Skip to main content

9789401494533

Page 1

Henri Nouwen Een parel in Gods ogen Gedachten over de betekenis van een mensenleven


Het werk en gedachtegoed van Henri Nouwen wordt bevorderd door de Henri Nouwen Stichting, Buizenwerf 253, NL-3063 AG Rotterdam www.nouwen.org

www.lannoo.com Oorspronkelijke titel Life of the beloved Oorspronkelijke uitgever Crossroad Publishing Company, New York 1992 Uit het Engels vertaald door Evert W. van der Poll Omslagontwerp Studio Lannoo Omslagillustratie © Imageselect © Erven Henri Nouwen en Uitgeverij Lannoo nv. Tielt, 2023 D/2023/45/516 – ISBN 978 94 014 9453 3 – NUR 728 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Inhoud

Proloog. Mijn vriend Fred   7

1. Je bent geliefd   23 2. De geliefde worden   33

De waarheid gestalte geven   33 I.

Nemen  39

II. Zegenen  54 III. Breken   69 IV. Geven  86

3.1Als geliefden leven   107

Epiloog. Een vriendschap die zich verdiept  117


Proloog Mijn vriend Fred

Voordat u dit boek leest, moet ik u eerst het verhaal daarachter vertellen; het verhaal van een bijzondere vriendschap. Het is alweer vijftien jaar geleden – ik was destijds docent aan de Divinity School in Yale – dat er een journalist bij mij kwam om een interview af te nemen voor de weekendbijlage van The New York Times. De man heette Fred Bratman. We waren nog maar net bezig of ik raakte geïrriteerd en gefascineerd tegelijk. Het was al direct duidelijk dat deze journalist niet bijster gemotiveerd was. Dat irriteerde me. Iemand had hem kennelijk opgedragen een artikel over mij te schrijven, maar hij wekte hoegenaamd niet de indruk dat hij ook werkelijk in mij geïnteresseerd was of dat hij het leuk vond om dit interview af te nemen. De man deed z’n werk, maar daarmee was dan ook alles gezegd. Tegelijkertijd kreeg ik het gevoel dat er achter dit masker van onverschilligheid een bijzondere persoonlijkheid

–7–


schuilging, iemand die openstond voor nieuwe dingen. Dat fascineerde me. Op de ene of andere manier wist ik dat de man tegenover mij over grote gaven beschikte en niets liever wilde dan die in praktijk brengen. Na een half uur plichtmatige vragen van zijn kant en al even plichtmatige antwoorden van mijn kant liep het gesprek ten einde. De journalist had voldoende stof voor een stukje in de krant. Wellicht zou een enkeling het nog lezen ook, maar of het enige uitwerking zou hebben? Hoogstwaarschijnlijk niet. We hadden allebei het gevoel dat we onze tijd beter hadden kunnen gebruiken. We waren allebei het slachtoffer van anonieme machten die ons tot gehoorzaamheid dwongen, zonder dat we ook maar mochten vragen: waarom eigenlijk? Fred deed zijn aantekeningen in zijn koffertje en bedankte me voor het interview, precies zoals dat hoort. Op dat moment keek ik hem recht in de ogen en zei: ‘Vind je dit leuk werk?’ Tot mijn verbazing antwoordde hij, zonder enig nadenken: ‘Nee, niet echt, maar het is nu eenmaal m’n werk.’ ‘Maar als je er niets aan vindt, waarom doe je het dan?’ reageerde ik, alsof ik het nog niet aanvoelde. ‘Voor het geld natuurlijk.’

