 à 14 jaar Midden-adolescentie: van ongeveer 14 tot ongeveer 16 jaar Late adolescentie: van ongeveer 16 tot ongeveer 20-22 jaar Bijna-volwassenheid: van 18 tot 22 à 25 jaar

Achtergronden van dit boek ‘Val niet te snel in clichés over wat leerlingen met een ontwikkelingsstoornis wel of niet kunnen, maar onderschat de impact die een ontwikkelingsstoornis kan hebben ook niet. Je helpt een leerling niet vooruit door te doen alsof de diagnose niet bestaat.’

Al meer dan een decennium is er in Nederland een discussie over diagnoses, stigma’s en ‘etiketdenken’. Een groep wetenschappers zegt een trend te signaleren: er worden steeds meer diagnoses gesteld. ‘Het lijkt wel of iedereen tegenwoordig een stoornis heeft.’ Zij willen het ‘stoornisdenken’ doorbreken. Zij pleiten voor accepteren van neurodiversiteit: ‘Je mag best afwijken van het gemiddelde, dat is geen stoornis.’ ‘Mensen zijn bovendien te ingewikkeld om in psychische labels te vatten.’3 ‘Veel jongeren met een zogenaamde stoornis zijn gewoon druk, jongensachtig of een “vroege leerling”.’4,5 Bovendien, zeggen deze wetenschappers, een stoornis zegt niets over de oorzaak. Het is een rij kenmerken die bij elkaar wordt genomen en een naam krijgt. Een naam die soms verandert (mbd, hyperkinetisch syndroom, adhd), net als de kenmerken. Kenmerken die bovendien vastgesteld worden in grote groepen en nog niets zeggen over het individu: in dit geval de leerling in jouw klas. Lijnrecht tegenover hen staat een groep andere wetenschappers: zij vinden dat er wel degelijk wat met de genoemde jongeren aan de hand is. Een diagnose helpt en verheldert. Deze leerling is niet vervelend, hij is niet onopgevoed; er is wel degelijk sprake van een (ontwikkelings)stoornis.


18

GEDR AGSPROBLEMEN IN DE KL A S

Hoe je ook denkt over deze twee uitersten (wellicht ligt ook hier de waarheid in het midden), je hebt leerlingen in de klas die niet vanzelf hun schoolloopbaan volbrengen. Voorheen ging een aantal van hen naar het vso. Vandaag de dag krijg je een flink aantal van die leerlingen in je klas. Het speciaal onderwijs mag niet groeien. In Vlaanderen werd het M-Decreet van kracht (sinds schooljaar 2023-2024 Decreet Leersteun6). In Nederland werd de Wet Passend Onderwijs van kracht. Beide zijn bedoeld om leerlingen extra ondersteuning te geven binnen het regulier onderwijs. En dat brengt ons bij een tweede discussie. Ook deze discussie wordt al een aantal jaren gevoerd. Scholen zijn niet toegerust om leerlingen die extra zorg nodig hebben, passend te bedienen. Leraren ook niet. Tegenover degenen die deze stelling aanhangen, staan degenen die vinden dat leraren als bevlogen professionals dat best kunnen. Als ze maar de kennis aangereikt krijgen die nodig is. Dat er kennis nodig is, daar zijn beide kampen het over eens. Er is meer kennis nodig om leerlingen te begeleiden die extra zorg nodig hebben. Maar dan wel praktische kennis. Kennis om zelf aan de slag te kunnen gaan in je klas. Kennis om kritisch naar je eigen gedrag te kijken. Kennis om te (leren) kijken naar wat leerlingen nodig hebben. In dit boek worden weliswaar veel stoornissen beschreven, maar het laat vooral zien hoe je een ondersteunende leeromgeving kunt scheppen door als leraar je gedrag, je werkwijze of soms je lokaalopstelling aan te passen. Gedrag ontstaat immers in interactie en in een bepaalde context. Met dit boek kun je die interactie en die context optimaliseren. De stoornissen zijn slechts een manier om zaken te ordenen. Je moet als leraar of leerlingbegeleider altijd kijken naar de jongere, en zijn gedrag. Vraag je steeds af: ‘Wat is hier aan de hand?’ en nog beter: praat erover met die jongeren. Want een diagnose of (nog) niet, je moet als leraar, mentor of leerlingbegeleider zorgen dat jouw leerlingen zo optimaal mogelijk door jou begeleid worden. Kan dat dan eenvoudig met dit boek? Ja en nee. Het goede nieuws is dat je in dit boek veel mogelijke handreikingen kunt vinden. Het slechte nieuws is dat ‘de leerling’ niet bestaat. Ook niet als hij adhd, odd, ass, tos, of welke stoornis dan ook heeft. Trouwens, ‘de’ leraar bestaat ook niet. Sommige handreikingen zullen dus niet passen bij iedere leerling en iedere leerlingondersteuner, mentor of leraar. Omgaan met gedragsproblemen is altijd maatwerk, want geen leerling en leraar zijn hetzelfde. Dit boek is dus geen receptenboek met panklare oplossingen.


