Skip to main content

9789401495066

Page 1

Ik moet je iets vertellen waar je misschien van schrikt. Als je dit boek in je slaapkamer leest, kun je maar beter even stoppen. Zoek liever een veilig plekje tussen je ouders op de bank. En wees niet bang dat je naar bed wordt gestuurd. Ouders sturen lezende kinderen nooit naar bed. Wat ik je moet vertellen gaat over zombies. Je weet wel, doden die opstaan uit hun graf. Toen ik klein was, dacht ik dat zombies alleen bestonden in films. Een verzinsel van grote mensen om kinderen bang te maken.


Ik geloofde niet dat doden tot leven konden komen. In mijn gedachten was de dood voor altijd. Doden zaten in de hemel, gezellig samen op een wolk met een breiwerkje of een puzzel. Maar nu weet ik wel beter. Niet alle doden zijn zo dood als een pier. Sommigen krijgen een tweede kans om te leven, net zoals je in games een extra leven krijgt. Ik heb het niet over doden die al lang geleden werden begraven. Ik bedoel verse doden, die nog maar net overleden zijn. Ze staan op uit het graf en dwalen als zombies door onze straten en supermarkten, wachtend tot ze jouw of mijn leven kunnen afpakken. Hoe ik dat weet? Daarvoor moet ik je vertellen over donderdag 21 oktober. Zomaar een dag in Huissen, een stadje in het oosten van het land.


—1— De dag dat mijn beste vriend veranderde Op donderdagochtend 21 oktober stond mijn beste vriend Jimmy voor de klas. Zijn vingers friemelden aan een stukje papier. Zijn ogen staarden naar de tafeltjes voor hem of misschien naar de vloer. Naast hem, op het bureau van meester Joeri, snuffelde zijn cavia Palmerijn vrolijk rond in haar kooitje. ‘Als jij zover bent, mag je beginnen’, zei de meester vriendelijk. Jimmy lachte zijn tandeloze mond bloot. Hij was pas op zijn tiende begonnen met wisselen, maar nu ging het snel. In een week tijd was hij zijn bovenste snijtanden én hoektanden kwijtgeraakt. Het had een gapend gat achtergelaten in zijn mond. ‘Begin dan’, siste Midas. ‘Spleetbek!’ Jimmy schraapte zijn keel en keek op, recht in de grijnzende gezichten van Midas en Mo. Zenuwachtig streek hij met zijn hand door zijn haar. Toen draaide hij een kwartslag in de richting van Palmerijn. Bij het zien van zijn cavia kalmeerde hij. Rustig droeg hij zijn spreekbeurt aan haar voor. Zo leerde Palmerijn dat haar soortgenoten uit Zuid-Amerika komen, een snelle hartslag hebben en volop scheten laten die stinken.

7


Na de spreekbeurt wilde iedereen Palmerijn aaien. Het werd een gedrang voor de kooi. De bange cavia dook weg in het hooi terwijl nieuwsgierige kinderen met pennen door de tralietjes prikten. ‘Niet doen’, zei Jimmy vaderlijk. ‘Ze kan diarree krijgen van...’ Het was al te laat. Een riviertje van bruine smurrie stroomde door het hooi. De kinderen deinsden walgend achteruit.


‘Genoeg, genoeg,’ besloot meester Joeri, ‘allemaal weg bij dat arme beestje. Mick, help jij Jimmy met opruimen?’ Ik knikte. ‘Vanmiddag hebben we een vol programma’, ging de meester verder. ‘We gaan weer oefenen voor de kerstmusical.’ Enthousiast wreef hij in zijn handen. Onze meester Joeri was dol op voorstellingen en


regelde het decor, de kleding en de muziek. Ook verdeelde hij de rollen. Sommige kinderen droomden van een plek op het podium. Meester Joeri maakte van hen Maria, kindje Jezus en de drie wijzen uit het Oosten. Midas was nieuw in onze klas en kreeg daarom de hoofdrol van Jozef. Eerlijk is eerlijk, hij kon ook redelijk goed zingen. Meer positiefs kan ik niet over hem zeggen, want Midas was een rotkind. Mijn beste vriend Jimmy en ik wilden graag een kleine rol. Net genoeg om mee te doen, zonder de aandacht op ons te vestigen. Wij hadden last van verlegenheid. Meester Joeri gaf ons de op één na saaiste rol uit de musical: die van kerstboom. De twee kerstbomen stonden achter op het podium en hoefden alleen met hun takken te zwaaien. Er was maar één rol nog saaier dan die van ons. Die was voor Kato. Zij was de ster. De ster hoefde alleen maar te stralen. Die middag stonden Jimmy en ik op het toneel toen er iets afschuwelijks gebeurde. De klas zong een kerstlied en ik zwaaide met mijn armen. Jimmy deed niet mee. Uit zijn zak haalde hij een doosje met zijn oude, puntige hoektanden. Hij duwde de tanden in het gat

