Skip to main content

9789401489478_4a1ad48e522fc5

Page 1

o

e

v

n

Dit b oe k is

o

r

g

e s c h r

e

v

aan

door de

zeemeeraap van

E E AAN Z E

E

O

W


Het geheim van de meermindusa

Thomas Taylor met illustraties van de auteur

Vertaald door Aleid van Eekelen-Benders


Voor Oliver, Patrick, Max, Benjy, Oscar, Leo, Eva, Kaisa, Arthur, Rémy, Georgiana, Bobby, Stella, Mathi en Rowan. (Pfff!) T.T.


W

s t e e gj e

al

ru

s

De

orm

theek

lf

ijn

-

B in

St

eese Leesapo

&

nenland

Ow

De

Wu

lk

pl

ei

n

Do

fé Ca

e

ba Bal

w ou

Aangesp

vr Me

eb

likron

IM

Ca

de

Ze

es

weg

He

t si’s va las Tha k r te tij Dok prak

UL

A

ch

ui

m

st

ee

er

lw

VA

e st

D N Viss

erss

c

r huu

Ki

ez

el

s

tje

s

a tr

nd

je

S

er

RD

Bo

el

m

gje

k

n

m eu us ee M Ow

BO

EV

T

y

d la van

a

GR

un

ER

R

al

GR A NA HOTEND UT L IL US

Fos

rr

ST

tje ge

reef

Wijting

ocht

Ka

d Dobber

tb

N O WEE

huis

sie l oeldewa s ren

rk

telooske os o

e

Tr

Bo

pg ee an

sti

ls

ba Se

Aa

FE

V

Sint

n

a

tj

ein

an

n

i

la

aa

V

n in

n ge

G

Station

A

Kr

ak

en


r uu

PLATTEGROND

m n

AAN

E

E

M

I

é

T

S r

de

Pie

s

an Ein het d va n

e

ng

eat

er a

Me

i uw

MUILR

PI

O

Het W

DE

ra

k

va

ER

TS

E

AT

n

de

HAN

Th

Z

OWEE ZEE af

VAN

tc

ve

Ee

Ha

V LE

I

N


Midwinter Tijd. Dat is toch gewoon het een na het ander? Het ene moment ben je opgewonden over alles wat gaat komen, het volgende voelt het alsof al die nieuwe beginnen alleen maar de eerste stappen naar het einde waren. ‘Herbie.’ Het is dat getik wat me op de zenuwen werkt, dat eindeloze getik van een klok terwijl hij al die dingen wegtikt die je nog niet hebt gedaan... ‘Herbie?’ ... en je eraan herinnert dat je altijd te laat bent, zelfs voor de dingen die je wel doet. ‘Herbie! Wakker worden!’ De stem van mijn vriendin, Violet Purperwier, mept me ­terug naar het hier en nu. Het is avond en we zitten in mijn gevonden-voorwerpenkelder, in de gezellige gloed van de houtkachel tussen een eeuw aan gevonden spullen, kwijt­ geraakte weet-ik-veels en meer dingsigheidjes dan je bij e­ lkaar 9


kunt verzinnen. IJzige sneeuw krabt aan het kelderraam en het troosteloze eind-decemberweer waait met vlagen door het stadje Owee aan Zee. Violet zit tot haar kin onder dekens en een spinnende Erwin de kat in mijn leunstoel, terwijl ik, Herbert Citroen, gevonden-voorwerper van het Grand Hotel Nautilus, wiebelig op de onderste traptrede naar iets in mijn hand zit te staren. Want het is gewoon weer opnieuw gebeurd, hè? ‘Sorry!’ breng ik uit. ‘Voelde... Voelde je dat?’ ‘Wat?’ Ze kijkt me nieuwsgierig aan. ‘Je bel ging, je liep naar boven om je klant te helpen en nu ben je weer beneden en klamp je je met een groen gezicht aan de muur vast. Wat valt er te voelen?’ Ik schud met mijn hoofd om het helder te krijgen. Het is wel duidelijk dat Violet de laatste tijd geen owee trillingen, geen duizelig-hoofd-tintelende-vingers-gevoel heeft op­ gemerkt zoals ik wel heb gedaan: een vreemde wazigheid waarvan mijn hersens heel raar gaan doen en mijn gedachten alle ­kanten op rennen. Maar goed, een onprettig gevoel krijgen van dingen is wel een beetje een specialiteit van mij, vooral wanneer het eigenlijk allang tijd is voor een nieuw avontuur. ‘Het is niks.’ Ik zet mijn pet recht. ‘Laat maar.’ ‘Het is niet niks’, zegt Violet terwijl ik naar de leunstoel toe kom. ‘Er is net iets bij de gevonden-voorwerperij ingeleverd en daar ben jij helemaal raar van geworden. En ik zou weleens willen weten wat...’ Dan schiet ze, voor ik haar kan tegenhouden, omhoog en graait het voorwerp uit mijn hand. En wat is het dan wel wat de bel op mijn balie liet rinkelen 10


