titelpagina wordt nog opgemaakt op basis van cover
Inhoud Prelude
7
1–
Esterházy
13
2–
Maria Theresia
3–
De kaart
4–
Maximiliaan Frans
5–
Henriette
6–
Jozef II
1778-1779
151
7–
Molly
1779-1787
197
8–
Flore
1788-1794
227
9–
Adrienne
De zoektocht naar het verleden 1736-1763
79
1763-1773
1776-1777
1794-1814
Verantwoording Bronnen Beeldverantwoording Eindnoten Register
45
1774-1775
111 115
271
289 291 301 303 335
– 1 –
Esterházy De zoektocht naar het verleden
Joseph Jean François de Ferraris, J.J.F. voor de eenvoud, dook niet op uit het niets. De generaties die hem voorafgingen, bewogen zich in de coulissen van de macropolitiek. Hierdoor rest weinig feitelijke kennis over zijn verre voorouders. Dat is niet ongewoon, maar het maakt de zoektocht naar zijn verleden moeilijk en ondoorzichtig. Wie een familiegeschiedenis wil opstellen, raakt al snel verstrikt in een reeks namen. Het verleden verengt zich tot een stamboom van voorouders met namen, zonder dat de mensen die ze droegen tot leven komen. Daarvoor ontbreken doorgaans de bronnen. Toch was dit soort informatie voor het leven van een aristocraat van essentieel belang. De al dan niet ingebeelde schim van het geboorterecht verhief je boven een ander. Hoe meer adellijke kwartieren je kon voorleggen, des te groter de kans op een voorspoedig leven. Voor een simpele invitatie op een adellijke assemblee in het achttiende-eeuwse Münster moest je al gauw zestien van deze adellijke kwartieren voorleggen. Daarvoor had je dus ouders, grootouders, overgrootouders en twee betovergrootouders nodig die allen edellieden waren. Als jonge edelman was betrouwbare kennis over je afkomst, kortom, bittere noodzaak. Of J.J.F. die had, is zeer twijfelachtig. Wie zijn voorouders waren is vandaag nog maar moeilijk na te gaan en het heeft er alle schijn van dat hij er zelf evenmin het fijne van wist. Toen hij in september 1778 een levensbewijs van de ambassadeur moest verkrijgen, stelde hij laconiek: ‘Ik kan me mijn geboorteplaats niet echt herinneren en de parochie al helemaal niet.’
13
carte blanche
Die geboorteplaats is nochtans bekend. J.J.F. werd geboren in Luné ville, de hoofdstad van Lotharingen, die in de achttiende eeuw een vermaard vakantieoord was. Daar werd hij op 20 april 1726 gedoopt in de Saint-Jacqueskerk. Dit doopsel staat met enige zwier genoteerd in het parochieregister, zodat het moeilijk te geloven valt dat de aristocratische rang van de familie Ferraris destijds niet goed gedocumenteerd zou zijn.1 Toch lijkt dit het geval. Leopold, de hertog van Lotharingen (1679-1729), bracht dit in 1723 al aan het licht. Een van zijn hovelingen was J.J.F.’s vader, Louis de Ferraris (1685-1733). Toen Leopold een personenregister opstelde van de leden van de hofadel die in aanmerking kwamen om zijn zoon te begeleiden op een reis naar de kroningsceremonie van keizer Karel VI in Praag, nam hij onder anderen Louis de Ferraris op. De hertog was ongewoon positief over Louis maar had toch een doorwegend bezwaar: ‘Monsieur de Ferary. Scait les langues, connoist le pays, et seroit propre à estre envoyé; mais l’obscurité de sa naissance et estre estranger le rendent point convenable.’ Vertaald: Mijnheer Ferraris kent zijn talen, hij kent het land en zou bij uitstek geschikt zijn als gezant, maar zijn duistere afkomst en het feit dat hij een buitenlander is, maken hem weinig geschikt.2 Het verdict dat J.J.F.’s vader een man van duistere geboorte was, klinkt vreemd uit de mond van de hertog. Van Leopold is bekend dat hij verdienste boven geboorte en privilege plaatste. Waarom was hij dan zo kritisch over Louis de Ferraris? Had de hertog anno 1723 geen duidelijk idee over de afkomst van Ferraris? Of kende hij die wel, maar voldeed ze niet aan de gangbare eisen? Louis de Ferraris was volgens Leopold een buitenlander. De familie was van vreemde origine en maakte geen deel uit van de Lotharingse adel. Wellicht was dat ook de reden waarom historici die de regionale geschiedenis beschreven geen genealogische lijn opnamen in hun publicaties. Ze waren te weinig met de buitenlandse adel vertrouwd, ze twijfelden wellicht zelfs aan de betrouwbaarheid van de informatie, of vonden het eenvoudig ongepast om iets over de herkomst van de familie Ferraris te vermelden omwille van de duistere geboorte waarover de hertog het had.
