2
De wilde planten van Nederland
Flora Batava 1800-1934
Onder redactie van Esther van Gelder & Norbert Peeters
4
Woord vooraf dieren om ons heen te herkennen en daardoor te erkennen). Het is het proberen waard. Ik ben daarom bijzonder verheugd met het nieuwste product van de jarenlange samenwerking tussen de kb en Uitgeverij Lannoo: na de eerdere facsimile’s van natuurhistorische topstukken als de Nederlandsche Vogelen en de Metamorphosis insectorum Surinamensium is het nu de beurt aan de Flora Batava. Dit botanische meesterwerk verscheen tussen 1800 en 1934 in 28 delen. Redacteuren Esther van Gelder en Norbert Peeters noemen het de langstlopende liefdesverklaring aan de Nederlandse wilde flora, en dat is een treffend beeld. De 2240 met de hand gekleurde platen van planten, paddenstoelen, mossen en wieren behoren tot de mooiste botanische illustraties hier gemaakt. En de meer dan 2630 soortbeschrijvingen bieden een schat aan informatie over de historische verspreiding van deze planten en over de grotendeels verdwenen kennis hun gebruik als medicijn, voedsel, verfstof en veevoer. Talloze redacteuren, kunstenaars, uitgevers en plantenexperts werkten hier 134 jaar lang aan mee. Het werd tijd om dit topstuk voor een breder publiek beschikbaar te maken. Het dikke boek dat nu voor u ligt geeft alle 2240 platen uit de Flora Batava verkleind weer. Een groep van plantenexperts heeft belangeloos meegewerkt aan het up-to-date brengen van de wetenschappelijke en Nederlandse soortnamen. Daarnaast zijn 100 iconische planten met hun oorspronkelijke platen en teksten groot afgebeeld. 65 plantenliefhebbers schreven daar, ieder vanuit hun eigen achtergrond, een nieuw verhaal bij. Ik ben hun, de redacteuren en Uitgeverij Lannoo dankbaar voor het huzarenstuk dat zij hebben verricht. Dankzij hun inspanningen ligt hier nu een prachtige, geactualiseerde heruitgave van 134 jaar plantenonderzoek die hopelijk een hoop mensen kan inspireren. Het is hun liefdesverklaring aan de Nederlandse natuur. Ik wens u veel lees- en kijkplezier!
De kb is de nationale bibliotheek van Nederland en een bron van ontelbare verhalen. Al 225 jaar lang verzamelen we alles wat er in ons land geschreven en gelezen wordt, of dat nu op papier is of digitaal. En al 225 jaar zorgen we ervoor dat dit geschreven erfgoed bewaard en beschikbaar blijft voor alle Nederlanders. Want de nationale bibliotheekcollectie is ons geschreven geheugen. Het stelt ons in staat te herinneren, te begrijpen en te onderzoeken: hoe wij dachten, wat ons fascineerde of boos maakte, hoe wij droomden en manipuleerden, en hoe wij met woorden grip probeerden te krijgen op de wereld om ons heen. Een bijzondere categorie in de nationale collectie vormen de werken over natuur. Van Constantijn Huygens’ Hofwijck en de gedichten van De Tachtigers tot de publicatie van de recentste winnaar van de Jan Wolkers Prijs voor het beste natuurboek (én van de P.C. Hooftprijs), Tijs Goldschmidts Wolven op het ruiterpad. Van de zeemonsters in Maerlants middeleeuwse wereld en de prachtige natuurhistorische plaatwerken uit de Verlichting tot de website van Extinction Rebellion Nederland. En van de allereerste landbouwkundige verhandelingen tot de Nederlandse vertalingen van Rachel Carsons Silent Spring (1962) of The Limits to Growth van de Club van Rome (1972). Tezamen vormen zij een staalkaart van de steeds veranderende verhouding tussen mens en natuur. Zou de nationale boekencollectie ons kunnen helpen in onze zoektocht naar een samenleving waar weer plek is voor planten en dieren? Het is een interessante hypothese in een tijd dat de Nederlandse natuur enorm onder druk staat door klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, habitatverkleining en stikstofdepositie. Onze bronnen stellen ons in ieder geval in staat ons te herinneren hoe het ooit was en te begrijpen hoe we hier zijn gekomen. Boeken als medicijn tegen ‘natuuramnesie’ (het fenomeen dat generaties steeds weer vergeten hoe het landschap verandert en daardoor steeds weer genoegen nemen met minder) en soortenblindheid (het onvermogen om planten en
— lily knibbeler, algemeen directeur kb, nationale bibliotheek
5
Inhoud Dit boek bevat alle 2240 gekleurde platen van de Flora Batava in volgorde van hun verschijning tussen 1800 en 1934. Deze inhoudsopgave vermeldt enkel de nieuw geschreven teksten, met verwijzing naar de moderne paginering. De volledige lijst van afgebeelde planten is terug te vinden in de registers achteraan in dit boek.
Woord vooraf – Lily Knibbeler
134 jaar Flora Batava: een inleiding
Polderkrab
5 10
Vergeten groente van de brakke grond
– Esther van Gelder & Norbert Peeters
Verantwoording van de facsimile-uitgave
92
Krabbenscheer – Stef van Walsum 98
Echt lepelblad – Tinde van Andel 36
Een Bataafse Boom-varen
104
Mannetjesvaren – Gerda van Uffelen
Kleuranalyse
42
Blinde herders van de aarde
Driekleurig viooltje – Anne Geene
Hartenpijn en pleisters
48
Kleine blauwe wolkjes rook
Madeliefje – Nele Odeur
Verborgen in het volle zicht
52
Toverkol trompet
56
Kiekjes van kaasjeskruid
60
Taraxacologie
64
Een kwestie van smaak
70
Beestenvoeder & zomerse fietstochten
74
Een edel karakter
142
Rond wintergroen – Marga Coesèl 78
Van wilde tot verstilde weit
Gele plomp – Marieke van Delft
Vroeg- en laatbloeiende kers in de Lage Landen
136
Vogelwikke – Esther van Gelder
Straatgras – Jelle Reumer
High worden met Friese blaadjes
132
Jakobskruiskruid – José van Paassen
Gewone margriet – Liesje Mommer
Feniksgras
128
Paardenbloem – Karst Meijer
Grote brandnetel – Nele Odeur
Ik zie, ik zie... wat jij niet ziet
124
Klein kaasjeskruid – Jessie Wei-Hsuan Chen
Pinksterbloem – Hans Van Dyck
Een prikkelende plant
120
Doornappel – Isabela Pombo Geertsma
Muskuskruid – Marga Coesèl
Een florissant bestaan buiten het bos
114
Blauwe zeedistel – Vera Mennens
Rietorchis – Mark Meijrink
Zonder praal
110
Herderstasje – Nienke Beets
146
Wilde weit – Ton Denters
Akkervlam van weleer
86
150
Bolderik – Joop Schaminée
Gewone vogelkers – Bart Nyssen
Hoe een Brit eigenbladig Nederland veroverde
154
Engels raaigras – Thomas Oudman
Belvedère voor wilde bijen
158
Prachtklokje – Reinout Havinga
De pluimkraag van sloot en plas
166
Riet – Marco Roos
Onontbeerlijk voor toekomstige inzichten
170
Strandbiet – Anneke Groen
Experimenteren met troostrijk geel Wilde narcis – Jessie Wei-Hsuan Chen
6
176
Het gif van een lichtvoetige schoonheid
180
Waterscheerling – Kester Freriks
Stekelige stadsoase
188
Speerdistel – Nienke Beets
De korenrozen van Monet
196
Grote klaproos – Kester Freriks
Gruwelijke wreedheid?
