Aan allen die zich inzetten en hebben ingezet voor onze veiligheid. Dank voor uw dienst.
The last words that R. said to him, with a casualness that made them impressive, were: ‘There’s just one thing I think you ought to know before you take on this job. And don’t forget it. If you do well you’ll get no thanks and if you get into trouble you’ll get no help. Does that suit you?’ ‘Perfectly.’ ‘Then I’ll wish you good afternoon.’ — W. Somerset Maugham, Ashenden
Inhoud Staatsgeheimen 1830-1848
1848-1871
11
De sinistere plannen van koning Willem 27 De oprichting van de Staatsveiligheid als wapen tegen Nederlandse spionnen en verraders
Een spook waart door Europa 59
Het jonge koninkrijk in gevaar door radicalen en de Frans-Duitse oorlog
1871-1905
Sterft, gij oude vormen en gedachten! 89
1886-1919
Het zwaard van Damocles 119
1919-1939
Het lot van de natie in gevaar 153
1940-1945
Het zwijn trekt westwaarts 185
1945-1967
De duistere macht van de staat 217
1968-1990
De duistere onmacht van de staat 253
De strijd tegen het socialisme, communisme en anarchistisch terrorisme
De noodgedwongen creatie van een militaire inlichtingendienst en de Eerste Wereldoorlog
Capriolen, schandalen en contraspionage tijdens het interbellum
De Duitse invasie en de geheime diensten in ballingschap
Het Sovjetblok als voornaamste dreiging en het anticommunisme
De verwevenheid van politieke, private en veiligheidsbelangen met extreemrechts en de loden jaren 1980
9
1991-2010
De cultus van het geheim 287
2010-2020
Een cultuuromslag? 321
2020-2022
Insider Threat 353
Het onzekere voortbestaan van de Staatsveiligheid en de wettelijke controle van de geheime diensten
Aanslepende problemen en de moeizame strijd tegen de toenemende terreurdreiging
De affaire Conings en de terugkeer van de Koude Oorlog
10
De eerste lijn van de verdediging 369 Eindnoten 399 Bibliografie 417 Register 427
Staatsgeheimen Brussel, voorjaar 1984. Twee auto’s scheuren door de straten van de hoofdstad. Een interventieploeg van de Belgische geheime dienst achtervolgt een witte BMW, met aan boord twee spionnen van de beruchte KGB, de inlichtingendienst van Sovjet-Rusland. Het is een geweldige race: de BMW probeert roekeloos aan zijn achtervolgers te ontkomen. De wagen scheert langs het voetpad, rijdt begroening, omheiningen en verkeersborden omver, negeert verkeerslichten en brengt omstanders in gevaar. De auto van de interventieploeg wordt zelfs geramd, op het moment dat ze de BMW de pas kan afsnijden. Maar de Belgische inlichtingenofficieren geven het niet op en komen steeds dichter bij hun doelwit. Ze staan op het punt de BMW in te halen, wanneer de Russen iets uit het raam van de auto gooien. De BMW rijdt door, in de richting van de Sovjetambassade, maar de veiligheidsagenten staken de achtervolging. Het is ze te doen om wat net op straat is gegooid: geheime NAVO-documenten die een verrader kort voordien aan de buitenlandse spionnen had overhandigd, zodat die ze konden dupliceren. De documenten zijn op het laatste nippertje gered dankzij een contraspionageoperatie van de Staatsveiligheid. Zij hadden de Russische spionnen, die een diplomatieke dekmantel hadden, geschaduwd om ze bij een ontmoeting met een informant op heterdaad te kunnen betrappen. Ook al waren ze ontkomen, toch hadden ze de schuldigen herkend. Maar dat veranderde uiteindelijk weinig aan de uitkomst van de affaire. De spionnen genoten diplomatieke onschendbaarheid en konden niet bestraft worden. Het ministerie van Buitenlandse Zaken zette hen wel voorgoed het land uit als personae non gratae, zoals dat heet.1 Dat gebeurt wel vaker op vraag van de Belgische geheime diensten, de burgerlijke inlichtingendienst Veiligheid van de Staat en haar militaire