14
Esterházy
Ergens in dit enigmatische verleden schuilt de beweeggrond voor de ambitie en ondernemingszin die J.J.F. aan de dag legt, voor zijn dienstbetoon en omzichtig handelen, zelfs voor zijn liefde voor Henriette. Maar hoe de aimabele familieman zich precies verhield tot het leven van zijn voorouders, blijft onduidelijk. Toch valt er wel iets te zeggen. Al blijft het voorlopig een tijdreis met als enige houvast plaatsen, plekken, landschappen die J.J.F. met het verre verleden verbinden.
Een genealogische reis Het Habsburgse rijk strekte zich uit van de Alpen tot de Karpaten, van de Adriatische Zee tot de Belgische kust. In het midden van deze veelvolkerenstaat lag het kosmopolitische Wenen waar edellieden uit alle delen van Europa heentrokken. Als J.J.F. erheen reisde, of hij nu vertrok uit Brussel, Spa of Nancy, Praag, Bratislava, of zelfs uit Parijs, lag de route die hij volgde relatief vast. Dit was al eeuwen het geval. Kaarten en reisgidsen gaven plekken aan waar de uitgeputte paarden konden grazen, drinken en op krachten komen. J.J.F kende deze pleisterplaatsen in Tienen en Tongeren, in Sittard en Mons, in Andernach, Limbourg, Königstein en Frankfurt uit het hoofd. De koets stopte er kort, net lang genoeg om zijn knecht of de lakeien de wagen te laten smeren en water over de wielen en het onderstel te gieten. Zelf had J.J.F. het traject meermaals afgelegd. Al ver vóór hem was elke reis reeds ondernomen door de verwanten en aanverwanten uit een ver verleden. Hun migraties, hun langdurige zoektocht in Noordwest- en Continentaal Europa, hun queeste naar een thuis, mondde uit in de reis van zijn leven. Voor J.J.F. begon deze reis in Lotharingen, waar zijn erfnicht, de latere prinses Esterházy, een sleutel biedt voor de ontrafeling van zijn donkere verleden. De reis zou hem vervolgens naar de Hofburg in Wenen brengen, waar keizerin Maria Theresia zijn gangen bepaalde. Net als het leven van andere Europese edellieden werd het leven van J.J.F. voorbereid door de inspanningen van de generaties vóór hem. Als telg uit een ambitieus nest profiteerde hij van het werk van wie hem voorafging. Dat was, om te beginnen, zijn vader, Louis de Ferraris. Diens naam duikt voor het eerst op in de archieven van Lotharingen op 29 augustus 1713, en nog wel als peetvader van Marie-Anne, de toekomstige
15
carte blanche
prinses Esterházy. Zij is de enige vrouw die licht kan werpen op de duistere afkomst van J.J.F. De achtergrond van Esterházy is op zich ook een lang verhaal vol opmerkelijke gebeurtenissen. Als we er zo dadelijk over lezen, voert het ons misschien ver weg van J.J.F. Dit is nodig, want naast het feit dat Esterházy als enige enigszins toegang biedt tot zijn verborgen verleden, groeide zij uit tot een belangrijke en invloedrijke salondame wier invloed op het latere leven van J.J.F. nauwelijks valt te overschatten.3
De opkomst van de Lunati-Visconti’s in Milaan Prinses Esterházy werd geboren als Maria Anna Louise de LunatiVisconti (1713-1782), ze was de dochter van een Milanees: Ferdinand de Lunati-Visconti (1668-1732). Zijn welluidende naam is het klankspoor dat we volgen terug in de tijd. Aan het einde van de zeventiende eeuw vond de dubbelnaam ingang in Milaan. Deze stad midden in de Povlakte stond hoog aangeschreven op het schaakbord van de Habsburgers. Gelegen op de weg naar Vlaanderen was ze minder gericht op de open zee dan op Noord-Europa. Milaan was in Spaanse handen sedert keizer Karel V, op 11 oktober 1540, in Brussel een keizerlijk besluit had ondertekend waarin hij het hertogdom in