Johan Terryn Alles en iedereen gaat weg behalve mijn goede luim
In vier jaar tijd is er veel weggegaan. De jonge man in mij werd ouder. Mijn kinderen hielden op met kind zijn. Mijn ouders zorgden voor zorgen. De wereld verloor zijn vanzelfsprekendheid. De dingen keerden zich om. Hier ben ik dan.
2018-2022
Ik dacht dat ik er niet goed mee om zou kunnen (de leeftijd van vijftig bereiken, ouders die zorgbehoevend worden, kinderen die het nest uit vliegen, een vaste relatie die ontbreekt, een vader die sterft, een moeder die haar geheugen verliest, een pandemie die al je werk plots wegneemt, een wereld die op ramkoers ligt waarin je zonen hun weg trachten te zoeken en ga zo nog maar een eindje door), maar dat viel al bij al geweldig goed mee.
Als ik een huisdier zou hebben gehad, zou het meer dan waarschijnlijk in de loop van de afgelopen vier jaar op tragische wijze om het leven zijn gekomen. Ergens tussen of onder of zo. Maar ik heb geen huisdier meer sinds het heengaan van mijn goudvis Herlock Sholmes zaliger. Die won ik als twaalfjarige op de kermis bij het eendjes vissen. Het beestje was enkel gehuld in een plastic zakje. Ik gaf hem onderdak in een viskom, maar na verloop van tijd kwam hij bovendrijven in een onnatuurlijke kromming. Alsof ie met heel zijn lijfje wilde vertellen: zo kan ik niet verder zwemmen, het lijkt wel of ik hier eindeloos rondjes blijf draaien. Het was mijn allereerste ervaring met het weggaan van wat vertrouwd is. Nee, gelukkig voor het huisdier in kwestie had ik het dus niet in huis. Ik had het kunnen weten toen ik vijftig werd. Alles wat evident was in mijn leven, begon te verdwijnen. De voorbije vier jaar waren de jaren van vertrek. Het leek wel een opendeurdag in de ongewenste richting. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Nu ja, ik overdrijf hier een beetje. Dat is omdat ik dat graag doe. In de overdrijving toont zich de aard van de dingen scherper. Ik zit hier verre van te hengelen naar uw medelijden. 7
Niet álles, niet íédereen vertrok, dat weet ik ook wel. En zij die weggingen, bleven ook, op een soort van manier. Wat zeker níét wegging, was mijn goede luim. Hoe meer een mens kwijtraakt, hoe meer hij ook de dingen die blijven kan appreciëren. Bij deze dus een dikke pluim voor mijn goede luim. Die pluim steek ik met plezier op de hoed van mijn moeder. De vrouw die zich in haar leven vaak bezig heeft gehouden met de vraag: ‘Van wie héb je dat nu?’ Elke keer als ik haar bezoek, zegt ze: ‘Weet je wat ik nu zie als jij binnenkomt? Dat jij zo hard op mij gelijkt.’ En dan zeg ik: ‘Echt waar? De rest van de wereld vindt nochtans dat ik op mijn vader gelijk…’ En dan moeten we lachen. Want we lachen graag. Mijn goede luim heb ik vast en zeker van haar. Nochtans, aanvankelijk kon ik er niet zo goed mee om, met de vaststelling dat mijn ouders zorgbehoevend werden. Mijn vader die almaar vaker naar het hospitaal moest, mijn moeder wier geheugen het stilaan liet afweten. Vooral dat laatste bleef lange tijd moeilijk: gesprekken die in het honderd liepen door almaar terugkerende vragen, het aantal onderwerpen dat steeds beperkter werd en de interesse die afnam. Het kon mij echt frustreren en irriteren. Het voelde aan als de omgekeerde wereld. Een inwendig stemmetje bleef driftig zeggen: ‘Dit hadden we niet afgesproken!’ Maar een koppige kleuter die de tegenovergestelde richting oploopt, moet vroeg of laat vaststellen dat zijn actie geen zin heeft en vervolgens op zijn stappen terugkeren. Ik begon mij al snel 8