11
tegenhanger, de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid. Het gebeurt zelden dat spionagezaken zich op een dergelijke spectaculaire wijze afspelen, maar spionage was en is op zich nog altijd schering en inslag in België. België en geheime diensten: de twee worden niet meteen met elkaar in verband gebracht. Er wordt amper bij stilgestaan dat de grote en kleine spelers onder de buitenlandse inlichtingendiensten heel actief zijn in België. En nog minder mensen zijn er zich van bewust dat ons land zelf twee dergelijke diensten heeft. De Veiligheid van de Staat is nochtans even oud als België zelf. Haar oprichting was een van de eerste officiële daden van de allereerste Belgische regering, bij de onafhankelijkheid in 1830. Alleen het Sancta Officium, de geheime dienst van het Vaticaan (1566), gaat haar voor als langer bestaande inlichtingendienst. De meeste andere inlichtingendiensten werden pas opgericht in het begin van de 20ste eeuw. België heeft dus een inlichtingentraditie van bijna tweehonderd jaar. Recente gebeurtenissen, zoals terroristische aanslagen, hebben het belang aangetoond van goed functionerende veiligheidsdiensten en België heeft altijd al een belangrijke strategische plaats bekleed op het internationale politieke toneel. Denk maar aan de rol van België tijdens de twee wereldoorlogen en aan zijn huidige status als gastland van twee van de belangrijkste internationale instellingen ter wereld. Toch is er weinig bekend over die veiligheidsdiensten, behalve dat ze de reputatie hebben niet goed te functioneren. Georges Timmerman, een van de weinige journalisten die weet waarover hij spreekt als het over inlichtingendiensten gaat, vatte het zo samen: ‘Bij de publieke opinie leeft de hardnekkige overtuiging dat de Staatsveiligheid een slecht geleide en bureaucratische dienst is, die log en traag reageert, al jarenlang in een malaisesfeer zit, geteisterd wordt door intriges en interne clangevechten en die de blunders blijft opstapelen.’2 Toch hebben dergelijke ontluisterende vaststellingen over hoe een dienst functioneert die eerder belangrijk is in de veiligheidsketen, maar weinig aanleiding gegeven tot onderzoek naar de rede-
12
nen daarvoor. En nog minder tot onderzoek naar inzichten over die disfuncties en de mogelijke oplossingen ervoor op basis van een historisch langetermijnperspectief en een wetenschappelijke studie. Doorgaans konden de Belgische geheime diensten – niet alleen als studieonderwerp – maar op weinig belangstelling rekenen. De meeste belangrijke werken over de Belgische geschiedenis of zijn buitenlandse politiek reppen amper over de rol van de Belgische inlichtingenwereld. Het Belgisch veiligheidsbeleid, de werking van zijn inlichtingendiensten en hun verhouding tot de Belgische politieke en sociale geschiedenis zijn tot nu toe grotendeels genegeerd. Een belangrijke reden daarvoor is dat de geheime diensten meestal een speler zijn in de duistere gedeelten van die geschiedenis, gedeelten waarvan velen liever zouden hebben dat ze het daglicht nooit zien. Een andere – en eigenlijk de meest voor de hand liggende – factor is uiteraard dat het werk van geheime diensten per definitie geheim is en, althans voor een tijd, ook geheim moet blijven, waardoor de archieven niet toegankelijk zijn. Dat maakt onderzoek zeer moeilijk, want weinig gegevens zijn daadwerkelijk beschikbaar. Maar is het wel terecht om een geschiedenis die even oud is als België zelf, tot de vergetelheid te doemen? ‘Het is te betreuren dat in ons land dergelijk onderzoek weinig bijval kent’, verwoordde Luc Keunings het lang geleden al zo treffend.3 Er valt namelijk het een en