ONS GEDEELD VERLEDEN
ONS GEDEELD VERLEDEN
Sleutel voor een samenleving in transitie
Inhoud Inleiding Het verhaal van De vierkante kilometer De vierkante kilometer 0.0: het Neuseplein De vierkante kilometer 1.0: de Brugse Poort De vierkante kilometer 2.0: Rabot De vierkante kilometer 3.0: Ledeberg De vierkante kilometer 4.0: Dampoort De roep om het verleden
Sleutel voor een samenleving in transitie 1. Superdiversiteit en het verleden 2. Erfgoed en superdiversiteit 3. Pleidooi voor een gedeeld verleden
Onderhandelen als alternatief concept 1. Conversatie in het heden 2. Over het verleden: autoriteit delen 3. Dienstverlening voor de toekomst
7 11 15 25 37 45 53 55 69 69 90 104 113 117 129 141
Uitleiding
153
Literatuurlijst
159
Dankwoord
165
Inleiding We leven in Vlaanderen in een superdiverse samenleving. Ziezo, de eerste open deur is al ingetrapt. En ik vertel er nu al bij dat het niet de laatste zal zijn. Over superdiversiteit is al veel geschreven en over het verleden ook. Maar toch worden die twee niet vaak met elkaar in verband gebracht. Terwijl ook dat natuurlijk een open deur is: elke samenleving, hoe divers ook, heeft een verleden. Dus wat is ons gedeeld verleden? Dit boek is geen poging om op die vraag een antwoord te formuleren, wel een warm en dringend pleidooi om de vraag luidop te stellen en er een democratisch gesprek over aan te gaan. Het verleden is vandaag onderwerp van hevige polemiek. De canondiscussie, het debat rond dekolonisering, televisiereeksen zoals Kinderen van de migratie en Het verhaal van Vlaanderen, de strijd rond herdenking van verzet en ga zo maar door. Minder zichtbaar, maar even belangrijk is dat het verleden ook in het onderwijs, in bedrijven en overheidsdiensten, in stadswijken, bij verenigingen, binnen het sociaal werk en in de onderzoekswereld, in musea en cultuurhuizen de gemoederen verhit. Niet alleen in Vlaanderen, maar overal waar superdiversiteit is, stellen burgers en collectieven kritische vragen over het verleden: Wie vertelt het? Waarover gaat het? Wat kunnen we ermee? Als tien jaar bijna onafgebroken straatlopen me van iets heeft doordrongen, dan is het wel van de urgentie om met die vragen aan de slag te gaan. In deze tijd van onzekerheid en polarisering lijkt dat misschien een gewaagde sprong: het verle-
7
den is een onuitputtelijke bron van kwetsuren en conflict. Maar, zo zal ik betogen, daarin ligt juist haar kracht. En in die overtuiging ben ik niet alleen. Steeds meer mensen geloven dat het verleden een van de belangrijkste sleutels is in deze transitie. Maar hoe krijgen we die sleutel op de deur? Dat is niet alleen een filosofische kwestie, ook in de praktijk zit er een kloof tussen erfgoed en diversiteit. Zowel voor als achter de schermen blijven musea witter dan wit. Vanuit de erfgoedsector worden tal van initiatieven genomen om dat te verhelpen. Als freelance historica hanteer ik een perspectief dat daarin volgens mij te weinig aan bod komt. In de afgelopen tien jaar ben ik namelijk intensief aan de slag gegaan met de vragen van onderuit. Daarover werd ik de afgelopen jaren zo veel bevraagd, dat ik mijn antwoorden in tekstvorm goot en uiteindelijk bundelde. Zo is dit boek ontstaan. Uit dankbaarheid en erkenning voor de vele mensen die me met pertinente en kritische vragen hebben uitgedaagd, geef ik de meest gestelde vragen in de loop van dit boek mee. Het boek is opgedeeld in drie hoofdstukken. Ik begin met het verhaal van De vierkante kilometer. In het kader van dit erfgoedproject voor het Gentse stadsmuseum STAM en haar erfgoedcel trok ik tussen 2018 en 2023 als historian in residence door de superdiverse wijken van Gent om samen met locals op zoek te gaan naar hidden histories. Het is niet mijn bedoeling dit project, dat nog steeds loopt, als best practice naar voren te schuiven of de inhoudelijke resultaten toe te lichten. In deze bijdrage beperk ik me tot een blik achter de schermen om uit te leggen hoe dit project vorm heeft gekregen en dus ook hoe de visie die ik in de rest van het boek voorstel, vorm heeft gekregen. In het tweede hoofdstuk zoom ik uit voor een blik op de bredere context. Over de thema’s in dit hoofdstuk (diversiteit, erfgoed, geschiedenis, participatie en democratie) worden letterlijk boeken vol geschreven, maar hier kies ik voor een benadering van onderuit in plaats van een academisch overzicht van de
