Dita Zipfel & Bea Davies
ze noemen ME
mi e r Vertaald door Corry van Bree
www.lannoo.com www.de-leukste-kinderboeken.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Oorspronkelijke titel: Brummps. Sie nannten ihn Ameise Tekst: Dita Zipfel Illustraties: Bea Davies Oorspronkelijke uitgever © 2022 Carl Hanser Verlag GmbH & Co. KG, München Nederlandse editie © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2023 Vertaling: Corry van Bree Vormgeving: Studio Lannoo (Mieke Verloigne) ISBN 978 94 014 8850 1 D/2023/45/15 NUR 283 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
You know I love you now It’s true There’s a hidden dance Only we know how to do Devendra Banhart – Love Song
1
Dit is Jonas. Jonas de mier. En Jonas zit tot over zijn oren in de problemen. Het grootste deel van zijn lichaam en vier van zijn zes poten zitten vast in een hoop kleverige, grijze, taaie vossenpoep.
7
De vos is natuurlijk nergens te bekennen, die is er allang vandoor. Hij heeft alleen zijn behoefte onder een spar gedaan. Maar de vos is het probleem ook niet. Het probleem is:
Zonder hulp komt Jonas hier nooit meer uit. Eerlijk gezegd verdwijnt hij door zijn gespartel steeds dieper in de stinkende hoop. Gelukkig heeft Jonas een vriendin. Meer heb je niet nodig in het leven. Ik weet zeker dat zijn vriendin – als we lang genoeg wachten – Jonas uit zijn benarde situatie komt bevrijden. Dat is tot nu toe altijd zo geweest. Hoe Jonas hier terechtgekomen is, vraag je? Waarom hij zijn kop in die grote hoop heeft gestoken? Tja, Jonas is goed in een heleboel dingen, maar ruiken hoort daar niet bij. In elk geval niet als je het aan de andere mieren vraagt. De opperbouwmier heet Cheffie en de bouwmieren heten allemaal Zus, omdat ze dat nu eenmaal van elkaar zijn en het zo gaat bij mieren. Daar kom ik later op terug. Ze vragen Jonas 8
vaak om hulp. Dan hebben ze fantastisch bouwmateriaal ontdekt en kunnen zijn hulp bij het transporteren daarvan uitstekend gebruiken. Dan kan het weleens op deze manier eindigen. Cheffie en de bouwers zijn namelijk gemeen, terwijl familie voor Jonas heilig is. Daarom is er maar één optie voor hem. Als iemand van de familie hulp nodig heeft, dan staat Jonas klaar.
GH, R A A A TOM
S HOE ZIJN ? JE KUN
HÉ… DINGES… SU KKEL ! HIER KOMEN! WE HEBBEN
BOUWMATERIA AL
! EH…
DAT MOEST IK ZEGGEN. HET WAS CHEFFIES IDEE.
HAHA, NEE, IK…
WAT ZAL HIJ STINKEN ALS HIJ TERUGKOMT!
ÁLS HIJ TERUGKOMT, CHEFFIE, ÁLS HIJ TERUGKOMT.
Ik zei het toch al? Ze zijn gemeen.
2 WAAR IS JE HELM, JONAS?
‘Regel nummer één: nooit zonder kopbescherming werken.’ ‘Maar wat zou een helm hierbij –’ ‘En daarnaast nooit, nooit, helemaal nooit geloven wat Cheffie en de andere bouwmieren zeggen! Welke regel is dat?’ ‘Nummer zeventien, ik weet het. Maar –’ ‘Je mag ze gewoon niet vertrouwen. Ben je vergeten dat ze je een keer gegist luizensap hebben laten drinken? En dat jij de hele nacht zo hard gezongen hebt dat de citroenvlinder van hiernaast je een pak rammel wilde geven, terwijl citroenvlinders dat in principe nooit doen?’ ‘Ik weet het, maar –’ ‘Of die andere keer, toen ze je zo diep het bos in stuurden 10
om speciale lijm voor Mama Majesteit te zoeken dat je de weg terug niet meer kon vinden?’ ‘Nee –’ ‘Bovendien was er helemaal geen speciale lijm en heeft Mama Majesteit dat ook nooit aan ze gevraagd.’ ‘Ik weet dat –’ ‘Of die keer dat ze je voelsprieten aan elkaar geknoopt hebben terwijl je sliep en je niet meer in een rechte lijn kon lopen?’ ‘Ja, dat weet ik, maar –’ ‘Dat zag er trouwens heel grappig uit, Jonas.’ ‘Hm.’ ‘Je schommelde alle kanten op. Bam, een tak midden in je gezicht. Bonk, een gat waar je in viel.’ ‘Het probleem is dat ik de bouwmieren gewoon altijd te laat herken.’
DAT IS ECHT EEN PROBLEEM, JONAS MIER .