schuldig te voelen. Mijn moeder kon er immers niets aan doen en nu bleek ze plots in plaats van een liefdevolle een ongedurige zoon te hebben. Zo kon ik mezelf niet verdragen. Ik ging actief op zoek naar een vorm van dialoog die voor ons beiden wél aangenaam was. Wat ik daarvoor moest overwinnen, was mijn ergernis over de talloze herhalingen die zich telkens aandienden in onze babbels als gevolg van haar vergeetachtigheid. Dat lukte uiteindelijk met een mentaal trucje. Ik begon onze gesprekken te zien als partituren. De herhalingen begon ik te ervaren als een soort van muzikale loops. Als refreintjes bijna. Hoe meer ik het zo dirigeerde in mijn hoofd, hoe meer elk gesprek als muziek in de oren begon te klinken. Verder ontdekte ik dat alles gewoon beter met een lach en een zwans verliep. Wat was nog het belang van ernst? Dus maakte ik over alles een grapje, waar ze dan hartelijk om kon lachen. Ook om de erge dingen. Ik erkende haar verdriet om het vertrek van haar geheugen en tegelijk benoemde ik de voordelen ervan. Op de duur deed ze het zelf. ‘Dat boek van jou, daar kan ik zo van genieten… Maar als ik het neerleg, dan vraag ik me af waar dat ook alweer over ging. Dat is vervelend. En dan pak ik het terug vast en begin opnieuw. En weet je wat: dan geniet ik nog altijd evenveel als de eerste keer. Want het is precies nieuw!’ De goede luim is de saus die ons bindt en zelfs dichter bij elkaar brengt dan we ooit stonden. Eigenlijk gebeurde er iets heel wonderlijks. Door het idee op te geven dat ik iets aan onze conversaties moest hebben, dat ik als kind iets moest krijgen van mijn moeder, door mij te verplaatsen 9
in haar manier van denken en voelen, door te geven wat zij nodig had, door de boel om te draaien, begon ik er meer van terug te krijgen dan ik ooit had verwacht. Zo vonden we in haar weggaan een nieuwe vorm van samenblijven. Het was beslist nog mogelijk om diepe gesprekken met haar te voeren. Ze genoot ook heel erg van die momenten. Filosoferen over het leven op een bankje. Ik ben het systematisch beginnen te doen met haar. Hoe langer, hoe meer begon ik me af te vragen hoe ze over sommige dingen zou denken. Na een voorstelling van Het uur blauw ontmoette ik kennissen van mijn ouders. Hoewel ik nooit over hen had gehoord, waren ze lyrisch over hoe treffend ik mijn vader had beschreven. Langs hun neus weg lieten ze weten dat ze het zo jammer vonden dat ze niet meer met mijn moeder konden communiceren. Ik moet heel bedenkelijk gekeken hebben. Mijn blik verraadt altijd wat ik denk. Want ik wist: je kan prachtige gesprekken voeren met mensen uit de club van Alois Alzheimer, zo gauw je je ongeduld en je eigen logisch verwachtingspatroon durft opzij te zetten. Die gesprekken van nu zijn mij meer waard dan eender welke gesprekken die ik ooit in de loop van mijn leven met haar heb gehad. Ik leerde dat ze nergens spijt van had en het leven had geleid dat ze wilde, dat met mijn vader. Dat te weten ontroerde me mateloos. Mijn vader. Hij vertrok echt. Mijn stukje over zijn overlijden bracht met Het uur blauw een heel project over rouwen op gang. Iets wat ik nooit vooraf had kunnen verzinnen.
