Oorlog en opstand in de zestiende eeuw
Kevin Gony en Natasja Peeters (red.)
Inhoud
Woord vooraf Een bijzonder ontstaan
8
M. Jaupart
Van ‘volkomen onverschilligheid’ tot blijvende erfenis
11
G. Parker
Inleiding De wereld is niet genoeg: Filips II en zijn tijd
17
K. Gony
DEEL 1
Filips II: man en mythe Filips II: Goede Herder met harde hand. Een koning die strijdt tegen burgeroorlog en opstand in de Nederlanden
31
G. Janssens
Wrede tiran, wijze koning? De reputatie van koning Filips II
41
Y. Rodriguez Pérez
Met een ‘groots gebaar van koninklijke statigheid’: de gewapende portretten van Filips II als koninklijk propaganda-instrument
51
E. Trizzullo
Tussen verheven strategie en schimmig onderhandelen: diplomatieke relaties tussen het Westen en het Ottomaanse rijk
59
M. Duran
Een papieren rijk: de administratie ten tijde van Filips II
69
H. Deceulaer
De Tachtigjarige Oorlog in het klein: historische penningen
79
J. van Heesch
5
DEEL 2
Te wapen! Filips II en zijn ‘Leger van Vlaanderen’: vernieuwingen in tactiek en uitrusting
95
P. Lierneux
Filips’ verlies van het wapenbedrijf: de verschuiving van de wapenproductie 105 en -handel van de Zuidelijke naar de Noordelijke Nederlanden J. Punt
De schutters trekken ten strijde! Gewapende gilden tussen feestdis en wapengekletter
115
N. Peeters
De Spaanse citadel in Antwerpen: een bewogen geschiedenis van opbouw en vernietiging
123
P. Lombaerde
In dienst van Filips II: Spaanse commandanten tijdens de Opstand in de Lage Landen
135
R. Fagel
De instrumenten van de oorlog: hoe driehoeksmeting de oorlogsvoering veranderde
145
A. Meskens
Hoe geldnood leidt tot nieuwe ontwikkelingen: militaire aangelegenheden in de Waalse provincies van de Nederlanden 157 Ph. Bragard
Geruchten over en beschrijving van mijn beste vijand, de Turk: de perceptie van het Ottomaanse Rijk
169
A. Born
Een onverwachte maar te verwaarlozen tegenslag: de Ottomaanse visie op de Slag bij Lepanto N. D. Kut
6
179
DEEL 3
Oorlog, strijd en materiële cultuur Pronken met kracht: Filips II en zijn harnassen
195
S. Smets
De Hallepoort: historisch monument, museum en wieg van de verzameling wapens en harnassen
205
L. Wullus
Tekenaars op het slagveld: de oorlogen van Filips II in de Lage Landen in beeld gebracht
215
P. Martens
Dulle Griet of de wapens van een fluctuerende wereld: wapens en oorlogen in de iconografie van Pieter Bruegel de Oude
229
N. P. Baptiste
Van bittere ernst tot bijtende satire: 17de-eeuwse strijdtaferelen belicht
241
L. Kelchtermans
Muziek in oorlogstijd onder Filips II: van verheerlijking van de macht tot opstand
251
A.-E. Ceulemans & F. Degroote
De boekenkist van Willem van Oranje: de Zuidelijke Nederlanden als bakermat van het krijgskundige boek in de Lage Landen
261
L. Ph. Sloos
Epiloog De Belgisch-Nederlandse grens: de territoriale erfenis van Filips II
271
B. De Ridder
eindnoten
281
bibliografie
303
Biografieën
317
index
323
7
woord vooraf
Een bijzonder ontstaan Michel Jaupart
Het boek dat u in handen houdt, heeft een merkwaardige ontstaansgeschiedenis die we u niet willen onthouden. In 2019 vatte de directie van het War Heritage Institute het plan op om de 450ste verjaardag van de Slag bij Lepanto, op 7 oktober 2021, feestelijk te herdenken met een tentoonstelling. De beroemde 16de-eeuwse zeeslag had indruk gemaakt op de geesten van die tijd, omdat het een klap was voor de Ottomaanse expansie in het Middellandse Zeegebied en Europa zo een einde had gemaakt aan de schijnbare onoverwinnelijkheid van de Ottomaanse legers. Het is zo’n belangrijk moment in de Europese geschiedenis, dat het nog steeds wordt herdacht in de katholieke liturgische kalender. Maar in dit boek zult u ontdekken dat de Ottomaanse perceptie van de slag wel heel anders was dan die van de westerse wereld. Het project rond Lepanto wekte veel enthousiasme op in het War Heritage Institute. Het idee kreeg vorm, breidde zich uit en ontwikkelde uiteindelijk een veel ambitieuzere dimensie. De zeeslag werd geïntegreerd in een breder verhaal, dat zich deels in onze contreien afspeelt – de Spaanse Nederlanden – en over de toenmalige heerser van onze streek, koning Filips II (1527-1598), die handelt over de gewesten regeerde vanaf 1555. Het project Filips II en de strijd om Europa paste ook bij de renovatie van de beroemde Wapenzaal van het Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis. Deze zaal bevat een buitengewone collectie die geleidelijk door de hertogen van Bourgondië werd opgebouwd en nu eigendom is van de Belgische Staat. De collectie stamt vooral uit de 16de eeuw. Aangezien we ook bij onze vorige herdenkingen, de honderdste verjaardag van de Eerste Wereldoorlog en de 75ste verjaardag van de Tweede Wereldoorlog, een bijbehorend boek schreven (De Groote Oorlog voorbij, België 1918-1928 en Oorlog Bezetting - Bevrijding. België 1940-1945), kon zo’n boek ook deze keer niet ontbreken. Het geeft duiding bij de geschiedenis van Filips II en de oorlogen die zijn bewind kenmerkten en heeft de ambitie om de vorst zijn rechtmatige plaats in de
