PRIVAATRECHTSGESCHIEDENIS
BW.indd 1
23/08/2022 11:05
BW.indd 2
23/08/2022 11:05
DIRK HEIRBAUT
PRIVAATRECHTSGESCHIEDENIS VAN DE ROMEINEN TOT HET BELGISCH BURGERLIJK WETBOEK
BW.indd 3
23/08/2022 11:05
BW.indd 4
23/08/2022 11:05
WOORD VOORAF Bij het schrijven van dit boek kon ik rekenen op de ‘raad en daad’ van enkele vrienden en collega’s. Hun namen mogen hier dan ook niet onvermeld blijven. Vooreerst wil ik mijn dank betuigen aan wijlen Raoul Van Caenegem, mijn leermeester en grote voorbeeld. Dit boek is anders opgevat dan zijn Geschiedkundige inleiding tot het privaatrecht, maar dat heeft hem er niet van weerhouden me aan te moedigen andere paden te betreden. Daniel Lambrecht, mijn voorganger als docent privaatrechtsgeschiedenis te Gent, verdient al evenzeer mijn dank. Vele jaren lang heb ik als zijn assistent met hem kunnen discussiëren over de geschiedenis van ons privaatrecht. Dit boek is, als uitloper van die discussies, ook een deel zijn werk. Een derde grote figuur wiens schaduw in dit boek rondwaart, is Philippe Godding. Zijn Le droit privé dans les Pays-Bas méridionaux du 12e au 18e siècle heeft ervoor gezorgd dat een geschiedenis van het privaatrecht in België meer kan zijn dan een studie van alleen maar het externe recht of het Romeins recht. Mijn opvattingen over dat laatste zijn zeer sterk beïnvloed door Robert Feenstra en vooral door Laurent Waelkens. Ik volg misschien niet altijd diens soms zeer radicale en afwijkende ideeën over het Romeins recht, maar ze zetten me wel aan het denken. Dat geldt ook voor de geschriften van Reinhard Zimmermann, een andere grote geleerde aan wie ik schatplichtig ben. Mijn denken over het privaatrecht is uiteraard ook beïnvloed door mijn vroegere professoren aan de rechtsfaculteit te Gent: Hubert Bocken, Christiaan De Wulf, Christian Engels, Johan Gerlo, Johan Erauw en Marcel Storme. Onder de overige collega’s die mijn dank verdienen mag ik zeker volgende namen niet onvermeld laten: Dirk Van den Auweele, Chris Coppens, Dave De ruysscher, Monique Van Melkebeek, Gerd Verschelden, Ignace Claeys, Joke Baeck, Frederik Peeraer en Alain Wijffels. Ook wijlen Theo Veen en Gustaaf Baeteman ben ik zeer erkentelijk. Gerard Sinnaeve heeft het manuscript nageplozen op taal- en schrijffouten en daarvoor kan hij niet genoeg bedankt worden. Tot slot wil ik hier ook nog de twee andere Gentse professoren in de rechtsgeschiedenis, Georges Martyn en Rik Opsommer, in de bloemetjes zetten. Hun steun, 5
BW.indd 5
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ aanmoediging en vriendschap hebben ervoor gezorgd dat dit boek op tijd klaar geraakt is. .................................................................................. Dat geldt ook voor mijn medewerkers en oudC. Rechtsbronnen 51 medewerkers in hetdeGentse Rechtshistorisch Bruno Debaenst, 1. De gewoonte: mos maiorum (gewoonteInstituut, van de voorouders) ..... 51 Frederik Dhondt, Stefan Huygebaert, Sebastian Vandenbogaerde, 2. De wet.............................................................................................. 51 Maarten der Haegen, Filip Batselé, Niels a. DeVankeersbilck, Wet der TwaalfMathias TafelenVan ......................................................... 51 Fieremans, Pieterjan Schepens, Jasper Van de Woestijne, Falco Van der b. Andere wetgeving ........................................................................ 51 Schueren en bronnen Florenz Volkaert. Bijzondere dank ben ik verschuldigd aan 3. Andere van recht ............................................................... 52 Kaat Cappelle en Ramses Delafontaine die mijn handboek gebruiken in D. Procedure 52 hun lessen en .......................................................................................... mij vanuit die ervaring nieuwe perspectieven boden. Last Vroegste fasehet ................................................................................... 52 but1.not least, past hier ook mijn waardering uit te drukken voor al het 2. Legis actiosecretaresse ....................................................................................... 52 werk van onze Karin Pensaert. Dit boekVOORKLASSIEKE heeft een andere titel gekregen dan CA. zijn250 voorgangers. III. DE PERIODE (VAN V.C. TOT Het beginpunt ligt nog steeds in het antieke Rome. Het eindpunt is het HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 nieuwe wetboek van privaatrecht. Officieel draagt dit echter niet als naam ‘Nieuw Het is gewoon het ‘Burgerlijk A. Rome groeitBurgerlijk uit tot een Wetboek’. wereldrijk .................................................. 55 Wetboek’. Dat kan in dit boek leiden tot verwarring met het Burgerlijk Wetboek van 1804................................................................................... Ik verkies daarom de naam ‘Belgisch Burgerlijk B. Rechtsbronnen 55 Wetboek’. Dat maakt meteen ook duidelijk dat het hier gaat om het eerste 1. De gewoonte .................................................................................... 56 burgerlijk wetboek................................................................................... dat de Belgische juristen zelf gemaakt hebben. 2. De wetgeving 56 Daardoor kan dit wetboek ook gelden als een teken dat het Belgisch 3. Het magistratenrecht ....................................................................... 56 privaatrecht eindelijk op eigen benenen kan a. Onderscheiden van ius civile iusstaan. honorarium ........................ 57 b. Onderscheiden van ius civile en ius gentium .............................. 57 Hamme, augustus 2022actiones ............................................................ 58 c. De5 verschillende Dirk d. Heirbaut Aandacht voor het praktische element van het recht................... 59 4. Het juristenrecht .............................................................................. 59 C. Procedure .......................................................................................... 60 1. Overleven van de legis actio ........................................................... 60 2. De formula....................................................................................... 60 a. Ontstaan ....................................................................................... 60 b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 b.1. Vóór het proces .................................................................... 60 b.2. Het proces ............................................................................. 61 b.3. De fase voor de magistraat ................................................... 61 - Het opstellen van de formula ................................................ 62 - De litis contestatio ................................................................ 63 b.4. De fase voor de rechter......................................................... 63 - Bewijslast .............................................................................. 63 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 6 8
BW.indd 6
23/08/2022 11:05
Inhoudstafel WOORD VOORAF................................................................................. 5 INHOUDSTAFEL ................................................................................... 7 INLEIDING ........................................................................................... 33 A. Wat wordt bestudeerd in de privaatrechtsgeschiedenis? ............. 35 B. Verantwoording van de studie van de rechtsgeschiedenis............ 39 1. Extern recht ..................................................................................... 39 2. Intern recht ...................................................................................... 39 3. Algemeen......................................................................................... 40 C. Hoe rechtsgeschiedenis bestuderen?............................................... 40 EERSTE DEEL: EXTERN RECHT I. DE PERIODISERING VAN DE RECHTSGESCHIEDENIS ....... 45 II. DE OUDROMEINSE PERIODE (753 - CA. 250 V.C.) ................ 49 A. Rome is nog primitief ....................................................................... 49 B. Instellingen ........................................................................................ 49 1. In de koningstijd (tot 510 v.C.) ....................................................... 49 2. Na 510: de republiek ....................................................................... 49 a. De senaat...................................................................................... 50 b. De volksvergaderingen ................................................................ 50 c. De magistraten ............................................................................. 50
7
BW.indd 7
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ C. Rechtsbronnen .................................................................................. 51 De gewoonte: de mos maiorum (gewoonte van de voorouders) ..... 51 C.1. Rechtsbronnen .................................................................................. 2. 1. De wet.............................................................................................. gewoonte: de mos maiorum (gewoonte van de voorouders) ..... 51 Wet der Twaalf Tafelen ......................................................... 51 2. a. DeDe wet.............................................................................................. b. Andere a. De Wet wetgeving der Twaalf........................................................................ Tafelen ......................................................... 51 3. b. Andere bronnen van ........................................................................ recht ............................................................... 52 Andere wetgeving 51 3. Andere bronnen van recht ............................................................... 52 D. Procedure .......................................................................................... 52 Vroegste .......................................................................................... fase ................................................................................... 52 D.1. Procedure 2. actio ....................................................................................... 1. Legis Vroegste fase ................................................................................... 52 2. Legis actio ....................................................................................... 52 III. DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT HET JAAR NUL) .................................................................................. III. DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT 55 HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 A. Rome groeit uit tot een wereldrijk .................................................. 55 A. Rome groeit uit tot een wereldrijk .................................................. 55 B. Rechtsbronnen .................................................................................. 55 De gewoonte .................................................................................... B. 1. Rechtsbronnen .................................................................................. 56 55 2. ................................................................................... 56 1. De wetgeving gewoonte .................................................................................... 3. magistratenrecht ....................................................................... 56 2. Het De wetgeving ................................................................................... Onderscheiden van....................................................................... ius civile en ius honorarium ........................ 56 57 3. a. Het magistratenrecht b. gentium .............................. a. Onderscheiden van ius civile en ius honorarium ........................ 57 c. De verschillendevan actiones ............................................................ 58 b. Onderscheiden ius civile en ius gentium .............................. 57 d. Aandacht voor hetactiones praktische element van het recht................... 59 c. De verschillende ............................................................ 58 4. d. HetAandacht juristenrecht voor.............................................................................. het praktische element van het recht................... 59 4. Het juristenrecht .............................................................................. 59 C. Procedure .......................................................................................... 60 Overleven.......................................................................................... van de legis actio ........................................................... 60 C.1. Procedure 2. formulavan ....................................................................................... 1. De Overleven de legis actio ........................................................... 60 2. a. DeOntstaan formula....................................................................................... 60 b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 a. Ontstaan ....................................................................................... b.1. Vóór het proces .................................................................... b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 b.2. ............................................................................. b.1. Het Vóórproces het proces .................................................................... 61 60 b.3. voor de magistraat ................................................... 61 b.2. De Hetfase proces ............................................................................. - Het opstellen vanmagistraat de formula ................................................ 62 b.3. De fase voor de ................................................... 61 - De contestatio 63 Hetlitis opstellen van de................................................................ formula ................................................ 62 b.4.- De De litis fasecontestatio voor de rechter ......................................................... 63 ................................................................ - Bewijslast .............................................................................. b.4. De fase voor de rechter......................................................... 63 - Betekenis de veroordeling .............................................. 64 Bewijslastvan .............................................................................. 63 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 8 8
BW.indd 8
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ b.5. Na de procedure: de tenuitvoerlegging van het vonnis ........ 64 IV. DE KLASSIEKE PERIODE (VAN HET JAAR NUL TOT CA. 250) .................................................................................................. 65 A. Rome wordt een keizerrijk .............................................................. 65 B. Rechtsbronnen .................................................................................. 65 1. De gewoonte .................................................................................... 65 2. De wetgeving van de volksvergaderingen en de senaatsbesluiten .. 66 3. Het magistratenrecht ....................................................................... 66 4. Het keizersrecht ............................................................................... 66 5. Het juristenrecht .............................................................................. 67 C. Procedure .......................................................................................... 68 1. De formula-procedure ..................................................................... 68 2. De cognitio extraordinaria ............................................................. 69 a. Ontstaan ....................................................................................... 69 b. Verloop procedure ....................................................................... 69 c. Tenuitvoerlegging van het vonnis ............................................... 70 V. DE NAKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 TOT JUSTINIANUS (527)) ........................................................................... 71 A. Rome in crisis .................................................................................... 71 B. Rechtsbronnen .................................................................................. 72 1. Magistratenrecht en wetgeving van de volksvergaderingen ........... 72 2. De gewoonte .................................................................................... 72 3. Het juristenrecht .............................................................................. 72 4. Het keizersrecht ............................................................................... 73 a. Orde in het ius: de citeerwet ........................................................ 73 b. Orde in de leges: de Codex Theodosianus .................................. 74 C. Procedure .......................................................................................... 74 1. Verdwijnen van de formula-procedure ........................................... 74 2. De omvorming van de cognitio-procedure: het libelproces ............ 74 3. Van het libelproces naar onze procedure ........................................ 75 9
BW.indd 9