en mijn gedachten in de richting van verdwenen tijd liet tikken? Goed, kijk zelf maar. Het is een horloge. Een gedeukt, kapot horloge dat duidelijk jaren geleden ­verloren is. ‘Ooh’, zegt Violet terwijl ze het van alle kanten bekijkt. ‘Zo een dat je nog moet opwinden.’ Ze draait met duim en wijsvinger ruw aan het knopje en begraaft het horloge dan in haar woeste haarbos, zo ongeveer waar haar oor moet zitten. ‘Noppes’, verklaart ze teleurgesteld. ‘Nog niet één tikje.’ Ze houdt het horloge omhoog om me de kapotte wijzerplaat te laten zien. ‘Dood!’ verklaart ze dramatisch. ‘Voorgoed verstild op het moment dat er een afschuwelijk misdrijf plaatsvond...’ ‘Geef hier!’ Ik gris het horloge terug. ‘Ik heb nog geen kans gehad het te bekijken, meer niet. Een schoonmaker heeft het gevonden, ergens achter een radiator in het hotelrestaurant. Daar heeft het vast jaren gelegen. Het heeft gewoon wat zorg en aandacht nodig, meer niet.’ ‘Een afschuwelijk misdrijf,’ vervolgt Violet alsof ik niets heb gezegd, ‘dat klokslag middernacht werd begaan!’ ‘Middernacht?’ Ik kijk weer naar de gebarsten wijzerplaat. De twee wijzers wijzen recht omhoog naar de twaalf, alsof het horloge op zijn allerlaatste moment heeft geprobeerd zich over te geven. ‘Kan ook twaalf uur ’s middags zijn’, opper ik. ‘Waarom kies jij altijd de meest verontrustende mogelijkheid?’ Grinnikend krabt ze Erwin achter zijn oor. ‘Hoe dan ook, Herbie, geen mens wil dat horloge nu nog 11


terug hebben. Het ziet eruit of er iemand op is gaan staan. Ik zou het maar weggooien.’ ‘Weggooien!’ sputter ik. Ik kan mijn oren nauwelijks geloven. ‘In de prullenbak, bedoel je?’ ‘Natuurlijk. Het heeft geen nut meer. Zeg nu niet dat je het gaat bewaren.’ Ik houd het horloge omhoog en draai het rond in het licht. Nog afgezien van die barst in het glas en het stof van tien­tallen jaren: het leren bandje is keihard van de radiatorwarmte en de stalen kast zit vol krassen. Er is weinig hoop dat dit horloge te repareren valt, dat geef ik toe. Maar dan gaat mijn blik naar het plankje onder de haak waar ik mijn gevonden-voor­ werperspet ophang. Daar ligt, glanzend in het warme licht van het vuur en volgestouwd met mechanische wondertjes, mijn ­vertrouwde opwindheremietkreeft met zijn parelmoerachtige schelp, ­Snorrie. ‘Ik snap echt niet, Violet,’ zeg ik, ‘dat je zelfs na een vol jaar hier nog steeds niet doorhebt hoe mijn ­gevonden-voorwerperij werkt. Het is mijn baan om voor dit horloge te zorgen, hoe ­gedeukt en gehavend het ook is. En het aan zijn rechtmatige eigenaar terug te geven als ik dat kan.’ Na die woorden pak ik zelf het knopje tussen duim en wijsvinger en geef er een resolute, deskundige draai aan. Dan houd ik het horloge bij mijn oor. Maar als ik had gehoopt Violet op de een of andere manier iets te bewijzen, dan word ik teleurgesteld. Het horloge is stil en staat stil. Zo dood als een pier. ‘Gooi het nu maar gewoon weg, Herbie’, houdt Violet vol, 12