202
Groot blaasjeskruid – Marga Coesèl
De geur van slootjespringen
206
Gewone engelwortel – Merle Bergers
Het wonder der vruchtbaarheid
212
Rode klaver – Caspar Janssen
Door de eeuwen heen
216
Waterlobelia – Sylvia van Zanen
Oever-vel
220
Gele lis – Amber Veel
Model voor urbane evolutie
Bloeddorstige spaghetti 232
Witte klaver – Menno Schilthuizen
Een mediterrane stinzenkoningin
Veevoer of erekrans? 236
Brief aan breed watervlies 242
Beuktarwe voor armelui en vee 246
Van kerstversiering tot klimaatindicator
250
Wanneer ‘volkomenheid’ een bron van verwarring wordt
262
Gewone eikvaren – Gerda van Uffelen
De kleur van grasboter
272
Signaalkleur geel
276
Dobbelbloembekers en de Goudse ‘tulpenslacht’
280
Wilde kievitsbloem – Liesbeth Missel
292
Een onopvallende overlevingskunstenaar
Vroegeling – Marco Roos
Kleverige proefjesfascinatie
Akkergeelster – Benno te Linde
Ronde zonnedauw – Harold Timans
Een wondermiddel
302
Sint-Janskruid – Nicoline van der Sijs
Lastig onkruid? Nee, eerbiedwaardige oerplant
352
Groot dooiermos – Laurens Sparrius
Kleine maagdenpalm – Liesbeth Missel
Wie het kleine niet eert…
344
Bosveldkers – Ivan Hoste
Scherpe boterbloem – Baudewijn Odé
Palmen voor kleine maagden
340
Hulst – Pieter Baas
Heermoes – Roderick Bouman
De duizendpoot onder de varens
336
Boekweit – Floor Haalboom
Eenstijlige meidoorn – Sylvia van Zanen
Een levende geschiedenis
332
Zeesla – Miek Zwamborn
Witte dovenetel – Anneke Groen
Honderdduizenden kilometers heg
324
Struikhei – Klaas van Berkel
Bostulp – Anastasia Stefanaki
Was getekend… Anton Weiss
318
Klein warkruid – Rogier van Vugt
312
Zwaluwtong – Corrie Bakels
7
358
368
Botanisch recherchewerk
374
Zandwolfsmelk – Ton Denters
De echte dr. mos
380
Glanzend etagemos – José van Paassen
Een zwam als een zonbeschutsel
384
Grote parasolzwam – Anneke van der Putte
Een gras aan de tand voelen
398
Tandjesgras – Gerard Oostermeijer
Stijlbloempjes
414
Egelantier – Nicoline van der Sijs
Holland als mosheuvel
422
Veenmos – Norbert Peeters
Vergeten groente of sprookjesplant?
426
Zwartblauwe rapunzel – Ruud Beringen
Onbekend maakt onbemind onder de waterspiegel
Gevangen in schoonheid 444
Getuige van een rijk verleden
Vertakte zoetwaterspons – Nicole de Voogd
Een Canadees in de Utrechtse grachten
Eerste boom na de ijstijd
454
Een bestuivingstacticus
504
Veldgentiaan – Gerard Oostermeijer
462
Een herinnering aan het Beekbergerwoud
466
508
Bruin cypergras – Klaas van Berkel
Pilzegge – José van Paassen
Een lokaal duindiner
500
Jeneverbes – Corrie Bakels
Stofzaad – Vincent Merckx
De zwakheid der halmen
496
Gevlekte aronskelk – Sylvia van Zanen
Brede waterpest – Norbert Peeters
Leven van ondergrondse schimmelnetwerken
484
Donzige klit – Leni Duistermaat
Wisseling van de waard
476
514
Meidoornroest – Erik Slootweg
Bitterkruidbremraap – Rogier van Vugt
De zwarte populier leeft voort in onze Canadese
522
Zwarte populier – Bart Nyssen
Op weg naar een nieuwe soort
530
Brede wespenorchis – Barbara Gravendeel
Javaanse vulkaanzwam
534
Gekraagde aardster – Hans Adema
Bleek, maar verre van flets
542
Bleke zegge – Erik Simons
Een weiland als ingewikkelde mierenhoop
546
Grote pimpernel – Hans Van Dyck
Wilde groente met de zegen van een dominee
550
Rapunzelklokje – Eddy Weeda
Schors-hand Zomereik – Amber Veel
8
568
Druïdenloof
744
Maretak – Isabela Pombo Geertsma
Het rode kreng
764
Rouge humusbraam – Abraham van de Beek
Beeldschone zelfbestuiver
770
Bijenorchis – Esmée Winkel
De paddenstoelen van mejuffrouw Cool
818
Grijze buisjeszwam – Esther van Gelder
Op de rand van de afgrond
864
Berggamander – Nils van Rooijen
Een onbetamelijke paddenstoel
872
Duinstinkzwam – Anneke van der Putte
Literatuurlijst
Register huidige wetenschappelijke namen
Register huidige Nederlandse namen Aan de voet van de hemelpoort
Auteursbiografieën 572
Roggelelie – Joop Schaminée
Zorgenkindjes van de Flora Batava
586
Een onrustige wereldreiziger
616
Rood knikmos – Eddy Weeda
Gehoornde klaverzuring – Ivan Hoste
Namenwirwar
632
Winterlinde – Rinny E. Kooi
De man en zijn plant
644
Grote teunisbloem – Alexander Reeuwijk
Een wonderbaarlijk sterretje
658
Zevenster – Eddy Weeda
Van concurrent tot bondgenoot
664
Aarddistel – Jeroen Bos
Kroossloten in kikkerland
674
Eendenkroos – Leni Duistermaat
Novum of een foutje?
692
Paarse toorts – Marieke van Delft
Verfijnde verschijning
708
Kranskarwij – Sheila Luijten
Een onopvallend kleinood
720
Dwergbloem – Gerard Oostermeijer
Zeldzaamheid in het duinzand
726
Liggende bergvlas – Esmée Winkel
9
874 885 898 909
134 jaar Flora Batava: een inleiding Bezien vanuit ons vluchtige leven oogt het ons omgevende groen standvastig. Natuurlijk zijn we ook bekend met plantaardige vormen van vergankelijkheid en fragiliteit. Van broze bloesem en verwelkende bloemen, tot de massale bladval in de herfst en de talloze tere zaailingen, in de kiem gesmoord of in de knop geknakt. Toch bieden planten verankering in een veranderende wereld, met name de eeuwenoude hagen en bomen vormen een blijvende verbintenis met het verleden. Ook planten op papier bieden een dergelijke verbintenis, zeker in een werk als de Flora Batava. Haar binnenwerk bevat portretten van maar liefst 2632 soorten wilde flora van Nederlandse bodem. De voltooiing van een dergelijk monument vergde een standvastigheid welke die van het plantenleven bijna evenaart. In 1800 verscheen de eerste aflevering, met daarin een illustratie en beschrijving van de gewone ereprijs (deel I, plaat 1). Pas in 1934 kwam de allerlaatste, 461e aflevering uit, die werd besloten met de duinstinkzwam (XXVIII, 2240). Net als de bouw van een middeleeuwse kathedraal was de vlijt en toewijding van meerdere generaties devote plantenvrienden nodig om de bouw tot een goed einde te brengen Aan het einde besloeg de reeks een fikse boekenplank: 28 delen, met 2240 paginagrote, (hand) gekleurde platen en ruim 5000 pagina’s tekst. Gedurende die 134 jaar waren tientallen redacteuren, vertalers, tekenaars, graveurs en inkleurders, en maar liefst vier uitgevershuizen betrokken bij de publicatie. Zij werden bijgestaan door evenzoveel, vaak met naam genoemde, plantenliefhebbers uit het hele land, die hun expertise en waarnemingen met graagte deelden. Bovendien kende de Flora Batava een bijzondere consistentie. Het werk verscheen steeds in twee verschillende formaten: een octavo uitgave met kleinere tekstpagina’s en gekleurde platen à vier stuivers de plaat; en een grote kwarto uitgave met ruimer gezette tekst en luxueuzere ingekleurde illustraties à acht stuivers de plaat (vergelijk II, 154). Een plantbeschrijving bestond steeds uit een paginagrote, gekleurde illustratie en een tekstlemma in
het Nederlands en Frans. In eerste instantie waren dat met de hand gekleurde kopergravures en etsen, daarna lithografieën en in de laatste drie delen is er sprake van kleurendruk. Tegenwoordig prijken de achtentwintig gebonden delen in vele bibliotheken en wetenschappelijke instellingen, en de afbeeldingen behoren tot de mooiste botanische illustraties die in Nederland gemaakt zijn. Al verbeeldt zelfs een monumentale reeks als de Flora Batava uiteindelijk slechts een momentopname. In zekere zin is de floristische kathedraal nooit voltooid. De laatste redacteur Wilhelm Jan Lütjeharms (1907-1983) breit er simpelweg een eind aan. Hij snapt dat de Nederlandse flora een fluïdum is en geen statisch bouwwerk waarbij het mogelijk is om een laatste steen te leggen. Maar er is wel een eerste steen.