10


waarin vroeger zijn voortanden zaten, draaide zijn hoofd naar mij en trok zijn bovenlip op. Wat ik zag, leek nog het meest op een naakte molrat. Ik lachte me dood en trok de aandacht van de meester en de kinderen. Wanneer ze omkeken liet Jimmy zijn lip zakken. En zong iedereen verder? Dan trok hij zijn lip weer op. ‘Wat sta je nou te lachen, Mick?’ riepen de kinderen. ‘Niks, hoor’, grinnikte ik verlegen. Zo ging dat door, tot Jimmy’s losse tand uit zijn mond viel, over het toneel stuiterde en tegen het kribje tot stilstand kwam. Jimmy en ik proestten het uit. ‘Mick, kun jij even uitleggen wat er zo grappig is?’ vroeg meester Joeri. ‘Anders wil ik graag verder.’ ‘Er is niks, meneer,’ hikte ik, ‘het gaat alweer.’ Het leek ons beter even geen aandacht te trekken. In stilte staarden we naar de tand naast het kribje, toen het afschuwelijke gebeurde. In een ooghoek zag ik Jimmy vreemd bewegen. Ik keek opzij. Jimmy’s lichaam schudde heftig. Zijn hoofd knikkebolde en zijn armen en benen schokten ruw. Het duurde misschien een seconde of drie, maar het zag er vreselijk uit. Toen stopte het weer. Alsof er niks gebeurd was, staarde Jimmy naar het toneel.

11


Even leek alles normaal, maar toen hij begon te praten, kende ik hem niet terug. Hij sprak niet op fluistertoon, zoals we gewend waren, maar schreeuwde zo hard dat kindje Jezus zijn hoofd boven het kribje uitstak. ‘Ik vind dit zo slaapverwekkend! Ik heb het he-­ le-maal gehad met dit kerstbomengedoe!’ Stamp­ voetend verliet hij het podium en de gymzaal. Er klonken verbaasde geluiden uit elke toneelhoek. ‘Wat heeft hij opeens?’ zei meester Joeri. ‘Zo ken ik hem helemaal niet.’ Hij wachtte even en trok zijn schouders op. ‘Mo, ga jij even kijken waar Jimmy is? Laten we verdergaan met de volgende scène. Jozef en Maria lopen naar de stal. Hier is Maria. Waar is Jozef?’ Zijn ogen schoten als een kronkelend riviertje over het podium. ‘Jozef?... Waar is Midas, jongens?’ Alle hoofden draaiden naar links en rechts, maar niemand wist waar Midas was. Het was de ster Kato die wees naar een hoopje kleren en schoenen op de rand van het podium. Daar lagen de Jozef-kleren van Midas, precies achter de plek waar Jimmy had gestaan. Twee kinderen weg? Nu werd de meester ongerust.

12


‘We gaan zoeken’, zei hij. Hij verdeelde ons over de school, het schoolplein en later ook de wijk. Jimmy vonden we al snel in de fietsenstalling. Maar Midas werd nooit meer gevonden.

13


–2– Ik ken mijn familie toch zeker wel! ‘Eet maar een beetje door’, zei mijn moeder. Ze spoelde een bord af en zette het in de afwas­ machine. ‘Als jij naar school bent, komt IJsbrands moeder om te wandelen, maar ze wil natuurlijk eerst de nieuwe keuken zien.’ Haastig tilde ze mijn bord op en haalde er een vaatdoekje onderdoor. Ik kende mijn moeder goed genoeg om te weten dat ze naar het bezoek had uitgekeken. Je zag het aan de vaas verse bloemen in het midden van de tafel. Aan de gevulde fruitschaal. Aan de gedweilde vloer. Omdat ze gisterenavond niet thuis was, was ze vanochtend eerder opgestaan om alles in orde te maken. De keuken moest glimmen als er bezoek kwam en een laatste bord op tafel telde als een minpunt. Siemeltje, onze kat, wist het ook. Er was geen kans om binnen te komen vandaag. Buiten op het dak van haar hok likte ze haar voorpootje. ‘Er is iets ergs gebeurd gisteren tijdens het oefenen van de kerstmusical’, zei ik met volle mond. ‘Midas is plots verdw…’ ‘Even geen verhalen over kerstbomen, Mick.’ Het vaatdoekje duikelde in een sopje. ‘Eet maar liever door.’