8
literatuur. Ik buig me over een schijnbaar tegenstrijdige vaststelling uit het hoofdstuk daarvoor: terwijl de superdiverse samenleving roept om het verleden bespreekbaar te maken, worstelt de erfgoedsector met diversiteit. Hoe komt dat? Ik benader de vraag vanuit twee richtingen: eerst vanuit het heden naar het verleden en dan vanuit het verleden naar het heden. Aan het einde van dit hoofdstuk zal ik ervoor pleiten om van het verleden een meer gedeelde maatschappelijke verantwoordelijkheid te maken. Bij de totstandkoming van dit boek is over dit hoofdstuk ontzettend veel gediscussieerd. Toch heb ik hier niet voor de consensus gekozen, maar voor dialectiek. Ik stel de zaken op scherp, maar ik hoop wel met de juiste nuances. Laat dit hoofdstuk vooral voer zijn voor gesprek. In een derde en laatste hoofdstuk keer ik terug naar de erfgoedpraktijk. Als we het verleden inderdaad als een gedeelde verantwoordelijkheid beschouwen, hoe kan de erfgoedsector er dan mee aan de slag? Hiervoor werk ik het concept ‘onderhandelen’ uit. Verwacht van mij geen tips of tricks. Ik heb geen toolkits of gadgets in mijn mouw, maar wel drie stevige principes over hoe die onderhandeling het best kan gebeuren: door autoriteit te delen, door conversatie en door dienstverlening. In mijn ervaring geven die principes voldoende duidelijkheid over de richting, zonder dat ze een kader opleggen. Elke situatie en elke omgeving in deze hyperdynamische samenleving is zo verschillend − ook dat is eigen aan superdiversiteit − dat maatwerk altijd geboden is. Dit boek is in de eerste plaats een pleidooi om de onderhandeling over het verleden nú open te breken, want een samenleving zonder verleden heeft geen toekomst. Gelukkig hebben wij er wel een. Laten we het gesprek aangaan.
Tina De Gendt December 2022
9
Het verhaal van De vierkante kilometer Het verhaal van De vierkante kilometer is best te vergelijken met een steentje dat aan het rollen gaat en uiteindelijk een lawine veroorzaakt. Ik heb niet het eerste duwtje gegeven aan dat steentje, ik heb wel mee de rolrichting bepaald: niet van het museum naar de samenleving, maar van de samenleving naar het museum. Vanaf dat moment was niets in dit project nog bedacht en dat is precies wat het zo bijzonder maakt. Alles heeft van onderuit vorm gekregen. De magie van het project zit hem in het vertrouwen dat er was om dat steentje te laten rollen en ook andere stenen te verleggen. Die vrijheid heeft ons toegelaten de drempels en muren, gaten en kloven tussen onze superdiverse samenleving en erfgoed in kaart te brengen. In dit hoofdstuk doe ik het relaas van hoe die steen aan het rollen is gegaan en hoe hij uiteindelijk een lawine heeft veroorzaakt.
Waar begon De vierkante kilometer? Voor mij begint het verhaal van De vierkante kilometer waar alle goede verhalen in België lijken te beginnen: in de frituur. Ergens in maart 2018 kreeg ik telefoon van Ridvan, de uitbater van Frituur Tolpoort aan het Neuseplein in Gent. Hij had mijn hulp nodig, zei hij. Om iets te doen met ‘verhalen van vroeger’. Ik kende Ridvan van mijn onderzoek voor Turkije aan de Leie,
11
een boek over de geschiedenis van de Turkse migratie naar Gent1. Hij had me toen erg geholpen en die gunst wilde ik hem terugdoen. En een frietje, dat smaakt altijd natuurlijk. Bovendien was ik toen al enige tijd bezig met onderzoek voor mijn nieuwste boek De Poorten. Geschiedenis van de superdiversiteit, waardoor ik het grootste deel van mijn tijd doorbracht in de 19de-eeuwse gordel. Tussen 2010 en 2018 was ik als freelance historica steeds van het ene naar het andere project gesprongen, met migratiegeschiedenis als rode draad. In 2018 had ik voor mezelf uitgemaakt dat ik me volledig op de poortwijken van Gent zou richten. De wijk rond het Neuseplein, de Voormuide, is een typische poortwijk aan de voormalige Muidepoort van Gent, vandaag een van de belangrijkste transitzones van de stad met onder meer de Sleepstraat en het stedelijk opvangcentrum Verapa. Bovendien is het een wijk in volle transitie.