leen gaf aan zijn zoon, de latere Filips II. Hoewel het Spaanse bewind dikwijls is omschreven als een troosteloze periode in de geschiedenis van Lombardije, gaat dit niet op voor Milaan. De stad was een strategisch bolwerk binnen het Spaanse rijk. Die positie bood haar juist nieuwe groeikansen. Vooral de lokale aristocratie profiteerde hiervan.4 Terwijl een groot deel van het Italiaanse schiereiland in een diepe politieke en economische crisis verkeerde, tierde de Milanese economie welig. De Spaanse Habsburgers steunden de stedelijke industrie, vooral de metallurgie, het goud en het zilver waarmee de munten werden geslagen. Sommige zilvermunters zijn bij naam bekend, ze worden vermeld in de archieven van Turijn, er zijn er zelfs twee met de naam Ferraris. Vanuit Bergamo, Brescia, Biella, Como, Genua en de overige kleinere gemeenten van Piëmont zakten handelaars en zakenlui af naar het stadscentrum van Milaan om hun profijt te zoeken op de kleurrijke markten. Soldaten kuierden er rond, bereid om hun soldij te spenderen
16
Esterházy
aan de vele waren die te koop werden aangeboden. Franciscus Schottus (1548-1622), ooit burgemeester van de stad Antwerpen, liet bij de drukkerij van Plantijn een reisgids voor Italië publiceren, waarin hij uitgebreid stilstond bij het rijke aanbod op de markten, groot genoeg om elke nood te lenigen, afkomstig uit heel Europa en via de haven van Genua zelfs van veel verder. Omgekeerd kwamen Milanese producten terecht op de buitenlandse markten van Lyon, Spanje en Duitsland. Die langeafstandshandel met grote kapitaalinvesteringen gebeurde over land. Kledij en textiel uit zijde verloren glans en zachtheid als ze over zee werden getransporteerd. Via de Camino Español, de Spaanse weg, de militaire verkeersader die tot halfweg de zeventiende eeuw manschappen naar de Spaanse Nederlanden had gebracht, bereikten de konvooien van karren en muilezels met luxegoederen allerhande ook de Nederlanden. De handelsroute die Genua, Savoye, de vallei van de Valserine, Franche-Comté en Lotharingen met elkaar verbond, verzekerde – mits het aankopen van een paspoort – reizigers en goederen een veilig transport. Een bestelling uit Milaan kwam in veertig tot tachtig dagen in de Lage Landen aan. In vergelijking hiermee was de weg langs zee onvoorspelbaar, soms sneller in hooguit drie weken, maar evengoed kon de levertijd zes maanden bedragen. Milaan vergaarde veel welvaart door deze internationale handel. Het Spaanse bewind bood goed opgeleide officieren zelfs de kans hun kost te verdienen in het Habsburgse leger. Door de militaire en ook diplomatieke macht die de elites zo verkregen, konden ze hun commerciële belangen verzekeren. De Milanese adel kreeg geleidelijk aan meer medezeggenschap in het bestuur, werd in staat gesteld politieke functies te bekleden en zijn invloed blijvend te laten gelden. Het gevolg liet niet lang op zich wachten. Tegen het einde van de zestiende eeuw probeerde het patriciaat zijn rangen te sluiten. Maar ook al polariseerde de samenleving, er bleef sociale mobiliteit mogelijk. Zelfs toen de Grote Pest van 1630, ingeluid door de hongersnood van het jaar voordien, de bevolking van de stad nagenoeg halveerde, grepen Milanese handelaars en ondernemers de nieuwe kansen die de ontvolkte stad onder de daaropvolgende oorlogsjaren hun bood.5 Die situatie bleef duren tot de dood van de Spaanse koning Karel II in 1700, waarna de verhoudingen tussen de grote mogendheden uit balans raakten en de Spaanse Successieoorlog moest beslissen over een nieuw Europees machtsevenwicht.