8 | Filips II en de strijd om Europa
geschiedenis van onze gewesten terug te geven. Tegelijkertijd maken we de balans op van de oorlogsvoering zoals die in de 16de eeuw werd opgevat en gevoerd. Dit werk brengt bijdragen samen van onderzoekers van het War Heritage Institute, en van Belgische en buitenlandse specialisten. We willen dan ook graag de volgende auteurs bedanken voor hun bijdragen: Nicolas P. Baptiste, Annick Born, Philippe Bragard, Anne-Emmanuelle Ceulemans, Harald Deceulaer, Frédéric Degroote, Bram De Ridder, Manuel Duran, Raymond Fagel, Kevin Gony, Gustaaf Janssens, Leen Kelchtermans, Naz Defne Kut, Pierre Lierneux, Piet Lombaerde, Pieter Martens, Ad Meskens, Natasja Peeters, Jeroen Punt, Yolanda Rodríguez Pérez, Louis Ph. Sloos, Sandrine Smets, Eva Trizzullo, Johan van Heesch en Linda Wullus. We danken hier in het bijzonder ook militair historicus Prof. Geoffrey Parker, wiens aanwezigheid naast die van Filips een rode draad vormt in dit boek, met name door zijn studies van The Army of Flanders and the Spanish Road, 1567-1659 (1972) en zijn biografieën van de vorst, waaronder het majestueuze Imprudent King: A New Life of Philip II, verschenen in 2014. Zijn voorwoord getuigt van de grote interesse in het verleden, heden en toekomst van Filips II en de strijd om de controle over Europa. Het boek draait rond drie thema’s – de vorst zelf en zijn beleid, de context en de middelen van de oorlog en de artistieke interpretatie ervan – een schat van informatie die u in staat zal stellen deze lang vervlogen tijd beter te begrijpen. Alvorens u in het boek te laten duiken, wil ik van de gelegenheid gebruikmaken om mijn medewerkers te bedanken, Dr. Natasja Peeters en Kevin Gony, die dit prachtige boek tot stand hebben gebracht, en Sandrine Smets, die de renovatie van het Wapen- en Harnassenzaal heeft geleid om het tot de ‘schatkamer’ te maken die u vandaag kunt bezoeken. Mijn dank gaat ook uit naar hun respectievelijke teams. We danken ook Diane Vanthemsche die het merendeel van de vertalingen voor haar rekening nam en alle mensen die, in welke hoedanigheid dan ook, aan deze projecten hebben meegewerkt. Ik wens ook graag de uitgeverij Lannoo-Racine te bedanken, die deze publicatie mogelijk heeft gemaakt, en de Raad van Bestuur van het Instituut voor zijn niet-aflatende steun voor ons werk.
Veel plezier met lezen.
Een bijzonder ontstaan
|9
Van ‘volkomen onverschilligheid’ tot blijvende erfenis Geoffrey Parker
In 1920 zette Henri Pirenne, de beroemdste historicus van België, in slechts drie zinnen van zijn Geschiedenis van België het thema van dit boek uiteen: Spanje, dat zoolang over België geregeerd heeft, heeft er niets achtergelaten ... Dat daargelaten, evenals zijn bloed zich niet met dat des volks vermengd heeft, oefende het geenerlei invloed uit noch op kunst noch op literatuur; geen enkel zijner woorden of uitdrukkingen ging in de Vlaamsche of Waalsche volkstaal over. De twee natiën hebben naast elkander geleefd, zonder te versmelten, zonder elkander te begrijpen. Volgens zijn ‘Voorrede’ begon Pirenne met het schrijven van zijn boek ‘kort vóór de overweldiging van België door de Duitsche troepen begonnen’, en stelde hij het grootste deel ervan op ‘[i]n die groote gevangenis, welke Gent onder het Duitsche juk geworden was’; maar dan ‘werd [hij] naar Duitschland weggevoerd.’ Zodra hij uit de Duitse gevangenis naar België terugkeerde, begon hij zijn tekst af te werken, waarbij hij ‘onder het opstellen, [zijn] best deed om [zich] vrij te maken van elk anderen hartstocht, dan dien der waarheid.’ Desondanks vulde Pirenne nog verschillende pagina’s met klachten over de ongerechtvaardigde bezetting van zijn land. Hij lijkt ‘het Spaans regime’ te hebben gezien als een soortgelijke ongerechtvaardigde bezetting.1 Het ‘regime’ begon in 1567 toen Filips II de hertog van Alva de opdracht gaf om vier tercio’s Spaanse infanterie en 1200 Spaanse en Italiaanse cavaleristen naar de Lage Landen te leiden om er de opstand te onderdrukken en het protestantisme uit te roeien. Hun lange mars vanuit Milaan, over de Alpen en langs wat tijdgenoten ‘de Spaanse Weg’ zouden noemen, was een logistieke triomf. Toen ze uiteindelijk hun bestemming bereikten, waren ‘de Spanjaarden met zovelen dat het moeilijk te beschrijven is; Ze nemen alles in beslag, terecht en onterecht, en zeg-
11
Spaanse infanterie op mars (ca. 1580, Basilica of Nuestra Señora del Prado, Talavera, foto: Felipe Vidales del Castillo). Mannen met musketten en arquebussen lopen voorop met daarachter pikeurs. Deel van een fries van tegels, besteld in de jaren 1580 om de overwinningen van de markies van Santa Cruz te vieren. (Voorheen in het klooster van San Antón in Talavera, nu in de kathedraal van de stad.)