POORTWIJK Met poortwijk bedoel ik een wijk die op drie punten als poort functioneert. Historisch: Vanaf de middeleeuwen tot 1860 stonden in België rond elke stad tolpoorten. Dit waren vaak grote gebouwen die aan elkaar verbonden waren via een stadsmuur en een grachtengordel. In 1860 werd het tolrecht van de steden afgeschaft. Heel wat poorten werden afgebroken, in Gent verdwenen ze zelfs allemaal. In de plaats verschenen de industriële wijken: stadswijken met veel fabrieken en veel arbeiders. Demografisch: Vandaag worden deze wijken gekenmerkt door het grote verloop in de bevolking. Het zijn plaatsen van aankomst en vertrek, waar veel mensen slechts kort verblijven terwijl ze op zoek gaan naar een vaste stek. Een poort dus.
12
Stedenbouwkundig: Sinds de jaren 1990 wordt in de postindustriële wijken sterk geïnvesteerd in kansarmoedebestrijding en stadsvernieuwing. Tussenruimtes, oude havens en oude fabrieksgebouwen worden geconverteerd tot visitekaartjes van de toekomst. In die zin zijn het poorten naar de toekomst.
Meer weten? Het boek en de tentoonstelling De poorten wordt verwacht in oktober 2024
Toen ik aankwam, begreep ik snel dat ik vooral omwille van die transitie naar daar was geroepen. In enkele jaren tijd was de omgeving rond het Neuseplein drastisch veranderd. De wijk draagt al decennia de stempel ‘probleemwijk’: veel leegstand, weinig investeringen, veel armoede, weinig kansen, veel verloop, weinig burgerparticipatie. Daar leek een tiental jaar geleden plots verandering in te komen toen de ene na de andere verlaten industriële site werd omgetoverd tot een pronkstuk van stadsontwikkeling: een hip shoppingcentrum, een groen woonparadijs, een futuristisch schoolgebouw en ontzettend veel lofts. Ook de bewoners waren daardoor veranderd: de armsten moesten verhuizen, de rijksten grepen het moment aan om verloederde panden aan woekerprijzen te verkopen, een heleboel nieuwe mensen zochten opportuniteiten en iedereen daartussen leek op de dool geraakt. Omdat zo goed als alle oude stamcafés en andere ontmoetingsplekken waren afgebroken of heringericht, barstte de kleine frituur van Ridvan in de jaren 2010 uit haar voegen. Frituur Tolpoort is een van de laatste caravanfrituren van Gent en daardoor op zichzelf een soort relict. Voor veel bewoners vormde het een laatste houvast in een snel veranderende wereld. Het gevolg was dat er binnen de kortste keren in de fri-
13
tuur meer over geschiedenis werd gesproken dan op een gemiddeld historisch congres. Tussen de puntzakken en de frikandellen door deelden nieuw- en oudkomers verhalen, ideeën en vragen over het verleden van de wijk. ‘Moet iemand dat niet eens opschrijven?’ moet op een avond zijn geopperd. ‘Alsof iemand dat interesseert!’ moet iemand anders toen gezegd hebben. ‘Ik ken wel iemand!’ zei Ridvan. En een paar dagen later stond ik daar.
Naar wat verwijst De vierkante kilometer? Voor het stadsmuseum STAM begon het verhaal van De vierkante kilometer rond diezelfde tijd. Niet in de frituur, maar in de eerste zaal van het museum waar bezoekers met speciale slofjes over een gigantische en gedetailleerde luchtfoto van de stad kunnen lopen. Elke tegel op de vloer is één vierkante kilometer in de echte stad. Iedereen die er binnenkomt, ziet in een oogopslag de hele stad: inclusief de buitenwijken, de groene rand, de haven. Gent is geen grote stad wat inwoners betreft (ca. 260.000), maar ze strekt zich wel uit over een enorm grondgebied van zowat 157 km2. Dat is ongeveer zo groot als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest – dat weliswaar bijna vier keer zo veel inwoners telt. Toch blijft het verhaal van Gent vooral een verhaal over de middeleeuwse kuip: het historische hart van de stad. Wat met al die andere wijken? Hebben die dan geen geschiedenis? In de voorbereiding van een herinrichting van het museum opperde publiekswerkster Sarah Maréchal dat het raster van de tegelvloer kon dienen om systematisch elke tegel (een vierkante kilometer in de echte stad) apart onder de loep te nemen. Los van alle gepercipieerde wijken en historische indelingen. Met dat briljante idee werd het project De vierkante kilometer geboren. Meteen daarna kwamen de moeilijke vragen: Waar beginnen we? Hoe pakken we dat aan? Hoe betrekken
14
we de locals erbij? Wat gaan we vertellen over die delen van de stad waar we niet alleen heel weinig over weten, maar bovendien heel weinig erfgoed van hebben? Die vragen kwamen ook bij mij terecht. Ik koppelde ze aan de vraag van Ridvan en zo werd het Neuseplein de eerste testcase voor De vierkante kilometer. Een probeersel.