Een pril begin Bataafse Republiek, 7 april 1798: uitgeverij J.C. Sepp en Zoon plaatst een korte advertentie voor een nieuwe publicatie in de Oprechte Haarlemse Courant: ‘Een Nederlandsch plantenwerk onder de tytel: flora batava, behelzende eene Afbeelding en beschryving van alle in ons Vaderland of
Beschrijving van de doornappel (II, 154) in een octavo-editie van de Flora Batava, met krap afgesneden plaat en nauwer gezette tekst. Special Collections, Wageningen University & Research – Library.
10
Zij werd opgedeeld in de groene en niet-groene planten. Onder de laatste categorie vielen, naast de bladgroenloze parasitaire planten, ook paddenstoelen en korstmossen. Daarom bevat de Flora Batava, zeker in de latere delen, prachtige platen van bijna 600 soorten paddenstoelen. Inmiddels is bekend dat schimmels taxonomisch gezien hun eigen rijk vormen (en nauwer verwant zijn aan dieren dan aan planten). Maar in Het Paddenstoelenboekje (1913) van Catharina Cool en Hendrik van der Lek valt nog te lezen: ‘m.i. staat het wel volkomen vast, dat paddenstoelen plantaardige organismen zijn, zij ’t ook van een bijzonderen aard.’ Kortom, sinds de publicatie van de Flora Batava is de betekenis van het woord ‘flora’ drastisch veranderd. Wees dus niet verbaasd als u tijdens het bladeren, naast paddenstoelen, ook bruinwieren, zoetwateralgen, plantenziektes en zelfs een verdwaalde spons aantreft. Tot slot: een flora is tegenwoordig geen verzameling van alle plantensoorten in een gebied. Wat de mens zelf heeft uitgezaaid of aangeplant wordt doorgaans niet meegerekend. Een flora richt zich louter op de wilde en verwilderde soorten. Dat wil zeggen, alle planten die volledig op eigen kracht een standplaats innemen in een landschap en zich succesvol voortplanten. Hier kunnen soorten tussen schuilen die bewust zijn ingevoerd. Denk bijvoorbeeld aan zogeheten tuinvlieders: nuts- en siergewassen die op eigen kracht de perken te buiten gaan. Andere nieuwkomers verwilderen omdat er ongezien zaden, knollen of wortelstokken meereizen met mensen. Ook de Flora Batava tracht alleen wilde en verwilderde ‘inlandsche’ planten op te nemen, zoals we nog zullen zien. Om die reden draagt deze heruitgave van de Flora Batava de ondertitel: de wilde planten van Nederland (en dus niet ‘de inheemse planten’).
de Bataaffsche Republiek zich bevindende planten en kruyden’. Kortom, een vooraankondiging van een geïllustreerd overzichtswerk van alle in Nederland voorkomende planten. Maar laten we beginnen met de vraag: wat is een flora? Wat is een flora? Het woord ‘flora’ roept wellicht al de nodige vragen op. Om te beginnen is de flora iets anders dan de vegetatie van een gebied. Een plek kan rijk zijn aan vegetatie en toch arm aan flora en andersom. Vegetatie wijst op de daadwerkelijke begroeiing waar je doorheen kunt lopen of waden, oftewel het totaal aan biomassa van de verschillende planten in een gebied. Zij is het onderzoeksonderwerp van de vegetatiekunde. Een flora daarentegen is de verzameling van het aantal soorten in een bepaald gebied. En het onderzoeksonderwerp van de floristiek of plantengeografie. Een flora kan al beginnen met een eenvoudige soortenlijst van een duidelijk omschreven regio. Maar dat wil nog niet zeggen dat een dergelijke lijst met recht de titel ‘flora’ mag voeren. Volgens C.A.J.A. Oudemans, botanicus en schrijver van de driedelige Flora van Nederland (1859-1862), kun je pas spreken van een echte ‘flora’ als een natuuronderzoeker binnen bepaalde grenzen alle soorten stelselmatig samenvoegt, nauwkeurig beschrijft en voorziet van opmerkingen over de bloeitijd, levensduur, groeiplaats en andere wetenswaardigheden. Welnu, aan die welomschreven eisen voldoet de Flora Batava. Vervolgens is de vraag welke soorten er eigenlijk onder de flora van een gebied vallen. Vanwege de connotatie met bloemen denkt u misschien al gauw aan een verzameling bloemplanten. En dat is niet zo vergezocht. De eerdergenoemde Lütjeharms stopt de Flora Batava omdat ‘bijna alle Nederlandsche Phanerogamae’ zijn afgebeeld. Phanerogamen is een wat archaïsche benaming voor zaadplanten met zichtbare geslachtsorganen, zoals bloemen of kegels. Maar een flora omvat ook ‘Cryptogamae’; planten met verborgen geslachtsorganen, oftewel die in het geheim huwen (uit het Griekse cryptos en gamos). Hieronder vallen bijvoorbeeld wat we heden ten dage sporenplanten noemen, zoals varens, wolfsklauwen en mossen. Vroeger was de groep cryptogamen, of ‘geheimtelende’ planten, echter nog veel groter.