gen dat allen ketters zijn, die bezittingen hebben en moeten verliezen.’2 Na vijf jaar lokten de kosten en het gedrag van de tercio’s een nieuwe opstand uit, totdat ze in 1576, moe van het wachten op hun achterstallige loon, Antwerpen bezetten en plunderden. De ‘Spaanse furie’ verwoestte 1000 gebouwen (waaronder het nieuwe stadhuis) en liet 8000 inwoners dood achter. De Spanjaarden mishandelden, verkrachtten en beroofden de overlevenden. Volgens een slachtoffer braken ze zelfs de ‘spaerpotkens’ van de kinderen open en stalen ze de inhoud ervan. Toen de veteranen de Lage Landen het jaar daarop verlieten, woog hun met plunderingen gevulde bagage 2600 ton – een halve ton per man. Desondanks maakte, aldus Pirenne: ‘[d]e haat die in de 16de eeuw Belgen en Spanjaards tegen elkander opgehitst had’ plaats ‘voor een volkomen onverschilligheid.’3 Hij schreef te vroeg. In 1935 speelde de ‘Spaanse furie’ een gedenkwaardige rol in de film La Kermesse Héroique van de Belgische regisseur Jacques Feyder. Naast de hoofdverhaallijn, waarin de vindingrijke en flirtende Vlaamse matrones het stadje Boom van een soortgelijk lot afwendden, bevatte de film enkele weinig bekende kenmerken over de mannen van de tercios. Wie kan de regimentsdwerg met zijn aapje vergeten, of de kieskeurige officier die borduurwerk verkoos boven omhelzingen? Hoewel de film twee Hollywoodoscars en drie internationale prijzen won, was de ontvangst gemengd. Joseph Goebbels, Rijksminister van
12 | Filips II en de strijd om Europa
propaganda, woonde de première van de Duitse versie bij, maar Franco verbood de film in Spanje en de Legion of Decency veroordeelde hem in de Verenigde Staten. Het publiek in verschillende Belgische en Nederlandse theaters onderbrak de voorstellingen door leuzen te scanderen, het scherm met rot fruit te bekogelen en zelfs de stoelen te vernielen; de menigte buiten (in Nederland georganiseerd door de Nationale Sociale Bond) kwam in opstand. De politie verrichtte 27 arrestaties in Amsterdam en 38 in Antwerpen.4 Niettemin had in 1965, toen ik mijn onderzoek begon naar hoe en waarom Spanje er niet in was geslaagd de Nederlandse Opstand te onderdrukken, de Pirenne-these van ‘volkomen onverschilligheid’ de overhand. De meeste Nederlandse historici van de Gouden Eeuw onderzochten waarom hun voorouders hadden gewonnen, in de plaats van waarom hun tegenstanders hadden verloren. Slechts enkele Belgische historici die het beleid van Filips II bestudeerden, gebruikten daarbij Spaanse bronnen, ook al was er niet alleen in Spanje maar zeker in België overvloedig materiaal beschikbaar – met name in het Algemeen Rijksarchief, in de reeks Secretarie van State en Oorlog, die door verscheidene auteurs in dit boek is gebruikt. Bovendien hadden drie Belgische geleerden kopieën van relevant materiaal uit Spaanse archieven en bibliotheken mee naar huis genomen. In de 19de eeuw trok Louis-Prosper Gachard, Algemeen Rijksarchivaris, op verschillende missies naar buitenlandse archiefdepots, waar hij meer dan 10.000 documenten uit de regeerperiode van Filips II onderzocht die relevant waren voor de geschiedenis van België. Van meer dan 1500 daarvan liet hij transcripties maken. Vervolgens publiceerde hij er Franse samenvattingen van, samen met ondersteunende documenten uit andere archieven. Vandaag vormen zijn notities en afschriften de ‘Collection Gachard’ in het Algemeen Rijksarchief in Brussel.5 Tussen 1957 en 1985 stuurde de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis Maurice van Durme op missie naar Spanje om manuscripten met betrekking tot de geschiedenis van de Lage Landen te catalogiseren. De eerste vruchten van zijn werk verschenen in Les archives de Simancas et l’histoire de la Belgique, waarin folio per folio talloze legajos in de reeksen Negociación de Estado (Flandes en Roma) en Secretarías provinciales werden beschreven. ‘Don Mauricio’ (zoals hij in Spanje liefkozend werd genoemd door zowel archivarissen als onderzoekers zoals ik) voltooide ook dergelijke, relevante inventarissen in Madrileense archieven en bibliotheken, zowel openbare als private, maar deze zouden ongepubliceerd blijven. In de jaren 1960 verzamelde Hugo de Schepper microfilms van alle door van Durme beschreven documenten in Simancas en bewaarde deze in het Algemeen Rijksarchief.6
Van ‘volkomen onverschilligheid’ tot blijvende erfenis
| 13