De vierkante kilometer 0.0: het Neuseplein Op het moment dat ik Ridvan ging vertellen dat het Stadsmuseum zich achter zijn zoektocht wilde scharen, was De vierkante kilometer nog een vrij klassiek erfgoedproject. Ook al noemden we het toen al participatief, de bedoeling was vooral zo veel mogelijk mensen te betrekken bij erfgoed, nieuwe groepen in contact te brengen met het stedelijke verleden, wellicht zelfs naar het museum toe te leiden. Maar dat zou niet lang zo blijven. Het museum beschouwde de residentie aan het Neuseplein als een experiment en de directie moedigde me aan om niet in projecttermen te denken, maar zo veel mogelijk te luisteren naar wat de buurt wilde. Ik begon met wandelen. Zelfs als geboren en getogen Gentenaar liep ik binnen de grenzen van tegel I16 constant verloren en lukte het me niet om de omgeving in een historische context te plaatsen. Het Neuseplein, moet u weten, is een van de meest bizarre, chaotische en ook wel gewoon lelijke pleinen die Gent rijk is. Het duurde weken voor ik ongeveer wist waar het ‘plein’ van het Neuseplein zich ongeveer had bevonden en door de vele fysieke veranderingen in de omgeving, moest ik constant bijstand vragen van bewoners en ex-bewoners om historische data en hedendaagse locaties aan elkaar te verbinden. Zo begon ik te werken met wandelinterviews, een methodiek die ik nog altijd gebruik.
15
WANDELINTERVIEWS Tijdens een wandelinterview nodig ik mensen uit om hun kennis, herinneringen, ideeën en vragen over de fysieke ruimte te delen en van daaruit vragen over het verleden te formuleren. De methode is vergelijkbaar met de participatory action research-methode die de revolutionaire onderwijshervormer Paolo Freire in de jaren 1960 introduceerde in de kritische pedagogie. Vanuit wandelingen door hun eigen leefomgeving, formuleerde hij samen met inwoners van afgelegen Braziliaanse dorpen kritische vragen om hen politiek bewust te maken. Voor publiekshistorici biedt deze methode een manier om door de ogen van de bewoners naar het verleden van hun omgeving te kijken. Niet alleen de ogen van oudere inwoners die de wijk hebben zien veranderen, maar ook van recentere inwoners die dan weer kunnen vergelijken met andere plaatsen op de wereld. Nieuwkomers stellen vragen die oudkomers zich niet (meer) stellen en wijzen vaak verbanden aan die ingeborenen niet kunnen zien. Bij de start van zo’n wandeling vraag ik niet specifiek naar geschiedenis of erfgoed, maar bijna automatisch botsen we op ‘plekken van betekenis’. Dit concept is een combinatie van het Creative City-concept van urbanist Charles Landry en het lieux de mémoires-concept van de Franse historicus Pierre Nora. Zo’n plek kan een formele herdenkingsplek − zoals een standbeeld of een monument − zijn, maar meestal zijn het plekken waar eerder informele herinneringen en betekenissen aan vast hangen: plekken die vragen oproepen of waar verhalen over rondgaan. Op mijn wandelingen breng ik die per persoon in kaart en nadien leg ik die kaarten op elkaar. Bij die analyse lichten specifieke plaatsen in de wijk − zoals een huis, een plein, een café of een park − op, waar de herinneringen, vragen en betekenissen van de buurt samenkomen. De betekenis van
16
die plekken is in een poortwijk nooit eenduidig en vaak zelfs conflicterend, waardoor ze zich vertalen naar vragen over geschiedenis. Behalve een-op-een wandelinterviews, organiseer ik ook wijkwandelingen met groepen buurtbewoners waar het publiek meer vragen dan antwoorden krijgt.