10
Nooit eerder had ik het gevoel dat mijn talent als verhalenverteller zo samenviel met de zinvolheid ervan. Ik heb als het ware dankzij mijn vader, in mijn ogen de meest zwijgzame man van het universum, mijn stem gevonden. En dus zat er ook in zijn weggaan een vorm van samenblijven. Je ouders zijn de laatste mensen die nog het kind in je zien. Eenmaal de vijftig gepasseerd, merk je steeds vaker op dat de wereld toch eerder de oude man in jou opmerkt. En anders zullen mijn opgroeiende kinderen me die spiegel wel voorhouden. Intussen zijn mijn twee zonen volwassen. Helaas moesten ze dat opgroeien doen midden in een pandemie die hen lange tijd opsloot en weghield van de avonturen die ze hadden kunnen beleven. Vaak overvalt mij de schroom hen een wereld op ramkoers na te laten, waar de zorgeloosheid die ik zelf heb gekend als jonge man nu lijkt te ontbreken. Toegegeven. Ik zie in mijn zonen ook nog het kind, net zoals mijn ouders dat lange tijd deden. Hun jeugd is nog zo kortbij. Ik moet er bewust op toezien dat ik voldoende van bril verander. Het is een beetje als wennen aan die eerste leesbril, die altijd op je voorhoofd staat of aan je hemd hangt, en die je vaak toch niet meteen vindt. Anders kijken, anders zorgen, anders aanwezig zijn. Het blijft een oefening om van een afstand toch nog nabij te zijn. Om hen te laten vertrekken en zelf toch te blijven. Oh, en ja, de liefde. De afgelopen vier jaar waren samen en tegelijk ook weer niet met B. Onstuimig en weergaloos qua liefde, maar hopeloos qua perspectief. Allebei te vrij om te vatten. Koekoeken die elkaars nest in vliegen en ook weer uit. Het samenzijn hield ook telkens weer het wegvliegen in zich. Daarom ontbreekt zij ook tussen de regels van mijn stukjes. Maar als ik ergens in deze periode met een zij ben, dan is het met haar. 11
De stukjes die ik in deze periode (2018–2022) schreef voor de radio zijn onbewust en in retrospectief allemaal in een grote ton gevallen met een mengsel van ‘weggaan’ en/of ‘goede luim’. Doordrenkt van deze ingrediënten, drijven ze op de golfbeweging die je vanuit de diepte weer naar de hoogte stuwt en omgekeerd. Het weggaan lag buiten mijn controle, de goede luim was het ingrediënt dat ik zelf toevoegde. Het is mijn handleiding bij het leven. Als de dingen zich omkeren, draai dan je hoofd en je ziet alles weer in volle glorie. Aanvankelijk vergankelijk, maar nu te boek gesteld. Wat fijn dat u het wilt lezen. Dikke pluim, hoor. Johan Terryn
12
Zoals ik spreek met mijn moeder – dit keer toevallig op 12 november 2021 Moeder: Wat gaat er met mijn losstaande tanden gebeuren? Ik: Die gaan uitvallen, of we laten ze trekken en laten een vals gebit maken. Moeder: Niks van, dat kost veel te veel geld voor een oude vrouw zoals ik. Ik: Dan bestellen we ze tweedehands. Moeder: (lacht luid) Ja, van die afdankertjes van iemand die al dood is! Ik: Wat gebeurt er eigenlijk na de dood, mama? Heb je daar een idee van? Moeder: De hemel, de hel en het vagevuur, dat weten we nu allemaal dat dat verzinsels zijn. Ik: Ah? Zijn dat verzinsels? Daar was ik nog niet van op de hoogte gesteld. Moeder: Ik ga trouwens het vagevuur pakken, als ik mag kiezen. Ik ben nogal gemiddeld. De hemel, dat is te goed voor mij, en de hel te slecht. Daarom pak ik het vagevuur. Ik: Je gaat het vagevuur pakken, maar je gelooft er niet in, zeg je net… Moeder: Nee, natuurlijk niet. Ik zeg zomaar iets, want ik geloof er niet in. Maar in wat moeten we dan wel geloven? Dat wil ik weleens weten… Ik: Goede vraag. Moeder: Als er nu eens iemand binnenkwam die slim genoeg was, ik zou het hem direct vragen. Ik: Je bedoelt: waar je naartoe gaat na de dood? Moeder: Ja, maar er is niemand die dat kan weten. (mijmert)
13