De auteurs van de bijdragen in Filips II en de strijd om Europa combineren de heroïsche inspanningen van deze drie pioniers met hun eigen nauwgezette recente onderzoek. Zij gebruiken niet alleen materiaal in het Spaans, Frans en Nederlands, maar ook in het Italiaans, Latijn en Portugees; en zij hebben in bijna alle belangrijke archieven van West-Europa gewerkt. Hun werk toont aan hoe belangrijk buitenlandse bronnen zijn voor de geschiedenis van de Lage Landen in de 16de eeuw. Hoewel hun gezamenlijke inspanningen enorm uitgebreid zijn, gaan ze nog voorbij aan twee van de beweringen van Pirenne: dat ‘het (Spaans) bloed zich niet met dat des volks (Nederlanden) vermengd heeft’; en dat de Spaanse taal ‘geen enkel zijner woorden of uitdrukkingen in de Vlaamsche of Waalsche volkstaal [overgingen]’. Wat het eerste betreft, wordt het bewijs van een ‘vermenging’ geleverd door de parochieregisters van de garnizoenskerk van San Felipe in de Antwerpse citadel. Zij vermelden bijvoorbeeld 562 bruiden die tussen 1625 en 1647 in de garnizoenskerk trouwden. Hoewel 230 daarvan – of 41 procent – Spaanse of Italiaanse namen hadden, konden slechts weinigen aanspraak maken op twee in Spanje geboren ouders. De meeste bruiden waren geboren in de Lage Landen en velen werden beschreven als ‘huius castri filia’ – dat wil zeggen, dochters van Spanjaarden die dienden in het Antwerpse garnizoen, dat gewoonlijk 600 man telde.7 Bewijzen van Spaanse invloed op de Nederlandse en Waalse taal zijn er ook in overvloed – wat niet verwonderlijk is, aangezien ongeveer 200.000 Spaanse soldaten in de Nederlanden dienden tussen 1567 en 1706, toen het Spaanse regime in Brussel uiteindelijk viel. Meer dan 200 Spaanse woorden kwamen in de 16de en 17de eeuw in de woordenschat van Wallonië terecht, en de Nederlandstaligen namen er nog veel meer over. Henry Hexhams Nederlands-Engelse woordenboek, Het groot woordenboeck, gepubliceerd in 1658, bevatte ‘Een bijlage met woorden ontleend en geleend aan de Latijnse, Franse en Spaanse taal, die nu in gebruik worden door de Lage Landers.’ De negentien bladzijden bevatten 1500 vermeldingen, voornamelijk begroetingen, scheldwoorden en termen met betrekking tot geweld en bedrog (saccageren, sinjoor, sodomist, squadron enzovoort).8 Op het eerste gezicht is het totaal minder geworden sinds de tijd van Hexham, want in 2017 noteerde de Atlas van de Nederlandse taal: editie Vlaanderen nog maar 169 Spaanse leenwoorden in het Standaardnederlands. Maar dit is op twee punten misleidend. Ten eerste vermeldt Francisco Sánchez Romero 70 ‘Spaanse woorden in het Nederlands’ die tussen 2000 en 2013 voor het eerst zijn opgenomen. Ten tweede, zoals Nicoline van der Sijs opmerkte: ‘De Spaanse overheersing heeft dus vooral invloed gehad op de Nederlandse dialecten, meer dan op de
14 | Filips II en de strijd om Europa
Nederlandse standaardtaal’ – misschien omdat, zo suggereerde zij, de Belgische elite meestal Frans sprak en geen Nederlands. Daarom ‘kwamen alleen de lagere bevolkingslagen direct in aanraking met het Spaans, en dus kwamen de meeste Spaanse leenwoorden terecht in de Nederlandse dialecten’. In 1982 stelde Leo de Wachter een lijst samen van meer dan 500 woorden van Spaanse oorsprong die nog steeds in het Antwerpse dialect te vinden zijn. Niet voor niets is de bijnaam van Antwerpen ‘de Sinjorenstad’.9 Taalkundige invloed kan echter niet alleen worden gemeten door een telling van leenwoorden. De voorkeur van de Franstalige bevolking van België voor ‘nous autres’ en ‘vous autres’ (dus net als het Spaanse ‘nosotros’ en ‘vosotros’) en voor ‘septante’ en ‘nonante’ (in plaats van ‘soixante-dix’ en ‘quatre-vingt-dix’) zijn slechts de meest voor de hand liggende voorbeelden van spreekwijzen die van de ene taal zijn overgenomen door de andere. Ten slotte, zoals Robert Verdonk heeft aangetoond, ontstond er in de 17de eeuw in de Zuidelijke Nederlanden een vorm van geschreven Spaans die duidelijk verschilde van het Castiliaans op het schiereiland. Als de controle vanuit Madrid na 1706 was blijven bestaan, zou zich ongetwijfeld een herkenbare vorm van koloniaal Spaans – met veel ontleningen aan het Nederlands en het Frans – hebben ontwikkeld, die veel gelijkenis zou vertonen met de originele taal, net zoals het Afrikaans met het moderne Nederlands.10 De vierentwintig uitstekende studies in dit boek tonen duidelijk aan dat de stelling van Pirenne over de ‘volkomen onverschilligheid’ onhoudbaar is en dat het geen zin heeft om de Lage Landen in de tijd van Filips II te bestuderen zonder gebruik te maken van Spaanse bronnen.
Van ‘volkomen onverschilligheid’ tot blijvende erfenis
| 15
inleiding
De wereld is niet genoeg
Filips II en zijn tijd Kevin Gony Op de voorzijde van een penning uit 1583 ontworpen ter ere van Filips II van Spanje (1527-1598) vinden we het opschrift Non Sufficit Orbis, geïnspireerd op een regel van Juvenalis over Alexander III van Macedonië. Misschien hadden de lofredenaars van de Spaanse vorst de ironie van de Romeinse satiricus en zijn minachting voor de ambitie van de machtigen niet opgemerkt. De analogie is echter toch bijzonder treffend, want de woorden van Juvenalis passen wonderwel bij de zoon van Karel V (1500-1558), æstuat infelix angusto limite mundi, erfgenaam van een decadente en corrupte monarchie. ‘De wereld is niet genoeg’ is een perfecte uitdrukking van de arrogantie die de koning en een hele adellijke kaste naar het volk uitdroegen.