Vaderlandse flora In zekere zin is de ruimtelijke afbakening van een flora een kwestie van willekeur. Desgewenst zou je een flora van je eigen achtertuin of balkon kunnen schrijven. Zo begon de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau ooit aan de Flora Petrinsularis, over een klein, onbewoond eilandje genaamd St. Pierre in het Zwitserse Bielermeer. Of neem de Flora of the Colosseum of Rome (1855) van de Britse botanicus Richard Deakin, die als afbakening de ruïnes van het romeinse amfitheater
11
ditie in ons land niet bij lands- maar bij streekflora’s. In Gelderland, om precies te zijn, met het verschijnen van de Flora Gelro-Zutphanica (1745) van David de Gorter, botanicus en hoogleraar te Harderwijk. Gevolgd door David Meese, hortulanus van de botanische tuin te Franeker. Van zijn hand verscheen de Flora Frisica (1760). In de eerste helft van de negentiende eeuw verschijnen nog meer regionale flora’s van onder meer Leiden, Utrecht, ’s-Hertogenbosch en Kampen. Uiteindelijk is het de eerdergenoemde De Gorter die zich waagt aan een landsflora, met de titel Flora VII provinciarum Belgii foederati indigena (1781). Maar volgens de botanicus en latere Flora Batava-redacteur Herman Christiaan van Hall (1801-1874) mag De Gorters poging niet doorgaan voor de eerste ‘Flora van ons vaderland’. Daarvoor bevatte zijn werk te veel lacunes. In 1825 publiceert Van Hall zijn eigen poging, onder de titel Flora Belgii septentrionalis of Flora van Noord-Nederland. De beide heren zijn niet de enige botanici die werken aan een vaderlandse flora. Neem bijvoorbeeld Steven Jan van Geuns en zijn Verhandeling over de Inlandsche Lantgewassen (1789), baron Jan Lodewijk Willem de Geer van Jutphaas en zijn Plantarum Belgii Confoederati spicilegium alterum (1814) en Herman Schuurmans Stekhoven en zijn Kruidkundig handboek (1815). Maar waar het al deze regionale en landelijke pogingen aan ontbrak was afbeeldingen. Dat veranderde met de Flora Batava. Ondanks deze publicaties was interesse voor de regionale of nationale flora, zelfs onder botanici, verre van vanzelfsprekend. Zo blijkt uit de inleiding van het prijswinnende en eerdergenoemde Verhandeling over de Inlandsche Lantgewassen van Steven Jan van Geuns. Volgens deze Groningse arts en studiegenoot van Alexander von Humboldt hebben Nederlandse botanici ‘inlandsche lantgewassen’ links laten liggen. Nederlanders stonden bekend om het ‘kweeken van uitlandsche bloemen en vreemde gewassen’ maar hadden geen oog voor ‘plantgewassen welke natuurlyk in ons vaderland groeien’. Van Geuns citeert hierbij uit de Fundamenta Botanica (1736) van de Zweedse botanicus en taxonoom Carolus Linnaeus: ‘Ik weet niet, wat myn landslieden betoverd heeft, dat zij zich zoo geheel en al met vreemde planten bezig houden, terwijl zy die
koos. Toch bestrijken flora’s doorgaans regio’s, landen of zelfs werelddelen. Bij de Flora Batava is gekozen voor de landsgrenzen. Al klinkt de naam ‘Batava’ tegenwoordig wat archaïsch in de oren, en met een goede reden. De reeks begint namelijk in 1800, vóór de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden, als er even sprake is van de ‘Bataafsche Republiek’, een vazalstaat van Frankrijk. Rond die tijd verschijnen in verschillende landen monografieën over inheemse insecten, vogels, schelpen, zoogdieren en dus ook flora. In dit verband citeert boekhistoricus Marieke van Delft, in het enige artikel dat ooit over de Flora Batava verscheen, een recensent in de Algemene konst- en letterbode (1801): Bekend is het, hoe zeer, sedert enen geruimen tyd, verscheidene andere Natien, gelyk de Engelschen, Franschen, Duitschers, Denen en zelfs Russen, met elkanderen wedyverden, met pragtige uitgaven van Inlandsche Kruidboeken, of Afbeeldingen en Beschryvingen van zulke Planten, als elks land van zelve, zonder behulp van menschelyke konst of arbeid, voortbrengt en oplevert. In de Bataafse Republiek, evenals in de buurlanden, begint men de wilde flora als een zaak van vaderlandse trots te beschouwen, en natiestaten beginnen ook op het gebied van botanie tegen elkaar op te bieden. De Flora Batava is trouwens niet de eerste aanzet tot een vaderlandse flora. Al begint de tra-
David de Gorter en zijn Flora vii provinciarum Belgii foederati indigena (1781). Collectie kb Nationale Bibliotheek, Den Haag, kw 585 e 7.
12
Gravure met exotische planten in Albertus Seba, Thesaurus, deel 1 plaat xix. Collectie kb Nationale Bibliotheek, Den Haag, kw 394 b 26.
Bataafse Republiek net zoveel schatten zou herbergen als die van hun grote buurlanden. Eigenlijk is Van Geuns’ oproep een poging om de universele verzameldrang van de Verlichting nationaal en ‘tot nut van het algemeen’ aan te wenden. Boekhandelaar Sepp rook zijn kans.
genen, welke zy daaglyks met voeten treden, geheel verwaarlozen.’ Linnaeus slaat de spijker op de kop. Nederlandse natuurgeleerden, verzamelaars en kwekers waren vooral geïnteresseerd in de natuur van overzee. Eeuwenlang hadden zij zich welhaast blindgestaard op de zeldzaamheden die via de handels- en oorlogsschepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (voc) en de West-Indische Compagnie (wic) arriveerden. Ook plantenliefhebbers hadden een hebberigheid voor schoonheden en rariteiten uit verre oorden. Dit had een grote bloei teweeg teweeggebracht in de tuinkunst, bloemstillevens en botanische prachtwerken. Maar kennis van de lokale plantenwereld, ja zelfs van de hele Nederlandse natuur, was ver achtergebleven. Van Geuns beklaagt zich erover dat de binnenlandse wilde flora werd beschouwd als het onbeduidendste onderwerp, met als gevolg dat het medische en economische potentieel van inheemse planten onbenut bleef. Tegelijkertijd zag hij dat er verandering op til was. Nederland kende steeds meer ‘vaderland-lievende mannen’ die naar voorbeeld van de Fransen en Duitsers zich in alle haast en ernst wilden toeleggen op de ‘nasporing der schatten van hun eigen vaderland’. Plantenliefhebbers met patriottistische gevoelens waren ervan overtuigd dat de flora van de
Uitgeverij J.C. Sepp en Zoon Eind achttiende eeuw was Jan Christiaan Sepp (1739-1811) de meest productieve uitgever van natuurhistorische prachtwerken. Hij was door zijn vader Christiaan Sepp (1700-1775) opgeleid tot graveur, met een specialisatie in cartografie en wetenschappelijke boekillustraties. Vader Sepp was tevens gegrepen door de natuurstudie. In zijn vrije tijd trok hij er met zijn zoon op uit en leerde hem rupsen en vlinders te verzamelen en na te tekenen. In 1764 trad Jan Christiaan Sepp toe tot het Amsterdamse boekverkopersgilde om uitgever te worden, zodat hij hun werk kon uitgeven. Dertig jaar later had uitgeverij J.C. Sepp tientallen titels op haar naam staan, meestal geïllustreerd met handgekleurde koperplaten van hoge kwaliteit. Daaronder waren een aantal fraaie Nederlandse edities van Duitse natuuratlassen, zoals Uitgezochte planten (1769-1773), een vertaling van de Plantae selectae van de Neurenbergse arts Christoph Jakob Trew met 100 platen van zeldzame planten, en J.M. Seligmanns
13
Witte waterlelie in Artsenijgewassen, deel 1 (Amsterdam: J.C. Sepp, 1797). Collectie kb Nationale Bibliotheek, Den Haag, kw 300 f 50.
Magnolia in Trew, Uitgezochte planten (Amsterdam: J.C. Sepp, 1769). Collectie Allard Pierson, Universiteit van Amsterdam.
Verzameling van uitlandsche en zeldzaame vogelen (1772-1781), met 473 handgekleurde gravures van exotische vogels. Deze – en vele andere – luxueus uitgevoerde boeken, op royaal formaat, vonden gretig aftrek onder de gegoede burgers die gecharmeerd waren van zeldzame en exotische naturalia. Om deze kostbare uitgaves te financieren volgde Sepp een recente innovatie op de boekenmarkt: het publiceren in losse afleveringen. Lezers konden intekenen op een publicatie en kregen vervolgens periodiek een aflevering toegestuurd, bestaande uit enkele platen en de bijhorende beschrijvingen. Tezamen met een titelpagina en inhoudsopgave konden ze die naderhand laten inbinden tot boekdelen. Om zijn publicaties onder de aandacht te brengen en nieuwe kopers te trekken, maakte Sepp op strategische wijze gebruik van nieuwe middelen als krantenadvertenties en prospectussen. Maar het meeste aanzien verwierf Sepp met twee publicaties die hij samen met zijn vader initieerde. Allereerst Nederlandsche insecten (1762-
1927), waarin zij de volledige levenscyclus van dag- en nachtvlinders vastlegden in gedetailleerde platen en bijhorende beschrijvingen. Alle afbeeldingen en beschrijvingen waren gebaseerd op hun eigen onderzoek in de omgeving van Amsterdam en in hun insecten-‘kwekerij’ op zolder. De tweede publicatie schreef Sepp samen met Cornelis Nozeman, en was getiteld Nederlandsche vogelen (1770-1829). Dit was een vijfdelige uitgave waarin meer dan 220 vogelsoorten op ware grootte werden afgebeeld. Beide series bleken enorm succesvol en worden ook nu nog beschouwd als mijlpalen in de studie van de Nederlandse natuur. Ze waren volledig geënt op Sepps succesformule: werken in het Nederlands, geschreven voor een niet-academisch publiek, en geïllustreerd met gekleurde, schitterend uitgevoerde gravures. Het grote verschil met de eerdergenoemde publicaties was dat deze twee werken volledig gebaseerd waren op de studie van de (avi) fauna uit de eigen omgeving. Nog nooit was de nationale natuur op zo’n manier in beeld gebracht. Natuurliefhebbers smulden ervan.