ander te leren uit het geheime verleden van België. Zijn inlichtingendiensten speelden vaak een belangrijke rol in de markantste momenten van de Belgische geschiedenis. Meestal waren dat ook de angstigste momenten in die geschiedenis. Het gevecht aangaan met interne en externe dreigingen is altijd een deel geweest van de levensvatbaarheid van de Belgische staat. Het optreden van de geheime diensten tijdens die cruciale gebeurtenissen vormt een belangrijke bijdrage om de sleutelmomenten te begrijpen in de politieke, militaire en sociale geschiedenis van België. De geschiedenis van de Belgische inlichtingendiensten is vooral van belang om de huidige veiligheidsuitdagingen van ons land in hun context te kunnen plaatsen, om te begrijpen hoe België met die uitdagingen omgaat en waarom dat niet gemakkelijk
Staatsgeheimen
13
is. Sommige uitdagingen zijn dezelfde als die in 1830. Sommige manieren en methoden om ze te bezweren, zijn ook nog altijd dezelfde. En bepaalde problemen zijn onveranderd gebleven. Deze geschiedenis geeft ook inzicht in hoe de meeste Belgen aankijken tegen veiligheidskwesties en hoe de politiek omgaat met haar veiligheidsdiensten. In de nasleep van de terroristische aanslagen op Brussel in 2016 werd vaak beweerd dat België geen ‘veiligheidscultuur’ had. Enkel door de Belgische veiligheidsgeschiedenis te bestuderen, kunnen we verklaringen vinden waarom dat zo is en wat we daaraan moeten veranderen. Maar tot op heden heeft er slechts zeer beperkt en sporadisch onderzoek plaatsgevonden naar die lange geschiedenis, ook al konden er lessen getrokken worden uit dat het geheime verleden. Op juridische bijdragen en enkele verzamelwerken na – meer bepaald een jubileumboek over de Staatsveiligheid, een over de militaire inlichtingendienst en een over het Vast Comité van Toezicht – behandelen slechts nog enkele wetenschappelijke artikels de 19de-eeuwse Staatsveiligheid. Tot nu toe ontbrak een overzichtswerk. Daarnaast is er wel uitgebreid gewerkt over de beide wereldoorlogen, maar die bijdragen handelen vooral over het verzet en niet zozeer over de inlichtingendiensten als instituties. Een welkome uitzondering daarop is het monumentale boek van Etienne Verhoeyen over de activiteiten van de Duitse geheime dienst in België voor de Tweede Wereldoorlog. Voor het overige zijn we aangewezen op inhoudelijk beperkte en zelden genuanceerde, journalistieke bijdragen over het onderwerp. De Franstalige journalisten Christian Carpentier en Frédéric Moser waagden zich in 1994 als eersten aan een degelijke historische evolutie van de Belgische geheime diensten in De Staatsveiligheid. Geschiedenis van een destabilisatie. Dat boek is, dankzij zijn uitstekende onderzoekswerk, onmisbaar om de raadsels omtrent de gebeurtenissen van de loden jaren 1980 enigszins te ordenen, maar het historische overzicht bevat vaak innuendo’s of insinuaties, onnodige morele verontwaardiging en veel non sequiturs of ongerechtvaardigde gevolgtrekkingen. Dat is over het algemeen
14
zo in de boeken over de Belgische geheime diensten. Nagenoeg allemaal zijn ze geschreven door journalisten die zich blijkbaar niet kunnen losmaken van een zekere activistische inslag of drang naar sensatie. Zo staan er in die werken jammer genoeg vrij veel indianenverhalen, gespeend van enige kritische zin, maar wel doorspekt met ‘van horen zeggen’, hyperbolen, speculaties en gewoonweg nonsens. Ook nu nog kunnen slechts een paar journalisten op een volwassen manier berichtgeven over het onderwerp. Ter verdediging kunnen we hier wel aanvoeren dat de onderzoekers altijd in een vacuüm moesten werken. Het kan hun in zekere zin moeilijk kwalijk genomen worden dat zij geen