Fragmentatie en onderwerping De lijst van Filips’ bezittingen in Europa is indrukwekkend. Naast de van zijn vader geërfde gebieden verzekerde hij zelf, door zijn eerste huwelijk in 1554 met Mary I (1516-1558), koningin van Engeland en Ierland, gedurende enkele jaren een bijna totale controle over West-Europa. De dood van zijn vrouw (die aan baarmoederkanker of een eierstokcyste overleed) in 1558 en haar opvolging door de protestantse Elizabeth I ontnamen hem deze hegemonie en leidden tot een lange Spaans-Britse rivaliteit. Buiten het Heilige Roomse Rijk, in handen van zijn neven, had de rest van Europa weinig te lijden door Filips. In het noorden werd de Unie van Kalmar, die de Scandinavische landen met elkaar verbond, verbroken door de Zweedse opstand van 1523. In het oosten werden de banden tussen Polen en Litouwen door de Unie
17
van Lublin van 1569 steviger aangehaald in de Republiek der Beide Volkeren. De nieuwe ‘republiek’ spiegelde zich aan het grootvorstendom Moskou, dat onder het bewind van Ivan IV Vasiljevitsj (1530-1584) het tsarendom van Rusland werd. Ze breidde haar grondgebied uit, alvorens in een burgeroorlog te vervallen (1583). De enige concurrent was het Ottomaanse Rijk, dat zijn opmars naar het hart van het subcontinent voortzette, ondanks de mislukking van het Beleg van Wenen in 1529. Door de territoriale verdeeldheid was een Europese ‘eenheid’ niet aan de orde. Het subcontinent was slechts een speelplaats voor dynastieke rivaliteiten, waarin Filips uitstekend paste. Tussen de vernietiging van Romanië in 1453 en het ontstaan van de moderne natiestaten vanaf 1789 bezat Europa geen ‘nationale’ identiteit. Door de voortdurende instabiliteit, de diverse rampen en de klimatologische druk die het Europa van de 16de eeuw kenmerkten, ontstonden politieke regimes die in het Westen naar absolutisme neigden en in het Oosten een verstrenging van de lijfeigenschap bewerkstelligden. Deze tendens kwam tot uiting in de oprichting van ontwikkelde administraties die de middeleeuwse staten moesten verdringen, een proces dat gedurende de hele regering van Filips II voortduurde. De toestand van de boeren (80-90 procent van de Spaanse bevolking) verbeterde niet: ze waren wettelijk vrij, maar stonden met kortetermijnpachten en zware belastingen onder niet-aflatende economische druk vanwege de landeigenaren. De dominantie van de heersende kasten was tweeledig en werd evenzeer uitgeoefend op de onderdanen van de Iberische kroon als op de gekoloniseerde bevolkingen.
Roof en plundering De Iberische macht kwam voort uit weelde verkregen door uitbuiting. De Portugese ‘ontdekkingsreizigers’ waren de eerste Europeanen die al in de 15de eeuw begonnen met de systematische verkenning van de kusten van Afrika, vóór de aankomst van de Castilianen in de ‘Nieuwe Wereld’ aan het einde van die eeuw. De verdeling van de veroveringen tussen Castilië en Portugal werd door de verdragen van Tordesillas in 1494 en Saragossa in 1529 bevestigd; ze betekenden de geboorte van het moderne kolonialisme. De Portugese expansie werd getemperd door de dood van de koning in de Slag bij Wadi al-Makhazin (1578) en de Iberische Unie (1580-1640), die Filips tot koning van Portugal wijdde. De Spanjaarden voerden de exploitatiewedloop aan en de onderdanen van de Britse en de Franse kroon deden lustig mee.
18 | Filips II en de strijd om Europa
Cantino’s planisfeer (Biblioteca Estense e Universitaria, Il Bulino, C.G.A.2). Deze planisfeer die de stand van de Europese kennis aan het begin van de 16de eeuw laat zien, werd in 1502 door Alberto Cantino, een spion in dienst van de hertog van Ferrara, uit Portugal gesmokkeld. De exploratie stond nog in de kinderschoenen, en dus ook het koloniale rijk van Filips II.
Kolonisatie in Afrika was een kwestie van roofzucht. Het continent kon oneindige arbeidskrachten aanleveren. Hoewel de Afrikaanse bevolkingsgroepen al vóór de 16de eeuw aan slavernij werden onderworpen, werd in de 16de eeuw een systematische slavernij ingevoerd, die in de volgende eeuw met de Trans-Atlantische Driehoekshandel haar hoogtepunt bereikte. Afrika was echter geen ‘maagdelijk’ continent, maar een mozaïek van bloeiende beschavingen, waarop westerse handelsposten en koloniën werden geënt. Het Afrikaanse continent werd niet alleen begrensd door de Middellandse Zee, maar ook afgetekend door koloniale nederzettingen die greep op het machtsevenwicht kregen. De onderdanen van Filips II weefden een uitgebreid web dat een heel continent omvatte. In het westen viel het Djolof-rijk in 1549 uiteen na de machtsovername door het Songhai-rijk en door interne verdeeldheid, om plaats te maken voor kleine koninkrijken, die een gemakkelijke prooi voor de kolonisatoren werden. Songhai zelf werd aan het eind van de 16de eeuw door de veroveringen van de sultans van Marokko verdrongen. In het huidige Nigeria en Benin kwamen de Yoruba-stadstaten onder de hegemonie van het koninkrijk van Oyo. Verder naar het oosten, rond het meer van Tsjaad, legde Kanem-Bornoe aan het begin van de eeuw zijn gezag aan de regio op. Dat bereikte zijn hoogtepunt onder het bewind van sultan Idrīs ibn Ali ibn Idrīs III Alaoma (ca. 1570-ca. 1603). De meeste van deze koninkrijken haalden een deel van hun inkomsten uit slavernij.