14
Sepps andere monumentale uitgaven over de nationale natuur: Nederlandsche insecten (1762-1925) en Nederlandsche vogelen (1770-1829). Collectie kb Nationale Bibliotheek, Den Haag, kw 1047 b 10 en kw 555 e 5 [1].
Graveur en uitgever Jan Christiaan Sepp. Collectie Rijksmuseum Boerhaave.
Sepp en de onbekende redacteur leggen vervolgens uit dat een dergelijke flora niet alleen heel aangenaam zou zijn, maar bovenal nuttig. Voor hen was de nationale natuur een bron van trots en welvaren. Sepps prospectus was niet aan dovemansoren gericht: meer dan 230 personen tekenden in, voor in totaal 290 exemplaren. Een in onze ogen kleine oplage, maar blijkbaar voldoende om de publicatie rendabel te maken. Daaronder waren enkele leesgezelschappen en zo’n zestig boekverkopers die soms meerdere exemplaren inkochten. Maar vooral de staat zelf bleek een groot afnemer van de Flora Batava. In de intekenlijst, gepubliceerd in deel 1, staat vermeld dat de ‘Raad van Binnenlandsche Zaaken’ voor maar liefst 33 exemplaren intekende. Op voorspraak van de bewindslieden Johannes Goldberg en Jean Henri van Swinden (ook een beroemd wetenschapper in die tijd) had de regering namelijk besloten het monumentale werk aan bevriende binnen- en buitenlandse geleerde genootschappen te sturen. Zo kwam de Flora Batava ook in veel buitenlandse bibliotheken terecht. Verder staan op de intekenlijst allerlei artsen, apothekers, predikanten, advocaten, hoogleraren, bestuurders en enkele edellieden uit het hele land. Onder hen bijvoorbeeld de natuurkundige Martinus van Marum, eerste directeur van het Teylers Museum en beheerder van een befaamde
Met deze twee klappers in het achterhoofd begon Sepp rond 1797 te dromen van een nieuwe nationale natuurstudie. Toen zijn nieuwste uitgave, Afbeeldingen der artseny-gewassen (17961803), een vertaling van een Duits werk over medicinale planten, wederom een succes werd (er tekenden meer dan 400 mensen in), wist hij het zeker: de tijd was rijp voor een Nederlandse flora, een geïllustreerd overzicht van alle planten in de Bataafse Republiek. Kort daarna verscheen ook de eerdergenoemde advertentie in de Oprechte Haarlemsche Courant. Maar pas in de zomer van 1800 waren de voorbereidingen gereed en drukte Sepp een prospectus, die in slechts één exemplaar is overgeleverd in de collectie van het Allard Pierson (erfgoedcollecties van de Universiteit van Amsterdam). In dit Berigt wegens de uitgave van een [...] allernuttigst werk, onder den titul [sic] van Flora Batava doet de uitgever, samen met een nog niet nader genoemde redacteur, het idee uit de doeken: ons Plan betreft namelyk het beter doen kennen van de Flora Batava, dat is: van alle de Inlandsche Plantgewassen, welk zonder konst en voortkweeking van menschen, in de uitgestrektheid van ons geheel Gemeenebest, als van zelve groeijen, en alzo als natuurlyke lnboorlingen van ons Vaderland, aangemerkt mogen worden.
15
38
Waterdrieblad — Menyanthes trifoliata (2)
Gewone ereprijs — Veronica chamaedrys (1)
Deel I 1800
Echte koekoeksbloem — Silene flos-cuculi (4)
Rood guichelheil — Anagallis arvensis subsp. arvensis (3)
39
40
41
Kleuranalyse Driekleurig viooltje — Viola tricolor (I, 10 – 1800)
den in de sectie paarse bloemen. Tot slot, de Flora Batava: ‘1. Met witte en geele, 2. Met bleekblaauwe, paarse en geele Bloemen.’ Opgeteld zijn dat bijna tien mogelijke kleuren waar dit ogenschijnlijk makkelijk determineerbare plantje aan te herkennen valt: paars (violet), indigoblauw, geel, wit, lila, lichtblauw (bleekblaauw), roomwit, gelig, blauw. Kortom, een heel kleurenpalet. Het geeft maar aan dat tussen de fenomenale wereld en de beschreven (of anderzijds vastgelegde) wereld een flinke discrepantie kan bestaan. Zeker als het over de natuur gaat. Welke van de oneindige hoeveelheid kenmerken is essentieel voor een soort? Wat wil je dat iemand die op zoek is naar informatie over deze plant als belangrijkste eigenschap leert? De essentie van bijvoorbeeld het driekleurig viooltje laat zich niet gemakkelijk in één tekst of foto vangen. Dat is ook terug te zien in de verschillende beschrijvingen van dit plantje door de jaren heen. Je kunt het hebben over haar kleur, haar geneeskrachtige werking, over wanneer en hoelang ze leeft (van april tot oktober, meestal eenjarig), waar ze groeit (grazige zandgronden), dat ze ondergrondse uitlopers heeft, een verticale wortelstok, een spoor dat gewoonlijk anderhalf tot drie millimeter voorbij de kalkaanhangsels reikt, dat ze veerspletige tot veerdelige steunblaadjes aan de bladsteelbasis heeft en dat deze langer zijn dan bij het zinkviooltje. Of dat het de lievelingsbloem van mijn moeder is.
Weliswaar ken ik het driekleurig viooltje van grasvelden en tuinen, maar ik wil graag weten om welke drie kleuren het eigenlijk gaat. Dat blijkt nog niet zo eenvoudig. Foto’s op internet bieden geen uitsluitsel en zelfs naslagwerken blijven opvallend vaag voor een zo stellig geformuleerde naam. Al in 1554 schrijft Rembert Dodoens in zijn Cruijdeboeck over het driekleurig ‘Penseen’: ‘van coluere elck bloemken drijerleye / ende meest aen die opperste bladeren bruyn violet peersch / aen dandere blauw oft geelachtich met swerte streepkens overtoghen / ende in dmiddel geel ende hayzachtich’. Elseviers Bloemengids schrijft: ‘Bloem, 10-25 mm, violet met geel.’ Eddy Weeda en Rein, Chiel en Taco Westra beschrijven in deel drie van de Nederlandse Oecologische Flora (1988) de kleur van deze soort als volgt: ‘De typisch driekleurig bloeiende planten hebben diep paarsblauwe bovenste kroonbladen, lichter blauwe, aan de voet gele zijdelingse kroonbladen, en een geel onderste kroonblad met een witte rand. Daarnaast zijn dikwijls planten te vinden met bloemen, die overwegend blauw, wit of geel gekleurd zijn.’ Wikipedia meldt: ‘Meestal niet effen wit of paars. De twee rechtopstaande kroonbladen zijn meestal violet. De twee zijdelings naar achteren gebogen kroonbladen neigen wat meer naar blauw. Het onderste kroonblad is geel of wit gekleurd met een violet vlekje beneden, dat eindigt in een spoor dat met nectar is gevuld.’ De 23ste druk van Heukels’ Flora meldt: ‘Bovenste kroonbladeren paars tot indigoblauw, de zijdelingse lila tot lichtblauw met gele voet en de onderste meestal gelig of met roomwitte rand. Bloem zelden geheel geel.’ De ANWB Bloemengids schrijft: ‘De naam Driekleurig viooltje heeft ze te danken aan de kleur van haar bloemen. Elke bloem heeft namelijk drie kleuren: paars, geel en wit.’ Overigens wordt dit stukje geflankeerd door een foto van een viooltje dat geen wit bevat en is de beschrijving te vin-
— anne geene
42
Gewone dotterbloem — Caltha palustris subsp. palustris (5)
Lelietje-van-dalen — Convallaria majalis (6)
Wilgenroosje — Chamaenerion angustifolium (7)
Gewone dophei — Erica tetralix (8)
43
Witte klaverzuuring — Oxalis acetosella (9)
Lidsteng — Hippuris vulgaris (11)
Waterviolier — Hottonia palustris (12)
Akkerwinde — Convolvulus arvensis (13)
44
Register Hier staan in alfabetische volgorde alle actuele wetenschappelijke en Nederlandse soortnamen van de op de 2240 gekleurde platen afgebeelde planten. De Romeinse cijfers (van I tot XXVIII) verwijzen naar het deel van de originele Flora Batava waarin de plant staat afgebeeld. De Arabische cijfers (van 1 tot 2240) verwijzen naar het plaatnummer. Gebruik het plaatnummer om de plant snel in dit boek terug te vinden.