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ VI. JUSTINIANUS (527-565) ............................................................... 77 C. Rechtsbronnen .................................................................................. 51 A.1. Keizer Justinianus ............................................................................ 77 De gewoonte: de mos maiorum (gewoonte van de voorouders) ..... 51 2. De wet.............................................................................................. 51 B. Het Corpus civilis ...................................................................... a. De Wet iuris der Twaalf Tafelen ......................................................... 77 51 1. b. Codex Justinianus ............................................................................ Andere wetgeving........................................................................ 77 51 2. Digesten ..................................................................................... 3. De Andere bronnen van recht ............................................................... 78 52 3. De Instituten .................................................................................... 78 De Novellen ..................................................................................... 52 79 D.4. Procedure .......................................................................................... 5. Citeerwijzen en onderverdelingen van de delen van het 1. Vroegste fase ................................................................................... 52 Corpus ............................................................................. 52 79 2. Legis iuris actiocivilis. ....................................................................................... 6. Het Corpus iuris civilis: een flop .................................................... 80 III. DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT VII. COSTUMIERE PERIODE (VAN 476 TOT CA. 1100) ...... 81 HETDE JAAR NUL) .................................................................................. 55 A. Het achterlijke .......................................................... 81 Rome groeit uitWest-Europa tot een wereldrijk .................................................. 55 B. De triomf van de gewoonte en van het lokale/regionale recht...... 81 Rechtsbronnen .................................................................................. 55 1. De verbrokkeling van het recht na de Germaanse invallen ............. 81 gewoonte .................................................................................... 56 Romeins recht als gewoonterecht van de overwonnen 2. a. DeHet wetgeving ................................................................................... 56 bevolking ........................................................................ 81 3. Romeinse Het magistratenrecht ....................................................................... 56 b. De stammenrechten vancivile de Germaanse veroveraars ................... 82 a. Onderscheiden van ius en ius honorarium ........................ 57 c. De personaliteit van het recht ...................................................... 84 b. Onderscheiden van ius civile en ius gentium .............................. 57 2. c. DeDe Karolingische .......................................................... 84 verschillendemislukking actiones ............................................................ 58 a. wetgeving 84 d. De Aandacht voor............................................................................... het praktische element van het recht................... 59 ontbreken .............................................................................. van rechtsgeleerden ............................................. 85 4. b. HetHet juristenrecht 59 3. De triomf van de lokale/regionale gewoonte na het uiteenvallen van Karolingische rijk .......................................................................... 85 C.het Procedure .......................................................................................... 60 Politiekevan verbrokkeling en ........................................................... territorialiteitsprincipe...................... 60 85 1. a. Overleven de legis actio 2. b. DeGewoonterecht............................................................................. formula....................................................................................... 87 60 4. a. DeOntstaan bijzondere positie van het kerkelijk recht en van Engeland ...... 88 ....................................................................................... 60 a. Het kerkelijk recht ....................................................................... 88 b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 b. Engeland b.1. Vóór ...................................................................................... het proces .................................................................... 88 60 b.2. Het proces ............................................................................. 61 b.3. De voor de magistraat ................................................... 61 VIII. HET IUSfase COMMUNE (CA. 1100 TOT CA. 1800) .................... 89 - Het opstellen van de formula ................................................ 62 - De omstreeks litis contestatio 63 A. Een breuk 1100................................................................ ............................................................... 89 b.4. De fase voor de rechter ......................................................... 63 1. De herontdekking van het Corpus iuris civilis ................................ 89 - Bewijslast .............................................................................. 63 2. De opkomst van de universiteiten ................................................... 91 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 10 8
BW.indd 10
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ B. Het Europees recht van de rechtsgeleerden: het ius commune .................................................................................... 93 1. Glossatoren ...................................................................................... 94 2. Commentatoren ............................................................................... 97 3. Humanisten...................................................................................... 99 4. De impact van het ius commune op de kerk: het Romano-canoniek recht ............................................................... 101 a. Het Decretum Gratiani .............................................................. 101 b. De decretalen van Gregorius IX ................................................ 102 c. Latere verzamelingen................................................................. 102 d. Het Corpus iuris canonici ......................................................... 102 e. Studie van het canoniek recht .................................................... 103 f. Wisselwerking tussen Romeins en Romano-canoniek recht ..... 103 f.1. Invloed Romeins recht op Romano-canoniek recht ............ 103 f.2. Invloed Romano-canoniek recht op Romeins recht en de algemene ontwikkeling van het Europees recht ........................ 104 C. De confrontatie tussen het ius commune en het lokale/regionale gewoonterecht ...................................................................................... 105 1. De verspreiding van het Romeins recht ........................................ 105 a. De mediterrane wereld: renaissance van het Romeins recht ..... 106 a.1. Italië .................................................................................... 106 a.2. Zuid-Frankrijk..................................................................... 106 a.3. Spanje en Portugal .............................................................. 107 b. De landen met massale receptie van het Romeins recht ........... 107 b.1. Duitse Rijk: de Rezeption ................................................... 107 b.2. Schotland ............................................................................ 107 b.3. Verenigde Provinciën ......................................................... 108 c. De pays de droit coutumier ....................................................... 108 c.1. Noord-Frankrijk .................................................................. 108 c.2. Zuidelijke Nederlanden ...................................................... 109 d. De buitenstaanders .................................................................... 109 d.1. Zwitserland ......................................................................... 109 d.2. Engeland ............................................................................. 109 e. De periferie ................................................................................ 109 2. Verklaringen voor het terreinverlies van het gewoonterecht ........ 110 a. Eigen kwaliteiten van het Romeins recht .................................. 110 b. De steun van de machthebbers .................................................. 110 b.1. De Roomse keizer/Duitse koning ....................................... 111 b.2. De paus ............................................................................... 111 11
BW.indd 11
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ b.3. Andere vorsten ................................................................... 111 b.4. De steden ............................................................................ 112 C. Rechtsbronnen .................................................................................. 51 voorkeuren van de juristen(gewoonte ................................................... 1. c. DeDe gewoonte: de mos maiorum van de voorouders) .....112 51 noden van nieuwe maatschappelijke groepen...................... 113 2. d. DeDe wet.............................................................................................. 51 e. van hetTafelen gewoonterecht ......................................... 113 a. De zwakheid Wet der Twaalf ......................................................... 51 3. b. DeAndere eerste reactie op het ius commune: zelfstandig verbeteren wetgeving ........................................................................ 51 (12de tot 15de eeuw) ......................................................................... 3. Andere bronnen van recht ...............................................................113 52 a. Tendens tot eenmaking .............................................................. 114 D. Procedure .......................................................................................... 52 b. Tendens tot verwetenschappelijking ......................................... 114 1. c. Vroegste 52 Tendensfase tot................................................................................... verschriftelijking .................................................... 114 2. De Legis actio ....................................................................................... 52 4. alliantie tussen gewoonterecht en ius commune: de ‘praktische rechtsleer’ (16de tot 18de eeuw) ............................... 117 a. Frankrijk .................................................................................... III. DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT 118 b. Zuidelijke Nederlanden ............................................................. 119 HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 c. Verenigde Provinciën ................................................................ 120 d. Duitsland: (Pandectarum) ................................ 120 A. Rome groeit uitusus tot modernus een wereldrijk .................................................. 55 e. Elders in Europa ........................................................................ 120 De bolwerken .................................................................................. van het gewoonterecht ........................................... 121 B. 5. Rechtsbronnen 55 a. Het feodale recht ........................................................................ 121 1. De gewoonte .................................................................................... 56 Engelse................................................................................... common law .......................................................... 122 2. b. DeHet wetgeving 56 b.1. De oorsprong het common law: continentaal 3. Het magistratenrecht van ....................................................................... 56 gewoonterecht ........................................................................... a. Onderscheiden van ius civile en ius honorarium ........................122 57 b.2. De vroege invloed van het Romeins recht en de vroege b. Onderscheiden van ius civile en ius gentium .............................. 57 ontwikkeling vanactiones rechtsboeken ................................................. 123 c. De verschillende ............................................................ 58 b.3. Equity en het geleerde recht ............................................... d. Aandacht voor het praktische element van het recht...................123 59 Andere continentale invloeden ........................................... 124 4. Hetb.4. juristenrecht .............................................................................. 59 b.5. Conclusie ............................................................................ 124 c. De lex mercatoria ...................................................................... 126 C. Procedure .......................................................................................... 60 1. Overleven van de legis actio ........................................................... 60 De formula ....................................................................................... 60 IX.2.TRIOMF EN MISLUKKING VAN DE VERLICHTING: a. Ontstaan ....................................................................................... 60 HET VERNUNFTRECHT (CA. 1800) ............................................... 127 b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 b.1. Vóór het proces ....................................................................127 60 A. De Verlichting ................................................................................. b.2. Het proces ............................................................................. 61 b.3. De faseen voor magistraat ...................................................128 61 B. De Verlichting hetde recht ............................................................ - Het opstellen van de formula ................................................ 62 - De litis terugkeer contestatiovan ................................................................ 63 C. De geleidelijke de wetgeving in b.4. De........................................................................................ fase voor de rechter.........................................................129 63 West-Europa - Bewijslast .............................................................................. 63 1. Het uitgangspunt: oud recht, goed recht........................................ 129 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 12 8
BW.indd 12
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ 2. De pauselijke revolutie van de elfde eeuw .................................... 129 3. De geleidelijke opkomst van de wetgeving in het wereldlijke recht vóór de doorbraak van het absolutisme ............................................. 129 4. De doorbraak van het absolutisme ................................................ 130 a. Frankrijk .................................................................................... 130 a.1. De grote ordonnanties van de vijftiende, zestiende en begin zeventiende eeuw ........................................................ 131 a.2. De ordonnanties van Colbert .............................................. 131 a.3. De ordonnanties van kanselier Daguesseau........................ 131 b. De Zuidelijke Nederlanden ....................................................... 132 D. De ontwikkeling van het Vernunftrecht ........................................ 132 1. De Spaanse neoscholastiek............................................................ 133 2. Hugo Grotius (De Groot): van natuurrecht naar Vernunftrecht .... 134 3. Het eigenlijke Vernunftrecht ......................................................... 135 4. Het Vernunftrecht en het ius commune ......................................... 136 E. De zelfmoord van het Vernunftrecht: de codificatie .................... 137 1. Het begrip codificatie .................................................................... 137 2. De Scandinavische codificaties ..................................................... 139 3. De Duitse en Oostenrijkse codificaties ......................................... 139 4. De Franse Code civil van 1804 ..................................................... 140 a. Ontstaan ..................................................................................... 140 b. Bronnen ..................................................................................... 142 c. Impact ........................................................................................ 143 c.1. In Frankrijk ......................................................................... 143 c.2. In België.............................................................................. 143 c.3. In andere landen.................................................................. 145 d. De Code civil: een evaluatie ...................................................... 145 5. De codificatie en de nationalisering van het Europees recht ........ 146 6. Engeland: de grote afwezige ......................................................... 147 X. HET NATIONAAL RECHT (19DE EN 20STE EEUW) ............ 149 A. De ‘verkaveling’ van het recht in Europa en in de wereld ......... 149 B. Het overleven van het ius commune in Duitsland ........................ 149 1. Het ontbreken van een algemeen-Duitse codificatie ..................... 149 2. De historische school van von Savigny......................................... 150 13
BW.indd 13