Heel dat lichaam verrot. Of je nu in een kist ligt of niet. Dat maakt niet uit. Dat lichaam vergaat en dan zeiden ze vroeger: ‘Maar uw ziel blijft wel over…’ Maar dat geloof ik niet meer. Ik: Dus je gelooft ook niet in de ziel die overblijft? Moeder: Nee, want ik weet niet wat dat is, een ziel. Men zei vroeger: ‘Dat is hetgeen waar je zelf in gelooft.’ Maar je kon het niet zien. Enfin, ik geloof zulke dingen niet meer. Maar wat dan wel? Als uw lichaam vergaan is, is het weg. Wat zitten ze dan te vertellen over de hemel, de hel en het vagevuur…? Wie heeft dat eigenlijk uitgevonden? Ik: Het christendom. Moeder: De hemel, dat is alleen voor de heiligen, voor de rest komt daar niemand in. En dan is er het vagevuur voor al de tusseninnekes zoals ik. En dan de hel: dat is verschrikkelijk, dat is volledig opbranden. Enfin. Wat kunnen we daar nu nog van geloven? Nooit is er eens een dooie die terugkomt om daarover te vertellen… ‘Het lichaam is dood’, zeiden ze vroeger, ‘en de ziel…’ Waar zou die zijn? Ik zie dat als… Ik kan het niet goed verwoorden, maar ik ga het proberen. Uw ziel is wie je bent. En hoe je geleefd hebt. Maar wie bepaalt de kwaliteit van die ziel? Vroeger was dat God. Maar nu? Nu spreekt men niet meer over God… Is die er nog eigenlijk?
14
Ik: Geen idee. Is die er ooit geweest? Waar is papa nu, denk je? Moeder: Nergens meer. Weg. De kwaliteit, daar geniet je van tijdens het leven. Maar eens dood is alles weg. Ik geloof niet dat er nog iets van overblijft… Ik: Wacht. Heel je leven geloof je daarin en nu ben je daar plots mee gestopt? Net nu het misschien een beetje prettig wordt om zoiets te geloven. Wanneer ben je eigenlijk gestopt met dat te geloven? Moeder: Eigenlijk nu. Ik: Nu, ineens? Moeder: Met daar nu over na te denken. Ik ben er weinig mee bezig, maar nu denk ik: eens dood, alles weg. Zou dat de waarheid zijn? Niemand weet het, want de dooie kan het niet navertellen. Maar ik geloof dat het gewoon stopt. Het lichaam vergaat, daar heb ik geen probleem mee, maar de ziel… Is die er dan nog? Uw ziel, dat is uw zijn. Volgens mij is de ziel uw leven. Uw hart doet u leven, maar het leven is uw ziel, uw zijn. Maar als je sterft, is dat weg. Ik: Het zijn is weg. Dat wordt iets wat geweest is. Moeder: Ja, maar het is weg. Wat ben je daar nu mee? Ik: Zelf niet zo heel veel, maar degenen die overblijven wel misschien? Moeder: Denk jij dat je je mij later nog gaat herinneren? Ik: Ik ga mij je altijd herinneren, jij bent mijn moeder.
15
Moeder: Maar wat ga je je herinneren? Eerlijk zijn, hé? Het laatste stuk of een stuk van toen je klein was? Ik: Het geheugen is niet zo sterk, hé. Ik ben al heel veel van vroeger vergeten. Dus ik denk dat ik beter het stuk zal onthouden van toen ik al volwassen was. Moeder: Zo is dat voor u. Ik: Ja, omdat mijn jeugdherinneringen al wat vervaagd zijn. Moeder: Bij mij niet. Ik: Nee, dat klopt, voor jou is dat anders. Jij herinnert je beter de dingen van heel vroeger, hé? Dat komt omdat jouw recente herinneringen niet meer goed zijn. Moeder: En ook niet meer zo belangrijk voor mij. Maar die jonge jaren: dat was het moment dat wij jou aan het begeleiden waren en vasthielden… Ik: Dus heb je daar sterkere herinneringen aan? Moeder: Dat is logisch, hé. Dat zou niet goed zijn als ik nog dezelfde greep had op jouw leven… Ik: Stel je voor… wat zou je doen? Moeder: Ik zou het niet weten. Ik zou het ook niet goed meer doen. Als jij nu terugdenkt aan je jeugdjaren, is dat met vreugde dat je daaraan terugdenkt? Of denk je soms: dat was niet goed? Ik: Ik denk daar met vreugde aan terug. Moeder: Wij hebben ook veel geluk gehad, hé: drie gezonde kinderen, alle drie verstandig, alle drie krullend haar… (lacht) Nee, nee, dat is te onnozel. Dat is niet zo belangrijk. Je kan ook gelukkig zijn met stijl haar. Weet je wat ik mij nu afvraag? Eerlijk zijn, hé? Vond jij dat ik goed bij papa paste? Ik: Waarom vraag je je dat af? Dat weet je toch zelf best?