15


Ik kauwde op mijn brood en bekeek mijn moeders rode hoofd. Van een afstandje inspecteerde ze de keuken door de ogen van een gast. Daarna schikte ze de appels en sinaasappels op de fruitschaal tot een kleurrijke stapel. Door de achterdeur kwam IJsbrands moeder binnen. Mijn moeder slaakte een gil en keek naar mijn bord dat nog op tafel stond. En naar de afwasmachine, die nog niet dicht was. Een halfuurtje later liepen we met z’n drieën het tuinpad af. De wandelaars sloegen links af richting de polder en ik ging rechtsaf naar school. Het was zo’n ochtend waarop je adem als wolkjes ontsnapt uit je mond. Een laagje ijs bedekte de takken van de bomen en de dorre bladeren op straat. Het zwarte bruggetje was versierd met ijskristallen, die een kerstslinger leken te vormen. Ons stadje zag eruit als een ouderwetse, knusse kerstkaart. Het sprookjesachtige beeld verdween in de klas. Vandaag hield Brynja haar spreekbeurt over heksen. Haar oom bracht een enorme weegschaal binnen en hing die aan een haak aan het plafond. Niemand had er aandacht voor, want deze vrijdag­­ochtend stond in het teken van de verdwijning van Midas. In ons stadje praatte iedereen erover en in de klas

16


gingen de wildste verhalen rond. Kinderen fluisterden met hun handen beschermend voor hun lippen. Achter me klonk de stem van Mo. ‘Ik heb gehoord dat Midas is ontvoerd. Jawel! Door een kinderlokker met een snor.’ ‘Nee, hij is weggelopen’, fluisterde IJsbrand. ‘Die pleegmoeder van hem is een rotwijf. Dat heeft hij me zelf verteld. Hij is op zoek naar zijn echte ouders, dat weet ik zeker.’ Maar de ster Kato schudde haar hoofd. Zij beweerde dat Midas plots was opgelost, als een geest die terug in zijn fles glipt. ‘Hé jongens, moet je deze horen!’ Naast me zat mijn beste vriend Jimmy achterste­ voren op zijn stoel. Hij stak een vinger in de lucht en liet weer een harde boer ontsnappen. IJsbrand en Mo ramden met hun platte hand op tafel van het lachen. Jimmy stootte me aan. ‘Lach even mee, Mick! Of heb je geen humor?’ ‘Meisjes en jongens,’ zei meester Joeri en hij schraapte zijn keel, ‘jullie willen vast horen hoe het staat met de zoektocht naar Midas. De politie is een groot onderzoek gestart, maar Midas is nog niet gevonden.’

17


Er ging een schok door de klas. Bezorgde blikken draaiden naar links en rechts en er werd druk gefluisterd. ‘Even jullie aandacht graag’, ging de meester verder. ‘Het is heel erg wat er gebeurd is. En natuurlijk maken jullie je zorgen. Zelf heb ik het er ook moeilijk mee. Maar ik weet ook zeker dat Midas snel wordt gevonden.’ Hij sloeg zijn handen tegen elkaar. ‘We zullen een beetje rustig aan doen vandaag en beginnen met Brynja’s spreekbeurt over heksen.’ Brynja stond op en liep naar de enorme weegschaal aan de plafondhaak. ‘Weet iemand wat dit is?’ vroeg ze en ze wees naar de lange, horizontale balk met daaraan twee schalen aan een touw. Haar groene ogen fonkelden door de klas. Ze zag eruit alsof ze uit mijn Playmobilkist was gehaald en tot leven was gekomen. Donker, kaarsrecht haar, strak geknipt langs haar kaak, en boven haar wenkbrauwen een dikke pony. Ons antwoord wachtte ze niet af. ‘Het is een heksenwaag.’ Ze stapte op de rechterschaal, die naar beneden zakte door haar gewicht. ‘Lang geleden werd hij gebruikt om te ontdekken of een meisje een heks was.’