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ 3. De Pandektistiek ............................................................................ 151 a. Romanistiek.................................................................................. ............................................................................... 151 C. Rechtsbronnen 51 1. b. DePandektistiek gewoonte: de............................................................................. mos maiorum (gewoonte van de voorouders) .....151 51 .............................................................................. 152 2. c. DeGermanistiek wet.............................................................................................. 51 4. a. Kritiek op der de Pandektistiek: de......................................................... Interessenjurisprudenz ............... 153 De Wet Twaalf Tafelen 51 b. Andere wetgeving........................................................................ 51 C.3. Frankrijk na de codificatie ............................................................ 153 Andere bronnen van recht ............................................................... 52 1. De école romaniste ........................................................................ 154 De ‘eerste.......................................................................................... exegetische school’ ...................................................... 154 D.2. Procedure 52 Ontstaan en................................................................................... benaming ............................................................... 154 1. a. Vroegste fase 52 Werkwijze ................................................................................. 154 2. b. Legis actio ....................................................................................... 52 c. Grote figuren.............................................................................. 155 3. De ‘tweede exegetische school’ .................................................... 156 III. DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT 4. De evoluties in België ................................................................... 156 HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 D. .......................................................................................... A. Engeland Rome groeit uit tot een wereldrijk ..................................................157 55 E. recht in Duitsland, Frankrijk en Engeland: B. Het Rechtsbronnen .................................................................................. 55 gemeenschappelijke elementen .......................................................... 158 1. De gewoonte .................................................................................... 56
2. De wetgeving ................................................................................... 56 F. 1900: het Duitse Bürgerliche Gesetzbuch: het definitieve einde 3. Het magistratenrecht ....................................................................... 56 van het ius commune ........................................................................... 158 a. Onderscheiden van ius civile en ius honorarium ........................ 57 1. Ontstaan en bronnen ...................................................................... 158 b. Onderscheiden van ius civile en ius gentium .............................. 57 2. Kwaliteiten en gebreken ................................................................ 159 c. De verschillende actiones ............................................................ 58 3. Invloed ........................................................................................... 160 d. Aandacht voor het praktische element van het recht................... 59 4. Het Bürgerliche Gesetzbuch: het einde van een tijdperk .............. 161 4. Het juristenrecht .............................................................................. 59 G. Het Europees recht in de twintigste eeuw .................................... 161 C. Procedure .......................................................................................... 60 1. Overleven van de legis actio ........................................................... 60 XI.2.DE EEUW: De EENENTWINTIGSTE formula....................................................................................... 60 RECHTSPLURALISME .................................................................... 165 a. Ontstaan ....................................................................................... 60 b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 A. Vanb.1. nationaal recht naar rechtspluralisme ................................. 165 Vóór het proces .................................................................... 60 b.2. Het proces ............................................................................. 61 B. De opkomst vanvoor het niet-Europees recht (1): het Amerikaanse 61 b.3. De fase de magistraat ................................................... recht ...................................................................................................... - Het opstellen van de formula ................................................166 62 1. Het Amerikaanse recht vóór het einde van de negentiende eeuw . 166 - De litis contestatio ................................................................ 63 2. Sociological jurisprudence ............................................................ b.4. De fase voor de rechter .........................................................167 63 3. Legal- realism ................................................................................. Bewijslast ..............................................................................167 63 4. De triomf van devan nieuwe richtingen .............................................. - Betekenis de veroordeling ..............................................167 64 14 8
BW.indd 14
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ 5. Nieuwe kritieken: een terugkeer van oude opvattingen? .............. 168 6. Invloed op Europa en de V.S. zelf................................................. 168 C. De opkomst van het niet-Europees recht (2): het niet-Westerse recht ...................................................................................................... 169 1. Het toenemende belang van het niet-Westerse recht .................... 169 2. Het probleem van de niet-Westerse rechtsgeschiedenis ............... 170 D. In Europa (1): een nieuw ius commune in wording .................... 171 1. Een roep naar een nieuw gemeenschappelijk recht voor Europa door de Europese eenmaking ..................................................................... 172 2. Re-europeanisering door de wetgever: de fata morgana van één Europees Burgerlijk Wetboek ........................................................... 172 a. Recente codificaties: Italië en Portugal ..................................... 173 b. Recente codificaties: Nederland ................................................ 173 c. Het Nederlands Burgerlijk Wetboek: uitgangspunt voor of argument tegen een nieuwe codificatie? ....................................... 173 d. Bezwaren tegen Europese eenmaking door codificatie. ............ 174 3. Re-europeanisering door de rechtsleer: het Europees privaatrecht ........................................................................................ 174 4. Een werk van lange adem? ............................................................ 176 E. In Europa (2): de terugkeer van het regionale recht, het Belgische voorbeeld....................................................................... 178 1. De verfransing na 1830 ................................................................. 178 2. De vernederlandsing vanaf 1873 ................................................... 180 3. De gevolgen van de vernederlandsing........................................... 180 4. De gevolgen van de regionalisering .............................................. 181 F. In Europa (3): de hercodificatie van het nationaal recht ............ 181 1. Hercodificatie als reactie op europeanisering ............................... 181 2. De hercodificatie in België............................................................ 182 a. Het hercodificatieplan van minister Geens................................ 182 b. De werkwijze van de Belgische hercodificatie ......................... 183 c. Een vlotte vooruitgang............................................................... 185 d. Een droom voor de toekomst: een eengemaakt wetboek .......... 187 G. De rechtsvergelijking en de nieuwe evoluties .............................. 187 15
BW.indd 15
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ TWEEDE DEEL: INTERN RECHT C. Rechtsbronnen .................................................................................. 51 1. De gewoonte: mos maiorum (gewoonte van de voorouders) .....191 51 I. PERSONENENdeFAMILIERECHT ............................................. 2. De wet.............................................................................................. 51 a. De Wet der Twaalf Tafelenvan ......................................................... 51 A. Basisbegrippen bij de studie het personen- en b. Andere wetgeving ........................................................................ 51 familierecht .......................................................................................... 192 3. Andere bronnen van recht ............................................................... 52 B. De rechtsbekwaamheid .................................................................. 193 D.1. Procedure 52 Vrijheid, .......................................................................................... slavernij en horigheid .................................................... 194 1. a. Vroegste fase ................................................................................... 52 De slavernij bij de Romeinen .................................................... 194 2. b. Legis actio ....................................................................................... 52 De horigheid van de Middeleeuwen .......................................... 194 c. Onvrijheid vandaag.................................................................... 195 Vreemdelingen en inboorlingen .................................................... III.2.DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT 195 Bij deNUL) Romeinen ........................................................................ 195 HETa.JAAR .................................................................................. 55 b. Na de Romeinen ........................................................................ 196 b.1. Een complex vreemdelingenbegrip .................................... 196 A. Rome groeit uit tot een wereldrijk .................................................. 55 b.2. Bepaling van de staat van inboorling of vreemdeling ........ 197 B. Rechtsbronnen .................................................................................. 55 b.3. De verkrijging van het burgerschap ................................... 198 1. Deb.4. gewoonte .................................................................................... 56 De discriminatie van vreemdelingen .................................. 199 2. De wetgeving ................................................................................... 56 - Burgerlijk recht ................................................................... 199 3. Het magistratenrecht .......................................................................200 56 - Procesrecht .......................................................................... a. Onderscheiden van civile en ius honorarium ........................200 57 - Arbeidsrecht enius socialezekerheidsrecht .............................. b. Onderscheiden van ius civile en ius gentium ..............................201 57 - Strafrecht ............................................................................. c. De-verschillende actiones ............................................................201 58 Publiekrecht ........................................................................ Aandacht voor het praktische element van het recht...................202 59 3. d. Geprivilegieerden .......................................................................... 4. Het juristenrecht .............................................................................. 59 C. De handelingsonbekwaamheid ...................................................... 203 C.1. Procedure 60 De vrouw.......................................................................................... ....................................................................................... 204 1. a. Overleven de legis actio ...........................................................204 60 Inleidingvan ..................................................................................... 2. b. DeDe formula ....................................................................................... 60 ongehuwde vrouw ................................................................ 205 a. Ontstaan ....................................................................................... 60 b.1. Het Romeins recht .............................................................. 205 b. b.2. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 Het Germaanse recht en de vroege Middeleeuwen ............ 205 b.1. De Vóór hetMiddeleeuwen proces .................................................................... 60 b.3. late en de Moderne Tijden ................... 205 b.2. Hetvereiste proces ............................................................................. 61 - De van bijstand door een voogd ............................ 205 b.3. De fase voor de magistraat ................................................... 61 - Het Senatusconsultum Velleianum ...................................... 206 Het opstellen van de formula ................................................ 62 b.4. De Franse Revolutie ........................................................... 207 De litis contestatio ................................................................207 63 c. De-gehuwde vrouw .................................................................... b.4. De Romeinen fase voor de rechter.........................................................207 63 c.1. ...................................................................... - Bewijslast .............................................................................. 63 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 16 8
BW.indd 16
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ c.2. Van de Germanen tot het Burgerlijk Wetboek van 1804 ... 207 - De maritale macht ............................................................... 207 - De ‘onbekwaamheid’ van de vrouw.................................... 208 - De macht over de kinderen en de goederen van het huwelijk ................................................................................. 209 c.3. Van het Burgerlijk Wetboek van 1804 naar gelijkberechtiging in 1976? ....................................................... 209 c.4. Conclusie ............................................................................ 212 c.5. Een nieuwe uitdaging: de genderbinariteit overstijgen ...... 212 2. Het kind ......................................................................................... 213 a. Handelingsonbekwaamheid ....................................................... 213 a.1. Het Romeins recht .............................................................. 213 a.2. Het oude recht..................................................................... 214 a.3. Het Burgerlijk Wetboek van 1804 ...................................... 214 b. Afstamming ............................................................................... 215 b.1. Bij de Romeinen ................................................................. 215 b.2. De Middeleeuwen en de Moderne Tijden .......................... 216 - Welke kinderen zijn wettig? ............................................... 216 - De legitimatie van bastaarden ............................................. 216 - De gevolgen van de natuurlijke afstamming ....................... 217 b.3. De Franse Revolutie en het Burgerlijk Wetboek van 1804: vooruitgang en achteruitgang .................................................... 218 b.4. Het arrest Marckx en de latere wetgeving .......................... 218 b.5. De toekomst ........................................................................ 219 b.6. Adoptie ............................................................................... 219 c. Van vaderlijke macht naar ouderlijk gezag ............................... 221 c.1. De patria potestas bij de Romeinen ................................... 221 - Het begrip patria potestas ................................................... 221 - Inhoud van de patria potestas ............................................. 222 c.2. De Middeleeuwen en de Moderne Tijden: vaderlijke en ouderlijke macht ........................................................................ 224 - Wie oefent de macht uit? .................................................... 224 - Omvang van de macht ......................................................... 224 c.3. Het Burgerlijk Wetboek van 1804: alleen vaderlijke macht ......................................................................................... 225 c.4. Van vaderlijke macht naar ouderlijk gezag ........................ 225 c.5. De toekomst: de toenemende bevoogding van het ouderlijk gezag .......................................................................................... 225 17
BW.indd 17