Huidige wetenschappelijke namen Abortiporus biennis
. . . . . . . . . . Deel XIV, plaat 1095; XXIV, 1895
Abutilon theophrasti . . . . . . . . . . XXVI, 2050 Acer campestre . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XV, 1166 Acer pseudoplatanus . . . . . . . . . . . . . . IV, 300 Achillea millefolium . . . . . . . . . . . . . . . . III, 224 Achillea nobilis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IX, 673 Achillea ptarmica. . . . . . . . . . . . . . . . . . . III, 180 Acmella decumbens . . . . . . . . . . . XXVI, 2017 Aconitum lycoctonum. . . . . . . . . . XXII, 1684 Aconitum napellus. . . . . . . . . . . . . . . . . XI, 878 Acorus calamus. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VII, 528 Actaea spicata. . . . . . . . . . . . . . . . . . . XVII, 1321 Adiantum capillus-veneris. . . . . . . XII, 890 Adonis aestivalis. . . . . . . . XII, 883; XXI, 1626 Adoxa moschatellina . . . . . . . . . . . . . . . . . I, 25 Aegagropila linnaei. XXIII, 1778; XXIII, 1779 Aegilops cylindrica . . . . . . . . . . . . . . XX, 1533 Aegopodium podagraria . . . . . . . . . . . V, 373 Aesculus hippocastanum. . . . . . . . . . XII, 929 Aethusa cynapium. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . I, 24 Agaricales spec.. . . . . . XXI, 1665; XXII, 1695; . . . . . . XXII, 1760; XXVII, 2144; XXVIII, 2182
Agaricus campestris. . . . . . . . . . . . . . . . X, 735 Agaricus silvicola. . . . . . . . . . . . . . . . XXI, 1640 Agrimonia eupatoria . . . . . . . . . . . . . . . . . I, 37 Agrimonia procera. . . . . . . . . . . . . . XVII, 1346 Agrocybe dura . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XXI, 1675 Agrocybe erebia. . . . . . . . . . . . . . . XXVI, 2080 Agrocybe erebia . . . . . . . . . . . . . . . . . . XXII, 1710 Agrocybe praecox . . . . . . . . . . . . . . . . . XXVII, 2096; XXVIII, 2186
Agrostemma githago . . . . . . . . . . . . . . . III, 197 Agrostis capillaris . . . . . . . . . . . . . . . . . VI, 407 Agrostis scabra . . . . . . . . . . . . . . . . XXVI, 2002 Agrostis spec. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VI, 406 Agrostis stolonifera. . . . . . . . . . . . . . XVI, 1209 Aira caryophyllea. . . . . . . . . . . . . . . . . . VI, 456 Aira praecox. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .VII, 491 Ajuga chamaepitys. . . . . . . . . . . . . XVIII, 1402 Ajuga reptans. . . . . . . . . . . . . . . . I, 16; XX, 1591 Alchemilla glabra. . . . . . . . . . . . . . . . . . VII, 552 Aleuria aurantia. . . . . . . . . . . . . . . . . XXI, 1610 Alisma (gramineum of lanceolatum) . . . . IV, 283 Alisma plantago-aquatica. . . . . . . . . IV, 247 Alliaria petiolata . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VI, 419 Allium carinatum. . . . . . . . . . . . . . . . XX, 1598 Allium oleraceum. . . . . . . . . . . . . . . . . . . IX, 716 Allium schoenoprasum. . . . . X, 792; XII, 912 Allium scorodoprasum . . . . . . . . . . XIX, 1502 Allium ursinum. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XI, 812 Allium vineale. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . II, 113
Alnus glutinosa. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 305 Alnus incana. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XIX, 1518 Alopecurus aequalis . . . . . . . . . . . . XXIII, 1818 Alopecurus bulbosus. . . . . . . . . . . . . . . . . . II, 91 Alopecurus geniculatus . . . . . . . . . . . VI, 402 Alopecurus geniculatus . . . . . . . XXIV, 1843 Alopecurus myosuroides. . . . . . . . . . . VII, 546 Alopecurus pratensis. . . . . . . . . . . . . . . VI, 416 Alopecurus rendlei. . . . . . . . . . . . . . . XXI, 1679 Althaea officinalis . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 278 Alyssum alyssoides . . . . . . . . . . . . . . . . . V, 384 Amanita citrina . . . . . . . . . . X, 738; XX, 1584 Amanita excelsa . . . . . . . . . . . . . . XXVI, 2060 Amanita fulva . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . X, 784 Amanita gemmata . . . . . . . . . . . . XXIII, 1804 Amanita muscaria . . . . . . . . . . . . . . . . VII, 495 Amanita pantherina . . . . . . . . . . . XVIII, 1380 Amanita phalloides. . . . . . . . . . . . . . . . XI, 829 Amanita porphyria. . . . . . . . . . . . . XXV, 1989 Amanita rubescens. . . . . . . . . . . . . . . . . X, 765 Amanita spec. . . . . . . . . . . . . . . . . . XVIII, 1400 Amanita vaginata. . . . . . . . . . . . XXVIII, 2212 Amaranthus albus. . . . . . . . . . . . . . XXIII, 1782 Amaranthus blitum . . . . . . . . . . . . . . . . IX, 719 Amaranthus crispus. . . . . . . . . . . XXVI, 2058 Amaranthus retroflexus. . . . . . . . . . XV, 1172 Amaranthus viridis. . . . . . . . . . . . . XXIII, 1781 Amblystegium serpens . . . XII, 938; XII, 939 Ambrosia artemisiifolia. . . . . . . . . XX, 1552 Ambrosia trifida. . . . . XXII, 1706; XXII, 1707 Amelanchier lamarckii. . . . . . . . . . XIV, 1096 Amelanchier ovalis . . . . . . . . . . . . . . XIX, 1451 Ammi majus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XVI, 1273 Amsinckia lycopsoides . . . . . . . . . . XX, 1532 Amsinckia micrantha . . . . . . . . . . . XXII, 1743 Anacamptis morio. . . . . . . . . . . . . . . . . VII, 485 Anacamptis pyramidalis. . . . . . . . XIV, 1058 Anacyclus clavatus. . . . . . . . . . . . XXVII, 2110 Anagallis arvensis subsp. arvensis. . . . . I, 3 Anagallis arvensis subsp. foemina . . . . . . . . . . . . . . . . XVI, 1248 Anagallis tenella. . . . . . . . . . . . . . . . . XIII, 1028 Anaptychia ciliaris . . . . . . . . . . . . . . . . . IX, 710 Anchusa arvensis. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . II, 92 Anchusa officinalis . . . . . . . . . . . . . . . . IX, 647 Andromeda polifolia. . . . . . . . . . . . . . . . V, 378 Anemone apennina. . . . . . . . . . . . . . . XIV, 1041 Anemone nemorosa. . . . . IV, 248; XVIII, 1361 Anemone ranunculoides. . . . . . . . . . . VI, 460 Angelica sylvestris. . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 311 Anisantha diandra . . . . . . . . . . . XXVIII, 2230 Anisantha sterilis. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . I, 41 Anisantha tectorum. . . . . . . . . . . . . XIII, 1005
885