Ja, je hebt het niet verkeerd gelezen. Het sympathieke diertje waarover we het hebben heet Mier – Jonas Mier – en je ziet natuurlijk ook dat hij anders dan de anderen is. Hij is in elk geval anders dan de andere mieren. Als je nu denkt: het is toch prachtig dat er zoveel verschillen in de natuur zijn, dan heb je helemaal gelijk. Maar aan de andere kant ook weer niet. Of in elk geval heb je er geen idee van hoe dat bij de mieren zit. Die zijn namelijk allemaal hetzelfde. Ga eens een keer bij een mierenspoor zitten en vertel me de verschillen. Kijk hoe ze naar de mierenhoop kruipen, zoek een mier uit en observeer haar een tijdje. Kijk goed naar haar, heel nauw12
keurig, en onthoud alles precies. Dat is jouw mier. Geef haar voor mijn part een naam. Daarna doe je je ogen een seconde dicht. Langer hoeft niet. Doe je ogen weer open en wijs jouw mier aan. Je Emma-Sophie. Je Louisa. Je Verena-Stefanie. En? Precies. Zo zit dat met de verschillen tussen de mieren. En als je nu denkt: oké, ik begrijp het, er zijn geen verschillen tussen de mieren, maar Jonas is geen mier, dan heb je alweer gelijk. Jonas is inderdaad geen mier. Jij weet het. Ik weet het. Alleen Jonas, zijn vriendin Bout, de bouwmieren en alle andere bewoners van Mierenhoop Drie weten dat niet. Ik zal je vertellen hoe dat zo is gekomen. 13
3 Het was toen voorjaar, net als nu. Het was een koude ochtend, maar het was niet meer zo donker als een paar weken ervoor. De bomen ontwaakten langzaam uit hun winterslaap en er groeiden knoppen, verse naalden en nieuwe blaadjes uit hun takken. Alles kwam tot leven, werd met de dag luidruchtiger, bereidde zich voor op het jaarlijkse concert waaraan iedereen – zonder uitzondering – meedoet. De spechten en de mezen, de kevers, de bijen en de bloemen. De wormen, de vossen, de muizen en de egels. De mieren natuurlijk, de reeën en de grassen. Het begint aarzelend in maart, wordt luider in april, groeit in mei en juni om in juli het hoogtepunt te bereiken. Daarna neemt het langzaam af tot iedereen in november zwijgt. Sommigen rusten, anderen vallen in een diepe slaap en laten zich het jaar erna pas weer horen. En deze dag, de dag waarop het verhaal van Jonas begint, gebeurde er iets als een donderslag bij heldere hemel. Ik slaap niet. Nooit. Daarom werd ik ook niet wakker van het kabaal, maar de mieren wel. Het was verbazingwekkend. Het moment, vlak voordat de zon haar eerste stralen het bos in stuurt, duurt maar heel kort, maar precies op dat 14
nog donkere moment klonk er een bonk. Mieren zijn het gewend om tegelijk met de zon op te staan, niet ervoor en niet erna. En hoewel het maar een tel te vroeg was, was het toch te vroeg. Daarom was de opwinding in Mierenhoop Drie groot, zo groot dat zelfs Mama Majesteit wist – oké, dat ze niet wist – wat er aan de hand was. En omdat dat onmogelijk is – Mama Majesteit moet altijd weten wat er aan de hand is – ging ze op onderzoek uit. Ze verliet haar kamer, waarmee ze zichzelf in levensgevaar bracht, en ging ernaartoe. Ik was op dat moment natuurlijk allang op de hoogte, maar dat is mijn probleem. Ik kan alleen kijken naar alles wat er gebeurt. Ik weet alles, dat is niet overdreven, echt álles, maar ik kon niet zeggen: ‘Mieren, willen jullie weten wat er gebeurd is? De merel, die vroege vogel, heeft haar ontbijt uit haar snavel laten vallen. Voor jullie mierenhoop ligt een mestkeverbaby.
Hij glanst zwartgoud in de ochtendzon en heeft jullie hulp nodig.’ Hoewel mieren heel veel kunnen, heel sterk zijn en er veel, echt heel veel van zijn – zodat ze op een dag de wereldheerschappij misschien wel in handen krijgen omdat ze taai zijn, keihard werken en elkaar uit de grootste gevaren redden – weten ze zich soms ook geen raad. Toen Jonas nog heel, heel klein was, hadden ze al kunnen zien dat hij geen mier is. Ze hadden hem dan ook kunnen opnemen, kunnen helpen, maar misschien was het voor iedereen beter geweest als Mama Majesteit, toen ze de gewonde babykever zag, niet had geroepen: ‘Het is er een van ons! Ze heeft hulp nodig!’
16
En eerlijk gezegd: het was duidelijk dat Mama Majesteit op hetzelfde moment begon te twijfelen. Hoe kan het anders dat ze Jonas niet Zus Bonk of zoiets heeft genoemd, maar dat het Jonas werd? Jonas M. Het probleem met majesteiten is namelijk dat ze onfeilbaar zijn, wat wil zeggen dat ze geen fouten maken. Nooit. En als dat toch gebeurt, zoals in dit geval, kunnen ze dat dus niet toegeven, want majesteiten zijn onfeilbaar. Zo is het nu eenmaal. Stel je voor dat Mama Majesteit op dat moment naar haar intuïtie had geluisterd en de volgende ochtend gewoon had gezegd: ‘Sorry, mieren, ik had het mis. Het is geen mier maar een kever. Laten we hem helpen, maar dan op de juiste manier. We proberen uit te zoeken wat hij nodig heeft. We gaan zijn familie zoeken.’ Dan zou alles nu anders zijn en zou ik je nu misschien over de specht met het gebroken hart of de narcis met de stinkadem vertellen in plaats van over Jonas, de grootste mier ter wereld. 17
Maar nee, Mama Majesteit heeft gezegd wat ze gezegd heeft en dus wordt prof. dr. dr. Zus opgetrommeld, met een paar verpleegsters in haar kielzog. Jonas wordt Mierenhoop Drie in gedragen, waar altijd de juiste temperatuur heerst, en wordt met behulp van luizensap zo goed verpleegd dat hij na een week al bijna niet meer in de gangen van de mierenhoop past. Op de achtste dag moet baby Jonas de mierenhoop voor altijd verlaten en wordt hij door een hele groep werkmieren door de gangen de mierenhoop uit geduwd. Voortaan leeft hij buiten. Dag en nacht, in regen en sneeuw, terwijl hij niets liever wil dan erbij horen. Zo ging dat. Daarom denkt nu het voltallige mierenvolk, en ook Jonas zelf, dat hij een te zwakke, te dikke mier is.