16
Moeder: Ik weet dat ik met hem heel gelukkig was. Maar hoe keek jij daarnaar? Ik: Jullie waren mama en papa, dat is een vraag die je je niet stelt, want je kent niet anders. Tuurlijk pasten jullie voor mij samen. Zo was het nu eenmaal. Maar in gevoel kan jij daar alleen op antwoorden. Moeder: Ik heb nooit gedacht: ik wil er een andere. Nooit. Ik was fier op hem. Omdat hij zo verstandig was. Niet dat ik een domme was, maar hij was heel slim. Ik: Ben je content over het leven dat je gehad hebt? Moeder: Ja. Heel content. Ik zou het direct terug willen. Met hem. Om zijn eenvoud en zijn verstand. Ik had ook door hem een goed leven, met een goed inkomen. Ik ging zelf ook graag werken, maar niet omdat er te kort was. Als ze mij vragen: wil je dat leven terug, dan pak ik dat met beide handen aan…
17
Weggaan kun je beschrijven als een soort van blijven. Niemand wacht, want je bent er nog. Niemand neemt afscheid, want je gaat niet weg. — Rutger Kopland —
Regelmatig koekoek komen zeggen, zoals de koekoek dat doet, is ook een vorm van blijven. — B. —
Opgedragen aan mijn moeder.
Nog nooit heeft iemand een berg beklommen, een record gevestigd, een onderneming uit de grond gestampt, een uitvinding gedaan, een schilderij gemaakt, een kind op de wereld gezet, een wereldkampioenschap gewonnen op basis van scepsis of cynisme.
2018
Ik maak me niet vaak druk in dingen, dat is zo’n gedoe. Maar
soms lees je iets wat even in je hoofd blijft hangen. En ook dat is een vorm van drukte. Begin september wordt het allereerste mannenfestival georganiseerd in België. Drie dagen lang zijn er workshops om de eigen mannelijkheid weer te ontdekken en contact te maken met je gevoelens. Ik probeer me dat voor te stellen en denk dat dat bij mannen ongeveer zo gaat: ‘Ja, zeg maar: wat voelt ge?’ ‘Ik heb precies toch al een klein hongertje.’ Er zijn ook regels, lees ik. Je móét alle drie de dagen deelnemen. Je móét zelf je eetgerei meenemen en afwassen. En er wordt geen enkele druppel alcohol geschonken. Mocht ik het cynisme in mezelf niet hebben afgezworen, ik zou denken dat de regels werden opgesteld door een vrouw. Binnenkopper. Ik moet terugdenken aan het programma M!LF van een hele tijd terug, waar ze het over bier en blote tieten hadden met een meer dan flinke grijns. Zo’n grijns waarvan je denkt: die gaat pas over als het vuilnis weer moet worden buitengezet. Na afloop van de eerste aflevering zette ik mijn strijkijzer neer en sms’te de makers: ‘ideaal programma om bij te strijken’. Het was stiekem de waarheid, maar ik hoop dat het klonk als milde ironie. Ik was op dat moment net singlevader en kon geen grotere voldoening vinden dan het zelf kunnen zorgen voor mijn kinderen. Ik streek hun kleren en tegelijk de plooien uit ons gehavend bestaan. Mannelijkheid gaat over het nemen van verantwoordelijkheid, bedacht ik toen. Het wordt nergens anders aangeleerd, behalve van vader op zoon. En nu dus ook op een festival.