INLEIDING 19

Mijn uitnodiging is: kijk verder; zie de leerling achter het gedrag. Zie de bedoeling achter het gedrag. Ga uit van wat wel kan. Probeer planmatig te kijken naar ‘moeilijk’ gedrag en zet vooral in op preventie. Sociaal-emotioneel leren (sel), groepsvorming, inzetten op relatie en in gesprek gaan zijn stuk voor stuk sterke bouwstenen om problemen voor te zijn. En bedenk dat werken aan gedrag een lange adem vergt. Gedrag verandert nu eenmaal niet een-twee-drie. Adolescenten hebben het vaak moeilijk, neurodiverse adolescenten of adolescenten met ‘gedragsproblemen’ hebben het dubbel moeilijk. Hun gedrag kan je ergeren, maar blijf beseffen dat het maar gedrag is. Achter het gedrag vind je de jongere die ondersteuning nodig heeft. Ik denk dat dit boek je daarbij kan helpen. Ten slotte nog een opmerking over de terminologie in dit boek: voor de leesbaarheid heb ik over het algemeen gekozen voor het woord ‘gedragsproblemen’. Dat is kort door de bocht. Daarvoor mijn excuses. Het is een (onbeholpen) poging een woord te gebruiken dat alle problemen aanduidt waar je in de klas tegen aan kunt lopen. Als leerling en als docent. Uiteraard zegt het woord niets over schuld! Ik sluit graag af met de volgende quote: ‘Elke leerling is uniek, ook al heeft zijn probleem een algemene naam.’


1

Gedragsproblemen in de klas

Gedragsproblemen … Daar heeft iedereen een eigen definitie voor. Het is een beladen woord. Sommige mensen spreken liever van ontwikkelingskansen, gedragsuitdagingen of signaalgedrag. Hoe je het ook wilt noemen: eigenlijk komt het erop neer dat leerlingen niet doen wat jij als leraar graag wilt. De verschijningsvormen van gedragsproblemen zijn even divers als er leerlingen (of leraren) zijn. Iedere docent kent zijn eigen voorbeelden. Sommige gedrags-‘problemen’ zijn zelfs geen ‘gedrags’-problemen. Soms worden de problemen door een beperking (stoornis) veroorzaakt, soms door (het gedrag van) de leraar. In de beleving van veel leraren neemt het probleemgedrag sinds de Wet Passend onderwijs en in Vlaanderen het M-decreet/Decreet Leersteun, in het algemeen wel toe.1 In een onderzoek in Vlaanderen bleek dat leraren de ondersteuningsteams (CLB’s) over het algemeen goed vonden werken (ruim 63% was tevreden), maar veel leraren hebben grote moeite met leerlingen met gedragsproblemen.2 In Nederland zijn leerlingen tussen de 10 en 18 jaar tevreden over het passend onderwijs3, ouders zijn minder tevreden4 en leraren vinden dat ze, net als de leraren in Vlaanderen, beter toegerust moeten worden.5 In dit hoofdstuk kijk ik allereerst naar het verschil tussen een gedragsprobleem en een ontwikkelingsstoornis (tegenwoordig vaker aangeduid als ‘neurodiversiteit’). In probleemgedrag is een tweedeling te maken die uitermate belangrijk is. Vooral omdat niet elk soort probleemgedrag meteen als zodanig herkend wordt. Vervolgens bekijk ik hoe je preventief bezig kunt zijn om probleemgedrag te voorkomen. De leraar kan een grote rol spelen in


22

GEDR AGSPROBLEMEN IN DE KL A S

het voorkomen van probleemgedrag. Hiervoor kan hij zeer zeker het begin van het schooljaar benutten en gebruikmaken van de groepsdynamica. Dit is de eerste drie klassen van het vo goed te doen, daarna wordt dat erg moeilijk, omdat de klassen 4 tot en met 6 vaak stamklassen zijn voor Nederlands, Engels en gym. Voor andere vakken wisselen de groepen meestal sterk doordat de samenstelling afhankelijk is van het vakkenpakket. Overigens kan het voor die stamklassen wel lonen als er ingezet wordt op groepsvorming. Uiteraard komt er toch nog wel eens probleemgedrag voor. In dit hoofdstuk wordt je een aantal instrumenten aangereikt om probleemgedrag zo objectief mogelijk in kaart te brengen en er volgens plan mee aan het werk te gaan om het gedrag om te buigen in ‘goed’ gedrag. Dat is uitermate belangrijk omdat het juiste gedrag kunnen laten zien voorwaarde is om tot leren te komen in de klas.

1.1

Probleemgedrag

1.1.1

Wat is het verschil tussen een gedragsprobleem en een ontwikkelingsstoornis?

Het verschil tussen een gedragsprobleem en een ontwikkelingsstoornis is belangrijk. Dat is zo belangrijk omdat je niet op beide evenveel invloed hebt. Als je bijvoorbeeld een leerling met adhd in je klas wilt veranderen in een leerling die lekker een uurtje naar je kan luisteren, dan kom je waarschijnlijk bedrogen uit. Je kunt een leerling met de stoornis adhd best wat dingen leren, maar dit waarschijnlijk niet. Stoornis: met (de aanleg van) een stoornis word je geboren. Men spreekt soms van een in aanleg aanwezige genetische kwetsbaarheid, wat aangeeft dat die kwetsbaarheid onder invloed van de omgeving al of niet heviger tot uiting komt. De problemen houden langere tijd aan (vaak staat er in de dsm-56 een ‘voorgeschreven’ periode waarin de symptomen van een stoornis voorkomen en waaraan ten minste moet worden voldaan). Vaak zijn er meerdere problemen tegelijkertijd, die bovendien leiden tot ernstige beperkingen in sociaal functioneren thuis, op school of op het werk. Een stoornis is vaak permanent. Wel kun je proberen de beperkingen ervan te verminderen. Zo kan de omgeving de stoornis wel degelijk verergeren.7 Het goede nieuws is dat je met kleine aanpassingen veel kunt doen.


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401495578 by Uitgeverij Lannoo - Issuu