belangstelling hadden of die verloren, of zich lieten meeslepen in de scandaleuze sfeer van de niet altijd even koosjere toestanden waar leden van de inlichtingendiensten een rol in speelden. De diensten zelf wilden zelden meewerken aan de pogingen van onderzoekers om de ware toedracht van sommige verhalen te achterhalen, zelfs al was dat een kans om bepaalde misverstanden recht te zetten. Hun opstelling is er altijd een geweest van wantrouwen en overdreven geheimhouding, van ‘la grande muette’ of ‘het grote stilzwijgen’, een onbestaand communicatiebeleid dat de diensten vaak parten speelt.4 Wanneer sommige onderzoekers toch toegang kregen tot archiefstukken, was dat vaak omdat ze de sympathie van de verantwoordelijken genoten en zich toelegden op onderwerpen die zij wel dieper uitgespit wilden zien. Collega Idesbald Goddeeris schreef in zijn boek over de Poolse spionage in België dat dergelijk onderzoek werd bemoeilijkt, omdat de archieven ‘slechts mondjesmaat en vaak alleen à la tête du client toegankelijk gemaakt worden.’5 Wie de literatuurlijst over de Belgische inlichtingendiensten er eens op nakijkt, kan inderdaad al snel de indruk krijgen dat er alleen tijdens de Tweede Wereldoorlog inlichtingendiensten waren. En die studies handelen bovendien veel meer over de activiteiten van het verzet dan die van de inlichtingendiensten zelf, zoals we al aanhaalden. Die uitdieping van de activiteiten van de Inlichtings- en Actiediensten van het verzet is niettemin wel helemaal terecht. Het is
Staatsgeheimen
15
goed dat de heldendaden en de moed van de Belgische verzetslieden, van wie velen hun leven voor ons land hebben opgeofferd, worden beschreven en dankbaar herdacht. Maar ze vormt een scherp contrast met de uitdieping van de rest van de geschiedenis van de op één na oudste geheime dienst ter wereld. Het was dus de hoogste tijd voor een beschrijving van de evolutie van de Belgische geheime diensten tussen 1830 en nu, althans in de mate van het mogelijke. Dit boek beschrijft allerminst die hele geschiedenis. Daarvoor is niet alleen nog veel bijkomend bronnenmateriaal nodig, maar het boek zelf zou veel omvangrijker zijn en zelfs meerdere volumes beslaan. Maar Geheim België is wel het eerste boek dat, in vogelvlucht, naar die geschiedenis kijkt vanaf het prille begin tot op heden. Het is ook een historisch werk, dat met andere woorden afstand wil nemen van de sensatiedrang en de sinistere ondertoon waarmee tot nu toe over de geheime diensten is geschreven. Een van de redenen waarom dit project het eerste is dat die hele geschiedenis onder de loep neemt, is dat er doorgaans altijd van is uitgegaan dat het nodige bronnenmateriaal hiervoor nagenoeg onvindbaar of simpelweg niet toegankelijk is. Geheime diensten zijn er ook om berucht dat ze, wanneer ze hun archieven openbaar moeten maken, eerst een zuivering doorvoeren van de gevoeligste documenten en die vernietigen. Om die reden is er jammer genoeg maar heel weinig overgebleven van de spionagedossiers uit de 19de eeuw. Zo is het dossier onvindbaar over Cyprien Jagolkowski, alias baron von Ungern-Sternberg, die als Russisch provocateur het brein vormde achter terreuraanslagen in België. En welke schat aan informatie heeft de Staatsveiligheid niet discreet verwijderd in 1918? Toen werd namelijk voor het eerst een mandataris van de Belgische Werklieden Partij voogdijminister, terwijl de socialisten tot dan toe het voornaamste doelwit van de dienst waren geweest. En zoals met elk archief het geval is, zijn ook heel veel documenten in de vuilnisbak beland, vanuit de veronderstelling dat ze toch niet meer relevant waren. Maar voor een geschiedwerk hadden ze dat net wel kunnen zijn.