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ d. Voogdij ...................................................................................... 226 d.1. Voogdij.................................................................................. bij de Romeinen ................................................... 226 C. Rechtsbronnen 51 De Romeinse ......................................................... 1. Ded.2. gewoonte: de moscuratele maiorum (gewoonte van de voorouders) .....228 51 De voogdij na de Romeinen ............................................... 229 2. Ded.3. wet.............................................................................................. 51 d.4.Wet De feodale voogdij ............................................................. a. De der Twaalf Tafelen .........................................................229 51 - Heerlijke feodale voogdij .................................................... 229 b. Andere wetgeving ........................................................................ 51 - Familiale voogdij .................................................... 230 3. Andere bronnen feodale van recht ............................................................... 52 d.5. De gemene voogdij ............................................................. 230 D. Procedure 52 d.6. De.......................................................................................... houdenisse..................................................................... 231 1. Vroegste ................................................................................... 52 d.7. Defase voogdij in het Burgerlijk Wetboek van 1804 ............... 231 2. Legis ....................................................................................... 52 d.8.actio De voogdijwet van 2001..................................................... 232 D. De rechtspersoon ............................................................................ 232 III. DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT 1. Rechtspersonen in het Romeins recht ........................................... 233 HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 a. Corporaties ................................................................................ 233 b. Stichtingen A. Rome groeit uit................................................................................. tot een wereldrijk ..................................................234 55 2. Ontstaan van de rechtspersoonsgedachte ...................................... 234 B. Rechtsbronnen .................................................................................. 55 E. 1. DeDe familie ......................................................................................... gewoonte ....................................................................................236 56 1. Bepaling van verwantschap ...................................................... 237 2. De wetgevingde ................................................................................... 56 Verwantschap in het verleden ................................................... 237 3. a. Het magistratenrecht ....................................................................... 56 b. Onderscheiden Systemen om devan mate bloedverwantschap bepalen ........ 237 a. iusvan civile en ius honorariumte........................ 57 b.1. Romeinse en hedendaagse gradentelling ............................ 238 b. Onderscheiden van ius civile en ius gentium .............................. 57 b.2.verschillende Canonieke gradentelling ..................................................... 238 c. De actiones ............................................................ 58 b.3. Germaanse systemen .......................................................... d. Aandacht voor het praktische element van het recht...................238 59 Belang van.............................................................................. de verschillende systemen ............................... 239 4. Hetb.4. juristenrecht 59 2. Evolutie en belang van de familiale structuren ............................. 239 a. De Romeinen ............................................................................. 239 C. Procedure .......................................................................................... 60 b. De vroegste Germaanse structuren ............................................ 239 1. Overleven van de legis actio ........................................................... 60 vroege....................................................................................... Middeleeuwen .......................................................... 240 2. c. DeDe formula 60 d. Een breuk omstreeks het jaar 1000............................................ 240 a. Ontstaan ....................................................................................... 60 e. Verdere evolutie tot de Franse Revolutie .................................. 241 b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 f. De Revolutie het Burgerlijk Wetboek van 1804 ....... 241 b.1.Franse Vóór het proces en .................................................................... 60 3. Deb.2. naam en de familie ................................................................... Het proces .............................................................................241 61 b.3. De fase voor de magistraat ................................................... 61 F. Het huwelijk .................................................................................... - Het opstellen van de formula ................................................242 62 1. Het huwelijk bij de Romeinen ....................................................... 243 - De litis contestatio ................................................................ 63 2. Hetb.4. huwelijk de Germanen ...................................................... 243 De fasebijvoor de rechter......................................................... 63 3. Het kerkelijk huwelijk ................................................................... - Bewijslast ..............................................................................244 63 a. Opkomst en doorbraak van het kerkelijk huwelijk .................... 244 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 18 8
BW.indd 18
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ b. De kerkelijke huwelijksleer vóór het concilie van Trente ........ 245 b.1. De huwelijkssluiting ........................................................... 245 b.2. De grondvereisten voor een huwelijk................................. 246 b.3. Het zwakke punt: de vormvereisten voor het huwelijk ...... 247 b.4. De dispensatie .................................................................... 248 c. De kerkelijke huwelijksleer vanaf het concilie van Trente ....... 248 4. Het verzet van de familie en de overheid tegen het kerkelijk huwelijk ............................................................................................. 249 a. Het strafrecht ............................................................................. 249 a.1. Vrouwenroof....................................................................... 250 a.2. Verleiding ........................................................................... 250 b. Erfrechtelijke maatregelen ........................................................ 250 c. De overheidstussenkomst bij het huwelijk ................................ 250 d. Het huwelijk van de vrouwelijke vazal ..................................... 251 5. De invoering van het burgerlijk huwelijk: de triomf van familie en overheid ..................................................................... 251 a. De wetgeving van Jozef II op het huwelijk: een eerste stap naar de secularisering van het huwelijk ........................................ 251 b. De Franse Revolutie: de definitieve secularisering van het huwelijk ......................................................................................... 252 c. Het Burgerlijk Wetboek van 1804: de triomf van de familie .... 252 6. De geleidelijke terugkeer van de vrijheid van huwelijk na 1804 .. 253 7. Het homohuwelijk: een radicale breuk met het kerkelijke verleden in 2003 ................................................................................ 254 8. De toekomst van het huwelijk ....................................................... 254 G. De echtscheiding ............................................................................. 255 1. Het Romeins recht ......................................................................... 255 2. De vroege Middeleeuwen.............................................................. 255 3. De kerk .......................................................................................... 256 a. Het vroege Christendom ............................................................ 256 b. De middeleeuwse kerk .............................................................. 256 b.1. De triomf van de onontbindbaarheid van het huwelijk ...... 256 b.2. De omzeiling van het echtscheidingsverbod ...................... 257 b.3. De scheiding van tafel en bed en de scheiding van goederen: substituten voor de echtscheiding............................. 258 4. De terugkeer van de echtscheiding dankzij het burgerlijk huwelijk ............................................................................................. 259 a. Het edict van Jozef II uit 1784: nog geen echtscheiding ........... 259 b. De Franse Revolutie: de promotie van de echtscheiding .......... 259 19
BW.indd 19
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ c. Het Burgerlijk Wetboek van 1804: de conservatieve tegenreactie.................................................................................... C. Rechtsbronnen ..................................................................................260 51 geleidelijke versoepeling het Burgerlijk Wetboek ..... 51 1. d. DeDe gewoonte: de mos maiorum van (gewoonte van de voorouders) 1804 ........................................................................................ 261 2. van De wet.............................................................................................. 51 a. De Wet der Twaalf Tafelen ......................................................... 51 b. Andere wetgeving........................................................................263 51 II. ZAKENRECHT.............................................................................. 3. Andere bronnen van recht ............................................................... 52 A. Inleidende begrippen ...................................................................... 263 D.1. Procedure .......................................................................................... 52 Basisbegrippen van het hedendaagse zakenrecht .......................... 263 1. Vroegste fase ................................................................................... 52 2. Verschillen tussen het hedendaagse en het Romeinse recht ......... 265 2. Legis actio ....................................................................................... 52 3. Van actiones (in rem) naar (zakelijke) rechten ............................. 267 B. Soorten van zaken ........................................................................... III. DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT 268 1. Zaken de handel - zaken buiten de handel ................................ 268 HET JAARinNUL) .................................................................................. 55 2. Res mancipi - res nec mancipi....................................................... 269 Roerend - onroerend ...................................................................... A.3. Rome groeit uit tot een wereldrijk ..................................................269 55 4. Vervangbaar - niet-vervangbaar .................................................... 270 B. 5. Rechtsbronnen 55 Verbruikbaar -.................................................................................. niet-verbruikbaar................................................... 271 1. gewoonte-.................................................................................... 56 6. De Hoofdzaken bijzaken - delen ....................................................... 271 2. wetgeving ...................................................................................271 56 7. De Vruchten ........................................................................................ 3. Het magistratenrecht ....................................................................... 56 C. Eigendom, bezit envan detentie ........................................................... a. Onderscheiden ius civile en ius honorarium ........................272 57 1. b. Inleiding ......................................................................................... 272 Onderscheiden van ius civile en ius gentium .............................. 57 2. c. DeDe ontwikkeling vanactiones dominium en possessio in het Romeins verschillende ............................................................ 58 recht ................................................................................................... d. Aandacht voor het praktische element van het recht...................272 59 Het oudste Romeins recht: usus tegenover feit ......................... 272 4. a. Het juristenrecht .............................................................................. 59 b. De usus geraakt op de achtergrond door de opkomst van de C. Procedure 60 begrippen.......................................................................................... possessio en dominium ................................................. 273 1. Overleven de dominium legis actio.......................................................... ...........................................................273 60 b.1. Het van begrip 2. Deb.2. formula ....................................................................................... 60 Het begrip possessio ........................................................... 273 a. Possessio, Ontstaan ....................................................................................... 60 c. dominium en detentie ............................................... 274 Verloop en vanpossessio de formula-procedure ............................................. 60 3. b. Dominium in het Romeins recht vergeleken met b.1. Vóór het proces .................................................................... 60 eigendom en bezit in het hedendaagse recht ..................................... 275 b.2. Het proces .............................................................................275 61 a. Dominium .................................................................................. b.3. De fase voor de magistraat ...................................................277 61 b. Possessio ................................................................................... Het opstellen van de formula ................................................ 62 4. De evolutie van het Romeinsrechtelijke dominium - De litisnaar contestatio ................................................................ 63 en de possessio de hedendaagse eigendom en bezit .................. 278 b.4.opkomst De fase voor de bezit rechter .........................................................279 63 a. De van het .......................................................... Bewijslast .............................................................................. 63 b. De- ontwikkeling van het eigendomsbegrip ............................... 280 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 20 8
BW.indd 20
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ b.1. Glossatoren en commentatoren: dominium utile en dominium directum ...................................... 280 b.2. Latere ontwikkelingen, inz. in het Vernunftrecht ............... 281 b.3. Het Burgerlijk Wetboek van 1804...................................... 282 b.4. De opkomst van de liberale ideologie in het midden van de negentiende eeuw .................................... 284 b.5. De reactie op de liberale ideologie ..................................... 284 b.6. Ontwikkelingen in de loop van de twintigste eeuw ........... 285 b.7. Het Belgisch Burgerlijk Wetboek ...................................... 286 5. De verkrijging van eigendom en bezit........................................... 287 a. Inleiding ..................................................................................... 287 b. Eigendomsoverdracht ................................................................ 288 b.1. Inleidende begrippen .......................................................... 288 b.2. Beschikkingsbevoegdheid .................................................. 289 b.3. Leveringshandeling en titel bij de Romeinen ..................... 290 - Mancipatio .......................................................................... 290 - In iure cessio ....................................................................... 291 - Traditio................................................................................ 291 b.4. De ontwikkelingen van de traditio in het ius commune ..... 292 b.5. Het Burgerlijk Wetboek van 1804...................................... 293 b.6. Het Belgisch Burgerlijk Wetboek ...................................... 293 c. Verjaring .................................................................................... 294 c.1. Inleiding .............................................................................. 294 c.2. De Twaalf Tafelen .............................................................. 295 c.3. De klassieke periode ........................................................... 295 - Tempus ................................................................................ 296 - Possessio ............................................................................. 296 - Titulus.................................................................................. 296 - (Bona) fides ......................................................................... 297 - Res habilis ........................................................................... 297 - Belang usucapio in de klassieke periode ............................ 297 c.4. De naklassieke periode ....................................................... 298 - Longi temporis praescriptio ................................................ 298 - Uitdoving van de revindicatie ............................................. 299 - Verdwijnen van de usucapio en de longi temporis praescriptio ........................................................................... 299 c.5. Justinianus .......................................................................... 299 c.6. Het ius commune en het gewoonterecht ............................. 300 c.7. Het Burgerlijk Wetboek van 1804 ...................................... 300 21