Annulohypoxylon multiforme . . . . . . . . . . . . . . . . . XXVIII, 2163 Antennaria dioica . . . . . . . . . . . . . . . . VIII, 589 Anthemis arvensis. . . . . . . . . . . . . . . . VIII, 565 Anthemis austriaca . . . . . . . . . . . . XXIII, 1761 Anthemis cotula . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 284 Anthemis ruthenica . . . . . . . . . . . . . . XX, 1561 Anthemis tinctoria . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 299 Anthericum liliago. . . . . . . . . . . . . . XVII, 1328 Anthoxanthum aristatum. . . . . . . XIV, 1084 Anthoxanthum nitens. . . . . . . . . . . . . . III, 170 Anthoxanthum odoratum. . . . . . . . . . . . II, 111 Anthriscus caucalis . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 258 Anthriscus cerefolium. . . . . . . . . . . . . . V, 392 Anthriscus sylvestris . . . . . . . . . . . . . . . V, 393 Anthyllis vulneraria . . . . . . . . . . . . . . . . III, 190 Antrodia serialis. . . . . . . . . . . . . . XXVIII, 2176 Apera spica-venti. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . II, 151 Aphanes spec.. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VII, 553 Apium graveolens. . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 268 Aquilegia vulgaris . . . . . . . . . . . . . . . XX, 1576 Arabidopsis thaliana. . . . . . . . . . . . . . . V, 385 Arabis alpina sunsp. caucasica. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XVIII, 1391 Arabis hirsuta subsp. hirsuta . . . . XIII, 1018 Arctium lappa . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 254 Arctium minus. . . . . . . . . XX, 1587; XX, 1588 Arctium tomentosum. . . . . . . . . . . . . XIII, 1016 Arcyria denudata. . . . . . . . . . . . . . . XXV, 1945 Arcyria obvelata . . . . . . . . . . . . . . XXVII, 2088 Arenaria serpyllifolia. . . . . . . . . . . . . . VII, 548 Aristolochia clematitis. . . . . . . . . . . . . . II, 160 Armeria maritima. . . . . . . . . . . . . . . . . . . III, 174 Armillaria mellea. . . . . . . . . . . . . . . . . . . X, 775 Armillaria ostoyae. . . . . . . . . . . . . . . . . . XI, 815 Armoracia rusticana . . . . . . . . . . . . . . IV, 303 Arnica montana . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VI, 410 Arnoseris minima. . . . . . . . . . . . . . . . . VIII, 574 Arrhenatherum elatius subsp. elatius. . . . . . . . . . . . . . . . . . . XIII, 983 Artemisia absinthium. . . . . . . . . . . . VIII, 585 Artemisia annua. . . . . . . . . . . . . . . . XXII, 1697 Artemisia biennis. . . . . . . . . . . . . . . XXII, 1702 Artemisia campestris subsp. campestris . . . . . . . . . . . . . XIII, 993 Artemisia campestris subsp. maritima . . . . . . . . . . . . . XXV, 1927 Artemisia longifolia . . . . . . . . . . . XXVI, 2026 Artemisia ludoviciana. . . . . . . . . XXVI, 2018 Artemisia maritima . . . . . . . VI, 444; XI, 833 Artemisia vulgaris. . . . . . . . V, 334; XIX, 1501 Arum italicum . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XIII, 1001 Arum maculatum. . . . . . XIV, 1052; XIV, 1104
Asarum europaeum. . . . . . . . . . . . . . . XII, 904 Asclepias syriaca . . . . . . . . . . . . . . . . . XIII, 1031 Ascocoryne sarcoides s.l. . . . . . . . . XIV, 1075 Ascomycetes spec. . . . . . . . . . XI, 855; XXVII, 2122; XXVIII, 2227
Ascophyllum nodosum . . . . . . . . . . . . VIII, 613 Asparagus officinalis subsp. officinalis . . . . . . . . . . . . . . . . . . II, 155 Asparagus officinalis subsp. prostratus . . . . . . . . . . . . . . XV, 1123 Asperugo procumbens. . . . . . . . . . . . . . . II, 153 Asphodelus tenuifolius . . . . . . . . . XXV, 1952 Asplenium adiantum-nigrum. . . . . XII, 885 Asplenium ruta-muraria. . . . . . . . . . . . . I, 60 Asplenium scolopendrium. . . . . . . . . XI, 864 Asplenium trichomanes. . . . . . . . . . . . X, 779 Asterophora lycoperdoides. . . . . XXII, 1730 Asterophora parasitica. . . . . . . . XXIV, 1860 Astraeus hygrometricus. . . . . . . . . . XV, 1180 Astragalus glycyphyllos . . . . . . . . . . . XI, 842 Athyrium filix-femina . . . . . . . . . . . . . XII, 918 Atrichum undulatum. . . . . . . . . . . . . VIII, 629 Atriplex laciniata. . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 280 Atriplex littoralis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . V, 352 Atriplex pedunculata. . . . . . . . . . . . XIX, 1517 Atriplex portulacoides. . . . . . . . . . . XVII, 1341 Atriplex prostata . . . . . . . . . . . . . . . . . . VII, 523 Atriplex prostrata . . . . . . . . . . . . . . XVIII, 1378 Atriplex prostrata . . . . . . . . . . . . . . XVIII, 1382 Atropa belladonna. . . . . . . . . . . . . . . . . XI, 853 Aulacomnium androgynum. . . . . . . . X, 734 Aulacomnium palustre. . . . . . . . . . . XV, 1184 Auricularia auricula-judae . . . . . XIX, 1465 Auriscalpium vulgare. . . . . . . . . . . . . XV, 1170 Avena fatua. . . . . . . . . . . . . VIII, 561; XIX, 1503 Avena nuda . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XXVIII, 2226 Avena spec. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XIX, 1487 Avena sterilis . . . . . . . . . . . . . . . . . XXVII, 2098 Avena strigosa. . . . . . . . . . . . . . . . . . . XVI, 1258 Avenella flexuosa . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . III, 211 Avenula pubescens . . . . . . . . . . . . . . . XIII, 994 Axyris amaranthoides. . . . . . . . . XXVI, 2022 Azolla filiculoides. . . . . . . . . . . . . . XXIV, 1908 Badhamia utricularis . . . . . . . . . . XXV, 1923 Ballota nigra subsp. meridionalis . . . . . . . . . . . . . . III, 234 Bankera fuligineoalba. . . . . . . . . XXVI, 2028 Bankera fuligineoatra. . . . . . . . . . . XX, 1540 Barbarea stricta . . . . . . . . . . . . . . . . . . XIII, 1013 Barbarea verna . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XV, 1176 Barbarea vulgaris. . . . . . . . . . . . . . . . . . VI, 450 Barbula unguiculata . . . . . . . . . . . . . XV, 1154 Bartramia pomiformis . . . . . . . . . . . . XI, 858 Bassia hirsuta . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . V, 351 Bellis perennis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . I, 19 Berberis vulgaris. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . III, 175 Berteroa incana. . . . . . . . . . . . . . . . . XVII, 1282 Berula erecta. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VIII, 567 Beta macrocarpa . . . . . . . . . . . . . . XXVII, 2105 Beta vulgaris subsp. maritima. . . . . III, 233 Betonica officinalis . . . . . . . . . . . . . . . . XI, 828