22
Een man wil zich ook kunnen onderscheiden. Lastig op een festival waar iedereen op zoek is naar zijn mannelijkheid. ‘Zeg maar, wat voel je?’ ‘Ik voel wel iets voor de workshop IJslandse haka.’ Lastig, ook in een wereld waarin steeds meer vrouwen zich als man gaan gedragen. Niks mis met gelijkwaardigheid. Maar straks fluiten zij naar de bouwvakkers. Ik denk even na. Ja, ik ben er al. Moed, Eer, Initiatief, Creativiteit, Onafhankelijkheid en Verantwoordelijkheid. Dat is voor mij de potgrond van mannelijkheid. De scharnierpunten die al van oudsher richting geven aan het leven van een man. Iets waar hij gelukkig van kan worden. Of content. Het gevoel waarbij hij een blikje bier opentrekt en z’n blik laat vallen op vrouwelijk schoon. Als een man die deugden goed ontwikkelt, bouwt hij voor zichzelf een leven uit waarin ook Nederigheid en Mededogen perfect een plaats kunnen krijgen. Zo, bij deze heb ik mezelf een ticket voor het mannenfestival bespaard. Drie dagen vrij. Geen drukte in mijn hoofd. Haka.
23
Een Brits onderzoek vroeg aan twintigduizend kinderen over de hele wereld wat ze later wilden worden. Ontdekking: kinderen
dromen enkel van jobs die ze kennen uit hun eigen familie of van televisie. Ze weten niet wat er allemaal mogelijk is. Wat een rotvraag is dat ook: wat wil je later worden? Het is een vraag die ik zelf vroeger haatte. Want ik wilde niet alleen acteur worden, ik was er ook al een: op familie- en schoolfeestjes, in de jeugdbeweging of op mijn eigen kamer voor de spiegel. Ik herinner me mijn wanhoop bij het besef dat ik al iets wás, maar nog iets anders móést worden. Ik geef toe: laatst betrapte ik mezelf erop dat ik het aan mijn jongste zoon vroeg. ‘Weet jij eigenlijk al wat je later wil worden?’ De woorden waren er nog maar net uit of ik zoog mijn adem weer naar binnen. Alsof ik zo de vraag nog terug kon trekken. Het is een vraag die lijkt op een soort van uitstel, alsof het echte leven nu nog niet bezig is, maar pas na je schooltijd start. Als je goed weet wat je moet kennen en kunnen en naar wie je moet luisteren. Nu ben ik zelf al redelijk van alles geweest in dit leven: improvisator, eindredacteur, presentator, schrijver, acteur, vader, documentairemaker, mediatrainer, columnist en theatermaker. Wel, dát lijstje had ik op mijn vijftien moeilijk helemaal kunnen opsommen. En hoewel er nog altijd een lijstje is van wat ik later wil worden, toch is het fijn om even te focussen op wat ik nú ben en graag nog een hele tijd wens te zijn. ‘Ik weet niet’, antwoordde mijn zoon. ‘Iets met wiskunde.’ In een opwelling had ik hem ooit eens luidop horen dromen over werken bij de NASA. Dat is in Amerika. Dat klonk als een 24
droom. Maar nu was het antwoord: ‘Iets met wiskunde.’ Dat klinkt eerder als een oplossing. Ik tikte mezelf – onder tafel – op de vingers en besloot de vraag nooit meer te stellen. Bovendien werkt niemand in onze familie bij de NASA en is het ook al behoorlijk lang geleden dat we nog een raket in de ruimte zagen verdwijnen op televisie. Al sinds ik vader ben, zoek ik naar een goede invulling van mijn taak. En nu plots valt het mij te binnen. Ik hoef mijn zoon niet voor te bereiden op wat hij later wil worden, want ik weet niet wat er later zal zijn. Maar ik kan hem wel ondersteunen in het zijn wie hij nu al is. Een wiskundig aangelegde, piano spelende, taarten bakkende, niet op zijn mondje gevallen kerel van vijftien. Alles kan een sport zijn, zolang je vader maar langs de zijlijn staat te supporteren.
25