BW.indd 21
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ c.8. Het Belgisch Burgerlijk Wetboek....................................... 301 c.9. Roerend.................................................................................. goed heeft geen gevolg......................................... 301 C. Rechtsbronnen 51 vormen vanmaiorum eigendomsverkrijging ............................... 1. d. DeAndere gewoonte: de mos (gewoonte van de voorouders) .....302 51 en verlies van bezit................................................. 302 2. e. DeVerkrijging wet.............................................................................................. 51 6. a. DeDe bescherming van dominium en possessio ................................ 303 Wet der Twaalf Tafelen ......................................................... 51 a. het Romeins recht .................................................................. 303 b. In Andere wetgeving ........................................................................ 51 a.1. Dominium en reivindicatio ................................................. 303 3. Andere bronnen van recht ............................................................... 52 a.2. Possessio en interdicten...................................................... 303 D. Procedure .......................................................................................... 52 b. In het hedendaagse recht ........................................................... 305 1. Vroegste fase ................................................................................... 52 b.1. Reivindicatio ....................................................................... 305 2. Legis ....................................................................................... 52 b.2.actio Bezitsvorderingen ............................................................... 305 D. De beperkte zakelijke genotsrechte .............................................. 306 III. DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT 1. Inleiding......................................................................................... 306 HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 2. Vruchtgebruik................................................................................ 306 a. Erfdienstbaarheden persoonlijke dienstbaarheden ............... 306 A. Rome groeit uit tot eenen wereldrijk .................................................. 55 b. Het ontstaan van het vruchtgebruik ........................................... 307 c. Het vruchtgebruik in de Romeinse periode ............................... 308 B. Rechtsbronnen .................................................................................. 55 c.1. Definitie .............................................................................. 308 1. De gewoonte .................................................................................... 56 Voorwerp en inhoud van het vruchtgebruik ....................... 308 2. Dec.2. wetgeving ................................................................................... 56 c.3. Vestiging en van het vruchtgebruik .................. 309 3. Het magistratenrechttenietgaan ....................................................................... 56 c.4. Bescherming tegenenvruchtgebruik ........................... a. Onderscheiden vanvan iusofcivile ius honorarium ........................310 57 c.5. Oneigenlijk vruchtgebruik .................................................. 310 b. Onderscheiden van ius civile en ius gentium .............................. 57 d. De verschillende latere ontwikkeling van............................................................ het vruchtgebruik .......................... 310 c. De actiones 58 d.1. In de rechtsleer ................................................................... d. Aandacht voor het praktische element van het recht...................310 59 In de rechtspraktijk ............................................................. 311 4. Hetd.2. juristenrecht .............................................................................. 59 d.3. Het Burgerlijk Wetboek van 1804...................................... 311 d.4. Het.......................................................................................... Belgisch Burgerlijk Wetboek ...................................... 312 C. Procedure 60 e. Recht van gebruik enactio recht........................................................... van bewoning................................. 312 1. Overleven van de legis 60 3. ........................................................................ 313 2. Erfdienstbaarheden De formula....................................................................................... 60 a. ........................................................................................ a. Begrip Ontstaan .......................................................................................313 60 b. Vestiging, tenietgaan en bescherming van of tegen een b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 erfdienstbaarheid ........................................................................... b.1. Vóór het proces ....................................................................314 60 c. Evolutie in het gewoonterecht en het ius commune .................. 314 b.2. Het proces ............................................................................. 61 d. Het Wetboek van 1804 ............................................. 315 b.3. Burgerlijk De fase voor de magistraat ................................................... 61 e. Het- Het Belgisch Burgerlijk opstellen van deWetboek.............................................. formula ................................................316 62 4. Erfpacht - De......................................................................................... litis contestatio ................................................................316 63 5. Opstal ............................................................................................ b.4. De fase voor de rechter.........................................................317 63 - Bewijslast .............................................................................. 63 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 22 8
BW.indd 22
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ E. De zakelijke zekerheden ................................................................. 318 1. Inleiding: verschillen tussen Romeins en hedendaags recht. ........ 318 a. Hedendaags recht ....................................................................... 318 b. Romeins recht ............................................................................ 319 2. De fiducia ...................................................................................... 320 a. Begrip ........................................................................................ 320 b. Gevolgen van de fiducia ............................................................ 320 c. Sanctionering van de fiducia ..................................................... 321 d. Verdwijnen van de fiducia ........................................................ 321 e. Van fiducia cum amico contracta naar trust ............................. 322 3. Pignus en hypotheca...................................................................... 323 a. Begrip en terminologie .............................................................. 323 b. Vestiging van een pandrecht ..................................................... 323 c. Rechten van de pandhoudende schuldeiser ............................... 323 d. Sanctionering van de verpandingsovereenkomst ...................... 324 e. Bescherming van het pandrecht ................................................. 325 f. Het voorwerp van de verpandingsovereenkomst ....................... 325 g. Rangorde van de pandrechten ................................................... 325 h. Evolutie in het gewoonterecht en het ius commune .................. 326 i. Het Burgerlijk Wetboek van 1804 ............................................. 328 III. VERBINTENISSENRECHT ....................................................... 331 A. Inleiding ........................................................................................... 331 1. De verbintenis: het basisbegrip van het verbintenissenrecht ........ 332 2. Bronnen van verbintenissen en classificatie van contracten ......... 333 a. De Romeinse classificaties ........................................................ 333 b. Het ius commune ....................................................................... 334 c. Het Burgerlijk Wetboek van 1804 ............................................. 334 d. Het Belgisch Burgerlijk Wetboek ............................................. 335 B. Algemeen contractenrecht ............................................................. 336 1. Algemeen en bijzonder contractenrecht ........................................ 336 2. De wilsautonomie van de partijen als centraal element van het contractenrecht .................................................................................. 336 3. De contractvrijheid ........................................................................ 338 a. De formele contractvrijheid ....................................................... 338 a.1. Formalisme en consensualisme bij de Romeinen ............... 338 a.2. Het middeleeuwse gewoonterecht ...................................... 340 23
BW.indd 23
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ a.3. Het ius commune: van formalisme naar consensualisme ... 340 a.4. Het Burgerlijk Wetboek van Napoleon: de definitieve C. Rechtsbronnen .................................................................................. 51 ............................................ 1. Dedoorbraak gewoonte:van de het mosconsensualisme maiorum (gewoonte van de voorouders) .....341 51 Het Belgisch Burgerlijk Wetboek....................................... 342 2. Dea.5. wet.............................................................................................. 51 b. materiële contractvrijheid .................................................... 342 a. De Wet der Twaalf Tafelen ......................................................... 51 4. b. DeAndere vereisten voor een........................................................................ geldig contract ........................................... 343 wetgeving 51 Toestemming 3. a. Andere bronnen ............................................................................. van recht ...............................................................344 52 a.1. Dwaling .............................................................................. 344 D. Procedure .......................................................................................... 52 a.2. Bedrog ................................................................................ 345 1. Vroegste fase ................................................................................... 52 a.3. Geweld ................................................................................ 346 2. Legis ....................................................................................... 52 a.4.actio Benadeling .......................................................................... 347 b. Bekwaamheid ............................................................................ 349 c. Voorwerp ................................................................................... III. DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT 349 c.1. Bepaald of bepaalbaar ........................................................ 349 HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 c.2. Mogelijk.............................................................................. 349 c.3.groeit Geoorloofd A. Rome uit tot .......................................................................... een wereldrijk ..................................................350 55 - Door het recht...................................................................... 350 - Door de .................................................................................. moraal: de goede zeden ......................................... 352 B. Rechtsbronnen 55 d. Oorzaak...................................................................................... 353 1. De gewoonte .................................................................................... 56 5. verbintenissen ................................................... 353 2. Modaliteiten De wetgevingvan ................................................................................... 56 a. Tijdsbepaling ............................................................................. 3. Het magistratenrecht .......................................................................353 56 b. Voorwaarde ............................................................................... a. Onderscheiden van ius civile en ius honorarium ........................354 57 6. b. DeOnderscheiden interpretatie envan uitvoering van contracten ............................... 354 ius civile en ius gentium .............................. 57 a. te goeder trouw ................................................... 354 c. De De uitvoering verschillende actiones ............................................................ 58 b. De interpretatie: de letter of de geest?....................................... d. Aandacht voor het praktische element van het recht...................355 59 7. haar gevolgen ................................................. 355 4. De Hetwanprestatie juristenrechten .............................................................................. 59 a. De wanprestatie ......................................................................... 355 a.1. Wanprestatie bij de Romeinen............................................ 355 C. Procedure .......................................................................................... 60 Tekortkoming ...................................................................... 1. Overleven van de legis actio ...........................................................356 60 - Niet-tijdige uitvoering van de verbintenis .......................... 357 2. De formula ....................................................................................... 60 a.2. Wanprestatie in het ius commune en het Burgerlijk a. Ontstaan ....................................................................................... 60 Wetboek ..................................................................................... 357 b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 - Een begrip wanprestatie ...................................... 358 b.1. Vóóralgemeen het proces .................................................................... 60 - Fout ..................................................................................... b.2. Het proces .............................................................................358 61 - Overmacht ........................................................................... b.3. De fase voor de magistraat ...................................................358 61 - Ingebrekestelling Het opstellen van ................................................................. de formula ................................................359 62 - Een speciaal geval: ................................................................ de clausula rebus sic stantibus............ 359 De litis contestatio 63 a.3. in het Belgisch Burgerlijk Wetboek ............. 360 b.4. Wanprestatie De fase voor de rechter ......................................................... 63 - Bewijslast .............................................................................. 63 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 24 8
BW.indd 24
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ b. De gevolgen van de wanprestatie .............................................. 360 b.1. De gedwongen uitvoering................................................... 361 - Bij de Romeinen.................................................................. 361 - In het ius commune.............................................................. 362 - Het Burgerlijk Wetboek van 1804 en de wet op de dwangsom .............................................................................. 363 - Het Belgisch Burgerlijk Wetboek ....................................... 363 b.2. De ontbinding en de prijsvermindering .............................. 363 b.3. De exceptio non adimpleti contractus ................................ 364 8. Tenietgaan van verbintenissen ...................................................... 364 9. Vertegenwoordiging en bedingen ten gunste van derden ............. 365 a. Inleiding: het begrip vertegenwoordiging ................................. 365 b. Vertegenwoordiging en bedingen ten gunste van een derde in het Romeins recht ...................................................................... 367 b.1. De nemo alteri stipulari-regel ............................................ 367 b.2. De lastgeving ...................................................................... 367 b.3. Substituten voor de vertegenwoordiging in het Romeins recht ........................................................................................... 368 c. De evolutie in het ius commune en het Burgerlijk Wetboek van 1804 ........................................................................................ 369 c.1. De beperking van de nemo alteri stipulari-regel tot het beding ten gunste van derden .................................................... 369 c.2. De verdere evolutie van de nemo alteri stipulari-regel ...... 369 c.3. De verwarring tussen lastgeving en vertegenwoordiging... 369 c.4. Het loon van de lasthebber ................................................. 370 d. Het Belgisch Burgerlijk Wetboek ............................................. 370 C. Bijzonder contractenrecht ............................................................. 371 1. Koop .............................................................................................. 372 a. Definitie ..................................................................................... 372 b. De verplichtingen van de partijen ............................................. 373 b.1. De verplichtingen van de verkoper..................................... 373 - Levering .............................................................................. 373 - Vrijwaring tegen eigen daad ............................................... 373 - Vrijwaring tegen uitwinning door derden ........................... 374 - Vrijwaring tegen verborgen gebreken ................................. 374 b.2. De verplichtingen van de koper.......................................... 375 c. Het risico ................................................................................... 375 25