Meer weten? × Freire, P. (1970), Pedagogy of the oppressed, New York: Herder and Herder × Landry, C. (2017), The Civic City in a Nomadic World, Nai010 Publishers
Langzaamaan begon zich een rode draad te vormen door alle wandelingen heen. Die draad ging niet over de omgeving en ook niet over erfgoed, maar wel over iets dat dieper ligt: geschiedenis. In het volgende hoofdstuk kom ik terug op de gecompliceerde driehoeksrelatie tussen geschiedenis, erfgoed en verleden. Maar aan het Neuseplein kwam ik na enkele weken in elk geval al uit op twee tegenstrijdige vaststellingen over die driehoek. In de eerste plaats de geruststelling dat geschiedenis inderdaad leeft. Werkelijk iedereen met wie ik sprak, jong of oud, nieuw of ingeboren, man, vrouw of X, allemaal waren ze op de een of andere manier met het verleden bezig. De tweede vaststelling was minder geruststellend: slechts enkelingen voelden er iets voor betrokken te worden bij het erfgoed van de buurt of van de stad. En dat waren dan meestal juist de mensen die al betrokken waren bij musea. De overgrote meerderheid was vooral op zoek naar iets anders, dat ik samenvattend zou beschrijven als erkenning van mede-eigenaarschap. Die nood en frustratie kwam in bijna alle gesprekken naar boven. Zowel de vele oud-schippers in de wijk, de
17
oorlogsvluchtelingen die er in de jaren 1990 waren aangekomen, de Turkse en Vlaamse arbeidersgezinnen, als de WestVlaamse studenten: allemaal voelden ze zich op de een of andere manier verstoken van geschiedenis. Het voorbeeld van Ridvan zelf is misschien wel het duidelijkst. Toen de buurt in al haar diversiteit over het verleden was komen praten in zijn frituur, had hij mijn hulp ingeroepen om een paar van die verhalen te noteren. Maar de motivatie achter die hulpvraag, zo vertelde hij me later zelf, was dat hij zelf erkend wilde worden als deel van dat verhaal. Als Turkse Gentenaar slaagde hij er maar niet in de ouderen van de wijk duidelijk te maken dat hij helemaal geen nieuwkomer was die betrokken moest worden bij het verleden, maar dat hij zelf al vijftig jaar op dezelfde vierkante kilometer woonde als zij. En dat hij en zijn familie ook een verhaal hadden dat best de moeite waard was om verteld te worden. Hoe zijn vader als gastarbeider in België was beland, hoe ze als kind in de beluiken hadden gewoond en hoe zijn familie tal van ondernemingen had gestart die de buurt vandaag nog steeds draaiende houden. Lang niet iedereen waar ik mee wandelde, was erop uit zijn of haar verhaal in de geschiedenisboeken te krijgen. Het gevoel van miskenning zat ook in andere zaken. Ik sprak bijvoorbeeld ook mensen die vooral op zoek waren naar aanknopingspunten om het heden te begrijpen. Jonge tweeverdieners die iets wilden maken van de buurt, die er graag hun kinderen wilden zien opgroeien, maar er ondanks alle goede bedoelingen niet in slaagden om contacten te leggen die verder gingen dan een vriendelijke ‘goeiendag’ bij de bakker. Zij zagen kennis over het verleden als de sleutel om opgenomen te worden in de buurt. Nog anderen wilden vooral de bril waardoor het verleden wordt bekeken – wit, mannelijk, rijk – aanklagen en nog anderen zochten naar sporen van historische connectie tussen hun
18
Uitgeverij Academia Press Coupure Rechts 88 9000 Gent België www.academiapress.be Uitgeverij Academia Press maakt deel uit van Lannoo Uitgeverij, de boeken- en multimediadivisie van Uitgeverij Lannoo nv.
ISBN 978-94-014-9138-9 D/2023/6852/6 NUR 740/764 Tina De Gendt Ons gedeeld verleden. Sleutel voor een samenleving in transitie. Gent, Academia Press, 2023, 166 p. Eerste druk, 2023 Foto cover Marcus Haenebalcke, 1971 (Amsab-ISG) Vormgeving cover Mario Debaene Vormgeving binnenwerk Keppie & Keppie Zetwerk binnenwerk Keppie & Keppie © Tina De Gendt & Uitgeverij Lannoo nv, Tielt Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.