17
carte blanche
In dit Milaan duikt in de zeventiende eeuw een voorouder van prinses Esterházy op die de toekomst van haar familie ingrijpend zou veranderen. Federico Visconti (1617-1693) is de neef van de grootvader van Maria-Anne de Lunati-Visconti, de latere prinses Esterházy.6 De Visconti’s, die de stad gedurende een groot deel van de middeleeuwen bestuurd hadden, behoorden in de tweede helft van de zeventiende eeuw nog steeds tot de meest invloedrijke families van Milaan. Hun invloed reikte tot in de Kerk, waar Federico Visconti de kardinaalstoel besteeg. Visconti was een late exponent van de contrareformatie. Hij was streng voor elke vorm van losbandigheid, heftig gekant tegen protestantse invloeden en had uitstekende contacten bij de al even strenge Spaanse politieke autoriteiten. Federico Visconti duidde in zijn laatste wil een van zijn neefjes – vermoedelijk een petekind – als wettige erfgenaam aan. Hij heette eveneens Federico en was de grootoom van prinses Esterházy. Ook diens neefje, Pietro Antonio (?-1741), werd in het testament opgenomen. Pietro Antonio was de broer van Ferdinand de Lunati-Visconti, de vader van prinses Esterházy. Met de erfenis kreeg Ferdinands broer het Markizaat Carbonara al Ticino in handen. Het voormalig Lombardische bezit van de aartsbisschop lag in de alluviale vlakte van de rivier Ticino, waar sinds de zestiende eeuw rijst geteeld werd.7 Een week later zwoer de nieuwe eigenaar de eed van trouw aan de koning van Spanje, de hertog van Milaan, de leenheer van het leengoed. En ook al hield hij het landgoed voor zichzelf, iets van de nieuwe eigendom straalde af op alle Lunati’s die hun naam voortaan verbonden met die van de Visconti’s. De welluidende dubbelnaam Lunati-Visconti was op weg om een klinkend succes te worden. De dubbelnaam kwam de familie overigens goed uit. Ferdinands grootvader, Pietro Antonio Lunati (ca.1583-1624), was namelijk een natuurlijk kind en hoewel hij uiteindelijk wettelijk erkend zou worden en dus officieel erfgenaam, bleef dit een onfortuinlijk detail in zijn kwartierstaat.8 Door de toevoeging van de naam Visconti en de titel van markies maakte Ferdinands broer een flinke sprong vooruit in de adellijke hiërarchie.9 Voor Ferdinand waren met het markizaat echter nog niet alle zorgen verdwenen. Als eerstgeborene genoot alleen zijn oudste broer het recht op de erfenis. De rijstvelden in de Lomellina zouden Ferdinand
18
Esterházy
of zijn dochter in spe dus nooit toekomen. Van een goede naam zonder gage leef je niet, dat wist Ferdinand. Zijn twee jongere broers hadden gekozen voor een carrière in de kerk. Maar hij zou het voorbeeld van zijn (overspelige) overgrootvader volgen. Die had meegevochten in de slag bij Lepanto (1571), de laatste grote zeeslag met zeilschepen, met meer dan vierhonderd galeien en galjassen. Hij had voor de Spaanse Tresoreria gewerkt. In zijn kunstcollectie zaten tapijten uit Vlaanderen, terwijl hij ook de cartograaf Giovanni Battista Clarici (1542-1602) de opdracht gaf een kaart van Milaan te tekenen. Toen Ferdinands grootvader, een jongetje van vijf of zes, zijn nalatenschap erfde, was die in jammerlijk verval. Wandtapijten, leder in goud en zilverbrokaat, fluwelen stoelen, zilveren inktpotten, schilderijen, munten, kleren; al die kostbaarheden waren versleten, gescheurd of verloren. Juwelen, een klok in de vorm van Hercules. Niets dan vergane glorie had hij zijn nazaten nagelaten.10 Dat liet ongetwijfeld sporen na, ten huize van de