BW.indd 25
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ 2. Lening ............................................................................................ 376 a. Algemeen ................................................................................... C. Rechtsbronnen ..................................................................................376 51 intrest ................................................................................... 1. b. DeDe gewoonte: de mos maiorum (gewoonte van de voorouders) .....376 51 Het Romeins recht .............................................................. 376 2. Deb.1. wet.............................................................................................. 51 b.2.Wet Het der kerkelijk ................................................. 377 a. De Twaalfintrestverbod Tafelen ......................................................... 51 b.3. De Franse Revolutie en het Burgerlijk Wetboek van 1804 377 b. Andere wetgeving ........................................................................ 51 b.4. Een nieuwvan leven voor het intrestverbod ............................. 378 3. Andere bronnen recht ............................................................... 52 b.5. Het Belgisch Burgerlijk Wetboek ...................................... 378 D.3. Procedure .......................................................................................... 52 Huur, aanneming en arbeidscontract ............................................. 378 1. a. Vroegste fase ................................................................................... 52 Het onderscheid tussen huur, aanneming en arbeidscontract .... 378 2. Legis ....................................................................................... 52 a.1.actio De driedeling van het hedendaagse recht ........................... 378 a.2. Geen onderscheid bij de Romeinen .................................... 379 Het ius commune: van afwezigheid van onderscheid III. DEa.3. VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT naar een tweedeling ................................................................... HET JAAR NUL) ..................................................................................379 55 a.4. Het Burgerlijk Wetboek: de tweedeling ............................. 380 a.5.groeit De ontwikkeling van de driedeling ..................................... 380 A. Rome uit tot een wereldrijk .................................................. 55 a.6. De driedeling en de studie van het Romeins recht ............. 381 b. De huur ...................................................................................... B. Rechtsbronnen ..................................................................................381 55 b.1. Soorten................................................................................ 381 1. De gewoonte .................................................................................... 56 De verplichtingen van de partijen en het risico .................. 383 2. Deb.2. wetgeving ................................................................................... 56 De verplichtingen van de verhuurder .................................. 383 3. Het magistratenrecht ....................................................................... 56 - De verplichtingen de en huurder ....................................... a. Onderscheiden van iusvan civile ius honorarium ........................383 57 Het risico ............................................................................. 383 b. Onderscheiden van ius civile en ius gentium .............................. 57 b.3.verschillende De waarborgen van de............................................................ verhuurder ..................................... 384 c. De actiones 58 b.4. De bescherming van de ......................................... d. Aandacht voor het praktischehuurder element van het recht...................384 59 - Opzegging.............................................................................. ........................................................................... 384 4. Het juristenrecht 59 - De verkoop van het verhuurde goed ................................... 385 - De .......................................................................................... speciale problematiek van de langetermijnhuur ............ 385 C. Procedure 60 c. Aanneming 1. Overleven van................................................................................. de legis actio ...........................................................386 60 ......................................................................... 386 2. d. DeArbeidscontract formula....................................................................................... 60 4. a. Stipulatio Ontstaan....................................................................................... .......................................................................................387 60 a. Definitie en kenmerken ............................................................. 387 b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 b. Belang ........................................................................................ b.1. Vóór het proces ....................................................................388 60 5. Andere bijzondere contracten ....................................................... 388 b.2. Het proces ............................................................................. 61 b.3. De fase voor de magistraat ................................................... 61 D. Quasi-contracten ............................................................................ - Het opstellen van de formula ................................................389 62 1. Ongerechtvaardigde verrijking bij de Romeinen .......................... 389 - De litis contestatio ................................................................ 63 a. De ............................................................................... b.4.condictio De fase voor de rechter.........................................................390 63 b. De- zaakwaarneming .................................................................. 390 Bewijslast .............................................................................. 63 c. De-actio de in van rem de verso (utilis) ................................................ Betekenis veroordeling ..............................................391 64 26 8
BW.indd 26
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ 2. Ongerechtvaardigde verrijking in het ius commune ...................... 391 a. De eliminatie van de condictiones ............................................. 391 b. De ontwikkeling van een algemeen principe van ongerechtvaardigde verrijking ....................................................... 391 c. De zaakwaarneming................................................................... 392 3. Het Burgerlijk Wetboek van 1804................................................. 392 4. Het Belgisch Burgerlijk Wetboek ................................................. 392 E. Delicten en quasi-delicten .............................................................. 393 1. Delicten en quasi-delicten bij de Romeinen.................................. 393 a. Het begrip delictum ................................................................... 393 b. Poenale, reipersecutoire en gemengde acties ............................ 394 c. Soorten delicten ......................................................................... 395 d. Furtum ....................................................................................... 395 e. Damnum iniuria datum: het delict van de actio legis Aquiliae . 396 e.1. De lex Aquilia ..................................................................... 396 e.2. De elementen van damnum iniuria datum .......................... 397 e.3. Damnum.............................................................................. 397 - Damnum in corpus datum ................................................... 397 - Verwonding of doodslag van vrije personen ...................... 398 e.4. Iniuria ................................................................................. 398 e.5. Causaliteit ........................................................................... 398 e.6. De boete .............................................................................. 399 f. Iniuria als afzonderlijk delict ..................................................... 399 g. Quasi-delicten en foutloze aansprakelijkheid ........................... 400 g.1. Quasi-delicten ..................................................................... 400 g.2. Schade door dieren ............................................................. 401 g.3. Schade door personen onder patria potestas of slaven ...... 401 2. Delicten en quasi-delicten in het gewoonterecht .......................... 401 a. De vroege Middeleeuwen .......................................................... 401 b. De hoge en de late Middeleeuwen ............................................ 402 3. Delicten en quasi-delicten in het ius commune ............................. 403 a. Iniuria ........................................................................................ 403 b. De Aquiliaanse aansprakelijkheid ............................................. 404 b.1. De ontwikkeling van het begrip schuld .............................. 404 b.2. Schade ................................................................................ 404 b.3. Causaliteit ........................................................................... 405 b.4. Het verlies van het poenaal karakter .................................. 405 27
BW.indd 27
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ b.5. De ontwikkeling van een algemeen principe van aansprakelijkheid voor een onrechtmatige extracontractuele C. Rechtsbronnen .................................................................................. 51 ........................................................................................... 1. Dedaad gewoonte: de mos maiorum (gewoonte van de voorouders) .....405 51 vormen van aansprakelijkheid ...................................... 406 2. c. DeAndere wet.............................................................................................. 51 4. a. Het Wetboek van 1804................................................. DeBurgerlijk Wet der Twaalf Tafelen .........................................................406 51 a. foutaansprakelijkheid ........................................................... 406 b. De Andere wetgeving........................................................................ 51 Andere gevallen extracontractuele aansprakelijkheid ........ 406 3. b. Andere bronnen vanvan recht ............................................................... 52 5. De ontwikkelingen na 1804 ........................................................... 407 D. Procedure .......................................................................................... 52 a. Ontwikkelingen binnen de foutaansprakelijkheid ..................... 407 1. b. Vroegste fase ................................................................................... 52 De opkomst van de risicoaansprakelijkheid .............................. 408 2. Het Legiskomende actio ....................................................................................... 52 6. recht......................................................................... 409 III. ERFRECHT DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT 413 IV. .................................................................................. HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 A. Inleiding ........................................................................................... 413 A. Rome groeit uit tot een wereldrijk .................................................. 55 B. Het Romeins erfrecht ..................................................................... 414 B. 1. Rechtsbronnen ..................................................................................414 55 De wettelijke devolutie.................................................................. 1. Het De gewoonte 56 2. testament.................................................................................... ................................................................................. 415 2. a. DeOntstaan wetgeving ...................................................................................415 56 ..................................................................................... 3. b. HetVorm magistratenrecht .......................................................................416 56 .......................................................................................... a. Inhoud Onderscheiden van ius civile en ius honorarium ........................416 57 c. ........................................................................................ b. -Onderscheiden van ius civile en ius gentium ..............................416 57 Erfstelling ................................................................................ c. De verschillende actiones ............................................................417 58 - Legaten .................................................................................... d. -Aandacht voor het....................................................................... praktische element van het recht...................418 59 Fideïcommissen 4. De Hetschulden juristenrecht ..............................................................................418 59 3. ................................................................................... 4. De verkrijging van de erfenis ........................................................ 419 C. Procedure .......................................................................................... 60 Overleven van deinlegis actio ........................................................... 60 C.1. Intestaaterfrecht het gewoonterecht ........................................ 420 2. Een De formula ....................................................................................... 60 1. veelheid aan regelingen .......................................................... 420 ....................................................................................... 60 2. a. DeOntstaan descendenten ............................................................................ 421 b. Uitzonderingen Verloop van de op formula-procedure 60 a. de gelijkheid van............................................. de erfgenamen ................ 421 b.1. De Vóór het proces .................................................................... 60 a.1. bevoordeling van één erfgenaam .................................. 422 b.2. Het recht proces ............................................................................. 61 - Het van de oudste zoon (primogenituur).................... 422 b.3. De fase ................................................... 61 - Het rechtvoor van de magistraat jongste (ultimogenituur) .......................... 423 Het opstellen van de formula ................................................ 62 a.2. De uitsluiting van bepaalde kinderen ................................. 423 De litis contestatio ................................................................ 63 - Het mannenvoorrecht .......................................................... 423 b.4. De bevoordeling fase voor de rechter ......................................................... 63 - De van kinderen uit het eerste huwelijk........ 423 - Bewijslast .............................................................................. 63 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 28 8
BW.indd 28