18


Kalm en tot in de puntjes voorbereid, vertelde ze de klas over hekserij in ons land. Hoe in de middel­ eeuwen en daarna, onschuldige meisjes zomaar als heks werden aangewezen. Hoe ze werden gewogen op de heksenwaag en verbrand op de brandstapel, terwijl het hele dorp toekeek. De klas griezelde vol aandacht, totdat Brynja beschreef welke meisjes als heks werden aangewezen. ‘Meisjes die erg dun waren. Of meisjes met rood haar. Zij droegen het vuur van de hel op hun hoofd.’ ‘Ik wist het!’ schreeuwde Jimmy. ‘Juliëtte is een heks!’ Juliëttes hand gleed trots door haar haar. Er ontstond geroezemoes. Kinderen wezen naar elkaar en noemden elkaar heks en opperheks. Brynja trok zich er niets van aan. Kalm ging ze verder, maar rustig werd het niet meer. Na de spreekbeurt leek het de meester beter als we ons buiten even lieten uitwaaien. Dertig kinderen renden tegelijk naar buiten. Ik wipte mijn jas van de kapstok en zocht Jimmy. Wij waren de enige jongens die niet van voetbal hielden. Jimmy zei altijd: ‘Je gaat toch niet met z’n allen achter een bal aan rennen?’ Meestal liepen we samen een rondje over het plein. En als we ons skateboard bij ons hadden, vond je ons bij de halfpipe.

19


Vandaag was Jimmy al weg. Ik drentelde de school uit, tuurde wat over het schoolplein en liep met mijn handen in mijn zakken naar het voetbalveldje. Daar vond ik Jimmy, tussen alle stoere kinderen van de klas. Verbaasd keek ik toe hoe hij met zijn wijsvinger de posities in het voetbalteam verdeelde. Zijn houding was anders. Hij schreeuwde naar Mo en duwde IJsbrand naar een ander kamp. ‘Ben je alleen, Mick?’ Achter me stonden Brynja en Juliëtte. ‘Koekje?’ Juliëtte stak een pak koekjes naar voren en lokte me mee naar het bankje. ‘Kom zitten, Mickster!’ zei ze en ze sloeg haar hand op de zitting. ‘Je mattie houdt ineens van voetbal!’ Juliëtte wist wel vaker met een grapje het probleem aan te kaarten. Ze was een flapuit en soms ongemakkelijk eerlijk. Ik schoof naast haar op de bank. Een voor een verdwenen de koekjes uit het pak. Met volle mond kletsten we over de kinderen uit onze klas en over de kerstmusical. ‘Toch raar hoe Midas voor onze neus kon verdwijnen’, peinsde Juliëtte en ze duwde een kruimel in haar mond. ‘Heb jij er iets van gezien?’ Ik schudde mijn hoofd.

20


‘Mijn moeder zegt dat jouw tante er meer van weet’, zei Brynja. Ze keek me strak aan met die groene ogen die altijd meer zagen dan ik wilde laten zien. ‘Mijn tante?’ lachte ik verbaasd. ‘Dat lijkt me niet, want ik heb geen tante!’ ‘Huh?’ Juliëtte duwde haar kin achteruit en draaide zich naar Brynja.


‘Maar…’ stamelde Brynja. ‘Mijn moeder zegt dat jij een tante hebt.’ ‘Heb ik niet’, zei ik. ‘Mijn moeder had één broer en die was niet getrouwd. Hij is trouwens al lang dood. Onder een vrachtwagen gekomen, of zoiets.’ ‘Ik weet zeker dat mijn moeder zei: “Micks tante heeft hetzelfde meegemaakt”’, zei Brynja stellig. ‘En wat zou mijn zogenaamde tante dan hebben meegemaakt, volgens jouw moeder?’ ‘Dat er iemand zomaar verdween, zoals met Midas. Heel lang geleden, zei ze. Het had toen in de krant gestaan. Ze had het nog uitgeknipt, omdat ze gekke krantenberichten spaart.’ ‘Ik denk dat jouw moeder zich vergist’, zei ik. Er kleefde een koekkruimel op mijn jas en ik friemelde hem eraf. ‘Denk ik niet’, zei Brynja beslist. ‘Ze weet het zeker’, zei Juliëtte en ze duwde haar hoofd naar het mijne. Haar rode krullen wapperden in de wind en trokken zich niets aan van de elastiekjes die ze samen probeerden te houden. ‘Geloof me, als Bryn zegt dat je een tante hebt, dan heb je een tante.’ ‘Ik heb geen tante. Dat weet ik toch zeker zelf wel?’ Ik stond op om weg te gaan. ‘Je moeder vergist zich.’