–8–


Nu kwam de echte Fred los: ‘Ik vind het afschuwelijk om telkens van die stukkies te schrijven, om dan hier, dan daar allerlei mensen te interviewen over zaken die me nauwelijks interesseren. Maar ik heb geen andere keus. Ik moet wel. D’r moet toch brood op de plank, nietwaar?’ Het was duidelijk dat hij zich innerlijk verzette tegen zijn lot. Plotseling drong het tot me door wat er in deze jongeman werkelijk omging. Hier stond iemand op het punt al zijn dromen op te offeren. In zijn ogen zag ik de blik van een gevangene, opgesloten achter de tralies van een samenleving waarin hij niet geloofde. Als vanzelf kwam er ook in mij een gevoel van protest op. Wat wilde ik deze man graag uit zijn gevangenis bevrijden! Wat wilde ik hem graag laten zien hoe hij zijn diepste verlangens zou kunnen vervullen. ‘Wat zou je het liefst willen doen?’ vroeg ik. ‘Een roman schrijven. Maar dat zal ik wel nooit kunnen.’ ‘Zou je dat echt willen?’ vroeg ik. Hij keek me verbaasd aan en glimlachte: ‘Ja, maar weet je, ik heb nog nooit een roman geschreven en ik ben zo bang dat ik er niet genoeg voor in huis heb.’

–9–


‘Daar zul je dan toch een keer achter moeten komen’, reageerde ik. ‘Ach, misschien kom ik daar wel nooit achter. Om een roman te schrijven, heb je tijd nodig en voldoende geld om een poosje zonder inkomsten te kunnen. Ik beschik over geen van beide.’ Ik werd hoe langer hoe bozer op hem, op de maatschappij en tot op zekere hoogte ook op mezelf, dat ik niets aan dit soort situaties deed. Ik voelde een sterke drang om heel dit bouwwerk van angst, opgelegde leefpatronen, sociale verwachtingen en zelfonderschatting tot de grond toe af te breken en zei: ‘Waarom stop je niet met deze baan om dat boek te schrijven waarvan je droomt?’ ‘Dat kan niet’, was het antwoord. Maar ik hield aan: ‘Als je het echt wilt, dan kun je het ook. Je hoeft je niet neer te leggen bij de omstandigheden. Geen tijd, geen geld… wat dacht je, dat is geen noodlot!’ Ik had me inmiddels zozeer in de situatie van Fred ingeleefd, dat ik van geen opgeven meer wilde weten. Alsof hij het merkte, zei hij: ‘Ach, ik ben maar een eenvoudige journalist en ik denk dat ik moet leren om daar tevreden mee te zijn.’

– 10 –


‘Nee, dat moet je niet’, wierp ik tegen. ‘Wat je moet doen, is gehoor geven aan je diepste verlangens. Het werkelijke probleem is niet gebrek aan tijd en geld.’ ‘Wat dan wel?’ ‘Het werkelijke probleem ben jij zelf. Jij bent jong, energiek, hebt een goede opleiding; je kunt het best. Waarom laat je je inkapselen door de wereld om je heen? Waarom zou je het slachtoffer van de omstandigheden moeten zijn? Jij hebt de vrijheid om te doen wat je wilt. Tenminste, als je het echt wilt.’ De jongeman keek me met grote ogen aan, alsof hij wilde zeggen: hoe ben ik in hemelsnaam in dit wonderlijke gesprek verzeild geraakt? Plotseling zette hij er een punt achter. ‘Ik denk dat ik maar weer eens opstap. En die roman…? Wie weet komt het daar ooit nog eens van.’ Hij maakte aanstalten om te gaan, maar ik hield hem tegen. ‘Nee, Fred, ik meen het echt. Je moet gehoor geven aan je diepste verlangen. Niet later, nee: nu.’ Er kwam slechts een kort, sarcastisch antwoord: ‘Aardig bedacht.’ Ik wilde hem zo niet laten gaan, want nu stonden ook mijn eigen overtuigingen op het spel. Ik geloof dat de mens