16
Organigrammen of personeelsdossiers bestaan niet meer, terwijl die ons wel wat hadden kunnen vertellen over de budgettaire middelen en de personeelssterkte van de diensten, en over het perspectief van de medewerkers op het verhaal. Tot overmaat van ramp zorgden de twee Duitse invasies voor een verdere uitdunning van het bronnenmateriaal. Vooral de geheime archieven mochten zeker niet in handen van de Duitsers vallen. Zo werd bij het begin van de Eerste Wereldoorlog een groot deel van het toenmalige archief vernietigd. Bij de tweede Duitse invasie was de overheid iets beter voorbereid en belandde het archief op een trein naar Frankrijk om daar in veiligheid gebracht te worden. Alleen raakte een bom uitgerekend de wagon met het archief, waardoor het ook definitief verloren ging. De archiefstukken die de bezetter dan toch nog kon bemachtigen, verscheepte hij voor onderzoek naar Berlijn. Nadat het Russische leger Duitsland had verslagen, kwamen die archieven in Moskou terecht. Pas in 2002 vonden die documenten, of wat er nog van restte, in een totaal ongeordende staat hun weg terug naar België. Hierdoor zit het bronnenmateriaal redelijk verspreid over verscheidene archieven. In hoofdzaak bevinden de bronnen zich in de fondsen van het Algemeen Rijksarchief, het Koninklijk Legermuseum en de Classified Archives van Defensie. Dat bronnenmateriaal is gevarieerd van aard. Bij het Rijksarchief gaat het over de dossiers die de Staatsveiligheid in 1968 heeft overgedragen. Die bevatten enerzijds rapporten en correspondentie van allerlei aard en anderzijds de vreemdelingendossiers, waarvan sommige ‘gereserveerde’ dossiers omsluiten over de politieke activiteiten van de betrokkene, en daarnaast nog heel veel gegevens over de werking van de diensten. Het Koninklijk Legermuseum bewaart het legerarchief van voor de Tweede Wereldoorlog. Sommige fondsen, zoals die van de Belgische Omwenteling, de crisis van 1848 en de mobilisatie van 1870, bevatten concrete dossiers over het inlichtingenwerk. Andere fondsen bestaan opnieuw uit rapporten en correspondentie over velerlei thema’s en waaruit je belangrijke gegevens kunt afleiden. In vele gevallen zit het nuttigste
Staatsgeheimen
17
materiaal in de minst voor de hand liggende dossiers, zowel in het Legermuseum als bij het Rijksarchief. Daarnaast zijn er in nog veel andere archieven sporen terug te vinden van het werk van de inlichtingendiensten, bijvoorbeeld in de archieven van voormalige premiers en ministers, maar ook in die van de Belgische koningen, die uiteraard ook de rapporten van de geheime dienst ontvingen. Archieven uit de periode vlak voor de Tweede Wereldoorlog en die van tijdens de oorlog zelf, bevinden zich in het Studiecentrum Oorlog en Maatschappij. De archieven van de politie bevatten ook heel veel documentatie, zoals blijkt uit de bronnenverzamelingen die vorser Hubert Wouters aanlegde over de geschiedenis van de arbeidersbeweging. Jammer genoeg lieten het tijdsbestek en het volume van Geheim België niet toe dat politiearchief mee op te nemen, met uitzondering van de stukken in de eerder vermelde bronnenverzamelingen. Ook het archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken, een belangrijke bron en producent van inlichtingen, bevat enorm veel materiaal waarvoor nog veel meer tijd voor nodig is om daarop door te gaan. Het meest voor de hand liggend, maar net het minst toegankelijk, is wat de inlichtingendiensten zelf bewaard hebben. De Classified Archives van Defensie bewaren het archief van de militaire inlichtingendienst, dat in principe een classificatie draagt. Maar sommige dossiers zijn wel toegankelijk of kun je met een ad-hoctoestemming inzien. Het betreft eveneens inlichtingenrapporten, interne memoranda over de ontwikkeling van de dienst en een interne geschiedenis, waarvan enkele hoofdstukken gedeclassificeerd zijn. De Veiligheid van de Staat heeft zich in elk geval heel bereidwillig getoond om dit onderzoek vooruit te helpen door toegang te verlenen tot haar archief. Maar daar is uiteindelijk jammer genoeg weinig tot niets van in huis kunnen komen. Het archiefsysteem liet niet echt toe om materiaal te vinden voor een algemene beschrijving van de historische evolutie van de dienst, en er was onvoldoende tijd om bepaalde stukken te declassificeren. Het is wel merkwaardig dat documenten die in België nog geclassificeerd zijn, toch openlijk terug te vinden zijn in het
18