Betula pendula. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . VI, 430 Bidens cernua. . . . . . . . . . . . . III, 184; XX, 1578 Bidens connata . . . . . . . . . . . . . . . . . XXV, 1957 Bidens tripartita. . . . . . . . . . . . . . . . . . . VI, 409 Bifora radians. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XXI, 1657 Bjerkandera adusta . . . . . . . . . . XXVI, 2040 Blackstonia perfoliata subsp. perfoliata . . . . . . . . . . . . . XXII, 1728 Blackstonia perfoliata subsp. serotina. . . . . . . . . . . . . . . . XIV, 1088 Blitum bonus-henricus. . . . . . . . . XVIII, 1373 Blitum nuttallianum . . . . . . . . . XXVIII, 2234 Blysmus compressus. . . . . . . . . . . . . . . . IX, 651 Bolboschoenus maritimus s.str.. . . VII, 521 Boletaceae spec. . . . . . . . . . . . . . . . . . XIX, 1495 Boletopsis leucomelaena . . . . . . XXVI, 2013 Boletus edulis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . X, 739 Boltonia asteroides . . . . . . . . . . . . XXVI, 2034 Borago officinalis . . . . . . . . . . . . . . . . . . XII, 889 Botrychium lunaria. . . . . . . . . . . . . . . . XII, 917 Bovista nigrescens. . . . . . . . . . . . . . XXV, 1930 Bovista plumbea. . . . . . . . . . . . . . . . XXV, 1930 Brachypodium pinnatum. . . . . . . XIX, 1468 Brachypodium sylvaticum . . . . . . . XV, 1169 Brachythecium albicans. . . . . . . . . . . XI, 854 Brachythecium rutabulum. . . . . . . . . X, 724 Brassica elongata subsp. integrifolia. . . . . . . . . . . . XXII, 1723 Brassica napus. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 314 Brassica nigra . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 250 Brefeldia maxima. . . . . . . . . . . . . XXVII, 2088 Briza media . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . IV, 256 Briza minor . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XXIV, 1907 Bromopsis erecta . . . . . . . . . . . . . . . . XX, 1548 Bromopsis inermis. . . . . . . . . . . . . . . XIX, 1472 Bromus arvensis . . . . . . . XV, 1199; XXIV, 1912 Bromus hordeaceus. . . . . . . . . . . . . . . VIII, 592 Bromus racemosus. . . . . . VII, 482; XVI, 1219 Bromus secalinus. . . . . . . . . X, 791; XIX, 1452 Bromus squarrosus. . XXIII, 1767; XXIV, 1872 Bryonia dioica . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . II, 140 Bryum algovicum. . . . . . . . . . . . . . . XVII, 1299 Bryum alpinum . . . . . . . . . . . . . . . . . XVII, 1354 Bryum archangelicum.XVI, 1259; XVII, 1324 Bryum argenteum . . . . . . . . . . . . . . . XVI, 1244 Bryum caespiticium . . . . . . . . . . . . XVII, 1359 Bryum cf. creberrimum. . . . . . . . . XVII, 1309 Bryum dichotomum . . . . . . . . . . . . XVII, 1349 Bryum intermedium. . . . . . . . . . . . XVII, 1304 Bryum knowltonii. . . . . . . . . . . . . . .XVII, 1289 Bryum marratii. . . . . . . . . . . . . . . . . . XVI, 1274 Bryum neodamense. . . . . . . . . . . . . XVII, 1344 Bryum pallens. . . . . . . . . XVI, 1269; XVII, 1319 Bryum pallescens . . . . . . . . . . . . . . . XVIII, 1369 Bryum pseudotriquetrum . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XVII, 1334; XVII, 1339
Bryum radiculosum. . . . . . . . . . . . . . XVI, 1264 Bryum rubens. . . . . . . . . . . . . . . . . . . XVII, 1329 Bryum torquescens . . . . . . . . . . . . . . XVII, 1314 Bryum turbinatum . . . . . . . . . . . . . XVIII, 1364 Bryum uliginosum. . . . . . . . . . . . . . XVII, 1294
886
Bryum warneum. . . . . . . . . . . . . . . . XVII, 1284 Bulgaria inquinans. . . . . . . . . . . . . . . . . XI, 814 Bunias orientalis. . . . . . . . . . . . . . . . XVIII, 1366 Bunium bulbocastanum. . . . . . . . . . . . XI, 811 Bupleurum gerardii. . . . . . . . . . . . XXIV, 1892 Bupleurum rotundifolium. . . . . . . XIX, 1491 Bupleurum tenuissimum. . . . . . . XVII, 1287 Butomus umbellatus . . . . . . . . . . . . . . . IV, 287 Butyriboletus appendiculatus . . . . . . . . . . . . . XXVI, 2056 Buxbaumia aphylla. . . . . . . . . . . . . . . . XII, 945 Byssomerulius corium. . . . . . . . . XXVI, 2031 Cakile maritima . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . II, 87 Calamagrostis arenaria. . . . . . . . . . VIII, 587 Calamagrostis canescens . . . . . . . XIII, 1033 Calamagrostis cf. canescens . . . . XIII, 1037 Calamagrostis epigejos. . . . . . . . . . XIII, 1032 Calamagrostis pseudophragmites . . . . . . . . . . . XXV, 1922 Calamagrostis stricta . . . . . . . . . . . XIX, 1498 Calamagrostis × calammophila . . . . . . . . . . . . . . XVII, 1343 Calendula arvensis . . . . . . . . . . . . XXVI, 2044 Calepina irregularis . . . . . . . . . . . . XVIII, 1371 Calicium viride. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XII, 934 Calla palustris . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . XI, 834 Calliergon cordifolium. . . . . . . . . . . XVI, 1239 Calliergon giganteum . . . . . . . . . . . XIII, 1024 Calliergonella cuspidata . . . . . . . . . XIII, 990 cf. Calliergonella cuspidata . . . . . . . XI, 854 Callitriche brutia . . . . . . . . . . . . . . . . XIII, 1020 Callitriche hermaphroditica . . . . . . . X, 786 Callitriche obtusangula . . . . . . . . . . . VIII, 591 Callitriche platycarpa. . . . . . . . . . . . XIII, 998 Calluna vulgaris . . . . . . . . . . . . . . . . . . VIII, 597 Calocybe carnea . . . . . . . . . . . . . . . . . XXV, 1971 Calocybe gambosa. . . . . . . . . . . . . . . XIX, 1494 Calocybe ionides . . . . . . . . . . . . . . . XXVI, 2037 Caltha palustris subsp. palustris . . . . . . I, 5 Calvatia excipuliforme . . . . . . . . . . . . . IX, 715 Calvatia gigantea. . . . . . . . . . . . . . . . . . IX, 720 Calvatia utriformis. . . . . . . . . . . . . . . . . IX, 715 Calyptella capula. . . . . . . . . . . . . . XXVI, 2010 Calyptella capula s.l. . . . . . . . . . . XXVI, 2076 Camelina sativa subsp. alyssum. . . . . . . . . . . . . . . . . VIII, 579 Camelina sativa spec. sativa. . . . . . . . . . . . . . . . . . . XVIII, 1376 Camelina spec.. . . . . . . . . . . . . . . . . . XXII, 1753 Campanula glomerata . . . . . . . . . . . . . X, 798 Campanula latifolia. . . . . . . . . . . . XVIII, 1393 Campanula persicifolia . . . . III, 203; X, 737 Campanula rapunculoides. . . . . . . XV, 1187 Campanula rapunculus . . . . . . . . . . XV, 1162 Campanula rotundifolia . . . . . . . . . . . IV, 281 Campanula trachelium. . . . . . . . . . . . . X, 797 Campylium stellatum . . . . . . . . . . . . . XI, 850 Cantharellula umbonata. . . . . . . XXIII, 1814 Cantharellus tubaeformis . . . . . . . . XX, 1525; XXIII, 1824 Capsella bursa-pastoris. . . . . . . . . . . . . II, 137
www.lannoo.com www.kb.nl
Bezoek www.kb.nl/flora-batava om de volledige Flora Batava met alle tekst en afbeeldingen op groot formaat digitaal te raadplegen. Registreer u op de website van Lannoo en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Cover (vooraan) Gele plomp – I, 56; (achteraan, van links naar rechts en van boven naar onderen) Roodsteelfluweelboleet s.l. – XII, 899; Wegdistel – II, 99; Grote klaproos – IV, 293; Grote weegbree – IV, 262; Slangenwortel – XI, 834; Rietorchis – I, 20; Waterscheerling – IV, 252; Geschubde inktzwam – VIII, 590; Witte waterlelie – VII, 539; Grove den – XIV, 1048 Hoofdredactie Esther van Gelder en Norbert Peeters Vormgeving Studio Lannoo i.s.m. Keppie & Keppie Beeldcredits Beeldstudio, kb Den Haag (tenzij anders vermeld) © Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, België, 2023 en kb, nationale bibliotheek, Den Haag, Nederland D/2023/45/189 ISBN 978 94 014 8666 8 NUR 428/680 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Zij die menen nog zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de uitgever wenden.