en ze gaat door: ‘En ik ben nog geen vol jaar hier, hè? Nog niet. Het was midwinternacht toen ik aankwam, weet je nog? Dat is pas over twee dagen.’ Of ik dat nog weet? Hoe zou ik dat kunnen vergeten? En wat een nog-geen-vol-jaar is het geweest! Een stortvloed herinneringen aan onze avonturen spoelt ongevraagd door mijn hoofd: onze bijna-doodervaring met de legendarische malamander, huiveringwekkende heibel met de stormvis Gargantis, onze beangstigende omgang met een wezen dat bekendstond als de Schaduwgruw en daarna, nog maar een paar weken geleden, al die gruwelijke gebeur­ tenissen in het Festergrim Wassenbeeldenmuseum. Mijn leven is niet bepaald saai sinds Violet erin is opgedoken. Maar dat zeg ik allemaal natuurlijk niet. Ik ben vandaag de dag dan wel een nieuwere, moedigere Herbie, maar ik ga echt geen gesprek over avonturen aanmoedigen, niet met de langste nacht van het jaar zo dichtbij, en met Kerstmis net om de hoek. In plaats daarvan pak ik de smalste schroevendraaier die ik op mijn werkbank kan vinden en wip de achterkant van het kapotte horloge eraf. In tegenstelling tot de verruïneerde buitenkant glimt het mechanisme binnenin als gloednieuw. Ik houd het onder de lamp, tuur naar de veertjes en radertjes en vraag me af waar ik in vredesnaam moet beginnen. ‘En het was allemaal dan wel heel spannend, de tijd dat ik hier was,’ klinkt Violets stem weer, ‘maar wat heeft het voor nut gehad?’ Als ik opkijk, merk ik dat het nu haar beurt is om in het 13


niets te staren. Haar opgewonden stemming is ineens verdwenen en haar ogen glinsteren in haar haarbos. ‘Prp?’ zegt Erwin. ‘Een jaar!’ roept Violet. ‘Een jaar sinds ik hiernaartoe kwam om mijn ouders te zoeken, Herbie, maar wat ik vond was... jou! En Owee aan Zee en een heel nieuw leven vol avontuur en magie. En toch, hoe geweldig het allemaal ook was, toch ben ik nog geen stap dichter bij de oplossing van het raadsel van mijn verdwenen ouders dan die eerste avond. Dus misschien is dit fantastische jaar uiteindelijk toch helemaal voor niks geweest.’ ‘Het is niet niks!’ roep ik, precies zoals Violet daarnet. ‘Ik bedoel, je kwam je ouders zoeken en... en in plaats daarvan vond je jezelf. Als een personage in een boek of zoiets.’ ‘Dat is wel een beetje cliché, Herbie.’ ‘Ja, nou ja.’ Ik buig me weer over het horloge. ‘Maar toch is het zo.’ En dan zie ik het: een minuscuul, glinsterend zandkorreltje, klem tussen twee radertjes. Ik pak mijn schroevendraaier en duw het er zo behoedzaam als ik kan tussenuit. Meteen word ik beloond met het geluid van een tikje en de aanblik van piepkleine koperen radertjes die voor het eerst in ik-weet-niet-hoelang weer draaien. ‘Zo.’ Ik maak het horloge weer dicht en geef het aan Violet. ‘Als jij het nu even op de goede tijd zet, alsjeblieft, dan schrijf ik een gevonden-voorwerp-etiket en – hé!’ Dat laatste schreeuw ik omdat Violet opeens opspringt uit haar stoel, waarbij Erwin de hele kelder door vliegt.

14


‘Herbie!’ roept ze. ‘De tijd! Ben je vergeten wat we vanavond gaan doen? We komen te laat!’ In minder dan geen tijd heeft ze het horloge gelijkgezet, het om haar pols gegespt en trekt ze haar jas aan. Ik doe een huiver. Daar kan ik niks aan doen! Ik ben niet vergeten wat we vanavond gaan doen, maar ik hoopte dat Violet het wel was vergeten. ‘Kijk niet zo.’ Grinnikend doet ze haar sjaal om. ‘We hebben het beloofd. En te oordelen naar het weer daarbuiten is het er de ideale avond voor.’ ‘Dat vind ik juist zo verontrustend!’ Ik pak ook mijn jas en probeer niet naar het donker achter het raam te kijken. Het is nog maar twee dagen vóór de nacht waarin volgens de legende een angstaanjagend wezen dat de malamander heet, uit zijn hol tevoorschijn komt om op het strand van Owee aan Zee op jacht te gaan. Het is waanzin om op een avond als deze in de buurt van de zee te komen, en Violet en ik hebben – na alles wat er de vorige midwinter is gebeurd – meer reden om er weg te blijven dan de meeste mensen. En toch staan we nu op het punt precies dat te gaan doen. ‘Kom op, Herbie.’ Violet doet het kelderraam open en laat een vlaag gure sneeuwlucht binnen in mijn knusse woning. ‘We mogen niet te laat komen.’ En dan, met een knipoog: ‘We moeten een monster vangen.’

15


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
9789401489478_4a1ad48e522fc5 by Uitgeverij Lannoo - Issuu