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ b. Mechanismen ter bescherming van de gelijkheid ..................... 424 b.1. Representatie ...................................................................... 424 b.2. Inbreng................................................................................ 425 3. De ascendenten .............................................................................. 425 4. De collateralen............................................................................... 425 a. De parentelen ............................................................................. 425 b. De bevoordeling van volle broers of zussen ............................. 425 c. Het familiaal terugvalrecht voor de eigen goederen .................. 426 d. De kloving voor aanwinsten en kateilen ................................... 426 5. De erfloze nalatenschap ................................................................ 426 6. Het erfrecht = familiaal recht ........................................................ 426 D. Het testament in de Middeleeuwen en de Moderne Tijden ........ 427 1. Verdwijning en terugkeer van het testament ................................. 427 2. Het religieus karakter van het nieuwe testament ........................... 428 3. Beperkingen op de testeervrijheid ................................................. 429 E. De verwerving van de nalatenschap vóór de Franse Revolutie ............................................................................................... 430 1. De erfrechtelijke saisine ................................................................ 430 2. Het keuzerecht van de erfgenaam.................................................. 430 3. Het passief van de nalatenschap .................................................... 430 4. Vereffening en verdeling ............................................................... 431 a. Inbreng ....................................................................................... 431 b. De uitvoering van de legaten ..................................................... 432 c. De verdeling .............................................................................. 432 F. De invloed van het erfrecht op de rest van het recht vóór de Franse Revolutie .................................................................................. 432 1. Overdrachten onder levenden........................................................ 432 a. De instemming van de verwanten.............................................. 433 b. Het voorkooprecht ..................................................................... 433 c. Het nakooprecht ......................................................................... 433 d. Bedingen over een nog niet opengevallen nalatenschap ........... 434 2. Successierechten............................................................................ 434 G. Conclusie ......................................................................................... 435 1. De theorie van Yver ...................................................................... 435 2. Het Ligurisch erfrecht van Meijers ............................................... 436 3. De opvattingen van Jacob.............................................................. 436 29
BW.indd 29
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ 4. Het basisprincipe van het oude recht ............................................ 437 C. Rechtsbronnen .................................................................................. 51 H.1.DeDeFranse Revolutie ....................................................................... gewoonte: de mos maiorum (gewoonte van de voorouders) .....437 51 1. van de adel door een maximale versplintering van de 51 2. Eliminatie De wet.............................................................................................. erfenissen ........................................................................................... a. De Wet der Twaalf Tafelen .........................................................438 51 2. b. Eliminatie van de kerk door beperkingen op schenkingen en Andere wetgeving ........................................................................ 51 legaten ............................................................................................... 3. Andere bronnen van recht ...............................................................439 52 3. Verjonging ..................................................................................... 440 Vereenvoudiging ........................................................................... 440 D.4. Procedure .......................................................................................... 52 5. toch bevestigt de Revolutie het oude recht .............................. 441 1. En Vroegste fase ................................................................................... 52 2. Legis actio ....................................................................................... 52 I. Het Burgerlijk Wetboek van 1804 ................................................. 441 1. Afzwakken van de versplintering .................................................. 441 III. DE VOORKLASSIEKE PERIODE (VAN CA. 250 V.C. TOT 2. De verjonging teruggeschroefd ..................................................... 443 HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 3. De Revolutie wordt voortgezet...................................................... 443 4. De Revolutie is op lange termijn succesvol .................................. 444 A. Rome groeit uit tot een wereldrijk .................................................. 55 5. De essentie van het oude recht blijft (alweer) behouden .............. 444 B. Rechtsbronnen .................................................................................. 55 J. De evolutie na 1804 .......................................................................... 444 1. De gewoonte .................................................................................... 56
2. De wetgeving ................................................................................... 56 K. Het Belgisch Burgerlijk Wetboek ................................................. 446 3. Het magistratenrecht ....................................................................... 56 a. Onderscheiden van ius civile en ius honorarium ........................ 57 L. De toekomst ..................................................................................... 447 b. Onderscheiden van ius civile en ius gentium .............................. 57 c. De verschillende actiones ............................................................ 58 V. HUWELIJKSVERMOGENSRECHT .......................................... d. Aandacht voor het praktische element van het recht...................449 59 4. Het juristenrecht .............................................................................. 59 A. Het Romeins recht .......................................................................... 450 C. Procedure .......................................................................................... 60 B. 1. DeOverleven rechten van in de Frankische periode ........ 450 vande de langstlevende legis actio ........................................................... 60 2. De formula....................................................................................... 60 C. Dea.rechten de langstlevende na de Franken ......................... 451 Ontstaanvan ....................................................................................... 60 1. b. DeVerloop uitzondering: het doarium ....................................................... 451 van de formula-procedure ............................................. 60 2. Hetb.1. gemeen ........................................................................... Vóór recht het proces ....................................................................452 60 a. De gemeenschap ........................................................................ b.2. Het proces .............................................................................452 61 b. De dede echtgenoten het huwelijk ................. 453 b.3.rechten De fasevan voor magistraat tijdens ................................................... 61 c. De-rechten van de langstlevende op de gemeenschap ............... 453 Het opstellen van de formula ................................................ 62 d. De- rechten de langstlevende op de nalatenschap van de De litis van contestatio ................................................................ 63 eerststervende ................................................................................ b.4. De fase voor de rechter.........................................................454 63 e. Afwijkingen door huwelijkscontracten en testamenten ............ 455 - Bewijslast .............................................................................. 63 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 30 8
BW.indd 30
23/08/2022 11:05
- Inhoudstafel ___________________________________________________________ f. Verschillen in de gewoonten ...................................................... 455 g. De basisregel van het oude recht ............................................... 455 D. Het Burgerlijk Wetboek van 1804 ................................................ 456 E. De evolutie na 1804 ......................................................................... 456 F. Het Belgisch Burgerlijk Wetboek ................................................. 457 G. Het probleem van de ongehuwde partners .................................. 458 BESLUIT .............................................................................................. 461
31
BW.indd 31
23/08/2022 11:05
BW.indd 32
23/08/2022 11:05
INLEIDING
BW.indd 33
23/08/2022 11:05
BW.indd 34
23/08/2022 11:05
A. Wat wordt bestudeerd in de privaatrechtsgeschiedenis? Recht: het geheel van sanctioneerbare regels die het leven in een gemeenschap regelen. Rechtsgeschiedenis: studie van het recht doorheen de eeuwen. Uitgangspunt: rechtsregels zijn niet altijd het product van logica. Soms kan men een regel logisch verklaren, soms kan dit enkel door kennis van de historische achtergronden. Interne rechtsgeschiedenis: bestudeert de ontwikkeling van de verschillende rechtsregels. Externe rechtsgeschiedenis: betreft de materiële bronnen van het recht, de formele bronnen van het recht en de kenbronnen van het recht. Eventueel rekent men tot het extern recht ook het gerechtelijk recht, dat de procedure regelt (het geheel van de formaliteiten, die gevolgd worden bij de behandeling van een vordering voor de rechter). Enkele basisbegrippen uit het extern recht: de bronnen van het recht: - materiële bronnen van het recht: de maatschappelijke achtergronden van het recht. Het recht heeft tot doel de organisatie van de maatschappij. Kent de maatschappij een bepaald probleem, dan zal een rechtsregel proberen daarvoor een oplossing te vinden. Naar gelang van de maatschappij, naar gelang van haar problemen, zal het recht, het geheel van de oplossingen voor die problemen, er anders uitzien. - formele bronnen van het recht: het betreft de factoren die rechtstreeks de vorm, het uitzicht van een rechtsregel bepalen. Een materiële bron van recht leidt ertoe dat een rechtsregel zal ontstaan. Wat deze rechtsregel precies zal inhouden, wordt door een formele bron van recht bepaald. Deze maakt dus de rechtsregel, daar waar de materiële bron van recht hem doet ontstaan. De formele bronnen van recht verschillen naar gelang van de instelling die ervoor verantwoordelijk is. Men kan onderscheiden: i) de maatschappij als dusdanig: gewoonte: geheel van oude, constante, meestal ongeschreven regels die uitdrukken hoe men moet handelen en die als recht beschouwd worden. ii) de overheid: wet: elk algemeen, bindend voorschrift uitgevaardigd door de bevoegde overheid. (Dit is de definitie van wet in de ruime zin. In de enge zin wordt de term wet vaak voorbehouden aan één welbepaalde overheid.) 35
BW.indd 35
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ C. Rechtsbronnen 51 iii) de rechtspraak:.................................................................................. de beslissingen over concrete geschillen door een 1. De gewoonte: de mos maiorum (gewoonte van de voorouders) ..... 51 rechter. wet.............................................................................................. iv)2.deDe rechtsleer: de mening van de personen die het recht bestuderen. 51 a. De Wetgeven der Twaalf Tafelen ......................................................... - kenbronnen: informatie over de inhoud van een rechtsregel. 51 b. Andere wetgeving........................................................................ 51 3. Andere bronnen van recht ............................................................... Privaatrecht: het privaatrecht regelt de verhoudingen tussen 52 de rechtsonderhorigen. Het publiekrecht daarentegen regelt de verhouding D. Procedure .......................................................................................... tussen de rechtsonderhorigen en de overheid en tussen 52 de 1. Vroegste fase ................................................................................... 52 overheidsorganen onderling. Op het eerste gezicht lijkt dit een zeer 2. Legistweedeling actio ....................................................................................... 52 logische te zijn die bovendien het voordeel van de eenvoud heeft. Bij nader toezien blijken er toch enkele bezwaren te bestaan, waarvan sommige specifiek PERIODE rechtshistorisch daarV.C. waarTOT andere III. DE VOORKLASSIEKE (VANzijn, CA. 250 evengoed gelden voor het hedendaagse recht. Twee daarvan verdienen HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 onze aandacht: A. Rome groeit uit tot een wereldrijk .................................................. 55 - De tweedeling publiekrecht-privaatrecht stemt niet overeen met de realiteit. Ze is immers nogal simplistisch. Bepaalde gebieden van het B. Rechtsbronnen .................................................................................. 55 recht kunnen niet meteen in één van deze twee vakjes gestopt worden, 1. De gewoonte .................................................................................... 56 zowel inwetgeving het heden................................................................................... als in het verleden (bv. sociaal recht). Een geval apart 2. De 56 vormt strafrecht. Daar is de vermenging tussen privaat- 56 en 3. Hethet magistratenrecht ....................................................................... publiekrecht zeer sterk.van Bijgevolg het niet echt bij één van die a. Onderscheiden ius civilekan en men ius honorarium ........................ 57 twee b. indelen. In de eerste tot de .............................. twaalfde eeuw, woog Onderscheiden vanMiddeleeuwen, ius civile en iusi.e. gentium 57 in hetc.strafrecht de privaatrechtelijke component het zwaarst. De straffen De verschillende actiones ............................................................ 58 zijn dan vooral boeten. Deze bestaan element uit tweevan delen: en fredus. De d. Aandacht voor het praktische het faidus recht................... 59 faidus naar het .............................................................................. slachtoffer of zijn familie. Het slachtoffer heeft 4. Hetgaat juristenrecht 59 immers het recht om wraak te nemen en de faidus is de afkoopsom van die wraak. De .......................................................................................... fredus wordt betaald aan de koning en is een boete voor C. Procedure 60 het1.verbreken vrede. De verhouding tussen beide spreekt Overlevenvan vandedeopenbare legis actio ........................................................... 60 boekdelen: de faidus bestaat uit twee derden van de boete. De koning 2. De formula ....................................................................................... 60 krijgta. Ontstaan dus slechts één derde. Private belangen primeren op het ....................................................................................... 60 overheidsbelang, of anders gezegd, de vete is belangrijker dan rust en b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 orde. Dit uiteindelijk in een samenleving vol geweld. b.1.kan Vóór het proces uitmonden .................................................................... 60 Vanaf de eeuw ............................................................................. komt dan ook een tegenbeweging op gang. De b.2.elfde Het proces 61 overheid begint veel actiever de orde................................................... te handhaven. Voortaan zal 61 de b.3. De fase voor de magistraat overheid delinquenten vervolgen. Dit betekent echter niet dat het privaat - Het opstellen van de formula ................................................ 62 element verdwijnt het strafrecht. Ook nu nog blijft het een belangrijke - De litis uit contestatio ................................................................ 63 rol spelen, denken we de maar aan......................................................... de mogelijkheid om zich voor 63 de b.4. De fase voor rechter onderzoeksrechter burgerlijke partij te stellen. Gezien het overwicht van - Bewijslast .............................................................................. 63 het publiek element invan hetdehedendaagse wordt dit hier buiten - Betekenis veroordelingstrafrecht, .............................................. 64 beschouwing gelaten. 8 36
BW.indd 36
23/08/2022 11:05
- Inleiding ___________________________________________________________ Daarom noemt men de gebruikers van deze benaderingswijze ‘neohumanisten’, naar de humanisten uit de zestiende eeuw. Die waren eveneens vooral in de juiste historische context van het Romeins recht geïnteresseerd en niet in de bruikbaarheid ervan. - juridische: men bestudeert het oude recht in functie van het hedendaagse. De nadruk ligt daarbij op de historische oorsprong van hedendaagse rechtsregels. Deze worden gevolgd van de Romeinen tot op heden. De historische context heeft minder belang en grote aandacht gaat naar de allerlaatste ontwikkelingen. De rechtsvergelijking is bij een juridische studie van de rechtsgeschiedenis belangrijk. Men wil verklaren hoe de verschillende behandeling van gemeenschappelijke oude rechtsregels tot de hedendaagse juridische verscheidenheid heeft geleid. Afweging van de methoden: de historische methode valt op wetenschappelijk vlak zeker te verdedigen, maar voor het onderwijs in de rechten is zij minder geschikt. Het heeft weinig zin de rechtsgeschiedenis zo te doceren, dat zij geen enkel verband heeft met de studies in de rechten. De juridische methode verdient duidelijk de voorkeur. Toch kan men niet alleen deze methode gebruiken. Bepaalde elementen van de historische methode moeten behouden blijven, omdat de historische evolutie zonder haar ruimere context vaak onbegrijpelijk is. Gevolgen van de keuze voor een juridische methode: rechtsregels die niet van belang zijn voor het hedendaagse recht komen slechts beperkt aan bod, nl. voor zover ze nuttig zijn om andere regels uit het oude recht te begrijpen. Dit geldt bv. voor de Romeinse slavernij of het middeleeuwse zakenrecht. Die waren in hun tijd enorm belangrijk, maar hebben vandaag geen belang meer, zodat het geen zin heeft daar veel aandacht aan te besteden.