De wereld is niet genoeg
| 19
Centraal-Afrika werd overheerst door verschillende Bantoe-mogendheden, waaronder het koninkrijk Kongo aan de westkust. De heersers bekeerden zich aan het eind van de 15de eeuw tot het christendom en het koninkrijk kwam onder Portugese invloed. De aanvoer van vuurwapens stelde Kongo in staat opstanden neer te slaan en aan het begin van de eeuw het koninkrijk Loango in te palmen. In het binnenland ontstond het Luba-rijk pas in 1585, in het huidige Katanga en Kasai, waar bijna geen contact met de kolonisatoren bestond. In zuidelijk Afrika vallen het koninkrijk Butua en het koninkrijk Mutupa op. Beide haalden hun rijkdom uit de goudhandel, maar de concurrentie van Arabieren en Portugezen leidde tot hun neergang. In het midden van de 16de eeuw maakte de goudhandel plaats voor slavenhandel en stortten de staten in onder invloed van de kolonisatoren en de groeiende macht van de Arabische naties Zanzibar en Kilwa. In de Hoorn van Afrika, ten slotte, bleef het christelijke Ethiopische Rijk overeind, gered door militair ingrijpen van de Portugezen in 1541. Onder leiding van het sultanaat van Sennar tierde de slavenhandel in de regio welig.
Kolonisatie en uitbuiting De precolumbiaanse situatie in Zuid- en Midden-Amerika kan worden vergeleken met die in Afrika. Hoewel in het grootste deel van het land sprake was van een tribale machtsorganisatie, bestonden er ook staatsstructuren, maar die werden door de Europeanen snel verslagen. Ze verdwenen ei zo na met de troonsbestijging van Filips II. Binnen twee decennia was het Inca-rijk uiteengevallen en veroverd. Enkel het Inca-koninkrijk Vilcabamba hield stand tot 1572. Verder naar het noorden werd ook de drievoudige alliantie van de Azteken veroverd. Onder Filips’ bewind werden de onderkoninkrijken Brazilië (1500), Nieuw-Spanje (1535) en Peru (1544) opgericht. In het noorden van het continent werd het oppergezag van de Spanjaarden al in 1523 door Frankrijk betwist, en wel met de verkenning van de oostkust van de huidige Verenigde Staten van Amerika door Giovanni da Verrazzano, vervolgens in 1585 door Groot-Brittannië, en ten slotte door de Nederlanders rond de eeuwwisseling. De kleine ijstijd maakte de weg vrij voor de kolonisatie: het verval van de indiaanse cultuur langs de Mississippi was tussen 1500 en 1540 een feit, waarbij de belangrijkste steden verlaten achterbleven en elke politieke eenheid verbrokkelde. De Anasazi-beschaving (Pueblo-cultuur) kwam in een neerwaartse spiraal terecht.
20 | Filips II en de strijd om Europa
Het Amerikaanse continent werd vanaf 1492 het slachtoffer van een biologische invasie. De Columbiaanse uitwisseling – de overdracht van planten- en diersoorten, ideeën, mensen en technologie van Afro-Eurazië naar Amerika – bewerkstelligde de introductie van micro-organismen die verantwoordelijk waren voor besmettelijke ziekten waarvoor de Amerikaanse bevolking niet immuun was. Pokken, mazelen, malaria en tyfus richtten onder de inheemse bevolking een ware ravage aan, met een sterftecijfer van rond de 90 procent (van 60,5 miljoen inwoners rond 1500 naar 5,6 miljoen rond 1600), wat een bepalende factor was voor de expansie van de kolonisatoren. Het nagenoeg volledig uitsterven van de Amerikaanse volkeren vond vooral plaats vóór het bewind van Filips II. Eén epidemie springt er echter uit. De Nahua’s van Centraal-Amerika werden rond 1520 het slachtoffer van pokken (ca. 8 miljoen doden), evenals van twee pieken van een onbekende epidemie, vanaf 1545 (12 tot 15 miljoen doden) en vervolgens vanaf 1576 (ca. 2 miljoen doden). In de Nahuatl-taal wordt die ziekte cocoliztli genoemd.
Jean Théodore de Bry, Conquistadors attaquant un village d’Indiens. Scène de pendaisons et bûcher (gravure), (BNF C43324). De gravure werd gemaakt voor een uitgave van de Brevísima relación de la destrucción de las Indias door de dominicaan Bartolomé de las Casas.
De wereld is niet genoeg
| 21
Francisco Hernández de Toledo, de lijfarts van Filips II sinds 1567, werd in 1570 naar Amerika uitgestuurd om de eerste ‘wetenschappelijke’ expeditie te leiden. Tijdens de piek van de virale hemorragische koorts in 1576 verrichtte hij autopsies op de slachtoffers en schreef hij dat de manier waarop de kolonisatoren de plaatselijke bevolking behandelden een schadelijke invloed heeft op hun gezondheid en levensverwachting. Al kort voor de troonsbestijging van Filips stelde de dominicaanse missionaris Bartolomé de las Casas de behandeling van de inboorlingen aan de kaak in zijn Brevísima relación de la destrucción de las Indias (1539). De priester zette Karel V tot hervormingen aan, maar in 1546 trok Filips de voor de inboorlingen gunstige wetten in onder druk van de kolonisten en financiële belangen. Las Casas versterkte zijn status door zich in de Controverse van Valladolid (1550-1551) tegen de theoloog Juan Ginés de Sepúlveda te verzetten. Die beweerde dat de inboorlingen inferieure wezens waren die onderworpen en geëvangeliseerd moesten worden. De controverse illustreerde niet enkel de verhouding die zich ontwikkelde tot het ‘anders-zijn’, maar ook de voortdurende spanningen waaraan dat ‘verschil’ onderhevig was én de dubbelzinnige rol van de rooms-katholieke kerk in de rechtvaardiging van de kolonisatie, hoewel de paus de slavernij van de inheemse volkeren van Amerika vanaf 1537 veroordeelde en hun recht op vrijheid verkondigde. Aan de Afrikaanse bevolkingsgroepen werden deze rechten dan weer niet toegekend. De exploitatie van de rijkdommen van Amerika werd tot in het kleinste detail gesystematiseerd. Het vervoer van deze schatten, in het bijzonder van kostbare materialen (zilver, goud, specerijen, suiker, tabak enzovoort), werd vanaf 1566 in de vorm van een konvooi georganiseerd: de Zilvervloot. Ondanks stormen en kapers bracht deze vloot, die aan het einde van Filips’ bewind meer dan honderd schepen telde, elk jaar de in Amerika geplunderde rijkdommen naar Sevilla en ze overspoelde Spanje met kostbare goederen.