– 11 –


keuzes kan maken die overeenstemmen met zijn hoogste aspiraties. Ik weet wel dat mensen maar zelden dergelijke keuzes maken en vervolgens de wereld, de maatschappij en hun medemensen de schuld van hun eigen nalatigheid geven, waardoor ze hun leven grotendeels verspillen aan gejammer en geklaag. Hoevelen zijn er niet die nooit verder komen dan: als ik maar meer tijd had, als ik maar meer geld had, dan… Hier stond een man voor me die de kans had om over zijn angsten heen te stappen, om werkelijk gehoor te geven aan zijn diepste verlangen en het erop te wagen. Maar eerst moest ik zelf een sprong wagen. Pas dan zou hij ertoe kunnen komen. Dus zei ik: ‘Fred, stop met je baan, kom een jaar bij mij en schrijf die roman. Dat geld, daar zorg ik voor, dat komt wel voor elkaar.’ Toen ik dat zei, zo vertrouwde Fred me vele jaren later eens toe, werd hij heel nerveus en vroeg hij zich angstvallig af wat mij bewoog. Hij dacht: wat wil die man eigenlijk van mij? Waarom biedt hij mij de tijd en het geld om te kunnen schrijven? Ik vertrouw het niet. Hier steekt vast iets anders achter! Maar hij slikte zijn achterdocht in en kwam met de volgende tegenwerping op de proppen: ‘Ik ben een jood en dit is een christelijk seminarium.’

– 12 –


Ik veegde dit meteen van tafel: ‘Daar vinden we wel wat op. We benoemen jou tot medewerker met een bijzondere opdracht of zo en dan kun je doen wat je wilt. De mensen hier zullen alleen maar blij zijn dat er een schrijver bij hen komt werken. Ondertussen kun jij je wat verdiepen in het christendom en, wie weet, ook in het jodendom.’ Een paar maanden later kwam Fred naar de Divinity School in Yale en werkte er een jaar aan zijn roman. Dat wil zeggen, hij deed verwoede pogingen in die richting, want de bewuste roman is nooit op papier gekomen. Maar we werden wel vrienden en dit boek is de vrucht van onze vriendschap. De vijftien jaar die zijn verstreken sinds we elkaar voor het eerst ontmoetten, zijn zowel voor Fred als voor mij heel anders uitgepakt dan we destijds verwachtten. Fred heeft sindsdien diverse interessante banen gehad. Ik verliet al snel mijn academische omgeving, ging naar Latijns-Amerika, keerde vervolgens terug naar de universiteit en nam ten slotte mijn intrek in een gemeenschap van geestelijk gehandicapten. We hadden het allebei druk en er was alle aanleiding om elkaar uit het oog te verliezen. Toch gaven we daar niet aan toe. We bleven elkaar regelmatig opzoeken om onze strijd, onze pijn en onze levensvreugde te delen.

– 13 –


Hoewel we elk onze eigen weg gingen, groeiden we door de jaren heen toch naar elkaar toe. We werden ons meer en meer bewust van het belang van onze vriendschap. Vanaf het moment dat Fred en ik elkaar leerden kennen, zijn we ons altijd terdege bewust geweest van het feit dat we een totaal verschillende godsdienstige achtergrond hebben. Aanvankelijk leek het zelfs onmogelijk om elkaar geestelijk te bemoedigen. Fred respecteerde mij als rooms-katholiek priester en was oprecht geïnteresseerd in mij en mijn werk, maar voor hem waren het christendom in het algemeen en de rooms-katholieke kerk in het bijzonder niet interessanter dan enig ander onderwerp waarvoor hij belangstelling had. Wat mij betreft, het geseculariseerde jodendom van Fred was voor mij niet vreemd. Ik accepteerde het ook, al was ik ervan overtuigd dat het hem alleen maar zou verrijken wanneer hij zich meer zou openstellen voor zijn eigen geestelijke bronnen. Ik weet nog goed dat ik eens tegen Fred zei hoe goed het voor hem zou zijn wanneer hij de Hebreeuwse bijbel eens las. ‘Die spreekt me totaal niet aan’, wierp hij toen tegen. ‘Die belevingswereld staat mijlenver van mij af.’

– 14 –


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401494533 by Uitgeverij Lannoo - Issuu