41
BW.indd 41
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ C. Rechtsbronnen 51 iii) de rechtspraak:.................................................................................. de beslissingen over concrete geschillen door een 1. De gewoonte: de mos maiorum (gewoonte van de voorouders) ..... 51 rechter. wet.............................................................................................. iv)2.deDe rechtsleer: de mening van de personen die het recht bestuderen. 51 a. De Wetgeven der Twaalf Tafelen ......................................................... - kenbronnen: informatie over de inhoud van een rechtsregel. 51 b. Andere wetgeving........................................................................ 51 3. Andere bronnen van recht ............................................................... Privaatrecht: het privaatrecht regelt de verhoudingen tussen 52 de rechtsonderhorigen. Het publiekrecht daarentegen regelt de verhouding D. Procedure .......................................................................................... tussen de rechtsonderhorigen en de overheid en tussen 52 de 1. Vroegste fase ................................................................................... 52 overheidsorganen onderling. Op het eerste gezicht lijkt dit een zeer 2. Legistweedeling actio ....................................................................................... 52 logische te zijn die bovendien het voordeel van de eenvoud heeft. Bij nader toezien blijken er toch enkele bezwaren te bestaan, waarvan sommige specifiek PERIODE rechtshistorisch daarV.C. waarTOT andere III. DE VOORKLASSIEKE (VANzijn, CA. 250 evengoed gelden voor het hedendaagse recht. Twee daarvan verdienen HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 onze aandacht: A. Rome groeit uit tot een wereldrijk .................................................. 55 - De tweedeling publiekrecht-privaatrecht stemt niet overeen met de realiteit. Ze is immers nogal simplistisch. Bepaalde gebieden van het B. Rechtsbronnen .................................................................................. 55 recht kunnen niet meteen in één van deze twee vakjes gestopt worden, 1. De gewoonte .................................................................................... 56 zowel inwetgeving het heden................................................................................... als in het verleden (bv. sociaal recht). Een geval apart 2. De 56 vormt strafrecht. Daar is de vermenging tussen privaat- 56 en 3. Hethet magistratenrecht ....................................................................... publiekrecht zeer sterk.van Bijgevolg het niet echt bij één van die a. Onderscheiden ius civilekan en men ius honorarium ........................ 57 twee b. indelen. In de eerste tot de .............................. twaalfde eeuw, woog Onderscheiden vanMiddeleeuwen, ius civile en iusi.e. gentium 57 in hetc.strafrecht de privaatrechtelijke component het zwaarst. De straffen De verschillende actiones ............................................................ 58 zijn dan vooral boeten. Deze bestaan element uit tweevan delen: en fredus. De d. Aandacht voor het praktische het faidus recht................... 59 faidus naar het .............................................................................. slachtoffer of zijn familie. Het slachtoffer heeft 4. Hetgaat juristenrecht 59 immers het recht om wraak te nemen en de faidus is de afkoopsom van die wraak. De .......................................................................................... fredus wordt betaald aan de koning en is een boete voor C. Procedure 60 het1.verbreken vrede. De verhouding tussen beide spreekt Overlevenvan vandedeopenbare legis actio ........................................................... 60 boekdelen: de faidus bestaat uit twee derden van de boete. De koning 2. De formula ....................................................................................... 60 krijgta. Ontstaan dus slechts één derde. Private belangen primeren op het ....................................................................................... 60 overheidsbelang, of anders gezegd, de vete is belangrijker dan rust en b. Verloop van de formula-procedure ............................................. 60 orde. Dit uiteindelijk in een samenleving vol geweld. b.1.kan Vóór het proces uitmonden .................................................................... 60 Vanaf de eeuw ............................................................................. komt dan ook een tegenbeweging op gang. De b.2.elfde Het proces 61 overheid begint veel actiever de orde................................................... te handhaven. Voortaan zal 61 de b.3. De fase voor de magistraat overheid delinquenten vervolgen. Dit betekent echter niet dat het privaat - Het opstellen van de formula ................................................ 62 element verdwijnt het strafrecht. Ook nu nog blijft het een belangrijke - De litis uit contestatio ................................................................ 63 rol spelen, denken we de maar aan......................................................... de mogelijkheid om zich voor 63 de b.4. De fase voor rechter onderzoeksrechter burgerlijke partij te stellen. Gezien het overwicht van - Bewijslast .............................................................................. 63 het publiek element invan hetdehedendaagse wordt dit hier buiten - Betekenis veroordelingstrafrecht, .............................................. 64 beschouwing gelaten. 8 36
BW.indd 36
23/08/2022 11:05
- Inleiding ___________________________________________________________ - De tweedeling publiekrecht-privaatrecht is vrij recent. De Romeinen kenden reeds het onderscheid publiekrecht-privaatrecht. Voor hen was dit echter niet de meest belangrijke indeling van het recht. Integendeel, de Romeinen hebben eigenlijk niet zoveel belang gehecht aan deze begrippen. Met de Germaanse invallen verdwenen ze geheel. Het recht van de koning werd als niet zo verschillend van het recht van een andere grondbezitter beschouwd. Het was dan ook niet meer dan normaal dat een koninkrijk, net zoals een ander stuk grond, onder de erfgenamen verdeeld werd. Geleidelijk aan nam het besef van de specifieke rechten van de overheid terug toe, maar dit leidde nog niet meteen tot een theorievorming, tot een herinvoering van de begrippen publiek- en privaatrecht. Pas in de zeventiende eeuw begint men duidelijk het openbaar tegenover het privaat belang te plaatsen, maar dit gebeurt niet overal in Europa. Tot in de negentiende eeuw maakte het Engels recht geen onderscheid tussen de overheid en de private burgers. Overigens is in het hedendaagse recht dit onderscheid ook alweer op de terugweg. Zo overheerste bij de Franse revolutionairen de opvatting, dat de gewone rechter niet mocht oordelen over geschillen waarin de overheid betrokken was. Hij mocht alleen oordelen over geschillen tussen burgers. Deze opvatting is geleidelijk aan afgekalfd. In dit boek komen aan bod: - externe rechtsgeschiedenis: studie van het recht in West-Europa van de Romeinen tot vandaag. De hoofdthemata zijn de geschiedenis van het Romeins recht in de klassieke oudheid, de renaissance ervan omstreeks 1100 en de daaropvolgende confrontatie tussen het Romeins recht en het inheems gewoonterecht (costumier recht), waarbij het Romeins recht het gemeenschappelijk recht (ius commune) van geheel Europa wordt. Dit loopt dan uit in de codificaties van de Verlichting die ook nu nog ons recht beheersen. - interne rechtsgeschiedenis: studie van die rechtsregels uit ons oude recht die van Romeinsrechtelijke, canonieke of costumiere oorsprong zijn. Het Romeins recht heeft vooral ons vermogensrecht gevormd (zakenrecht, verbintenissenrecht), terwijl het gewoonterecht het personen- en familierecht (met inbegrip van het patrimoniaal familierecht, i.e. erfrecht en huwelijksrecht) domineerde. Het canoniek recht heeft een sleutelrol gespeeld in zowel het vermogens- als het personen- en familierecht, mede omdat het vaak veel progressiever was 37
BW.indd 37
23/08/2022 11:05
- Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ - Privaatrechtsgeschiedenis ___________________________________________________________ dan het Romeins of het costumier recht. In dit boek komen jongere terreinen van het privaatrecht (bv. handelsrecht) niet aan bod omdat: 51 C. Rechtsbronnen .................................................................................. i) deze in het de verleden vaak (gewoonte minder van belangrijk waren .....(bv. 1. De gewoonte: mos maiorum de voorouders) 51 verzekeringsrecht) of niet bestonden (bv. intellectuele eigendoms2. De wet.............................................................................................. 51 rechten). a. De Wet der Twaalf Tafelen ......................................................... 51 ii) goede studies over de geschiedenis van deze rechtstakken vaak b. Andere wetgeving ........................................................................ 51 ontbreken. 3. Andere bronnen van recht ............................................................... 52 D. Procedure .......................................................................................... 52 Opgelet: het onderscheid dat hier gemaakt wordt tussen Romeins recht, 1. Vroegste fase ................................................................................... inheems gewoonterecht en canoniek recht mag niet overdreven worden:52 2. is Legis 52 * er geenactio muur....................................................................................... tussen het gewoonterecht en het Romeins recht. In alle takken van het recht zijn invloeden van beide aanwezig. Onze hedendaagse rechtsregels zijn PERIODE nooit voor honderd procent van Romeinse III. DE VOORKLASSIEKE (VAN CA. 250 V.C. TOT of costumiere oorsprong. HET JAAR NUL) .................................................................................. 55 * de bijzondere positie van het kerkelijk recht: de kerk beschouwt zich als de erfgenaam Gevolg: .................................................. sterk aansluiten bij het Romeins A. Rome groeit uitvan tot Rome. een wereldrijk 55 recht. Na de renaissance van het Romeins recht rond 1100 is de band tussen het Romeins.................................................................................. en het kerkelijk recht zo sterk, dat men spreekt van B. Rechtsbronnen 55 Romano-canoniek recht. Voortaan veronderstelt de studie van het 1. De gewoonte .................................................................................... 56 canoniek recht dat................................................................................... men Romeins recht kent. In de omgekeerde richting 2. De wetgeving 56 heeft het canoniek recht een belangrijke invloed uitgeoefend op 56 de 3. Het magistratenrechtook ....................................................................... ontwikkeling van het Romeins recht.en ius honorarium ........................ 57 a. Onderscheiden van ius civile Bovendien bestrijkt de geschiedenis het .............................. Romeins recht, het b. Onderscheiden van ius civile en iusvan gentium 57 costumiere recht en het canoniek recht meer dan twee milennia. In 58 de c. De verschillende actiones ............................................................ loop d. daarvan veranderden ze voortdurend. HET Romeins, costumier of Aandacht voor het praktische element van het recht................... 59 canoniek recht bestaat.............................................................................. dus niet, wel het Romeins, costumier of canoniek 4. Het juristenrecht 59 recht van een bepaalde periode. C. Procedure .......................................................................................... 60 Opvallend is van dat derechtsregels uit het Romano-canoniek of het 1. Overleven legis actio ........................................................... 60 gewoonterecht bestempeld worden als Romeins recht door twee 2. De formulavaak ....................................................................................... 60 mechanismen: a. Ontstaan ....................................................................................... 60 - valse vrienden:van dedeRomeinen spraken Latijn, maar daarom komt nog b. Verloop formula-procedure ............................................. 60 niet elke term of uitdrukking in het Latijn uit het Romeins recht. Bv. b.1. Vóór het proces .................................................................... 60 Pacta, b.2. quantumcumque nuda, servanda sunt (overeenkomsten, hoe Het proces ............................................................................. 61 vormloos nagekomen worden). Dit betekent dat het akkoord b.3.ook, De moeten fase voor de magistraat ................................................... 61 van beide -partijen volstaat een contract. Zij hoeven verder niets62 te Het opstellen vanvoor de formula ................................................ doen. Dit -principe komt uit het canoniek recht. In het Romeins recht gold De litis contestatio ................................................................ 63 daarentegen: pacto actio non oritur (uit een vormloze b.4. DeEx fasenudo voor de rechter ......................................................... 63 overeenkomst ontstaat.............................................................................. geen vordering). Anders gezegd, het volstaat niet - Bewijslast 63 - Betekenis van de veroordeling .............................................. 64 38 8
BW.indd 38
23/08/2022 11:05
- Inleiding ___________________________________________________________ dat de partijen akkoord gaan. Zij moeten ook nog bepaalde formaliteiten vervullen. - Romeinse termen met een niet-Romeinse inhoud: soms gaat achter een term uit het Romeins recht een begrip schuil dat geen Romeins recht is. Bv. roerend/onroerend (mobilis/immobilis): in het Romeins recht: verplaatsbaar/niet-verplaatsbaar. Dit gaat nu echter niet op. Er zijn bv. in het huidige recht verplaatsbare onroerende goederen. De termen roerend en onroerend stemmen niet meer overeen met verplaatsbaar/nietverplaatsbaar, maar met wat in de Middeleeuwen waardevol of nietwaardevol was. De Romeinse termen hebben dus een gewoonterechtelijke inhoud gekregen.
B. Verantwoording van de studie van de rechtsgeschiedenis 1. Extern recht De externe rechtsgeschiedenis kan nuttig zijn op verschillende vlakken: - beter begrip van de achtergronden van de interne rechtsgeschiedenis en bijgevolg ook van het hedendaagse recht. - beter inzicht in de rol van rechtspraak, rechtsleer, wet en gewoonte in het hedendaagse recht door een vergelijking met de positie die zij in het verleden innamen. - bewustwording van de eigen plaats in de ontwikkeling van het recht: de hedendaagse jurist zet een traditie verder die startte in de Middeleeuwen en die zelf steunt op de geschriften van Romeinse rechtsgeleerden. - bewustwording van het unieke van het hedendaagse recht: recht is een abstract systeem dat stoelt op logische redeneringen. Dit is echter een nog zeer recent fenomeen. In het verleden keek men anders tegen recht aan. Door te bestuderen hoe het hedendaagse recht tot stand is gekomen, kan men veel beter de verwezenlijkingen en gebreken ervan evalueren.
2. Intern recht Dit is vooral bruikbaar om: - rechtsregels te begrijpen: in sommige gevallen lijkt een rechtsregel in onze ogen niet logisch te zijn. De zin of onzin ervan ontgaat ons en kan 39
BW.indd 39
23/08/2022 11:05