Op een open plek aan de rand van het bos ligt een oud verrot stuk hout. Een pad kruipt er traag onder vandaan. Traag. Eerst steekt ze alleen haar kop naar buiten en tuurt in het rond. Niets te zien. Niets. Maar ze hoort een gerucht. Een langzaam geschuifel. En toch, niets te zien. Niets.
Ze kruipt verder, tot ze helemaal onder het hout uit is. Vrij. Nu hoort ze opnieuw het geschuifel, vlakbij. Het komt van achter haar. Geschuifel. De pad kijkt achterom.
Een vette slak probeert moeizaam het stuk hout te beklimmen. ‘Wat zoek jij daar?’ ‘Er gaat hier iets gebeuren’, antwoordt de slak. ‘Iets gebeuren?’ ‘Ja.’ ‘Hoe kun jij dat weten?’ ‘Gewoon, het gebeurt haast iedere dag en vandaag is het mooi weer. Ideaal’, zegt de slak terwijl ze op het stuk hout een plaats uitkiest. ‘Daar weet ik niets van,’ mompelt de pad, ‘dat wil ik ook wel eens zien.’ Ze kruipt op een platte kei die naast het stuk hout ligt. De slak kijkt in stilte voor zich uit. ‘Zo, dan wachten we maar af,’ besluit de pad, ‘ik ben benieuwd.’
Een lichte nevel trekt langzaam op. Zonlicht strekt zich uit. Een distel staat hoog rechtop. Weegbree groeit. Uit een piepklein kuiltje in het zand kruipt een mier tevoorschijn. Daarna nog een en nog een. Tientallen mieren zoeken in het zand. Een vindt een kruimel. Meteen vormen de mieren een rij, van het kuiltje naar de kruimel. Iedere mier breekt er een stukje af en sleept het naar het kuiltje. In een ommezien zijn alle mieren in een lange stoet in de weer.