22


– 3 ­– Plankje Via de derde afslag van de rotonde fietste ik ons doodlopende straatje in. Een weggetje met maar tien huizen, vijf links en vijf rechts, een eindje uit elkaar gelegen. De lantaarns sprongen aan en verlichtten de natte klinkers en de stammen van de berken langs de weg. Mijn ouders zaten vast al aan de spaghetti. Of misschien hadden ze gewacht. Ik scheurde door de laatste flauwe bocht, klaar om ons pad op te draaien, toen ik een eindje verderop een brandweerwagen zag staan. Een felle lamp van de wagen scheen op het huis van onze buurvrouw Plankje. Zo heette ze natuurlijk niet echt. Mijn moeder noemde haar Plankje omdat ze zo plat van voren en van achteren was en altijd zo kaarsrecht op haar fiets zat. Met mijn fiets aan de hand liep ik ons huis voorbij. Ik ging bij de omstanders staan om uit te vinden waar ze precies naar keken. Zes brandweerlieden overlegden met elkaar en liepen druk heen en weer tussen de brandweerwagen en Plankjes huis. Een tweede brandweerwagen kwam de straat in gereden, twee keer zo groot en met een hoogwerker. Er sprongen nog zes brandweerlieden

23


uit de wagen. Vragend keek ik naar de man rechts van me. ‘Er zit een kat’, antwoordde hij. ‘Op het dak?’ ‘Al twee dagen aan het mauwen. Ik doe geen oog dicht van dat gejank.’ Ik stelde mijn ogen scherp op Plankjes huis en zag de vorm van een dikkige kat, precies op het hoogste punt. Stil en rustig leek hij de bewegingen van de brandweerlieden beneden te volgen. ‘Nu iedereen naar hem kijkt, houdt hij zich stil’, gromde de man. ‘Moet je ’m ’s nachts eens horen.’ De brandweermannen waren klaar met overleggen. De wagen met de hoogwerker moest dwars door de tuin. Vier brandweerlui begonnen Plankjes tuinhek af te breken. Plank na plank werd losgeschroefd en aan de kant gelegd. Plankje trok aan de mouwen van een brandweervrouw. ‘Toch niet door mijn hortensia’s! Er is toch wel een andere manier?’ De brandweervrouw schudde haar hoofd. Ondertussen startten vijf brandweerlui de grote wagen met de hoogwerker. De wagen hobbelde achteruit over de grastuin, over de hortensia’s, tot vlak bij het huis.

24


‘Wat erg, hè!’ klonk een vrouwenstem. ‘Ze rijden alles kapot. Volgend jaar kun je een nieuwe tuin aanleggen. En dat voor een kat… Laat ze zoveel moeite doen voor die jongen die vermist is geraakt.’ ‘Dat heb ik gehoord.’ De man naast me trok een zorgelijk gezicht. ‘Ik wed dat dat beest van dat paarse mens is. Ze zouden de kosten op haar moeten verhalen.’ Hij moest het over Greetje hebben. Zij woonde in het witte huis, het laatste van de straat, een beetje van de weg af gelegen. Ze droeg altijd paarse kleren. Soms kwamen mijn moeder en ik haar tegen in de straat. Dan mompelde mijn moeder iets lelijks en duwde ze me naar de overkant, waar we verder liepen alsof Greetje niet bestond. De wagen stond nu bijna tegen Plankjes huis en een brandweerman op het plateautje liet zich naar boven liften. Schuin onder hem, recht onder de nok van het dak, keek een gespannen Plankje mee. Haar lijf recht als een liniaal. Haar hoofd achter in haar nek. De hoogwerker naderde de kat, die onrustig over de dakrand begon te wiebelen. De brandweerman was vlakbij. ‘Poes, poes. Rustig maar, katje. Ik kom alleen maar helpen. Poes, poes.’ Zijn gehandschoende

25


armen staken naar voren om het dier te grijpen. Dat werd de kat te heet onder de voeten. Hij sprong. Als een vleermuis dook hij meters naar beneden. De lange, ijselijke krijs uit zijn keeltje hield aan tot hij op het hoofd van Plankje plofte. In Plankjes steile haar bleef nog geen speld ooit hangen, dus stak de kat zijn nagels uit. Plankje gilde terwijl de kat naar haar schouders gleed. ‘Goeie genade!’ riep de vrouw. De man naast me schudde zijn hoofd. ‘Twaalf man om een kat te redden en dan springt die gewoon…’ Hij stootte de vrouw aan en wees voor zich uit. ‘Daar zul je d’r hebben. Ik zei het toch! Helemaal paars weer!’


Met snelle passen, in een lange, paarse mantel en met een paarse haarband in het haar, stoof Greetje door de tuin. Ze worstelde zich door de drukte rechtstreeks naar Plankje en tilde de kat van haar schouders. Met twee handen hield ze de kat voor


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401495066 by Uitgeverij Lannoo - Issuu