Onverdraagzaamheid en confrontatie Naast imperialistische twisten bestonden in de 16de eeuw ook religieuze conflicten tussen christenen. De Augsburgse Godsdienstvrede van 1555 stelde tijdelijk een einde aan de spanningen in het Heilige Roomse Rijk, maar Frankrijk werd van 1562 tot 1598 in de godsdienstoorlogen ondergedompeld. In gebieden beheerd door Filips entte de verbreiding van het gereformeerde geloof en een repressieve politiek zich boven op de wrok die de edelen in de Nederlanden koesterden wegens
22 | Filips II en de strijd om Europa
belastingen en hun wens tot plaatselijke autonomie. Dit alles leidde tot opstand, tot het Plakkaat van Verlatinghe van Den Haag in 1581 (waarbij de onafhankelijkheid van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd ingesteld) en vervolgens tot oorlog tot in 1648. De religieuze spanningen leverden Filips II niet enkel diverse tegenslagen op, maar kostten hem ook een deel van zijn rijk. De intolerante godsdienstpolitiek van Filips II was een schoolvoorbeeld van de confrontatie tussen christenen in de 16de eeuw of vanwege christelijke naties tegenover andere geloofsovertuigingen. Op het Iberisch Schiereiland voerde Filips een beleid van religieuze eenmaking. Zo vaardigde hij in 1567 de Pragmatieke Sanctie uit, waarbij de morisken strenge maatregelen werden opgelegd, waaronder het verbod op het gebruik van het Arabisch. Deze sanctie lokte in 1568 de opstand van Las Alpujarras uit, die in 1571 de deportatie van meer dan 80.000 morisken teweegbracht. Dit beleid kan in verband worden gebracht met de onverzettelijkheid jegens de gereformeerde christenen in Nederland, in een paroxisme van religieuze onverdraagzaamheid. De belangrijkste concurrent van Filips’ hegemonie was het Ottomaanse Rijk. Toen Filips koning werd, heerste Süleyman I (1494-1566), bekend als ‘de Wetgever’ over Constantinopel. Binnen enkele jaren veegde de sultan het koninkrijk Hongarije van de kaart en vestigde hij het Ottomaanse gezag over de Balkan en de zuidelijke Oekraïense vlakte. In de Middellandse Zee bracht de Ottomaanse vloot verscheidene nederlagen aan de christelijke vloten toe. De sterke Turkse aanwezigheid in de Indische Oceaan verstoorde ook de koloniale aspiraties en de tot in Indonesië uitgezette handelsroutes. Maar de grootste doorn in Filips’ oog was de Frans-Ottomaanse alliantie. Als rivaal van de Spanjaarden sloot Frankrijk reeds in 1526 verschillende akkoorden met de Verheven Porte (diplomatieke bijnaam van het Ottomaanse Rijk), een soort van ministerie van Buitenlandse Zaken. Deze alliantie bedreigde de Habsburgse overheersing en perkte Filips’ bewegingsvrijheid in. De twee historische figuren verschilden grondig. Terwijl Filips zijn web weefde met politieke huwelijken gekenmerkt door inteelt, duidde Süleyman een van de christelijke slavinnen in zijn harem, Roxelane, als zijn favoriete aan. De militaire staat van dienst van Filips II was eerder gematigd, ondanks overtuigende successen zoals het stoppen van de Franse ambities in Italië. Die van Süleyman was veel indrukwekkender. Naast zijn Europese veroveringen palmde Süleyman geheel Mesopotamië en Jemen in, terwijl hij in Noord-Afrika de soevereiniteit over Libië, Tunesië en Algerije verwierf. De situatie van Filips lag moeilijker, aangezien de Spaanse kroon gebukt ging onder de schulden nagelaten door Karel V. Filips was dan ook verplicht verschil-
De wereld is niet genoeg
| 23
lende leningen aan te gaan. Cultureel gezien was het hof in Madrid duidelijk een voorstander van de kunsten en Filips’ bewind viel samen met de Spaanse renaissance, Süleyman leidde zijn land een gouden tijdperk van kunst en cultuur binnen. Op religieus gebied voerde de Spaanse koning een intolerant beleid, terwijl Süleyman de beperkingen opgelegd aan zijn christelijke en joodse onderdanen net versoepelde. Eén element verenigde de twee vorsten echter wel, namelijk het verlies van hun troonopvolger. Şehzade Mustafa werd in 1553 op bevel van zijn vader het slachtoffer van complotten aan het hof: hij werd in Süleymans tent gewurgd. Filips’ zoon Karel van Oostenrijk (Don Carlos) – mismaakt, ziek door inteelt en gedeeltelijk mentaal beperkt – stierf in 1568 in de gevangenis, nadat hij contact had gelegd met de opstandelingen die zich in de Nederlanden tegen zijn vader verzetten. Süleyman stierf in 1566. De regering van zijn opvolger, Selim II (1524-1574), markeerde het begin van de Ottomaanse neergang, vaak geïllustreerd door de nederlaag tijdens de Zeeslag bij Lepanto op 7 oktober 1571. Na zes maanden werd de Ottomaanse vloot echter heropgebouwd en de Venetianen werden in 1572 verslagen. Voor de christelijke naties was de ‘Turk’ het schoolvoorbeeld van het ‘anders-zijn’, van een barbaarsheid die in de eerste plaats religieus en daarom moreel en politiek was. Ver van het infantiliserende moderne oriëntalisme werd de ‘Turk’ verguisd om zijn anders-zijn, maar niet onderschat: hij werd soms geprezen om het dreigende karakter van zijn legers. Een echte boeman voor een christendom dat in verdeeldheid was gedompeld.