Lunati’s. Toch vond Ferdinand, die als kind zijn adellijke pedigree ongetwijfeld had moeten drillen, inspiratie bij zijn overgrootvader, misschien zelfs bij zijn oom die in 1634 met een infanterieregiment van Lombardije naar Vlaanderen trok.11 Ferdinand koos een loopbaan als militair, maar niet in dienst bij de Spaanse koning. Hij verliet Milaan en zocht zijn toevlucht bij het huis Lotharingen, meer bepaald bij de in Innsbruck residerende hertog Leopold.12 Over hoe Ferdinand precies aan het Lotharingse hof terecht is gekomen, blijven we in het ongewisse. Volgens sommige auteurs zou hij Leopold ontmoet hebben op het slagveld in Ottomaans Hongarije. De twee konden het meteen goed met elkaar vinden. Galant als hij was, bezat Ferdinand een karakter dat van hem een ideale hoveling maakte: hij bemoeide zich nergens mee, was onderdanig en wou enkel behagen wie hem in dienst nam. Daardoor groeide hij algauw uit tot een veel benijde gunsteling van de hertog.13 Of de eerste ontmoeting tussen Ferdinand en Leopold werkelijk op de Hongaarse poesta plaatsvond, is nog maar de vraag. Dat Leopold van Lotharingen in Ottomaans Hongarije meevocht, is zeker, al was hij nog zeer jong. Nauwelijks vijftien was hij, tijdens een van de pogingen om de Turken uit de Balkan te verdrijven in Timișoara.14 Zijn gouvernant,
19
carte blanche
veldmaarschalk Francis Taaffe, de derde graaf van Carlingford (16391704), moest ervoor zorgen dat hij zich niet al te onbesuisd gedroeg. Dat lukte lang niet altijd. Leopold weigerde zich meermaals terug te trekken als het gevaar nabij was. ‘Het verlies van mijn leven valt minder te vrezen dan het verlies van mijn eer. Mijn broers kunnen de leegte vullen die mijn dood nalaat, maar niets kan de smet van de lafheid uitwissen, die de vlucht aan mijn reputatie teweeg zou brengen’, luidde het antwoord vol jeugdige overmoed op Carling fords aanmaning tot voorzichtigheid. Carling ford moest zwichten en zou het volgende decennium nauwelijks van Leopolds zijde wijken. Streed ook Ferdinand de Lunati-Visconti, op dat moment een jongeman van zesentwintig, mee in Timișoara? Was het daar dat hij de jonge hertog op een groots moment gevonden heeft? Helemaal onwaarschijnlijk is het niet en toch wijst er iets in de richting van een andere, even plausibele maar beslist minder glorieuze verklaring.
Adellijk getouwtrek in het zeventiende-eeuwse Innsbruck Leopold van Lotharingen kreeg voor zijn negentiende zijn hertogdom nooit te zien. Lotharingen lag gesandwicht tussen het Heilige Roomse Rijk en Frankrijk. Door die ligging was het hertogdom herhaaldelijk verplicht geweest een neutrale positie in te nemen tussen Wenen en Parijs. Dit had de Franse koning Louis XIV er niet van weerhouden het gebied in de zeventiende eeuw tweemaal in te lijven, van 1633 tot 1660 en opnieuw, van 1670 tot 1697. Hij dwong hierdoor de hertogelijke familie in ballingschap te gaan. Leopolds vader, Karel V (1643-1690), stond bekend als le Duc sans duché, een titulaire hertog die zijn heerlijke rechten was kwijtgeraakt. Karel mocht van geluk spreken dat zijn vrouw, Eleonora van Oostenrijk (1653-1697), een halfzuster van de Habsburgse keizer Leopold I was. Zijn machtige zwager bezorgde Karel in 1678 een aanstelling als gouverneur van Tirol.15 Bij die baan hoorde een passend optrekje, de Hofburg te Innsbruck. Een jaar later, toen de pest door Wenen raasde, klonk daar de geboortekreet van Karels eerste zoon, die hij dankbaar vernoemde naar zijn beschermheer: keizer Leopold I.