omvangrijke digitale archief van de CIA. Ook Wikileaks en de gelekte documenten uit de bestanden die Edward Snowden heeft gestolen, bevatten hier en daar vermeldingen over België. Dergelijke vaststellingen roepen wel wat vragen op over de geheimhouding en het (overdreven?) classificatiebeleid in België. Dat je de bronnen voor de geschiedenis van de Belgische inlichtingendiensten ook in het buitenland moet zoeken, is al bewezen door wat de archieven van buitenlandse geheime diensten prijsgaven, zoals de Oost-Duitse Stasi en de Poolse geheime dienst tijdens het Sovjetregime. Vermoedelijk is er op nog veel andere plaatsen materiaal te vinden bij organisaties die België bespioneerden. Een prachtig voorbeeld is de ware schat aan informatie in het archief van de Parijse afdeling van de geheime dienst van de Russische tsaar, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Amerika werd gesmokkeld. De CIA gaf dat archief in 1997 vrij en het bevat onder andere de uitgebreide correspondentie van de beruchte Russische geheime dienst met de Staatsveiligheid op het einde van de 19de eeuw, wat toelaat om een grote lacune op te vullen in de vooroorlogse geschiedenis van de Belgische inlichtingendienst. Voor de periode na 1945 is de toegang tot de bronnen dan weer veel beperkter en dat wordt uiteraard nog moeilijker naarmate het recente verleden aan bod komt. Dit onderzoek heeft daarom hoofdzakelijk gesteund op de activiteitenverslagen van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten. Die vormen, samen met parlementaire stukken en mediaberichtgeving, de enige toegankelijke bronnen voor de werking van de inlichtingendiensten in recente decennia. Er is ook bewust voor gekozen om voor dit werk geen gebruik te maken van gesprekken met oudgedienden of voormalige diensthoofden. Ongetwijfeld zijn hun verhalen heel relevant, maar die zullen in toekomstige studies aan bod moeten komen. Die laatste keuze heeft onder meer te maken met de vaak geladen geschiedenis die dit boek behandelt. De Belgische inlichtingendiensten hebben namelijk niet bepaald een goede reputatie als belangrijke spelers in oude en minder oude controverses, zoals de affaire-Pourbaix, samenwerking met de Gestapo, de Konings-
Staatsgeheimen
19
kwestie, de executie van Julien Lahaut, de liquidatie van Patrice Lumumba en de loden jaren 1980. Ook tijdens recentere jaren werden vaak vragen gesteld bij de doeltreffendheid van die diensten, als het ging om informatieveiligheid, contraspionage en niet het minst de strijd tegen terrorisme. Ze worden dikwijls beschouwd als diensten die meer kwaad aanrichten dan dat ze het verhinderen, en vaak laatdunkend weggezet als inefficiënt, irrelevant en zelfs overbodig. Ze zouden totaal incompetent zijn en tegelijk een gevaar vormen voor de democratie. Bijgevolg zitten politici meestal verlegen met die veiligheidsdiensten en hebben journalisten een vette kluif aan wat zij omschrijven als ‘mantel-en-degentoestanden’. Door zich in stilzwijgen te hullen, zorgen de inlichtingendiensten er ook zelf voor dat ze een gemakkelijk doelwit vormen van allerlei beschuldigingen. De vraag is of hierdoor geen vertekend beeld is ontstaan van dit niettemin belangrijke aspect van de werking van een overheid. De soms wilde conclusies van betrokkenen en journalisten over zowel ware als ingebeelde feiten houden namelijk geen rekening met de ruimere context en de intrinsieke kenmerken van de wereld van de inlichtingendiensten. Dat kan ook moeilijk anders, omdat in België amper een poging is ondernomen om er een beter begrip van te creëren. Net zoals de inlichtingendiensten genegeerd worden, wordt ook het concept van het inlichtingenwerk daargelaten. Toch hebben veel mensen er wel een idee over, al strookt dat zelden met de realiteit. Onze huidige perceptie van geheime diensten is vooral vormgegeven door de amusementsindustrie. De inlichtingenwereld is waarschijnlijk de enige branche waarvan de beroemdste vertegenwoordiger eigenlijk een fictieve persoon is. Het gaat uiteraard om de Britse geheim agent 007, James Bond. Spionnen en geheime diensten spraken voordien al tot de verbeelding en zorgden voor succesvolle boeken en spannende films, maar door het succes van Ian Flemings ‘topspion’ groeide de mythologie rond geheime diensten alsmaar. Talloze Hollywoodblockbusters verbeeldden de wereld van inlichtingendiensten als een spannende omgeving van spionage, explosies, kogelvrije racewagens met in-
20
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Omslagontwerp Herman Houbrechts Vormgeving Studio Lannoo (Nele Reyniers) © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2022 en Kenneth Lasoen D/2022/45/499 – ISBN 978 94 014 8736 8 – NUR 688 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.