‘Ontdekkingen’ en revoluties Het Indische subcontinent, het Verre Oosten en Oceanië ontsnapten nog grotendeels aan de koloniale controle. Door de ondergang van de Zijderoute in de 15de eeuw zocht het Westen een ‘Indische route’. De vestiging van kolonies in het Oosten liep door de afstand, de Ottomaanse concurrentie en het plaatselijke verzet vertraging op, maar de eerste stappen in die richting werden bij het begin van Filips’ bewind gezet. De grote toegangspoort tot Indië vanuit het westen, de havenstad Goa, werd in 1510 door de Portugezen veroverd en groeide uit tot het centrum van de handel met Indië. De Portugezen maakten van de verdeeldheid tussen de Indische staten gebruik om kolonies of handelsfactorijen op te richten, in het bijzonder op het eiland Ceylon. Filips riep zichzelf in 1597 trouwens uit tot koning van Ceylon. Vanuit
24 | Filips II en de strijd om Europa
het noorden verliep de verovering van Indië onder het bewind van het Mogol-rijk. In 1556 kwam sultan Akbar (1542-1605) op de troon. Tijdens zijn regeerperiode werd het hele noorden van het subcontinent eengemaakt. In oostelijke richting was het Tweede Birmaanse koninkrijk gevestigd. Birma, in strijd met zijn buurland het koninkrijk Ayutthaya (Siam), werd in 1535 door Tabinshwehti eengemaakt. Siam bevond zich dan op zijn hoogtepunt en beheerste naast het huidige Thailand ook alle Khmer-gebieden. Zuidoost-Azië was in het midden van de eeuw betrekkelijk stabiel, afgezien van de burgeroorlog tussen het noorden en het zuiden in Dai Viêt (1543-1592). Het Westen had in dit gebied echter al voet aan de grond gekregen met de verovering van Malakka, de sluis van de gelijknamige zeestraat op de zeeroute naar China. Nog verder naar het oosten lagen de Filipijnen, verdeeld in verschillende sultanaten. De archipel kreeg in 1543 zijn westerse naam van de Spaanse ontdekkingsreiziger Ruy López de Villalobos, als eerbetoon aan de toekomstige Filips II, dan troonopvolger van Spanje. In het zuiden was Oceanië nog steeds grotendeels terra incognita. Het Verre Oosten was door de kolonisatie nog niet aangetast. De Chinese wereld, in vrijwillige isolatie, beleefde een periode van vooruitgang onder de Ming-dynastie. De regering van Jiajing (1521-1566) was een welvarende periode voor het Middenrijk, ondanks de Mongoolse dreiging in het noorden en Japanse piraten op de kust. Japan werd veel meer door de komst van de Europeanen beïnvloed. Het beste voorbeeld hiervan is de invoer van vuurwapens. Hierdoor kon daimio (edelman) Oda Nobunaga in 1582 de eerste eenmaker van Japan worden. Tussen de archipel en China nam de Joseon-dynastie de rol van buffermacht op zich. Het Europese subcontinent maakte een technologische evolutie door, dankzij de vooruitgang van de wetenschap. Deze ‘revolutie’ bewerkstelligde een toename en een diversificatie van de productie. De Europese samenlevingen ondergingen ook veranderingen, en wel door de versterking van het koninklijk absolutisme als gevolg van de instabiliteit onder andere veroorzaakt door de godsdienstoorlogen. Al in 1576 beschreef de rechtsgeleerde Jean Bodin dat absolutisme in Les Six Livres de la République (De zes boeken van de Republiek). Oorlogen waren op het 16de-eeuwse continent alomtegenwoordig; ze brachten zowel technische ‘vooruitgang’ als schadelijke gevolgen met zich mee. Ten slotte voltooide Europa bij het begin van Filips’ bewind een juridische evolutie, de ‘herontdekking’ van het Romeinse recht. In de universiteiten werd dat vermengd met canoniek recht en Germaanse gebruiken: het jus commune wordt
De wereld is niet genoeg
| 25
www.lannoo.com Registreer u op onze website en we sturen u regelmatig een nieuwsbrief met informatie over nieuwe boeken en met interessante, exclusieve aanbiedingen. Redactie Kevin Gony, Natasja Peeters Ontwerp Studio Lannoo (Nele Reyniers) Zetwerk Keppie & Keppie Beeld cover: Anoniem, Spanish Soldiers killing Protestants in Haarlem, ca.1567 (privécollectie, Bridgeman Images) Beeld p. 270: Sofonisba Anguissola, Portret van Filips II, 1573, olie op doek, 88 x 72 cm (Madrid, Museo Nacional del Prado) Met steun van het War Heritage Institute
© Uitgeverij Lannoo nv, Tielt, 2022 en de auteurs D/2022/45/489 ISBN 978 94 014 8646 0 NUR 680 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Zij die menen nog zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich tot de uitgever wenden.