20
Esterházy
De eeuw die aan de geboorte van Leopold vooraf was gegaan, tartte elke verbeelding. Zoals in het libretto van een opera, weerklinken de namen van keizers, koningen en courtiers, namen van hun vrouwen die minstens even machtsbelust en ondernemend waren. Deze opportunisten en potentaten lieten sporen na in het weefsel van de stad Innsbruck. Ze legden netwerken aan vanuit Tirol, die zich uitstrekten tot de Italiaanse stadstaten, Frankrijk, de Lage Landen en andere oorden op het Europese continent. Maar alles begon in Innsbruck. Vanuit deze stad bestuurde de Tiroolse tak van de Habsburgers OpperOostenrijk, het westelijke deel van de Oostenrijkse erflanden. Het gebied omvatte het graafschap Tirol en de Habsburgse bezittingen in Zwaben, de Elzas en Vorarlberg, die samen ook wel Voor-Oostenrijk werden genoemd. Het volledige Habsburgse netwerk strekte zich ook toen al uit tot Brussel, dat sinds 1505 door een postroute met het keizerlijke hof in Innsbruck verbonden was. Een brief was nauwelijks vijf of zes dagen onderweg van de ene naar de andere uithoek van het Habsburgse rijk. In Innsbruck deden de Habsburgers waar ze goed in waren: politieke en strategische huwelijken sluiten. Keizer Ferdinand II (1578-1637) had er zijn tweede vrouw ontmoet, ze kwam uit Mantua, Eleonora Gonzaga (1598-1655). Haar moeder, Eleonora de’ Medici (1567-1611), was gestorven toen ze nauwelijks twaalf jaar was en het achtergebleven kind was uitgegroeid tot een, naar de normen van de tijd, aantrekkelijke, welopgevoede huwelijkskandidate, die, ondanks het grote leeftijdsverschil, een in alle opzichten gelukkig huwelijk met Ferdinand II sloot. Aan het hof van haar vader in Mantua componeerde Claudio de Monteverdi (1567-1643) madrigalen en een vroegbarokke favola in musica, L’Orfeo (1607), de eerste opera. Ferdinand en Eleonora deelden die liefde voor muziek, vooral ook nadat, tijdens de festiviteiten bij haar kroning als koningin van Hongarije in 1622, te Sopron (Ödenburg) een Comœdia in musica was opgevoerd. Het was de eerste Italiaanse operavoorstelling op Habsburgse bodem.16 Ferdinand II’s jongere broer, Leopold V (1586-1632), die aanstuurde op het soevereine bestuur over Voor-Oostenrijk, huwde met de Florentijnse Claudia de’ Medici (1604-1648), in feite een nicht van Eleonora Gonzaga’s moeder. Vooral deze vrouw uit het veelbesproken en machtige Medici-geslacht werd een doorn in het oog van vele
21
carte blanche
Oostenrijkers. Claudia kreeg de vrije hand in de uitbouw van een hofleven dat zelfs naar Florentijnse opvattingen ostentatief kon worden genoemd, al kwam het zonder de geringste twijfel tegemoet aan de zin voor pracht en praal van haar echtgenoot en had deze in dat opzicht dus een gepaste combine gevonden. Hun geluk duurde echter slechts zes jaar. Toen Leopold V stierf, zette Claudia de’ Medici, van 1632 tot 1646, het bestuur over Oostenrijk en Tirol voort. Voor haar zoon Ferdinand Karl van Tirol (1628-1662) arrangeerde ze, om de traditie hoog te houden, een huwelijk met zijn achternicht, Anna de’ Medici (1616-1676). Opnieuw een Medici in Innsbruck, dat oogstte weinig bijval bij de lokale Tirolers, te meer omdat onder Ferdinand Karls absolutistische bestuur er tussen Duits- en Italiaanssprekende Tirolers een eeuwenoud conflict bestond. Het anti-Italiaanse sentiment werd aangewakkerd. De publieke opinie keerde zich steeds meer tegen de bevoorrechte positie van de Italiaanse aristocratie, haar toenemende macht en dure hofleven.17 Een van de meest begunstigde en fel benijde Italiaanse aristocraten was de grootoom van prinses Esterházy: Pietro Antonio Lunati. Hij was de geprefereerde kamerheer van Ferdinand Karl, die de adel intussen met toernooien, maskerades en hoffeesten aan zich trachtte te binden en zijn extravagante hofhouding bekostigde door de verkoop van adellijke titels en soevereine rechten. Zijn bewind kenmerkte zich door corruptie, vriendjespolitiek en intriges. Alleen de Italiaanse opera boerde goed aan het hof van Innsbruck. Tijdens een sledetocht in 1653 speelde Pietro Antonio Lunati de hofnar die, vergezeld van een narrin, vooropliep in een maskerade die het koninkrijk en zijn ambten moest voorstellen.18 Het moet een wonderlijk schouwspel geweest zijn, in dit koninkrijk waarvan de vorst-mecenas na 1648 geen enkele Landdag meer bijeengeroepen had, waardoor niemand nog iets in de pap te brokken had. Jammer genoeg bestaan er geen detailbeschrijvingen van deze gebeurtenis, maar het is wel duidelijk dat het hier de adellijke elite was die theater speelde. Dat gebeurde wel vaker. Ook tijdens het leven van J.J.F. speelde de Europese aristocratie voortdurend theater, tot Maria Theresia toe, die vóór haar troonsbestijging graag op de planken stond. Op het toneel leerden de hovelingen de vele vaardigheden die konden dienen om hun prominente rol naar behoren te kunnen uitvoeren.19
22
Esterházy
Het tij keerde in Innsbruck. Ferdinand Karl van Tirol stierf in 1662, hij werd nauwelijks vierendertig en liet zijn twaalf jaar oudere echtgenote Anna de’ Medici achter. Zijn jongere broer Sigmund Franz (16301665) volgde hem op als aartshertog van Voor-Oostenrijk. Hij was een bedachtzaam man, wat van hem een betere landvorst maakte, zo luidde de publieke opinie die in het bijzonder lovend was voor zijn besparingen in de hofhouding. De keerzijde van de medaille was dat onder zijn bewind vele Italiaanse edellieden in ongenade vielen.20 Pietro Antonio Lunati was een van hen. Zelfs zijn reputatie van ernstig en respectvol man die het goede leven kende, kon hem niet helpen. Was het uit gramschap omdat hij een liaison met Anna de’ Medici, de aartshertogin zelf, was begonnen?21 Kort daarop liep het theater ten einde. In 1665 viel het doek definitief over Innsbruck. Sigmund Franz stierf. Ook hij werd slechts vierendertig jaar. Deze merkwaardige overeenkomst maakte dat het overlijden van de aartshertog niet onbesproken bleef. Zijn Italiaanse lijfarts werd ervan verdacht hem een gifbeker te hebben toegediend. Die verdachtmaking was voor Hermann von Schmid (1815-1880) anderhalve eeuw later de aanleiding om het strafrechtelijke onderzoeksdossier uit te spitten voor zijn boek Der Kanzler von Tyrol. Dit werk vertelt het verhaal van Wilhelm Biener (1590-1651), de kanselier die Claudia de’ Medici en haar zoon Ferdinand Karl tegen de wil van de landsheren in ondersteunde. Nadat hij uit de gratie was gevallen liet Ferdinand Karl hem na een geheim proces in 1651 onwettig executeren. Onder de betrokkenen in het complot scholen – althans volgens Schmid – een markies Lunati en een graaf Ferrari.22 Met de dood van Sigmund Franz kwam er een eind aan de Tiroolse tak van het huis Habsburg. Keizer Leopold I plaatste de heerschappij over Voor-Oostenrijk direct onder hemzelf en verhuisde de residentie naar de Hofburg in Wenen. De oude Hofburg in Innsbruck kwam leeg te staan en bood nog slechts onderdak aan het gezin van de hertog van Lotharingen.23 Enkele Italiaanse edelen bleven, onder wie Carlo Lunati, Ferdinands vader.24 In deze periode duikt ook Girolamo Bernardo Ferraris (1620-1690) op in Innsbruck, een edelman afkomstig uit Biella aan de voet van de Penninische Alpen. Deze Girolamo zou een steunpilaar geweest zijn voor Anna de’ Medici toen zij in 1665, na de dood van
23
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Redactie: Matthijs de Ridder Omslag: Brigitte Slangen Vormgeving: Studio Lannoo (Mieke Verloigne) © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2024 en Karen De Coene D/2024/45/158 – isbn 9789401495196 – nur 680 Alle 275 bladen van de (Kabinets)kaart van Ferraris zijn online beschikbaar via de catalogus van de Koninklijke Bibliotheek van België (KBR) op www. kbr.be/nl/kaart-van-ferraris.
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Zij die menen nog zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de uitgever wenden.